Het ware ‘ik’

Het ware ‘ik’

Het is moeilijk te definiëren wat je bent. Als je terug kijkt in je wezen en je bent je bewust genoeg, dan gaat er een eindeloze reeks gestalten en fasen aan je voorbij. Je bent het allemaal en toch ben je altijd weer wat anders.

Kijk je naar je geestelijk bestaan, dan blijkt dat je een ontelbaar aantal verschillende werelden en relaties hebt gekend en dat je ten slotte, terugkerend tot wat je bent, weer niet kunt zeggen: dit ben ik. Ik was het allemaal, maar misschien ben ik meer.

Wie naar binnen kijkt en probeert de werkelijkheid te definiëren, loopt al heel snel vast. Zoals we al gezegd hebben, het is voornamelijk een kwestie van niet kunnen formuleren. Je kunt eenvoudig de woorden niet vinden, de beelden niet ontwerpen die nodig zijn om tijdloosheid te omschrijven, die gelijktijdig toch een bewuste en wisselende existentie inhoudt. Daarom zal het eerste beeld van onze innerlijke werkelijkheid altijd een soort leegte zijn. Vol herinneringen en toch niet omschrijfbaar. Vol drijfveren die we eigenlijk niet helemaal begrijpen. Vol allerlei impulsen die tegen alle redelijkheid schijnen in te gaan.

Wie dus zijn innerlijke wereld probeert te benaderen, zal moeten toegeven: mijn wereld is geen redelijke. Wat ik ben, is ook niet een redelijk wezen in de gangbare zin van het woord. Ik existeer, ik ben. Als ik probeer een beeld van mij zelf te ontwerpen, dan is dat steeds een samenvoegen van allerlei fragmenten van mijn bestaan waarbij de bindende factor, het geheel dat er achter schuilgaat, toch eigenlijk buiten beschouwing blijft. Wie zover is gekomen dat hij dit bewust en oprecht kan constateren, zal minder moeite hebben om de innerlijke wereld helemaal te kunnen verwerken.

Wij hebben natuurlijk allerlei interpretaties van de buitenwereld. Wij hebben onze reacties daarop maar de reden, de werkelijke oorzakelijkheid, die toch een verband moet leggen tussen wat wij van binnen zijn en wat er buiten ons bestaat, ontgaat ons. Dan gaan we proberen de werkelijkheid te vangen in beperkte gedeelten. Als ik het geheel niet kan vinden, dan kan ik in ieder geval proberen de gedeelten te omschrijven. Zoals je soms door enkele stippen te zetten toch al een idee krijgt van de vorm die er mogelijk in schuilt. Dan stel ik voor de innerlijke werkelijkheid allereerst dit: Wat je in het verleden bent geweest, bepaalt ook je heden. Alle vormen, die je ooit hebt bekleed, spelen een rol bij hetgeen je vandaag bent. Maar er is meer. De ervaringen die je daar hebt opgedaan, en die voor jou werkelijk van het grootste belang waren, zijn vormend geweest voor alles wat je in dit leven kunt projecteren.

Elke mens is innerlijk begiftigd met een aantal gaven, maar ook be­last met angsten en misschien vooroordelen, die uit een vorig bestaan in de stof kunnen stammen. Daarnaast is elk mens ongetwijfeld ook belast met de ervaringen die hij in een geestelijke wereld heeft doorgemaakt. Iemand die ontzettend lang in het duister heeft lopen dolen en eindelijk incarneert, zal onbewust duister blijven associëren met een toestand van verwarring, van dreiging. Hij zal bang zijn voor het duis­ter. Op deze wijze krijgen we dan begrip voor alle onredelijkheden in ons wezen.

Dat die onredelijkheden te verklaren zijn, ach, als we alles zou­den weten, dan zou dat mogelijk zijn. Maar we weten eenvoudig niet alles en we kunnen heus niet alle gegevens achterhalen zolang we op aarde zijn. Daarom nemen we aan dat er sprake is van een geestelijke oriëntatie (dat is een geestelijk wereldbeeld), daarnaast van een prenatale oriëntatie, d.w.z. een wereldaanpassing zoals die werd doorgemaakt bij de incarnatie in het lichaam en de periode in het moederlichaam. Dan krij­gen we nog ‑ en die kan heel belangrijk zijn ‑ onze na de geboorte plaats­vindende oriëntatie, die immers voor een groot gedeelte wordt bepaald door uiterlijkheden waarover wij geen zeggenschap hebben.

Deze drie factoren zijn in aardse tijd misschien samen te vatten in een incarnatie‑aanloop in de tijd van ongeveer twee jaar. Dan heb je het wel gehad en begin je eindelijk, ik zou haast zeggen, mens te worden. Alles wat er in die periode is gebeurd, blijft onze innerlijke werkelijk­heid bepalen.

Het is natuurlijk wat vreemd te zeggen dat iemand een boom een struik noemt of omgekeerd. Maar als er in uw hele opmaak in die pre­natale periode, in de post‑natale periode van ongeveer 9 maanden tot een jaar, of in een voorgaande ervaring, iets is waardoor u die neiging heeft, dan zult u altijd die neiging blijven behouden. Dat brengt ons tot een heel belangrijk punt. Want als je bezig bent met de werkelijkheid, dan lijkt het altijd een beetje op Dostojéwsky: iedereen denkt aan schuld en boete.

Het is helemaal geen kwestie van schuld en boete. Zeker, er zijn karmische werkingen die ook een rol spelen. Maar de innerlijke werkelijkheid wordt toch niet door de karmische werkingen bepaald maar door het geheel van hetgeen wij werkelijk zijn. Het is ons werkelijke ‘ik’ dat be­palend is voor alles wat wij zijn en dus ook voor alles wat wij tot uiting brengen of van buiten kunnen opnemen.

