Het zoeken naar God

image_pdf

16 december 1958

Over God is onnoemelijk veel gezegd en geschreven. Maar in de meer christelijke zin vinden wij misschien wel de aardigste en de meest juiste definitie bij Pelagius, die door Augustinus uit zijn ambt werd gezet en verdreven naar Engeland, omdat hij zoals men zeide een ketter was.

Pelagius probeerde n.l. het innerlijk beleven te verdedigen. En hij meende, dat er geen regel noodzakelijk is: dat geen sterke band tussen de mensen met dogma’s, met veroordeling of een opleggen van stelling en wijsheid mogelijk is. Hij zeide: “Waar christendom is het zoeken naar God. God zoeken betekent niet aan bepaalde regels gehoorzamen, noch is het een wijze van leven, die kan worden uitgedrukt in ritueel of in belijdenis. Wanneer de mens in zich de leegte van het leven gevoelt, zoekt hij naar zijn God. En hoe meer hij het leven voor zichzelf verwerpt, hoe dichter hij zijn God nadert, tot hij begrijpt, dat God en leven één zijn”.

Het is logisch, dat in een tijd, dat de z.g. katholieke richting van het christendom pas opkwam (het is eigenlijk pas geboren in de tijd van Ambrosius, bisschop van Milaan) hier een groot verzet tegen moest rijzen. Men heeft het arianisme genoemd, maar zelfs dat is niet juist. Het is het eerlijk zoeken van de mens naar zijn God, zonder daaraan onmiddellijk een godsdienst te verknopen.

Waar kunnen wij God vinden? Het is eenvoudig genoeg te zeggen, dat rond ons de wereld en de schepping geladen zijn met goddelijke kracht. Het is eenvoudig te verklaren op grond van Gods alomtegenwoordigheid en almacht, dat Hij in ons leeft en in alles rond ons is. Maar hebben wij daarmede God gevonden? Kunnen wij dan God begrijpen en God ondergaan? Een dichter heeft het als volgt bezongen: “Ik heb God ontmoet. En het was als de dood. Want alle dingen in mij zijn gestorven. Het licht van de sterren was gedoofd, de zon was verdwenen en ik was alleen. En ziet…. alleen was ik vervuld van een schepping, schoner dan ooit tevoren. En nu ween ik, want ik heb mijn God ontmoet: maar het geluk, dat Hij mij was, heb ik verloren.” En hierin zit – als ik mij niet vergis. – de essence van de esoterische godsbeleving. God is een andere wereld, een ander geluid. Een waan misschien, die voor een ogenblik je schijnt te verdoven en die je hele werkelijkheid doet verschuiven, totdat je niet meer weet, wat voor een vreemde leegte in je wezen bestaat. Maar dan komt er toch dat ogenblik van begrijpen. Dat ene ogenblik van perfecte harmonie met hetgeen in dat sombere “Niet” rond je verborgen is, en dan leeft de wereld pas werkelijk.

God vinden is sterven. Niet een stoffelijke dood. Het is het sterven van het ik begrip, waarvoor in de plaats komt de herschepping van het kosmisch gebeuren in jezelf, beseffende de goddelijke volmaaktheid en het niet meer weten of je bent of niet.

Indien wij van onszelf willen uitgaan, moeten wij God zoeken op een redelijke manier. Maar waar wij die God ook zoeken, wij zullen Hem nooit vinden, wanneer Hij niet in onszelf wordt gevonden. Het is de God, die in ons leeft, die werkelijke betekenis geeft aan ons bestaan. Het is slechts de God, de kern van ons eigen wezen de kern van de schepping evenzeer die werkelijkheid kan zijn. Uit de vreemde verwrongenheid van leven en beelden, van voortdurend wisselende vreugden en leed, het spel van lusten en onthouding, het samenspel van alle extremen, die er bestaan kunnen in de menselijke verbeelding, moet de mens groeien tot het middelpunt waarin God leeft. Juist het van ons afwerpen, van al hetgeen zozeer belangrijk lijkt en het daarvoor aanvaarden van het simpele, het eenvoudige dat leven is, maakt het ons mogelijk een esoterische bewustwording door te maken, de God, Die in ons leeft nader te komen.

Er zijn mensen, die bidden en zeggen: “O God, geef mij toch a.u.b, dit of dat. Er zijn mensen bij die bidden en zeggen: “God, ik dank u voor al, wat Gij mij gegeven hebt.” Maar er zijn weinigen, die zeggen: “God” en dan luisteren, tot de stem van de eigen ziel spreekt. Toch is dit luisteren naar de stem van de innerlijke verborgenheid, de goddelijke openbaring in het “ik”, de enig juiste weg.

Het beeld, dat wij ons van de Schepper maken, is ons ook vaak een belemmering bij ons pogen om langs de innerlijke weg verder te gaan. Men stelt zich maar al te vaak de Schepper voor, zoals het zo mooi staat geschreven: gezeten in de hemelen, houdend in Zijn hand de zon en spelend met de planeten. Of misschien zoals de schilder het heeft afgebeeld: de machtige en hemelse vorst, omringd door een onafzienbare menigte van engelen en heiligen, aan wiens voeten de wereld ligt met al haar rassen. “Maar kan dat een God zijn? Kan de innerlijke waarde, de werkelijkheid van je eigen bestaan, een vorst of een keizer zijn? Kan het geheim van uw eigen wezen in werkelijkheid zoiets uitgebreids en groots zijn, dat er duizenden heirscharen van engelen noodzakelijk zijn om daar uitdrukking en reliëf aan te geven? Ik voor mij geloof, dat het anders is.

Als je leeft en je leeft in de stof, dan spreekt onbewust elke vezel van je lichaam tot je. Al die vele kleine impulsen worden samengebracht tot een geheel. Maar realiseert u zich de complexheid van dit geheel? Neen. Het denkbeeld “dit ben ik” is eenvoudiger. Het is “ik”, daar praat je niet verder over dat bestaat. Zo is het met God. God is geen complex stelsel van scheppende wetten en machten. Misschien dat deze dingen voor ons als een uiting van Zijn wezen naar voren treden. Maar God-zelf is eenvoudig. God, zonder meer, Waarom dan onze God bekleden met een koninklijke, ja een keizerlijke macht? Dat heeft geen zin. Wie de weg zoeken in het hart, in de kern van het eigen wezen en verwachten daar de wijdse kathedralen te vinden. waarin vreemde priesters een lof zingen op een grote God die Zich openbaart op het altaar zelf, die kunnen de waarheid niet vinden.

Ik grijp terug naar een esotericus, die soms een enkele maal een dichter was. Hij heette Gaulus. Hij was een zoon van Egypte. En de duistere goden van de Nijl hebben ongetwijfeld in hem gestreden met het wat lichtere christendom en het wijds openbloeiende, het zonnige, het levenslustige heidendom van de grote stad Rome, waar hij zijn eerste gedichten wist te schrijven. Deze Gaulus zoekt ook naar God, Het grootste deel van zijn tijd is in beslag genomen met het schrijven van lofdichten op deze of gene hooggeplaatste persoon. Hij wijdt hele drama’s aan gebeurtenissen van politiek en staat. Maar een enkele keer komt zijn honger naar het innerlijke boven, naar het mystiek beleven. Dan schrijft hij voor zichzelf. De meeste van zijn gedichten zijn teloor gegaan: een enkel is bewaard ergens in stoffige bibliotheken, niet erkend in zijn ware betekenis. En toch kon deze eigenaardige lotsfiguur schrijven:  “Alle goden hebben een gezicht en alle goden hebben ene kracht. In mij heb ik gezocht naar Hem, Die licht en liefde geeft en ik heb slechts een glimlach gevonden. Ik heb gezocht naar de keizerlijke staat, ik heb de triomftocht willen aanschouwen van Venus en Mars. Ik heb mij willen verlustigen in de uit het schuim der zee geboren Aphrodite. Ik heb willen zoeken bij de gehoornde Isis. En ziet, niets van dit was in mij. Ontsteld over de leegte van mijn wezen zocht ik. En er bloeit slechts een bloem. Een kleine bloem van een mensenliefde: een trouw, die mij beweegt voor al het andere. En hierin erken ik het gezicht, dat schuilt achter de goden.”

Ik weet niet, of u zich de stemming en het beeld kunt voorstellen. Het is uit een oude tijd. Maar zoals u hier vandaag aan de dag bent en op uw manier zoekt naar een nieuwe levenshouding, naar een God, naar een inwijding, zal toch voor u datzelfde waar blijken. God is niet het ontstellend grootse. God is niet datgene, wat zich onttrekt aan uw bewustzijn door Zijn onmetelijke grootheid. God is de eenvoud. God is dat ene gevoel, waardoor je kunt trachten te leven voor anderen i.p.v. voor jezelf. God is dat ene woord, dat je heilig houdt en dat je niet durft uit te spreken. God is die ene flits van geluk, waaraan je zo graag terugdenkt.

