Het wetsdenken

uit de cursus ‘Denken'(hoofdstuk 7) – mei 1982

Het wetsdenken

De menselijke samenleving is opgebouwd uit allerlei regels en onderlinge afspraken. Heel vaak gaan die wetten en afspraken een eigen leven leiden. Ze staan als het ware los van de gemeenschap waarin ze moeten gelden. Als dat gebeurt, dan ontstaat er een zo grote discrepantie tussen de werkelijkheid van de mensen en de wet dat je op een gegeven ogenblik niet meer weet welke kant je uit moet gaan. De mensen proberen dan een bestaande wet aan te vullen. U kent dat verhaal wel. Een aardig voorbeeld is de Nederlandse belastingwetgeving die in feite minstens 10 jaar te oud is, ze is namelijk nooit aangepast. Men kwam steeds weer tot andere ideële instellingen en er kwamen steeds weer allerlei regeltjes bij. Het gevolg is natuurlijk dat nu niemand meer precies weet welke belasting hij betaalt en waarvoor. Men is tot de conclusie gekomen dat het beter is om je zoveel mogelijk te onttrekken aan de belastingheffing omdat het immers toch een eigenaardige zaak is en blijft.

Het wetsdenken zegt hier: Ja, dat kun je nu wel doen maar regel is regel, wet is wet. Een typisch voorbeeld van internationaal wetsdenken is de situatie omtrent de Falklandeilanden. Het is duidelijk, dit was officieel Brits grondgebied. Het bezetten van het grondgebied van een ander is tegen de internationale wetten en regels. Dientengevolge waren de Argentijnen de overtreders. Dit betekent dat daardoor Engeland gerechtigd was in te grijpen op elke wijze die het aanvaardbaar vond. Dat staat namelijk ook in die regels.

De wetsdenkers zeggen nu: het zijn wel een paar kleine eilandjes maar de wet is geschonden en dan hindert het niet wat het kost, de wet moet worden gehandhaafd. Daartegenover staat een andere vorm van denken die u kent, zelfs in uw eigen stad. Men zegt dat er heel veel jongelui zijn die gefrustreerd zijn, ze zijn baldadig. Ze maken relletjes, ontketenen onlusten en dat is tegen de wet, maar wij moeten daar begrip voor hebben. Dientengevolge moeten wij de wet niet toepassen.

Deze twee stellingen berusten op een verkeerde manier van denken. Aangezien u in uw eigen omgeving, ook in uw verhouding tot de medemensen, heel vaak geneigd bent vanuit dergelijke regeltjes te opereren, is het misschien de moeite waard ook dit eens nader te beschouwen.

Wat is een regel? Een regel, en zelfs een wet, is feitelijk niets meer of minder dan een onderlinge afspraak. Een onderlinge afspraak kan echter gewijzigd worden op het ogenblik dat het merendeel van de mensen deze afspraak niet meer als geldig beschouwt. Dan moet men zoe­ken naar een andere regel die wél voor iedereen aanvaardbaar is. Doet men dit niet, dan komt men tot een vervreemding van de werkelijk­heid.

Als wij uitgaan van wat volgens recht en wet moet zijn, mogelijk is, niet mag, dan komen wij tot de conclusie dat bij een strikte toepassing van bijvoorbeeld alle wetten in Nederland, er in dit land geen werkelijk sociaal verkeer meer zou zijn. Dat ook het wegverkeer voor een groot gedeelte belemmerd zou worden, dat het handelsverkeer zeer waarschijnlijk lang­zaam maar zeker zou wegsijpelen totdat iedereen failliet is. Kortom, er zou niets overblijven. Men heeft dit nu opgelost met wat men noemt ‘jurisprudentie’. Men zegt: er is een wet, maar je kunt die interpreteren. Als je haar inter­preteert in overeenstemming met de huidige situatie, dan is die wet weer toepasbaar. Maar dat is niet waar.

Als wij kijken naar de regels die Jezus aan zijn gelovigen heeft ge­geven, dan kunnen we zeggen: die moeten wij interpreteren. Maar als er staat: ‘Gij zult niet doodslaan’ en ‘Wie het zwaard hanteert, zal door het zwaard omkomen’, dan is dat volgens mij volkomen duidelijk. Dan moet je dat niet zo gaan interpreten dat onder bepaalde omstan­digheden doodslag wél geoorloofd is en dat het hanteren van het zwaard goed is zolang het ter verdediging van iets is, maar dat het niet goed is, als je iemand aanvalt.

Je kunt niet twee regels tegelijk toepassen. Of de wet is de wet, of de wet is niet de wet. Maar dan kan ze ook niet meer als argument worden gebruikt, dan kan ze niet meer op anderen worden toegepast. Dat is de grote moeilijkheid.

Nu ga je heel vaak uit van voorstellingen die je hebt, van iets wat hoort. Bijvoorbeeld, er zijn heel veel mensen die nog steeds uit­gaan van het standpunt dat kinderen en heren in het openbaar ver­voer voor dames dienen op te staan. Er zijn zelfs mensen die zich ergeren aan het feit dat anderen blijven zitten. Zij vergeten daarbij wel één ding: een zeer actief deel van het vrouwelijke geslacht is voortdurend bezig met, wat zij noemen, emancipatie. Zij willen gelijkberechtiging met de man. Maar als je gelijkberechtigd bent, dan heb je geen bescherming nodig. En dan is het natuurlijk onzin om voor een vrouw op te staan, een man kan ook moe zijn. Wat dat betreft, een kind behoeft ook niet altijd op en top fit te zijn. Dus dan zoek je het zelf maar uit. De grote moei­lijkheid bij dergelijke opvattingen is dat je eigenlijk automatisch re­ageert.

Er zijn nog steeds heel veel mensen die zeggen dat homoseksuelen niet deu­gen. Zij hebben waarschijnlijk nog nooit zo iemand meegemaakt of le­ren kennen. Maar op het ogenblik dat zij dat woord horen, reageren zij met ‘dat mag niet, dat hoort niet, dat mag niet bestaan’. Die regel kun je wel stellen maar je kunt de feiten niet ongedaan maken. Het enige dat je je kunt afvragen is in hoeverre dergelijke mensen bin­nen de gemeenschap kunnen functioneren en op welke manier. Dan blijkt dat iedereen zich zekere beperkingen moet opleggen. Maar je kunt niet zeg­gen dat ze er niet zijn of dat ze er niet mogen zijn. Wij moeten leven met de feiten.