Niemand van u zal proberen een kleurenfoto te maken met een zwart-wit film. Als u innerlijk nog een zwart‑wit film bent, kunt u eenvoudig geen kleurvarianten duidelijk kenbaar vastleggen. Die vaagheid is dan niet uw schuld. Het is gewoon een deel van uw bestaan, een fase in uw bestaan. Daarom is schuld maar iets heel betrekkelijks.

Ik weet wel dat er mensen zijn die zeggen: wij moeten onze innerlijke wereld oriënteren op de Openbaringen. Ik vind dat erg mooi, maar er zijn zoveel openbaringen. U kunt door een innerlijke stem gedreven, of misschien door uiterlijke omstandigheden daartoe gedwongen, kiezen voor een bepaalde leer, een bepaalde openbaring. Maar is die openbaring nu de enig juiste en is uw interpretatie daarvan juist? Is het menselijk spelen met zaken, die misschien wel een vergelijking zijn van meer kosmische aard, eigenlijk wel verantwoord?

Als u schuldig bent, dan is uw werkelijke ‘ik’ schuldig. Als uw wer­kelijke ‘ik’ schuldig is, dan is God schuldig, want in en uit God leeft dit werkelijke ‘ik’. Dus begin daarmee. Als u uw innerlijke werkelijkheid gaat beschouwen: geen schuldgevoelens. En in ’s hemelsnaam ook niet: o, wat ben ik zondig. U bent het misschien wel, maar u kunt er niets aan veranderen. Dat is deel van uw structuur op dit ogenblik. U kunt domheden uithalen, goed. Maar in uw innerlijke wereld kan dat niet de betekenis hebben van: ik ben dit of ik ben dat. Want datgene wat u bent, kunt u niet veranderen voor zover het de innerlijke werke­lijkheid betreft.

Wij zouden het volgende kunnen zeggen: De innerlijke werkelijkheid in de mens is gedurende zijn leven op aarde een vaste waarde die wel enigszins verrijkt kan worden maar niet feitelijk gewijzigd. Elke wijziging die wij dus tot stand brengen, heeft te maken met een uiterlijke werkelijkheid. Deze beheersen wij niet vol­doende om haar te richten volgens onze eigen inzichten.

Als u zo durft denken – want het vergt een zekere moed af te stap­pen van alle dogmatische verkondigingen – dan komt u ook tot de conclu­sie: als ik in mijzelf kijk en tracht aan te voelen, dan kom ik als van­zelf tot een beeld van een soort wolkenwereld. Er zijn wel wisselende vormen, er zijn wisselende reacties, maar eigenlijk is het iets dat op zichzelf staat. Zoals de natuur wel gebruikt, en soms gemanipuleerd kan worden, maar nooit gedomineerd door de mens.

Aanvaard dit en vraag u af: wat leeft er in mij, niet aan schuld­gevoel, niet aan gedrevenheid, om iets te doen? Gewoon, wat bestaat er in mij als situatie, als gevoelswaarde? Welke beelden leven er in mij? Dat heeft niet zoveel te maken met dromen en dagdromen waarover we vroeger wel eens hebben gesproken. Het heeft te maken met een aanvoe­len.

Wie zichzelf aanvoelt, ontdekt eigenlijk een stukje van het grote ‘ik’. Dan kun je zeggen, zoals sommigen doen: dat is de God in mij. Maar het is verstandiger te zeggen: het is het licht in mij, het is de erkenningsmogelijkheid in mij. Want als ik terugga, niet tot de uiterlijk­heden, de grenzen die dat innerlijke wereldje voor mij heeft, maar naar die bron van het licht, dan zal alles wat voor mij ooit harmonisch is geweest of zal zijn (de tijd speelt hier geen rol), als vanzelf begrepen kunnen worden in zijn harmonische betekenis. Mijn innerlijke werkelijkheid is dan een wereld die wordt aangevuld door de wereld buiten.

Wil je proberen om dat grote ‘ik’ nog verder te omschrijven, dan kun je alleen maar zeggen: ik ben wat ik besef te zijn en nog veel meer het onbesefte. Verder kom je niet. Maar je kunt er wel bij zeggen: en levend uit het onbesefte zal ik aan alles wat ik besef in mij zin en betekenis toekennen, maar ik zal het nimmer beschouwen als een waar­de die mij overheerst. Dat is het belangrijke punt voor dit eerste deel van deze les.

Uw innerlijke werkelijkheid heeft natuurlijk haar droombeelden, haar illusies, haar dagdromen. Al die dingen die in u leven en alle gevoe­lens, diep in u, waarmee u maar zelden helemaal raad weet. Als u daar nu mee bezig bent, dan bent u al heel gauw geneigd te zeggen: dat is een noodzaak, dat is iets wat mij wordt opgelegd. Dit is mijn taak of mijn noodlot. Dit is niet juist.

Al datgene wat u ervaart, kan een handleiding zijn voor uw huidige leven maar het is nimmer een wet. Al deze beelden zijn niet onomstote­lijk ergens waar, noch is datgene wat u op deze manier aanvoelt als grens, een werkelijke grens die nooit overschreden kan worden. Het ware ‘ik’ is zo groot dat door de krachten daarvan alle grenzen, zelfs die van het menselijk bewustzijn, te zijner tijd overschreden kunnen worden. Denkt u nu niet dat het een grapje is. U zegt: dat is gauw gezegd, maar geef dan een paar voorbeelden. Ik wil er enkele geven.

