Het sterven

uit de cursus ‘De mens in al zijn aspecten’  (hoofdstuk 6) – maart 1972

Het sterven

Als een mens op aarde leeft, dan verzamelt zich in hem een groot aantal gegevens. Die hoeveelheid gegevens is echter afhankelijk van de tijd, dat hij zich op aarde bevindt. Dit klinkt misschien een beetje vreemd. De feiten nl., die wij kunnen opnemen, zouden ‑ althans theoretisch – gedurende ons gehele leven in een ongeveer gelijk blijvend tempo kunnen worden opgenomen, met dien verstande dat het opnametempo in de eerste 6 levensjaren ongeveer het achtvoudige is van het normale. Dat de meeste mensen niet daartoe komen, ach, dat is wel te begrijpen. Zij komen op een leeftijd, dat ze zoveel gefixeerde ideeën hebben, dat ze het nieuwe niet meer toelaten. De mens begint eigenlijk te sterven op het ogenblik, dat hij zijn gedachte-inhoud begint te consolideren. Hier zijn we dan aan het eerste punt, dat voor ons vanavond belangrijk is.
Voor de geest is de emotie belangrijker dan het feitenmateriaal. Maar aan de andere kant is het feitenmateriaal voor de mens een direct bestanddeel van het leven; het vormt hem. Het maakt dus uit op welke manier hij emoties verwerkt en hoe hij die emoties kan vinden of vermijden. Naarmate je een groter bewustzijnsmogelijkheid in je draagt, is ook de mogelijkheid om tot een zekere beheersing van je eigen leven en beleven te komen, groter. De verandering is echter bepalend voor de emotie. Die verandering is dus belangrijk als deel van het levensproces. Alle ervaringen, die eenmaal zijn gefixeerd (die dus geen element van vernieuwing, verdere ontwikkeling of verandering in zich bevatten) houden op waardevol te zijn, gezien vanuit geestelijk standpunt; ze zijn dus niet meer van belang.
De situatie bij de doorsnee‑mens is als volgt:
Hij begint met de eerste fixaties rond de 30‑ tot 35‑jarige leeftijd. Ik laat hier even geloof en wetenschappelijke grondstellingen buiten beschouwing omdat deze weliswaar zijn gefixeerd in uiting maar lang niet altijd in beleving en benadering. Rond de 35 jaar begint dus de eerste fixatie. Vanaf dat ogenblik probeert de mens steeds meer zijn wereld zoveel mogelijk gelijkvormig te houden.
De leeftijd van 35 jaar heb ik betrekkelijk willekeurig aangenomen. Het is een gemiddelde. Er zijn mensen, die reeds alles beginnen te fixeren als ze 25 jaar zijn. Er zijn ook mensen, die op hun 70e jaar nog altijd geïnteresseerd zijn in veranderingen en bereid zijn zich daaraan zo nodig ook aan te passen. Als we echter met gemiddelden werken, dan is 35 jaar een goede leeftijd.
Omstreeks het 45e jaar blijkt de fixatie, die in het begin alleen in de richting van grondstellingen ging, zich nu ook te gaan bemoeien met details. Er is een neiging om bepaalde dingen voor altijd en eeuwig vast te leggen en zich daartegen te beschermen. Het is misschien wel aardig op te merken dat dit in uw stoffelijke maatschappij zeer sterk tot uiting komt.
De mens heeft legers. Maar waarvoor bestaan er legers? Ze zouden nl. niet noodzakelijk zijn, indien een voortdurende verandering aan de gang was. Een leger wordt door de maatschappij over het algemeen alleen dan aangetrokken en opgebouwd, indien het erom gaat bepaalde instellingen en instanties te beschermen. En die bescherming betekent ook een fixatie van levenscondities, waarbij het detail ‑ vooral in het leger ‑ vaak nog veel belangrijker is dan de grote lijn. Het is een uiting van een bepaalde verstarringsmentaliteit, ofschoon de velen die in een leger als officier, onderofficier e.d. dienen, dit waarschijnlijk zouden bestrijden. Om nu terug te komen op het onderwerp zelf: Als we 45 jaar zijn, hebben wij reeds de neiging om alles aan te passen aan een patroon. Wij wensen eigenlijk geen nieuwe emoties, wel zoeken wij vaak naar een herhaling van hetgeen in het verleden reeds was. Maar vergeet één ding niet: Als een man of een vrouw tegen de 50 jaar op herhalingsoefening gaat, dan betekent dat nog lang niet dat er sprake is van het zoeken naar vernieuwing. Integendeel, men probeert alleen datgene wat reeds is nog eens voor zichzelf te bevestigen.
Rond 65 jaar kan weer een fase van verdere fixatie intreden. Op dat ogenblik namelijk is ook het bewegings‑ en gewoontepatroon van de meeste mensen zodanig gefixeerd dat ze afwijkingen daarvan niet of bijna niet kunnen gedogen. Deze mensen zijn dan in feite stervensrijp. Want dat ze in beweging blijven, betekent nog niet dat ze werkelijk leven. En als we zien hoe de feiten in uw wereld liggen, dan zult u het met mij eens zijn dat dit sterven vaak op een vroegere leeftijd begint dan de dood intreedt. Er kunnen verschillen van jaren tussen liggen. Ik zal u enkele voorbeelden geven om deze stelling te verduidelijken.
Iemand heeft de laatste 10 jaren een bepaalde taak verricht. Hij. wordt 60. Hij is met zijn taak vergroeid; d.w.z.: ze is een noodzakelijk deel geworden van zijn bestaan.Veranderingen in die taak wijst hij ten koste van alles af. Hij probeert voortdurend voor zichzelf dezelfde inhoud te bewaren, die hij bij de aanvaarding van zijn taak heeft gevonden. Als deze mens die taak niet meer te vervullen krijgt ‑ hetzij doordat hij ander werk krijgt, hetzij doordat hij aan het arbeidsproces wordt onttrokken ‑ dan zien wij in zeer korte tijd sterk lichamelijk verval optreden, meestal gevolgd door de dood. Dit is een punt waarmee u ongetwijfeld rekening zult moeten houden, vooral in een periode waarin de mens steeds ouder zou kunnen worden, als hij maar niet zo enorm verknocht was aan het principe van de arbeid. Dit laatste met alle verontschuldiging aan degenen, die de arbeid tot het werkelijke doel van ’s mensen leven hebben verklaard. Ik meen dat de meeste mensen, indien ze van het leven werk zouden maken, met heel weinig arbeid zouden kunnen volstaan.
De ontwikkeling is geestelijk dan ongeveer als volgt (ik ga weer uit van gemiddelden. Elk geval op zich zal dus enigszins afwijkend zijn):
Zolang ik nieuwe feiten opneem en nieuwe emoties ken en deze een groot scala van gebeurtenissen omvatten, is er sprake van een snelle en sterke bewustwording. Op het ogenblik dat ik bepaalde delen van de emotionaliteit uitschakel en hoogstens nog een repeterend element ken maar niet meer de volledige frisheid, de vernieuwing, die mij confronteert met mijzelf en de wereld, zullen wij zien dat voor de geest de belangrijkheid afneemt. Is er een ogenblik gekomen dat er nog slechts op één of twee gebieden belangstelling bestaat, dan kan worden gezegd dat doorgaans voor de geest dit leven qua bewustwording weinig meer te bieden heeft. Het is de gebondenheid aan die paar overblijvende aspecten, waardoor het leven nog in stand wordt gehouden en de geest misschien ook nog het gevoel heeft dat het toch ook wel betekenis kan hebben. De betekenis wordt geestelijk dan niet meer beschouwd als een eigen bewustwording maar als een mogelijkheid zijn eigen betekenis t.a.v. de omgeving te bevestigen, waardoor ook geestelijk grotere mogelijkheden tot relatie met anderen ontstaat.