Dat er veel vooroordeel bestaat, zal u allen bekend zijn. Alle denk­wijzen die daartoe leiden, zijn op zichzelf zo gek nog niet. Laten wij dat goed begrijpen. Ze houden echter geen rekening met andere factoren. Laat mij u weer een voorbeeld geven van dit wetsdenken aan de ene kant en het sentimentsdenken aan de andere kant. Gastarbeiders zijn hier gekomen om werk te verrichten zolang er ge­brek aan werkkrachten was. Ook als ze hier een lange tijd zijn (zij wisten dat zij voor tijdelijk kwamen), waarom willen zij nu dan niet weggaan? En waarom zouden wij deze mensen voorrechten geven? Waarom zouden wij ons door deze mensen eigenlijk laten zeggen wat wij, die toch hier geboren zijn en die er thuishoren, moeten doen? Waarom zouden wij betalen voor al datgene wat zij zeggen nodig te hebben? Laten zij er zelf voor zorgen of teruggaan.

Dan zeggen de mensen: discriminatie, discriminatie! Natuurlijk wordt één ding vergeten: dat degene die hier 10 tot 15 jaar heeft geleefd en gewerkt, eigenlijk ook ontgroeid is aan zijn vaderland. Hij hoort hier niet thuis maar hij hoort ook thuis niet meer thuis. Hier kan hij dan, omdat hij dat heeft geleerd, toch altijd nog iets beter en gemakkelijker leven dan als hij weer naar zijn vaderland terug zou moeten gaan, onder de oude situatie en omstandigheden.

De andere kant is misschien nog erger. De mensen roepen uit: zij zijn onze gasten! Als ze willen samenkomen, als ze willen slachten op hun religieus verantwoorde manier, als ze gerechten willen bereiden die elke Nederlander met een lichte walging vervult, dan is dat hun zaak, dat mogen zij doen. Wij moeten hen daarin bijstaan. Dat is natuur­lijk kolder. Iemand die hier komt, kan kiezen: hij kan teruggaan naar zijn cul­tureel erfdeel of hij moet zich, met behoud wellicht van vele waarden daarvan, aanpassen aan de gemeenschap waarin hij leeft. Dat is redelijk denken. Op het ogenblik echter dat je dit uit het oog verliest, kom je tot de meest krankzinnige redeneringen.

Er zijn idealisten. U weet wat een idealist is? Een idealist is iemand die een toekomstdroom heeft die hij probeert waar te maken, meest­al op kosten van anderen. Deze idealisten zeggen: wij moeten de inkomens gelijk schakelen. Dat is een heel mooie stelling maar wat zegt de praktijk? Wanneer iedereen hetzelfde inkomen heeft, dan heeft niemand meer een prikkel om meer te doen dan een ander en wordt er dus steeds min­der gedaan. Dat klopt niet met het denkbeeld van een zich steeds ver­der ontplooiende economie. Je kunt het dus niet handhaven.

Anderen roepen weer uit: wij moeten de arbeider gewoon terugbren­gen naar de plaats waarop hij thuishoort, die van de werkelijke onderge­schikte. Dat is niet meer mogelijk. Je kunt niet zeggen tegen de arbei­ders: ga jij maar leven van een minimum, dat zullen wij je dan nog wel ge­ven. Kom dan maar heel beleefd met de pet in de hand vragen of wij wat voor je te doen hebben. Zolang wij dat hebben, kun je dan een beetje beter leven.

Er zijn een hoop mensen die dat nog graag zouden doen. Maar het kan niet omdat die arbeider namelijk niet heeft geleerd zich in dergelijke situaties aan te passen. Hij weet dat dit niet juist is, of meent het te weten, en hij zal dus al deze situaties niet alleen afwijzen maar een poging om ze te scheppen ook proberen af te straffen. Dat zijn dingen waar men zich over het algemeen toch veel te weinig van bewust is.

Kijk, ik vind het schitterend dat je zegt: wij moeten vrij onderwijs hebben. Hoe vrijer hoe beter, inderdaad. Maar laten ze het dan onder elkaar uitvechten. Zeg niet, als je zoveel jaren op school bent geweest, dan ben je klaar want dat is niet waar. Als leerstof een maatstaf is, moet ze worden beheerst. Dat was oorspronkelijk de regel. Nu zegt men: wij kunnen het kind het niet aandoen dat het zoveel moet leren, pas dus het onderwijs en de eisen maar steeds meer aan het kind aan. Daarmee be­reik je dat er dus in feite steeds minder wordt gepresteerd.

Wat is de werkelijkheid? Je moet het kind in een situatie brengen waarin leren op zich geen dwangproces is maar een natuurlijk proces. Dat kun je alleen doen indien je het kind niet onderwerpt aan een strikt regiem, maar de kinderen onder elkaar maar eens rustig de beest laat uithangen. Laat ze mekaar maar half afmaken. Zodra er werkelijk gevaarlijke verwondingen dreigen, kan het onderwijzend personeel ingrij­pen. Voor de rest zoeken ze het maar uit.

Als ze iets willen weten, dan is er iemand aan wie ze het kunnen vragen. Maar ze kunnen niet van school af. Zij kunnen niet de volwassen vrijheid, die zij verlangen, op welke wijze dan ook, zoals zelfstandig wonen, genieten indien ze niet eerst de leerstof beheersen die wordt gevraagd. Dan kom je verder.

Misschien merkt u wat ik aan het doen ben. Ik ben aan het probe­ren het denken in regeltjes of in sentimenten te vertalen in een den­ken volgens de mogelijkheden en normen van de werkelijkheid. Je kunt geen twee dingen tegelijk hebben. Je kunt niet gelijktijdig voor het kind zo vriendelijk mogelijk zijn en het kind grotendeels zelf laten beslissen en aan de andere kant toch beantwoorden aan de eisen die een volwassen maatschappij stelt. Dan moet je ergens een gemiddelde vinden.

Denken is altijd weer de extremen terzijde zetten en het vinden van de gulden middenweg. Dat is iets waar veel mensen heel nijdig over worden. Zij zeggen: met de gulden middenweg komen we nooit verder. Wacht even! Niemand zegt waar die weg heen voert. Het enige dat dui­delijk is: je moet leven binnen de beperkingen en mogelijkheden die in je bestaan. Op die manier kun je inderdaad heel veel tegenstellingen, die op dit ogenblik zaken als onderwijs e.d. beheersen, terugbrengen tot wat ze wezenlijk zijn: conflicten die in de werkelijkheid gemakkelijk zijn op te lossen indien men bereid is de werkelijkheid, zoals ze is, te aanvaarden.

Voorbeeld: De strijd tussen christelijk en openbaar onderwijs. Christelijk on­derwijs redeneert: wij hebben toch het recht om onze kinderen in onze eigen godsdienst en leer op te voeden. Dat is ongetwijfeld waar. Het argument van de openbare school is: door openbare scholen kunnen wij een onderwijs geven dat voor iedereen meer gelijke mogelijkheden biedt aan de ene kant en aan de andere kant aanmerkelijk goedkoper is omdat wij ze gemakkelijker kunnen samenvoegen. Ook zij hebben gelijk. Maar waar­om zeggen zij het dan niet zo.

