Het volmaakte leven buiten de tijd

uit de cursus ‘Kosmologie’ (hoofdstuk 5) – februari 1957

Wanneer een mens leeft, wanneer een geest leeft, dan bestaat dat leven uit een voortdurend op elkaar aansluitende reeks van momenten. Elk moment betekent een bepaalde bewustwor­ding en het totaal van deze bewustwordingen noemen we het levensproces.

Nu ligt in onze aard, in ons wezen besloten, dat wij de tijd en dus een wordingsproces, als inhaerent aan ons eigen wezen beschouwen. Toch is dit niet geheel juist en waar, want uitgaande van de stellingen omtrent het Goddelijke kunnen wij zeggen: “Waar het volmaakte slechts het volmaakte voortbrengt, zal het volmaakt blijven”. Zo zal het Scheppend Vermogen, waarvan wij de volmaaktheid aannemen, volmaakt alles geschapen hebben wat bestaat, bestaan heeft of bestaan zal; en wel in iets, wat voor dat Goddelijke gelijktijdig is. Dit houdt in, dat van uit het “Goddelijke” niet slechts verleden, heden en toekomst vast liggen, maar tevens, dat alle realiseerbare mogelijkheden en waarschijnlijk nog vele daarbuiten binnen dit ene moment van schepping, binnen deze goddelijke uiting, permanent geuit zijn.

Wij, als schepselen, belevend in de tijd, zijn onvolledig, om de doodeenvoudige reden, dat wij niet in staat zijn het geheel van ons eigen zijn en wezen te realiseren. Ook al roept men in het geestelijk leven en ook wel in het stoffelijk leven u reeds toe; “Ken uzelf, wees u bewust van wat u bent,” dan is dat toch niet geheel te realiseren.

Het volmaakte leven kan niet bestaan in materie en tijd. Want een volmaakt leven zou betekenen: een volledig afgeronde geheel evenwichtige uiting van het wezen. Stellen wij ons dit voor, dan moet een zodanige evenwichtigheid optreden van bewustzijn, begrippen, zelfkennis en eventueel realisatie van een buitenwereld, dat geen nieuwe beleving meer mogelijk wordt. Want het volmaakte kan niet vergroot of verkleind worden. Vandaar dat wij ‑ denkende van uit onze eigen wereld – het volmaakte bewustzijn en het volmaakte leven eerst kunnen vinden buiten het tijdservaren, buiten de tijd.

Mijn wezen bestaat dus te allen tijde in dit tijdloze, de volmaakte eenheid, de volmaakte uiting van het Goddelijke, zich in perfecte harmonie verbindende met het totaal van de schepping. Kan ik de tijd voor mijzelf verloochenen, dan zullen mij ongetwijfeld vele ervaringen, vele gedachten en belevingen ontgaan. Neem ik aan, dat deze noodzakelijk zijn voor een zelfrealisatie, dan kan ik dus eerst door het leven tot het tijdloze komen.

Wij nemen echter aan dat er een tweede weg bestaat, de weg van de absolute zelfnegatie, van zelfontkenning. Wij beredeneren dit op de volgende wijze:

Wanneer een mens of een geest zichzelf ontkent, heeft deze ontkenning betrekking op dat gedeelte van zijn wezen, dat gerealiseerd is. De ontkenning van dit gedeelte houdt dus tevens in zich een wegvallen van elke grens, die het bewustzijn of de persoonlijkheid trekt.

Maar men kan nooit meer zijn dan zichzelf, of buiten zichzelf treden.

De volmaaktheid beperkt ons en belet ons hier om meer te zijn dan datgene waarvoor wij geschapen zijn. Deze zelfnegatie moet dus tot resultaat hebben, dat i.v. het bewust geactiveerde gedeelte van onze persoonlijkheid, onze gehele persoonlijkheid tot spel en werking komt, en als zodanig tijdloos wordt gerealiseerd: het volmaakte leven.

Deze theorie vindt haar bevestiging in het feit, dat bij de hogere sferen regelmatig gesproken wordt over een opgaan in God. Wanneer je daarvan dan een uitleg vraagt, krijg je ongeveer het volgende antwoord: Opgaan in God wil zeggen, jezelf geheel prijsgeven en opgaan in het Goddelijke.