De weg naar die God is moeilijk. Wij willen geen af stand doen van de grootsheid, van de grote statigheid, van de overwinning, van het treden in het schitterende hof, waar omringd door Zijn vele heirscharen de Schepper ons zal loven, ons zal zeggen dat wij goed zijn en braaf. Maar dat is eigenwaan. Wij willen geen afstand doen van het beeld van een God, Die alleen Zijn schepping bouwen kan, wanneer ook wij het bewustzijn bereiken. Van een God, Die door de schepping een behoefte heeft gekregen aan de volmaaktheid van ons wezen, van onze werkelijkheid en onze persoonlijkheid. Omdat het ons zou troosten onmisbaar te zijn. Wij willen alles erkennen, zelfs onze onbelangrijkheid tegenover God: maar de eenvoud Gods, daaraan gaan wij voorbij. Want het is moeilijk al die ingewikkeldheid van je eigen leven, heel dit vreemde spel van regels en wetten, van lusten en angsten, van begeerte en afwijzing te verwerken en dan alleen maar één ding over te houden. Alleen maar één ding, meer niet. Een enkel woord, een enkel begrip, vrucht van duizenden levens. Een klein, nietig, haast onbelangrijk ding: de openbaring van een eeuwigheid. Dat is moeilijk te aanvaarden. En toch zal elke esotericus moeten beseffen: Voor u is Gods slechts de liefde, die verdergaat dan eigen leven en wezen. Voor u is God dat ene, dat u vrij maakt tegenover de wetten en opvattingen van anderen. God is die ene waarheid, die gij niet loochenen kunt en wilt. Al het andere? Dat andere is versiersel, door de mens geplaatst, om de eenvoud te verbergen, die een verwijt is aan zijn eigen leven vol van waan.

Er is veel over gepraat hoe men nu eigenlijk aan God moet denken. Maar ik vraag mij af: Kun je denken aan God? Ik kan bidden, natuurlijk. Ik kan mediteren. Ik kan mijn gedachten uitspinnen in fantasmagorieën, of misschien een ogenblik een flits van een werkelijkheid ervaren, die me nog ontgaan was. Maar kan ik God vinden? Is dat God? Of is God datgene, wat ik ondanks mijzelf ben? Wat ik ondanks mijzelf in mij draag? “Ik geloof, dat God datgene is, waaraan wij niets kunnen doen. Vreemd, nietwaar? Achter al deze esoterie, achter al deze ingewikkeldheid, alleen maar dat ene antwoord. Datgene, waaraan wij niets kunnen doen, waaraan wij niets kunnen veranderen.

Wij kunnen natuurlijk zeggen de Kracht, die ons stuwt. Maar dan doen wij het schijnen, of die Kracht datgene wil, wat wij volbrengen. En dat is niet waar. Het is datgene, waaraan wij niets kunnen doen, datgene wat zich onttrekt aan onze wil en onze beheersing en toch meespreekt elke keer weer in het eigen leven, elke keer weer in je eigen hart. Het is daarom, dat wij durven spreken van een God, die liefde is. Omdat wij vaak ondanks onszelf worden gedwongen tot een groter, inniger geestelijk leven en bewustzijn. Wij spreken over een God van liefde, omdat al ons pogen, kleingeestig en nutteloos als het misschien in feite is, toch weer het loon in zich draagt van die innerlijke goedkeuring, die innerlijke steun, die innerlijke warmte, die je omhult en beschut.

In deze tijd zoekt de mens naar de kerstsfeer. Bewust of onbewust voelt hij zich getrokken tot de warme haard, de gezelligheid van een glimlach en wat zachte muziek, de geur van dennegroen en het gelig flakkerend licht van de kaarsen. Het is zo’n feest van geborgenheid. Dan preludeert men ergens: Er is een kindeke geboren op aard. En dan mijmer je wat over vroeger. Je zingt een kerstliedje. En het is zo warm, zo sfeervol. Maar waarom is die sfeer dan zo belangrijk? Zou het werkelijk waar zijn, dat uiterlijke omstandigheden voor ons de vervanging moeten zijn van een natuurlijke vrede? Is het mogelijk, dat het kaarslicht nodig is om de wereld er wat zachter en roziger te doen uitzien? Dat het groen van de dennen nodig is om te herinneren aan de onsterfelijkheid, die je in je draagt?

Neen, de fout ligt ergens anders. De mens zoekt in deze tijd evenals de geest zo vaak: daaruit is de hele Zomerlandsfeer immers geboren naar een geborgenheid en een veiligheid, die in hem bestaan, maar die hij buiten zich zoekt. De mens wil dit innerlijke niet aanvaarden, omdat het te onbelangrijk schijnt.

De Schepper is een micro: maar ook een macrokosmische kracht. Maar ons wezen kan nog geen macrokosmos omvatten. Ons begrip staat stil voor een werkelijkheid, die misschien kunstmatig gemeten kan worden, maar die wij niet ervaren. Je kunt God niet uitdrukken met formules en berekeningen, met fotografische reproducties van een sterrenhemel of met een betoog over de theologisch volkomen juiste eigenschappen, die God toch wel moet bezitten, Je kunt God alleen ondergaan.

Je kunt een zijn met God in dat gebied, dat kleiner is dan je eigen wereld. De God van de mens is de God van de microkosmos. Daarin moet Hij gekend worden. In het kleine moet God ontwaken voor ons. Of misschien beter gezegd moeten wij ontwaken tot een begrip van die simpele, die kleine, die eenvoudige en toch zo wonderschone Godheid, Die in ons woont. En eerst wanneer wij de kleine wereld kennen, zullen wij beseffen, dat boven beneden spiegelt en beneden boven. Dat er geen verschil is tussen groot en klein. Dat er alleen maar is God in alle dingen gelijk. En dan kunnen wij misschien uit het kleine het besef vinden van de grote God, niet eerder.

Er zijn natuurlijk veel mensen geweest, die getracht hebben dit pad te vinden. En bijna allen zijn ze begonnen met een gebed. Een gebed en een reeks van leerstellingen. Zoals Jezus het “Onze Vader” gaf en daarnaast zijn Bergrede, zo hebben anderen op deze wereld gelijke waarden geschapen. En dan wil ik u vanavond juist daarvan één citeren. De regels, die gegeven worden, zijn deze: Vredig is de mens, die rechtvaardig is, want hij kent geen zelfverwijt. Vredig is hij, die rouwt: want wie verloren heeft vreest niet meer te verliezen. Vredig is hij, die zijn wijsheid tot dwaasheid ziet worden: want eerst in net onbegrepene openbaart zich de waarheid.

Vredig is hij, die rang en bezit en eer heeft verlaten, want eerst wie mensenwaarde aflegt ontwaakt tot de waarden Gods. En het gebed, dat erbij behoort, is ook al heel eenvoudigs “Gij, vrede in mijn hart, overrompel mij en overstelp mij, opdat ik vergeten moge wie ik meen te zijn. Doof waan, laat mijn gedachten verklinken, opdat ik in een laatste ademing U moge kennen voor de eeuwige werkelijkheid.”

U moge kennen voor de eeuwige werkelijkheid. Dat is alles wat ons in de esoterie kan beroeren. Dat is alles wat voor ons inhoud, wat voor ons leven heeft. God beroert ons. Als we daarvoor openstaan, wanneer wij voor een enkel ogenblik vergeten zijn wie en wat wij zijn, wanneer wij vergeten waarom het nu eigenlijk schijnt te gaan in de wereld en wanneer wij vergeten wat nu eigenlijk ons geestelijk streven is en ons even laten beroeren door de stilte de stilte, die ineens in je kan dalen als een troost, een balsem, een vrede, maar ook als een weten, dat in geen woord of gedachte is uit te drukken dan vinden wij God.

Voor iedere mens is er een weg open en voor geen enkele mens zal het dezelfde weg zijn. De een zal in een absoluut ontkennen van alle overdaad in eenvoud zijn wegen gaan en geen daad stellen voor de medemens, omdat hij zegt: “Door geen eisen te stellen aan de wereld doe ik meer, dan ik zou doen door te streven. Want wie streeft moet eisen stellen.” Een ander zal zeggen: “Ik voel, dat ik de wereld iets geven kan. En al moet ik de wereld iets ontnemen daarvoor, ik tracht aan de wereld te geven.” Sommigen zeggen: “Juist in de vrijheid en de ongebondenheid kan ik de vrede vinden, waarin niet de gedachten mij opzwepen tot begeerten, die ik nooit verwerkelijk. In die vrede alleen kan ik God “benaderen.” Weer een ander zal zeggen: “In de erkenning van de goddelijke wetten, in de erkenning van Zijn openbaring alleen zal ik geluk vinden. leder zoekt zijn weg en ieder heeft zijn recht om zijn weg te gaan en zijn, weg te zoeken. Maar een ding hebben wij allen gemeen, geest en stof. In ons wezen moeten licht en duister samensmelten. De geprojecteerde beelden, waarin wij onszelf verheerlijkt hebben voorgesteld aan de wereld, de standbeelden, die wij voor onszelf hebben opgericht in onze eigen gedachten, moeten vallen. Beheerst maar nederig zullen wij moeten ingaan tot onszelf. Niet vragende “wie of wat ben ik?” maar erkennende datgene, wat wij vinden op onze weg.