Opvoeding van kinderen is en blijft in de eerste plaats de verant­woordelijkheid van de ouders. De school is geen opvoeder. Zij is een leerinstrument. Als wij een openbare school hebben, is deze dus voldoen­de want zij geeft alle leerstof die volgens de huidige opvatting nodig is. Als wij menen dat er meer bij nodig is, dan kunnen wij een uurtje uit­trekken waarin de kinderen, die christelijke ouders hebben, christelijk onderwijs krijgen.

Bovendien geloof ik niet dat een kind beter leert omdat het ‘s morgens begint met een psalm. Zomin dat ik kan geloven dat een kind beter zal leren als er geen psalm is. Ik meen dat dit dingen zijn die hele­maal los van elkaar staan. Daar zullen heel wat protesten tegen komen, denk ik, als je dit zo zegt. Realiseer u gewoon waar het om gaat.

Een andere stelling: de onderwijzer moet meer en meer de vriend van de kinderen worden. Geen bezwaar tegen deze stelling, zolang hij zijn overwicht op de kinderen weet te behouden. Maar als je te toegeeflijk wordt en de kinderen menen dat zij inspraak hebben in alle zaken, dan zal het onderwijs daar onder lijden en zal de onderwijzer misschien wel menen dat hij de kinderziel veel meer meegeeft, maar het enige dat hij hun in feite leert, is voortdurend protesteren, als het volgens hen een kant uitgaat die niet zo prettig is. Dat is niet redelijk.

In uw eigen denken zult u heel vaak worden geconfronteerd met uw vooroordelen. U heeft ook uw opvatting over wat hoort en wat niet hoort. Vroeger was het zo als iemand geen das om had, was hij geen heer. Tegenwoordig is het juist zo, dat men degenen die nog een das dragen, de das om zou willen doen. Dat is misschien een verandering van mode. Maar heeft ook u niet bepaalde opvattingen van wat een heer dient te zijn? Hoe een dame zich dient te gedragen? Waarom eigenlijk? Uiterlijkhe­den kunnen nooit bepalend zijn voor de inhoud. Probeer dan na te gaan wat de werkelijke inhoud is.

Als iemand er een beetje bijloopt als een plebejer, zoals men dat in deftige kringen pleegt te noemen, maar hij is wel bereid om ieder­een te helpen als het nodig is, dan is dat voor mij meer een heer dan iemand die met de meest hoffelijke gebaren je kan laten schieten. Een dame is voor mij veeleer iemand die eigen zijn en waardigheid op een aanvaardbare manier weet te handhaven, ongeacht haar bezig­heden of haar positie. Die weet wie ze is en bewust zich houdt aan hetgeen zij innerlijk weet te zijn. Dat is veel meer waard dan iemand, die ongetwijfeld uitstekend gekleed, met de beste manieren en misschien een speciale toon in de stem onoprechtheid na onoprechtheid manifes­teert. Dat is volgens mij geen dame.

Uw buren zijn misschien anders dan u. Zij geloven anders of denken anders, maar dat mogen ze toch. De enige vraag is: hoe gaat u met hen om? Stelt u misschien eisen aan hen op grond van wat u meent te mogen verwachten. Of bent u bereid te zien hoe ze zijn en op grond van het­geen zij tonen te zijn, te kunnen, te willen, tot een overeenkomst te komen, tot een soort samenvoeging van gedrag?

Het denken in termen van wetten en regels, is over het algemeen levensgevaarlijk. Hoe gevaarlijk, kunt u misschien beseffen op een dag als deze (dodenherdenking). Hoeveel mensen zijn er niet gestorven door de handen van andere mensen die het eigenlijk niet eens wilden maar die de wet tot het meest heilige hadden verheven: bevel is bevel. Realiseer u dat eens. U kunt met veel trala de doden herdenken en u daarmee bezighouden op een manier die doet vermoeden dat u nog steeds voelt hoe ze rond u bestaan. En dit terwijl u misschien aan uw eigen ouders eens in de 7 jaar denkt. Ook dat is niet redelijk.

U houdt zich bezig met denkbeelden. Maar zijn die denkbeelden wel echt? Dat is maar een vraag. ‘Dit zal nooit meer mogen gebeuren’, dat hoor je overal. Maar waarom proberen dan degenen die zich daarmee bezighouden voortdurend anderen in een bepaalde richting te dwingen? Waarom willen zij uitmaken wat een ander zal doen? Dat is toch strijdig met elkaar? Het is niet zo dat er een wet bestaat waardoor wij gerechtigd zijn.

Alle fascisme is slecht. Goed. Ik houd ook niet van fascistisch denken maar dat is iets anders. Waarom zou het alleen slecht zijn? Het heeft ook een aantal goede kanten. Door de goede kanten te erken­nen wordt het mogelijk het goede te versterken, dan zal het kwade als vanzelf meer en meer verdwijnen. Op het ogenblik dat je begint de dingen te bestrijden zonder te beseffen welke mogelijkheden erin schuilen, breng je eigenlijk een steeds grotere wanorde tot stand.

Dit is een dag waarop men zich bezighoudt met degenen die zijn ge­vallen, hoe dan ook. Morgen is het een dag waarop men jubelt over de bevrijding. Maar men realiseert zich niet dat men onder het schrikbe­wind van Alva in Nederland veel vrijer was dan in de huidige democrati­sche vrijheid. Realiseer u gewoon wat er aan de hand is. Als u denkt, moet u niet denken alleen in de termen van ‘wij zijn bevrijd’, zonder meer. U moet zich afvragen: waarvan zijn wij bevrijd? Wat is er voor in de plaats gekomen? Wat hebben wij eens gedacht dat die vrijheid zou betekenen en wat is ze in feite geworden? Dan zult u met verbazing ontdekken dat u ontsnapt bent aan een algemene dictatuur vol wreedheid, om gestort te worden in een strijd tussen vele kleine, dictatuur nastrevende groepjes, die zich als inspraak- en actiegroep manifeste­rende groepen proberen iedereen monddood te maken en die, evenmin als eens het gezag, bereid zijn te luisteren.

Kijk naar de werkelijkheid. Kijk niet naar uw dromen van morgen. Kijk niet naar de grootheid van het verleden. De jongens van Johan de Witt zijn allang aan onze kant en Piet Heyn was een tot held geworden kaper. De Gouden Eeuw van Nederland berustte op de prestatie van zeer weinigen, ondanks de omstandigheden waaronder ze moesten presteren.

De hele grootheid van Nederland is een illusie, tenzij de Neder­lander iets van vooral de vrijheid (liberalisme zegt men wel, ofschoon dat niet de juiste term is) in zijn denken en doen steeds weet te hand­haven. Dat is heel wat anders dan voortdurend maar goed willen doen aan iedereen. Het is gewoon begrijpen wat mogelijk is en bereid zijn ieder zijn eigen mogelijkheden te laten ontplooien.