Nu moeten we proberen het sterven te definiëren, dat lijkt mij het beste.
Sterven is: het langzamerhand afstoten van relaties met de buitenwereld, tenslotte resulterend in een steeds minder functioneren van de verschillende organen en eindigend met de hartstilstand, waardoor de totale relatie met de wereld onmogelijk is geworden.
U ziet, ik bekijk dat niet alleen maar lichamelijk. Ik bekijk het werkelijk ook als een deel van een geestelijke bewustwording. En ik zou willen zeggen dat je dit sterven zelfs ook in sociale zin kunt hanteren.
Sterven is ook langzaam maar zeker overgaan naar een andere wereld. Het is dus het vinden van contacten met een andere wereld. Maar als dat in de stof gebeurt, dan is daarmee het stervensproces stopgezet. Een mens, die op rijpere leeftijd plotseling in contact komt met allerlei geestelijke verschijnselen, met paranormale krachten en mogelijkheden, begint daardoor weer ‑ en op een nieuw terrein ‑ emoties te ondergaan, ervaringen op te doen en bewustwording geestelijk te registreren. Het is duidelijk dat hierbij vooral de gelijkvormigheid als dodelijk moet worden beschouwd. Het zou misschien goed zijn om dit aan de wereld voor te houden: Alle gelijkvormigheid leidt een sterven in of maakt daarvan reeds deel uit.
Nu is dat in menselijke relaties vaak. heel moeilijk uit te drukken. Laten we zeggen, je bent getrouwd. De eerste tien jaar is dat misschien nog een langzaam zoeken naar elkaar. Dan op een gegeven ogenblik is de situatie gefixeerd. Je weet het eigenlijk wel. Je kent elkaar. Het is een soort automatisme geworden, een gewoonte. Wordt die gewoonte gebroken doordat een van de partners op de een of andere manier uit het huwelijk wegvalt, dan is het duidelijk dat dat allerlei ellende veroorzaakt en daarmee een confrontatie met wat je bent geweest. Maar zolang dat niet het geval is, is ook hier sprake van een inslapen. En dat inslapen impliceert als vanzelf een sterven. Vele huwelijken bestaan nog lang nadat ze zijn gestorven. Ook dat is iets, waarmee men wel eens rekening zou moeten houden. En dan moet u wel begrijpen dat ik het huwelijk zeker niet in de eerste plaats zie als een contact op zuiver fysiek terrein. Er komt nog veel meer bij kijken.
De mensen, die aan elkaar gewend zijn en elkaar als vanzelfsprekend hebben aanvaard, hebben daarmee in hun huwelijksverhouding eigenlijk iets kapot gemaakt. Je zou elkaar eigenlijk voortdurend weer opnieuw moeten ontdekken, voortdurend nieuwe mogelijkheden moeten vinden om jezelf in relatie tot de ander ‑ en het paar samen t.a.v. de wereld ‑ opnieuw te waarderen. Alleen indien die voortdurend hernieuwde waardering een rol speelt, blijft het huwelijk levendig, blijft de mens levendig en is er geen sprake van een langzaam overgaan.
Ik heb dit nu gezegd t.a.v. het huwelijk en de arbeid. Er is echter nog een ander facet, dat zeer interessant is.
Als wij de maatschappij bekijken, dan komen we tot de conclusie dat ook deze op bepaalde ogenblikken begint te sterven. Nu zal de maatschappij nooit zodanig sterven dat de mensheid eraan ten onder gaat. Dat is alleen theoretisch denkbaar maar in de praktijk zal dat niet gebeuren. Toch moet u zich eens realiseren wat er tegenwoordig aan de hand is.
Deze wereld wordt steeds technischer. Steeds meer mensen trekken zich echter uit deze te sterk gemechaniseerde samenleving terug. Alle zo mooi geregelde processen wekken steeds meer wantrouwen. Dat betekent dat er voor de mensen nog hoop is want zij leven nog, anders zouden zij niet reageren. Maar het betekent tevens dat het systeem met verstarring wordt bedreigd, die moeilijk meer te doorbreken is. En als zo’n systeem dan in zich versteent, gaat het ten onder. Normalerwijze zal het zich tegen alle invloeden van buitenaf gemakkelijk kunnen verweren, maar op het ogenblik dat die verstarring is ingetreden, is dat niet meer mogelijk. U zou het misschien zo kunnen zeggen:
Iemand, die heel oud is maar bijzonder intens leeft, kan tegen een griepje en kan desnoods een longontsteking en een operatie ook nog overwinnen en verder leven. Maar iemand van 50 jaar, die verstard is, kan door een enkele verkoudheid een hoestbui krijgen en als gevolg daarvan aan hartverlamming overlijden. Hij kan zich eenvoudig niet daartegen verweren.
Dit is maatschappelijk ook het geval. De praktijk heeft overigens uitgewezen dat gemiddeld per duizend jaar delen van het maatschappelijk geheel afsterven.
Als we kijken naar de situatie rond Christus’ geboorte, dan hebben we daar te maken met een petrificatie (nvdr. verkalking, verstening) – ik zou het niet anders durven uitdrukken – van de Romeinse maatschappij. Die Romeinse maatschappij is in feite al dood 100 jaar na Chr. Ze is overleden. Het lichaam bestaat nog wel maar de invloeden, die daarin een rol spelen, hebben niets meer te maken met het oude Rome. Het resultaat is dat ook de maatschappelijke samenhang, de samenleving zelf zich ontbindt.
Kijken we ongeveer 100 jaar na Chr., dan komen we tot de conclusie dat er een periode is geweest van enorme werkzaamheden, van heel grote openbaringen. Het is een tijd, waarin de magie in het christendom leeft. Maar langzaam maar zeker zoekt men veiligheid. Die zekerheid, die veiligheid kan men alleen verkrijgen, indien men steeds meer begint af te wijzen. Het resultaat is dat er omstreeks het jaar 1000 een enorme verslapping en verstarring t.a.v. de godsdienst optreedt. De z.g. duistere middeleeuwen hebben we voor een groot gedeelte hieraan te danken. Het geestelijk leven, dat duizend jaar bijzonder veel heeft opgeleverd, dat bijzonder levendig was, dat grote innerlijke ontwikkelingen maar ook grote ontdekkingen mogelijk zou maken, heeft moeten plaatsmaken voor een toenemend materialisme. In het materialisme spelen dan nog bepaalde magische factoren (de alchemisten en wat later ook de kabbalisten), die zijn blijven bestaan, een rol maar eigenlijk duurt het honderden jaren voordat deze dingen weer een klein beetje beter vat op de mens krijgen. En zelfs dan nog zijn ze in hun voorstelling en organisatie zodanig materialistisch ingesteld dat ook hier verstarring weer voortdurend dreigt. Wat overleeft, is een enkele mens, die door de vele regels, uiterlijkheden en verklaringen heen kijkend, zelf gevoelens ondergaat waardoor hij komt los te staan van die dingen en verder kan gaan.
Nu loopt het tegen het jaar 2000. We zien nu reeds dat de materialistische maatschappij volkomen is vastgelopen. Het is dus duidelijk dat ook deze maatschappij op sterven na dood is. Zij kan zichzelf vernietigen. Ze kan ook eenvoudig ondergaan aan haar eigen complexiteit.
Beide mogelijkheden bestaan. Eén ding is echter wel zeker: er is geen voldoende nieuwe impuls te vinden, ook niet in de z.g. afwijkende systemen dat van een overleven van dit materialisme kan worden gesproken vóór het jaar 2200, 2300.
Als je dit zegt over de maatschappij, kun je het ook zeggen over de mens. Als je het zegt over de mens, kun je het zeggen over de maatschappij. Deze dingen zijn aan elkaar verwant en blijven met elkaar verbonden. Maar ons onderwerp is nu eenmaal de mens in de eerste plaats en daarom keren we terug naar het sterven.
