Hiërarchische verhoudingen

uit de cursus ‘ zelfverwerkelijking’ ( hoofdstuk 4 ) –  januari 1965

De opbouw van de kosmos, zoals wij die zien vanaf de aarde, is schijnbaar wat warrig. Zodra wij echter hogerop komen in de werelden, waarin alleen kleur en zelfs zuiver licht regeren, ontdekken wij dat er wel degelijk een bepaalde samenhang en een bepaalde opbouw bestaat. Men noemt deze opbouw meestal de z.g. hemel hiërarchie. Om haar begrijpelijk te maken wil ik hier uitgaan van de meest eenvoudige stelregels en menselijke definities.
U moet echter wel onthouden, dat als ik zeg: de twaalf Poorten zijn ongeveer gelijk aan de sterrenbeelden van de Dierenriem, dat dit niet is bedoeld als een invloed maar eerder als een vergelijking van een heersende tendens, een bepaalde werking, die er in elke sfeer en overal bestaat en die niet door een verplaatsing van sterren aan de hemel kan worden beïnvloed.
Allereerst hebben we dan in de z.g. Kosmische of hemel hiërarchie te maken met wat men wel noemt: het zijnde Niet. Dit is het goddelijk Raadsel, waarvan wij weinig weten en dat naar ik meen eerst werkelijk kan worden begrepen, wanneer men is ingegaan tot het rijk van de grote Werkelijkheid.
Daaromheen vinden wij de z.g. golven van licht, die alle nog liggen boven het verblindend Witte Licht. Het is een uitdrukking, die niet kan worden beschouwd als een weergave van licht maar eenvoudig als een weergave van een trilling, die innerlijk voor ons een gevoel van licht wekt. Deze nu draagt in zich de perfecte vorm van alle mogelijkheden; dus niet alleen van datgene, wat wij kennen of wat is verwezenlijkt, maar van al het zijnde. Het wordt, begrensd door een soort sfeer, die men in sommige termen wel eens de Jonkvrouw noemt, in de oude filosofie op dit gebied ook wel de Isis sfeer genaamd, terwijl de kern Re word genoemd (een esoterische vergelijking met maan en zon). Hier zien wij dan het volgende ontstaan:
Al datgene, wat als essentieel en als mogelijkheid in de goddelijke Trilling aanwezig is, wordt naar buiten geopenbaard. Het ontstaat daar in wat men noemt een spiegelsfeer of een spiegelwereld en krijgt daar vormen als: de perfecte mens, de perfecte boom, enz. Dit zijn dus de oervormen, waar alle ontwikkelingen van afstammen. Omdat deze ontwikkelingen geen eigen wezen hebben, maar slechts een weergave zijn van datgene, wat in het Goddelijk bestaat, is het noodzakelijk dat het Goddelijke zijn kracht en werking ook in de spiegelsfeer tot uiting brengt. (Ik gebruik spiegelsfeer hier zeker niet in de theosofische of spiritistische zin. Indien u een vergelijking wilt maken met stoffelijke stellingen, dan zou ik zeggen in alchemistisch kabbalistische zin.)
Deze spiegelsfeer nu kent een aantal entiteiten, die wij gemeenlijk de twaalf Poorten noemen. Deze, twaalf Poorten bevinden zich dus als uitgangen in een groot rad, waarbinnen alle mogelijkheden bestaan. Elk van hen heeft een eigen karakteristiek. Men zou kunnen zeggen: Zij filtreren uit het totaal der mogelijkheden een bepaald deel en zonden dit in de spiegelwereld, waarin de oervormen ontstaan. Zo bezielt de goddelijke Kracht a.h.w. gedefinieerd en gericht op een wijze, die in de goddelijke Werkelijkheid zelf niet aanwezig is, alle oervormen en alle afschaduwingen daarvan.
De oervorm valt nl. uiteen. In deze wereld van perfectie (deze halve hemel) leeft de oervorm. Maar die oervorm wordt in al haar mogelijkheden wederom geprojecteerd; en dit is wat wij noemen: de sferenwereld, de wereld van de werkelijkheid (de menselijke werkelijkheid, wel te verstaan). Wij vinden hier nu datgene, wat in het vorige hoofdstuk is beschreven als behorend tot de voertuigen. Wij vinden hierin alle krachten, die van uit het Goddelijke als vorm zijn geopenbaard.
Gaan wij nu kijken hoe deze bezieling geschiedt, dan blijkt dat elk van de 12 Poorten wordt geleid door een drietal entiteiten, die er a.h.w. wel deel van zijn, maar die elk voor zich weer een afzonderlijk karakter weergeven. Deze drie gezamenlijk brengen op, wat wij het verblindend Licht noemen. Zij geven het aanschijn van de goddelijke Werkelijkheid zo weer, dat men door die Werkelijkheid te aanvaarden kan komen tot de Poort; en door die Poort dus kan komen tot de goddelijke Werkelijkheid.
Zij worden terzijde gestaan door wat men wel noemt de 7 Heren van Licht. (Er zijn er natuurlijk meer. Wij kennen ook Heren van Wijsheid, van Kracht, enz.) Deze groepering van de Heren van Licht betekent, dat er voor elk wezen, dat tot een bepaalde vorm en een bepaalde Poort behoort, een aantal verschillende ontwikkelingsmogelijkheden bestaan. Op deze wijze wordt dus de diversiteit van ontwikkeling bevorderd en zal gelijktijdig de veelvuldigheid, die er in de goddelijke Gedachte verborgen ligt, ook worden geopenbaard in een wereld, waarin elk wezen als een afzonderlijk ego, een afzonderlijke persoonlijkheid bestaat.
Nemen wij één van deze kleuren, dan ontdekken wij dat de Heer van een bepaald Licht wordt gediend door wat men zou kunnen noemen: een aantal boden. Hij heeft een zeker legioen van geesteskrachten rond zich, die gevormd zijn uit de kracht, uittredend door dezelfde Poort als de Heer van Licht. Op deze wijze brengt hij dus zijn waarden a.h.w. naar beneden toe over. Op die manier wordt in de hemelsferen, zoals wij die kennen (dus de sferen, waarin de persoonlijkheid deel uitmaakt van één kosmische harmonie) steeds weer tot uiting gebracht wat er leeft in de goddelijke Werkelijkheid.
