Het woord

image_pdf

 19 april 1963

Aan het begin van deze bijeenkomst wijs ik u er nog op, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Wij rekenen er dan ook op, dat u zelfstandig na zult denken. Na de opvallend snelle ontwikkeling van bepaalde Lichtkrachten op aarde lijkt het mij goed u hedenavond eens te spreken over iets, dat vaak wordt aangeduid met: Het woord.

Men heeft het op aarde steeds weer over “het woord verkondigen”, “het woord Gods’ spreken” enz. Daarbij valt op, dat slechts weinige mensen zich realiseren, dat dit ‘woord’ niet identiek is met ‘enkel woorden’. ‘Het woord’ is een boodschap. Zoals men in het christendom dit woord kent, zo vinden wij het ook overal elders: waar een Leraar of Meester optreedt, brengt hij “het woord”, een boodschap en richtlijnen, waardoor men zijn leven harmonischer op de werkelijkheid kan richten. Waar wij in de komende tijd ongetwijfeld heel veel te maken zullen krijgen met dit ‘woord’, dat ons bovendien uit verschillende richtingen zal bereiken en daarbij de nadruk van verschillende Meesters kennelijk zal dragen, lijkt het mij goed u deze avond eens een inzicht te verschaffen in alles, wat samenhangt met het brengen van dit woord, van deze boodschap. Ik zal hierbij niet spreken over Jezus, omdat het verhaal van Zijn optreden te zeer werd doodgepraat. De mensen menen daarvan alles af te weten en hebben dat, wat van Zijn ‘Woord’ overblijft, zo zeer uiteen gerafeld, dat een nieuwe visie hierop bovendien voor sommigen niet aanvaardbaar of zelfs kwetsend zou kunnen zijn.

Ik ga daarom uit van een onbekende Meester, een Meester X, een profeet zonder naam.

Mijn verhaal begint op het ogenblik, dat deze Meester erkent, dat het voor hem tijd wordt, om tot de wereld te gaan en daar zijn boodschap te brengen. Wij stellen, dat alles gunstig hiervoor is: de kosmische krachten werken mee, de Grootkrachten van Licht en Wijsheid schijnen de wereld reeds op zijn komst voor te bereiden. Allereerst moet er nu gezocht worden naar een plaats, waar deze Meester met zijn boodschap ook tussen de mensen passen zal. Niet overal zal dezelfde lering immers gelijke indruk kunnen maken, terwijl lang niet overal op aarde de boodschap op de juiste wijze gebracht zal kunnen worden.

Om u hiervan een voorbeeld te geven: een Meester, die op dit ogenblik geboren zou worden, zou daarvoor nooit een gebied als de U.S.A. kunnen kiezen. Hij zou ongetwijfeld in staat zijn aan zijn leer de nodige verbreiding te geven. Er zouden echter te veel andere invloeden een belangrijke rol gaan spelen, terwijl de verbreiding misschien zelfs het volgende karakter krijgen zou: “Luisteraars, hier is het station XYZ met de woorden van de Meester. Deze geestelijke lering, waardoor innerlijke verheffing mogelijk wordt, kan u worden aangeboden door de fabrikanten van Kukukol tandpasta, het perfecte middel om uw gebit te verfraaien. Hebt u al mooie, gezonde, witte tanden?”

U begrijpt wel, dat de reclame zich met een belangrijke Meester bezig zou willen houden. Maar daardoor zal altijd weer een groot deel van de werkelijke boodschap, de werkelijke inhoud van het woord, teloor gaan. Verder zou weliswaar een zeer grote schare mensen gelijktijdig kennis kunnen nemen van het woord, maar het zou niet de kans hebben om in het innerlijk van de mensen tot rijpheid te komen.
Daarom zal een Meester dus voor zijn komst op aarde een plaats zoeken, waar de mensen eenvoudig van harte zijn, een plaats verder, waar men aan zijn boodschap vooral in het begin niet al teveel aandacht zal besteden. Belangrijk is verder, dat een dergelijke plaats op aarde de mogelijkheid biedt een aantal leerlingen aan te trekken en in te wijden. Naargelang de staat van de mensheid in de periode van werken, de op aarde geldende moraal en inzichten, zal de Meester verder overwegen, of het beter is te streven naar een blijvend besloten school, een z.g. beperkte inwijding, dan wel het woord meer openlijk te verkondigen. Ook het besluit, dat hij in dit opzicht neemt zal invloed hebben op de bepaling van tijd en plaats.

Men kan dus wel zeggen, dat een incarnatie van een Meester in de stof door de hogere geest met evenveel of meer zorg wordt voorbereid, dan een generale staf besteedt aan het ontwerpen van plannen voor het geval van oorlog. Alle mogelijkheden en omstandigheden worden mee in overweging genomen. Een Meester wordt niet zo maar geboren als het kind van een willekeurig echtpaar. Neen. Alles moet van te voren worden overwogen en berekend, tot zelfs de erfelijke eigenschappen, die het te kiezen lichaam moet hebben, om in staat te zijn tijdens het verkondigen van het woord bepaalde hoge trillingen zonder schade te kunnen verdragen. Want het is belangrijk, dat dit lichaam in staat zal zijn zeer grote geestelijke krachten in zich op te nemen en vanuit zich aan de mensen door te geven, terwijl ook rekening wordt gehouden met de noodzaak ’tekenen en wonderen’ te doen of de mensen te beheersen.

Wanneer de juiste plaats en het juiste lichaam eenmaal is gevonden, beginnen de Lichtende geesten, die de Meester in zijn taak bij zullen staan, onmiddellijk hun maatregelen te nemen. Vaak behoort hieronder een contact met een of beide toekomstige ouders. Daarna wordt met spanning het juiste ogenblik voor de geboorte berekend en afgewacht. Wanneer onze Meester een belangrijke Meester zal zijn, zal iedereen, die in de hogere sferen zich tot het kosmische Licht bekent, zich druk bezig houden met dit alles. De voorbereidingen vinden hun bekroning, wanneer uiteindelijk een kind ter wereld komt.

Dit kind draagt natuurlijk de grote en rijpe geest van de Meester in zich. Maar het is niet goed, wanneer dit kind reeds onmiddellijk over alle gaven en mogelijkheden daarvan beschikken kan, het is niet goed, wanneer het kind te zeer verschilt van alle andere kinderen. Een Meester, die zijn volledig geestelijk bewustzijn onbeperkt in de stof zou kunnen overbrengen, zou vooral in zijn eerste jaren te zeer aan alle wetten en regels van de mensen voorbijgaan, terwijl de volwassen mens van een kind nu eenmaal niets aanneemt. Hij zou daardoor dus het gevaar lopen zijn zending reeds onmogelijk te maken, vóór zij eigenlijk goed begonnen is. Ook is het gevaar niet uitgesloten, dat hij zich door de in hem levende hogere en grotere wijsheid van de werkelijke mensen zou verwijderen. Daarom wordt – met zijn eigen goedkeuring – het geestelijk bewustzijn en de geestelijke vermogens van deze Meester voorlopig afgesloten.

Zoals u zult beseffen, is dit een groot offer, vooral omdat de periode, dat de Meester niet over zijn werkelijk Ik kan beschikken uiteen kan lopen van tenminste zes tot rond twintig jaren. Gedurende deze periode leeft de geïncarneerde Meester dus geheel als een gewoon mens. Hij is natuurlijk wel veel gevoeliger voor invloeden uit de geest, zal meer inzicht hebben in vele dingen en gemakkelijker leren, terwijl door degenen, die vanuit de geest aan zijn zending deel hebben, alles zullen doen om hem in staat te stellen vanuit een zuiver stoffelijk leven toch bepaalde ontdekkingen te doen. De werkelijke persoonlijkheid van een Meester blijft echter gedurende deze periode grotendeels onderdrukt. Zo wordt de Meester in zijn stoffelijk voertuig allereerst er op voorbereid, mens te zijn: alleen een werkelijke mens kan op een voor mensen begrijpelijke wijze over hogere waarden spreken.

Zodra deze eerste periode ten einde gaat, lijkt het alsof er in het bewustzijn van de jonge mens nevelen optrekken. De sluiers, die bewust werden aangebracht om de Meester onbewust te laten van zijn zending, de beperkingen, die werden opgelegd en aanvaard, vallen weg. Het werkelijke, het geestelijke Ik van de Meester zal nu ook in zijn stoffelijke voertuig geheel kunnen doordringen en daarin bewust beleefd kunnen worden. De Meester, die zich dus nog niet als zodanig geopenbaard heeft, begint nu zijn taak te beseffen. Hierop volgt gemeenlijk een zeer moeilijke periode: de Meester is immers door de wijze, waarop zijn voertuig stoffelijk, maar ook via gewoonten en menselijke denkwijzen werd gevormd, in de eerste plaats mens. Gelijktijdig wordt nu dit menselijke wezen belast met een zending, die bijna bovenmenselijke eisen zal stellen. Het zal immers alleen tegen geheel de bekende wereld op moeten trekken? Het gevolg is, dat een lange tijd van zoeken, denken en innerlijke strijd volgt, die eerst tot een einde komt, wanneer de Meester zijn weg en de voor hem passende wijze van optreden heeft gevonden en aanvaard.