U ziet het, wetsdenken heeft vele gevaren, want het neemt eigen­lijk alle kanten van een vrije ontwikkeling weg. Het beperkt alles bin­nen een nauwkeurige spoel. Het zegt eenvoudig: dit valt buiten de wet, dus kan het niet. Misschien is het beter dan de wet maar de wet is zo, dus mag het niet. Dit valt binnen de wet, het is misschien veel slechter dan vele andere zaken maar als de wet zo is, dan mag het. Ja, dan moet het. Probeer te vermijden dat u zo denkt over mensen, dat u zo maatschappelijk denkt. Probeer te voorkomen dat u zich bindt aan welke eenzijdige groep en denkwijze dan ook. Probeer dit te doen in materieel opzicht en ook in geestelijk opzicht.

Als iemand zegt: de bijbel is op een bepaalde manier de waarheid en daarom volg ik Jehova, dan is dat zijn volste recht. Maar op het ogenblik dat hij zegt: dus eis ik van jullie dat je mij wel alle moge­lijkheden geeft maar mij ontslaat van alle plichten, dan deugt het niet meer. Je kunt namelijk niet iets eisen zonder daar iets tegenover te stellen. Als men tegen mij zegt, dat een christen natuurlijk beter is dan een islamiet, dan vraag ik mij af wie zo gek is om dergelijke din­gen te veronderstellen. Het christendom bestaat uit mensen. De islam ook. Zij formuleren het anders maar ze zijn allebei even gek, even goed, even slecht. En als je nog een stap verder gaat, vraag je dan af waarom je eigen­lijk de gebruiken van een ander afkeurt.

Natuurlijk, ik weet dat een Creool anders is dan bijvoorbeeld een Hindoe­staan. Die beiden zijn weer anders dan een Afrikaanse neger of een Chinees uit Hongkong en die is weer anders dan een Chinees uit Peking. Die mensen hebben hun eigen manier van leven, van denken. Zij hebben hun eigen wetjes en regeltjes, dingen die zijn ingebouwd in hun wezen, zo goed als u ze ingebouwd heeft. Accepteer het feit dat ze zijn zoals ze zijn. Aanvaard hen maar voorkom dat zij zeggen hoe u moet zijn. Laat niemand eisen aan u stel­len, tenzij hij duidelijk kan maken dat die eis terecht is, gebaseerd is op de waarden die hij zelf bezit of die hij u op zijn wijze kan geven. Quid pro quo (het ene voor het andere). Zo is het altijd geweest in de menselijke samenleving. Tot op zekere hoogte is het zelfs zo in de geest.

In de geest kan ik niets van een ander ontvangen als ik niet bereid ben mij daarvoor open te stellen. Dat betekent dat ik mij met al wat ik ben toegankelijk moet maken voor een ander. Te denken dat u wel kunt eisen dat de hogere geest u helpt en dat u zich gelijktijdig kunt afsluiten voor al datgene wat die hogere geest u geeft omdat de lessen u misschien minder zouden bevallen, is niet alleen waanzin; het is in feite een afstorten in de duisternis. Dat is zelfs zo in de sferen. En als het in de sferen zo is, dan mag het toch ook in de wereld zo zijn. Doe wat u doen moet, maar zeg niet dat het een wet is. Aanvaard dat elk ogenblik zijn eigen variant schept op de bestaande re­gels. Eigenlijk zou een wet iets moeten zijn dat per dag wordt ingevoerd en automatisch wordt afgevoerd, tenzij het door een meerderheid van stemmen wordt gecontinueerd. Al die dingen samen, vrienden, zijn misschien niet hetgeen u onder denken verstaat. Misschien zou u dieper willen doordringen in het mystieke denken, willen wegdromen in de filosofische theorieën waar een enkel feit voldoende is om een toren van Babel te bouwen, die tot ver in de hemel reikt. Maar dat is geen reëel denken. Filosoferen mag, als u beseft dat het niets met de feiten te maken heeft, maar dat het een veronderstelling wordt waaruit u de feiten kunt benaderen totdat het tegendeel wordt bewezen. Hetzelfde is het met een mystieke beleving. Een mystieke beleving is in feite een bovenzinnelijke beleving. Ze laat een gevoel achter. Dat gevoel kunt u ongetwijfeld continueren maar u kunt het niet uit­drukken in wetten, in regels en wetmatigheden die u op anderen kunt toepassen. Ik zou deze les willen afsluiten met het volgende:

  1. Elke wet overleeft zichzelf reeds op het ogenblik dat zij wordt of moet worden geïnterpreteerd.
  2. Hij, die denkt, gaat niet uit van wetten maar van feiten. Het zijn de feiten waardoor u kunt begrijpen waar u aan toe bent. Het zijn de feiten waardoor u voor uzelf langzaam maar zeker een beeld kunt opbouwen van hetgeen u zelf bent en zelf kunt doen.
  3. Er zijn u bepaalde regeltjes ingetrechterd, zeer waarschijnlijk in de tijd dat u jong was. Deze regels bepalen uw gedrag. Zij behoeven echter niet bepalend te zijn voor het gedrag van an­deren. Beoordeel anderen dus niet naar de regels die u volgt maar probeer te beseffen waarom zij andere regels volgen.
  4. Vervang nooit feiten door veronderstellingen. God is een veronderstelling. Hij kan nooit worden gebruikt om feiten te ver­anderen, tenzij uit die veronderstelling in ieder geval een kracht kan worden gevonden die op de feiten een directe invloed heeft. Er is geen onbekende kracht of waarde die wij kunnen aanroepen om ons gelijk te bewijzen. Wij kunnen slechts werken uit onze aanvaar­ding van het onbekende om zo zelf te bewijzen in hoeverre de juist­heid van het in ons levende in de wereld kan worden aangetoond.
  5. Leven is voor de mens gebaseerd op denken. Denken moet menselijk gezien gebaseerd zijn op feiten. Wij kennen het intuïtieve denken. Wij kennen het mystieke denken. Wij kennen het filosofische denken, maar ze zijn slechts op onszelf van toepassing. Het feitelijke denken (dat is niet eens altijd helemaal logisch) is echter van toepassing op onze directe relatie met de wereld waarin wij leven en daardoor op alle mogelijkheden die wij in de we­reld vinden en de ontwikkelingen die vanuit die wereld voor ons mogelijk worden.

Als u deze feiten nog eens wilt overzien en de voorgaande lessen wilt nalezen, dan zult u daarin soms elementen tegenkomen die u ook in deze les heeft aangetroffen. U kunt dan voor uzelf een aardig beeld opbouwen van hetgeen denken voor u dient te zijn. Op het ogenblik, dat u beseft dat uw denken innerlijk iets anders behoort te zijn dan het den­ken over de wereld, zult u eindelijk vermijden uw wereld tot een projec­tie van uzelf te willen maken. Dan zult u de werkelijkheid zien zoals ze is en daardoor uzelf beter ontdekken zoals u bent en zoals u ver­der kunt gaan.

