Hetgeen Jezus zijn leerlingen heeft gebracht

10 november 1957

Het lijkt mij verstandig, dat wij ons niet verliezen in de citaten, weergaven, tweespraken e.d.. Waar nodig zal ik natuurlijk aanduiden, wat mijn bronnen zijn.

Zoals wij allen weten is Jezus houding tegenover het leven er een geweest, die zijn leerlingen zo nu en dan zorg baarde. Hij hield zich niet aan de officiële gebruiken, ging om met zowel de hoogste als de laagste stand en zocht evengoed contact met z.g. landverraders en tollenaars als met de Farizeeërs, Jezus heeft n.l. voor zichzelf een leer gemaakt, die in deze wereld van vandaag teloor is gegaan. De leer is heel eenvoudig en zij zal overal in een christelijk land kunnen worden toegepast:

Alle mensen zijn gelijk. Niemand heeft het recht te oordelen over het gedrag van een ander, Niemand heeft het recht te spreken over werkelijkheid of onwerkelijkheid, deugdelijkheid of ondeugdelijkheid van toestanden en mensen. Er is slechts één taak, die elke mens is opgelegd, de taak om goed, krachtig en van zichzelf uit voortdurend het welzijn van alle mensen te dienen en te bevorderen, voor zover men daartoe zelve in staat is.

Dergelijke stellingen pasten niet in zijn tijd. Men heeft hem dan ook een aantal verwijten gemaakt. Onder andere verweet men hem, dat Maria Magdalena een lange tijd in zijn gevolg is meegetrokken. De praatjes, die erover gingen, waren allesbehalve prettig en het kwam zover, dat een zekere Jozef tezamen met Simeon hem aanklaagde, a.h.w. zeggende: “Meester, waarom gaat gij met lichte vrouwen om?” Het antwoord van Jezus was eenvoudig: “Ik weeg niet het gedrag der mensen, maar slechts hun zielen. Ik oordeel niet, omdat zij, die gefaald hebben, in hun berouw beter kunnen zijn dan zij, die nooit gefaald hebben.”

Wanneer wij dit toepassen op Uw eigen wereld, dan komt de grote moeilijkheid voor u, dat u niet moogt oordelen. U moogt niets verwerpen, u moogt niets aanvaarden, u moogt slechts trachten de mens te dienen, volgens het ware beginsel van naastenliefde. Dit beginsel houdt meer in, dan men over het algemeen beseft. Naastenliefde is een onpersoonlijke liefde. Zij is niet gebonden aan personen, aan landen, aan groeperingen of klassen. En wanneer de leerlingen vragen: “Wie is dan onze naaste?” dan vertelt Jezus het verhaal van de man, die gewond word door rovers en die de priesters niet wilden opnemen; maar een Samaritaan wilde hem wel opnemen en zorgde voor hem. Hij zegde: “Ziet, dat was toen zijn naaste.”

Maar dit is de uitwendige leer. “Uw naaste,” heeft Jezus: geleerd aan de kleine kring van zijn leerlingen, “is ieder. Ieder, die met u streeft naar waarheid.” Dat is later tot uiting gekomen, wanneer in een Griekse plaats een altaar staat gewijd aan de onbekende God. Jezus leerlingen prediken dan de onbekende God. Want men moet zich aanpassen aan de mensen, aan de toestanden, aan de tijd.

Het christelijke geloof, dogmatisch geworden, is dan ook niet meer in overeenstemming met Jezus leer. Jezus leer was plooibaar. Plooibaar in alle opzichten, want de uiterlijke vorm was van geen belang. Ja, zelfs het geloofsartikel op zichzelf, de wijze van levensaanvaarding was van geen belang. Belangrijk was slechts het menselijk zich gedragen van de mens. Het zorgen, dat de mens – door zijn ware bestemming als deel van het grote Geheel van de goddelijke schepping te vervullen – inging in het Koninkrijk Gods, deel had niet slechts aan zichzelf en een klein deel van de wereld, maar aan het totaal van alle werelden, aan het totaal van alle leven en alle krachten.

Ik geloof, dat vooral dit laatste punt enige toelichting behoeft. Natuurlijk is door ons veel gesproken in de loop van verschillende lessen over deze grote eenheid. Wij hebben getracht u duidelijk te maken, hoe de Schepper in alle dingen leeft en zo het geheel der schepping slechts in de Schepper en in alle dingen gevonden kan worden, indien men God eerst voor zichzelf realiseert. Jezus echter ging verder. Hij zegde: “Indien gij één mens veroordeelt, veroordeelt gij alle mensen. Indien gij één toestand niet aanvaardt, aanvaardt gij God niet.”

Het is moeilijk om de raadsbesluiten van de Allerhoogste te aanvaarden, want indien wij God volledig aanvaarden, zal onze eigen wil moeten terug treden, ons eigen denken verloren moeten gaan en mag slechts Gods wil als werkelijkheid overblijven. Het bewijs hiervoor heeft hij gegeven in zijn eigen leven, toen hij in de Hof der Olijven zijn Vader vroeg hem van dit leed, van deze smarten vrij te stellen. U moet u echter goed realiseren, dat zo Jezus zich overgaf in de handen des Vaders, hij dit van zijn leerlingen evenzeer eiste. Jezus mocht mens zijn, mens zoals hij bv. in de Hof der Olijven verwijten heeft tegen zijn leerlingen, omdat zij slapen en niet met hem waken, maar anderzijds moet hij in zichzelf ondanks alles de toestand accepteren, zoals die voor hem ligt.