Als je sterft (ik heb dit enige malen mogen ervaren), dan kom je in een toestand waarin steeds meer contacten met je wereld wegvallen. Het is belangrijk om dat even te constateren. Ook bij de zuiver stoffelijke dood gebeurt dat. Je gehoor wordt slechter, je ziet niet meer zo duidelijk, je denken is niet meer zodanig dat het onmiddellijk op allerlei indrukken kan reageren. Oude gedachten en herinneringen beginnen de overhand te krijgen en slechts een enkel ogenblik kom je ‑ en dat nog zeer fragmentarisch ‑ tot besef van de werkelijkheid waarin je vertoeft. Het is een wegdromen in de gefixeerde wereld. Dat het hart daarbij tot stilstand komt, is eigenlijk bijkomstig. Het gevecht van het lichaam om zichzelf en het organisme te handhaven, is in de doodsstrijd natuurlijk wel belangrijk; het is het meest zichtbare element van menige dood. Maar als we denken aan het sterven, dan moeten we in de eerste plaats eens letten op de wijze, waarop men geestelijk reageert. En dan komen we tot een verbluffende ontdekking.
De mens, die helemaal versuft en afgestompt is, die eigenlijk al niet meer kan horen en zien, krijgt kort voordat de lichamelijke dood intreedt, een ogenblik van enorme luciditeit (helderheid). Hij ziet ineens, hij hoort ineens, hij reageert ineens, hij doorziet ineens heel veel dingen en soms kan hij daaraan ook nog uiting geven. Dat zien omvat op dat ogenblik natuurlijk meer dan zijn eigen wereld. Het omvat gedeeltelijk ook de wereld van de geest, uitgedrukt in besef en een enkele keer in een waargenomen vorm of een gehoorde klank. De uiting daarvan is zelden volledig. Het lichaam kan het eenvoudig niet meer opbrengen. Maar zo is het.
Op het ogenblik dat de stof “stilstaat’ en het ‘ik’ zich moet continueren, oriënteert het zich geheel anders. Het is alsof er plotseling een verandering van richting is waardoor het ‘ik’ in plaats van zich iets van noord naar zuid te realiseren plotseling van oost naar west denkt of omgekeerd. Ik heb deze ervaringen, zoals ik reeds zei, enkele maken zelf mogen meemaken en geloof dan ook wel dat ik hier met kennis van zaken spreek.
Vreemd genoeg ben ik dus al dood voordat mijn lichaam sterft. Want het ogenblik dat ik weer bij vol bewustzijn ben, dat ik ineens weer kan reageren, is eigenlijk al verbonden met een nieuwe wereld, met een nieuw bestaan, ook als daarna de fasen van de overgang normaal moeten worden afgewerkt. Het is erg belangrijk dat men zich dit als mens realiseert. Want menigeen denkt: Nu ja, je sterft maar één keer. En dan denk je aan het lichamelijk sterven.
Je kunt ook sterven, als je gewoon uit een omgeving, uit bepaalde denkwijzen en gewoonten wordt losgerukt. Je gaat dan uiterlijk als dezelfde mens verder. Je zult vele hebbelijkheden behouden, maar in feite ben je veranderd. Je waardering voor de zaken is een andere geworden, je benadering is een andere. Oude gewoonten, oude aanvaarde toestanden zijn plotseling weer nieuw geworden en worden op een verschillende manier benaderd. Denkt u niet dat een mens maar één keer kan sterven omdat hij slechts eenmaal lichamelijk kan doodgaan, althans per leven in de stof. Het is belangrijk dat we dit ook even betrekken op de mens zoals hij in de maatschappij leeft.
Als een kind langzamerhand kan groeien van scholing naar arbeid, dan is er tussen deze beide voor het kind geen kenbare onderbreking. Het een is eigenlijk een conclusie van het ander en het gevoelsleven gaat normaal voort. Maar stel nu dat een kind een bepaalde studie gekozen heeft en door omstandigheden eensklaps daarvan afstand doet. Het kind komt dan in een wereld van arbeid, waarop het niet is voorbereid, met levenscondities en eisen van de omgeving waarop het niet is ingesteld. Dan denken we vaak: hoe wonderlijk dat de een daaraan ten onder gaat en dat de ander het kan overwinnen. Maar degene, die het overwint, is ook degene, die het verleden afkapt. Zo iemand sterft. Het verleden blijft als een herinnering aanwezig, maar het heden wordt opnieuw geleerd. En typerend is, wij vinden in deze periode (dus kort na zo’n ingrijpende verandering) bij de mens vaak hetzelfde absorptievermogen voor feiten en toestanden, dat wij bij het zeer jonge kind kennen.
U weet misschien dat een kind tussen de 2 en 3 jaar ongeveer achtmaal het opnamevermogen van een volwassene bezit maar dat het ook met een zekere verwondering – en daardoor veel kritischer ook, vooral wat de feiten betreft ‑ zijn wereld benadert dan de volwassene.
Na de overgang doen die mensen dat ook direct. Ze staan in een nieuwe wereld en ze gaan die wereld op een bijna kinderlijke wijze analyseren en onderzoeken. Ze stoten vaak hun neus maar ze blijven met dezelfde vasthoudendheid, waarmee het kind de fenomenen onderzoekt, verdergaan. Is er in die periode dan ook nog de beschermende factor aanwezig ‑ op welke wijze dan ook ‑ die het kind in de ouders vindt, dan ontdekken we dat een dergelijke plotselinge overgang van de ene situatie naar de andere niet alleen een sterven betekent (het binnentreden van een geheel nieuwe wereld met een geheel nieuw aantal emotionele mogelijkheden), maar dat het gelijktijdig betekent een zodanig snelle groei, dat dergelijke personen de mogelijkheid hebben anderen, die een normale, vloeiende ontwikkelingsgang naar hetzelfde punt hebben doorgemaakt, te overvleugelen.
Het is eigenlijk typerend voor de gehele mens. Soms explodeert er ergens iets in je leven. Je bent b.v. lang gelukkig getrouwd geweest, ineens valt de partner weg. Je kunt eraan te gronde gaan. Maar je kunt op dat ogenblik ook zeggen: Hoe is mijn wereld nu? En dan blijkt dat die wereld plotseling nieuwe betekenis, nieuwe problemen heeft. Zo zien we soms dat mensen ‑ en dat gebeurt, vooral als ze tussen de 40 en de 50 jaar oud zijn ‑ zich opeens gaan heroriënteren. En dan moet u heus niet denken, zo van: Zit m’n jasje goed en de rest. En: pappa gaat op stap (Toon Hermans), maar dan moet u zich vooral realiseren: die mens gaat alles herwaarderen. In plaats van te blijven hangen aan een beklag over een gefixeerde toestand, die eens was en nu niet meer beleefbaar blijkt, gaat hij verder. Hij leeft in een nieuwe wereld, hij schept nieuwe verhoudingen, nieuwe relaties.
Wat blijkt nu? Degene, die zich blijft vastklampen aan het verleden, zal over het algemeen een stoffelijke dood na korte termijn voegen bij dit sterven. Degene echter, die het sterven na korte termijn overwint en daardoor geen belasting daarvan maakt voor het lichamelijk bestaan, blijkt vaak tot honderd jaar of langer te kunnen leven. Wat dat betreft, is dus de directheid van benadering erg belangrijk. Ik geloof dat je hieruit ook de conclusie kunt trekken dat het sterven op zichzelf geen verschrikkelijk feit is, maar dat je afstand moet weten te doen van alle voor jou gefixeerde waarden in het verleden om daarvoor in de plaats een nieuw besef van de wereld op te bouwen, gepaard gaande met nieuwe emoties. Dat brengt geestelijk een verdere bewustwording tot stand en het komt je over het algemeen lichamelijk zeer ten goede.
