Het wonderlijke spel van de tijd

11 juli 1958

Aan het begin van deze bijeenkomst moet ik u erop wijzen dat de sprekers van deze Orde niet alwetend of onfeilbaar zijn. Wij hopen dat u zelfstandig na zult denken over wat wordt gebracht.  Het  onderwerp van heden: “Het wonderlijke spel van de tijd”.

Natuurlijk kan men trachten het verschijnsel meer technisch te definiëren. Dan stelt men dat het een beweging in de ruimte is, waaruit voor de mens het verschijnsel “tijd” ontstaat. Dit verschijnsel is verder gereliëerd met de verhoudingen tussen massa en snelheid in lineair verband. Wanneer ik echter over die tijd zo technisch zou moeten gaan spreken, dan zou ik u niet kunnen wijzen op de eigenaardige verschijnselen die binnen de tijd optreden i.v.m. de mensheid. In de loop der tijden bestaan er voor de mensheid altijd hoogtepunten. Ik denk hier bv. aan de grote beschavingen. De bloeitijd van het eerste Atlantis, de bloei van de grote steden als Ur, dat door zijn handel een tijdlang de hele bekende wereld omvatte. Ik denk hierbij aan de wonderlijke cultuur van het oude China, als aan Griekenland en Rome. Wanneer wij namelijk het verschijnsel op zich gaan bezien, blijkt dat er tussen al deze dingen een zeker verband bestaat: in de tijd herhalen zich de feiten. Niet volkomen gelijk en niet helemaal herkenbaar tijdens het gebeuren, noch aan de hand van de geschiedenis geheel voorspelbaar. Toch is de overeenkomst groot genoeg om hieraan een ogenblik onze aandacht te wijden.

Wanneer een grote beschaving op gaat komen, hebben wij te maken met pioniers. Grootheid wordt geboren uit enkelingen, zoals eens het volk van de Joden zijn bestaan en overleveringen had te danken aan de pionier Abraham, die een reis maakte door een groot deel van de toen bekende wereld en zich vestigde, ver van het land van zijn geboorte. Het is altijd weer het trekken van mensen en volkeren, dat vernieuwing bracht. Uit hun strijd en streven komen de beschavingen van het nageslacht dan voort. In Atlantis werd de beschaving gevormd door eigenaardige invloeden van de geest, maar ook wel degelijk door een wisselwerking met de nog aan instincten en leiding van groepsgeesten gebonden wezens van de vastelanden.  In latere tijden, bv. in Ur, blijkt dat het vaak vreemdelingen, rondtrekkende avonturiers en handelslieden zijn, die de grootheid gaven aan de stadstaten. Ook in het Oude China groeit de ware cultuur, juist wanneer aanvallen van buiten het volk bedreigen en vreemde, barbaarse volkeren het rijk overmeesteren om daar hun dictatuur te stichten. Hierdoor wordt klaarblijkelijk een nieuwe stimulans geschapen, die het volk wakker schudt en het een nieuwe denkwijze doet aanvaarden. Eerst door de vernieuwing is het mogelijk dat alles mooier en beter wordt.  In Griekenland zien wij de beschaving geboren worden uit de strijd van kleine stammen en staten, die in het begin zich vooral verzetten tegen de invloed van de Kretenzers. Later gaat de strijd voort in een zoeken naar invloed door de handelssteden, o.m. in het machtige Egypte, strijdende hier met de invloeden van Assyrië en Babylon. Eerst hieruit ontstaat de later zo geroemde en gekende Griekse beschaving Terwijl deze beschaving ternauwernood haar hoogtepunt heeft bereikt, begint reeds een nieuwe strijd, waaruit Rome geboren zal worden, dat zijn bestaan dankt voornamelijk aan de rovers uit het gebied der Apennijnen. Zij komen naar de vlakte, vormen roversgemeenschappen en steden, beginnen gezag uit te oefenen.  Wreed en roekeloos herbouwen zij de oudere steden, tenauwernood nog oude beschavingen sparende. Altijd weer is in de tijd de impuls van de vernieuwing te vinden. De tijd van de pioniers. Zeker kan het nieuwe niet altijd zichzelf bevestigen. Gaat het echter ten onder, dan betekent dit meestal teruggang, of ondergang voor alle gebieden die in de mogelijke vernieuwing betrokken zouden zijn geweest. Aan de andere kant zien wij ook de impulsen van ondergang. Op het ogenblik dat Ur zich gedraagt als een machtig rijk, begint de ondergang. Wanneer China op het hoogtepunt van zijn beschaving staat, begint weer de ondergang. Wanneer het wetten kent die alle fasen van het leven geregeld hebben en de dichters zingen over de grootheid van de keizers, begint een ondergang, die eerst door de Mantsjoe gestuit zal worden. Een dergelijke ontwikkeling vinden wij in Rome, in Griekenland, in alle beschavingen die in oost of west ooit hebben bestaan.