Preventief denken

Preventief denken is denken om feiten te voorkomen. Met andere woorden, het is een analyse van het heden maken waarbij je uit de aard der zaak logisch dient te denken. Daardoor kom je tot een aantal con­clusies en deze bepalen waardoor je zelf beter kunt handelen. Die handelwijze is er dan op gericht om dingen te voorkomen waarvan je meent dat ze anders onvermijdelijk zouden zijn. Ik hoop dat ik daarmee een voldoende definitie heb gegeven van het begrip. Dan gaan we eens kijken wat we ermee kunnen doen.

Preventief denken is heel aardig maar hoe kun je iets voorkomen? Je kunt alleen iets voorkomen door de omstandigheden in het heden zo­danig te wijzigen dat de verdere ontwikkeling niet meer waarschijnlijk is. Om een eenvoudig voorbeeld te geven: Je denkt dat er relletjes zullen komen bij een voetbalwedstrijd. Verplaats die wedstrijd naar het buitenland, dan heb je veel minder kans dat je daarvan last hebt. Dat is dus preventief denken.

Preventief denken is echter niet, wat mensen ook wel eens ver­onderstellen, dat ze zeggen: wij gaan maar vast voorzorgen treffen voor het geval dat het gebeurt. In dat geval gaan ze ervan uit dat het zal gebeuren.

Een ander voorbeeld: Men neemt aan dat er op straat moeilijkheden zullen komen. Men denkt dan, zoals men meent, preventief. Om te voorkomen dat het uit de hand loopt, roept men dus alvast de ME op. Het verschijnen van de ME echter is nu juist de lont in het kruitvat. Je hebt dan zelf iets veroorzaakt dat misschien iets afwijkt van hetgeen je wilde voorkomen maar dat nog erger is of tenminste gelijk is aan hetgeen je vreesde. Dat is natuurlijk nonsens.

Laten wij eens kijken of je in je eigen leven preventief kunt den­ken. Ik geloof dat het toch altijd nog beter is om van jezelf uit te gaan.

Als je weet dat je over een paar weken waarschijnlijk veel geld moet uitgeven, dan is het logisch dat je nu zorgt dat je alle geld dat je maar bij elkaar kunt krijgen, bewaart om dan de zaak te kunnen afhande­len. Je kunt natuurlijk ook nog aannemen dat hetgeen men van je zal vragen niet rechtvaardig is. Dan begin je nu alvast de argumenten te verzamelen waardoor je die eis eventueel kunt bestrijden. Je hebt dan een aantal voorbereidingen gemaakt. Maar dat kan alleen indien, op grond van ervaring, de zekerheid bestaat dat men inderdaad met die be­taling bij je zal aankomen. Dat kan energie zijn of water. Het kan iets zijn van belastingen. Dat soort dingen kun je wel voorzien.

Je kunt natuurlijk niet voorzien dat het reisbureau waarmee je op reis zult gaan, failliet gaat of de boot waarmee je een heerlijke cruise wilt gaan maken, opeens een extra trip met militairen moet maken in de richting van de Malvinen. Hier kun je dus niet preventief denken.

Een andere vraag is: kan ik mijn gedachtekracht gebruiken? Daar zijn wel mogelijkheden voor. Maar het is natuurlijk geen zuiver pre­ventief denken. Ik voel aan dat er een bepaalde mogelijkheid is. Nu richt ik mij op de factoren (ik concentreer mij daarop) welke bij die ontwikkelingen een rol kunnen spelen. Er zal nu in mij iets opkomen. Soms als een soort gesprek, heel vaag. Soms eerder als een aantal beelden en soms alleen maar als gevoelens waardoor ik tot een herwaardering kom van die factoren. Op grond daarvan kan ik mij dan oriënteren op de meest waarschijnlijke ontwikkeling. Ik voorkom hier niets maar ik ben wel in staat om de feiten een beetje uit elkaar te halen. Het ontwarren van verwarringen is vaak veel belangrijker voor wat u preventief denken noemt dan het zonder meer alleen uitstralen van gedachten.

Er zijn goede mensen die denken: als wij nu allen tezamen maar voort­durend vrede uitstralen, dan zullen er steeds meer mensen zijn die de vrede ook willen en daardoor zal er vrede ontstaan. Dat zou juist zijn indien datgene wat u als basis van het gevoel ‘vrede’ definieert bij anderen, precies gelijk zou bestaan. Maar je kunt geen oorlog voorkomen door vrede uit te stralen zolang er mensen bestaan voor wie oorlog in feite de enige bevrediging is die ze voor zichzelf zoeken, omdat ze daarin pas zichzelf menen te kunnen ontwikkelen en zo vrede vinden met zichzelf. Je kunt geen vrede op aarde hebben. Je kunt alleen vrede in de mens hebben. Ik weet niet of u deze gedachtegang kunt volgen.

Het is, meen ik, toch wel de moeite waard om zich te realiseren dat elke mens anders is. Als u tegen tien mensen zegt: dit is rood, dan zeggen ze allemaal: ja. Maar u weet niet of er misschien niet vijf zijn die iets anders zien dan het rood dat u ziet. Een groot ge­deelte van hetgeen wij kennen en dus ook een groot gedeelte van hetgeen in onze gedachten in gebruik is, is gebaseerd op conventies. Rood is rood, blauw is blauw. Dat is niet alleen een kwestie van namen. Het is ook een kwestie van ervaringen, die op zichzelf verschillend kunnen zijn, samenbrengen onder een noemer. Dus als u probeert te denken op preventieve manier, dan kan ik dat misschien vanuit mijzelf wel doen. Mijzelf ken ik wel en mijn eigen ervaringen, maar in hoeverre kan ik de waarden die in een ander be­staan, juist waarderen.

Een van de meest eigenaardige ontwikkelingen van deze tijd is wel de behoefte die men heeft aan massapsychologie. U kunt dat in Enge­land heel goed zien. De voorman van Labour zegt: als ik nu maar blijf roepen om vrede, dan komt er een ogenblik dat de meeste mensen vrede willen hebben. En dan kan ik gaan zitten daar waar op het ogenblik Maggie haar achtereind heeft geparkeerd. Heeft hij daarin gelijk? Ik denk dat hij hier de zaak een beetje verkeerd inziet. Als namelijk Maggie bloedvergieten veroorzaakt, ook onder de eigen mensen, en daarbij duidelijk kan maken dat ze nu toch de eer van Brit­tannië heeft gered, dan geloof ik dat die mensen achter haar aan zullen blijven lopen. Ze zullen misschien betreuren wat er gebeurt, maar ze zul­len niet de vrede verlangen waarvoor je eigenlijk je illusie van groot­heid als natie moet prijsgeven.