Het aanvaarden van de wereld, zoals zij is, is geen fatalisme. Het is een Godsvertrouwen. Elke mens heeft zekere krachten voor zichzelf, hij heeft een wil voor zichzelf en kan volgens deze wil goed of kwaad scheppen uit hetgeen rond hem is. Hij kan volgens deze wil voor zichzelf licht of duister geboren doen worden in eigen hart en ziel. Maar dat neemt niet weg, dat de omstandigheden buiten hem, die buiten zijn beheer, buiten zijn krachten liggen, door hem nooit mogen worden gezien als een onverschillig toeval. Zij maken deel uit van de schepping. Het totale beeld van al het geschapene is, zoals Jezus uitdrukkelijk heeft geleerd aan zijn binnenste kring, de weergave van de Schepper, zoals Hij Zich aan de mens openbaart.

Dit toe te passen op een moderne wereld zal misschien moeilijk lijken. De raketten, die verderf willen brengen over de gehele wereld, kunstmanen, die gebruikt worden om de menselijke ijdelheid te verheffen; een soort van wetenschappelijke toren van Babel, een voortdurend getwist en een woordenrijkdom zonder resultaten, doen ons soms onszelf afvragen, of deze wereld werkelijk nu wel Gods wil vervult. Het is juist hierom, dat ik zekere lezingen heb samen gezocht, die een geheel ander beeld geven van de wereld, dan de normale mens heeft. Ik leg er de nadruk op, dat dit uit verschillende lezingen van Jezus tezamen is gebracht, maar dat ik het verband der waarderingen niet heb veranderd, ook wanneer ik citaten niet in het bijzonder weergeef.

“Toen God het Al schiep, schiep hij daarin voor Zich en Zijn wil de volmaaktheid. In deze volmaaktheid leven wij.”

De volmaaktheid kan echter niet volledig door ons worden gerealiseerd, zolang wij niet in het Koninkrijk Gods leven. Het Koninkrijk Gods nu, dat in ons leeft, brengt voor ons de bewustwording van Gods werkelijke wil en de kracht om Gods wil werkelijk te volbrengen. Zelfs dan echter zal de onvolmaaktheid van ons wezen ons vaak aanzetten om de goddelijke kracht te verwaarlozen en te verwerpen. Toch mogen wij dit niet doen. Wij mogen niet toegeven aan de beperktheid van ons eigen wezen, maar moeten de onbeperktheid van ons wezen in God en het Koninkrijk Gods in ons a.h.w. volledig aanvaarden. Dan zullen wij bemerken, dat de verschijnselen der werelden een voortdurend ritme vertonen.

Het is als een herdersfluit, die preludeert, wanneer de avond valt. Voortdurend stijgt en daalt de melodie en elk der tonen op zichzelf klinkt klaar en helder, schijnt volmaakt, maar heeft geen betekenis zonder de samenhang van het geheel. Zo nu is het ook in de schepping. De reeksen der gebeurtenissen tezamen vormen een melodie, waarbij de mineurtonen misschien moeten dienen om het juichende lied van de majeurtonen te ondersteunen.

Gij weet allen, dat – wanneer het duister is – de herders samenkomen rond het vuur. Zij sluiten de wereld buiten zich en scheppen een ogenblik van beperking. Zij warmen zich, omdat de kilte van de nacht moeilijk te dragen valt. Maar buiten hen gaat de kudde verder. En zij luisteren goed, of buiten hun beslotenheid misschien wolven dreigen, of misschien ergens de kudde een gevaar dreigt. Want een goed herder verlaat zijn schapen niet.

Zo, zeg ik u, is de wereld van ons. Wij, die hier samenzitten, wij zijn besloten, van de wereld afgezonderd en warmen ons aan het vuur van een eigen geestelijke bewustwording, van een eigen taak. Wij ervaren Gods liefde op onze eigen wijze, besloten in onszelf. Maar buiten ons is de wereld. De wereld, die wij moeten helpen en leiden. Deze wereld nu wordt bedreigd door vele gevaren, gevaren, die voortkomen uit de natuur, dus uit Gods wil en schepping, maar die wij niet mogen tolereren, omdat het onze taak is een evenwicht te houden tussen de gevaren, die er bestaan en de mogelijkheden tot voortbestaan en bewustwording van de kudde.

Ik mag hier misschien aan toevoegen, dat Jezus nog veel meer herdersvoorbeelden heeft gebruikt. In de exoterische leerstellingen van het christendom is alleen maar de gelijkenis van de goede herder bewaard gebleven. Vergeten is, dat wij allen herders zijn. Want – zoals Jezus zelf heeft gezegd – wij zijn niet slechts de beschermers van het heden, maar tevens van de toekomst. Het is onze taak, dat er voortdurend meer licht wordt geboren, meer kracht, opdat langzaam maar zeker allen, die het bewustzijn thans nog niet bezitten, zullen kunnen komen tot de plaats, waar wij thans staan. Het zoeken de bewustwording te bevorderen is echter geen opleggen van lering. En hier vind ik het noodzakelijk om de bron een ogenblik aan te geven.