De bedoeling hiervan is — naar wij aannemen — het weergeven van een totaliteit, die er in de kosmische werkelijkheid bestaat, binnen de meer beperkte werkelijkheid van een bepaalde Poort, een bepaalde Triade, een bepaalde Heer van Licht.
Wij hebben hier dus een hiërarchie, die beïnvloedend werkt op alles wat is geschapen. Niet alleen voor de mens en voor denkende of redelijke wezens, maar voor alles; voor sterren en planeten, zo goed als voor microben.
Deze hiërarchische verhoudingen worden ingewikkeld, als wij ons realiseren, dat er bij elke Poort Heren van Licht optreden. Wij zeggen 7 is voor de mensheid waar, want de mensheid behoort tot een bepaalde Poort in de goddelijke Werkelijkheid. Maar voor andere wezens kan diezelfde hiërarchische verhouding, diezelfde leiding bestaan, ofschoon de bron van uit ons standpunt gezien een andere is. Ook deze kan worden herleid tot het Goddelijk Wezen. Op deze manier brengen wij dus een zeker verband in al datgene, waarmee wij worden geconfronteerd.
Maar dan zijn we er nog niet. Want naarmate de wezens lager komen (dus dichter bij de stoffelijke wereld of zelfs de duistere werelden), verliezen zij hun selectievermogen. Een grote kracht bepaalt zich precies tot haar eigen taak. Een lagere kracht kan de karakteristieken van meer kleuren van licht b.v. in zich dragen en daartussen wisselen. Wij houden daarmee geen rekening, want dan wordt het te ingewikkeld. Maar wij stellen:
Onder de Heren van Licht en hun boden staan de z.g. engelen en de volbewuste geesten, die actief zijn volgens de kracht, die door de Heer van Licht wordt gedirigeerd, volgens de inhoud die het Goddelijke uitstraalt via de Poort, waartoe zij behoren.
Dezen houden zich alleen aan hun eigen richting. Zij blijven perfect georiënteerd wat er ook gebeurt. Zij zijn onaantastbaar voor alle lagere verwikkelingen, omdat zij deze eenvoudig als niet behorend tot hun wezen terzijde zetten of als behorend tot hun wezen in zich en door zich tot oplossing kunnen brengen.
Onder deze engelen en volbewuste geesten staan de halfbewuste, geesten en geestelijke krachten van een lagere orde. Dezen zijn meestal gebonden aan of gewijd aan een bepaalde Straal, maar zullen hun activiteiten soms laten beïnvloeden door een andere kracht. Zij overzien niet meer de directe relatie tot het Goddelijke en zijn geneigd om — vergelijkend gesproken — niet alleen in verticale richting maar ook in horizontale richting waar te nemen, te onderzoeken en voor zichzelf tot een handelwijze te besluiten. Hierdoor kunnen geesten van een lagere klasse, tegenstrijdigheden vertonen, die wij in de hogere klassen niet vinden.
Daar weer onder vinden wij de mens en de sferen, waarin de geest van de mens doolt en werkt. Ook hier bestaat er een zeker keuze element en zal iemand de mogelijkheid hebben om van de ene Straal naar de andere over te gaan. Maar als u eenmaal behoort tot een bepaalde Straal of Heer van Licht en u heeft deze één of meer levens gevolgd, dan is het bijna zeker dat u in geen enkele andere vorm van bewustwording, hoe goed die ook moge zijn, dezelfde vrede en dezelfde vreugde kunt vinden.
Zo wordt u dus door gevoelens van behagen en onbehagen (of zo u wilt: erkenning van licht en duister) georiënteerd op de hiërarchie, waartoe u behoort. U kunt daaraan moeilijk ontkomen. Zelfs indien een geest naar het duister gaat, zal hij in de beelden die hij ervaart, in de krachten die van uit hem werkzaam zijn, ja, zelfs in zijn gevoeligheid, in zijn contact met andere, misschien meer lichtende of duistere geesten worden bepaald door de Heerser waartoe hij behoort. Zo is het dus lang niet zeker, dat iedereen met dezelfde engel of met dezelfde duivel contact kan hebben. Dit wordt bepaald door zijn eigen geaardheid en door de wijze, waarop hij zelf een deel van het Goddelijke heeft weergegeven gedurende een langere tijd.
Wanneer wij op deze manier een hiërarchie opbouwen, dan moeten wij goed onthouden, dat ook een planeet als b.v. de aarde onderdanig is aan één bepaalde hiërarchie van Licht. Het is deze hiërarchie, die de levensmogelijkheden, de levenscycli op die aarde, de vorm van die aarde, haar bewustzijn, ja, zelfs haar afstand en haar gang rond de zon bepaalt. Niet alle planeten van één zon behoeven tot dezelfde golf van Licht of Heer van Licht te behoren. In de meeste gevallen zijn zij echter toch wel samen te brengen in een gelijk gebied van kleur en vaak blijken zij deze zelfde kleur te delen met de zon, waaromheen zij pulseren. Zou nu de aarde op hetzelfde moment in een kleur staan, die voor de aarde juist is (laat ons aannemen dat het blauw is) en zou de mensheid gelijktijdig een golf van blauw licht ondergaan, dan zien wij het volgende:
Omdat de aarde reageert en de mensheid reageert, verscherpt zich de gevoeligheid van allen, die behoren tot zo’n bepaalde Heer van Licht, tot bijna in het oneindige. Directe contacten zijn mogelijk en zelfs de betrekkelijk onbewuste mens wordt geconfronteerd met de boden van zijn Heerser, ofschoon hij deze natuurlijk zal interpreteren aan de hand van zijn eigen denkwijze, zijn geloof, zijn omgeving. Op deze wijze ontstaan steeds weer voor de aarde en de mensheid zeer belangrijke leringen en impulsen. Zij worden vastgelegd, zij worden soms vergeten of vervalst. Maar zij zijn in wezen een weergave van de bewustwordingsgang van deze mensen en van deze aarde gezamenlijk; en als zodanig een opgang bijna tot aan de poort van de goddelijke Werkelijkheid zelf. Wij vinden dit terug in leerstellingen van grote Meesters die godsdiensten stichtten, maar vaak ook bij anderen.