Hetzelfde is dat in Argentinië. In Argentinië hebben ze het ook heel aardig bekeken. Zij hebben gezegd: wij hebben zo een grote inflatie (het laatste jaar ongeveer 135%), dat wij nu eindelijk iets moeten hebben waar­door de mensen weer achter de natie gaan staan, minder naar de centen kijken en dus iets meer over hebben voor de gemeenschap. Daarvoor was de bezetting van de Malvinas een ideaal punt. Maar ze hebben wel een ver­gissing gemaakt. Ze hadden namelijk gedacht: wij krijgen wel protesten maar geen daadwerkelijke acties. Want wie is zo gek om voor enkele stuk­jes grond kosten te gaan maken die een arm land als Engeland ook niet kan betalen. Integendeel, ze moeten in Engeland ons dankbaar zijn, want dan kunnen zij ook de nationale gevoelens opzwepen en daardoor de on­rust binnenslands een beetje tot stilstand dwingen. Dat is anders ge­lopen. Het is gewoon verkeerd denken.

Hoe had je nu in deze gevallen preventief moeten denken? Dat was niet mogelijke omdat in beide gevallen degenen, die het voor het zeggen hebben, worden gedreven door een grote behoefte zichzelf te hand­haven, ongeacht de kosten. En dan kan heel Engeland preventief gaan zitten denken en er gebeurt niets. Wij moeten gewoon begrijpen waar de feiten liggen. Pas als je gaat begrijpen wat de mensen beweegt, kunt je misschien een verandering bren­gen in hun situatie en dan zullen ze daardoor ook anders gaan reageren.

De situatie waarin je als mens verkeert, houdt ook heel vaak in dat je denkt: ik ben bang dat dit of dat zal gebeuren. Daarvoor heb je je redenen. Er is ongetwijfeld een waarschijnlijkheidsfactor. Maar kun je dat door denken voorkomen? Het gekke is dat je dat niet kunt, omdat je in teveel ontwikkelingen afhankelijk bent van teveel anderen. Laten wij het zo zeggen. Naarmate het aantal factoren dat tezamen een feit bepaalt, groter wordt, zal een van die factoren minder invloed kunnen uitoefenen op het verloop van de hele ontwikkeling. Dan wordt het ook duidelijk waar­om u vaak zo weinig kunt doen. Maar wat kunt u wel doen?

U kunt in de eerste plaats gebruikmaken van uw intuïtie. U voelt bepaalde dingen aan die misschien niet helemaal logisch zijn. Als u nu op dit aanvoelen uw denken, uw benadering van de werkelijkheid baseert, dan zult u in die werkelijkheid hier en daar mazen, kleine hiaten ont­dekken. Dat zijn punten waar eigenlijk nog niets bepaald is. Alleen op die punten kunt u invloed uitoefenen. Wat natuurlijk de vraag doet rij­zen, of preventief denken wel een juiste aanduiding is.

Kunnen wij voorkomen dat de wereld wordt vergiftigd? Een heel mo­derne vraag. Het antwoord is neen. Waarom niet? Omdat namelijk de meeste mensen niet beseffen wat er eigenlijk gebeurt. Zij kunnen zich niet indenken welke gevaren er bijvoorbeeld liggen in de luchtverontreiniging, in de verontreiniging zoals die in de wereldzeeën steeds sterker op­treedt. Als men dat niet weet, zal men, omdat men nu eenmaal een bepaald levenspeil wil handhaven en een zekere mate van gelijk willen hebben ook, niet geneigd zijn om maatregelen daartegen te treffen.

Men zal zeggen: nu ja, zure regen, dat komt wel eens een keer voor, maar zo erg is dat nu ook weer niet dat wij daarom onze fabricage, onze landbouwmethoden helemaal moeten veranderen. Zo kunnen wij het nog net redden. Als wij het veranderen, dan weten wij niet waar we aan toe zijn. Dan kunt u daar niets tegen doen. Het enige dat u kunt doen is duidelijk maken wat er gebeurt. Maar dat moet vooral ook duidelijk worden gemaakt aan degenen die, bij het in stand houden van de huidige ontwikkeling, geen direct belang hebben.

Dit is misschien weer een vreemde denkwijze voor u. Maar iemand die belang heeft bij het behoud van een bepaalde situatie, zal alles wat daar­tegen wordt ingebracht, als irrelevant willen afwijzen. Hij zal zeggen: zo erg is het niet. Jullie overdrijven. Jullie zijn eenzijdig. Jullie zien de belangen niet. Anderen die er geen belang bij hebben, zullen veel gemak­kelijker inzien wat er werkelijk wordt gespeeld. Hier zou dus preventief denken betekenen: een voorlichting aan degenen die er niet direct bij betrokken zijn, om zo een meningsvorming tot stand te brengen waardoor steeds meer mensen zich bewust worden van de feitelijke omstandigheden. Pas dan kan men in het geheel van dit besef de neiging tot preventie wakker roepen. Wat kunnen wij daartegen doen?

Ik heb ontzettend veel respect voor mensen als die van Greenpeace. Dat zijn echte idealisten. Maar wat hebben ze nu feitelijk bereikt? Ja, ze hebben het dumpen van gif tegengehouden, voor een paar weken misschien. Ze hebben hier en daar een beetje opzien gebaard. Ze hebben een paar walvisvaarders gepest en misschien een walvis bespaard om door dat schip geschoten te worden, zodat die door een ander schip kan worden buitgemaakt. Ze hebben wat zeehondjes tijdelijk gered, maar de aantallen die men zich had voorgenomen te jagen, zijn toch gejaagd. Dit was dus niet iets wat feitelijk van belang was.

Wat is dan het echte belang van zoiets als Greenpeace? Al die moedige daden? Ach kom. Een beetje riddertje spelen zonder dat het iets uithaalt. Maar het feit dat men de mensen steeds meer ervan over­tuigt dat het niet deugt, dat is interessant, want daardoor gaan steeds meer mensen zich afvragen wat de zin is van die dingen en wat het moge­lijke gevaar daarvan is. Het betekent dat degenen die eens konden dicteren: zo moet het gebeuren, nu zich moeten gaan rechtvaardigen als ze zeggen: daarom moet het gebeuren. Pas op het ogenblik dat die meningsuitwisseling tot stand gaat komen, kan er reëel over het probleem worden nagedacht. Eerst als dit reële denken mogelijk is, kan men denken aan het voorko­men van de minst gewenste effecten.