Daar is bij ons toen het volgende gevraagd: Gaat dan de persoonlijkheid verloren? Dat werd als volgt beantwoord. De persoonlijkheid blijft bestaan, maar zij is zodanig anders, dat men zich dat thans niet kan voorstellen.

Degenen, die ons dit vertellen, zijn over het algemeen zo hoog gestegen, dat zijzelf reeds ‑ zij het in korte ogenblikken ‑ deze overgave benaderend, soms voor een korte wijle haast bereikt hebben. Zij weten dus reeds, wat het doel is waarnaar zij streven en hebben ongetwijfeld ook de mogelijkheden daarin bereikt.

Verder nemen wij aan, dat iemand, die zo dicht bij de Oneindigheid staat, door een affiniteit van zijn eigen wezen met die Oneindigheid, de gedachten daarvan, de werkelijkheid daarvan, beter in zichzelf kan opvangen, dan voor ons – beperkte wezens – mogelijk is.

U zult ongetwijfeld met mij kunnen meevoelen, wanneer ik zeg, dat het haast ondenkbaar is om buiten de tijd te staan. Aan de andere kant: ons streven is de volmaaktheid. De volmaaktheid voor onszelf te gewinnen betekent: de tijd, en al wat daarin zich afspeelt, prijsgeven voor een vol erkennen van ons wezen. Het proces zou zich – zo denken wij het – ongeveer als volgt kunnen afspelen:

Ons leven kent meer mogelijkheden, dan door ons wordt gerealiseerd. Ja, wat meer is, elke mogelijkheid die gerealiseerd wordt, is één uit de vele mogelijkheden, die vóór de realisatie plaats vond, voor ons realiseerbaar waren. Zo zouden wij alle dingen kunnen volbrengen en beleven, die binnen ons voorstellingsvermogen zich voordoen.

Conclusie: Ons leven in de tijd is een selectief proces, waarbij wij niet reizen in de wereld buiten ons, maar in onszelf, om delen van ons eigen wezen te beleven i.v.m. een buitenwereld.

Nu reizen wij in onszelf langs een pad, dat wij noemen de wet van oorzaak en gevolg. Dit betekent, dat elke toestand die nu bestaat, zijn eigen consequenties uit in het volgende moment van ons bestaan of één der volgende elementen van ons bestaan. Zo kan deze weg, die wij volgen, misschien erratisch zijn vanuit een goddelijk standpunt, voor ons is en blijft hij een logische ontwikkeling.

Deze logische ontwikkeling zal ons voeren langs alle fasen van bewustzijn en bewustwording, die mogelijk blijken. Maar in elk der fasen weigeren wij om het leven te erkennen, dat zich niet door ervaring (dus door persoonlijke beleving) reeds in ons heeft afgedrukt. Aannemende dat deze afdrukken door de buitenwereld in ons gewekt worden, kunnen wij natuurlijk zeggen: Wij moeten voortleven, tot wij in het beleven de volmaakte weergave van onszelf gespiegeld hebben in de wereld buiten ons en vandaar de indruk weer terug hebben ontvangen.

Logischer echter lijkt mij het volgende: Op het ogenblik, dat wij ons bewust worden van ons vermogen om alle krachten in onszelf onmiddellijk te realiseren en de realisatie van die krachten niet meer verbinden met voorstellingen buiten ons ‑ tenzij dan voor bijzondere doeleinden ‑ zullen wij ons kunnen onttrekken aan alle leven en beleven en daarvoor in de plaats de waarheid van ons eigen leven beseffen.

Voor een schepsel is dit nooit volledig en blijvend realiseerbaar, tenzij een onmiddellijke opgang in het Goddelijke daarvan het gevolg is. Maar is dit dan al niet volledig en voortdurend realiseerbaar, zo zal aan de andere kant voor korte ogenblikken (volgens ons tijdsbeleven) toch reeds de eenheid met ons eigen wezen bereikbaar zijn.

Het komt dus hierop neer: Op het ogenblik dat u tijdelijk uzelf vergeet en één denkt te worden met de kosmos, wordt u alleen één met uzelf. Want meer dan één zijn met uzelf kunt u niet. Maar in dit één zijn met uzelf bent u ook één met dat aspect van het Goddelijke, wat in uw persoonlijkheid volmaakt en tijdloos geuit werd.