Ik wijs er dus op, dat de zending zelf wel in de geest wordt bepaald, maar de wijze van optreden, de tekenen, die gedaan worden enz. niet. Deze laatste worden door de Meester zelf vastgesteld aan de hand van zijn stoffelijke ontwikkeling plus het in hem levende besef van de uiteindelijke taak.

De volgende stap betekent meestal een zoeken naar de eerste volgelingen. U moet niet denken dat een Meester, die op deze wijze over de wereld gaat, alleen maar willekeurige personen met de vinger aanwijst en tot hen eenvoudig zegt: “Kom, u lijkt mij wel geschikt. Kom dus mee, dan zal ik u eens even in gaan wijden”. De Meester moet eerst de mensen, die zo dadelijk zijn volgelingen zullen worden, leren kennen. Hij moet a.h.w. weten, in hoeverre zij zo dadelijk met hem en zijn taak harmonisch zullen kunnen zijn. Hij moet vooral ook hun fouten beseffen: deze fouten immers zal hij, vooral in de eerste tijd, geheel uit zichzelf moeten compenseren. Wanneer wij bv. zien, hoe Siddhartha tegenover Ananda staat, ontdekken wij, dat de gerijpte Boeddha in het begin voortdurend de fouten en verkeerde inzichten van zijn lievelingsleerling compenseert. Eerst wanneer na jaren deze leerling bepaalde inzichten heeft gewonnen en geestelijk een bepaalde hoogte heeft bereikt, zien wij , dat hij het werk van zijn Meester ten dele over kan nemen. Een zelfde ontwikkeling zien wij in de verhouding tussen Jezus en Simon, die later Petrus wordt genaamd. Alles moet passen in een schema. Ook de verhouding tussen Jezus en Judas Iskariot maakt dit duidelijk. Het schema is gelijktijdig de grondlijn van de grote taak, die de Meester moet vervullen.

Wanneer de periode van zoeken naar de eerste leerlingen voorbij is, zal de Meester meestal een tijdlang zichzelf willen zijn. Wij worden dan ook in het leven van elke Meester – hoe zijn taak ook werd volbracht en op welke wijze hij zijn leerlingen of een vorm koos – geconfronteerd met deze behoefte aan eenzaamheid, met deze honger naar stilte. De een zal zich voor bv. 30 dagen terugtrekken in de woestijn, de ander zal lange tijd als kluizenaar in de wildernis wonen, weer een andere Meester heeft de gewoonte op vaste tijden te verdwijnen, zonder dat iemand weet hoe of waar naar toe.
Dit is begrijpelijk, wanneer wij beseffen, dat de Meester telkenmale weer, wanneer er een deel van zijn taak is volbracht, of er een keuze werd gedaan, zich zijn werkelijke wezen moet realiseren, om zo de volgende stappen te kunnen overwegen en zijn taak op de meest juiste wijze te kunnen blijven volvoeren, zonder daarbij toe te geven aan de pressie, die van menselijke zijde steeds weer in een bepaalde richting wordt uitgeoefend op hem.

De Meester moet zich steeds weer geheel realiseren, wat zijn werken eigenlijk inhoudt, wat de stoffelijke mogelijkheden zijn, die lichaam en tijd hem geven om dit werk op de meest juiste en snelste wijze te volbrengen. Ook de consequenties in stof en geest – van alles, wat gedaan werd en alles, wat hij zal gaan doen – dient de Meester steeds weer te overwegen. Eerst wanneer hij zijn weg bewust en wetend heeft bepaald, zal hij zijn taak werkelijk geheel kunnen volvoeren. Daarom begint, gezien vanuit een mogelijk standpunt, het optreden van de meester, het interessante punt van het leven van een meester, altijd weer na een periode van afzondering. Eerst na met zichzelf te rade te zijn gegaan, zal de meester immers beginnen zijn eigenlijke boodschap aan de mensen te brengen.

Nu is de mens geneigd om te denken dat dan alles gemakkelijk en spectaculair verloopt. De Boeddha werd naar menselijk denken bewust en had onmiddellijk een grote hoeveelheid volgelingen, die hem navolgden, terwijl Jezus zijn apostelen nauwelijks bijeen had gezocht, vóór hij door menigten wordt achtervolgd, die hongerden naar Zijn leringen. Toch is dit beeld altijd weer onjuist. Zelfs wanneer wij terug gaan tot Aesir en de grote koningen van Atlantis of de grote, bijna vergeten helden en filosofen van het oosten, of de waarheid zoeken bij de magische meesters van latere tijden, steeds zullen wij weer zien, dat er een beginperiode is, waarin de Meester helemaal niet erkend wordt.
Hij brengt dan wel reeds zijn leer, maar vermomt zich a.h.w. in het gewaad van een in zijn tijd veel voorkomende soort mensen. De Boeddha gaat bv. rond als een bedelmonnik in een tijd, dat het land door dergelijke monniken overstroomd lijkt. Hij doet onder meer aan yoga en gedraagt zich soms als een soort fakir, zodat gesteld mag worden dat hij niet onmiddellijk opvalt, maar eerder een verschijning is, die in de tijd en bij het land geheel is aangepast. Ook Jezus valt niet onmiddellijk op. Hij is in het begin een van de vele profeten, wonderdoeners, die in die dagen de dorpen aflopen – zelfs niet alleen in het land van Israël, maar in alle landen van het nabije oosten. Aesir, de priestervorst, is in het begin een generaal tussen vele generaals. Weliswaar is hij een zeer wijze generaal en vorst, naar toch valt hij niet op, hij is niets bijzonders.

Na zich op deze wijze door een soort mimicry te hebben aangepast aan de voorstellingen van de mensheid en hun taak, beginnen de Meesters dan allen iets te brengen – heel voorzichtig – dat enigszins verschilt van alles, wat men gezien hun uiterlijk optreden van hen verwacht. Apolloneus gaat bv. door het leven als een filosoof, een van de vele denkers, die er een beroep van maken, denkbeelden op te bouwen en stellingen te verkondigen. Op een gegeven ogenblik zien wij bij hem zoals bij alle andere Meesters, dat hij aan zijn leerlingen iets meer gaat vertellen: hij spreekt met hen over de achtergronden van het leven. Daarna vertelt hij hen iets over de geheimzinnige machten in en rond de mens en leert hen enige methoden, waardoor men krachten kan transmuteren. Hij leert hen althans in theorie, hoe men zichzelf van het ene punt naar het andere kan verplaatsen, hoe men een plek kan heiligen, enz. Het gevolg is dat hier, zoals ook bij andere Meesters, een kleine groep ontstaat, die begint te beseffen dat de Meester meer is dan hij schijnt en men hem eert als een ingewijde.

Zo werd Aesir reeds bij zijn leven door een kleine groep niet beschouwd als een priester-koning of goed generaal, maar als een heros, wiens krachten geheel zijn volk ten goede zouden komen. In hun ogen is hij aan het einde van zijn leven zelfs meer god dan priester-koning. Zo ontstaat bij elke Meester steeds weer, gaande vanuit het eenvoudige geloof en de eenvoudige taak, bij de leerlingen een nieuw begrip, een nieuw geloof, dat het hen mogelijk maakt deel te hebben aan een inwijding.

Wanneer u te horen krijgt hoe een “woord” verkondigd werd, zult u steeds weer getroffen worden door de wonderen, die daarbij schijnbaar in grote hoeveelheden gebeurden. Wanneer wij horen spreken over het openbare leven van Jezus, krijgen wij de indruk, dat Hij zich liet dopen in de Jordaan – waar reeds een wonder gebeurde – om vervolgens zich alleen nog maar bezig te houden met wonderen en leringen aan de lopende band. Zo echter was het zeker niet. Natuurlijk, er kwamen wel wonderen voor. Maar zij waren niet zo belangrijk, als men wel geneigd is te denken.
Van elke Meester horen wij, dat hij vele wonderen deed. Zelfs van Apolloneus werden dergelijke verhalen verteld, terwijl de levens van grote wijzen, boeddha’s enz. wel hoofdzakelijk lijken te bestaan uit vreemde en buitenissige gebeurtenissen en meent men op grond hiervan, dat iedereen zonder meer de bijzondere taak van de Meester had moeten erkennen.