Nu kunnen golven van licht ook gelijktijdig de wereld treffen. En dan zien wij, dat de aarde t.o.v. bepaalde Heren van Licht neutraal is. Ik wil als voorbeeld geven:
De aarde is b.v. georiënteerd op blauw. De kracht, die haar beroert, is geel. Zelf reageert zij op dat geel niet. Maar zij verwerkt de kracht van het geel in zoverre, dat al degenen op aarde, die tot het gele Licht behoren, daar een bewustwording doormaken, die echter niet zo hoog gaat als in het geval dat aarde en mens gelijktijdig zelfde kleur georiënteerd zouden zijn. Andere kleuren zijn wat men noemt vijandig. Dat wil niet zeggen, dat de aarde of de Heren van Licht in kwestie vijandig tegenover elkaar zijn, maar het betekent alleen, dat de inhoud van b.v. het dof rode Licht een zo totaal andere is als van het violette Licht, dat een mens of een wereld deze niet gelijktijdig kan omvatten. De omstandigheden, die van uit de kosmos ontstaan zijn strijdig met de geaardheid van de aarde en van een groot gedeelte van de mensen. Er ontstaat dan een wantoestand, waarbij de aarde kosmisch onredelijk reageert en slechts een klein gedeelte der mensen (degenen, die tot die bepaalde kleur behoren) in die chaos, maar dan ook alleen in die chaos, hun element vinden en daarin sterk en groot worden.
Dit kan een verklaring zijn voor het optreden van vele negatieve figuren in de wereldgeschiedenis. Zij waren mensen, die tot een bepaalde kleur behoorden, welke niet die van de wereld was. Hun optreden op de wereld kon dus alleen voortkomen uit een strijd tussen de wereld en de invloed, die zij vertegenwoordigden. Op die manier kunnen er dus heel ongunstige verschijnselen ontstaan.
Er zijn kleuren van Licht of stralen van Licht, die verdergaan dan de 7 Heren. het is een invloed, die, eigenlijk direct behoort tot de Triade van de Poort. En deze drie grote krachten gezamenlijk openbaren zich dan als wat men noemt: het Witte Licht.
Het Witte Licht bevordert alle dingen gelijkelijk. Het brengt dus niet een bepaalde hiërarchie aan de heerschappij, zoals elke kleur op zichzelf pleegt te doen, maar het brengt alle krachten gelijktijdig even sterk tot uiting. In een dergelijke periode geldt:
Degeen, die zich bewust is van het feit dat het Witte Licht bestaat en mede van de kleur waartoe hij behoort, kan alle werkingen van zijn eigen kleur en kracht in die periode sterk ondergaan en zal dus tijdens een heerschappij van het Witte Licht dezelfde bewustwordingsmogelijkheden kunnen vinden als op ben ogenblik, dat de aarde overeenstemmend met haar eigen kleur door één van de Heren van Licht direct wordt bereikt. Omdat deze perioden korter zijn (want het Witte Licht treedt voor de aarde gezien over het algemeen in betrekkelijk korte perioden op) en de wisseling van kleuren op zichzelf nooit een zo definitieve invloed heeft als het optreden van het Witte Licht zelf, mag men verder stellen, dat voor de aarde en de mensheid het Witte Licht dus betekent: de mogelijkheid om bepaalde juiste beelden of impulsen te ontvangen, maar dat men daaraan over het algemeen geen voldoende verwezenlijking zal kunnen geven.
Nu is een kosmische hiërarchie, zoals ik reeds zei, een stelling. Zij is niet een volledig feit, want wij hebben krachten die in zichzelf één wezen en ondeelbaar zijn, naar op vele wijzen kunnen worden gepersonifieerd; dus voorgesteld als afzonderlijke persoonlijkheden. Ook ten aanzien van de kleuren zouden wij hetzelfde kunnen zeggen. Wat wij stellen is niet alleen maar het bestaan van een Heer van blauw, wit, rood, groen of geel Licht. Neen, wij stellen het bestaan van een kracht, die met ons overeenstemt. En daarom kunt u het ook nog anders bezien. U kunt nl. ook zeggen: Ik heb een bijzondere geaardheid, waardoor ik uit het totaal van de goddelijke schepping alleen bepaalde goddelijke impulsen kan reflecteren. Datgene, wat ik absorbeer, is mijn levenskracht. Datgene, wat ik reflecteer, is mijn uiting; mijn proces van bewustwording, van zelfrealisatie.
Het feit, dat er een oneindig aantal mogelijkheden bestaat, betekent nog niet dat die mogelijkheden zoveel van elkaar zullen verschillen. Wij nemen daarom aan dat bepaalde groepen mensen, bepaalde krachten, bepaalde volkeren een ongeveer gelijke bewustwording hebben en daarmede een aspect bepalen in het Goddelijke, dat hen direct beïnvloedt.
U ziet, er zijn heel wat manieren mogelijk om dit alles te stellen en te verklaren. Maar wij moeten het ook proberen om te zetten in een meer praktisch, een meer voor het eigen “ik” passend beeld.
Wanneer u zich afvraagt: Wat is mijn kleur? dan komt u meestal niet ver. Want door te zeggen: Ik ben een bepaalde kleur, legt u zich een bepaalde voorstelling op. U zou beter kunnen zeggen: Welke kleur van licht is voor mij het meest juist werkzaam, als ik mij haar voorstel. U moet niet zeggen. Ik behoor tot een bewustwordingsgang, die andere dingen uitsluit. Dat kunt u als mens meestal toch niet; en ook als geest is het vaak heel moeilijk dit te doen. Maar u kunt wel weer stellen: Er bestaat in mij een bepaalde voorkeur of een bepaalde gevoeligheid. Deze gevoeligheid of deze voorkeur bepaalt datgene, waarmee ik harmonisch kan zijn. Ik moet zoeken naar een harmonie met al datgene, waarmee harmonie te bereiken is. Op het ogenblik, dat ik dit op de juiste wijze doe, ontstaan er geen verschillen en geen verwijderingen. Het contact, dat ik bereik, zal stoffelijk misschien niet eens tot uiting komen, maar het betekent een verrijking van mijn wezen. En in deze rijkdom vind ik dus een hoger bewustzijn terug. Ik kom dichter bij God. Ik begrijp meer van de wereld.