En vergeet u nu één ding niet: het is niet een losbarsten en een terugzoeken naar het verleden. Als je vroeger nogal veel succes had en je denkt: ik wil dat nog een keer herhalen, dan loopt dat vast fout. Je kunt het verleden niet meer herhalen. Maar je kunt wel je helemaal opnieuw oriënteren in de wereld.
In dit proces van sterven moeten we ook nog iets anders betrekken ‑ u ziet, het slaat op heel veel dingen ‑ nl. onderwijs. De meesten van u hebben niet daarbij stilgestaan, denk ik. Maar heeft u wel eens opgemerkt dat, als je van de ene school afgaat en je komt op een andere, dat dat eigenlijk ook een soort doodgaan is? Alles wat je op de voorgaande school hebt geleerd, is nog wel van kracht maar op een geheel nieuwe wijze. Je waardering voor de wereld wordt anders, je problemen worden anders, je benadering wordt anders. Hieruit blijkt alweer dat de mens, die intellectueel grote mogelijkheden heeft, wat dit betreft grotere kansen maakt.
De ploeteraar kan natuurlijk ook die school doorlopen, maar hij kan zich vaak niet losmaken van de verhoudingen op een lagere school, als hij eindelijk aan een gymnasium toe is of op een universiteit komt. Degene, die zelfstandig denkt en voortdurend weer zelf reageert, kan de leerstof beter aan. Hij past zich gemakkelijker aan het milieu aan en bovendien: hij leert enorm veel meer omdat zijn leren :niet beperkt is tot de leerstof, maar mee is gebaseerd op veranderingen in menselijke relaties en verhoudingen. Het is voor ouders, die te maken hebben met kinderen, die van de ene school naar de andere overgaan, wel eens goed zich dit even in te denken.
Menig kind sterft als zijn relatie met het leven, zoals dat op een school of in een werk wordt uitgedrukt, plotseling verandert. Dat betekent dat de persoonlijkheid, die dan op die andere school of in dat andere werk naar voren treedt, zeer sterk kan afwijken van wat hij tot op dat ogenblik is geweest. Menige ouder meent dan dat het toch werkelijk niet goed gaat met Jantje of Marietje. Ze zijn zo veranderd; dat kan nooit helemaal goed zijn. In feite gaat het hen beter dan al die anderen. Er is een aardig verhaaltje, dat neerkomt op het volgende:
Er waren op een school drie jongetjes. De een leerde traag, maar was enorm vasthoudend; hij wilde leren. De tweede leerde heel snel maar niet bepaald graag. De derde was een mens (een geest), die op die school eigenlijk niet helemaal scheen te passen. Zeer wisselvallige resultaten: de ene keer zeer goede cijfers, de andere keer niet. Weinig belangstelling, weinig concentratievermogen. Wat bleek nu? De vasthoudende ploeterde verder en bereikte inderdaad wat in de maatschappij, maar alleen omdat hij in één richting bleef doorgaan. Hij bereikte iets in de maatschappij dank zij zijn eenzijdigheid, maar bleef innerlijk ongeveer gelijk aan het ploeterende schooljongetje van eens. De tweede, die goed maar niet graag leerde, had in de maatschappij wel vele mogelijkheden, maar kon ze niet realiseren. Hij had nl. de neiging om van de wereld teveel te verwachten en zelf te weinig daartegenover te stellen. De wispelturige figuur echter paste zich steeds aan alle omstandigheden aan en kon, als de omstandigheden hem op welke wijze dan ook interesseerden, altijd weer het uiterste geven om juist daarin zichzelf te bewijzen. Het was deze laatste, die op bijna geniale manier voor de wereld iets kon betekenen. Beide anderen bereikten hoogstens een soort zelfvoldaanheid.
Dit verhaal maakt duidelijk waar het om gaat. Sterven is niet een kwestie van afgedaan, afgelopen. Het is eerder een kwestie van een noodzakelijke vernieuwing, een noodzakelijke heroriëntatie, waardoor het proces van bewustwording kan voortgaan. En dat geldt net zo goed voor uw stoffelijke dood als wanneer u dit sterven alleen maar in meer abstracte zin doormaakt. Want iemand, die uit uw wereld overgaat en daarbij alle waarden van het menselijk leven voortdurend probeert vast te houden, komt niet ver in de geest. Hij wordt meestal gedurende lange tijd iemand die doolt, iemand die in Nevelland zit en bereikt hoogstens de laagste sferen van Zomerland, indien het heel erg goed met hem gaat. Daarin blijft hij dan zijn oude stoffelijke standpunt steeds handhaven, verkondigen en vormgeven tot het ogenblik, dat hij eenvou­dig niet meer verder kan en in de volledige fixatie van alle ontwik­keling tot een sterven komt in die sfeer; wat voor hem een reïncar­natie op aarde betekent.
Iemand, die van het leven veel verwacht, zal in de. geest ook veel verwachten. Dat betekent dat hij zich gemakkelijker aanpast.
Hij zal gemakkelijker leiding van anderen aanvaarden en na de overgang sneller het licht bereiken, althans indien hij daartoe in staat is. Hij zal in het licht ook veel meer kunnen waarnemen. Maar de neiging om alles van buitenaf te verwachten brengt hem ook tot stilstand. Hij is niet bereid datgene wat hij verkrijgt, verder na te gaan; hij meent dat het voldoende is te bestaan en te accepteren. Ook zo iemand zal ‑ zij het na wat langere tijd ‑ een soort geestelijke dood ondergaan. Hij kan niet verder meer en zal dus moeten gaan leven in een stoffe­lijke wereld. Ook als hij arbeid heeft aanvaard in de geestelijke wereld, is hij niet in staat daaruit voldoende waarde te putten om voort te gaan.
Hebben we het derde type, dat de wisselvalligheid heeft van wat men op aarde wel eens een genie noemt, dan blijkt dat zo iemand zich volledig kan geven in elk contact. Dat betekent in de eerste plaats waarschijnlijk een zeer snelle bewustwording. In de tweede plaats, en dat is heel belangrijk, een verwerpen van die delen van het geestelijk bestaan, welke hem niet interesseren. In de derde plaats, en dat is misschien nog belangrijker, hij heeft de vasthoudendheid, de training om elk punt, dat hem werkelijk interesseert, zo volledig mogelijk te ab­sorberen en in al zijn consequenties te volgen. Deze persoon leeft niet alleen aanmerkelijk bewuster dan beide anderen in de lagere geestelijke sferen, maar hij zal ook zeer snel tot hogere sferen komen en zijn werkbereik daarin na zeer korte tijd verder kunnen ontplooien. Zo iemand sterft misschien ook geestelijk voortdurend, om­dat hij steeds van de ene sfeer naar de andere overwipt. Hij kan een tijdlang intens bezig zijn, b.v. als spreker op een bijeenkomst als deze, en dan ineens er helemaal mee uitscheiden. Maar dan betekent het wel dat hij iets anders heeft gevonden dat voor hem veel belangrijker is. Dan laat hij de rest er maar een beetje bij hangen. Zoals dat bij mensen bestaat, bestaat dat ook bij geesten.
Het proces sterven is niet iets wat je alleen maar tot de stoffe­lijke dood moogt en kunt beperken.