Daarbij ziet men geheel over het hoofd, dat men deze wonderen vaak eerst naderhand heeft beseft, toen de Meester al heen was gegaan. Dat men daarbij vaak flink overdrijft, is begrijpelijk. Wij dienen wel te beseffen dat het leven van de Meester en alles, wat hij deed, nog eerder en sterker zal worden vervalst, dan de menselijke historie. In de historie tracht een volk slechts eigen handelingen en standpunt steeds te rechtvaardigen, maar de interpretatie van een Meester en zijn leven eist volgens de mensen een duidelijke weergave van zijn inwijdingsgezag, zijn bijna – of geheel – goddelijke macht en zijn verheven Zijn boven alle anderen. Deze vervalsingen en overdrijvingen komen eigenlijk voort uit een verering die geen grenzen kent. De mensen denken nu eenmaal in uiterlijkheden, het is dan ook begrijpelijk, dat al het uitzonderlijke in het leven van een Meester breedvoerig wordt uitgemeten, terwijl de eenvoud van zijn leven en werken meestal zal worden vergeten.
Wij treffen dan ook in de overleveringen weinig of niets aan van de zorgvuldigheid en de eenvoud, waarmede deze grote geesten hun werk op aarde hebben opgebouwd. Het is haast niet mogelijk, aan de hand van de geschriften, nog te beseffen, hoe het grote werk voorzichtig en stukje na brokje werd opgebouwd.

Een van de gevolgen hiervan is de opvatting, dat de boodschap van een Meester zonder meer dient te worden uitgezaaid over geheel de wereld, dat het belangrijk is, dat steeds meer mensen onmiddellijk deel hebben aan zijn leringen. Een Meester weet wel beter: wanneer je een nieuw en kostbaar zaad te ver uitzaait, zul je er niet voldoende voor kunnen zorgen, zodat het verwildert. Een voorbeeld hiervan kunnen wij misschien toch wel vinden. Wanneer u ziet, hoeveel christelijke sekten er op het ogenblik zijn, elk uitgaande van zijn eigen achtergronden en wensen, kunt u zich, meen ik, wel voorstellen, hoe veel erger dit zou zijn geweest, wanneer reeds onmiddellijk Romeinen, Grieken, Germanen, Nubiërs enz. de leer van Jezus hadden kunnen horen en deze op hun eigen wijze hadden kunnen interpreteren.

Wanneer zij allen onmiddellijk de leer hadden kunnen vernemen, had elk van hen daarin vooral zichzelf gezocht met het gevolg, dat de inwijding van het christendom veel eerder teloor gegaan zou zijn en de z.g. christenen elkander hadden uitgemoord om uit te maken, wie nu eigenlijk het ‘beste’ christendom had. Denk vooral niet, dat dit laatste overdreven is: nu heeft het christendom ruim 300 jaren gehad om zich langzaam en rustig te verbreiden en toch heeft het niet veel gescheeld, of men had elkander uitgemoord om eigen opvattingen van Jezus’ leer tot de enig juiste te maken.
Een Meester, die de mensheid opnieuw de waarheid brengt, kan zich dan ook niet permitteren, deze leer nu maar onmiddellijk voor geheel de wereld toegankelijk te maken. Daarom begint de Meester eerst in een betrekkelijk klein gebied te werken. Zelfs in dit gebied werkt hij nog niet voor iedereen. Want de werkelijke boodschap is niet bestemd voor de massa. Dat komt pas veel later. Er moeten eerst voldoende adepten zijn. Er móéten mensen gevonden worden, die innerlijk reeds rijp zijn om de gebrachte boodschap te aanvaarden, om deze boodschap innerlijk te kunnen beleven – al is het dan maar op een menselijke en onvolledige wijze.
Deze mensen moeten eerst worden ingewijd, moeten leren geloven en vertrouwen. Zij moeten leren werken met innerlijke krachten, opdat zij op hun beurt proselieten kunnen maken, zodat zij reeds, terwijl zij nog innerlijk een verdere inwijding ondergaan, reeds nieuwelingen kunnen aantrekken, die, op hun beurt, rijp genoeg worden om een inwijding te ondergaan. Zeker, het “woord” is uiteindelijk altijd voor geheel de wereld bestemd. Maar het begin van het “woord” is altijd weer de inwijding van de eerste leerlingen, het voorbereiden van een kern of school, van waaruit de ware leer kan worden verbreid en waarin deze ware leer bewaard blijft.

Onze onbekende Meester handelt niet anders. Terwijl hij de inwijding van zijn leerlingen voorbereidt, leraart hij, predikt hij ook voor het gewone volk, opdat zo dadelijk, wanneer hij aan de belangrijkste fase van zijn werk zal beginnen, men weten zal, dat hij bestaat. Daarbij kiest hij middelen, die passen in de tijd en die het volk aanspreken. Misschien doet hij wat aan politiek – zoals Jezus – of brengt hij een vernieuwing in industrie of landbouw – zoals Aesir heeft gedaan. Misschien zoekt hij ook een uitweg te vinden uit bestaande sociale problemen, zoals bv. de Gautama Siddhartha deed, of probeert een eenheid te scheppen tussen verdeelde stammen en volkeren, zoals onder meer Mohammed heeft gedaan. Door deze middelen wordt het uiterlijk leven van de meester grotendeels bepaald. Daar achter schuilt echter de leer, die – druppel voor druppel a.h.w. – in de mensen moet doordringen en hun innerlijk leven moet vernieuwen.

Het geheim van elke inwijdingsboodschap, de kern van elk ‘woord’ is uiteindelijk altijd: God, Goddelijke Waarheid. Maar nooit gaat het over een God, die enkel buiten de mens bestaat, of een Goddelijke waarheid, die alleen van buitenaf komt. De werkelijke boodschap is nooit een gave, die de mens zonder meer op een presenteerblaadje wordt aangeboden, of in een fraai gedrukt boekwerkje, voorzien van de leus: “Laat U redden”, aan de belangstellenden kan worden overhandigd. De kernleer is altijd weer iets, wat van binnen in de mens moet groeien. De kern van het woord is geen mededeling, maar een innerlijk proces.
Natuurlijk komt bij de boodschap vaak ook kennis te pas, maar deze kennis is in wezen van secundair belang. Deze kennis kan men dan ook zonder bezwaren aan geheel de wereld geven. Het innerlijk proces, waardoor de mens a.h.w. tot een hogere graad van leven wordt opgeheven, kan de mens alleen zichzelf verwerven, dit moet in hemzelf groeien.

Wij kunnen zeggen, dat de doorsnee meester voor het opkweken van geestelijk, rijpe volgelingen in doorsnee 3 tot 7 jaar nodig heeft. Dan is er pas een eerste kern gevormd. Nu weet ik wel, dat men onmiddellijk op zal merken, dat Jezus’ openbaar leven maar 3 jaar heeft geduurd. Dit was echter ten dele getallensymboliek – de feitelijke duur was wel iets langer – terwijl Jezus na zijn dood terugkeerde, en de onderrichtingen voortzette. Wanneer men meent, dat Jezus niet aan het geschetste patroon beantwoordde en wijst op het feit, dat hij in wezen werkte onder het volk, daarbij rond zich slechts 12 apostelen verzamelende, vergeet men de groepen van 40 en de groep van de 72, die in de evangeliën niet vermeld worden, maar wel voorkomen in het Pinksterverhaal. Waar zouden anders die mensen vandaan komen, die in staat waren de bezieling door de H. Geest zonder meer te aanvaarden?

In feite moet er dus een veel grotere kern van christenen geweest zijn, zelfs vóór Jezus’ dood, dan uit de verhalen blijkt. Deze kern moet verder niet alleen bestaan hebben in bv. Galilea, maar ook o.m. in Samaria, terwijl zelfs van een kern bij de Grieken gesproken kan worden, deze hadden een nederzetting niet al te ver van Jeruzalem. Ook onder de Romeinen schijnt een groep bestaan te hebben, ofschoon hiervan na Jezus’ dood niets meer blijkt.

Met het voorgaande tracht ik aan te tonen, dat er feiten zijn in de eerste tijd van het christen- dom, die geheim werden gehouden; of zelfs onderdrukt werden. Bij de Boeddha vinden wij soortgelijke nalatigheden in de heilige boeken. Wel vermeldt men, dat hij vertoeft aan de hoven van de vorsten, maar hoe hij daarbij werkte in sociale zin en deel had aan het politiek spel van die dagen, laat men buiten beschouwing. Zo horen wij ook weinig over de wijze, waarop de Boeddha, werkte onder de nederigsten, de kaste van de uitgeworpenen en de prostituees. Men vermeldt klaarblijkelijk liever niet, dat hij onder deze laagsten zijn belangrijkste en eerste volgelingen heeft gezocht en noemt de leerlingen soms wel bij naam, maar men vermijdt iets over hun vroeger leven of afstamming te vermelden.