Het is bekend van een aantal zogenaamde heiligen (die gaan van Francis­cus van Assisi tot Pater Pio toe) dat zij, verzonken in meditatie of in verrukking, zweefden. Dat wil zeggen dat op dat ogenblik hun lichamelijke toestand zodanig was dat zij kennelijk niet zonder meer beantwoordden aan de normen van de zwaartekracht. Hiervoor zijn zeer veel getuigen te noemen. Alleen ten aanzien van Pater Pio zijn er ongeveer een 90‑tal getui­gen. Voor vroegere heiligen zijn toch wel redelijk betrouwbare verklarin­gen van ongeveer 120 getuigen te vinden. Dit betreft dan wel een aantal verschillende personen.

Wanneer mensen mediteren (wij vinden daarover verklaringen zowel in India, in het vroegere rijk van de Lama’s, als ook in de christelijke wereld en zelfs bij bepaalde inboorlingenstammen en de Andes‑indianen), dan worden zij in die meditatie volledig zichzelf. Een heel helder licht begint dan uit hen te stralen. Wij komen dat in vele sagen en legenden tegen. Dat een menselijk lichaam licht uitstraalt, is onzin als men ver­standelijk denkt.

Dit licht blijkt onder omstandigheden voldoende te zijn om zieken te genezen. Er gebeuren de vreemdste dingen. Zelfs bloemen of struiken blijken plotseling een versnelde groei ten toon te spreiden. Er zijn zelfs verhalen over iemand in meditatie waar rond die persoon, tot vele meters in de omtrek, de bloemen begonnen te ontluiken, de struiken opeens in blad zaten en bloesem droegen.

Wat heeft dat te zeggen over onze innerlijke werkelijkheid? Heel eenvoudig, dat onze innerlijke werkelijkheid een toestand is die niet wordt begrensd door menselijke logica, noch door de wetten van het universum waarin u denkt te leven. Het wil zeggen dat uw inner­lijke kracht onder omstandigheden sterker en vollediger is dan al dat­gene wat u redelijk gezien zou kunnen beweren. Het gaat nog veel ver­der. Wat blijkt er nu? Geen van degenen die in verrukking zweefden, was zich daarvan be­wust. Geen van degenen rond wie dat licht werd waargenomen, wist dat hij deze uitstraling tot stand bracht. Conclusie: hier is geen sprake van een bewust proces of iets waaraan de zintuigen en de stoffelijke werkelijkheid voor het ego ook maar enigszins deel hebben. Dan blijft alleen over een innerlijke werkelijkheid, waarin het ware ‘ik’ wordt geactiveerd en zo alle grenzen worden verbrijzeld die in het stoffelijk besef van dit werkelijke ‘ik’ nog steeds bestaan.

Dat is natuurlijk niet iets wat iedereen zal doen. Ik heb geval­len genoemd waarvoor getuigen bestaan. Maar ik wil er onmiddellijk aan toevoegen dat het maar enkele gevallen zijn waarvan deze getuigenissen overtuigend spreken. Het gaat mij er niet om u te zeggen dat u nu plot­seling kunt zweven. Trouwens, dat mag niet eens in uw wereld. U moet eerst brevet A hebben. Ik wil ook niet zeggen dat u plotseling licht kunt geven. Dan valt u onmiddellijk onder het onderzoek van zowel de BVD als van de gezamenlijke elektriciteitsmaatschappijen: waar haalt u de stroom vandaan?

Dus realiseer u goed, het gaat mij niet om deze verschijnselen of het feit dat u daarmee zo goed werkt. Ik probeer alleen duidelijk te maken dat onze innerlijke werkelijkheid veel verder gaat dan alle – zeker in menselijke vorm ‑ voor ons kenbare grenzen die daar schijnbaar aan ge­steld zijn. Juist daarom moeten wij zoveel nadruk leggen op het feit dat elk besef van je innerlijk alleen een kwestie van fragmenten is, niet van een absoluut geheel. Juist daarom ook wilde ik nadrukkelijk er op wij­zen dat wij bij het benaderen van ons ware ‘ik’ nimmer kunnen uitgaan van welke norm dan ook, zij het er een van geloof, zij het er een van rede, zij het er zelfs een van gevoel. Wij beschikken eenvoudig niet over de mid­delen, de mogelijkheden tijdens een stoffelijk bestaan of een bestaan in lagere sferen om ook maar iets van de omvattendheid, de betekenis en de zin van dit werkelijke ‘ik’ te ervaren. Dan is ons innerlijk ‘ik’ een oneindigheid die wordt omgeven door een aantal zelf geprojecteerde coulissen. Dan is onze innerlijke werke­lijkheid voor ons een punt van uitgang, zelfs een punt van conditione­ring; maar het kan nooit zijn een kenbare, omvatbare waarheid. Het kan nooit zijn een onveranderlijke werkelijkheid. Het kan nooit zijn een re­gel die vanuit ons standpunt onaantastbaar en eeuwig juist zal zijn.

Wij willen in deze les nog even aandacht besteden aan de uiterlijke werkelijkheid.
Als je naar de wereld kijkt, dan doe je dat met je zintuigen. Dat wil zeggen dat datgene wat niet door de zintuigen wordt geregistreerd, meestal door de mens als niet bestaand wordt ervaren. Alles wat je in die wereld buiten je erkent of herkent, zal alleen op grond van voorgaande ervaringen, of op andere wijze verkregen beelden, voor je kenbaar worden. Je kijkt door de lenzen van je verkregen besef en die zijn meestal zwaar gekleurd. Dan is ook de werkelijkheid buiten je iets wat je kunt benaderen zonder enig voorbehoud en twijfel.