Dit is voor de mens uitermate belangrijk, omdat hij — als hij zijn “ik”, zoals dat kosmisch is, wil waar maken — over het algemeen uitgaat van stoffelijk esoterische stellingen; en deze zijn dogmatisch. Maar een dogma is niet mogelijk, omdat wij geen vaste regels kennen. Wij kennen alleen gebieden, waardoor de reactie wordt bepaald, en dat is iets geheel anders.
Stelling: het “ik” moet zich realiseren wat eigen geneigdheid, eigen behoefte en eigen mogelijkheid tot harmonie inhouden. Door dit te bepalen en zich hierop te richten voegt het “ik” zich in binnen de hiërarchische verhoudingen, zoals is beschreven en zal het de onmiddellijke krachten van zijn eigen Heerser sterker en zuiverder ondergaan.
Naarmate men op deze wijze meer harmonisch wordt, wordt de mogelijkheid tot harmonie eveneens groter. Het “ik” is geen reservoir dat gevuld blijft. Het is een reservoir, dat zich uitbreidt naarmate de mogelijkheid tot vulling aanwezig is. Misschien dat dit laatste enige toelichting vereist.
Ik heb u reeds gesproken over de volmaakte wereld, die in een soort spiegelwereld aanwezig is. Deze volmaakte vorm, de perfecte Adam, enz. enz., is niet slechts een vorm. Het is niet iets, waartoe wij behoren, al kunnen wij het voorstellen, alsof wij er deel van zijn, Het is tevens het beeld van datgene, wat wij kunnen worden. Wij groeien via onze eigen weg en — de goddelijke Werkelijkheid tenslotte betredend — via de Poort, die ons bezielt in de goddelijke Werkelijkheid als de perfectie, de gerealiseerde volmaaktheid, die in vele varianten en mogelijkheden in het Goddelijke aanwezig is. Wij maken dus waar wat er in de Goddelijke Wereld bestaat. U zult dus inzien, dat dit streven naar perfectie niet een menselijke volmaaktheid is, maar eenvoudig een vergroting van eigen wezen, eigen besef, en eigen harmonie, totdat men, in staat is in zijn ego een concentratie te vertonen met de gelijksoortige mogelijkheid, die binnen de goddelijke Lichtimpuls.
Een 2e punt, dat voor deze aanpassing al evenzeer belangrijk is en voor een zelfverwerkelijking zeker nog belangrijker, kan als volgt worden gesteld:
Het ego, omvattende vele voertuigen, zal in deze voertuigen sterker georiënteerd zijn op de bepaalde kleur of op de Heerser waartoe het behoort, zodat de hoogste geestelijke voertuigen die, ontwikkeld zijn, altijd het dichtst liggen bij de z.g. ware of werkelijke weg van het “ik”. Hieruit volgt dat de hogere impulsen in de mens altijd de voornaamste zijn. Wie zichzelf wil verwezenlijken op de meest juiste manier en aan zijn “ik” gestalte wil geven, zelfs in de materie, dient dus na te gaan wat zijn hoogste Werkelijkheid is. Al het lagere moet in overeenstemming worden gebracht. Belangrijk hiervoor is niet de reactie van de wereld, doch slechts de erkenning, die er in het “ik” bestaat.
Het 3e belangrijke punt voor deze aanpassing is het volgende: Ofschoon wij spreken van engelen, goden en demonen, moeten wij wel beseffen dat er geen reële engelen en geen reële demonen bestaan. Er bestaan wezens, die voor ons aanvaardbaar georiënteerd zijn en wezens, die dat niet zijn. Naarmate hun plaats in de hiërarchie hoger is, zullen zij voor ons een grotere engel of een demonischer demon zijn. Het heeft dus geen zin een demon te bestrijden. Wel echter heeft het zin om al datgene wat men als duivels, als demonisch erkent, af te weren. Door te voorkomen dat er in het “ik” een strijdigheid van ontwikkeling, ontstaat, voorkomt men gelijktijdig een vertraging van de bewustwording, een verwarring in de zelfverwerkelijking en vooral ook een mislukking in de erkenning die voor het “ik” belangrijk is.,
Ik geloof, dat u met deze drie punten een behoorlijk interessante en goede aanwijzing hebt gekregen voor uw zelfverwerkelijking, uw zelfuitdrukking in deze dagen. Maar laat ons niet aarzelen om ook de tijd van nu, van het heden, voor een kort ogenblik in deze beschouwing te betrekken.
De z.g. jaren van overgang, van vorming of van vernieuwing zijn jaren, waarin alle kleuren afwisselend de aarde beroeren in een betrekkelijk hoog tempo. Dat wil dus zeggen, dat in het komende jaar voor ieder van u omstandigheden zullen heersen, waarin het “ik” zich thuis voelt en waardoor het zich perfecter kan uiten. Maar voordat zij in de stof misschien concreet zijn gerealiseerd treedt er een nieuwe tendens op, waarmee men misschien niet harmonisch is. Het is voor ons dus uitermate belangrijk te beseffen, dat wij in een tijd als deze impulsen krijgen, die wij moeten toetsen aan ons eigen wezen, zo goed als wij dit beseffen.
De voornoemde regels en aanduidingen kunnen u daarbij van dienst zijn. Datgene, wat tot dit “ik” behoort, kan niet altijd worden volvoert. Zodra men erkent, dat de omstandigheden in de wereld of de invloeden die het “ik” beroeren strijdig zijn, blijft men a.h.w. stilstaan en maakt men pas op de plaats; en eerst wanneer de gunstige tendens wederom aanbreekt, gaat men verder.