Onze Meester zoekt zich dus volgelingen. Daarbij moet hij er op letten, dat de eerste groep van ingewijden een redelijke doorsnede van de maatschappij weergeeft. Want wanneer men de inwijding heeft ontvangen en in zichzelf de nieuwe band met hogere waarheid en Lichtende krachten heeft gevonden, is het noodzakelijk deze waarden ook tot uitdrukking te brengen. Het is logisch, dat een boer, die tot een edelman spreekt, te weinig begrip en gehoor zal vinden, terwijl een edelman, die tot een boer moet spreken, wel eerbied, maar weinig werkelijk begrip en zelfstandig denken mag verwachten.
Wanneer echter de boer tot de boer spreekt en de edelman tot de edelen, spreken zij tot gelijken en zal het overwicht van de boodschap kunnen gelden, zonder dat hierbij de sociale verhoudingen of stand- en taalverschillen een rol spelen. Gelijken zullen eerlijker met elkander spreken en uiteindelijk elkander ook gemakkelijker en juister verstaan.

Ik neem aan, dat u nu wel begint te begrijpen, dat het brengen van het “woord” dus niet alleen maar een kwestie is van het wonder van de goddelijke Liefde, die alle dingen mogelijk maakt. Uit het voorgaande blijkt m.i. duidelijk, dat elke komst van een Meester op aarde een compleet plan de campagne vereist, terwijl ook dan nog de Meester tijdens zijn verblijf op aarde zeer zorgvuldig moet zoeken naar de juiste mensen, de juiste wijze van werken en de juiste mate van verbreiding van dit woord. Verder komt daarbij nog, dat de meester er steeds weer met zijn openbaar optreden rekening mee moet houden, dat hij in de ogen van de wereld niet een gevaarlijk revolutionair wordt, voor zijn taak is volbracht, terwijl hij zich er al evenzeer voor moet hoeden in de ogen van de mensen té groot te worden, opdat men hem niet een god noemt, voor hij zijn boodschap aan de mensen heeft gegeven en zijn leer heeft verankerd in het mensdom. Dit is altijd weer moeilijk.

In alle verkondigingen van het “woord” treffen wij een periode aan, waarin de mededelingen, die openbaar gedaan worden, dubbelzinnig schijnen te worden en voor meerdere interpretaties vatbaar blijken te zijn. Misschien heeft u dit wel eens bemerkt en bij uzelf gezegd, dat dit toch eigenlijk niet juist is. U heeft misschien in uzelf zich de vraag gesteld, of de Meester zijn leringen niet zó had kunnen geven, dat er geen 4 of 5 verschillende betekenissen aan gehecht kunnen worden. Er komt echter tijdens het optreden van elke meester een tijd, dat de Goddelijke Boodschap, die door het “woord” wordt uitgedrukt, heel wat meer inhoud heeft, dan een gewoon mens zal kunnen verwerken. Dan dient er dus voor iedereen een uitleg mogelijk te zijn, waardoor hij althans de buitenkant van de leer kan aanvaarden. De additionele inwijding, die de kerngroep krijgt, is dan steeds weer in staat de juiste betekenis te geven van alle uitspraken en de ware achtergronden van de leer verder te openbaren, naarmate de bewustwording van de mensen hiertoe mogelijkheden biedt.

Zelfs in de besloten leringen, de z.g. mysterie scholen, is er daarom steeds sprake van een z.g. openbaar en een z.g. verborgen mysterie. Wij zien namelijk steeds weer, dat men in de mysteriescholen eerst als leerling wordt aangenomen, maar na het afleggen van enige proeven en een proeftijd op de duur als gelijkwaardig lid wordt aanvaard. Men is dan niet meer ondergeschikt aan de leden van hogere raad, maar is tot een vrij werkende kracht binnen de school geworden. Men meent misschien, dat men dan al het noodzakelijke bereikt heeft, maar in feite begint het dan eigenlijk pas.

Men heeft nu de uiterlijke leer, de werktuigen, inderdaad in handen gekregen. Maar nu dient men eerst daarmede zelf te gaan werken, nu eerst dient men geheel uit de leer te gaan werken en te leven. Nu dient men in zich het geheim steeds sterker te gaan beleven, tot het een openbaring wordt. Menigeen meent, dat de inwijding in een eerste graad alleen een kwestie is van status, aanvaarding en een paar beproevingen. Wanneer zij eenmaal aangenomen zijn menen zij: nu zijn wij er. Wanneer men echter ziet, hoe alle grote meesters op aarde hebben gewerkt, kan men echter eerder concluderen, dat het tegendeel het geval is. Je begint als leerling. Wanneer je eenmaal als leerling de eerste lessen hebt gehad, meen je reeds ver te zijn. Het feit, dat men tot een nieuwe groep wordt toegelaten, bv. tot de raven, gezel wordt of acoliet genoemd wordt – want dat verschilt naargelang de School – bevordert dit misverstand vaak. Men meent reeds ver te zijn.

Wie echter eerlijk verder streeft, komt tot de ontstellende ontdekking, dat hij nu helemaal niets meer schijnt te begrijpen, dat hij nu helemaal niets meer kan. Als leerling volbracht men reeds veel en meende veel te kunnen. Nu echter is men machteloos. Toch zal men voort moeten gaan. Want een innerlijke inwijding kan men alleen verwerven, wanneer het uiterlijke succes niet te groot, de bereiking niet al te gemakkelijk is. Daarom maakt geen enkele Meester het zijn leerlingen gemakkelijk. Het mag niet al te eenvoudig zijn, want een te grote eenvoud zal de mensen tot zelfmisleiding brengen en tot misbruiken voeren.

De boodschap zelf is in wezen vaak onnoemelijk eenvoudig. Zij is zo simpel, dat iedereen ze kan begrijpen. Maar wanneer zij ook zonder meer zo eenvoudig werd gesteld, zou men de leringen niet in praktijk brengen: het is dan te eenvoudig de leer in overeenstemming te brengen met alles, wat de mens voor zich wenst.

Te leren, dat eigen interpretaties geen nut hebben, dat een aanpassen van de werkelijke inwijdingsleer aan eigen leven niet mogelijk is, vergt een periode van rust, van schijnbare machteloosheid. Daarop volgt echter een hernieuwing van werkzaamheid. Dan vraagt men zich altijd weer af: Is dit waar? Ben ik werkelijk iets? Juist wanneer dit punt van twijfel aan eigen wezen bereikt is, zal men overgaan tot de volgende graad. Nu mag men deel nemen aan offerdiensten en riten, mag men meespelen in een mysteriespel, is men binnen de school volwaardig lid geworden. Meestal meent men dan weer, dat men nu het doel bereikt heeft. Men zegt zichzelf: “Eindelijk ben ik nu door de rijstebrijberg van innerlijk zoeken heen. Nu zal het mij alles verder worden gegeven.” Men ziet de leer met nieuwe ogen.
Maar dan staat men weer: De Meester begrijpt heel goed, dat, wanneer u te veel gegeven wordt, de mens zijn zelfstandig zoeken en werken zal staken. Een wijsgeer uit het verleden stelde eens: “Het is voor de mens goed, wanneer hij steeds bijna genoeg heeft. Dit zal hem ertoe brengen steeds verder te streven. Geef de mens echter genoeg en hij streeft niet meer. Dan is hij binnen enkele jaren teruggevallen tot een lui en vadsig dier”. Dit is waar en de meesters beseffen dit heel goed. Er moet altijd een verdergaan zijn.

Een bereiking, waarin de mens snel alles kan verwerkelijken en bereiken zal voor de mens aanleiding zijn om niets meer te doen, om op zijn lauweren te rusten. Er is dus sprake van een zwaar selectieproces. Waar dit zo is en een nieuwe leer niet zonder een goede kern van ingewijden, van mensen, die dankzij hun innerlijke ontwikkeling een synthese tussen de boodschap en de kosmos kunnen vinden, waardeloos is, mag deze leer zich niet te snel uitbreiden. Dreigt het aantal volgelingen desondanks te groot te worden, dan moet dit met alle middelen tegen worden gehouden. Desnoods zal men een gewelddadige ‘bestrijding’ bevorderen, zodat het aantal volgelingen slinkt. Alleen in beperkte aantallen kan de boodschap in de eerste tijd in leven blijven, zonder haar betekenis te verliezen. Wanneer men er niet in slaagt deze beperkingen te handhaven en het woord zich ondanks alles te snel over de wereld verspreidt, verliest het zijn zin.

Wij keren terug tot onze Meester X, die nu zijn eerste leerlingen heeft gevonden. Natuurlijk begint hij allereerst een kernscholing te geven. Zo een eerste kern is altijd klein. Aantallen van, 3, 7, 9, 12 , 21 en 33 komen daarbij voor.