Het is pijnlijk voor een mens te weten dat er geen absolute zeker­heden bestaan die hij rationeel kan stellen. Zoals het ook voor de mens over het algemeen erg pijnlijk is te ervaren dat er geen onveranderlijke waarheid is die je als geloof in jezelf kunt stellen, maar dat je al­leen vaag iets van een hogere werkelijkheid kunt ervaren. Als je echter contact krijgt met de werkelijkheid om je heen, dan zijn er een groot aan­tal feiten die passen bij je uiterlijk bestaan.

Als ik zo-even al heb gesteld dat je die innerlijke wereld eigen­lijk niet kunt beheersen, zo blijkt dat je je uiterlijke wereld slechts voor een deel kunt beheersen. Hier is echter de mogelijkheid om op grond van een beperkte kennis, een beperkt inzicht en een beperkt weten, in te grijpen. Dit houdt in dat de wereld buiten ons kan worden ontleed in oorzaak‑en‑gevolg-werkingen. Dat deze oorzaak‑en‑gevolg-werkingen niet de vloeiende reeks vormen waaronder wij ze voor ons meestal plegen voor te stellen, is weer een ander punt. Maar wij kunnen daarin redeneren. Anders gezegd, de wereld buiten ons is definieerbaar. De innerlijke we­reld niet. De werkelijkheid buiten ons bevat veel meer dan voor ons de­finieerbaar is, maar daar dit niet door ons wordt beleefd, hebben wij te maken met een wel degelijk in redelijke normen en wetten te omschrij­ven wereld waarin voortdurend onverklaarbare afwijkingen voorkomen of verschijnselen die in wezen voortvloeien uit het niet erkende deel van de uiterlijke werkelijkheid.

Als wij dat dan ook weer samenvatten, dan zeggen wij: dus ik leef eigenlijk in een wereld waarin niets precies zo is als het lijkt. Dan is het antwoord zeer luid en zeer duidelijk: ja. U leeft in een wereld waarin uw eigen standpunt, uw eigen gezichtspunt, uw persoon­lijke inhouden bepalend zijn voor de betekenis van die wereld.

Nu heeft u wel de kern van een innerlijke werkelijkheid die in wezen en essentie niet variabel is, maar de reactie door de verschillende beelden op de uiterlijke werkelijkheid doet het schijnen ‑ let wel, schij­nen ‑ of de innerlijke werkelijkheid wordt beïnvloed door de uiterlijke werkelijkheid en of je vanuit de innerlijke werkelijkheid de wereld bui­ten je kunt beïnvloeden.

Wat kunnen we dan wel en wat kunnen wij niet?

In de eerste plaats wat we wel kunnen: Wij kunnen ons een beeld opbouwen van de wereld en op grond daarvan in die wereld ingrijpen. Wij zijn dus in staat de relatie tussen onze innerlijke werkelijkheid en de uiterlijke werkelijkheid te veranderen, ook al zullen we de precieze betekenis van de verandering waarschijnlijk niet kennen.

In de tweede plaats, voor een mens is de enige mogelijkheid om zich­zelf te zijn, zichzelf tot uitdrukking te brengen. Maar hoe kun je dit doen als je dat niet doet in een uiterlijke werkelijkheid en, meer nog, als datgene wat je uitdrukt, wordt aanvaard of althans geconstateerd in de werkelijkheid buiten je. Wij kunnen de wereld buiten ons vanuit ons standpunt voor ons ver­anderen zonder dat het zeker is dat de denkbeelden die we daaromtrent koesteren, juist zullen zijn. Dan kunnen we natuurlijk een beroep doen op onze innerlijke krachten. Als we dat beroep doen, dan veranderen we iets in de wereld buiten ons. Maar alweer, niet iets wat redelijk of logisch omschrijfbaar is. Het is niet iets waaromtrent redelijke verwachtingen of constateringen kunnen bestaan. Wij kunnen tot een benadering komen en zeggen: als dat en dat gebeurt, zal meestal dat het gevolg zijn. Maar één op de tien keer op z’n minst komt het volkomen anders uit. Wij kunnen dus met ons inner­lijk de werkelijkheid buiten ons, die we zelf niet helemaal beseffen, be­naderen. Maar hoe zou anders dat onverwachte, dat onredelijke element nog altijd optreden? Dat komt gewoon omdat we nog niet helemaal in staat zijn te beseffen wat er in ons bestaat en dus ook niet wat er in een wisselwerking tussen de inhouden van onze persoonlijkheid en de we­reld buiten ons tot stand kan komen. Dan hebben we verder de mogelijkheid om voor onszelf een beeld te ontwerpen waarbinnen wij onszelf kunnen blijven en toch kunnen beant­woorden aan onze illusie van de werkelijkheid buiten ons. Dat zijn dus onze mogelijkheden.

Wat kunnen we niet?

Wij zijn niet in staat wezenlijk, dus anders dan in onbelangrijke details, de werkelijkheid buiten ons te beïnvloeden. Wanneer die beïn­vloeding plaatsvindt, dan is ze in de eerste plaats te zien in rela­tie tot onszelf en wel in relatie tot ons, let wel, onvolledig stoffelijk bewustzijn plus de emotionele inhouden die daarin eventueel aanwezig zijn.

Wat kunnen wij verder niet?

Wij kunnen ons geen beeld maken van andere werelden. Elke voor­stelling van een andere wereld die we maken, is geënt op ons beeld. Niet eens op de werkelijkheid, maar op ons beeld van de werkelijkheid die buiten ons bestaat. Alleen als wij komen tot een beleving zonder voorstelling, zullen wij soms iets van de innerlijke werkelijkheid, maar ook de onbekende factoren in de wereld buiten ons, kunnen beleven.

Wat kunnen wij ook niet?