Want wie de vraag stelt: “wie of wat ben ik?” begint als esotericus met de zelfontleding. En dat is misschien nuttig, maar wanneer wij verdergaan, is dit overbodig. Want wanneer wij vragen “wat ben ik?” dan zeggen we misschien: “Wij zijn grote zondaren en wij zijn schuldig tegenover God en de wereld”. Maar kan dat voor God wat uitmaken? Kan dat iets betekenen voor de scheppende Liefde, die ons regeert? Wij kunnen weemoedig op onze borst kloppen en zeggen: “Wij zijn zo klein en zo dwaas en zo dom. Maar is het nodig om wijs te zijn of groot, om een te worden met die God van liefde, die in ons woont? We zeggen: “Het weten is noodzakelijk.” Maar weet God niet meer dan elke schepping tezamen? Wij roepen: “De kracht is noodzakelijk en de genade.” Maar is er een kracht nodig of een genade, wanneer, wij reeds verbonden zijn met God? Soms zegt men: “Een vrije wil is noodzakelijk.” Of: “De wil Gods leidt mij langs Zijn paden, tot Zijn wil en wet vervuld is,” Is het noodzakelijk daarover te strijden?  Zijn die dingen van belang, wanneer God in ons is? “.

Wij moeten ontwaken tot de God, Die in ons leeft. Dat is alles. Een God Die misschien is een suizelende stilte: Naar het beeld van de dichter: een bloem, die bloeit in de ledigheid van je hart. Een God, Die innerlijke vrede is en meer niet. Roep dan rustigs Vrede op aarde aan hen die van goeden wille zijn. Maar parafraseer het dan. Roep het dan uit als de enige werkelijkheid voor uzelve, opdat ge door herhaling steeds meer zult leren het te begrijpen: Vrede is in ons. Want dat is waar. Het aanvaarden van de vrede alleen is Gods openbaring.

o-o-o-o-o

Een tweede beeld van die God in ons.

Ja, dat probleem van die God in ons. Het is allemaal zo gemakkelijk die dingen te zeggen, weet je. Het is zo simpel en zo eenvoudig om daar nu even te stellen: God is een vrede in ons.

En we vinden die vrede misschien ook wel. Maar mogen wij dan, gaande juist langs het pad van de innerlijke beleving, toch niet proberen om in overeenstemming met ons eigen ontwikkeld zijn, in onze eigen fase van bestaan, toch nog: Een tweede beeld te hebben van die God.

Natuurlijk, God zal van ons blijven wegrijken. God is zo iets als een berg in de verte. Je meent, dat je er al bent. En hoe verder je gaat, hoe verder het lijkt, dat hij nog weg is. Omdat onze berg helemaal geen berg is, alleen maar een voorstelling. Maar wij moeten toch gaan, wij moeten zoeken. Zonder zoeken komen wij er niet. Daar om zou ik graag van mijn kant ook nog iets zeggen over die God in ons en ook over het vinden van God.

Als ik de wereld bezie of dat nu een mensenwereld is of een geestenwereld of een andere wereld dan valt het mij altijd op, dat ze een vast patroon heeft. Er zijn bepaalde regels. Je zou kunnen zeggen: Ze heeft een eigen karakter. Een wereld heeft haar eigen speciale fouten en haar eigen speciale deugden, net als een mens. En die werelden hebben ook allemaal hun eigen vorm, hun eigen wijze van uitdrukking. Je kunt nooit zeggen dat twee werelden gelijk zijn of duidelijk met elkaar verwant. Elk heeft haar eigen karakter. En dan wil ik altijd heel graag zo’n wereld vergelijken met een mens.

Wanneer wij nu bv. de aarde nemen, dan Zeggen wij natuurlijk: “In die aarde leeft de grote aardgeest, de grote bewuste geest, die voor een laatste maal hier belichaamd deze aarde draagt met alles, wat er zich op afspeelt. Die meester is over de bewustwording, die er plaats vindt.” Ongetwijfeld is dit voor een groot gedeelte waar. En zeker, waar het het stoffelijke betreft, en voor een groot gedeelte ook, waar het de geestelijke dingen aangaat. Maar die aardgeest is niet volmaakt. En die aardgeest is eigenlijk in elke uiting alleen maar bezig om voor zichzelf dat punt van evenwicht en volmaaktheid te vinden.

Wanneer nu zo’n grote geest dat enorme schouwspel mag opvoeren van mensen, die komen en mensen die gaan, van dierenrassen, die uitsterven en nieuwe vormen, die ontstaan, van vulkanen, die plotseling de gloeiende ingewanden van de aarde uitspreiden soms over een groot deel van de wereld en dan weer de oceanen, die een hele wereld razend omspoelen, dan heb ik zo het idee, dat een mens en ook een geest in een zekere zin, gerechtigd zijn om zo’n soort – ik wil het geen vertoning noemen maar – “schouwspel” ook voor zichzelf op te voeren. Per slot van rekening moeten wij toch aannemen, dat zo’n grote geest heel wat meer weet dan wij. Wij moeten aannemen, dat zij heel wat meer krachten heeft dan wij.

Maar, als wij het goed bekijken, dan is er een zekere overeenstemming. Die geest experimenteert, die zoekt een harmonie en evenwicht op haar wereld te scheppen (stoffelijk) om daarin de ervaring te vinden van de perfecte uiting. En heeft zij die perfecte uiting, dan is er geen aarde meer en ook geen aardgeest. Dan is er alleen de bevrijde geest, die de volmaaktheid heeft gevonden en die nu misschien als ster of nog hogere macht nog een keer misschien bestaan zal. Kijk eens, wij hebben ook het recht te experimenteren op de wereld. Natuurlijk. Zeker, wij kunnen nu wel met een air, de dedain zeggen: “Kennis heb je niet nodig, want God is in je.”

Het is waar. Maar hoe komen wij tot het bewustzijn van die God in ons, zolang wij nog het idee hebben, dat wij met kennis wat kunnen bereiken? U kunt zeggen: “Er bestaat geen enkele wet dan God.” Maar als je nu niet weet wat die God is, dan is het toch beter een houvast te hebben aan enkele wetten, dan dat je helemaal geen houvast hebt? Dat is nu het punt, wat mij hierin het meest treft.

De aarde is een evolutie, zeggen ze, een evolutionair proces. Zo gaat het ook bij ons. Ook de innerlijke bewustwording is een evolutionair proces. We beginnen met betrekkelijk grove voorstellingen en grove waarden. Met een God, Die buiten ons is. En wij liggen misschien in verrukking neer en die God verschijnt ons.” En we zeggen: “O Heer, wat ben ik dankbaar, dat U mij verheven hebt.” Een volgend ogenblik gebeurt het weer een beetje anders. Dan zit je stil en dan heb je ineens het gevoel, dat je wordt aangeraakt. Je wordt er even koud en warm van. En dan denk je: “He, het is net of alles van mij is afgevallen. Dit is een ontmoeting met God.” Het is ook een ontmoeting. Maar in elk geval is, het een ontmoeting, die voor ons een variant betekent op onze buitenwereld.

Onze buitenwereld is het eigenlijk, die ons het bewustzijn brengt. Dus uit die buitenwereld moeten wij komen tot het innerlijke. En dan kun je natuurlijk zeggen: “We gaan de buitenwereld wegwerpen.” U denkt er niet meer aan wie u bent en wat u bent. En u denkt er niet meer aan hoe u bestaat en wat uw plichten zijn tegenover uw medemensen. U laat dat allemaal maar zo gladjes gaan. Ben je er daar dan mee? Neen, Want in jezelf, in je denken, ben je nog wel met die wereld verweven, nietwaar?

Dan kun je wel zeggen: “Ik ga in mijzelf wroeten.” Hoe wil je dat doen, wanneer je altijd maar die waanideeën hebt, die beelden, die van buitenaf komen? Als je niet kunt zonder een uiterlijke wereld? En zelfs zij, die veel hoger staan dan ik, degenen, die leven in dat witte, brandende licht, dat de mens haast niet kan aanschouwen zonder onmiddellijk verblind te worden, die grote krachten leven ook nog van uit de buitenwereld. Zeker, ze hebben meer innerlijk contact dan wij. Hun wereld is eenvoudiger. Ze zijn meer een met God dan wij. Want hun uitingen zijn, ik wil niet zeggen simpeler, maar meer in overeenstemming met de eenvoudige natuurlijkheid, de wet van goed. Maar ze leven ook nog vanuit de buitenwereld. En wanneer zij tot God spreken, doen ze dat ook uit hun voorstellingswereld, uit hun leven.

O, ik wil helemaal de vorige spreker niet afvallen. Denk dat niet. Stelt u zich vooral niet voor dat ik zijn waarheid wil verwerpen, want wat hij gezegd heeft is waar. Maar – en daar komt de grote maar – ook met 10.000 sterretjes achter de mens is in doorsnee niet in staat dit te vervullen. Het is iets, wat je kunt weten, maar wat je niet in de praktijk kunt brengen. En nu wil ik het van mijn kant graag praktisch zeggen.

Onze wereld lijkt reuze ingewikkeld, vindt u niet? Pas een kabinetscrisis. Drees met staartsterren, aangedreven door een minister van Financiën, die uit de Kamer weglopen. De hele P.v.d.A. ook al vrijwillig opgevlogen, deel met hoofdpijn vanwege de raadselen. En als dat nog niet genoeg is, problemen in de UNO. Mao treedt af. In Rusland is het allang duvelen. In het zuiden is het nog duvelen en dat blijft maar. Reuze ingewikkeld, vindt u niet? Behalve wanneer wij de zaak gaan vereenvoudigen.