De typische verschijnselen van deze dreigende ondergang zou ik vanavond iets nader willen beschrijven. De pioniers van een vernieuwing zijn meestal de jongeren, de jeugd. Zij zijn vaak bandeloos, wreed, egoïstisch en hard. Zij denken meestal niet na over recht en onrecht, maar trachten slechts aan eigen denkbeelden en wensen tegemoet te komen. Zij verzetten zich tegen de wetten en doen nieuwe tijden geboren worden, maar niet altijd zijn dat tijden van kracht en groei.

Wanneer wij ons afvragen, wie in Griekenland het eerst meer betekenis toekende aan filosofen dan aan handel en meer invloed aan geslacht dan aan krijgsmanschap, wanneer wij vragen wie in Rome het eerst weelde en genot boven eer stelde, dan was dat zeer zeker ook de jeugd. Juist hieruit werd de ondergang van deze rijken geboren. Het was de jeugd, die allereerst greep naar de eisen van de groep in tegenstelling met het individueel streven. De jeugd is altijd in verzet geweest. Zolang de jeugd zal blijven bestaan als een eigen groep, bestendig in strijd met de ouderen, zoekende naar een eigen doel, zal de tijd een zegen voor de wereld betekenen, een bewustwording die is opgebouwd uit opgang en ondergang. Zolang deze tegenstelling blijft bestaan, kan elke dag voor elke mens een nieuwe stap vooruit op het geestelijke pad betekenen, een nieuwe bewustwording. Op het ogenblik dat alle persoonlijk initiatief gedood wordt en de jeugd wordt gedwongen in het keurslijf van gedachten der ouderen, dat op de duur – eeuwen oud misschien reeds – de enige waarheid wordt genoemd, valt de wereld. Dan sterven alle beschavingen en blijft de ledige huls van gebruiken nog voor een korte tijd als een spot de onmachtige mens honen.

Voorbeeld: In de tijd, dat China zijn steeds groter wordende beschaving zag calcifiëren tot een levende dood, waren er roversbenden, waaraan vooral vele jongeren van goede huize deel hadden. Dezen trokken plunderend door het land, brachten helden voort, maar gingen uiteindelijk ten onder, doordat de massa het werkelijke begrip en streven naar vrijheid al snel doodde, latende slechts de zucht naar bezit en genot. In Ur waren de gelagen die de zonen van de rijke handelaren en avontuurlijke kapiteins inrichtten zo groot en wreed, dat door de gemeenschap hiertegen maatregelen moesten worden genomen. De jeugd, geen redenen meer kennende tot streven, of werken, liet zich in een lusteloos voortzetten der bestaande gebruiken dringen. Toen de ouderen stierven was het met de roem van de stad ook haast gedaan. Toen in Griekenland een hoogtepunt van denken werd bereikt, terwijl de handelaren van Sparta, zowel als Athene een heerschappij hadden bereikt en macht vonden in de statenbond, liepen in Athene de geparfumeerde jongeren simperende langs de straten, het woord meer schattende dan de daad en het genot bovenal.  De sport, geboorte, en wreedheid zonder doel tegen de naaste, hadden het krijgsmanschap in Sparta verdrongen. Toen Rome zijn burgers, vooral de jongeren, van zijn grootheid overtuigd had, trokken de jongeren – soms aangevoerd door de Caesars – gemaskerd door de straten om minderen te beledigen, te beroven, te verkrachten en te moorden. Het was daaraan, dat de ware macht van Rome stierf, ondanks de vreemde huurtroepen, die nog veroverden.