Ook deze getallen hebben een symbolische waarde, zodat er wel eens enkele werkelijke leerlingen meer of minder geweest zullen zijn. Toch komen wij deze aantallen steeds weer tegen en geven zij ons een duidelijk beeld van de omvang, die een kerngroep in het begin heeft. De leden van deze eerste groep worden betrekkelijk snel ingewijd, zover dit noodzakelijk is, zodat zij met ziel en lichaam deel uitmaken van de kracht, die de meester vertegenwoordigt. Tevens zijn zij hierdoor de ware apostelen van zijn “woord”. Hierbij moeten wij even opmerken, dat deze inwijding vaak geschiedt voor er van voldoende geestelijke rijpheid sprake is, zodat de Meester zelf in wezen de aanvullende kracht blijft en door zijn kracht in wezen de kern is van alles, wat in de groep leeft. Dankzij dit offer van de Meester, die immers voor de daden en werken van zijn leerlingen nu verantwoordelijk is, zullen dus de leden van de eerste kerngroepen eigenlijk boven hun krachten en waardigheid leven. Waar zij te kort dreigen te schieten, zal de kracht van de Meester ingrijpen en hen omhoogstuwen of hun werken ongedaan maken, zodat zij reeds, terwijl zij zelf nog innerlijk groeien, aan anderen de leiding kunnen geven, die zij nodig hebben.

Rond deze kern bouwt de Meester dan een tweede scholing op. Hier worden echter zwaardere eisen gesteld. Verder valt op, dat de eerste groep steeds in contact blijft met de Meester en hem pleegt te volgen, terwijl de tweede groep veel minder direct contact met de Meester heeft en over meerdere vaste centra verdeeld pleegt te zijn. Uit degenen, die de Meester blijken te willen volgen, vormt men twee of drie groepjes van vaak geheel verschillende structuur. Binnen deze groepen begint nu eveneens het geven van aanvullende leringen. De inhoud hiervan is gelijk aan alles, wat ook aan de eerste kern werd gegeven. Nu kan een Meester echter niet als een mens redelijk aanvaard worden, wanneer hij gelijktijdig overal terzelfder uur aanwezig moet zijn. Daarom pleegt hij althans een deel van deze onderrichtingen over te laten aan zijn discipelen van de eerste kern. Deze geven in wezen leiding aan de tweede groep, maar worden daarbij door hun Meester gecontroleerd en gesteund. Zo ontstaat dus een tweede groep, die schijnbaar beneden de leden van de eerste groep zal blijven staan.

De leden van deze tweede groep hebben echter, zoals reeds gezegd, veel meer moeilijkheden door te maken. Hun pad wordt veel minder geëffend. Zij maken daardoor de innerlijke geestelijke verlichting veel bewuster door dan de meeste leden van de eerste groep en zullen in wezen vaak de meerdere kunnen zijn van de oorspronkelijke kern. Iets, waarop zij zich echter niet plegen voor te laten staan. Men blijft de leden van de eerste kern eren, omdat de Meester met hen zijn taak begon. Wanneer eenmaal de tweede groep redelijk is opgebouwd, zal van daaruit een soort missiewerk gaan beginnen. Men gaat wederom lering geven. Vaak is de verhouding hier 1 op 1. Wanneer dus een groepje eenmaal ver genoeg is gevorderd, zal ieder van hen weer proberen een ander in te wijden in de leer.

De Meester zelf trekt in deze periode rond en brengt naar buiten toe het openbare deel van zijn boodschap met steeds grotere nadruk. Zijn uitspraken echter zullen nu voor velen steeds verwarrender en vager worden, omdat de boodschap voor het grote publiek aanvaardbaar moet blijven en toch gelijktijdig een bevestiging van zijn inwijding moet vormen voor hen, die reeds verder in het woord zijn doorgedrongen.

Na enige tijd zullen ook vele leden van de derde groep een graad van innerlijke wijsheid verkregen hebben, waardoor zij als representanten van de Meester op kunnen treden. Daarmee is gemeenlijk het werk van de Meester op aarde zo goed als voltooid. Wij allen ontdekken dat, nu eenmaal een voldoende sterke en actieve kern is geschapen, de Meester zich terugtrekt. De Gautama Siddhartha bv. trok zich op een bepaald ogenblik in de eenzaamheid terug en was voor zijn leerlingen eenvoudig niet meer te bereiken. Jezus werd gekruisigd. Mohammed trok met een kleine stam – die niet eens uit zijn beste volgelingen bestond en blijft , vergezeld van Fatima zijn vrouw, meer dan 6 maanden incommunicado.

Hij keert tot zijn volgelingen terug met visioenen en aanvullende openbaringen. Jezus herrijst en brengt een nieuw element in zijn boodschap. Boeddha keert terug en geeft een aantal leringen en verdwijnt kort daarop voorgoed. Voor de buitenstaanders zijn deze nieuwe leringen veelal geheel onbegrijpelijk, een raadsel. Waarschijnlijk daarom worden deze zelden op schrift gesteld en geopenbaard. De leerlingen hebben echter door hun inwijding de sleutel tot de nieuwe leer. Deze is niet allen een versterking van hun innerlijke zekerheid of een verdere inwijding. Zij blijkt altijd weer eerder het karakter te hebben van een werkschema, zodat zij daarin leren, hoe zij verder moeten leven en werken.
Wanneer ook dit volbracht is, gaat dus de Meester weg. Soms ‘vaart hij ten hemel’, in andere gevallen verdwijnt of sterft hij. In ieder geval verlaat hij de aarde. Fase één van zijn taak is nu voltooid.

Het woord is in een kweekbed uitgezaaid en tot voldoende wasdom gekomen. Nu moet het op de wereld worden uitgeplant. Daarbij is echter een toezicht noodzakelijk, dat de Meester nimmer kan geven, zolang hij aan stoffelijke beperkingen gebonden blijft. Zijn wezen gaat nu boven de materie leven en grijpt vanuit de geestelijke sfeer soms ver uiteen liggende groepen en ontwikkelingen gelijktijdig aan. Hij werkt, inspireert, geeft kracht, zodat alle nieuwe groepen zich verder kunnen ontwikkelen en nieuwe proselieten kunnen maken. Hij geeft deze leiding gedurende de z.g. eerste rijpingstijd, waarin de leer haar stoffelijke gestalte verkrijgt.
In de meeste gevallen is deze gestalte aan het einde van de rijpingsperiode enigszins in strijd met wat de Meester eigenlijk had gewild, want hier beginnen de ingewijden en de mensen haast onmiddellijk een compromis te zoeken tussen het woord, hun ik en de wereld waarin zij leven. Soms zijn deze compromissen zeer storend, waardoor zo een inwijding in betrekkelijk korte tijd verloopt. Wij zien dit bv. bij de leerstellingen van Zarathustra.
In andere gevallen blijkt, dat men wel fouten maakt en vaak geheel verkeerd begint, maar na enige tijd de meest juiste weg kan vinden. Een goed voorbeeld hiervan vinden wij bij de volgelingen van Aesir, die overigens later zowel onder de gedaante van El als van Osiris wordt vereerd en op de duur een soort natuurgod wordt. Voor de Meester betekent dus grotendeels een tweede fase: afwachten, wat er gebeurt.
Veel is nu immers afhankelijk van de reacties van de ingewijden en leerlingen. Wel zal de Meester tijdens deze fase trachten zijn ingewijden zoveel mogelijk te mengen onder wat de godsdiensten meestal de “heidenen” noemen. Dit is een vuurproef, vooral voor hen, die de Meester niet zelf hebben gekend.

In de derde fase vinden degenen, die ook hier de vuurproef blijven doorstaan en trouw blijven aan de innerlijke waarde, een geheel nieuwe verbinding met de Lichtende waarheid. Deze loopt niet meer via de Meester, maar is een direct contact met het Goddelijk continuüm, waaruit kracht wordt geput. Zij, die niet geheel slagen, veruiterlijken de leer en maken haar vaak tot een soort uiterlijke godsdienst, vol met half begrepen riten en geheimen.
De Meester trekt zich gedurende deze periode steeds meer terug. Hij blijft wel in verbinding met de wereld en zijn volgelingen, maar verbreidt zijn eigen “woord ” niet meer. Wel zal hij alles doen om mogelijk te maken, dat de zuivere boodschap voort blijft leven en de mogelijkheid tot werkelijke inwijding ook verder zal bestaan. Daarbij wordt vaak een plaats op aarde gekozen, waarin soms vele Meesters in meer tastbare vorm contact opnemen met hun ingewijden. Meer dan 1000 jaar bestond er een dergelijk centrum, bestaande uit enkele dorpjes, in de Himalaya – in het gebied van de Karakorum dus. Sinds 60 jaar is dit contact echter weggenomen.
Op het ogenblik bouwt men een soortgelijke mogelijkheid elders op. Een dergelijk centrum, dat in feite een kweekplaats is van de werkelijke ingewijden, is noodzakelijk opdat er op de wereld altijd een stuwende kracht zou zijn, die het “woord” vernieuwen kan, wanneer dit noodzakelijk is.