We kunnen deze hele uiterlijke wereld vereenvoudigen. We kunnen gaan zeggen: Wat is nu de gemeenschappelijke factor? Waar gaat het in al die gevallen om? Het antwoord is zo simpel als het 2 x 2 = 4. Al deze dingen zijn niet een strijd voor het goede voor de mensen. In feite is het een strijd om macht. Misschien de macht om goed te doen, maar om macht. Aha, dan kunnen wij de zaak al heel anders zien. Dus dit politieke spel, dat de wereld speelt met al haar oorlogen en al haar economische crises en wat erbij komt, is een spel van macht, niet meer. He, merk ik daar wat? Macht is iets wat ik niet moet hebben. Als ik macht heb, dan word ik klaarblijkelijk tot voortdurende strijd gedreven. Ik moet voor mijzelf geen macht begeren. Geen enkele macht: Hoe meer macht ik begeer, hoe meer strijd ik krijg. En strijd dat leert je de wereld buiten je is meestal iets onaangenaams.

U vindt: dat is te groot, te veraf. Dan gaan we een beetje dichterbij. Waarom leven de mensen, zoals ze leven? Waarom kijkt de een u vriendelijk en de ander u lelijk aan? De een verwacht misschien iets van u. Of de een heeft een zekere affiniteit met u ontdekt en de ander precies het tegendeel. Klaarblijkelijk is het hele leven wat de buitenwereld betreft gebaseerd op twee dingen. In de eerste plaats: Hoe bent u voor die ander in de ogen van die ander? Met volgens uw eigen idee, maar in de ogen van die ander. In de tweede plaats: Wat geeft u aan de wereld en wat eist u van de wereld? En nu moet u niet denken, dat hoe meer u geeft, hoe meer u moogt eisen. Dat is helemaal niet waar. Hoe minder je geeft, hoe meer je moogt eisen, omdat dan het weinige, dat je geeft, in de ogen van de beschouwer kostbaarder is. Maar dan krijg je een soort van geestelijke constipatie. Er komt een verstopping, Omdat je te weinig geeft, word je afgezonderd van de wereld. Want je moet uit jezelf geven.

Dus de oplossing is al heel simpel. We moeten proberen ons leven zo eenvoudig mogelijk te stellen. Niet meer met motiveringen van grootse liefde, grootse haat, zware problemen. Neen, helemaal niet. We moeten de wereld heel simpel stellen. Wat is die wereld voor mij? Wat probeer ik voor die wereld te zijn? Wat is het resultaat? Hoe kan ik mijn eigen pogen zodanig richten, dat er zo weinig mogelijk strijd is met die wereld? Heb je dat gedaan, dan ben je al een heel eind verder in de esoterie. U denkt misschien van niet, maar in feite hebt u dan een hele hoop van die wanhopig verwarde begrippen en strijdvragen teruggebracht tot enkele. En ik ben het onmiddellijk met de vorige spreker eens: God is eenvoud. God is dat zo simpele, dat je er als mens meestal aan voorbij kijkt. U weet, nietwaar, een portier met een buitengewoon mooi pakje aan spreken ze, aan met generaal of admiraal. En een admiraal in burger lopen ze voorbij. Iemand, die een geleerd gezicht trekt en twee woorden Latijn spreekt, wordt al gauw met dokter aangesproken. En een dokter, die zich de hele dag heeft lopen afsappelen en vijf mensenlevens heeft gered, ziet er uit als een arbeider en dan kan hij in de tram nog staan ook! (Tegenwoordig niet meer. Tegenwoordig hebben ze allemaal een auto, heb ik mij laten vertellen.) Maar goed, wanneer u het idee maar kunt grijpen. De wereld berust op uiterlijkheden. Zolang u zich vasthoudt aan die uiterlijkheden en niet aan de dingen, die de uiterlijkheden veroorzaken, leeft u helemaal in een wereld van waan. Maar komt u tot de essence van de dingen terug, dan gaat u automatisch scherper de relatie stellen van het “ik” met de wereld. En dat impliceert een vergroting van zelfkennis en een vergroting van wereldbegrip. Een intensifiëring van wijsheid.

En dan zijn er ook van die dingen, die zo erg belangrijk lijken. Het is toch erg belangrijk, dat broer en zuster komen, wanneer je jarig bent. Waarom eigenlijk? Omdat het zo hoort? O, je houdt zoveel van die mensen? Je, houdt zoveel van hen, dat je hun de vrijheid niet gunt. Dom. Is dat geen. bezitzucht? Het is mijn familie, het zijn mijn vrienden. Als je, op die manier denkt (ja, je kunt er niets aan doen, zo leeft iedereen), maar als je op die manier denkt, dan heb, je weer een hoop verwarring geschapen. Leer je dit inzien, dan zul je vanzelf niet alle eisen plotseling staken dat kun je niet, daarvoor ben je mens maar je zult ze vereenvoudigen en beperken. Je zult dichter komen bij je ware wezen. En nu hebben we precies hetzelfde met God. Weet u, er zijn mensen, die vragen God om hulp. Het is heel duidelijk en heel begrijpelijk, dat ze dat doen. Maar het moet gewichtig. Dan nemen ze een boek: Deus omnipotens en dan krijg je een hele reeks Latijn, alsof die goede God geen Hollands verstaat. Dan wordt er een kaars gebrand, er wordt wierook aangestoken. We knielen, we vasten negen dagen, elke morgen: weer bidden, desnoods met 25 rozenhoedjes erbij. En maar kralen tellen. En helpt het je wat? Niet dat meer dan een eenvoudig uit de diepte van je hart komende gebed: “God, help me!”

Waarom dan al die komedie? Om te laten zien, dat jij zo gewichtig bent tegenover God? Dat helpt je toch geen steek. Voor God kun je nooit gewichtig zijn, of nooit gewichtiger misschien. Als deel van Zijn schepping zul je voor God gewichtig zijn, als deel van Zijn eigen wezen. Breng het terug tot het eenvoudige, het simpele. Er zijn mensen geweest in de wereld, die zeiden: “Wij gaan de wereld verbeteren. Beter dat een mens sterve, dan dat duizend van de ware richting, worden afgedreven.” Moordenaars met religieuze principes. Misschien goedbedoelende mensen ondanks dat, maar dwazen. Kan iemand bepalen wat wel en wat niet goed is? Kan iemand bepalen wat God wil? Neen,: Laten we het dan ook niet proberen. Laten we ons daar helemaal niet mee bezighouden, Laten we alleen maar proberen om alles, wat wij rond ons erkennen, terug te brengen tot zo simpel. mogelijke dingen.

Als de minister van Financiën meer uitgeeft dan hij inkomen heeft, ga dan geen economisch betoog houden, maar zeg doodgewoon: “Wanneer ik dat in een huishouden doe, dan kan het niet: dan kan dat ook niet, wanneer hij het doet. Tenzij ik in mijn huishouden een zwendel ga plegen, dus leven ten koste van anderen. Dan kan hij het ook niet anders doen.” Misschien een beetje bittere redenering, maar het is waar. De simpele en de eenvoudige dingen, die je overzien kunt, zijn de afspiegeling van al, wat je niet kunt overzien.

Dan gaat u op zoek naar God. U ziet God als iets blijs, als iets gelukkigs, als iets lichts. God is het Licht. Wat maakt je blij? Wat maakt je gelukkig? Wat geeft je een ogenblik die extra vreugde, die extra rust? Dat is God. Simpel. Dus waar vind ik God? Desnoods: in de theetuin, als de kinderen gezellig spelen en je kunt even in het zonnetje zitten. Desnoods zit God in dat knetterende vuur, in dat kaarsje in de kerstboom. Niet om die dingen buiten je, maar om wat er in je leeft. De manier waarop jij reageert op de wereld.

Dan ga je bidden. We hebben het er vanavond een paar keer over gehad. En dan zeg je kort en krachtig bv. er zijn van die mensen: “God, ik heb Uw hulp nodig, help mij!” Ik vraag mij nog af, waarom ze er niet bij zeggen: “Volgens tarief A, B. of C.” Dan zijn er andere mensen, die zeggen: “Ja, maar je mag toch niet alles aan God toevertrouwen je moet het zelf doen. God, help mij om, zelf.” Dat is misschien iets beter. Maar waarom moest je eigenlijk zo bidden?. Dat vraag ik mij af.

Ach ja, het is misschien gek dat je als half mislukte koopman en half mislukte humorist een poging moet gaan wagen om dat uiteen te zetten. Maar denkt u zich dit nu eens in. Als ik zou moeten bidden, dan zou ik eigenlijk niet bidden. Dan zou ik denken. Dan zou mijn gedachtegang ongeveer de volgende zijn, zo goed als ik het dan in woorden kan onderbrengen: Ergens is er vrede. En ik heb geen vrede, Laat ik dan mijzelf dwingen om vredig te zijn door alles te vergeten, wat mij onvredig maakt. Ik ben zwak en ergens is er kracht. Laat ik proberen datgene, wat mij belet om deze kracht in mij te dragen (een bewuste waarde), eenvoudig te vergeten en terzijde te stellen. God is volmaaktheid en ik ben onvolmaakt. Laat ik proberen dat beeld van mij af te gooien en niet meer spreken over volmaaktheid of onvolmaaktheid, maar trachten te beantwoorden aan hetgeen ik in mij voel als Gods wet.

Ik spreek over de innerlijke en de uiterlijke waarheid, de innerlijke en uiterlijke wijsheid, over mijn innerlijke stem. En eigenlijk weet ik niet eens goed wat die dingen precies betekenen.