Johannes de leerling, Johannes de neef van Jezus en Jezus zelf spraken eens in de woestijn over weg en lering. De Doper beweerde, dat zo men zich bekende tot de nieuwe leer, de wet daarvan vast moest staan. Want, zo zegde hij, de mens leeft bij de wet. Niet bij het bewustzijn der liefde of het bewustzijn Gods.

Jezus antwoordde hem: “Ik zeg u, vele zijn de volkeren. Die gij gedoopt hebt, zijn slechts de Joden. Echter meer dan Israël is uitverkoren. Want Gods Israël is de mensheid. Werden niet onze voorvaderen hun stamboom op tot Noë en van Noë tot Adam? Ik zeg u, van uit de eerste mens zijn wij allen geboren en allen – zijnde uit die eerste geboren – als zodanig deel van hetzelfde volk, waartoe wij behoren. Gebruiken zijn verschillend, gelaatskleur, geloof kunnen verschillen. Maar ik zeg u, in geloof, in gebruik, in gelaatskleur zal de goddelijke kracht weer geopenbaard zijn. De Vader verlaat Zijn kinderen niet, ongeacht hun uiterlijk. Laat ons daarom aanvaarden Zijn kracht in allen en trachten het Goddelijke te vinden in de anderen, ook wanneer zij verschillen. Wanneer ik mijn leerlingen zeg, geen onderscheid te maken tussen een Griek, een Arabier en een Jood, wanneer ik hun zeg, dat de kleurling even welkom is als de blanke, wanneer ik hun zeg, dat de zonen der woestijn gelijkwaardig zijn aan de landbouwers, dan vragen zij zich af, hoe ik kom tot deze eigenaardige stelling. Maar wie de werkelijke inhoud der mensen kent en door de uiterlijkheid heen ziet, hij erkent in allen het gelijke licht. Toch is er een gevaar, dat ons bedreigt. Want indien wij trachten het licht van de een te geven aan de ander, zo zullen wij daarvoor vaak hun eigen licht moeten doven. Waar licht wordt gedoofd, is duisternis. De duisternis is het grote gevaar, dat mens en geest afzondert van de Vader en verbant uit het goddelijk rijk en zo maakt tot een, die leeft in de buitenste duisternis. Met slechts door eigen schuld kan de mens daarin komen, maar ook door de drang van anderen, Wij mogen de verantwoording niet op ons nemen, dat anderen hun geloof verliezen. Dat anderen hun innerlijke zekerheid verliezen en onwetend, niet kennend de gevaren, die voor een ieder bestaan, ondergaan door onze schuld.”

Ik geloof, dat wij uit het voorgaande enkele lessen kunnen trekken, die gelden voor de mensheid van deze dagen. In de eerste plaats dit: Het is niet mogelijk om rassen te vermengen. Deze vermenging kan wel geboren worden uit Gods wil, maar nooit uit de wil der mensen. In de tweede plaats; Het is nooit mogelijk om rassen onder een wet en waarheid te brengen in religieus opzicht. Wel is het mogelijk dit te doen t.o.v. moraal en gebruiken. Elk volk en elk ras heeft zijn eigen zending, zijn eigen taak, zijn eigen gebruik en zijn eigen bron. Maar ook daarin schuilt God, ook daarin ligt de Vader. Indien wij echter God erkennen in de gebruiken, in de vormen en het streven van anderen, indien wij binnen de godsdiensten, die zo vaak verschillend zijn op de wereld, steeds weer zoeken naar goddelijke waarheid, dan zullen wij anderen leren begrijpen en zal er al geen eenheid in uiterlijk en gebruik ontstaan zo zal in ons de broederschap bloeien, die ons met alle volkeren vereent.

o-o-o-o-o

In alle dingen leeft God. Dit is helemaal geen wonderlijk iets. Het is iets, wat wij allemaal wel weten. Maar de moeilijkheid is om het niet alleen te weten maar het ook in toepassing te brengen. Daarom zou ik dan graag op mijn manier een paar woorden zeggen over God in alle mensen. En dan begin ik natuurlijk – hoe zou ik het anders kunnen doen – bij het christelijk geloof der eerste tijden.

De christenen in die eerste dagen plachten bijeen te komen en het broederschapsmaal te vieren. Dat was een avondmaalsherdenking. Men dacht aan het ogenblik, dat Jezus met zijn leerlingen het Paasmaal had gebruikt, kort voor zijn dood. Ieder bracht, wat hij geven kon. Daardoor stonden er wel eens heel wat verschillende soorten wijn op tafel; en naast brood, waren er vele andere dingen, zelfs vlees. En de christenen aten er lekker van op zo’n bijeenkomst. Ze waren dus helemaal niet de vrome mensen, die in een avondmaalsbediening zich verliezen in gedachten. Jezus was met hen, want aan het begin van de bijeenkomst braken zij het brood, en ging de beker met water en wijn rond, waaruit ieder een teug nam.

Men deed dit om Jezus te herdenken, maar ook nog om een andere reden. Brood en zout waren lange tijd de tekenen van vriendschap, van verantwoordelijkheid voor elkaar. Het oude joodse volk – hoe groots het misschien thans in onze ogen lijkt – was oorspronkelijk een tijdlang alleen maar een groep van woestijnstammen. En daar geldt, dat wanneer je onder het dak van een mens brood en zout hebt gegeten, of zelfs alleen zout of alleen brood, dat die mens voor jou verantwoordelijk is en dat hij de plicht heeft jou te beschermen. Zo begon men de maaltijd met een symbool, dat later is geworden de wonderlijke transformatie van brood en wijn in het lichaam en bloed van onze Heer Jezus.