Wij kunnen onszelf niet veranderen of verbeteren. Dat is een van de punten waar iedereen over valt en daarom herhalen wij ze zo vaak. Iedereen is geneigd te stellen dat het de taak van de mens is om zich­zelf te verbeteren en zijn wereld beter te maken. Als men dat tegen mij zegt, dan antwoord ik: gunst, wat is die wereld ziek! Ik geloof namelijk niet dat de wereld ziek is. Ik geloof dat de mensheid ziek is door haar idee van verbeteren dat helemaal niets meer te maken heeft met de werkelijkheid waarin ze naar buiten toe leeft. Neen, dat kun je niet. Je kunt jezelf niet veranderen omdat je niet eens weet wat je bent. Dat is hetzelfde als iemand die een hoogspanningsleiding neemt, helemaal niet weet hoe de zaak in elkaar zit en dan op goed geluk daar­aan begint te knutselen. Je kunt net zo goed toevallig de stroom krijgen die je nodig hebt als de kortsluiting die je dan onmiddellijk in de geestelijke werelden tot verdere overdenkingen pleegt te brengen.

Wij kunnen dus niet werkelijk iets veranderen of verbeteren in of aan onszelf. Wij kunnen alleen proberen te beantwoorden aan onze innerlijke werkelijkheid door onze uitingen, in de werkelijkheid buiten ons, daaraan zo goed mogelijk aan te passen. Dat is dan ook alles. Wij kunnen de wereld niet verbeteren omdat we haar ook maar zeer ten dele kennen. Wij weten niet eens wat haar regeert, wat haar beheerst. Hoe willen we dan de wereld veranderen? De werkelijkheid buiten ons is in wezen onaantastbaar. Wij kunnen weliswaar details daarin veranderen maar daardoor scheppen wij allerlei consequenties die we niet kunnen overzien.

Om deze les te beëindigen, wil ik stellen dat we de innerlijke werkelijkheid dus nooit kunnen zien als een redelijke bepaling voor onze benadering van de buitenwereld. De werkelijkheid buiten ons is trouwens onbekend. Alleen datgene wat er van ons uit kenbaar is in de wereld, kunnen wij benaderen. Ons leven wordt bepaald door de besefte delen van onze innerlijke werkelijkheid die worden geprojecteerd op de besefte delen van een uiterlijke wereld.

Besef dat uw mogelijkheden in dit opzicht niet zeer groot zijn. Dan pas zult u in staat zijn om van de geringe mogelijkheden waarover u wezenlijk beschikt, gebruik te maken. Want als wij willen leven in een werkelijkheid die groter en omvangrijker is dan alleen maar de droomwereld van een mens, de illusies en theorieën waarmee de mens ontvlucht aan de onbepaalbaarheid van de wereld waarin hij leeft, dan moeten wij beginnen bij het begin. Zo wil ik deze bijdrage, die eigenlijk twee onderwerpjes in zich verenigt, eindigen met de volgende opmerking.

Wie van u zijn innerlijke werkelijkheid aanvaardt zonder haar aan regels te binden, zal leren een beroep te doen op zijn innerlijke krachten en deze zien werken in de wereld buiten hem zonder dat hij precies de gevolgen of de betekenis ervan zelf zal kunnen beseffen. Maar hij zal een gevoelswaarde krijgen waarin het werkelijke ‘ik’ als het ware doorklinkt in alle vormen waarin het zich manifesteert en zo daaruit beseffen: dit is goed. De goedkeuring die wij vinden diep in ons, is een blijk dat wij beantwoorden aan hetgeen wij zelf werkelijk en tijdloos zijn.

Onthoudt u één ding: het gaat er toch niet om of u meester bent van uzelf? Het is toch niet belangrijk dat bijvoorbeeld deze kleine vinger meester is in haar eigen besef. Het gaat toch om de hele persoonlijkheid. Als de vinger niet beseft wat ze doet, dan weet het geheel het wel.

U heeft een ‑ ik noem het ‑ groot superego, of geeft u het maar een andere naam. U weet wat de betekenis ervan is. Maar omdat u bezig bent met de delen (bijvoorbeeld een pink) denkt u dat dat de werkelijkheid is. Als we de werkelijkheid willen leren aanvaarden zoals ze is, moeten we eerst beginnen onze eigen beperkingen te aanvaarden. En dan moeten we niet proberen om ze weg te redeneren door illusies van eigen superioriteit of mogelijkheden te creëren, waaraan we feitelijk nooit kunnen beantwoorden. Daarom heb ik dingen gezegd waar menigeen het niet helemaal mee eens zal zijn.

Het onderwerp is werkelijkheid. De benadering van de werkelijkheid betekent helaas ook vaak dat je illusies opzij moet trachten te schuiven. Ik heb u in ieder geval een les gegeven die het overwegen waard is. Als u zich wilt houden aan de grootste werkelijkheid in u, dan laat u het in u doorwerken en gaat u niet proberen er zonder meer iets mee te doen. U zult zelf dan wel ontdekken dat er voor u dingen in zitten die u helpen om beter uzelf te zijn. De andere dingen waar u niets aan heeft, die laat u eenvoudig liggen.

Den Haag vandaag

Wat er op het ogenblik in de wereld aan de hand is, kun je weerspiegeld zien aan hetgeen er de laatste tijd in Den Haag is gebeurd. Het is namelijk zo dat de mensen, overtuigd van een groeiende welvaart, steeds meer bij de winkelier op de lat hebben laten schrijven. Zij komen nu tot de conclusie dat er zelfs geen liter olie extra meer af kan.