De Meester trekt zich dus terug. Maar niet voorgoed. Degene, die wij Meester of leraar noemen, heeft dit immers gedaan, omdat hij dit voelde als een verplichting t.o. zichzelf en zijn God. Dit betekent, dat hij de mensheid niet alleen kan laten. Nu levert hij zich echter over aan de kosmos zelf. Een oosterling zou misschien zeggen: Hij is in Nirwana opgenomen en bewegingsloos beschouwt hij. Een christen zal waarschijnlijk formuleren: “Hij is opgenomen in de hemel en zit daar aan de rechterhand van de vader”. Maar er komt een ogenblik, dat kosmische krachten opnieuw de aarde benaderen, dat er een nieuwe Meester is, of zal komen.

Wij dienen te beseffen, dat ook de nieuwe Meester op zijn eigen wijze weer hetzelfde inwijdingsgeheim zal brengen, zijn vrijheid verlatende voor een stoffelijk bestaan, opdat er op aarde wederom een nieuwe en rijpe inwijdingskern gevormd kan worden. De leraren en Meesters van het verleden keren dan met de kosmische kracht eveneens tot de aarde om te zien, of ergens nog de ware leer en inwijding, die zij brachten, voort bestaat. Zij zoeken naar mensen, die voor deze oude inwijding nog gevoelig zijn of ermee verbonden zijn.

Ook de Meester, die in vele duizenden jaren niets meer van zich op de aarde liet horen, die daar niet meer direct vertegenwoordigd was, keert dan terug en zoekt naar allen, in wie nog iets voortleeft van zijn inwijding. Deze kan hij het eenvoudigst bereiken en via de oude wegen en methoden een begrip geven van de nieuwe kracht en leer. Dit geldt natuurlijk niet alleen voor hen, die in dit leven zich van die nieuwe inwijding bewust zijn, maar ook voor hen, die in vroegere levens deel daaraan hadden. Er ontstaat dus een wat wonderlijk aandoende samenwerking: vele Meesters, wier volgelingen op aarde elkander misschien bestrijden, trachten gezamenlijk, de mensheid voor een nieuwe leer en een nieuwe Meester rijp te maken.

U hebt allen gehoord, dat er een nieuwe wereldleraar is en u zult zich waarschijnlijk hebben afgevraagd, waarom zijn woord en leer niet over geheel de wereld bekend werd gemaakt. Door het voorgaande zult u nu beseffen, dat dit niet kan. Eerst moet de nieuwe kracht, die nu de aarde bereikt, door de Meesters die deze kracht leiden en stuwen, wakker geschud moeten worden, en zullen zij moeten zien, waar er nog meer is overgebleven van de oude inwijdingen dan een geloof of de gedachte: ik behoor nu tot de groep en ben een volwaardig lid daarvan. Eerst moet er een netwerk worden opgebouwd van ingewijden die, ondanks de verschillende Meesters en krachten, waaruit zij de inwijding hebben geput, in staat zijn de nieuwe krachten te aanvaarden en ook de nieuwe sleutel van de bewustwording te accepteren. Deze nieuwe sleutel wordt ondertussen in een beperkt gebied gegeven en met behulp van de nieuwe krachten wordt inwijding gegeven en de mogelijkheid tot bereiking geïntensifieerd. Zo ontstaat dan, wat men het nieuwe mysterie pleegt te noemen.

  • U noemt Isis niet. Toch horen wij, dat op het ogenblik vele oude ingewijden van deze kracht op aarde vertoeven.

Inderdaad. Dit is de oude driehoek van inwijding Aesir, Vashta en Ashmur. Dit zijn de oude helden, die aan het begin van de Isis inwijding staan. Ik vermeed de Isis inwijding enz. te noemen, omdat u daarvan maar zo weinig weet. Ashmur kent u misschien wel als godheid bij de Hindoes onder de naam Rama. Vashta (uitspraak Vaihtja) vindt u daar ook terug, maar zij is tevens ‘Isis’. Zij was een koningin-priesteres. De krachten van die tijd – en hun leringen – keren terug. De mensen, die daarin een gedeeltelijke inwijding vonden, maar niet ver genoeg kwamen, zullen voor een groot deel in deze dagen ook op aarde terugkeren.

Wanneer er een golf van krachten de aarde beroert, is het duidelijk, dat zij, die eens tot de inwijding van Isis of Vashta behoorden, zich in de eerste plaats weer aangetrokken zullen voelen tot de oude mysteriën. Zij beseffen vaak niet eens, dat die oude mysteriën weer geheel nieuw zijn geworden, omdat de boodschap die daarin leeft, dezelfde is, die door alle eeuwen heen weerklonken heeft en zeer onvolkomen meestal wordt vertaald met:

“Hebt uw naasten lief. Wees niet bang, durf in te gaan tot de diepste onderwereld en op te gaan tot de hoogste hemelen, datgene eisend, wat voor u noodzakelijk is om u bewust te worden, want slechts zo zult gij in waarheid uw band met god – of de goden – erkennen.”

Deze boodschap vinden wij steeds terug. Maar zij is natuurlijk niet de gehele inwijding. U moet mij niet kwalijk nemen, dat ik bv. de gehele Isis inwijding, met al haar consequenties hier niet geheel wil behandelen. In de eerste plaats zouden zij, die hierin iets herkennen, zich af gaan vragen, hoe zij deze leer verwerkelijken kunnen, terwijl anderen zich zouden gaan afvragen, welke leer voor hen de meest juiste is. Dit, terwijl de kern van het oude en het nieuwe gelijk is, zodat het zeer wel mogelijk is, dat een ingewijde van Isis de eerste helper is van de nieuwe Wereldleraar. Wel wil ik er op wijzen, dat de oude inwijding berust op eeuwige waarden en dus nimmer alleen maar in het oude van kracht kan zijn, maar in de nieuwe tijd geen betekenis meer zou kunnen hebben. Men zou de leer en de kennis van het oude toe moeten passen op het nieuwe.

U hebt wel gehoord, dat er op het ogenblik zeer veel ingewijden op aarde zijn. Dit zijn vaak adepten, die in een of ander oud geloof hun eerste inwijding hebben gehad, hetzij in een mysterieschool, een magische school, of binnen een godsdienst. Zij zijn niet terug gekomen om het oude geheel te doen herleven, maar om met alles, wat zij in de oudheid geleerd hebben, nu mét de nieuwe krachten meer voelbaar en kenbaar te maken.

Ik hoop, dat u zult beseffen, dat er tussen de inwijding van Isis en de inwijding van Jezus geen intrinsiek verschil is. Alleen de benadering is anders, het essentiële blijft echter gelijk, zodat er ook geen voorbehoud bij samenwerking hoeft te bestaan. Slechts zij, die niet zover zijn gevorderd, zullen zich hier niet in kunnen geven. Zij zoeken dan fanatiek de vernieuwing – die ook zij wel als noodzakelijk zullen aanvoelen – binnen hun eigen school alleen, met een verwerpen en bestrijden van alle andere leringen. Dit kan met zich brengen, dat iemand, die eenmaal een Isis inwijding begon, maar nog niet voleindigde, allereerst in de oude leer en gebruiken verder zal moeten gaan, omdat alleen op deze wijze de volle inwijding in korte tijd bereikbaar is. De werkelijk ingewijde echter is niet meer gebonden aan het oude systeem. De neofieten die in het verleden nog niet ver genoeg gekomen zijn, zullen echter vaak naar het oude terug moeten grijpen, om eerst zo het nieuwe te kunnen winnen.

De golven van kracht die optreden, zijn dus niet in het bijzonder bedoeld voor een bepaalde leer of inwijding, maar voor allen, en zullen voor allen mogelijkheden scheppen. Het zal u echter ook duidelijk zijn, dat een mens, die eenmaal door een vorig bestaan bv. gebonden is aan een Isis ritus e.d., eerst het oude moet terug vinden om zo geestelijk en later ook materieel te bereiken, wat hij eens reeds had. Wanneer deze mensen dan beseffen, dat het erkennen van de oude waarheden niet een bereiken zonder meer voor hen betekent, maar slechts betekent, dat zij nu verder zullen kunnen gaan op de weg van de nieuwe inwijding en met de nieuwe kracht, dan zal hij in zeer korte tijd zeer sterk in bereiking en bewustzijn kunnen stijgen. De Meesters van het verleden zullen juist daarom in de eerste plaats inwerken op hen, die nog met hen gebonden zijn, zo hun verantwoordelijkheid tegenover hen verder dragend.