Wanneer deze stelling met zich meebrengt, dat ik nooit meer kan zijn dan mijzelf, maar dat ik mijzelf kan zijn in een omvaming van alle tijdsverschijnselen, dan kan mijn streven naar het volmaakte ook anders worden omschreven. Het streven naar het volmaakte is een streven naar het bestaan buiten tijd, maar ook buiten ervaring. Ervaring is een verschijnsel dat voortvloeit uit de tijd, n.l. uit een reeks van opeenvolgende momenten, waardoor voortdurend nieuwe realisaties mogelijk worden.

Het woord bewustwording, dat door ons zo veel wordt gebruikt, is dus een woord dat alleen van kracht is voor onze levensgang, maar nooit van kracht geacht kan worden voor ons werkelijke wezen. Ons werkelijke wezen is bewust.

Het verschil dat wij maken tussen verschillende voertuigen, tussen verschillende werelden en sferen, is van uit de kern van ons wezen dan ook fictief. Voor de kern van ons wezen of de ziel bestaat er geen stof of geest. Bestaat er slechts “zijn,” waarin een deel van de kracht, of – zo u wilt – de ingeschapen eigenschappen en bewustzijn van de ziel, tijdelijk worden geuit en gerealiseerd op een ander plan.

Ons hele streven, gericht op louter bewustwording, is dus van uit de kern gezien niet juist. Ons streven naar bewustwording krijgt alleen dan zin, wanneer het ons mogelijk maakt meer en meer de begrenzing van ons eigen wezen te vergeten en daarvoor in de plaats op te gaan in grotere krachten, in groter bewustzijn. Het bewustzijn dat God gegeven is, en niet zelf gewonnen.

Nu kom ik hierbij schijnbaar in strijd met stellingen die door onze Orde veel verkondigd worden. Maar dienaangaande kunnen we het volgende vaststellen: Zolang wij niet in staat zijn datgene, wat wij thans onze persoonlijkheid noemen, prijs te geven, zullen wij moeten streven naar bewustzijn. Want slechts indien de huidige persoonlijkheid een bewustzijn heeft, dat een prijsgeven van de kunstmatige grens, die ons ik afzondert van onze werkelijkheid, mogelijk maakt, kunnen we ko­men tot het werkelijk bestaan, tot de waarheid.

De waarheid, mijne vrienden, is niet gebonden aan tijd. Zij is evenmin gebonden aan ruimte, aan begrip of aan persoonlijkheid. Zij is. Maar geschapen uit God zijn wij even waar als God. Even waar, even werkelijk.

Wanneer wij volledig waar en werkelijk zijn, is een verandering een leugen, een beleving telkenmale een aantasting van die waarheid. Want elke beleving, elke bewustwording, zou betekenen, dat iets aan de waarheid wordt toegevoegd, veranderd, of iets uit de waarheid wordt weggenomen. Vandaar dat wij – levend in het beperkte en strevend van uit een beperkte persoonlijkheid – ons tijdelijk doel moeten zien als bewustwording, maar deze bewustwording slechts als middel kunnen gebruiken om tot werkelijkheid en waarheid te komen.

De resultaten van ons stoffelijk en dus beperkt bestaan, evenals de resultaten van ons geestelijk bewustzijn, zullen dus alle gerubriceerd kunnen worden onder de gedachtegang: waan. De waanwereld is elk levensverschijnsel. De waarheid is de absolute zijnstoestand.

Stellen wij ons nu een ogenblik voor, hoe dan een tijdloze waarheid, dus ook een tijdloos bestaan, zich aan onze ogen moet voordoen.

In de eerste plaats is de persoonlijkheid zelf onveranderlijk, evenzeer als alles wat die persoonlijkheid zou omringen of begrenzen. Beleven komt niet voor. Zou ook het denken niet voorkomen?

Deze vraag kan beantwoord worden, indien wij stellen, dat tussen vaste waarden een voortdurend en wederzijds erkennen mogelijk is, zonder dat dit in feite een waardeverandering voor een der vaste waarden inhoudt. Waar een erkenningsproces mogelijk is, vinden wij dus ook een denken als mogelijkheid. Maar niet meer in de zin van het stoffelijk denken. dat een combineren en deduceren is, maar als een ziele‑denken, dat een registratie is van het totaal Goddelijke, voor zover dit ontvangen kan worden binnen de grenzen van het eigen wezen.