Als u relaties heeft met mensen, dan blijkt ook dat er vaak perio­den van verstarring optreden. U heeft contact met iemand en op een ge­geven ogenblik wordt het altijd maar weer hetzelfde. Bijvoorbeeld: Wij vinden elkaar heel erg aardig en elke woensdag, donderdag of vrijdag komen we samen. We roddelen wat over de buren onder een ver­mouthje, daarna gaan we bridgen. Als ze uitgebridged zijn, kritiseren we elkaars fouten, we babbelen nog even na, vertellen misschien het laatste grapje of het laatste nieuws en verlaten elkaar tot de volgen­de week. Kijk, die contacten zijn misschien wel gezellig, maar ze zijn zelden nuttig. Pas als bij elke ontmoeting ook een element van onzeker­heid schuilt (en dan niet de onzekerheid of hij vandaag wel het slem zal halen, dat hij biedt of niet, maar dat er steeds iets ander is), is zoiets waardevols. Het wekt nl. emoties bij je waardoor je je opnieuw moet oriënteren. Die emoties betekenen voor de geest bewustwording. En de voortdurende oriëntatie betekent ook een uitbreiding van je be­grip voor de mensheid als zodanig. Het is dan ook erg schadelijk om veel gewoonten te hebben, om de doodeenvoudige reden dat gewoonten bewuste reacties beginnen uit te sluiten. Daar, waar de gewoonte de eigen wil en het eigen besef langzaam maar zeker gaat domineren, is er sprake van een begin van sterven.
De toestand van de mens is moeilijk denkbaar zonder zijn contacten met anderen. Er was eens iemand, die heeft gezegd: “Alle bekwaamheden, die een mens bezit, zou een dier ook kunnen bezitten. Maar indien het de communicatiemogelijkheid van de mens niet heeft, zal het er niets mee kunnen doen.” Ik zou wat verder willen gaan en zeggen: Het is de communicatiemogelijkheid van mens tot mens waardoor de mens zich juist ook qua bewustzijn en bewustwording boven anderen kan verheffen. Dat die communicatie van het allerhoogste belang is, kun je pas begrijpen, als je gaat zien in hoeveel delen van het bestaan het belangrijk is.
Als je begint te werken, je eerste baan, dan is het heel belangrijk dat je die mensen leert kennen, dat je leert begrijpen wat ze werkelijk zijn en wat ze bedoelen. Je behoeft hen niet aardig of onaardig te vinden, je moet hen leren begrijpen. Pas door het begrip, dat je voor die anderen hebt, is er een reële communicatie mogelijk. En eerst op die communicatie kan een concrete samenwerking worden gebouwd, ook als op den duur de communicatie het verbale stadium voorbij is en tenslotte met een blik en een enkel gebaar je elkaar gaat begrijpen. Maar vergeet niet, dit is nog steeds communicatie. Dit is alleen het spreken tot een minimum terugbrengen.
Als je met iemand trouwt, dan kun je zeggen: We houden van elkaar. Maar is dat ‘houden van elkaar’ genoeg? Pas als je elkaar goed leert kennen, als je gaat begrijpen wat er in die ander leeft, wat die ander denkt, als er dus een communicatie wordt ontwikkeld, die niet alleen bestaat uit die heerlijke woordjes van wederkerige waardering, waar werkelijk is: Ik weet uit dit teken alleen reeds dat je in die stemming bent, ik weet dus dat ik op deze manier moet reageren, dan begint dat huwelijk pas vorm te krijgen. Want wat ontstaat er dan? Een twee‑eenheid. Dat zijn mensen, die elkaar voortdurend aanvullen en die ‑ juist door de communicatiemogelijkheid, die zij onderling hebben geschapen en die vaak t.a.v. de wereld een wat exclusief karakter heeft ‑ steeds zullen reageren zoals het ook voor de partner goed en nodig is. Ze begrijpen elkaars behoeften, maar ook de noodzaken die zij hebben t.a.v. de wereld.
Misschien mag ik hier een kleine opmerking plaatsen. Vele vrouwen zien het als hun taak om hun man vooral tot de grootste maatschappelijke hoogten op te jagen. Zij vergeten daarbij helemaal dat die man een eigen leven, een eigen denken, een eigen aard heeft. Het resultaat is dat er geen sprake is van communicatie tussen de twee maar in feite van een slaaf ‑ slavendrijversverhouding. De vrijheid van de ander moet ergens gerespecteerd worden in het huwelijk.
Dit geldt maatschappelijk precies zo. Wij kunnen maatschappelijk elkaar ontmoeten, veel met elkaar spreken en elkaar niet begrijpen. Maar op het ogenblik dat we begrip krijgen voor elkanders noden, reacties en behoeften, zijn we in staat samen te werken, zelfs als we uiterlijk tegenpolen zijn. Dan kan de communist de meest orthodoxe roze, rode of oranje getinte christen helpen om het Koninkrijk der Nederlanden op de juiste wijze te regeren. En als wij in een dergelijk contact een perfectie hebben bereikt, waardoor een werkelijke communicatie ‑ dus .ook een volkomen reële samenwerking, die vanzelfsprekend wordt ervaren, is opgebouwd, dan hebben we een band gelegd, die bij beiden gelijkwaardige geestelijke, emotionele inhouden tot stand heeft gebracht. En dan kan een van beiden lichamelijk sterven, terwijl de ander ‑ om welke reden dan ook ‑ lichamelijk voortgaat, maar dan kan de binding door de gelijke emotionele inhoud niét worden teniet gedaan.
Men spreekt er wel eens over dat mensen gehuwd blijven door alle eeuwen heen. Nou, over het algemeen is dat kolder. In de eerste plaats: er zijn heel veel beschavingen, werelden en sferen, waarin een boterbriefje niet telt, ook niet als je alle vakjes vol hebt staan met nageslacht. In de tweede plaats: een twee‑eenheid is een relatie, die alleen kan ontstaan indien beiden elkaar zo aanvullen dat zij gezamenlijk een grotere waarde of betekenis voor de wereld hebben dan elk op zich ooit zou kunnen bereiken. Zo kan dan een eenheid, in een huwelijk begonnen, overvloeien in wat men noemt het tweelingziel-zijn.
In het lichamelijk sterven, in het overgaan van de ene geestelijke wereld naar de andere (ook een vorm van sterven), ja, in de veranderingen van besef, zoals die op aarde mogelijk zijn (ook een vorm van sterven), brengt dan het gebeuren altijd weer dezelfde band met zich mee. Die band kan op vele verschillende manieren worden uitgedrukt. Ik kan mij voorstellen ‑ om een zeer aards voorbeeld te gebruiken – dat een werkelijke twee‑eenheid tussen man en vrouw is ontstaan. Er komen grote veranderingen in de wereld en om welke reden dan ook zal er een scheiding tussen die twee als stoffelijk paar plaatsvinden. Dan zullen geen van beiden de binding met de partner kunnen afschudden. Ze kunnen beiden in verschillende werelddelen gaan leven, onder’ geheel verschillende omstandigheden, de band blijft bestaan. Zij zuilen elkaar wederkerig blijven beïnvloeden en wat meer is: ze zullen de ervaringen en mogelijkheden, die één van beiden heeft, altijd weer overstralen naar het andere deel, zodat zij geestelijk gezien maar ook in een soort telepathische eenheid blijven functioneren. Zelfs als beide partners ondertussen met een ander gehuwd zouden zijn, behoeft dit geen verschil uit te maken.
Het is goed als je al die dingen eens bekijkt. Want sterven is voor de mens over het algemeen afscheid nemen, het vaarwel zeggen. In feite is sterven alleen maar een veranderen van omstandigheden. De dood, die daarop volgt, kan de dood zijn van een idee, van een ideaal, van een lichaam of de dood van een bepaald aantal plannen, het maakt niets uit.
Het sterven op zichzelf als veranderingsproces betekent altijd de mogelijkheid tot vooruitgang. Wie echter zichzelf zozeer fixeert t.a.v. vaste stellingen, waarden en inhouden, dat hij ook in of na het sterven weigert nieuwe waarden en mogelijkheden te beschouwen, hij brengt zichzelf tot een werkelijke dood, die ‑ geestelijk uitgedrukt ‑ over het algemeen een vertoeven in het duister impliceert, soms zelfs tot de laagste trap toe en die menselijk betekent: het onvermogen jezelf in stand te houden te midden van veranderende condities.