  • Maar dan is het dus niet nieuw?

De waarheid is altijd dezelfde, de inwijding is de weg naar de waarheid. Maar wanneer er een oud stuk wordt ingestudeerd onder een nieuwe regisseur, zo krijgt het toch een ander accent. Desnoods kunt u nog zeggen, dat het een oud stuk is. Maar niemand kan ontkennen, dat er een nieuwe regisseur is. Er ís een waarheid. Maar die waarheid moet steeds weer aan de mensheid worden gebracht, steeds weer in een nieuwe vorm, aangepast aan de mogelijkheden van de mensen, die leven wanneer de boodschap, wanneer het woord wordt gegeven. De vernieuwing is noodzakelijk. De boodschap, die Jezus in zijn tijd bracht, is teloor gegaan. Zijn woorden hebben in de loop van de tijden zelfs een andere inhoud of betekenis gekregen. Men weet dan ook in uw tijd met veel, van hetgeen Hij leerde, geen raad meer. En toch was Zijn leer indertijd niet alleen maar een mooi stelsel, maar een zeer praktisch en onmiddellijk, zonder enige verdere uitleg, bruikbaar systeem van inwijding.

De uiterlijke leer van Jezus, die u gedeeltelijk nu nog kent, hield een levensweg plus een inwijdingsweg in, welke dankzij de sleutels, die Hij daarbij aan zijn leerlingen gaf, voerde tot een onmiddellijk innerlijk godsbeleven. Er komt echter steeds weer een ogenblik, dat de wereld niet meer geheel past bij de oude vormen, dat de werkelijke betekenis van het woord verloren is gegaan. Dan moet de openbaring dus een vernieuwing ondergaan. Het zijn dan ook dezelfde eeuwige waarden, die nu echter via een meer bij de hedendaagse mens passende weg en voor deze tijd beter passende sleutelbegrippen, door de nieuwe wereldleraar, worden voorbereid en gebracht.

Ik wil u er nog op wijzen, dat het in deze dagen niet mogelijk is te stellen, dat men alleen maar te maken heeft met de leringen en de krachten van een bepaalde Meester of inwijding. Het oude is niet geheel meer kenbaar. Veel van hetgeen u nog bekend is, betreft alleen maar de buitenkant, maar beroert het wezen van de oude leringen niet. Wat neergeschreven werd, was in de eerste plaats bedoeld als geheugensteuntje. Wanneer u tot een oude groep behoort, dient u allereerst wakker te worden en de oude wijsheid hernieuwd te beseffen, en daarmede moeten werken. Maar onmiddellijk daarna zult u het nieuwe Licht moeten erkennen en met de nieuwe kracht moeten werken.

Ik wil hier nog het volgende aan toe voegen:

Wanneer u op het ogenblik geen redelijke weg meer ziet, wanneer u in uw geestelijke mogelijkheden teleurgesteld wordt, of misschien daadloos moet wachten op nieuwe wegen en mogelijkheden, daarbij denkende, dat u niets waard bent en geen taak meer hebt, zo ligt de verklaring hiervan zeer waarschijnlijk in het voorgaande. De kern van de zaak is de volgende: Elke weg, die gepredikt is, elk woord, dat werd gegeven, kwam uit God voort. Het kon aan de mens worden gegeven, opdat deze dit kenbaar zou maken door de daad. Want voor de mens is de daad het antwoord op het woord.
De grote Meesters brengen de wereld steeds weer het woord, opdat het door de mens tot daad wordt en zo de mens in zich de betekenis van het woord leert beseffen, de Lichtende krachten Gods zo in zich ervarend. Ieder zal dit op zijn eigen wijze moeten doen. Niemand kan zich er op beroepen dat het oude dood is en dat de nieuwe meester en de leer nu alleenzaligmakend zijn.
Wij kunnen alleen stellen: in deze tijd wordt in mij een bepaald bewustzijn wakker. In mij ontwaakt het woord van de oudheid of de kracht van het nieuwe. Daaruit zal ik mij een daad bouwen, waardoor ik weer in mijn oude inwijding leef, of bewust wordt van een inwijding in het nieuwe. Vandaar grijp ik uit naar de bron van alle krachten, die ook in de nieuwe kracht is.

Vergis u niet. Het werk van de Meesters is niet eenvoudigweg een public relations job van God. Het is een wel overlegd pogen iets te veredelen: de menselijke geest. Dit geschiedt met meer zorgvuldigheid en arbeid, dan de meest kundige kweker ooit aan het veredelen van zijn producten heeft besteed. De hoogste geest besteedt hieraan meer krachten per moment als geheel de mensheid aan alle bezigheden en liefhebberijen, waarin zij werkelijk opgaat. Uit dit alles komt dan steeds weer een kracht voort als dé kracht, die in deze dagen de mensen beroert: een kracht, waarin de Meesters weer spreken.

Tracht niet te luisteren naar de leringen en stellingen van elke Meester, alleen omdat hij een Meester is, maar luister in uzelf naar het antwoord, dat u innerlijk geeft op de leringen en krachten van de Meester, die u beroert. Zoek zelfs niet naar een antwoord, dat in woorden kan worden uitgedrukt, maar erken in u de stimulans, die u verbindt met het nieuwe of, wat voor velen waarschijnlijker is, het oude hernieuwd in u doet herleven, opdat u de inwijding zult vinden.

Doe dit in de wetenschap, dat dit innerlijk antwoord voor u de basis kan worden van een verdere bewustwording. Wanneer u dit alles zo kunt zien, zult u op de best mogelijke wijze kunnen beantwoorden aan de krachten, die op het ogenblik in de wereld werkzaam zijn.

De innerlijke betekenis van krachten

Ik wil gaarne met u spreken over de innerlijke betekenis van de krachten, die in deze dagen optreden. Er werd eens geschreven: “Het juweel van de zon is verborgen in de sluiers van de dageraad.” Zo kunnen wij voor onszelf stellen, dat het juweel van het innerlijk Licht voor ons vaak nog verborgen is in de sluiers van menselijke rede, van sentimenten en onharmonische belevingen. Wij zijn te zeer geneigd af te gaan op uiterlijkheden. De krachten van deze tijd kunnen u echter alleen beroeren, wanneer zij ergens in uw innerlijk weerklank vinden. Deze weerklank kan men helaas niet vinden in het woord alleen, zoals de mens uit het woord en de redenering alleen nimmer zijn ware en innerlijk wezen zal kunnen ontdekken en leren kennen. Er moet altijd een hoger plan van het Ik zijn, waarop de kracht kan inwerken, een hogere betekenis die is gelegen in alles, wat tot uiting komt.

In de esoterie zullen wij dit al zeer snel ontdekken, want bij ons zoeken naar innerlijke waarheid, worden wij steeds weer geconfronteerd met raadselen, die niet enkel verstandelijk kunnen worden opgelost. Ook wanneer men deze raadselen tracht op te lossen aan de hand van openbaringen en boeken, de oplossingen die worden gesuggereerd redelijk te controleren, worden de raadselen eerder groter en onoplosbaarder, zelden of nooit echter kleiner.

Zelfs wanneer wij alleen afgaan op onze eigen denkbeelden, blijkt het ons onmogelijk ons Ik waarlijk te erkennen en te definiëren. Er blijft altijd een onbegrepen deel van het Ik, een raadsel in het leven, waarin wij niet door kunnen dringen. Het is als een ravijn, een diepe kloof, die wij niet kunnen of durven overschrijden. Daarom klampen wij ons zo zeer vast aan hetgeen wij beschouwen als terra firma, de vaste grond van ego, wezen en denken.

Voor jullie zal dit in deze tijd vaak betekenen, dat er een kracht optreedt, die u wel beroeren zal, maar die u toch nog niet bewust kunt ervaren. Er wordt een grote spanning opgebouwd, iedereen rond u schijnt deze waar te nemen, maar gij bemerkt niets. U voelt zich bedrogen of verlaten, want voor uw bewustzijn is er niets gebeurd.

Anderen roepen u misschien toe: “Ik heb de oplossing gevonden, ik ken het woord in mij, ik weet.” En u kunt hen niet volgen. U vraagt zich af: “Ben ik dan de enige, die achter moet blijven? Wat is dit?” Gij blijft niet achter, u staat er niet buiten. Maar u kunt innerlijk de verbinding niet slaan tussen uw wezen, zoals u meent dit te moeten zien en kennen, en de onbekende en soms voor u angstwekkende wereld, waarin Gods’ werkelijkheid leeft.