In de tweede plaats: het wezen zelf, eeuwig zijnde, volmaakt zijnde, zal niet begrensbaar zijn volgens de door ons gekende methode. Het zal schijnbaar zich oneindig uitbreiden in alle richtingen. In zijn volmaaktheid moet het gelijk zijn aan alle uitingen, dus ook aan de goddelijke. Een voorstelling, als uiting in een bepaalde dimensie of in een bepaald vlak, valt dus weg. Een uiting, die in alle richtingen gelijktijdig gaat tot de grenzen van het Al en toch niet alle waarden van het Al omvat, zou dan kunnen worden gesteld in een voorbeeld (een voorbeeld, dat dus in zichzelf weer enigszins onjuist is, omdat het een voorbeeld is) als volgt: Stel de volmaaktheid voor, de Goddelijke Volmaaktheid, als een cirkel. Trek daarbinnen in het middelpunt een andere cirkel en laat van deze cirkel lij­nen lopen in elke gewenste richting. Zij zullen steeds tot de grens gaan en niet verder. Zij zullen de uitersten van het Goddelijke beroeren en gelijktijdig één zijn met de kern. Want het middelpunt van de grote cirkel zal – bij een juiste vlak­ indeling – liggen in het middelpunt van de kleine cirkel. Dan heeft u hier een voorstelling, die ons het bestaan buiten de tijd en de oneindigheid dus als volgt laat zien:

Ik ben in de kern van mijn wezen, identiek aan de kern van het Goddelijke. Ik ben in de uiting van mijn wezen begrensd tot aan het Goddelijke, maar volkomen gelijkvormig aan het Goddelijke. Vanuit mijn wezen kan de gedachte, de realisatie, gaan tot de grenzen van het Goddelijke. Maar ik kan slechts in het middelpunt vertoeven en blijven vertoeven, indien mijn erkenning van het Goddelijke naar alle zijden volkomen gelijkmatig en gelijk krachtig plaats vindt.

Hieruit volgt punt drie: Leven buiten de tijd is statisch. In deze status wordt echter de volmaaktheid gerealiseerd. Elk keren uit deze toestand van status tot een beleving of een realiteit zou een verwerpen van de volmaaktheid inhouden.

Hieruit volgt een conclusie: De mens, en ook de geest, het Goddelijke beroerende in zijn kern, kan slechts daarvan worden afgedreven, indien het eigen erkennen niet evenwichtig is. Ongelijkmatige krachtsuitingen in de begrenzing van het Goddelijke betekenen een verplaatsing uit het middelpunt. En deze verplaat­sing uit het middelpunt betekent een beweging. In deze beweging zal een ongelijkmatigheid van krachten ontstaan, die een voortdurende verplaatsing binnen het Goddelijke betekent van een in zichzelf gelijkblijvende en alle waarden van het Goddelijke in kleinere kring in zich bevattende kracht. Is dit duidelijk?

• De begrenzing van het Goddelijke (die buitenste cirkel), lijkt me een contradictio in terminis.

Neen. Want aangenomen, dat God onbegrensd is, zal Hij naar alle rich­tingen gelijkelijk onbegrensd zijn en kunnen wij dus in een voorbeeld, dat in zichzelf misschien onjuist is, rustig aannemen dat een begrenzing bestaat, mits deze begrenzing overal gelijkelijk ver van het middelpunt verwijderd is. Wanneer wij God onbegrensd laten, is het onmogelijk van uit onszelf ook maar enigerlei verhouding tegenover het Goddelijke vast te stellen. Verder zou een onbegrensd zijn van het Goddelijke inhouden, dat ons eigen wezen evenzeer onbegrensd is. Want ‑ uit het Volmaakte geboren ‑ zijn wij identiek aan het Volmaakte, behalve in onze oorsprong. Het resultaat zou dus zijn, dat het stellen van een niet‑begrensd zijn van het Goddelijke, strijdig met ons ogenblikkelijk wezen en bewustzijn, elke realisatie van het Goddelijke en dus ook elk streven naar het Goddelijke volkomen fictief maakt. Met andere woorden: degene, die God als het Onbegrensde stelt en geneigd is toch zichzelf als ik‑heid te zien, schept daarmee voor zichzelf de onmogelijkheid het Goddelijke te bereiken of te benaderen, laat staan te begrijpen en er op in te gaan.