Ik hoop, dat u ook dit aspect van het mens‑zijn voor nadere overweging zult willen gebruiken.

Noot.
Aan de dood van de mens gaat altijd een dreiging van fixatie vooraf. Wij dienen ons wel te realiseren dat zowel op zeer jeugdige als op zeer hoge leeftijd de mens kan komen te staan voor een situatie waarin hij geen mogelijkheden meer erkent. De angst voor het niet meer kunnen reageren, betekent dan een pas op de plaats maken. Dit ‘pas op de plaats maken’ komt tot uiting in herhaling, omdat men uiterlijk dan bepaalde vormen nog verder wil tonen, zonder dat men er innerlijk volledig achter staat. Het resultaat is heel vaak, dat juist dergelijke mensen zeer snel daarna sterven, indien zij tenminste een verdere ontwikkeling, dus een gebruik van hun flexibiliteit t.a.v. de ervaring willen vervolgen. Het is voor de mens moeilijk om dat te begrijpen. Er zijn nl. bepaalde lichamelijke gebreken, welke de dood en dus ook een voorafgaand sterven kunnen veroorzaken, zonder dat daarvoor ‑ gezien de geestelijke processen van de persoon in kwestie ‑ aanleiding schijnt te zijn.
Wie zich echter de moeite getroost dit na te gaan – en een helderziende zou dit goed kunnen doen – die zal ontdekken dat gemiddeld een jaar tot acht maanden vóór het overlijden (waarvoor misschien geen enkele reden schijnt te zijn en dat mogelijk zelfs door een ongeval tot stand komt) de uitstraling van de persoon verandert. Ze heeft een zekere matheid, een gelijkblijvendheid en duidt zo in de uitstraling reeds aan, dat een fixatie t.a.v. het bestaan dreigt op te treden. De pogingen om zich daaraan te ontworstelen kunnen dan soms worden afgelezen als betrekkelijk felle pieken met een blauwe buitenrand en een rode binnen schicht.

VORMEN VAN BLINDHEID.

Wij kennen in de opvoedkunde bepaalde vormen van z.g. leesblindheid waardoor bepaalde woorden nimmer juist worden gezien en gelezen en ook bepaalde schrijffouten steeds worden gemaakt. Men vraagt zich dan af waar deze blindheid aan te wijten is. En ofschoon men het eerst heeft gezocht in meer lichamelijke oorzaken, heeft men de laatste tijd steeds meer begrepen dat hier sprake is van bepaalde psychische ontsporingen. Hier is sprake van een waarneming, die door de hersenen verkeerd wordt vertaald. Daarvoor moet er een reden zijn.
De reden van deze blindheid blijkt bij nader onderzoek vaak te liggen in opvoeding, in enkele gevallen ook in problemen, die de kinderen hebben met hun omgeving of met de school. Er zijn zelfs gevallen bekend dat een zekere vorm van leesblindheid zeer snel verdween nadat het kind in kwestie naar een andere school was overgeplaatst. Het is opvallend dat dus ook een kind al kan komen tot het verwerpen van bepaalde zaken in de buitenwereld. Ofschoon de z.g. woord‑ of leesblindheid daarvoor symptomatisch mag worden genoemd, is het een verschijnsel dat in de gehele wereld pleegt op te treden.
Zo zien wij b.v. dat, als een man en een vrouw samen door een winkelstraat lopen, de man niet heeft begrepen wat de vrouw allemaal gezien heeft en de vrouw zich niet kan voorstellen dat, wat de men heeft geconstateerd, eveneens aanwezig was. Kennelijk is hier de belangstelling van beslissende betekenis voor de waarneming.
Op soortgelijke wijze vinden wij een argument‑blindheid, die kan ontstaan, als twee mensen over een geloof of een stelling, waaraan een van beiden vast gelooft, debatteren. Men is eenvoudig niet in staat af te wijken van zijn eigen interpretatie en kan dus niet begrijpen wat de ander zegt.
Hier zijn we in een maatschappelijker beeld gekomen tot een definitie van datgene wat ongetwijfeld ook voor de z.g. leesblindheid aansprakelijk is: de neiging om bepaalde zaken af te wijzen of te verwerpen en het daardoor ontstane onvermogen om de daarmee in verband staande zaken op te nemen. Want het is zo dat iemand, die weigert in een God te geloven, heel vaak ook blind is voor elk paranormaal verschijnsel. Hij zal dáárbij al datgene wat hierover is geschreven, niet kunnen begrijpen. Hij zal het alleen kunnen interpreteren in de zin van zijn eigen stellingen. En dat gaat zelfs verder. Wanneer hij aanwezig is bij het geschieden van een wonder, dan zal dat wonder voor hem niet geschied zijn. Hij zal een verklaring vinden, waardoor het geen mirakel is.
In de wereld van het kind, waarin men veel minder expliciet zijn meningen, gevoelens en ook vrezen tot uiting kan brengen, zal het wat lastiger zijn om samenhangen te achterhalen. Ik wil u graag enkele gevallen citeren, waarin leesblindheid of woordblindheid optrad en u trachten duidelijk te maken hoe schijnbaar onsamenhangend deze zaken zijn met hun oorzaak.
Een kind vertoont een tamelijk sterke leesblindheid, die echter voornamelijk samenhangt met elke dubbele o‑klank. Dit is een heel wonderlijk verschijnsel. Het komt niet zo vaak voor en men beschouwt het geval interessant genoeg om het aan de psychiater over te dragen. Na een lang onderzoek blijkt dat dit kind op 2‑ à 3‑jarige leeftijd door spookverhalen en bedreigingen met een spook eigenlijk een afkeer heeft gekregen voor de o‑klank. Verder blijkt dat het woord ‘spook’ één keer in een van de eerste leeslessen is voorgekomen en dat de onderwijzer of onderwijzeres dit als spellingsvoorbeeld heeft gebruikt. Vanaf dat ogenblik is deze blindheid ontstaan. Het verwerpen van het gevreesde bracht het kind ertoe om alles wat ermee kon samenhangen, uit zijn besef te elimineren; ook de betekenis van woorden, waarin alleen maar de lange o een overeenkomst met het gevreesde spook zou kunnen geven. Een duidelijk voorbeeld dus van het verwijderen van één enkel beeld uit de eigen ervaring en het uitbreiden daarvan tot de gehele wereld.
In een ander geval blijkt dat een kind alle begrippen, die met water samenhangen, verkeerd schrijft. Men zoekt dan na waar dát vandaan komt. Het blijkt dat deze afkeer van water niets heeft te maken met het wassen, waartegen natuurlijk de gebruikelijke protesten wel worden gegeven, maar met een poging van enkele ouderen om het kind te leren zwemmen door het in het water te gooien. Schijnbaar geen relatie. Er is echter toch een dergelijke samenhang gebleken.
Een laatste voorbeeld:
Een kind blijkt niet in staat te zijn om wat ingewikkelder woorden als chauffeur, autobus, auto e.d. goed te schrijven. Gelijktijdig speelt dit kind wel degelijk met speelgoedautootjes. Nader onderzoek brengt aan het licht dat het kind een enorme angst heeft ondergaan toen een autobus, waarin het met zijn ouders zat, een botsing heeft gehad. De blindheid is daarmee verklaard.