Dit is voor stoffelijke handelingen misschien van belang. Nog belangrijker echter is het voor geestelijke ontwikkelingen. Want op een gegeven ogenblik ontdek je een werkelijke waarheid, een goddelijke waarheid misschien. Zou je die waarheid willen ontwikkelen volgens de tendensen die voortdurend wisselen, dan zou je je beeld van God voortdurend moeten veranderen. Dit betekent, dat je jezelf steeds minder reëel maakt. Het houdt in, dat er steeds meer problemen en vragen ontstaan. Het is beter een beeld, dat met het “ik” harmonisch is te behouden en te versterken en het verder te ontwikkelen op elk ogenblik als dit in verband met de tendens buiten en in u mogelijk is, en zo dus een eenmalige ontwikkeling binnen dit “ik” te doen plaatsvinden. Elke poging om alle wisselingen van tendensen te blijven volgen en in alle even actief, even bewust, ja, even verlangend naar lering te blijven, moet op verwarring en vaak op mislukking uitlopen.
Deze waarschuwing zal u in de komende 2 à 3 jaren zeker te stade komen. Want maar al te veel doolt de mens. Hij zoekt in alle dingen zijn band met het Goddelijke te vinden. Maar voor hem is dit alleen uit te drukken binnen de Straal, waartoe hij behoort, binnen de kracht waarvan hij deel is. Dit is zijn weg tot God; en pas als hij die kleuren heeft verwezenlijkt, als hij dus is doorgedrongen tot de Heer van het Witte, het Groene, het Rode, het Blauwe enz. Licht, dan kan hij — indien hij niet in staat is het z.g. verblindend Licht van de Triade te aanvaarden — teruggaan en via een andere kleur wederom een poging wagen. Maar een weg, die je eenmaal gaat, kun je niet zonder meer verlaten. Je kunt ook niet zeggen: Er zijn voldoende dwarswegen, waardoor ik ineens kan wisselen van b.v. blauw op rood of terug. Ook indien deze theoretisch bestaan, hebben ze praktisch te weinig betekenis, omdat er in de mens nu eenmaal een zekere remanente waarde bestaat, gebaseerd op herinneringen, op karmische werkingen (oorzaak en gevolg), waardoor hij dit nieuwe niet kan aanvaarden, terwijl hij gelijktijdig het oude nog moet verwerken.
De hiërarchische verhoudingen in de kosmos zijn uit de aard der zaak wat moeilijker uit te drukken en te begrijpen dan uit een betrekkelijk eenvoudig betoog als het voorgaande zou kunnen blijken. Maar er zijn toch wel bepaalde waarden te vinden, die voor ons van het grootste belang zijn; en deze kunnen op verschillende manieren uit verscheidene stellingen omtrent de hiërarchie worden afgeleid. Ze blijken echter voor mens en geest gelijk waar te zijn.
Op het ogenblik, dat ik in mij, uitgaande van een voldoende zelferkenning, kom tot een synthese van dit “ik” met de levende waarde van alle andere kleuren en dus niet met hun uiting, maar met hun innerlijke waarde een band kan vinden, heb ik de Steen der Wijzen gevonden.
De Steen der Wijzen is het in perfecte harmonie samengaan binnen het “ik” van alle geestelijke kleuren en elementen plus het eigen “ik”, uitgedrukt misschien in meer stoffelijke of geestelijke vorm als verschijnsel of macht.
Het vinden van die synthese lijkt op het eerste gezicht erg moeilijk. Maar ik mag hier misschien een vergelijking gebruiken, die het geheel wat verduidelijkt.
Als wij zien hoe een totale defensiemacht eruit ziet, dan vinden wij daarin b.v. vliegtuigen, schepen, tanks, kanonnen, voetvolk, verbindingsafdelingen enz. Elk daarvan heeft eigen belangen, heeft een eigen taak. Elk daarvan heeft a.h.w. de neiging om anderen te bestrijden en ten koste van die anderen iets te veroveren. Zo zouden wij het in deze hiërarchische verhoudingen kunnen voorstellen. Omdat er vele, in wezen gelijkwaardige krachten naast elkaar staan, met elk een andere mogelijkheid tot verwezenlijking van iets uit het Goddelijke, zijn ook deze krachten geneigd elkaar te bestrijden. Zo zal b.v. het blauwe Licht proberen om zich ten koste van het rode of groene Licht b.v. te verrijken. Men zal er dan toe komen om de ander als onbelangrijk, als oppervlakkig, als niet deugend e.d. te beschrijven. Maar in feite ligt de zaak anders.
Wanneer het nl. komt tot een realisatie van het mens zijn, dan is het net als met het realiseren van de defensiemogelijkheid van een land. Dan kunt u niet meer rekenen met afzonderlijke eenheden of krachten, ook als u daar oorspronkelijk toe behoort. U moet komen tot een coördinatie van al die krachten, waarbij u dus zelf uw eigen rol blijft vervullen, maar dit nu doet in overeenstemming met al die anderen. En dan ontstaat er een geheel, dat in zich een flexibiliteit heeft, een aantal mogelijk die nooit zouden kunnen bestaan bij elk der onderdelen.
Wat heeft b.v. een verbindingsafdeling aan een mogelijkheid tot het scheppen van verbindingen, als er geen veelsoortige objecten zijn, waartussen verbinding moet worden gemaakt. Wat kan een marine doen om een land te verdedigen, als ze hoofdzakelijk over zeeschepen beschikt. En omgekeerd: wat kan een landmacht doen om de zee te verdedigen? Wat kan de luchtmacht doen om een bezetting van een bepaald stuk land te voorkomen? Dat is heel weinig. Maar in samenwerking kunnen ze ontzettend veel doen.