En daar volgt dan onmiddellijk uit, dat dus elke benadering, waarbij de mens of de geest, zichzelf ziende als begrensd wezen, een omschrijving van het Godde­lijke geeft, deze omschrijving, juist of niet juist, een omgrenzing van het Godde­lijke in zich zal moeten sluiten, wil een omschrijving van de relatie ook maar enigszins begrijpelijk of redelijk duidelijk zijn. En dan volgt hieruit, dat in een bespreking als deze de begrenzing van het Goddelijke a priori gesteld moet worden, waar anders de lezing en de totaliteit van de daarin verstrekte gegevens volle­dig zinloos zou zijn.

De redelijkheid, waarmee wij in deze status bestaan, moet uit de aard der zaak gelijk zijn aan de rede van het Goddelijke. De rede van het Goddelijke moet het goddelijk denken zijn, dat de schepping voortbrengt, (indien wij dit proces willen aannemen) of de schepping is (indien wij m.i. het probleem juister willen benaderen). Dan zou binnen de begrenzing ik‑heid (dus deel van het Goddelijke) het geheel van het Goddelijke gereproduceerd zijn in ons wezen.

Van hieruit kunnen wij teruggaan tot onze meer normale esoterische stellingen en leringen. Want wij nemen aan, dat de ziel – de kern van de mens – voortdurend gebonden is met het Goddelijke. En dat de begrenzing, daaraan toegekend, binnen de schepping, voor God niet bestaande, voor ons slechts realiseerbaar is. Dan is in onze ziel het totaal van het Goddelijke dus voor ons benaderbaar en vindbaar. Dit Goddelijke echter ligt buiten alle tijd en buiten alle ruimte.

Consequentie: Wie zoekt naar zichzelf en in zichzelf het Goddelijke ontdekt, wordt vanuit zijn vorm opgenomen in een tijdloos bestaan, dat gelijktijdig alle bekende begrenzingen opheft en daarvoor in de plaats slechts de grens stel van deel-zijn in het wezen Gods, waardoor wij binnen het eindig gestelde wezen Gods eindig zouden zijn. Stellen wij God echter als het al-omvattende, daarbij een begrenzing al of niet in het midden latende, dan volgt hieruit dat ons wezen – zij het kleiner of slechts deel van het Goddelijke ‑ evenzeer al-omvattend is.

Deze laatste conclusie kunnen wij ons voorstellen redelijk genoemd te mogen worden bij gedachte. Nooit bij een feitelijke werkelijkheid. Dat twee gedachten elkaar volkomen inhouden en toch niet gelijk zijn, is voorstelbaar. Maar dat twee voorwerpen elkaar inhouden en toch niet volkomen gelijk zijn, is niet voorstelbaar. Dan stel ik, dat het tijdloze en de volmaaktheid in het tijdloze voortvloeit uit het feit, dat de werkelijkheid een gedachte is en niet een toestand of een wezen.

Dan voeg ik hier verder aan toe: Om te komen tot deze volmaaktheid dienen wij alle vormen en vormbewustzijn los te laten als kwalificatie voor onszelf, terwijl wij gelijktijdig alle vorm en vormbewustzijn in ons opnemen als identificatie van goddelijke waarden. Op deze wijze, terugbrengende wat werkelijkheid schijnt tot gedachte – zij het dan een gedachte die wij nog niet als ook uit ons originerend kunnen beschouwen – zullen wij vinden, dat de beheersbaarheid van elke variatie in de gedachte het voor ons mogelijk maakt binnen de tijdloze en begrensde oneindigheid, die ons wezen is binnen God, alle aperte aspecten te beleven en te doorleven, zonder daarbij het totaalbeeld van de schepping uit het oog te verliezen.

Hier vinden wij dan in het tijdloze de volmaaktheid van een hemel‑beleven weergegeven. Zegt men niet, dat Gods loon voor een ieder, die deel wordt van Zijn rijk is, de vervulling van al zijn wensen en het perfecte geluk? Kan er een groter geluk zijn dan in jezelf alles te realiseren naar eigen believen, zonder ooit met jezelf of met God in strijd te komen? Gezien het volmaakte besef, dat de gedachte in zich houdt, zal de gedachte steeds een harmonische uiting zijn. Maar toch zal zij door een selectie van bepaalde elementen kunnen komen tot een beschouwing, niet een beleving van elke volmaaktheid, die zij voor zichzelf afzonderlijk wenst te belichten.