Ik zie dat geestelijk ook zo vaak. U moet mij niet kwalijk nemen als ik iemand per ongeluk op zijn geestelijke staart trap. Hoeveel mensen zijn er niet die zich bezighouden met ‘alles is vroom’ en ‘alles is goed’. Het licht is rond mij. De geest is vriendelijk, zij staat naast mij. Allen die ik heb gekend en velen die ik nooit heb gekend, zijn bij mij om mij te helpen en te beschermen. Natuurlijk, dat gevoel kun je hebben. Misschien is het nog wel waar ook. Maar wat weet je daarvan? Kun je daarop rekenen? Kun je eenvoudig een avontuur beginnen en zeggen: ik weet wel niet hoe ik het moet redden, maar dat zal de geest wel doen. Ik geloof dat je het eerder anders moet bekijken. Je moet gewoon zeggen: als dat zo is, dan zal ik het wel merken. Ik heb te rekenen met mijn mogelijkheden, mijn eigen kennis. Ik probeer de feiten op een rijtje te zetten. Ik probeer zo goed mogelijk te handelen. Ik probeer mij de kaas niet van het brood te laten eten, maar ook niemand onrecht aan te doen. Ik ga gewoon mijn houding bepalen. En komt er dan een moment dat ik niet verder kan, dan krijg ik misschien dat beetje extra hulp dat ik nodig heb. Maar dat weet ik niet zeker. Ik moet eerst gaan tot de grens van mijn eigen kunnen, vermogen en verantwoordelijkheid.

Dat is natuurlijk niet leuk. Het is veel leuker om het wiegekindje van een paar verlichte geesten te zijn. Als het even misgaat, dan komt er een verlichte geest, dan word je een kosmisch geheimpje ingefluis­terd, drie keer over het kruintje gestreken, zeven keer aangeblazen en dan wiek je weg, vrolijk en opgewekt alsof er niets aan de hand is. Het is heerlijk, maar het gebeurt niet. Het wordt maar zelden waar.

Wat blijkt dan wel? Als wij verder gaan tot de uiterste grens van ons kennen, zelfs nog verder, om te komen tot datgene wat wij juist ach­ten, dat we dan dat extra beetje kracht, dat extra meevallertje krijgen waardoor wij tot een overprestatie komen. Daarop rekenen kunnen we ech­ter niet. Dat wil zeggen: dat je niet iets kunt voorkomen waar je helemaal geen zicht hebt op je invloed en je mogelijkheden. Het betekent dat je dat alleen kunt doen ten aanzien van waarschijnlijkheden of reeds nu vastliggende feiten, die je redelijk kunt benaderen, waar je met eigen middelen tegen­ in kunt gaan of veranderingen daarin tot stand proberen te brengen. En dan is altijd nog nodig de vastbeslotenheid. Pas dan kan de geest je helpen, anders niet. Wij hebben soms wel het gevoel dat wij in de ogen van vele spiritisten zijn geworden tot de nieuwe heiligen, die je kunt aanroepen om bepaalde diensten te verrichten. Zoals St. Januarius, om even mijn stal te vrijwaren voor bliksem enz. Dat heeft niets met realisme te maken. Het is geen gezond denken. Het heeft ook niets te maken met een pre­ventie van iets. Als wij willen begrijpen wat er in een dergelijk geval gebeurt, dan moeten we eerst weten wat we feitelijk doen. Wat doe je als je je richt op een hoge kracht, ongeacht of die bestaat of niet?

  1. Om daaruit krachten te putten om iets tot stand te brengen of te beïnvloeden, verhoog je je vermogen tot reageren en preste­ren omdat je kracht ontleent aan de totaliteit.
  2. De geest kan je niet helpen op een manier die jij kunt begrijpen. Jij wilt alleen geholpen worden op een manier die je wel kunt begrijpen en volgen. De hulp van de geest wordt in vele ge­vallen ontleend of zelfs afgewezen, omdat men eenvoudig niet in staat is te begrijpen wat die geest wil. Men ziet niet in wat het nut is van de dingen.

Wilt u zelf redelijk denken, begrijp dan dat de geest alleen de versterking kan zijn van uw eigen mogelijkheden, persoonlijk­heid en ontwikkeling. En dat u steeds uw eigen denkvermogen zult moeten gebruiken, inclusief uw intuïtie, eigen innerlijk en gees­telijk weten, maar vooral ook uw menselijke logica om het geheel van de feiten op een rijtje te zetten en op grond daarvan tot be­slissingen te komen die, voor zover u kunt zien, leiden in de door u gewenste richting.

Dan zijn we weer een stuk verder. Nu weten we in ieder geval dat we niet alles kunnen. Daarnaast begrijpen we ook nog dat het hele preventieve denken eigenlijk zou neerkomen op een weten van datgene wat in de toekomst bijna onvermijdelijk zal gebeuren. We zouden de zaak een beetje moeten rangschikken. Wij hebben een aantal niet te vermijden feiten. De aanslag van de belasting komt heus wel.

Daarnaast hebben we waarschijnlijke feiten. Die relletjes in Den Haag in het najaar zijn wel heel erg waarschijnlijk, maar niet zeker.

Dan hebben we de onwaarschijnlijke feiten. Deze kunnen bijvoorbeeld zijn als ik de hoofdprijs in de loterij win. Of wanneer nu morgen het weer ineens omslaat. Die onwaarschijnlijke feiten dient u altijd buiten beschouwing te laten. Het heeft geen zin om u daarmee bezig te houden. Dat is alleen mogelijk binnen het kader van magisch denken en dan nog alleen, indien u de beschikking heeft over de nodige kennis en vermogens om geestelijke krachten in te zetten en bovendien weet hoever u daarmee kunt gaan en hoe u dat kunt doen. Houdt u dus in de eerste plaats bij de zekerheden. Zekerheden zijn tot ongeveer 90% van hun betekenis en invloed op u, te voorzien. U kunt dus zorgen dat u tenminste voor die 90% nu alle condities schept waardoor die toekomstige gebeurtenis u niet werkelijk kan overrompelen of u misschien in een totaal ongewenste positie zou kunnen brengen.

Dan hebben wij de waarschijnlijkheden. Waarschijnlijkheden betekenen een voortdurende wijziging van mogelijkheid. Het is net zoiets als een weersvoorspelling op lange termijn. Twee of drie dagen kun je wel voorzeggen wat het weer zal worden, maar ga je dat tien dagen vooruit zeggen, dan zul je dat elke twee of drie dagen moeten bijstellen.

Als ik vermoed dat er iets kan gebeuren, ik acht het tamelijk waar­schijnlijk, dan kan ik mij wel degelijk bezighouden met reeds nu mijn hou­ding te bepalen, eventueel de maatregelen die ik wel of niet zou wil­len nemen. Maar ik zal elke keer opnieuw moeten zien hoe die mogelijk heden ervoor staan. Ik heb dus niet te maken met een vaststaand plan maar met een aantal grondlijnen op grond waarvan ik steeds weer variërend probeer in harmonie te blijven met de ontwikkelingen buiten mij en zo voor mijzelf een marge van mogelijkheid of zekerheid te scheppen.