Dergelijke verschijnselen zijn eenvoudig te verklaren. Wanneer in de vloed van de tijd een verstarring dreigt te ontstaan binnen hen, die aan haar gebonden zijn, ontstaan spanningen die niet te dragen zijn. De tijd is een beweging. Deze beweging van de tijd brengt de daarin berustende kracht over op al wat zich binnen de stroom der momenten bevindt. Wanneer nu de mogelijkheid om zich aan de tijdstroom aan te passen, verloren gaat door een verstarren van gewoonten en gebruiken, zal de kracht die de tijd in de mensen en rassen legt, geen uitweg meer vinden. Dan gebruikt men deze krachten haast tegen wil en dank, om het oude ad absurdum uit te breiden. Het individu heeft echter geen binding meer aan het geheel, waar de werkelijke beïnvloedingen reeds geheel anders liggen dan de uiterlijke mogelijkheden aan- geven. Gevolg: zelfzucht, egoïsme. De jeugd heeft geen mogelijkheden meer om in nieuwe bereikingen haar krachten af te reageren. Zij moet in verzet komen, of verstikken onder de druk die de tijd in haar doet ontstaan. Indien zij niet in staat is voor zichzelf iets nieuws te bereiken, zal zij daarom in ieder geval toch trachten te vernietigen wat de ouden opbouwden.  Zo is het altijd geweest, zo zal het wel altijd zijn. Of die strijd nu wordt uitgevochten als in Atlantis met magie, of als in Griekenland en Rome door perversiteiten, die de oude waarden ontkennen door de giftbeker en het sluikse geweld, het maakt weinig uit. De noodzaak tot strijd is er, de strijd zal uitgevochten worden. Wanneer wij dit alleen stoffelijk bezien, kunnen wij hier de spiraal van de gebeurtenissen in erkennen. Wij zullen ons dan af gaan vragen waar dit toe zal voeren, zonder een aanvaardbaar antwoord te kunnen vinden. Indien wij ons de moeite getroosten om het geheel uit meer geestelijk standpunt te bezien, dan toont het vreemde spel van de tijd ons geheel andere aspecten, het geheel van stoffelijke mogelijkheden is inherent aan de tijd. Alle mogelijke ontwikkelingen in de stof worden door het verloop van tijd bepaald. Het is klaarblijkelijk niet mogelijk hieraan geheel te ontkomen.

Wanneer de geest in het stoffelijke neerdalende leert onzelfzuchtig te streven, blijkt namelijk dat de ene periode van bloei bijna onmiddellijk kan worden gevolgd door een andere, nog grotere periode van bloei. Er is geen absolute ondergang noodzakelijk, zoals eens het religieuze geweld der reformatie eerst een godsdienstig reveil bracht, maar haast onmiddellijk na zijn eerste periode van teruggang, kunstenaars geboren deed worden. Uit de starheid van het woord, de wrede strijd tegen de paap, of de ketter, kwam muziek voort, die nu nog velen schoonheid schenkt. Er ontstonden schilderijen, die in hun schoonheid niet alleen een beeld geven van de late middeleeuwen, maar ook van het rijke gedachteleven en de welvaart van die tijden.

De geest kan overwinnen wanneer zij ook in de stof bewust en voortdurend actief blijft. Als geest ben je niet geheel aan deze vreemde tijd gebonden. Al ken jezelf een relatieve tijd, dat, wat de mensheid een “leven” noemt, is voor de geest toch in feite maar een bijkomstigheid. U bent voor een ogenblik in de tijd gevangen, inderdaad. Maar het is een gevangenschap, die niet meer betekent dan het gebonden zijn van een kind, dat een ogenblik – zijn centje in de hand – op het platform van een draaimolen stijgt om zich in de werveling van de carrousel te vermijen op een houten paard, of in een hevig schommelend schuitje. De bel gaat, de muziek speelt. Je verheugt je, of je voelt je angstig en voor je het weet is de rit alweer afgelopen. Op het ogenblik dat het geheel wervelt, lijkt je dit misschien zeer belangrijk. In de suizelende draaiing zie je niet precies meer wat er rond je bestaat. Je gedachten gaan misschien over wijde vlakten, maar je jaagt rond, steeds maar weer dezelfde bekrompen cirkel.