Voor ons is het dus ook nog belangrijk, dat wij deze hiërarchieën niet alleen maar zien als concurrerende waarden. We moeten eerst in ons eigen onderdeel, in ons eigen deel van leven en zijn een voldoende perfectie bereiken. Wij moeten a.h.w. een rang hebben, voordat wij met anderen kunnen gaan coördineren. Maar als wij die rang eenmaal bereiken, dan mogen wij niet verdergaan met slechts te zoeken naar ons eigen licht. Wij moeten ons afvragen in hoeverre dit licht dienstig kan zijn aan alle andere kleuren, aan alle andere waarden. Op deze wijze krijgt u dus a.h.w. de totale kracht van de eeuwigheid. En zelfs indien het “ik” toch georiënteerd blijft op zijn eigen Heer van Licht, zal die samenwerking de beschikking geven over de potentie van alle Heren van Licht tezamen. En dat is in wezen de potentie van de Triade bij de Poort; en deze representeert weer het goddelijk Aspect, dat wij de Poort of de entiteit van de Poort noemen en als zodanig de goddelijke Werkelijkheid met zijn oneindigheid en kracht. Wij kunnen alle dingen verwezenlijken en mogelijk maken, wanneer wij in onszelf die synthese vinden.
Misschien een moeilijk punt voor u. Laat mij daarom in het kort even de fasen aanduiden.
1. Na je grondopleiding (het mens zijn) moet je trachten een mens te worden die zijn mogelijkheden en gaven volgens eigen innerlijk erkennen voortdurend juist gebruikt. Begrippen als zondig en niet zondig, netjes en niet netjes, moreel en niet moreel e.d. spelen daarbij geen rol. Belangrijk is, dat het “ik” in overeenstemming met zijn hoogste erkenning handelt.
2. Hierdoor word je lid van wat we kunnen noemen een lagere afdeling of misschien een bepaald deel van je vloot. Je leert nu dus je eigen actie bewust te voeren. Je verwerkelijkt datgene, wat je in beperkte zin bent.
3. Zodra je beseft wat je bent — en daarvoor is dus een hoge mate van zelfkennis en ook zelfontplooiing nodig — komt het ogenblik dat je moet gaan samenwerken met anderen. Die samenwerking betekent niet je eigen weg en wezen verloochenen, maar deze nu zo bewust mogelijk dienstbaar te maken aan elke andere groepering, onverschillig welke. Het klinkt misschien wat dwaas. Maar een mens, die God werkelijk heeft erkend, zal er zelfs geen bezwaar tegen hebben om een satanist te helpen. Want die ziet hij niet als een vijand, maar als iemand, die anders is georiënteerd. En zover het in zijn vermogen ligt, zal hij hem dus de krachten geven, die hij voor de volvoering van zijn voornemens en taak en eigen weg nodig heeft; zolang het maar werkelijk zijn eigen weg is.
4. Van uit dit opbouwen van de synthese ontstaat de vergroting van kracht. Deze vergroting van kracht wordt niet gebruikt om in alle kleuren te werken, maar om het bewustzijn in het eigen “ik” van de eigen Heer van Licht groter te maken. Op deze wijze bereikt men de macht, die wij Heer van Licht noemen en is men dus a.h.w. langs de hiërarchische ladder gestegen tot dicht bij de oneindigheid.
Dit is het proces van bewustwording en van inwijding. De praktische consequenties, die ook hieraan kunnen zijn verbonden, zijn vele. Ik wil er enkele van noemen als besluit van deze les.
1. Niets is kwaad behalve datgene, wat ik als niet passend bij mijn wezen erken. Dit is kwaad voor mij, niet voor anderen.
2. Terwijl ik mijn eigen wezen tracht te erkennen en te uiten, mag ik geen ander wezen in zijn eigen ontwikkeling en uiting belemmeren. Ik moet slechts mijzelf leren handhaven. Ik doe dit het best door neutraal te zijn t.a.v. alles, wat niet mijzelf onmiddellijk beroert.
3. Omdat er geen gemeenschappelijke maatstaf kan bestaan, gezien de verschillen van wat er op aarde leeft, moet ik mijn eigen maatstaf hanteren, ongeacht de meer algemeen geldende regels of krachten.
4. Ik zal eerst mijzelf moeten ontwikkelen, voordat ik een belangrijk deel kan hebben in de ontwikkeling van de wereld of van de geest als geheel. Mijn eigen lot, mijn wezen, mijn ervaringen in sferen en wereld worden bepaald door de Heer, waartoe ik behoor. Deze kan ik niet blijvend verlaten.
5. Door — zelfs indien ik mijzelf niet volledig erken en mijzelf niet volledig ontwikkel — een zo groot mogelijke harmonie en gelijktijdig beheersing te zoeken (beheersing van mijzelf, harmonie met het zijnde), zal ik voor mijzelf een synthese van krachten waarschijnlijker maken, mijn eigen levenskracht en geestelijke vermogens vergroten en zo de verwerkelijking van mijn werkelijk “ik” evenals het vervullen van de taak, die aan dit bestaan is verbonden, voor mijzelf vergemakkelijken.

De verschillende delen van het “IK”

Wanneer wij het ego bezien, zoals het in de mens bestaat, kan het worden gesplitst in: bewustzijn, onderbewustzijn, animale impulsen, erfelijke eigenschappen e.d. Maar wij kunnen het ook nog op een andere manier doen. Wanneer wij nl. stellen, dat het ego van de mens bestaat uit het totaal van de voertuigen en werelden, waartoe hij behoort krachtens zijn wezen, dan zien wij het volgende:
In de mens is in de eerste plaats het niet gevormde. Dit is voor hem het onbestemde, dat als een gevoelen een groot gedeelte van zijn acties bepaalt.
Daarnaast kennen wij de verschillende vorm- en kleurwerelden, die gezamenlijk zijn droomleven, zijn illusies en zijn idealen bepalen.
Daaronder kennen wij zijn astrale en levenswereld, waarin bepaalde meer concrete beelden, maar vooral zijn angsten tot uiting komen. Het is hierin dat hij zijn angstdromen vindt. Het is hierin dat hij ook zijn angsten en begeerten uitleeft in een meer stoffelijke vorm.