Ik wil niet zeggen dat dit het enige is waardoor een dergelijke lees‑ en woordblindheid kan worden veroorzaakt. Ik wijs er slechts op dat dit mede een oorzaak zou kunnen zijn, en wel aan de hand van een drietal in uw wereld geconstateerde gevallen. De stelling, die ik daaromtrent zou willen opbouwen is deze:
Het menselijk bewustzijn is geneigd om al datgene wat het vreest, terzijde te stellen. En indien de vrees diep genoeg verankerd is, zal dit terzijde stellen niet alleen het onderwerp in kwestie of één bepaalde situatie betreffen, maar al datgene waardoor een associatie zou kunnen ontstaan.
Deze blindheid of doofheid treedt overigens heel vaak op. Maar ook als het kind ‑ b.v. door een minder goede psychische ontwikkeling ‑ niet in staat is gemakkelijk te lezen en te schrijven en er dus vormen van woordblindheid en leesblindheid voorkomen, moeten wij toch nagaan: waar ligt de oorzaak? In vele gevallen blijkt dan dat het kind niet komt tot het bewust lezen van dergelijke woorden omdat de associaties van het leren ‑ dat zeer moeizaam is geweest ‑ met het lezen, verhinderen dat het gelezene ook wordt gesorteerd.
Men heeft een bepaald spelletje gedaan (het was als ik mij niet vergis een B.L.O.‑school in Nederland), waarmee men de kinderen de woorden leerde spellen door hun een bord te geven, waarop bij elk hokje van latjes, dat daarop was aangebracht, een letter was geplaatst. Men speelde het spelletje parkeren. Het kind moest met een aantal speelgoedautootjes in de juiste vakjes rijden en als kenteken daarvan werden letters gegeven. Later werden woorden gegeven. Nu was het intellect van deze kinderen aanmerkelijk lager (althans naar het genormde intellect) dan dat van hun omgeving. Door dit spel werd niet alleen betrekkelijk snel lezen geleerd, maar de kinderen konden in vele gevallen zelfs het lettergrepen‑lezen overslaan en kwamen onmiddellijk tot woord‑lezen. Ze bereikten na ongeveer 6 maanden van dit onderricht een leessnelheid en ‑bekwaamheid, welke overeenkwam met die van kinderen, die als normaal intelligent werden beschouwd op andere scholen. Dit experiment vond plaats in de buurt van Utrecht. Alweer, de associaties, die wij met iets hebben, zijn bepalend voor de aanvaarding ervan.
Dit kan men voor vele zaken in het gehele leven zeggen. Wij kenen gevallen waarin mensen een lange tijd bepaalde handelingen verrichten zonder er verder iets bij te denken of deze misschien zelfs zeer aangenaam vinden, tot het ogenblik dat er voor hen ‑ hoe dan ook ‑ een enorme schok zich voordoet. Als deze schok er is, wordt hij met het eens als normaal ervarene geassocieerd en men wijst de vroegere ervaring af. Men wenst zich kennelijk niet eens geheel te realiseren dat die ervaringsmogelijkheid vroeger bestond.
Ditzelfde zien wij in de wetenschap. Er zijn ons gevallen bekend dat een mislukte proefneming ertoe leidde dat een bepaalde tak van onderzoek door enkele toch zeer goede wetenschappelijke onderzoekers voortdurend werd gemeden. Indien men hun vroeg waarom zij deze vorm van onderzoek terzijde hadden gesteld, was het antwoord steeds dat daarmee toch niets te bereiken was. Alweer een typische ontkenning van iets op grond van associatie.
U zult mij waarschijnlijk niet kwalijk nemen, als ik nu ga spreken over uw leven.
Ook in uw leven komen bepaalde vormen van blindheid voor. Wij kennen mensen, die – als zij het woord ‘U.S.A.’ horen, alleen denken aan onderdrukte negers, misbruikte werkslaven, de Ku Klux Klan en dergelijke dingen. Het feit dat er ook een ander Amerika bestaat, gaat eenvoudig aan hen voorbij.
Wij kennen mensen, die zodra er wordt gesproken over communisme of een communistische staat, elke positieve waarde automatisch ontkennen. Het lijkt alsof dit opzettelijk gebeurt. Dit is niet het geval. Hier zijn bepaalde angsten dermate sterk in het individu verankerd, bepaalde denkwijzen zo belangrijk voor de instandhouding van de ‘ik’-waardering, dat elk feit, dat daarmee niet strookt, eenvoudig terzijde wordt gelegd en als onmogelijk en als niet‑bestaand wordt beschouwd.
Hoe gaat het met u in uw leven? Zijn er bij u bepaalde dingen, die u misschien onmogelijk acht of waarvoor u geen open oog heeft? Het zal u moeilijk zijn dit te constateren. Maar als anderen een andere mening hebben, dan moet u zich eens afvragen waarom u onmiddellijk reageert met ‘dit is niet mogelijk; dit kan niet bestaan; laat je niet bedriegen.’ U moet daarvoor een reden hebben. Die reden is zelden een volkomen logische. Dan moeten er in u eveneens bepaalde angsten bestaan.
Nu geldt de regel ‑ en dat hebben de experimenten met die kinderen bewezen ‑ dat indien de angst eenmaal erkend is, de blindheid of doofheid, die daarvan het gevolg is geweest, kan worden weggenomen. Men zal dan toch wel moeten leren. Er volgt nu een leer‑periode, maar in die tijd kan men betrekkelijk snel het normale peil weer bereiken. Men heeft dan weer normaal toegang tot alle feiten van zijn wereld.
Iemand, die in zich een angst ontdekt waardoor hij tot verwerping komt, doet er goed aan zich af te vragen of deze angst redelijk is en of deze angst op dit ogenblik nog aanvaardbaar en zinvol is. In 9 van de 10 gevallen zult u ontkennend kunnen antwoorden. In dat geval zal uw blindheid voor verschijnselen in de wereld, uw doofheid voor bepaalde argumenten eveneens kunnen verdwijnen.
Bij kinderen, die leren, blijken ook andere vormen van blindheid te bestaan. Er zijn kinderen, die niet kunnen leren rekenen of die voor bepaalde vormen van rekenen blind zijn. Nu komen deze ‑ dat wil ik graag toegeven ‑ in Nederland niet zo gauw voor. Een Nederlander rekent graag. Er zijn mensen, die normaal kunnen rekenen. Zij kunnen met tiendelige breuken rekenen. Zodra ze echter met gewone breuken moeten werken, gaat het niet. Komt dat omdat ze de procedure niet kennen? In 9 van de 10 gevallen kennen zij die wel. Maar er is iets wat hen ertoe brengt dit af te wijzen. Die afwijzing hebben wij bij kinderen kunnen constateren en onderzoeken. Wat blijkt nu?
In vele gevallen is bij het kind het tonen van een originaliteit, het op zijn eigen manier kunnen oplossen van een probleem, zeer belangrijk. Het is een bewijs van eigenwaarde. De lering, die wordt gegeven, wordt heel vaak beschouwd als een aantasting van deze eigenwaarde. Wij zien dat dit bij het rekenen met breuken, soms reeds kan optreden. Maar heel sterk treedt het op de voorgrond, als de kinderen algebra moeten leren. Er zijn vele methoden om de sommen, die met eenvoudige algebra moeten worden uitgerekend, op een andere wijze en eveneens juist te berekenen. Deze kinderen grijpen automatisch naar die andere methode en weigeren te begrijpen dat de substitutie‑systemen, waarop de algebra is gebaseerd, waardevol en belangrijk kunnen worden. Door te zeggen: Ik heb mijn eigen manier en ik kan een goed antwoord verkrijgen, zeggen zij in feite: Ik ben net zo goed of beter dan u, die mij algebra leert.
In vele gevallen blijkt de mens geneigd te zijn om bepaalde waarheden over het hoofd te zien, bepaalde erkenningen af te wijzen, daar hij door het stellen van een andere waarheid of een ander.e erkenning, die hem een bevestiging van het ‘ik’ toeschijnt, de wereld toeroept: Ik heb waarde. Ik ben evenveel waard als u.