Dat is geestelijk gezien uw beleven van tijd. Die tijd is stoffelijk, redelijk. Zij is een uiting van het mechanisme, dat heel het Al als een wet zijn bewegingen oplegt, die dan ook zich uit in alle materie, van het kleinste tot het grootste. Maar daar buiten die draaiingen van de carrousel der tijd staan de werkelijkheden van het geestelijke leven. Daar ligt de wereld van de geest.  Wie rond gewerveld door de molen van het leven, eindelijk af moet stappen, zal misschien even moeten zoeken, even moeten gewennen. Maar dan staat hij weer in zijn oude wereld, die zeker niet alleen maar een kermis vol van klatergoud is, of een razend circus, vol van steeds maar afwisselende attracties, nieuw en toch oud en vervelend. Het is eerder een wereld, waarin het leven alleen maar een rumoerige plaats betekent en waar verder de wouden, de bergen en de vredige valleien van gedachten wachten op een ieder, die in deze wereld van geest zichzelf wil zijn.

Voor ons in de geest is het dan ook zeer belangrijk, hoe wij de tijd benaderen. Belangrijker wordt het nog, wanneer wij eenmaal aan deze stoffelijke maatstaf van beweging gebonden zijn, hoe wij ze beleven. Je kunt natuurlijk gaan denken, dat het dan weinig uitmaakt, wat je doet in dat leven “want het is toch zo voorbij”. Dat is niet waar. De manier waarop je geloofd hebt, bepaalt hoe bewust je zult zijn, wanneer je zo dadelijk weer in je eigen werkelijkheid komt. Soms is het of de tijd je in de stof betovert. Aan de ene kant brengt zij je de joelende lachende vreugde, de uitbundigheid, die behoort bij een avontuurlijk spel vol van ervaringen, aan de andere kant brengt zij je ook de diepe afgronden van leed, de tunnels van duister beleven, waar je doorheen moet. Dan is het of er over de carrousel van het leven een kap slaat, die voor een ogenblik het licht weg neemt. Denk je, dat dit de enige werkelijkheid is, dan ben je gebonden aan de tijd. Deze stoffelijke wetten, de mechanische beweging van de stof, geboren uit Goddelijke krachten, regeert dan de geest. Dan is er geen enkele mogelijkheid meer om vrij te komen. Dan blijft de tijd voor jou steeds maar voortbestaan. Zoals soms, wanneer je uit een carrousel stapt, de wereld nog een ogenblik langer rond schijnt te blijven wervelen en je voeten je niet meer kunnen dragen. Zo wankel je dan als bedronken door de geestelijke wereld, niet wetende, waar je bent, niet herkennende al, wat er rond je aanwezig is om in het werkelijke leven samen met je verder te gaan. Zover het de geest betreft, is de tijd een deel van de begoocheling, de waan. Juist omdat de geest soms dit spel mee moet spelen, ook al is het alleen maar om even uit de sleur, de gezapige rust van haar eigen wereld los te komen, omdat er ook voor haar, in haar geestelijke wereld, een persoonlijke vooruitgang en ontwikkeling moet zijn, is het wel zaaks, dat wij het vreemde spel van de tijd goed leren begrijpen.

Wij hebben een geloof nodig zeggen wij in de stof. Waar is dit zeker. Want wat men in de wereld geloof noemt, is in feite niets anders dan het weten om degenen die staan te wachten, tot je weer uit de wervelende attractie zult stappen, die “wereld” heet, om met hen het pad verder te gaan. In de wereld zegt men, dat je moet vertrouwen op God. In de geest zou men beter zeggen, dat je moet kunnen begrijpen dat alles, wat je in één enkele wereld, of sfeer, doormaakt, beperkt is en klein. Men zegt in de wereld dat je de tijd goed moet gebruiken.  De geest zegt eerder dat je uit de tijd voor jezelf bewustzijn zult moeten putten, onverschillig hoe, want de tijd blijft zichzelf gelijk. Alleen de mensen veranderen iets, het bewustzijn uit zich in enigszins andere vormen. Ik zou ook kunnen spreken over deze tijd met zijn ontspoorde jeugd, die zich ook nu aan uitspattingen te buiten dreigt te gaan. Gelukkig is dit voor heden nog slechts een beginfase die nog niet een uiteindelijke ondergang hoeft te betekenen.