Laat ik toch geen onderscheid maken. God is. God is vreugde, is vrede. God is kracht, ook voor mij. Als ik die God aanvaard of ik Hem nu erken of niet dan zijn deze dingen voor mij werkelijk. Dan zeg ik er zo achteraan: “Vooruit joh. Proberen. Niet je bezighouden met een ingrijpen van buitenaf, maar proberen om in je zo vredig te zijn, dat er geen ingrijpen meer nodig is.” Ik houd niet van al die vertellingen over de wilde beestentuinen in ons innerlijk, enz. Dat is allemaal stof voor beginners. Het klinkt altijd heel wat wetenschappelijker of ingewikkelder of esoterischer dan wat ik vertel. Maar de waarheid is eenvoudiger. De mens moet nu eenmaal van het ingewikkelde naar het eenvoudige geleid worden. Zoals wijzelf er ook steeds naartoe geleid moeten worden, omdat we de eenvoud eenvoudig voorbijlopen. Voel God, onverschillig hoe. Probeer een ogenblikje God te voelen en dan heb je alles, wat je nodig hebt.

En zeg nu niet, dat je het niet kunt en dat je het probeert en dat het zo moeilijk is. Want je moet nooit proberen God te dwingen naar jou toe te komen, maar je moet alleen jezelf zo uitschakelen, dat er niets overblijft buiten God. En dat nu te leren is de hele weg van de esoterie. Dan heb je eenheid met God, Dan vloeit daaruit alles voort, wat uiterlijk nog noodzakelijk is, onverschillig in welke wereld. En voor de rest trek je je steeds meer terug uit de werelden en word je steeds meer deel van de waarheid.

Dat is mijn visie en mijn commentaar. Denk niet, nogmaals dat ik geprobeerd heb om iets af te breken van wat de eerste spreker heeft gezegd. Dat is niet waar. Maar ik bekijk het zo: Je moet praktisch zijn en de eenvoud weten te vinden. En als je die eenvoud maar eenmaal te pakken hebt, dan is God vlakbij. Want God is enkelvoud. Hij is Het Woord. Een woord en niet meer. En toch de verschijning van heel de schepping met ons erbij. Laten wij dan dat ene woord opzoeken, dan komt de rest vanzelf.

o-o-o-o-o

  • De geschiedenis van het “Ken uzelf“. In Griekenland zou het eerst door Socrates zijn gebruikt. Dit is toch de basis van de esoterie.

Ik ben zo vrij in beide punten enigszins met u van mening te verschillen. Het “Ken uzelf” als slagzin in deze vorm zoudt u inderdaad wel tot de Socratische wijsheid kunnen terugvoeren.

Maar het “Ken jezelf, wees je van jezelf bewust” is veel ouder. De eerste stellingen hiervan vinden wij – het spijt mij dat ik daar wederom op moet wijzen, maar het is onvermijdelijk hier – in Atlantis, de tweede ontwikkelingsperiode, ongeveer zeg tweede fase. Dat is 9000 jaar geleden. En wel in de studieklassen van de Witte Broederschap, waarin de leerling wordt voorgehouden: “Erken de kracht, die in uzelf schuilt, erken het denkbeeld, dat u drijft en mediteer hierover. Doe dan na rijp overleg afstand van uw leven en wees herboren in onze gemeenschap.” Deze stelling is in feite al een “Ken uzelf.”

Dan vinden wij verder deze grondslag van de esoterie ook terug in de oude beschavingen, die in de Sahara hebben bestaan. Hier hebben wij te maken met een bijna negroïde volk, met een restant Atlantische bevolking en een wat Keltische bevolking. Hier geldt de stelregel voor bepaalde esoterische inwijdingen: “Slechts hij, die een beeld van zichzelf heeft, kan de kracht (of de ware God, naar u zeggen wilt) erkennen. Leer dus uzelf erkennen.” Wederom, een parafrase op hetzelfde. Wij vinden soortgelijke stellingen in bepaalde inwijdingsleren van de hindoe-godsdienst, of als u dat liever wilt in het primair boeddhisme. Het is eigenlijk ook een boeddhistische leer. Daarin horen wij o.m.: “De goden leven niet slechts in de hemelen maar in uw hart. Erken de goden, die in uw hart leven en vind zo de waarheid van het bestaan.” Een parafrase, maar wederom dezelfde idee. In China vinden wij een filosofische richting, die buiten de stellingen van Tao en boeddhisme om een lange tijd vooral in de zuidelijke provincies nogal opgang maakte. Hier was een magische scholing aan verbonden, Een van de stellingen was: “Slechts hij kan anderen regeren of beheersen, die zichzelf kent en beheerst. Zo leer uzelf beheersen, opdat gij uzelf kunt leren kennen.” Wederom hetzelfde.

In de Perzische leerstellingen hebben wij voor het verval van het rijk een school, van wat wij wichelaars en alchemisten zouden kunnen noemen. Bij dezen geldt de stelling: ” Slechts wat zuiver is, baart vruchten. Leer uzelf kennen, opdat gij uzelf kunt zuiveren.” Een parafrase op dezelfde stelling. In de Egyptische inwijdingsdiensten: “Leer schouwen achter de sluier, opdat gij onafhankelijk van de Rechteren kunt staan in het licht van de “zon”. Wederom een aansporing tot zelfkennis als noodzaak tot bereiking.

Verschillende van deze inwijdingsdiensten zijn in Griekenland ook reeds in wording en soms reeds bijna voltooid, voordat de grote wijsgeren uit het toppunt der beschaving zich doen horen. Ook dan is de idee van zelferkenning reeds de grondslag van verschillende mysteriën. Wanneer dus Socrates en met hem vele anderen, zowel in de Stoa als elders, hun leerlingen toeroepen “Ken uzelf,” dan doen zij daarmee niets anders dan de stelregel van bewustwording, die ook in de mysteriën bestaat, a.h.w. publiek maken. De stelling van zelfkennis vinden wij ook in bepaalde delen van het vroeg christendom, waar letterlijk wordt gezegd: “Zo leer uzelf erkennen, levende in de (christelijke) naastenliefde, opdat gij uzelf zuiveren kunt en een tempel van de geest kunt zijn.” Het komt wederom op hetzelfde neer.

Albigenzen: “Breng de stellingen Gods in praktijk en leef naar Zijn (natuurlijke) wetten, erkennende wie en wat gij zijt, opdat gij Zijn wil vervullen kunt.” De gedachte van zelfkennis. In de verschillende kabbalistische scholen vinden wij een reeks van stellingen, die uitgaan van dit standpunt: Om de waarheid van het leven te erkennen moet men in staat zijn de geaardheid der Verschijnselen te beschouwen met een weten omtrent hun achtergrond. Indien gij tracht dit te volvoeren, zult gij allereerst uzelf moeten ervaren voor wat gij zijt. Ken uzelf: En van daaruit zien wij het praktisch over de hele wereld gaan. Wij vinden het terug bij de latere Rozekruisersgroepen. Wij vinden het terug bij de eerste loges. Het wordt overgenomen door Theosofie en Antroposofie, door de verschillende Vrijmetselaarsloges en maakt zelfs deel uit van bepaalde richtingen van meer christelijke geaardheid, vooral in de Verenigde Staten. U ziet dus, dat dit zeker niet alleen een Socratische wijsheid is. Socrates heeft haar uitgesproken, maar daarmee herhaalde hij op zijn wijze een wijsheid, die op de wereld reeds lang bestond. En ook heeft hij dit woord gebruikende misschien een bepaalde impuls gelegd in de Griekse beschaving en dus een invloed op het beste gedeelte van Rome met alle gevolgen van dien voor het hele westen. Maar op zichzelf bestond die idee reeds lang en is zij een van de oudste inwijdingsgeheimen, die zover mij bekend op deze wereld bestaan. U ziet dus, dat ik het niet geheel met uw stelling eens kan zijn.

  • Neen? Ik dank u wel zeer. Maar mijn bedoeling was te weten, waarom Socrates dit in het publiek poneerde. Hij was de eerste, die dit zo buiten het mysterie om heeft gedaan.

Om dit te begrijpen moet u de mens Socrates begrijpen. Socrates is enerzijds een mysticus, maar anderzijds heeft hij geen gelukkig leven. Zo voelt hij zich enerzijds getrokken tot de wereld. Ook tot de bewondering der mensen, anderzijds tot God, in een geborgen zijn voor zijn leed. Het is logisch, dat als hij nadenkt, hij tot de conclusie moet komen, dat de God in hem een zo belangrijke factor in het leven is, dat slechts wanneer allen deze erkennen, de wereld dragelijk zou zijn. Hij is op zijn wijze niet slechts filosoof maar ook wereldverbeteraar: en hij heeft dan ook vele malen in de politiek van de stadsstaat ingegrepen. Daardoor brengt hij deze openbaring naar buiten toe, pogende hiermee de opbouw van bepaalde meer godsdienstige machten wat te beperken en te breken. Want Griekenland en vooral Athene heeft een hele tijd geleden onder de strijd. o.a. van de tempel, van Poseidon tegen de tempel van Pallas Athene, de schutsgodin. En deze uiterlijke leerstellingen met hun steeds groter wordende eisen naar tempels, naar tempelwelvaart en tempelschatten, betekende enerzijds een ondergang voor het lagere publiek in deze stadsstaat om niet te zeggen een grote schade voor de slaven van die tijd maar gelijktijdig ook een praktisch algehele vrijheid van zeden voor degenen, die betalen wilden. Toch waren aan diezelfde tempels vaak ook mysteriescholen verbonden, waarin die leer wel naar voren werd gebracht, maar alleen voor de meer ingewijden.