Wij kennen dat ook bij godsdienstonderwijs, ofschoon ‑ naar ik heb gehoord ‑ dat in Nederland niet meer algemeen en overal schijnt voor te komen. Bij godsdienstonderwijs kennen wij kinderen, die alleen geïnteresseerd luisteren en het verder wel geloven. Dat zijn de goede gelovigen van later.
Wij kennen ook kinderen, die vragen naar het hoe en waarom. Zij zijn de twijfelaars en vaak de latere geloofsvernieuwers.
Er zijn echter ook kinderen, die elk deel van de godsdienstles proberen te doorbreken met een tegenargument, een soort sarcasme. Zij zijn het die later de bestrijders zullen worden van de godsdienst, waarin zij zijn opgevoed.
Vraag je naar de reden van dit optreden, dan blijkt weer dat juist het kind dat probeert elk argument, op welke wijze dan ook, te ontwrichten en elke geloofslering aan te tasten, het geloof haat omdat het door dit geloof zichzelf geketend voelt. Het heeft niets te maken met de relatie tot God. Het heeft alleen te maken met een discipline, die is opgelegd. Het kind, dat op deze wijze reageert, zal dan ook later vaak de godsdienst bestrijden, omdat het daardoor meent zichzelf te kunnen handhaven. Zelfhandhaving is m.i. een van de machtigste drijfveren in het menselijk bestaan. En de psychische zelfhandhaving is daarbij, voor zover ik heb kunnen constateren, een van de eerste oorzaken voor elke vorm van blindheid en doofheid voor verschijnselen in de omgeving.
Het lijkt eenvoudig te zeggen: Er komt onder de kinderen tegenwoordig steeds meer leesblindheid of woordblindheid voor. Indien men zich realiseert wat men in feite daarmee constateert, zou men misschien gruwen. Het betekent dat deze kinderen in deze wereld een absoluut verzet kennen door angsten, die hen dwingen de kennis van volwassenen althans grotendeels te verwerpen. Het betekent dat deze kinderen innerlijk zodanig zijn gestoord en aangetast door waarden van buitenaf, dat zij om hieraan te ontkomen, elke mogelijkheid om een associatie met het gevreesde in zich te ontdekken, zullen verwerpen.
Het is misschien goed er in dit verband op te wijzen dat woord- en leesblindheid vaak sterker voorkomen in omgevingen waar zeer veel lawaai is. U kunt dat informeren in b.v. Badhoevedorp. Het is verder opvallend dat deze woord‑ en leesblindheid dikwijls voorkomen in sociale milieus waarin het kind weinig eigen ontplooiingsmogelijkheden vindt; b.v. in bepaalde buurten, waarin voor het kind weinig speelgelegenheid en praktisch geen contact met de natuur mogelijk is. Ook hier is kennelijk de woordblindheid een verzet.
Als verschijnselen als lees‑ en woordblindheid, blindheid voor bepaalde rekenkundige mogelijkheden, de afwijzing van de algebraïsche werkwijze, het terzijde stellen van argumentatie van leraren, het afwijzen van godsdienstonderricht in toenemende mate voorkomen, dan betekent dit dat de kinderen, die nu opgroeien, ergens bang zijn voor de wereld. Dat zij door angsten worden gedreven. Het betekent dat zij innerlijk grote problemen te verwerken hebben. Het betekent dat het oplossen van de leesblindheid op zichzelf niet voldoende is, maar dat men de oorzaken daarvan zou moeten zoeken en die zou moeten verbeteren.
Een mens leeft in een wereld waarin hij ‑ ook geestelijk gezien – bewust moet worden en ook moet leren. Maar als die wereld er een is van angsten, dan zal zijn houding ‑ ook geestelijk ‑ tegenover de wereld worden aangetast. Dan zal zijn werkelijkheidszin niet alleen op aarde maar ook geestelijk worden beperkt. Dan is de kans dat hij ook in een zuiver geestelijke ontwikkeling in moeilijkheden komt, aanmerkelijk groter.
Mag ik dit betoog besluiten met op te merken, dat het voor de mens op aarde zowel uit materieel menselijk, sociaal menselijk als geestelijk oogpunt zeer belangrijk is om aan de vele jongeren, die onder de genoemde afwijkingen en de daarmee vergelijkbare verschijnselen lijden, een wereld te bieden, die wat beter past bij een kind dat opgroeit. Alleen zo kan men de geestelijke ontwikkeling van de mensheid verder voeren naar een hoger peil. Alleen zo kan men er zorg voor dragen dat de gemeenschap van vandaag niet de chaos van morgen wordt.

Begrip

Het begrijpen. Hoe kun je iets begrijpen? Het is een soort tasten.
Het woord zegt het al: grijpen, het uitreiken naar de ander. Het proberen om die ander te definiëren.
Begrip is in wezen het vanuit jezelf aanvaarden van de werkelijkheid van de ander of het andere en zo komen tot een beeld van de werkelijkheid, die in en voor de ander of het andere bestaat. In vele gevallen is begrip niets anders dan wijsheid, nl. het doorzien van de waarden, het terzijde stellen van de uiterlijkheden om daardoor te komen tot de essentie.
Wie tot een begrip van de wereld wil komen, zal de vele en over het algemeen rijkelijk aanwezige details moeten verwaarlozen.
Als je wilt spreken over de Nederlander, dan kun je dat moeilijk doen want de Nederlander is een fictieve figuur. Maar als je van de Nederlander uitgaat en hem vergelijkt met anderen en tracht te komen tot de essentie, die alle mensen gemeen hebben, dan kun je wel tot een definitie van de mens komen.
Wij moeten de ander begrijpen. Het is een mooie stelling. Dat is niet altijd mogelijk. Wij kunnen slechts datgene begrijpen in en van de ander door wat er in ons aanwezig is. En wij kunnen slechts datgene begrijpen en aanvaarden van de ander wat wij in onszelf bezitten en in onszelf niet vrezen, zodat we het ook kunnen accepteren.
Begrip is een proces waarbij het ‘ik’ en de mogelijkheden van het ‘ik’ van groot belang zijn. Want het ‘ik’ zelf aanvaardt een waarde, die buiten het ‘ik’ bestaat. Alleen zo komt begrip tot stand. Maar als die aanvaarding dan een feit is geworden, dan dienen wij ons ook te realiseren dat die aanvaarding nimmer het totaal van de ander of het andere kan bevatten maar alleen dat gedeelte ervan dat wij door onze inhoud en ons begrip kunnen aanvaarden.
Men heeft eens gezegd: Wijsheid is het zich kunnen verplaatsen in het andere en zo het bereiken van een objectiviteit, gepaard gaande met een begrip voor het wezen van de ander. Ik geloof dat in deze uitspraak duidelijk wordt gemaakt wat begrip moet betekenen: aanvaarding. Maar aanvaarding op grond van datgene wat in jezelf leeft. Het bereiken van een objectiviteit door de maatstaven, die je voor jezelf hanteert, niet voor de ander te hanteren.
Begrip is het zien door de bekleding heen. Zelfs iemand, die een bepaalde wetenschappelijke theorie wil begrijpen, zal eerst door de vele details en uiterlijkheden heen de essentiële zin moeten beseffen en dan pas kan hij het geheel begrijpen.
Wij kunnen een mens pas begrijpen, indien wij hem eerst als mens aanvaarden en zijn wezen en werken als mens objectief durven beschouwen en met onszelf vergelijken. Door deze beschouwing wordt het dan ook mogelijk al datgene, wat met het zijn van die andere mens samenhangt, beter te begrijpen. Hij, die probeert verschijnselen te begrijpen, beseft en begrijpt niets. Hij echter, die probeert de kern te begrijpen en daardoor komt tot de verklaring van de verschijnselen, begrijpt veel, zo niet alles.