Maar de geest van die ouden was beter dan die van deze dagen. Want met deze maaltijd erkende elk der aanzittende zijn verplichting om de ander te behoeden en te beschermen. Erkende dus stoffelijk a.h.w. Jezus liefde voor de mensheid in zichzelf. Men nam een taak op zich.

Die gebruiken van gebondenheid zijn langzaam maar zeker teloor gegaan. Vooral vaak in de landen, waar het christendom de overhand wist te krijgen. Maar ook andere volkeren kennen datzelfde. Zeker, het is geen brood en wijn en geen zout. Maar er zijn negerdorpen, waar men U bepaalde kruiden aanbiedt, vaak vergezeld van vlees en vruchten. Ik heb dat gehoord van missionarissen. En als je dat hebt gebruikt, ben je erkend als gast van de stam. Wanneer anderen zouden komen om jou op te eisen, dan zou eerder de hele stam sterven dan hun gast te verloochenen. Gebruiken, die overal bestaan. Bij de indianen hebben ze wederom de gemeenschappelijke maaltijd en de gemeenschappelijke pijp. Het roken van de pijp, die ook dergelijke verplichtingen schiep. In het oosten vinden wij ook weer gebruiken van gastrecht en gastvrijheid. Ik geloof, dat wij daaruit eigenlijk toch mogen concluderen, dat de mens in zichzelf wel bewust is van de verantwoording voor zijn medemens. Alleen hij is vaak te egoïstisch of te druk bezig om zich dat te realiseren. Dan moet je proberen uit te maken, wie van die mensenstammen, wie van die volkeren de beste is. Dat is nooit degene, die de mooiste kerken bouwt of de beste auto’s en vliegtuigen heeft of de mooiste musea. De beste mens is de mens, die – zichzelf blijvende – leeft om andere mens en te dienen en te verheffen. Dat soort mensen vind je overal evenveel. Er is dus geen kwestie van suprematie ergens. Geestelijk gezien zijn alle mensen gelijk en alle geesten gelijk. Daar moet toch wel een grote goddelijke liefde aan ten grondslag liggen.

Een primitieve god, een god van wraak en toorn, die kiest zich een volk uit om het te hanteren als een gesel om anderen te slaan. Zoals de Syriërs en de Babyloniërs zeiden, toen zij door de woestijn binnenvielen in Egypte; “Wij zijn de gesel der goden,” En datzelfde heeft Attila, de Hun gezegd. Dat heeft Alarik, de koning der Vandalen gezegd. Wij zijn de gesel Gods, dat zijn de primitieven. Maar kan er een God bestaan, die de mensen tegen elkaar uitspeelt, alsof zij pionnen waren op een bord, zonder gevoel, zonder denken? Neen, niet waar? De God, Die een wereld schept, zoals U die kent, een wereld met groene weiden, met bossen, met zeeën, met water en Land, die de mensen kunnen voeden en drogen, met alle mogelijkheden voor beleven en bewustwording voor allemaal gelijk, moet toch ook alle mensen liefhebben en gelijk liefhebben. Die God is geen schaakspeler. En wanneer onze God geen schaakspeler is, die de een tegen de ander uitspeelt, vraag ik mij af, of wij, simpele schepselen, dat wel mogen doen. Of we dan wel het recht hebben anderen onze wil op te leggen, wanneer zelfs onze Vader in de hemel ons de vrijheid van wil laat.

Hebben wij meer rechten dan onze Schepper? Neen, nietwaar? Die hebben wij niet, maar wij nemen ze. Zoals wij het zien en denken, zo moet het gebeuren. Zoals wij zijn, moet iedereen zijn. Zelfs wanneer wij goed zijn op onze manier, dan willen wij nog, dat anderen goed zijn op onze manier en niet op een andere manier. Dan denk ik weer aan de vele kapelaans, die ik in mijn parochie heb gehad en dan kom ik tot de conclusie, dat ik ook hier wel degelijk kan zeggen; mea culpa, mijn schuld want ik heb ook altijd geprobeerd om anderen te laten leven, te laten werken, zoals ik dacht, dat het goed was. Maar nu heb ik meer geleerd, en misschien dat U het dus eerder kunt leren, dan ik het kon. Er bestaat geen feitelijk verschil tussen rassen, tussen denkrichtingen, tussen mensen in het algemeen, ieder moet op zijn manier trachten goed te zijn, het goede te doen. Het is nooit onze taak om anderen te bekeren tot onze zienswijze of datgene op te leggen, wat wij als goed erkennen. Het is onze taak om het goede, dat in anderen bestaat, te steunen. Daar komt het op neer. De heer Jezus, onze grote Meester, heeft nooit in zijn leven gezegd; “Dat moet jij doen.” Hij heeft wel gezegd; “Als je het niet doet, dan kun je niet met mij meekomen, dan kun je mijn weg niet volgen.” Dat is logisch. Maar hij heeft vaak degenen, die hij heen zond, heengezonden met zijn zegen. Met de uitdrukking van zijn wil om dezen, die niet zijn weg gingen, toch te steunen. Jezus leefde in een tijd, dat de Romeinen in Judea en Galilea meer gehaat waren, dan de Duitsers in Nederland ooit geweest zijn. En dat wil heel wat zeggen. Maar hij genas ook het dochtertje van een Romeinse hoofdman. Hij keerde ook in bij Romeinen. En wat hier in Nederland voor de mensen N.S.B., W.A. enz. waren, dat waren de priesters, die Romeins handelden, nietwaar? Dat waren de tollenaars en hun bedienden, die heel vaak het laatste, dat nog nodig was voor het leven, wegnamen door belastingen. Maar Jezus ging ook rustig bij de tollenaars binnen. Voor Jezus maakte het geen verschil, want in de Romein was wat goeds, in de tollenaar was wat goeds. Hij, Jezus, had niet tot taak de anderen te leren, waar hun fouten lagen; dat moesten ze zelf maar ontdekken. Hij wilden hen alleen helpen het goede, dat in hen leefde, te versterken, zodat ze daardoor in staat zouden zijn voor zichzelf God te vinden,