U zult begrijpen dat velen van de grote denkers van Griekenland een dergelijke status niet konden accepteren en getracht hebben een einde te maken aan deze handelsgeest, die zelfs probeerde met geestelijke goederen te handelen. Zo heeft men bepaalde geheimen van de tempelgroeperingen dus eigenlijk geopenbaard, uitgesproken. Het typische is, dat dit meestal de eerste maal in de Stoa gebeurt, dus in de tempelgangen, boven op de Akropolis en meestal met een overzicht over de stad, dus nog op een bepaalde hoek. Het is zeer kennelijk een poging om de band tussen menselijk leven en godsdienstbeleving op een nieuwe en meer redelijke basis te brengen. Ik meen, dat juist daar Socrates dit heeft uitgesproken, Helaas kan ik u alleen maar feiten noemen, ik ben geen filosoof. Is er nog een tweede onderwerp?

  • Wilt u ons nog wat stellingen geven van Tao?

Ik wil u een reeks van esoterische stellingen geven, niet ontleend aan maar gebaseerd op de taoïstische stellingen, als u daarmede tevreden wilt zijn.

Alle dingen hebben hun plaats. Wie zijn plaats erkent handelt daar naar. Wie daarnaar handelt is niet verantwoordelijk. (Dus niet verantwoordelijk voor het geheel). Wie zijn plaats erkent in de rij der geslachten, draagt het bewustzijn en de eer van hen, die voorgingen zowel als de mogelijkheden van hen, die na hem komen. Het is noodzakelijk, dat de eer bewaard. blijft. Het oordeel over eer ligt in de mens, niet in de maatschappij.

Het erkennen van een innerlijke waarheid bestaat uit de erkenning van tweeledigheid.

Slechts wie wit en zwart met elkaar kan doen huwen in zichzelf, vindt de uiting der volnaaktheid, waarover de goden glimlachen.

Wie zoekt naar eeuwigheid kan deze vinden, wanneer hij de gedachte aan tijdelijkheid vergeet. Zoals het jaar zich hernieuwt en de jaren opvolgen, elk hun naam en eigenschap kennend en toch steeds kerende, zo is het wezen, dat in ons schuilt. Erken de onbeperktheid van uw wezen en ge zult eeuwigheid bereiken.

Kracht komt niet voort uit het vermogen, dat in het “ik” schuilt. Zij komt voort uit het verlangen hogere krachten te beseffen en eigen krachten aan anderen op te leggen. Wie kracht gebruikt voor zich, doodt zichzelf, want hij richt zijn eigen krachten tegen zich zelf.

Wie macht gebruikt voor anderen, verrijkt zichzelf, omdat hij een is met al, wat hij heeft opgeroepen.

Misschien dat deze kleine stellingen althans enigszins voldoende zijn. Er ligt een gedachtegang aan ten grondslag, die ik u misschien iets duidelijker kan maken. het is geen toeval, dat u geboren bent op een bepaalde plaats, in een bepaalde tijd of in een bepaalde familie. Er is een vast schema in de hemelen, dat ook vervuld wordt aan een ieder, die op aarde leeft. Op het ogenblik, dat u behoort tot een familie, tot een volk, heeft u daarmede een plaats en een taak aanvaard, die niet slechts de uwe is. Want niet de mens alleen streeft, maar de mensheid, zodat alle geslachten tezamen de weg naar volmaking gaan, niet de eenling. Daarom draagt men op het ogenblik, dat men intreedt. in een bepaalde gemeenschap, alle verantwoording van die plaats. Dan is men verantwoordelijk voor het voortzetten. in goede zin van het werk, dat anderen hebben achtergelaten. Gelijktijdig heeft men de taak om nu reeds te zaaien, opdat volgende geslachten kunnen oogsten.

Wanneer men echter tot de grote werkelijkheid wil doordringen, moet men beseffen, dat het “ik” in deze taak slechts tijdelijk vertoeft.” In deze zeer tijdelijke toestand is het verstandig, dat men zijn eigen plaats erkent. Ook dit is een vorm van zelfkennis. Ook is het verstandig, dat men zijn streven richt op de plaats, die thans voor het “ik” bestaat, en niet streeft naar datgene, wat voor het “ik” onbereikbaar is. Elk streven, dat te hoog grijpt, betekent mislukking en krachtverspilling. Een streven daarentegen, dat niet ver genoeg grijpt, betekent frustratie en teleurstelling en gelijktijdig een onrecht aan komende geslachten. Daarom is het zaak, dat men zich zo zuiver mogelijk richt op de mogelijkheden van het heden volgens de wetten van het heden en rekening houdend met de plaats, waarop men zich thans bevindt.

Echter is er een genoegdoening bij. Wanneer wij heden geen keizer kunnen worden, zullen wij nog vele malen kunnen keren om dit wel te worden. Voor iedereen bestaat de mogelijkheid om eens een zekere plaats te bekleden. En nu is de wijsheid van China niet gebaseerd op een directe theorie van wedergeboorte. Men stelt in de plaats daarvan een tweede wereld, of keizerlijke wereld, waarin de hemelkrachten de mogelijkheid geven om bv. mandarijn of zelfs directe raadsheer van de Hemelse Keizer te worden. En ook deze wereld wordt door een volgende wereld weer gedragen, zodat de uitbreidingsmogelijkheden onbeperkt zijn. Verbindende met de stelling der reïncarnatie kan men zich datzelfde ook op aarde denken. Het geheel houdt in, dat het goed is om dat te zijn, wat je moet zijn. En gelijktijdig betekent het een ontkennen van verantwoordelijkheid. voor datgene, wat buiten het “ik” ligt.

Misschien mag ik u een voorbeeld geven in Westerse termen. Er komt een oorlog. Gij zijt in een familie, waardoor gij soldaat zijt geworden of misschien zelfs een officier. Dan is het volkomen logisch en volgens de wet, dat gij doodt. Gij behoeft daarover geen berouw te hebben. Gij zult het niet meer doen en zeker niet wreedaardiger dan uw plaats noodzakelijk maakt. Maar deze plaats is de uwe en indien u vervult volgens uw innerlijk plus de wetten van de wereld datgene, wat daartoe behoort, dan zijt ge vrij voor alle consequenties daarvan. Deze beroeren u niet. Wat u wel beroert is de misslag, die u maakt. Als u als officier bv. leeft in vredestijd en er komt oorlog en gij weigert dan plotseling mensen te doden, dan hebt ge daarmede een smaad geladen op uzelf, maar ook op degenen, uit wie gij geboren zijt. Tevens hebt ge door uw tweeledige houding eer ontnomen aan degenen, die na u komen, zodat dezen niet in staat zullen zijn het door het voorgeslacht opgebouwde voort te zetten.

Hierbij is de gehele gedachtegang er een van een grote kracht, die gelijktijdig een wetmatigheid is. In deze wetmatigheid hebben wij een taak. Maar slechts voor de taak, die de onze is, zijn wij verantwoordelijk. Het andere trekt zich van ons terug. De uitvoering van onze taak moet door onszelf worden beoordeeld. En vreemd genoeg is deze filosofie niet wat u zoudt noemen streng op de mores, op de moraal en op de zeden. Zij stelt n.l. dat de eigen placering in het leven vanzelf de mogelijkheden meebrengt. Onder deze mogelijkheden te kiezen is natuurlijk. Dat kan u niet verweten worden. Maar indien deze keuze in strijd is met de plaats, waarop gij u bevindt, in strijd is met uw wereld en daar geldende begrippen, dan bent u weer wel verantwoordelijk.

Men heeft dus getracht een systeem op te bouwen, dat zelfs geen God nodig heeft, maar dat berust op een wetmatigheid. Een regel en een wet, waaruit de gouden staat geboren wordt. De gouden of Volmaakte staat is op zichzelf reeds de voltooiing of de voleinding. Zij komt in de plaats van hetgeen de christenen soms het hemels Jeruzalem noemen of het Vaderhuis.

Wanneer er perfectie ontstaat, kan deze alleen bestaan, zo zegt de leer van Tao, wanneer elk onderdeel volledig datgene vervult, wat het binnen het geheel volbrengen moet. Eerst dan zal het geheel volwaardig zijn. En daarmede heb ik u ook daar weer een korte uiteenzetting gegeven van enkele waarden. Is dat voldoende voor u?

  • Was Lao Tse niet de eerste openbaarder van het Taoïsme?

Neen. Het is misschien moeilijk dit zo te stellen, maar elke leraar spreekt slechts in wijsheid, die reeds bestaat. De wijsheid groeit in het bewustzijn der mensen als gevolg van de kracht der goden, de goddelijke kracht. Wanneer dit bewustzijn sterk genoeg gegroeid is, dan vindt de wijsheid woorden, dan verkrijgt zij een mond. Degene, die dan fungeert als mond van deze wijsheid, is dus niet een feitelijke vernieuwer maar iemand, die de wetmatige vorm vastlegt van een kracht of een bewustzijn, dat reeds bestaat. In deze zin was Lao Tse zeker niet de eerste, die over Tao sprak. De symbolen, die met Tao samenhangen, zijn veel ouder. Maar hij was wel de eerste, die daaraan een zodanige vorm heeft gegeven, dat zij een mystiek werd. Rung Pu Tse heeft hetzelfde begrip genomen en het meer in de directe staatsvorm verwerkt. In beide gevallen heeft men echter gezocht naar een uiting voor het in het volk levende en bestaande gevoel van de absolute harmonische werking, waarbij alle dingen volledig op elkaar zijn afgestemd. Een dergelijke leer is in het oosten begrijpelijker dan in het westen.