Dan gaan we nu de zaak afsluiten. Als u mij vraagt iets te zeggen over preventief denken, dan is het dui­delijk dat u zelf de behoefte voelt om bepaalde dingen te veranderen waarvan u aanneemt dat ze zullen gebeuren. Als dat het geval is, dan zult u eerst het heden moeten ontleden. Eerst als ik mij volledig bewust ben van mijn situatie in het heden, kan ik mijn gedachten verder ontwikkelen ten aanzien van een verwachte of ver­moede toekomstige situatie. Hoe meer ik mij vandaag voorbereid op het­geen mij in de toekomst onvermijdelijk lijkt, hoe groter mijn meesterschap zal zijn in de situatie, wanneer ze eenmaal ontstaat.

U moet er zo over denken: heel veel situaties in het leven ontstaan onverwachts. Hoe onverwachter iets gebeurt, hoe minder u kunt reageren. Als u reageert en u doet dat niet overlegd en instinctief, dan is de kans tenminste 1 tegen 1 dat u precies de verkeerde kant kiest. Daarom is het heel belangrijk dat u zich voorbereid op de dingen waarvan u kunt aanne­men dat ze komen.

Ga nooit af op de voorspellingen van anderen. Anderen voorspellen vanuit hun visie. Hun voorspelling kan intuïtief of inspiratief tot stand gekomen zijn. Misschien zijn ze zelfs profeten, maar je weet het niet. De verwachtingen die anderen ten aanzien van de toekomst uitspreken, zijn altijd verwachtingen die, alleen als ze voor u volledig logisch zijn, enig verder nadenken aanvaardbaar maken.

Ga uit van de feiten die u kent. Probeer de feiten omtrent het he­den en de situatie in het heden zo goed mogelijk te verwerven. Zoek ach­ter de bekend geworden feiten in de menselijke wereld bovendien nog naar de lijn die erin zit. Heel vaak blijkt deze wat anders te zijn dan uit de woordelijke verklaring zou moeten worden opgemaakt. U bent in staat dit te doen ten aanzien van familieleden, relaties, uw plaats in bedrijfs- of zakenleven. U kunt dit doen in uw relatie ten aanzien van de gods­dienstige ontwikkelingen, de kerken en genootschappen waar u toe behoort. U kunt dit ook doen zelfs ten aanzien van uw geestelijke inhouden, voor zover u zich daarvan bewust bent. Wij hebben de mogelijkheid om voorzorgen te treffen maar als wij niet flexibel zijn, dan lopen we vast.

Als wij eenmaal iets wat is voorspeld, als een zekerheid aannemen, als we eenmaal innerlijk iets, als droom of misschien als openbaring beleefd, als onveranderlijk waar aannemen, dan lopen we vast. Want de wereld waarin wij leven is niet onveranderlijk. Integendeel, zij is een voortdurende ver­andering waarbij zoveel verschillende factoren een rol spelen dat wij niet in staat zijn om die allemaal te overzien. Ons beeld zal altijd maar een beperkt beeld blijven. Daarom wil ik dit onderwerp dan als volgt samen­vatten:

Preventief denken is, zoals duidelijk is geworden, slechts beperkt mogelijk. Preventie kan nooit uitgaan van geestelijk denken zonder meer. Een preventie zal voor de mens altijd moeten liggen op het gebied van het kenbare leven. Als zodanig zal het moeten worden benaderd met de redelijkheid, eventueel ondersteund door de intuïtie. Alle regels die op dit ogenblik gesteld zijn, kunnen zich wijzigen. Houdt u niet vast aan regels. Probeer steeds weer de toestand onder ogen te zien.

Wat uzelf betreft, vraag u steeds weer af in hoeverre u een bepaalde uitdaging kunt aannemen. Vraag u af wat u werkelijk wilt. Vraag u af wat de offers zijn die u zult moeten brengen om een bepaald iets te kunnen waarmaken. Als u eerlijk bent tegenover uzelf en zo eerlijk en logisch mo­gelijk ten aanzien van alle ontwikkelingen waarin u zich bevindt en alle verwachtingen die u misschien koestert, zo zult u in staat zijn uw toekomst, voor zover ze zuiver persoonlijk is, ten goede te beïnvloeden. U zult niet in staat zijn een dergelijke invloed uit te oefenen ten aanzien van grotere gehelen. Daar kunt u alleen hopen op harmonie met zoveel personen dat althans enige beïnvloedingsmogelijkheid ontstaat.

Argumenten

Argumenten, argumenten. Steeds weer woorden samengeklonken tot denk­beelden en begrippen, neologismen misschien waarachter je verbergt wat je niet wilt zien. Argumenten op zichzelf zijn de vervalste strijdmiddelen waarmee je vecht. Het is een poging om je eigen recht, eigen rechtvaardiging, eigen gelijk en noodzaken, zoals jij ze beseft aan te tonen aan eenieder en je overtuigt geen mens. De enigen die je overtuigt, zijn degenen die het al met je eens zijn. Want argumenten hebben eerst dan betekenis, als degene die ze aanhoort ze ook volledig begrijpt.

U kunt geen argumenten scheppen voor de oneindigheid, als een mens niet eens gelooft dat hij bestaat. U kunt het bestaan van God niet verde­digen voor iemand die God alleen wil zien op een bepaalde manier en juist daarom zijn bestaan ontkent. U kunt geen wijsheid scheppen die in een ander openbloeit zolang deze meent dat uw wijsheid een aantasting zou betekenen van zijn rechten, zijn persoonlijkheid of datgene waarop hij zijn leven heeft gebouwd.

Argumenten zijn maar betrekkelijk waardevol en heel vaak waardeloos. Ook voor mijzelf heb ik argumenten niet nodig, als ik mij moet overtuigen dat ik goed doe of dat ik gelijk heb. Dan weet ik immers dat ik niet goed doe en dat ik geen gelijk heb, anders hoef ik mijzelf niet te overtuigen. Neen, laat mij dan maar zoeken naar een innerlijke waarheid die geen argumenten kent.

Heel diep in mijzelf is er een sonore toon, een soort trillende snaar, die mijn hele leven steeds weer doortrilt op het ogenblik dat ik weet juist te zijn. Het is een gevoel, het is een siddering. En op het ogenblik dat ik voel dat bepaalde dingen niet juist zijn, voel ik mij eveneens beroerd door allerlei krachten waar ik niet helemaal raad mee weet, waar ik op dit moment althans nog geen bepaalde richting mee uit kan.

Argumenten heb ik niet nodig. In mij is een richtsnoer. In mij is iets wat mij zegt wat voor mij goed aanvaardbaar is, ja, noodzakelijk is soms. Zo goed als het mij zegt waarvan ik mij verre moet houden. Mij duidelijk maakt waar ik eigenlijk te ver ga. Als ik al die dingen begrijp, dan zal ik steeds minder argumenten gebruiken maar meer waarheid kennen en beleven. En uit de waarheid groeit het onveranderlijke. Uit argumenten alleen maar de deling van alle waarden tot ze het werkelijk terugvinden van de denkbeelden onmo­gelijk maakt.