Weet u, vroeger heb ik ook geloofd, dat Jezus woord: “Want ik ben u de weg en de waarheid en er is geen weg tot de Vader, behalve door mij,” geïnterpreteerd moest worden als: “Je doet nu maar, wat Jezus gezegd heeft, en wat wij uit zijn naam hier vertellen en voor de rest houd je je maar heel erg voorzichtig en rustig? want anders….dan komt Joosje Pek en die brengt je naar een plaats, waar het onaangenaam warm is,” Maar ik heb het anders leren zien. Jezus weg is de weg van alle mensen. Jezus is ons de weg en de waarheid, omdat hij is de vrijheid en de aanvaarding van de goddelijke wil. En niemand komt tot de Vader dan door hem, omdat de kracht en de leer, die hij is, het licht, dat hij is, betekenen; de vrije aanvaarding van het Koninkrijk Gods door een ieder, ongeacht geloof en stand en ras.

Ziet u, vrienden, daar is het, dat wij onze grote en kleine tenen vaak stoten. Elke mens is in zijn geaardheid een klein tikje dogmaticus. Zelfs wanneer men zegt niets te geloven, is men daarin zo dogmatisch, dat men alleen verstandig noemt, wie ook niets gelooft en dan wel juist op uw manier. Dat dogmatisme is de grote vloek, waarmee wij allen beladen zijn.

Volgens de Bijbelse overleveringen was Adam degene, die door het oordeel, de kennis van goed en kwaad, het paradijs verliet. Er stond toen een engel met een vlammend zwaard voor, Zo gaat het ons ook. Ook wij menen, dat wij de kennis van goed en kwaad in ons dragen. Maar in ons oordelen verloochenen wij het enige, dat betekenis heeft; de band met God. Als wij dat doen, staat er ook bij ons een engel met een vlammend zwaard om ons de toegang tot het paradijs van bewustzijn te ontzeggen. Weet u, ik heb zon flauw idee, dat als Adam – laten wij hem nu maar even beschouwen als een werkelijke mens, niet als een symbool – terug was gelopen naar die engel met dat vlammende zwaard en hij had gezegd: “Sla me maar dood, maar ik wil terug naar God, Die ik in het paradijs heb gevonden” die engel zijn zwaard had gepresenteerd en gezegd: “Ga binnen, kind van God,” Maar dan moet je daar ook alles voor over hebben. En Adam had dat niet. En wij, kinderen van Adam, zijn al even erg. Wij verlangen allemaal naar vrede, naar wijsheid en bewustzijn. Wij verlangen naar de band met God, het kosmisch bewustzijn, enz., het Koninkrijk Gods dus. Maar wanneer wij komen bij de poort van ons paradijs, dan staat er ook een engel met een vlammend zwaard. Een engel, die ons zegt; “Mens, om werkelijk jezelf te herwinnen, om volledig bewustzijn te verkrijgen, moet je jezelf offeren.”

Denk niet, dat ik dat nu zeg als een verwijt tegen u, hoor. Ikzelf ben net zo’n grote zondaar. En dan zegt u: “Neem mij niet kwalijk, ik ga nog even een straatje om. Ik moet er eerst even over denken.” En dan komt u niet meer terug. En dan zeggen we: “Ja, waarom zijn wij dan zo ongelukkig? Waarom hebben wij zoveel problemen?” Misschien gaan we verder en zeggen wij: “Hoe kan God nu alle dingen liefhebben, wanneer deze toestanden bestaan?” God heeft ons wel lief, maar om ons die liefde te realiseren is er iets anders nodig. Ook wij moeten God boven alles liefhebben, boven onszelf. En pas wanneer wij daartoe kunnen komen, kunnen wij het paradijs binnengaan. Dan kunnen wij misschien net als Jezus ook een kruisdood sterven feitelijk of figuurlijk. En dat is zwaar. Maar toch zult u dat ervoor over moeten hebben.