Dan zien wij verder in het ego nog bestaan: het stoffelijk “ik”. Over het algemeen een wezen, dat nogal vertraagd is in zijn reacties en dat in zijn uitingen maar zeer onvolledig aan de daarachter verborgen persoonlijkheid beantwoordt. Je zou dus kunnen zeggen: Het materiële wezen van de mens is a.h.w. de voorgevel, waarachter het huis van zijn werkelijk “ik” schuil gaat.
Om nu allereerst de wereld van angsten en begeerten af te handelen, zullen wij de astrale wereld bezien. Al wat de mens denkt, krijgt vorm in de astrale wereld, hetzij tijdelijk of bij een voortdurend herhalen van dezelfde gedachte meer blijvend. Deze figuren, voor zover zij door hen of mede door hem worden geschapen, zijn met die mens verbonden. Datgene, wat je in de astrale wereld schept, kun je nooit van je afstoten. Je kunt het wel vernietigen door daarin tegengestelde waarden te geven, maar je kunt het niet helemaal van je afzetten, zodat het buiten je blijft voortbestaan. En dat betekent dat alles, wat je vooral in de eerste tijd van je leven (wanneer je zeer intens leeft, denkt en droomt) aan voorstellingen voor jezelf creëert, blijft voortbestaan.
In zoverre er in de astrale wereld synoniemen worden geschapen voor reëel bestaande krachten (ik denk hier b.v. aan aardgeesten, luchtgeesten e.d.) zal via de astrale vorm een contact met die werkelijke entiteiten mogelijk zijn. In zoverre er bepaalde angsten of voorbehouden worden geschapen, zullen ook deze vorm en gestalte krijgen en in vele gevallen een contact verschaffen met werkelijk bestaande krachten of figuren; in vele gevallen duistere geesten.
Zo kan men dus zeggen, dat het eigenlijke voorportaal van de geestelijke mens wordt gevormd door symbolen, waarmee hij contact opneemt; en wel met elke wereld, die hij zich kan voorstellen.
Een geestelijke wereld is moeilijk of niet voorstelbaar. Wanneer wij dus een stap verdergaan, dan ontdekken wij dat de geestelijke wereld, waarin de vorm nog bestaat, over het algemeen eerder een geïdealiseerde droom is. De mens bouwt hierin niet een werkelijk evenbeeld van zijn geestelijke beleving op (hij kan dit nl. niet verwerken), maar hij produceert zoveel mogelijk daarvoor gelijkluidende beelden en tendensen. Het zijn de gevoelswaarden, die hier in feite de bindende factoren zijn. Het gaat er niet om op welke wijze ik een ideaal wil uitdrukken. Het gaat er om wat ik ermee wil bereiken. Dat, wat ik wil bereiken, wat dus mijn emotionele inhoud is, bepaalt de verbinding met b.v. Zomerland en bepaalde andere sferen.
De hogere waarden, die o zo vaag en onbestemd zijn, zijn moeilijker te vatten. Zij zijn de vele vertrekken, waarin je wel eens binnenkomt, maar die je niet vaak genoeg ziet om ze te onthouden. Hierin verandert soms wel eens iets, maar zelfs dat valt niet op. De onbestemdheid, de vaagheid van je hoop, je verwachting en gevoelens worden weliswaar meestal in de hal (dus via het astrale) weer geconcretiseerd, maar zij blijft in feite het wonder. Het is datgene, wat ligt buiten je eigen bevatting– en voorstellingsvermogen.
Hoop, een behoefte waaraan je geen vorm kunt geven, denkbeelden die nooit concreet worden, stammen heel vaak van hogere voertuigen af. Indien er geen middel zou zijn om tussen deze delen van het “ik” een band te leggen, dan zou de mens dus bestaan uit een grotendeels onredelijke hoeveelheid impulsen en werkingen, waaraan hij met zijn uiterlijk leven geen zin kan geven. Maar er bestaat wel een verbinding; en deze brengt alles tezamen in de astrale sfeer (de astrale wereld en levenssfeer), want deze beide liggen binnen het bereik van zijn voorstellingsvermogen. Wij mogen het ons daarom als volgt voorstellen:
Een hoge, onbestemde impuls kan zijn: de verwachting van iets goeds of iets lichtends. Dit wordt omgezet in het astrale beeld. En daar kan het zijn de ontmoeting met een geliefde mens, een lot uit de loterij misschien de verwachting van morgen mooi weer of anders. Het krijgt een beeld. Het beeld in de astrale wereld is niet noodzakelijk gerelateerd met de werkelijke inhoud van de meer onbestemde emoties; zij is slechts een uitbeelding ervan. Zij geeft dus een voorbeeld van de vele mogelijkheden, die er elders bestaan.
Krijgen wij te maken met Zomerland en Zomerlandwerkingen, dan hebben wij alweer te maken met de stoffelijke wereld. Die stoffelijke wereld kent een eigen censuur. En die censuur wordt vreemd genoeg ook toegepast op het astraal terrein, en wel doordat men daar negatieve waarden schept voor al datgene wat men niet wil erkennen. Zo wordt altijd een deel van een Zomerland beleven ofwel uitgeblust (het wordt niet erkend) dan wel het in astrale vorm wordt gegoten en bestaat dan haast altijd uit licht en duister.
Het vreemde hiervan is, dat de doorsnee mens het licht het eerst erkent; en als hij de verdere samenhang gaat begrijpen, die er in b.v. Zomerland in feite bestaat en daar heel normaal en natuurlijk is, hij dan het idee krijgt dat hij van licht naar duister gaat. Hij komt b.v. uit een lichtende wereld in een verlaten ruïnestad of iets dergelijks.
Als je niet weet hoe de samenhang van het “ik” is, dan wordt het wel heel moeilijk om die dingen te begrijpen. Maar ga je je realiseren dat alles wat je als voorstelling en als droom beleeft, al datgene wat je uit de astrale wereld benadert, deel is van je eigen voorstellingsvermogen, dat je nooit door een astrale kracht kan worden aangetast, tenzij in jouw voorstellingsvermogen iets leeft, wat nog op redelijke wijze ermee congruent is, dan begint vanzelf het begrip voor het innerlijk groter te worden. Dan ga je zeggen: Wat ik heb gezien, is niet een aantal tegenstellingen of een ontwikkeling, het is een geheel.