  • Ja, want ik begreep haar niet.

Dat geloof ik heel graag. Maar misschien hebt u wel eens gezien, hoe men soms met een enkel meubelstuk een ruimte perfect kan doen uitkomen, een harmonie kan scheppen. Hoe soms een enkel schilderstukje, dat heel klein is, een hele wand kan vullen, alsof het ervoor gemaakt is. Er zijn dingen, die samen passen. Kijkt u naar de voorstellingen, die de oud-Chinese kunstenaars hebben gemaakt. In een voor uw idee soms wat vluchtige vorm werpen zij een  voorstelling neer. Soms een landschap met mensen, soms alleen maar een enkel beeld van een. god of een demon. Maar elke lijn is op de andere afgestemd in haar dikte, in haar vervloeiing, zelfs in de wijze waarop men haar verwerkt, hetzij met inkt, hetzij met goudlak, misschien zelfs in de tienmaal gepolijste en gelakte kisten. Daarmee wordt de volmaaktheid benaderd of verkregen. Hetzelfde geldt voor het porselein. Het timbre en de tint van porselein plus de daarbij gebruikte motieven en de kleur, waarin deze motieven worden afgedrukt, moeten alle tezamen goed zijn, wil er een perfecte vorm uit groeien. Dit principe moeten wij niet alleen toepassen op voorwerpen, op kunst, op het afstemmen van de omgeving op de persoonlijkheid. Wij moeten het gebruiken voor heel het menselijk leven.

Maar wanneer er nu een schilderstukje komt, dat aan een wand hangt, is het dan zelf voor deze affiniteit met die wand aansprakelijk? Neen, slechts wanneer het zou ophouden een schilderstuk te zijn of zichzelf zou veranderen, zou het de harmonie verstoren en daarin wel een aansprakelijkheid hebben. Als er nu een brand komt, die het schilderstuk verwoest, is het daarvoor aansprakelijk? Neen. Wanneer het kolenbekken in de kamer staat, omdat het ’s winters koud is en een kooltje daaruit ontsteekt misschien een papieren venster heeft het kolenbekken schuld? Heeft het kooltje schuld? Heeft het papier schuld? Neen, Deze verhoudingen zijn besteed. De verantwoordolijkheid kan zijn voor degene die de plaatsing van de drie t.o.v. elkaar heft vastgesteld en geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid, dat de houtskool knappend zou weg vliegen en nog brand veroorzaken.

Zo zijn wij in het leven geplaatst. Deze plaatsing in het leven komt volgens de filosofie voort niet uit een onmiddellijk goddelijke wil, maar uit een noodzaak van ons wezen. Het is een wet, die ons daar plaatst, zoals een mensenhand een schilderstuk kan ophangen. Het feit, dat wij in deze stemming en in deze toestand verkeren, geeft dus aan, hoe wij op dit ogenblik in de wereld passen. Het heeft geen zin ons te onttrekken aan deze bestemming of te trachten ons erboven te verheffen.

  • Is dat niet een gemakkelijke kapstok, waaraan je alles kunt ophangen?

U zult waarschijnlijk deze filosofie inderdaad niet begrijpen, anders zoudt u deze opmerking niet gebruiken. Want u zult er zich toch van bewust zijn, dat een plaats in het leven zeer vele consequenties met zich brengt. En dat men al deze consequenties moet vervullen. Of dit de wetten zijn van de godsdienst, waartoe u behoort, de wetten van de keizer, die u regeert, af dit de regelen zijn, die de straat regeren, waarin ge woont dan wel de wijze, waarop het huis is ingedeeld, waarin ge geboren zijt, deze dingen zijn en daarom zijn zij goed. Slechts door deze dingen in uzelf te verwerkelijken en van uit uzelf te verrijken zonder ze te wijzigen, zult ge de volmaaktheid helpen bevorderen.

Geloof mij, deze leer laat minder ontsnappingsmogelijkheden dan de interpretatie van de christelijke leer, zoals deze in het westen gebruikelijk is. Want ze kent geen genade en geen verlossing, doch slechts de noodzakelijke plicht om volledig jezelf te zijn in alle tijden volgens de plaats, waarop je staat. Het is geen zedenwet. Wanneer ge woont in een polygame gemeenschap, zult ge polygaam zijn. Dat is uw noodzaak. Woont ge in een monogame gemeenschap, dan zult ge monogaam zijn. Niet bepaalt, doch de wereld, waarin ge leeft. En door in die wereld een zo groot mogelijke harmonie te scheppen, verwerkelijkt gij dus eeuwige krachten, die worden voortgezet in wat u misschien noemt een hergeboorte, maar die men bij ons noemt: het Hemelse Keizerrijk. En dan is het nog noodzakelijk, dat gij de verbinding behoud, met de wereld. Want slechts door te zorgen, dat het nageslacht evenzeer dezelfde voortzetting inhoudt, kunt ge immers uw eigen plaats hier behouden. Gij zijt verantwoordelijk voor alles, wat ge hebt voortgebracht. Niet slechts aan kinderen maar ook aan daden, aan toestanden, aan wetten, aan regelen.

En dit alles tezamen bepaalt uw plaats in deze andere wereld. Mij dunkt, deze leer kent veel gestrengheid. En zij is juist omdat zij geen ontwijken laat door een goddelijke genade of een goddelijk ingrijpen, maar een verplichting stelt voor de mens een zeer strenge en soms zeer harde leer. Maar ik geef gaarne toe, het vraagt een andere mentaliteit dan die van uw dagen.

  • Maar hoe is dan de consequentie met de geweldige omwenteling, die zich nu in China voltrokken heeft? Gelooft u niet, dat i.v.m. wat u gezegd hebt, er een aanpassing moet zijn van die omwenteling aan dat oude klassieke?

Laat ons het zo stellen, dat reeds op het ogenblik het oude principe zich zo sterk uit, dat de omwenteling in gevaar dreigt te komen. Want de wetten mogen veranderen, dat is niet onze verantwoordelijkheid. Maar het wezenlijke van ons leven moet behouden blijven. Als u het volk van China thans gaat zien, zult u ontdekken, dat deze oude gebruiken en gewoonten nog ingeworteld zijn, zelfs in hen, die zich volledig van het oude afgesneden achten. Dit is zo sterk, dat er geen volk of geen macht op aarde is, die deze waarden in het volk van China veranderen kunnen. Ook zij niet, die zich vrij hebben gemaakt van hun eigen gebondenheid aan het volk door i.p.v. dienaren heersers te worden. In de komende jaren zal u dit nog steeds duidelijker blijken. De revoluties van China zijn niet zo gewelddadig, omdat zij gaan volgens de orde en de regel, zoals dat gepast is. Maar in dit gepast zijn, verandert er daar meer, dan men zich thans realiseert. En zou het westen minder willekeur tonen zoals nu, dan zal het in China een grotere steun maar voor zijn maatschappelijke vorm ook een groter gevaar vinden dan in het meer gevreesde Rusland. Ik hoop, dat u deze roem van een oud volk niet wilt zien als een poging tot zelfverheerlijking. Het is de waarheid, zoals ik die zie volgens de huidige ontwikkelingen.

  • Dus de achtergrond van het oude volk van China is, dat de waarheid daar dus altijd aanwezig zal blijven. Maar nu vraag ik mij af, hoe is het dan met de waarheid in Rusland gesteld? Is die waarheid dan daar net zozeer aanwezig als in China?

De volkeren der aarde bestaan niet zonder doel. De geest die incarneert, zoekt een lichaam met een bepaalde capaciteit, een omgeving met bepaalde mogelijkheden. Er moeten vele mogelijkheden zijn op een wereld, om een geest de mogelijkheid te geven snel te stijgen.

Daarom heeft elk volk zijn eigen achtergronden. China was het volk, dat in de gebruiken en de wetten een grotere macht erkende dan zelfs in de keizer. Want ook deze was de slaaf van de wetten en de gebruiken, ondanks zijn schijnbare almacht. Rusland daarentegen is het land geweest van de brute heerschappij, van de innerlijke verzonkenheid, de sentimentaliteit en de vlucht uit de wereld. En ook dat bestaat er heden nog. Het volk van Rusland zoekt ook zichzelf te vinden en het kan zichzelf slechts vinden op de wijze, waarop het altijd geleefd heeft. Met wat u noemt barbaarse wreedheid, een hartstochtelijke kilheid, waarin het zwaarmoedige Slavische denken een redelijkheid doordrijft tot het punt van het onredelijke, en in wantrouwen tegen anderen, omdat het anderen niet begrijpt en zelf toch zeer begeert begrepen te worden. Dit volk zet zijn stempel op de komende tijden evenzeer als China, evenzeer als de Ver. Staten.