Weet u, wat het is? Wij, kleine schepseltjes, wij zijn zover van God afgedwaald, dat wij een wereld hebben gemaakt voor onszelf, die niet echt is, die niet Gods wereld is. Op het ogenblik, dat wij ertoe kunnen komen om onze eigen wereld te verlaten voor Gods wereld, noemt de wereld ons wel dwaas, denk ik, maar dan vinden wij de weg naar God. Daarom is mijn hele betoog nu ja….. betoog, misschien denkt u zelfs wel “preek,” maar ik zou het liever een praatje met u willen noemen erop gericht om dit duidelijk te maken;

Voor ons allemaal is de goddelijke liefde realiseerbaar. Voor ons allemaal ligt het Koninkrijk Gods open. Maar wij moeten een prijs betalen en dat is: afstand doen van onze vooroordelen, afstand doen van onze verheerlijking van het eigen “ik.” Als we dat kunnen, zullen wij het allemaal kunnen weten, zullen wij het aan den lijve ervaren: Onze Vader, onze Schepper is liefde, Zijn liefde is zo groot, dat niets bestaat buiten Hem; dat er niets is, dat geen deel heeft in die liefde. En als onze Vader ons zo lief heeft, vrienden – of wij ons nu christenen noemen of wat anders – dan past ons toch maar een ding: Laten we proberen aan die grote liefde te beantwoorden. En omdat wij de Schepper nog niet kunnen zien, laten we die liefde dan geven aan datgene van Hem, dat wij wel kennen: Zijn wereld, Zijn schepping, Zijn mensheid.

Dan heb ik misschien weer even teveel mijn pastoors lusten botgevierd. Maar u weet, hoe het is? Dat zei Franciscus al tegen zijn lichaam: “Broeder Ezel, broeder Ezel, wat ben je koppig!” Zo gaat het met ons ook met geest en bewustzijn. Me zijn ook zo koppig, Maar dat neemt niet weg, dat ondanks de koppigheid van ons grauwtje, van ons voertuig, wij soms toch al iets kunnen zeggen, dat waar is. Iets kunnen ervaren, dat waar is.

o-o-o-o-o

Ik sta altijd voor een tamelijk moeilijk probleem. Het is nu eenmaal zo, dat er ook op een zondagmorgen licht en zwaar moet zijn. Nu heb ik vanmorgen zelf geluisterd en ik durf niet te zeggen, dat het eerste gedeelte zwaar is geweest. Maar aan de andere kant, juist omdat er zoveel licht in verborgen zat, heb ik niet de moed om zwaar te worden en misschien duister. Daarom wil ik proberen een paar gewone, simpele, alledaagse dingen te vertellen.

Weet u, we denken vaak veel te weinig na over die gewone dingen in het leven. Dat heb ik in mijn tijd gedaan, dat doet u in uw tijd ook. Enkele van die dingen zijn deze: Ben ik wel, wat ik denk te zijn? Ziet de wereld mij wel, zoals ik denk, dat die wereld mij ziet? Ben ik eigenlijk niet een ander, dan ik denk te zijn? Een moeilijk probleem.

Je kunt het natuurlijk direct beantwoorden. Er zijn mensen, die zichzelf buitengewoon mooi, knap of elegant vinden en die door de wereld helemaal niet zo worden gewaardeerd. Er zijn ook mensen, die vinden, dat ze erg lelijk zijn, zodat de wereld niets voor hen over zou hebben. En toch hebben ze een heleboel vrienden en krijgen een hele hoop medewerking van de wereld. En die krijgen ze toch ook niet voor niets.

Het beeld, dat wij van onszelf hebben, is meestal fout. Soms zo fout, als dat van die bekende meester van Heidelberg. De meester van Heidelberg was n.l. een kleermaker. En onder ons gezegd en gezwegen, het was een goede kleermaker. Alleen hield hij het in Heidelberg niet langer uit, omdat hij teveel studenten had, die hij moest voorzien van kleren. En zoals u weet, een student bestelt wel graag goede kleren, maar hij betaalt meestal niet en zeker niet goed. En soms wanneer hij betaalt, betaalt hij te weinig.

Onze meester van Heidelberg wist niet, dat hij zich door zijn goedhartigheid een heleboel vrienden had verworven. En op een gegeven ogenblik, toen hij geen geld meer had om in te kopen, nam hij zijn schaar, zijn naald en wat garen, hij nam een grote knapzak en i.p.v. meester te blijven in een eigen zaak, ging hij de wijde wereld in, zoals dat toen heette, als Wandergesel.

Overal waar hij kwam vond hij een werkje te doen, maar hij zei tegen zichzelf: “Wat “ben ik toch ongelukkig. Ik ben een meester geweest in Heidelberg en nu zit ik hier voor de boeren broeken op te lappen. Ik, die vroeger de fijnste kostuums wist te snijden.” En hij voelde zich zo ongelukkig dat hij niet merkte, dat er een heel deftige equipage aankwam. Zo deftig, dat toen hij haar eindelijk zag, hij opzij sprong, zijn pet afrukte en heel stijf langs de weg bleef staan, vol van angst. De heer, die in het rijtuig zat, zei tegen zijn koetsier: “Stoppen.” Hij keek eens en zei: “Zo, meester, stap in.” De meester zeis “Ja, maar wat moet dat, mijnheer?” “Ja,” zei de heel deftige mijnheer, “je moet voor mij een kostuum naaien,” Weet u, wat die meester van Heidelberg, die altijd had gemopperd, dat zijn bekwaamheid niet meer tot zijn recht kwam, toen zei: “Ja, maar heer, dat kan ik niet. Ik ben maar een eenvoudige Wandergesel.” En als nu toevallig die heer in dat rijtuig niet een van die studenten was geweest, die ook een paar onbetaalde rekeningen had staan bij de meester van Heidelberg, had hij hem misschien zo uit het rijtuig gegooid. Maar door zijn prestaties had de goede man meer vrienden, zoals ik al zei, dan hij wel dacht en zo werd hij binnengevoerd en werd tenslotte zelfs een van de hofkleermakers van Karlsbad.