Wij willen besparen. Maar hoe kun je besparen als je gewend bent aan een bepaalde mate van consumptie? Anders gezegd, een groot gedeelte van de problemen in deze wereld zijn consumptieve problemen. Je zou kunnen zeggen dat het eigenlijk een consumptieve tering is die pas kan worden opgelost als je de tering naar de nering weet te zetten. Aangezien echter de meesten niet weten hoe ze de nering kunnen voortzetten, proberen ze de tering anders te zetten dan naar de nering. Door deze misvatting is er geen tering en geen nering meer. Terwijl het publiek wat weemoedig mompelt, ongetwijfeld denkend aan opa’s goede oude tijd toen de mensen minder verdienden maar meer konden kopen, worden ze geconfronteerd met de waanzinnige race om belangrijkheid en getallen.

De mensen strijden in deze dagen niet meer om feiten, ze strijden om illusies. Men strijdt voor een hoger loon, terwijl men weet dat door een hoger loon alles duurder wordt zodat men in feite door een hoger loon minder kan uitgeven. Men is voortdurend bezig over meer ingrijpende overheidszorg terwijl het heel duidelijk is dat de overheid al genoeg zorgen voor zichzelf heeft. Meer overheidszorg betekent dat een groter deel van die zorgen wordt overgedragen aan degenen die van die zorgen wensen te genieten.

Denkt u eens niet alleen in de termen van het huidige Kabinet dat volgens mijn definitie, die al door enkele anderen is gebruikt, eigenlijk al verouderd is tot een stel krukken. Denk aan de wereld op zichzelf. Bijvoorbeeld, kijk naar het probleem Israël. Israël wil een staat blijven. Maar het is niet tevreden met datgene wat het heeft. Het wil meer hebben dan het had. Daardoor is het niet in staat in te gaan op eventuele toenaderingspogingen die van Arabische zijde toch heus wel worden gedaan. Het resultaat is dus dat men uit angst iets te verliezen wat men in feite nog niet heeft, de mogelijkheid verliest dat te behouden wat men werkelijk heeft. Dat is een pijnlijke situatie. Hoe komt dat? Waarschijnlijk omdat de mensen uitgaan van allerlei stellingen die met de werkelijkheid niets te maken hebben.

Als de heer Den Uyl uitgaat van solidariteit en een solidariteitsheffing, dan vergeet hij daarbij dat die heffing op zichzelf de mensen tot een grotere solidariteit brengt tegen die heffing. Als de heer Begin uitgaat van een bijbels vastgelegd recht, dan komt hij tot een houding die hem brengt tot een zeer onchristelijke, maar ook onjoodse, problematiek waardoor hij niet meer in staat is ten aanzien van anderen dat recht te doen wat hij zou moeten doen en ten aanzien van zijn eigen volk die wetten in te trekken die hij zou moeten intrekken.

Nu is het te begrijpen, het joodse volk heeft wat dat betreft minder neiging om zich in te houden dan je zou veronderstellen. Maar het beroerde voor Begin is dat de Arabische wereld, nu deze meer financiële inhoud heeft gekregen, nog veel minder geneigd is tot inhouden. Waarom moet je naar een botsing toe werken die zeer waarschijnlijk meer door sluipmoordenaars moet worden uitgevochten dan door soldaten? Daar zal het wel op uit draaien.

Als we even naar de werkelijkheid kijken zoals ze op het ogenblik in de wereld zichtbaar is, dan is er een groot aantal problemen waar­mee ik eigenlijk niet helemaal raad weet. Neem nu het communisme. Het communisme is met de orde van Lenin het scheppen van een dic­tatuur voor het volk waardoor alle uitbuiters kunnen worden onderdrukt. Dat is een terminologie die op zichzelf nog niet onaangenaam klinkt in de oren van velen die zich uitgebuit achten. Maar het beroerde is dat, als de uitbuiters worden onderdrukt, er anderen zijn die er met de buit vandoor gaan. Dan horen we dat China niet helemaal aanvaardbaar meer is voor Moskou. Want Moskou wil wel een algemene wereldrevolutie maar alstu­blieft met als hoofdstad Moskou en het Kremlin. Om te rillen. Nu is het ook een koud land.

Kijken wij naar de Amerikanen, dan zien we al precies hetzelfde. De Amerikanen spreken over democratie. Hoe democratisch ze zijn, blijkt wel uit het feit dat ze bereid zijn iedereen om te kopen, te bedrei­gen of af te persen als die anderen niet bereid zijn te doen wat zij willen. Ik geloof niet dat je dat als democratie kunt omschrijven. Dan heeft men het over de democratische noodzaken. Nu kan ik be­grijpen dat de mens hoopt op democratie en dat menigeen op democratie een hoop doet (dat komt beide voor), maar als je nu bijvoorbeeld zegt dat de Turken niet democratisch zijn en dat wij hen dus niet mogen steunen, dan mogen wij ook niet eisen dat deze zelfde Turken wel meevechten in onze organisatie. Het ene niet en het andere wel? Dat is toch als Den Haag Vandaag!

Wij willen wel besparen maar wij willen niet zodanig besparen dat we niet datgene kunnen doen wat we eigenlijk niet zouden kunnen doen als we ons hielden aan de mogelijkheden die we hebben. Dat klinkt po­litiek misschien fantastisch maar menselijk gezien klopt het niet.

Kijk nu eens naar een ander feit. De kerk heeft zich eindelijk ook gemengd in de problemen tussen de Partij en de vakbonden in Polen. Waarom heeft de kerk zich daarin gemengd? De communisten letten daar niet op maar misschien dat de vakbonden het wel doen. En omdat de kerk nu niet precies weet wat ze zou moeten doen, is de baas van de kerk in Polen naar de baas van de kerk in Rome gegaan; daar zit toe­vallig ook een Pool. Nu proberen ze eigenlijk de kerk tot een tegen­pool te maken voor het communisme zonder gelijktijdig een conflict te veroorzaken met de vakbond.