Om u een voorbeeld te geven, dat misschien duidelijk maakt wat ik wil zeggen: In China stelt men zich Jezus niet voor als de zoon van een timmerman, zo vreemd als het klinkt. Hij is de zoon van een mandarijn, belezen in de klassieken, maar werkend voor hen, die deze gaven niet bezaten. In Rusland is Jezus een geheimzinnige en mystieke kracht, niet menselijk maar bovenmenselijk. Die de mens verheft in een roes, opdat hij tijdelijk boven zijn roes uitstijgende mens moge zijn, i.p.v. de onmenselijkheid van eigen bestaan te kennen. En Jezus in de V.S. afstand doend natuurlijk van de daar veel verkondigde gebruikelijke voorstellingen, a clean young man in crew cut. Een jongeman volgens de mode geknipt, een klein beetje bebopachtig. Maar in deze schijnbaar opstandige en revolutionaire wijze van leven en uitdrukking, gebonden aan oude gewoonten en gebruiken en in feite de uitdrukking van hetgeen zijn moeder verlangde. En toch was Jezus alleen maar een ingewijde. Maar ieder ziet hem op zijn manier. Maar zoals de volkeren Jezus zien, zo is hun eigen maatschappelijke vorm. Zo is hun honger naar bewustwording uitgedrukt. De Amerikaan verwacht de geborgenheid. En de geborgenheid waarbij het moederprincipe zeer sterk op de voorgrond komt. Niet voor niets noemt men daar de vrouw, ook wanneer er geen kinderen zijn, vaak “mam”. In Rusland is het de roes, de vlucht uit de werkelijkheid, die men zoekt. Een roes, die wreed kan zijn en bloeddorstig soms. Soms kan leiden tot een roekeloos spel met eigen leven en bestaan, omdat men in de werkelijkheid zich verloren acht. En zo is dit volk en zo leeft het. En China, in China zoekt men de perfecte samenhang waarbij een ieder in zo groot mogelijke vrijheid toch conform de geldende regels zal leven. Ieder op zijn plaats, geleid door het weten van andere geslachten, brengend een herschepping, een vervolmaking van hetgeen, dat was. Men heeft dit China zijn vrijheid teveel ontnomen. Daarom zal dit China, steeds meer revolutionair zijn: niet om te vernieuwen, maar om een vorm te vinden, waarin deze behoefte aan vrijheid binnen de grootst mogelijke en regelmatig georganiseerde gebondenheid hernieuwd ontstaat.

0-0-0-0-0-0-0

Meditatie

Eenvoud.

Eenvoud. Eén zijn alle dingen. De schijn van meervoud, de veelvoudigheid van al, wat rond ons is, moet worden teruggebracht tot het ene. Er is één God in de wereld, één God in de kosmos, één kracht, één wezen en één bestaan. Alle andere vormen zijn alleen maar afleidingen daarvan. En geven wij hun een zelfstandig bestaan, erkennen wij hen als onafhankelijke waarden, dan verwarren wij ten zeerste het beeld van de werkelijkheid. In plaats van de waarheid vangt ons de waan. Hoe groter de veelheid van argumenten voor verschijningsvormen, die voor ons invloed hebben, hoe meer wij ons baseren op schijnbaar onafhankelijke gebeurtenissen en invloeden, die wij allerwege aantreffen, hoe sterker ons wezen in een waan gevangen wordt. Het filosofisch argument, indien het gericht is op het hoogste, kan eenvoudig blijven. Zoals men gesteld heeft in grootste eenvoud “ik denk, dus ben ik,” zo kan men zeggen “ik honger naar God.” Honger heeft een reden, dus bestaat God. (ik kan er achter zeggen: voor mij.) Op deze wijze kunnen alle andere overbodige argumenten terzijde worden gesteld, Wanneer mijn verlangen gericht is op God, wat deert het mij dan, of er engelen zijn of niet, Wat heb ik er dan belang bij, welke wetten die God heeft geschapen.

Wat heb ik er belang bij welke werelden Hem behoren en welke persoonlijkheden die werelden bevolken: Wanneer ik zoek naar God, dan is een eenvoudig aanvaarden van Zijn wezen beter dan alle redelijk betoog van alle wetenschappelijk onderzoek. Eenvoud betekent: steeds weer de kern van de zaak zoeken. Wanneer u leeft en wanneer u denkt, dan zult u tot de conclusie moeten komen, dat u vele malen iets hebt gedaan op een onnodig ingewikkelde manier. Dat ge vele malen regelen hebt gesteld of gesteld hebt gezien, die in feite een verspilling van werk, van denken, van kracht en van geld betekenen. Men is van de eenvoud afgeweken en betaalt daarvoor een dure prijs, Eenvoud is het terugbrengen van de dingen tot hum essence.

Het betekent ook dat men afstand doet van overbodige ingewikkeldheid van een overbodig uitvoerig belichten, van pseudo-wetenschappelijkheid of een pseudofilosofische verhandeling, wanneer men het afkan met een paar rechtstreekse woorden. Bedenk wel, dat eenvoud volgens een bekend gezegde het kenmerk is van het grootse.

En wanneer wij Jezus zien wij zien de leraren en de Boeddha, ja, zelfs Mohammed in zijn gloriedagen, dan valt het ons op, dat zij eenvoudig zijn. Wanneer wij zien, welke vorsten in de wereld het meest betekend hebben en de grootste macht hadden, dan zien wij, dat zij eenvoudig waren. Zij gingen recht op hun doel af en bereikten het, ten koste van alles. Daarom is eenvoud voor ons ook zo belangrijk. Verwerven van al hetgeen wij begeren is mogelijk,  wanneer wij eenvoudig op ons doel afgaan, niet wanneer wij omwegen zoeken. Eerlijkheid en eenvoud zijn simpel. Het is het rechtlijnige en het rechtstreekse. Wie zoekt naar waarheid, zal niet moeten zoeken naar de ingewikkeldste verklaring of de meest omvattende, of de meeste details aanstippende verklaring. Maar naar die aanduiding, die met zo weinig mogelijk woorden in een zo juist mogelijk beeld de werkelijkheid vertegenwoordigt. Een aanvaardbare werkelijkheid. Vandaar dat om eenvoud te bereiken een belangrijk werkwoord bestaat: vereenvoudigen. Meer terugbrengen tot zijn grondslagen en zijn principes.

Wanneer wij een bezwering uitspreken, dan kan het zijn, dat de eenvoud van anderen, hun onbegrip voor de simpele waarden hen minder gevoelig maakt voor een rechtstreekse bede dan voor een barbaars ritueel met vele namen. Dan is het de eenvoud onzerzijds, die ons dwingt ons daarbij aan te passen, omdat wij een doel hebben te bereiken en de middelen mits verantwoord aan het doel mogen worden aangepast. Op deze wijze werken wij.  Zo kunt ook u werken: in de wereld nemend het eenvoudigste middel, dat het u mogelijk maakt uw doel te bereiken. Gebruik de eenvoudigste weg en zeg het met de eenvoudigste woorden Zo komt u eerder tot een grootheid van begrip en van werken dan op een andere wijze.

En wanneer het gaat om God, kunnen wij ons een simpeler schepping voorstellen dan: “Het worde licht en er was licht”? Deze eenvoud is voldoende. Zij schept in zeven dagen een wereld met een mensheid. En zelfs dan heeft God nog tijd tot rusten. Hoe eenvoudig. Maar hoe juist.

Juist omdat God in de veelheid van Zijn functies Voor ons niet te begrijpen is. Juist omdat wij de tijden niet kunnen afmeten, zoals ze voor God bestaan. Juist omdat wij niet weten wie, wat en hoe Hij is, maar wel Zijn schepping zien. En de verhouding tussen God en Schepper drukken wij dan simpel uit. De eerste dag sprak Hij: “Er zij licht, en het werd licht.” Dat is in onszelf precies hetzelfde. Wij kunnen zoeken naar redenen voor al, wat wij doen, duizendmaal weer. Maar is het niet eenvoudiger te zeggen: “Dit is goed, dus doen we het. Dit is kwaad, dus doen we het niet”?

De eenvoud van alle dingen is samengebracht in de grote en geheime naam van God. Is samengebracht in de klanken, die werelden kunnen beheersen. Er is een klank “AUM”, die in staat is een wereld op te bouwen of te verpulveren. Hij is te vinden in de gedachten en de beelden van hen, die “ingewijd” worden genoemd, omdat ze de eenvoud van het leven uiteindelijk hebben beseft. Eenvoud is niet slechts het kenmerk van bewustzijn of waarheid. Het is het kenmerk van de scheppende Kracht zelf, die IS. Indien wij in nederige eenvoud die Kracht aanvaarden zonder aarzeling, zonder wantrouwen, zonder beperking of conditie, dan zullen wij ons er bewust van worden, dat door deze eenvoud een eenheid bereikt wordt, die alles ver te boven gaat en die met andere middelen vergeefs wordt nagestreefd. Wanneer we die eenvoud niet zonder meer kunnen bereiken, dan dienen wij onszelf te schalen tot deze eenvoud. Opdat wij steeds scherper de essence der dingen kunnen omschrijven, steeds zuiverder onszelf kunnen overgeven aan het werkelijk essentiële, bijzaken buiten beschouwing latende. Voor allen, die naar bewustzijn streven en bewustwording zoeken, geldt de les, die ik hier aan het eind van mijn betoog wil stellen: Vraag niet naar redenen, wanneer het Zijnde u voldoende is. Vraag niet naar gevolgen, wanneer het Zijnde u voldoende is. Vraag niet wat God beweegt, wanneer Hij u schept: het Zijn moet u voldoende zijn. Vraag niet, hoe gij God kunt begrijpen, maar aanvaard Hem. Opdat gij met Hem zijnde vervuld moge zijn van het ware en werkelijke leven.

image_pdf