Ik vraag mij af, waarom de mens, die toch leeft en streeft voor een groter bewustzijn, zo zelden de ware betekenis van zijn stoffelijk bestaan wil aanvaarden. Want de waarheid zal immers veel leed bannen, vele ervaringen mogelijk maken in grotere vrijheid. De banden die in de stof soms schijnen te breken, kunnen immers niet verbroken worden, indien zij berusten op een eerlijke eenheid in denken en streven, een liefde, die niet slechts voor zich vraagt. Dat is een begoocheling door de razende beweging, je opgedrongen door de opeenvolging van onvolmaakt gebeuren. Bezit, of het niet bezitten, is al evenzeer waan. Je kunt niet werkelijk bezitten. Het is alleen maar een verschijnsel van de jachtende tijd. Je kunt niet werkelijk en blijvend gewinnen en verliezen in de stof. Dat is alleen mogelijk in de geest, zelfs dan is het verlies er eerder een van een bewustzijn dan van werkelijke waarden die in je wezen schuilen. Laat de mens dan verstandig zijn en zich deze regels, ook terwijl hij nog in de stof bestaan en leven moet, goed voor ogen stellen. Niet onze taak is het in geest of stof, vooruitgang te stuiten. Het is noch ons recht noch onze plicht om anderen bepaalde wetten op te leggen. Alles wat wij in de stof beleven, moeten wij trachten over te brengen in een begrijpen van geestelijke betekenis. Niets mogen wij in feite enkel uit stoffelijk standpunt bezien. Wij moeten weten, dat noch voor ons noch voor iemand anders, ondergang werkelijk mogelijk is. Alleen het bewustzijn bepaalt voortbestaan. Wat was, kan niet teniet gaan. Wanneer u zich dit stoffelijk realiseert, zal de tijd niet meer zo wreed zijn spel met u kunnen spelen. Dan zal veel van wat u thans verlangt, of schuwt, voor u onbelangrijk worden. Dan zal hij u misschien vrij kunnen maken van deze voortdurende reeks van gebeurtenissen met zijn waan van opgang en ondergang, die juist vanuit het verschijnsel van de tijd de mensheid nu zo vaak beheerst. Bovendien zult u juist zo leren het meest kostbare, wat het stoffelijke leven u te bieden heeft, namelijk de ervaring, te accepteren.

Indien u dit doet, is het vreemde spel van de tijd u een sleutel geworden tot nieuw bewustzijn en nieuwe vreugde. Indien u echter meent alleen vanuit de stof te moeten oordelen, of u in de eerste plaats steeds weer vastklampt aan hetgeen u hier in deze wereld overkomt, dan is het gevaar zeer groot, dat u als een slaaf gebonden zult zijn aan het automatische voortgaan van de stoffelijke beweging, waarvan u als geest nooit de werkelijke zin zult kunnen beseffen, vóór u de voleinding kent. God heeft ook de tijd geschapen, zo goed als Hij u schiep en alle werelden en sferen. Maar Hij heeft deze niet geschapen, opdat u zichzelf daarin zou verliezen. Kijk in het boek Genesis. Daarin zou u kunnen lezen dat God de mens het eeuwige leven heeft toegedacht. Hij kan dit besluit niet terug nemen, want Hij is volmaakt en Zichzelf steeds gelijk. Zo zijt u eeuwig, allen. Al het andere is verschijnsel, dat u bedriegt. Besef dit en breng het verschijnsel terug naar de plaats die het werkelijk in leven en bestaan in dient te nemen: een middel tot bewustwording. Een beperking misschien ook soms. Maar iets, wat altijd kan worden over- wonnen, terug kan worden gebracht tot ware verhoudingen, wanneer wij ons beroepen op de geest. Eerst dan zult u waarlijk in vrijheid kunnen leven en zal de eeuwigheid uw deel zijn, zelfs in de beperkingen van de stof.