Als je dat allemaal zo bekijkt, dan word je er toch een beetje crazy van. Wat willen de mensen eigenlijk? Iedereen wil aan de ene kant meer welvaart. Aan de andere kant minder vervuiling, minder industrie. Ja, het een of het ander. Je kunt niet allebei tegelijk hebben. Men wil meer werk, maar gelijktijdig meer loon. Maar hoe meer loon je eist, des te minder mogelijkheden er zijn om te concurreren. Dus hoe minder werk er eigenlijk ter beschikking blijft komen. De mensen willen eigenlijk hun koek opeten en hebben tegelijk. Is het een koek waarvan je misselijk wordt en dus beter kunt bewaren, maar als je haar toch wilt opeten, dan moet je niet gek kijken als je buikpijn krijgt en niets overhoudt. De problemen liggen eigenlijk voor een groot gedeelte in de manier van denken van de mensen.

Ik ben het voor een groot gedeelte eens met, schrik niet, de heer Van Agt. Nu weet ik wel dat de heer Van Agt het niet eens is met hetgeen hij zelf zegt te menen, maar zijn ambtenaren zeggen dat dat de enige manier is om te menen wat hij zegt te menen. Daarom zegt hij dat hij meent wat hij eigenlijk meent dat anderen zouden moeten zijn.

Aan de andere kant kan ik heel goed begrijpen dat de heer Den Uyl zegt: ik moet resultaten laten zien. Per slot van rekening, hij wil misschien dan wel geen Kabinet hebben waarin Van Agt nog zitting heeft maar de PvdA moet toch een beetje aan de babbel blijven. Als de PvdA dus geen resultaten kan laten zien, dan zal de PvdA naar beneden gaan. Dus wat gebeurt er in feite in Den Haag Vandaag?

De mensen hebben twee denkbeelden die elk op zichzelf goed zijn maar waarvan het ene niet kan als je het andere wilt doen. Zij zeggen dat ze het allebei tegelijk gaan doen. Dat zullen ze niet kunnen doen. En waarom doen ze het niet? Eenvoudig om elkaar de schuld te geven.

Dit is een heel eigenaardig verschijnsel in deze tijd. Dat behoef je heus niet alleen in Den Haag Vandaag te zoeken. Overal kun je dat vinden. De mensen zijn bezig om elkaar de schuld te geven. De junkie zegt: de maatschappij is de schuld dat ik verslaafd ben en dus moet de maatschappij voor mij opdraaien. De maatschappij zegt: de junk had op een andere manier in onze maat­schappij moeten staan, dan was hij niet verslaafd geweest. Waarom zou­den wij voor zo iemand zorgen? Maar hij schreeuwt er zo hard over, dus laten we maar iets doen. Dan kun je zeggen: voor de junk is het natuurlijk beter als voor hem wordt gezorgd. Maar doe het dan ook reëel. Als je zegt: wij kunnen de verslaafdheid niet de wereld uit helpen, dan zou ik zeggen: geef de verslaafden dan wat ze nodig hebben en tegen een prijs die ze kunnen betalen; dan behoeven ze geen criminele feiten te plegen om aan hun portie te komen. Bovendien gaan degenen die het duur hebben geïmpor­teerd, vanzelf wel ergens anders heen of ze gaan failliet. Maar dat kun je niet doen want dat is niet verantwoord. Wij willen geen verslaving. De enige verslaafdheid die men op het ogenblik nastreeft, is die aan de NOS, aan de Partij en aan de kerk. Al het andere is niet nodig, zegt men.

Maar is een lichamelijke verslaving dan erger dan een geestelijke? Daar wordt nooit over gepraat. Toch is de werkelijkheid zo dat in vele gevallen een geestelijke verslaving tot veel ernstiger ontsporin­gen (en niet alleen hier blijvende, want ze gaan na de dood door) aan­leiding geeft dan de zuiver stoffelijke. Een junk kan overgaan en dan ontdekken dat zijn wereld anders is. Iemand die eenmaal verslaafd is aan een bepaald denkbeeld, kan overgaan en menen dat hij nog steeds gelijk heeft. Dus leeft hij in een hel omdat zijn gelijk klaarblijkelijk niet wordt getoond in de wereld waarin hij moet bestaan. Als je het zo bekijkt, dan is het soms om er gek van te worden. Laten we eens kijken of we nog een paar bloemen kunnen plukken op het graf van de illusies, die men zo langzaam maar zeker zal moeten verliezen.

Heel veel mensen beginnen te begrijpen dat het belangrijk is om voor elkaar op te komen. Hoe meer mensen begrijpen dat dat opkomen niets te doen heeft met denkbeelden maar met het feit dat de ander bestaat, hoe beter de wereld kan worden. Er komen steeds meer van die mensen. Er zijn steeds meer mensen die zich alleen aan regels en wetten houden als ze volgens hen zin­rijk zijn. Dat is vervelend voor degenen die de wetten maken, dat geef ik graag toe. Maar aan de andere kant kan dit misschien ertoe leiden dat men geen wetten meer maakt die ideëel gezien juist zijn, maar dat men regels stelt die praktisch zijn en toepasbaar blijven, ook al betekent dat meer veranderen.

Dan zie ik dat steeds meer mensen zich gaan bezighouden met hetzij paranormale, hetzij religieuze werkelijkheden. De kerken stromen nog niet vol. Het enige dat wel gebeurt, is dat de bioscopen leeg stromen. Maar dat schijnt de schuld te zijn van de piraten en niet van de hoge prijzen en de slechte projectie. Dus er zijn steeds meer mensen die gaan begrijpen dat de oplossing van je eigen problemen niet alleen gezocht kan worden in stoffelijke omstandigheden.