Nu denkt u, dat het een gelijkenis is, maar het is een waar verhaaltje. Het is werkelijk gebeurd. En dat ware verhaaltje kan ik dan zo’n beetje als aanleiding nemen om mijn mening over de mensen te illustreren.

Weet u, je denkt soms, dat je belangrijk bent. Je bent het helemaal niet. Soms denk je, dat je zo klein en zo onbelangrijk bent en je bent werkelijk een deel van de levensinhoud van andere mensen. Er zijn tijden, dat je meent, dat je je voortdurend tegen die wereld moet verweren, want die wereld is zo slecht. Per slot van rekening, ze hebben je een keer op de tenen getrapt, en nu moet je maar doorgaan met terug te trappen, enz. enz. Je meent misschien, dat je in artistiek opzicht een buitengewoon groot talent hebt, en je hebt het niet. Of je meent, dat je absoluut geen talent hebt, en je hebt het juist wel. Zo gaat het altijd. Je kent jezelf immers niet.

Daarom moet je eigenlijk maar zo doen; Wanneer je in de wereld werkelijk iets wilt bereiken, dan moet je je nooit afvragen, of je nu veel of dat je weinig bent. Je moet je ook niet afvragen of je wel kunt volbrengen, wat die wereld van je vraagt of niet. Je moet tegen jezelf zeggen; “Hoor eens, wanneer ze mij iets vragen, ze zien mij immers dan moeten ze de prestatie ook maar nemen, waarom ze gevraagd hebben.” Je moet tegen die wereld zeggen; “Vind je me mooi? Ik vind het prettig. Ik zal er geen graad mooier of lelijker om worden. Maar vind je me lelijk, dan kan ik daar ook niets aan doen, Ik ben, die ik ben,”

Dat is een term, die de mensen meestal een beetje verwaand vinden. Dat kan ik mij wel voorstellen. Want als ze tegen je zeggen; “Mag ik weten, hoe u heet?” en je zegt: “Ik ben, die ik ben,” dan denken ze, dat je of in een gekkentehuis thuis hoort of hoogmoedswaanzin hebt. Maar wanneer je jezelf blijft en je niet afvraagt: “Wat zal die wereld doen of zeggen?” en je zegt; “Ik heb de taak om mijzelf te zijn; zo ben ik; zo moet ik leven en streven zo goed ik kan, maar zonder mij er druk over te maken, wat een ander ervan denkt,” dan zul je nooit in scheve verhoudingen komen. Dan zul je niet, zoals die meester van Heidelberg, het gevaar lopen om een glorierijke beleving of een goede bewustwording te verwerpen, alleen omdat je denkt, dat je het niet aan kunt. En dan zul je ook niet het gevaar lopen om net als die meester treurig langs de straten te lopen en jezelf te vertellen, dat je miskend wordt.

Ziet u, het leven bestaat altijd uit twee soorten taken. En die taken krijg je zon beetje door elkaar opgediend. Het ene ogenblik krijg je iets, wat eigenlijk beneden je waardigheid is. Stel je nu maar eens voor, je hebt talent voor talen, je hebt buitengewoon veel talent voor schrijven, voor musiceren, voor toneelspelen e.d. en dan moet je de melk opzetten. Moet jij nu eigenlijk, als zon grote geest (zo denken de mensen soms), moet jij je daar nu mee bemoeien? Dat is toch verschrikkelijk. Dat is toch beneden je waardigheid. Dat kun je toch eigenlijk niet doen. En moet je die vloer gaan vegen? Dat is verschrikkelijk.

Zo zijn er bv. mannen, die zeggen; “Wat? Vloer vegen? Kom nu, dat is vrouwenwerk.” Ze bedoelen, daar sta ik als man huizen hoog boven. En er zijn vrouwen, die wanneer er gezegd wordt “pak eens aan,” zeggen; “Ja hoor, vraag het mijn man maar. Daar ben ik als vrouw te fijn voor gebouwd.”

Onzin. Of je een mannetje bent of een vrouwtje, of je een nikker bent of een albino, het maakt niets uit. Je staat in je leven. In dat leven heb je mogelijkheden. Je hebt gaven. Die gaven heb je te gebruiken. En die gaven heb je zo te gebruiken, dat je alles, wat je doen moet en wat op je weg komt, zo goed mogelijk doet.

Geloof mij, er zit meer verdienste in om een vloer goed te vegen, dan jezelf bezig te houden met het ledig uitbrallen van allerhande citaten, die geen cent zin hebben voor anderen. Het is beter om een rolletje op het toneel te spelen, dat klein is, maar waarmee je de mensen iets geeft en ze ontroert, dan om een ster te zijn in een groot toneelstuk of een opera, waarbij je de mensen niet raken kunt. Het is beter om een essay van drie of vier regels te schrijven, dat een ander mens inzicht in iets geeft, dan 25 romans te geven, die hen alleen maar de kop verdraaien en hen nog gekker maken, dan ze al zijn. Het gaat er niet om, of wat wij doen in het leven groot of klein is. Het gaat erom, of we het doen met ons hele wezen, of we het zo goed doen als we kunnen. Dat is de kwestie. En dan kunnen we nog wel een paar voorbeelden geven misschien om de zaak nog eens even wat af te ronden.