De kracht zal u beroeren in de geest. Maar wanneer er voor u tussen stof en geest niet de juiste band, de goede binding bestaat, hoe zult u dan kunnen beseffen, wat gebeurt, of zelfs, dat er iets gebeurt. Dan zult ook gij vaak grote waarheden horen. Iets in u antwoordt daarop. Maar wanneer u deze waarheden nader wilt bezien, ze tracht te ontleden, blijken zij opeens ledig en betekenisloos te zijn geworden. Dan zult gij uzelf misschien zeggen, dat er waarlijk niets was, dat u zich alleen iets hebt laten suggereren. U móet dit haast wel doen, wanneer u wilt blijven bij wat u als uw werkelijke wezen beschouwt en wilt blijven voortgaan in het redelijke bestaan van de mens. Dan is men geneigd om alles te verwerpen. Dit is het grote gevaar van deze tijd.

Het spreken over Lichtende krachten, geestelijke meester en inwijdingen alleen zullen u niet verder kunnen helpen. Wanneer hier, op dit ogenblik God zelf zou preken en u een waarheid in eenvoudige menselijke woorden zou geven, zo zou u dit waarschijnlijk niets zijn, zonder betekenis schijnen. de Goddelijke Waarheid bevat zelfs in eenvoudige menselijke woorden zoveel, dat de niet-ingewijde dit niet kan bevatten of begrijpen. Het is voor deze mens dan onbevredigend.

Ik wil gaarne, ofschoon ik plaats moet maken voor een andere spreker, nog even uw aandacht vragen voor enkele simpele regels:

  1. Besef, dat het de eenvoud is, waarin men de waarheid kan ervaren, doch dat de eenvoud het moeilijk maakt, de waarheid redelijk te beseffen.
  1. Besef, dat elke gedachte, die u alleen aan uzelf wijdt, u zal verwijderen van de Lichtende werkelijkheid rond u.
  1. Bedenk, dat het onmogelijk is, met een deel van uw wezen het geestelijke pad te gaan en gelijktijdig met een ander deel van uw wezen een geheel andere weg af te leggen in de stof. Gij kunt slechts als geheel waarlijk leven en werken.
  1. Besef dat, boven alle dingen, in u een wet leeft. Deze wet is niet afhankelijk van door u gekende waarden, maar is u ingeschapen. Verloochen deze wet niet, opdat gij uw wezen niet de mogelijkheid ontneemt de innerlijke waarheid te bereiken en te beseffen. Stel deze wet boven alle wetten en stel haar boven alles, opdat gij uzelf mag zijn in waarheid en zo uzelf in waarheid mag leren beseffen.

Kort nog enkele punten: Wanneer u bezig bent met het leven en u zelf vervreemdt van het stoffelijke bestaan, zult u nooit aan een geestelijke werkelijkheid kunnen beantwoorden. Wie het stoffelijk bestaan als zó belangrijk ziet, dat de geestelijke waarden slechts als aanvulling daarvan worden beschouwd, zal men stoffelijk nooit het mogelijke bereiken en geestelijke steeds onbevredigd blijven. Bedenk wel, dat in vele gevallen een offer schijnt gevraagd te worden, wanneer men het oude moet afgeven, doch dat dit offer gevolgd pleegt te worden door het verkrijgen van nieuwe krachten, mogelijkheden, en waarden, die veel meer waarde voor het ik bezitten. Het oude is voor ons vaak een geliefde theorie, onze gewoonte. Het nieuwe is altijd weer het onbekende. Eerst door te sterven in het oude, worden wij in het nieuwe herboren.

Esoterie

Wij allen, deel van hetzelfde leven, deel van dezelfde kracht, moeten streven naar hetzelfde doel. Alle vrijheid is ons gegeven buiten dit ene: het doel moeten wij bereiken. Deze eenheid van doel en streven, die ons van hoogste wezen tot laagste kracht samenvat, is nu de band, die bestaat tussen u en alle krachten in hemel of op aarde. Er is geen grens.

Wij, die dit beseffen, spreken u over de liefde, die wij u toedragen. Gij luistert en hebt misschien het beeld lief, dat gij u van ons hebt gemaakt. Maar wie beelden liefheeft, bemint slechts dromen.

Alles, wat gij zijt, alles, wat gij doet, alles, wat rond u bestaat, is één en dezelfde kracht van Licht; is het dan niet goed, leven en werkelijkheid lief te hebben, omdat zij bestaan?

Wij kunnen de Schepper niet vragen: waarom hebt gij ons geschapen. Want hierop vinden wij geen antwoord. Zo kunnen wij de wereld ook niet vragen: Waarom zijt gij, zoals gij u toont aan mij? Wij kunnen slechts God lief hebben, omdat wij leven uit zijn kracht. Wij kunnen slechts de wereld liefhebben, omdat wij door haar leven en bestaan, zoals wij ons zelf kennen.

In het verleden zowel als heden worden vele woorden gesproken over de noodzaak om te begrijpen. Men heeft u gezegd: “Het is noodzakelijk, dat gij de magische krachten leert kennen, waarmee gij een band kunt leggen tussen de werelden van geest en de stof.” Indien gij de weg kent, doch haar niet kunt gaan, heeft zij voor u geen zin en is het, alsof zij niet bestond.

Wat is nu de werkelijke binding tussen alle krachten en sferen? Wat is de binding ook tussen u en ons, tussen het Licht dat ís en ons allen? Het is de erkenning van de eenheid. Het is de erkenning van een alomvattende liefde, van een eenheid zonder grens of scheiding. Het is het begrip voor onze onbelangrijkheid binnen het kosmische geheel en gelijktijdig een besef van onze onmisbaarheid in dit geheel.

Ik zeg u: “Gij allen hebt uw plaats in het leven, uw plaats. Wees niet bedroefd, wanneer deze plaats niet geheel beantwoordt aan uw wensen. Gij allen hebt een taak in het leven. Beklaag u niet, wanneer deze taak u klein lijkt, of wanneer gij u tegenover uw taak machteloos gevoelt. Want wanneer het úw plaats en úw taak is, wanneer het úw leven is, dat goed wordt geleefd, zijt gij één met alle kracht”.

Roep niet tot de hemel: “Laat mij binnentreden in uw geheimen”, maar fluister tot uzelf: “Laat mij beantwoorden aan alles, wat de hemel mij oplegt, opdat zij zich aan mij openbare.” Gelukzalig zij die beseffen, dat zij bouwen zonder te dromen van zelfverheffing of grootheid, maar nederig trachten hun taak te vervullen. Waarlijk gelukkig zijn zij, die in hun geloof aan de betekenis van het leven de vreugde vinden om Gods Licht te weerkaatsen in alle werelden.

Gezegend zij, die uit zichzelve gaande, de lasten van de wereld en het leven willen dragen, desnoods alle lasten, zo wordende waarlijk één en verbonden met de wereld en de kracht, waaruit zij zijn voortgekomen.

Ik heb u op deze dag niet veel te zeggen. Verbaas u niet, wanneer soms stemmen zwijgen, die gij zo gaarne nog zou willen horen.

Het is noodzakelijk, dat u beseft, dat u erkent, niet dat wij spreken. Het is noodzakelijk, dat wij een eenheid vinden van beleven, streven en godserkenning, maar niet is het noodzakelijk, dat wij deze eenheid kenbaar maken met woorden.

Het geheim van deze tijd is eenvoudig. Aanvaard, wat u gegeven wordt. Aanvaard de Kracht, die is, het in Zich besloten Scheppend Geheim, dat is. Antwoord op alle vragen van het leven, dat is de vreugde van alle werelden.

Wij willen, zover ons dit mogelijk is, in deze dagen u van die kracht bewust maken, niet sprekende, omdat u gaarne naar ons luistert, doch omdat de kracht alleen voor ons ook waarlijk en geheel leeft, in ons eerst tot volmaakte vreugde wordt, wanneer ook u daaraan deel hebt. Daarom geef ik u deze spreuk ter overweging:

“Uit het ongekende Niet komt het gekende, uit het gekende komt de veelheid. Uit de veelheid komt de kracht. Maar één zijn alle dingen: één leven, één wezen, één werkelijkheid, één Licht, dat is de waarheid der tijden.”

Dat deze waarheid de kracht moge zijn in uw bestaan, dat deze kracht u moge leiden tot de verwerkelijking van het Licht, dat leeft op uw plaats, in uw wereld en binnen de grenzen van uw levenstaak. Dat in u de waarden van verleden en toekomst samen mogen vloeien tot een erkenning van de Grote Kracht, dat de vrede van het leven u moge zijn, reeds nu: de eeuwigheid in vele vormen geopenbaard en u mag zijn bewuste delen van de eeuwige liefde, die u voortbrengt en in stand houdt.

De vrede, die door ons gevonden werd in het Wezen Gods moge uw deel zijn, de Kracht, ons gegeven uit de oneindigheid, moge spreken in uw wezen en uw kracht zij, opdat vervuld worde het woord van de bewustwording en beëindigd de huidige beperkte taak van de mensheid.

image_pdf