Kijk, je moet zoeken naar iets anders, iets beters. En ofschoon dit te vaag is om het vast te leggen in een politieke beginselverklaring, betekent het wel een aanpassing aan een werkelijkheid buiten je, die helaas officieel nog niet wordt erkend.

Dan kijk ik naar de goede bedoelingen van de mensen en zeg: ach, het is misschien vervelend. Ik heb menige noot gekraakt tegen Van Agt en ik heb onze ome Joop menigmaal met het verkeerde vingertje laten zwaaien, maar één ding is zeker: zij bedoelen het in ieder geval rede­lijk eerlijk. En meer dan redelijk eerlijk kun je van een politicus nu eenmaal niet verwachten.

Er zijn steeds mensen die in hetgeen zij doen, eerlijk en overtuigd zijn. Dit is een goed punt. Het blijkt verder dat steeds meer mensen met overtuiging beginnen te beseffen dat een overtuiging alleen zin heeft als je ook naar de tegenpartij wilt luisteren.

Als de mensen gaan beseffen dat de tegenstellingen vaak uiter­lijkheden of zaken van methodiek zijn en niet van wezenlijke bedoeling, dan zal er misschien toch meer samenwerking tussen de mensen mogelijk zijn. Ik wil maar zeggen, zelfs in Den Haag Vandaag zijn nog enkele hoopvolle tekenen kenbaar. Voor degene die de laatste tijd alles heeft gevolgd, zal dat een verbluffende verklaring zijn maar ik zal er geen stap van terug wijken.

Dan moet u geen rekening houden met wat er wordt gezegd in Nieuws­poort, want dat is de poort naar het nieuws en dientengevolge de poort naar de misleiding die voor de nieuwsgaring noodzakelijk is. U moet ge­woon kijken naar wat die mensen zelf proberen te doen. Dan zegt u: politici zijn geen heiligen. Voor het geval u het nog niet wist, want ze hebben het wel over de Gooise matras, maar dan mag je het Haagse veldbed er ook wel even bijhalen.

Politici doen een hele hoop dingen fout. Ze intrigeren ontzettend op een onverantwoorde manier, allemaal toegegeven, maar er zijn er on­der hen toch zeker 50% die het oprecht menen. En als ze oprecht en eerlijk proberen de wereld beter te maken, denkt u dan niet dat ze zo nu en dan hun geweten wat luider zullen laten spreken dan de leiding van de Partij. Zelfs daar is hoop te vinden.

Daarom zeg ik: Den Haag Vandaag mag misschien somber lijken. En als u over de hele wereld hoort over crisis, noodzaak tot bezuini­gen en al die andere zaken die daarbij te pas komen, van het opstel­len van atoomraketten tot het vinden van nieuwe energiebronnen toe, dan denkt u misschien: nou, het ziet er somber uit. Maar als u er door­heen probeert te kijken, dan komt u ineens tot de ontdekking dat er toch overal nog in toenemende mate gezond verstand is.

Ik geloof niet in de goedheid van de mens want dat is bijgeloof. Ik geloof in de zin van het mens‑zijn en de mogelijkheid van menselijke samenwerking. Dit zijn punten ten voordele. Als u die zelfs in uw eigen stad ziet en ook over de gehele wereld kunt zien, als u goed kijkt, dan zult u mij moeten toegeven dat  in de verwarringen van deze dagen de mogelijkheid voor een menselijke samenleving morgen wordt geschapen.

En dan, ik kan ze niet helemaal buiten het spel laten, zijn er die vele groepen die ageren en actie voeren, die kraken. En dan hebben we de critici die kraken ook, maar op een andere manier. Kortom, mensen die bezig zijn om de gevestigde orde op de een of andere manier door elkaar te rammelen. Dat zal de gevestigde orde niet prettig vinden. Zij maken echter duidelijk dat de zaak rammelt. Ze maken duidelijk dat er iets an­ders moet komen en gebeuren. Zij maken met hun eigen mentaliteit ook duidelijk dat een poging om een bestaande situatie zonder meer te continueren, alleen kan uitlo­pen op anarchie. Terwijl een poging tot samenwerking tenslotte kan leiden tot een verbetering waarbij het eenzijdig enthousiasme van dergelijke groepen kan worden gebruikt om het evenwicht van het geheel te herstel­len, op een voor iedereen aanvaardbare manier.

De jeugd van vandaag met haar opstandigheid, haar oproer en haar rellen, is niet alleen een symptoom van de storingen van deze tijd maar bevat tevens de belofte van verbetering. Zie het maar als een voorjaarsstorm die het dode hout breekt zodat het nieuwe blad en de bloesem beter kunnen zetten.

Als ik alles zo samenvat, dan moet u naar de werkelijkheid dus niet al te pessimistisch kijken. Denk niet dat er toch niets aan te doen is. Besef echter één ding wel: u kunt nooit iets doen indien u weigert naar een ander te luisteren. U kunt nooit iets bereiken indien u niet bereid bent ook een ander te vertrouwen, desnoods om in hem teleurgesteld te worden, maar desondanks.

Dan zult u zeggen: kijk, de werkelijkheid van vandaag is zo slecht niet. Het is net als Den Haag Vandaag. Goede dingen, kwade dingen, botsingen, het is onvermijdelijk, maar daaruit kan een nieuwe wereld groeien, daaruit kan een nieuw besef groeien. Zo kunnen we de werkelijkheid leren beleven op een manier die harmonischer is dan op dit moment mogelijk is. Als je over de werke­lijkheid praat, dan praat je ook over deze dingen.