Laten we het nu eens even zo stellen: U leeft in de wereld, wij leven in de geest. Goed. Er komen steeds kleine dingen voor, die we moeten doen en die wij niet prettig vinden, want we vinden, dat ze niet passen bij onze waardigheid, Of….nu ja, ze vragen teveel aandacht en wat heb je eraan. Je wordt er niet beter van. Dat denken we. Maar wanneer er een kleine taak op ons pad is gebracht, zelfs al is dat ruiten zemen of een boodschapje doen, dan is het zo goed en zo snel mogelijk volbrengen van die taak het belangrijkste, dat wij op dat ogenblik te doen hebben. Wanneer wij alleen naar dromen van de grote dingen, die wij zullen doen, dan komen wij nooit tot iets. Wanneer we beginnen met de kleine dingen zo goed mogelijk te doen, wanneer wij beginnen met onafhankelijk van wat die wereld misschien van ons zal denken onszelf te zijn zo goed wij kunnen en elke taak zo goed mogelijk te volbrengen, dan zullen wij op de duur in staat zijn om uit het kleine het grote te scheppen. Ja, wat meer is, door de intentie waarmee wij het kleine volbrengen, scheppen wij in onszelf een sfeer, waardoor het grote automatisch ook goed volbracht wordt.

Het klinkt misschien een beetje gek, maar er zijn heel veel mensen, die denken, dat je alleen iets geniaals kunt doen, als je excentriek bent, als je de rest erbij neergooit. Weet u, waarom het genie grenst aan de waanzin? Omdat degene, die geniaal is – gezien het gebruik, dat de mensen van zijn/haar schepping maken – in feite iemand is, die zo zeer egoïstisch besloten is in eigen ik, dat hij/zij niets goed kan doen, behalve dat ene. Maar een werkelijk genie is universeel. Een werkelijk genie kan zich van het begin tot het einde bezig houden met alle dingen.

Als U een voorbeeld wilt hebben, denkt U maar eens aan Edison. Edison, die soms – wanneer er hard gewerkt werd in zijn laboratoriums en hij toevallig niets te doen had, terwijl zijn assistenten bezig waren – heel rustig koffie maakte en wat eten warmde of een paar sneden brood neerlegde voor zijn assistenten. Hij, de grote meester. Hij, de man, de uitvinder, die zich niet daartoe vernederde, maar zijn plaats innam in een gemeenschap. Dat was dezelfde man, die dagen lang iedereen van zich kon afsluiten, omdat hij dan bezig was met een idee. Dan vroeg hij zich niet af: “Wat zal de wereld ervan zeggen, wanneer ik mij terugtrek?” Neen. Hij werkte. En wanneer hij met een uitvinding kwam, waar anderen hem gek om noemden, hij ging door. Dat was zijn taak.

Die taak lag soms in het kleine en soms in het grote. Hij vroeg zich niet af: “Wat denkt de wereld?”. Hij vroeg zich slechts af: “Hoe kan ik datgene bereiken, wat volgens mijn inzicht mijn taak is, mijn werk.” En nu wil ik helemaal niet zeggen, dat Edison een heilige is. Want aan heiligen geloof ik niet, hoogstens aan schijnheiligen. Maar hij is misschien toch wel in dat opzicht een voorbeeld voor veel mensen, die ofschoon ze dan geen genieën zijn menen, dat ze te goed zijn voor de kleine dingen; menen dat het grote, dat eigenlijk boven hun macht gaat, het enige is, dat waard is om gedaan te worden. Eerst in het dienen leert men het heersen. Eerst in het kleine kan men de waarde van net grote beseffen. Eerst in het volbrengen van het kleine, zo goed als je kunt, vind je de kracht om het grote goed te vervullen; omdat de kunde daarvoor, de kracht daarvoor dan in je ligt. Ik geloof, dat ik het daarbij kan laten.

  • Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd, zegt het spreekwoord.

Ja, maar daar zou ik een ander gezegde tegenover kunnen stellen. Weet u, wie het kleine eert, noemt het grote idioot. Want de ideeën van grootheid van deze wereld zijn niet gebaseerd op een hecht karakter, dat van het kleine tot het grote gaat. De ideeën van grootheid van deze wereld zijn gebaseerd op veel holle woorden en een beetje poppenkast. En die soort grootheid kun je natuurlijk ook nastreven, Dan kun je jezelf opblazen, hol als een ballon, en dan komt de dood, die steekt er een speld in en dan ben je een gewoon verfrommeld klein hoopje dode rommel, dat voorlopig op de mestvaalt wordt gegooid, totdat het rijp is om eens opnieuw te worden verwerkt,

Ik weet niet, of u geestelijk dergelijke aspiraties hebt. Dan moet u maar proberen om op deze wereld grootheid zoals de wereld het ziet te bereiken. Maar als u ervoor voelt om uzelf te zijn, denk dan niet over het kleine, dat je eert en over het grote, dat je nog waard wordt. Neen, denk het dan zo: Klein en groot zijn gelijk. Want niet de beoordeling van de taak door mijzelf of de wereld maakt uit, hoe belangrijk ze is. Alleen het feit, dat ze er is, maakt haar belangrijk alles gelijkelijk belangrijk omdat ze deel uitmaakt van mijn leven en mijn wezen en het mijn taak is zo goed mogelijk te doen en te zijn, wat ik ben.