Ik wil u een paar voorbeelden geven om dit beeld, dat ik u ontwerp, te verhelderen. Laten we aannemen dat u droomt, dat u op een grote weg zit. U rijdt in een auto van A. naar B. U begint met mooi weer en u eindigt met hagel, sneeuw en regen; dus een echt Hollands klimaat. Dan kunt u zeggen: Dit betekent, dat ik een reis ga ondernemen. Maar dat is meestal niet waar. Wat tussen A. en B. ligt is een landschap. Het is een aantal ervaringen. Breng deze samen tot één geheel en zeg: Ik heb een vlak landschap gezien onder zonneschijn en regen. Mijn weg zal in de komende tijd dus — dit zegt mij mijn wezen — egaal zijn. Er zijn niet veel veranderingen. Of: Ik heb een kronkelende weg gereden met allerhand beekjes, bergen en dalen. Zo ben ik van A. naar B. gegaan en onderweg is er misschien ook regen, zonneschijn of onweer geweest. Ook ben ik daarbij misschien door duistere grotten of door een tunnel gereden. Zeg dan tegen uzelf: Dat is ook mijn beeld van de toekomst. Er zijn heel veel verwarringen, er zijn allerhand verschillende ontwikkelingen. Ik bevind mij te midden van een steeds veranderende wereld; en mijn aanpassingsvermogen zal daarop dus berekend moeten zijn.
U ziet, het zijn heel eenvoudige voorbeelden, die ik geef. Ik zou ze kunnen uitbreiden tot in het oneindige. Ik zou hier b.v. kunnen spreken over de veel voorkomende droom, waarin je vliegt of in een voertuig zit. Over het algemeen geeft dat aan: niet dat je je beweegt, maar het geeft aan: een verschil tussen je uiterlijke en je innerlijke wereld. Vandaar het voertuig, het idee van beweging. En zo kun je voortgaan.
Elk deel, dat uit het niet besefte deel van het ego komt, is en blijft deel daarvan. Het is een persoonlijke interpretatie, het is een persoonlijke erkenning, maar zij kan verstandelijk niet voldoende worden omschreven.
En nu wij zover zijn, is het misschien gemakkelijker om ook een blik te gaan werpen in die onbekende kamers, die je maar een ogenblik betreedt. Elke wereld en elke sfeer kent haar eigen wetten; d.w.z. dat elk afzonderlijk voertuig dat in u bestaat ook eigen wetten heeft. En die wetten zijn lang niet altijd synoniem of parallel met de wetten van een andere wereld. Je kunt b.v. in een kamer binnenkomen en de schouw staat links; in de volgende kamer staat de schouw rechts. In beide gevallen is de warmtebron dus aan een andere kant. Nu zou u kunnen zeggen: Dus is de ene kamer niet goed of de andere kamer is niet goed. Onder bepaalde condities bestaat er een bepaalde samenhang. Elk voertuig heeft zo zijn eigen samenhang en kent op die manier ook zijn eigen waarderingen voor de wereld.
Nu zult u begrijpen dat iemand, die in een wereld leeft, waarin b.v. altijd vochtigheid en tropische hitte heerst, zich moeilijk kan voorstellen wat je moet doen in een woestijnwereld of misschien op een ijsvlakte. Hij zal zich afvragen. Wat moet ik doen? Hij moet zich op die andere waarde instellen. Wij bezitten zoveel verschillende voertuigen en dus zijn er zoveel verschillende milieus en wetten, dat voor alles, wat er in het leven voorkomt, in de mens reeds de wet aanwezig is; maar ook de juiste verhouding, de juiste begaafdheid. En nu is het alleen naar de vraag: Willen wij en kunnen wij die kamer betreden? Willen en kunnen wij dat doel van ons ego naar voren laten treden, dat op dit moment belangrijk is?
U begrijpt, dat we dan weer te maken krijgen met de hal, met de astrale wereld, met de moeilijkheden van het verstandelijk denken. Toch is het mogelijk om al die delen van het ego (het werkelijke “ik”) afzonderlijk tot uiting te laten komen. Daarvoor moeten wij echter de vaste volgorde in ons wezen uitschakelen.
En nu wordt ons huis een beetje wonderlijk. Wij hebben dus laat ons zeggen 20 kamers, waarvan er één uitkomt in de hal. Wij moeten het nu zo weten te maken, dat die kamers onderling verwisseld kunnen worden. In een werkelijk huis gaat dat haast niet. Je zou het misschien een draaiend huis kunnen maken, in de vorm van een draaimolen, waarbij de segmenten elk voor zich zo kunnen worden gedraaid, dat ze uitkomen in de hal.
Geestelijk kunnen wij dat echter gemakkelijker doen. Op het ogenblik, dat ik in bepaalde omstandigheid verkeer, ken ik een zekere vrees, een zekere begeerte of behoefte. Die twee zijn toegankelijk. Zij behoren tot het astrale gebied. Ik kan ze a.h.w. beleven en ze mij voorstellen, en daardoor kan ik ook contacten opnemen met andere wezens. Dat heb ik zo even verteld.
Indien ik die beide besef als één geheel en niet als tegenstellingen, heb ik gelijktijdig toegang tot de wereld, waarin die waarde het belangrijkst is. Dan komt dus dat deel van het ego naar voren, dat past in de situatie en het verandert a.h.w. tijdelijk je persoonlijkheid en zelfs je perceptievermogen.
Een mens, die normalerwijze bijziende is, kan onder deze omstandigheden in zeer korte tijd en misschien ook maar vóór zeer korte tijd verziend worden. Een mens, die nooit iets paranormaals heeft bemerkt, kan op een gegeven ogenblik a.h.w. bevangen worden en dan een contact met geesten ondergaan of hij kan helderziend worden in tijd en in ruimte; want die capaciteiten behoren tot een wereld, waartoe één van zijn voertuigen behoort.
De moeilijkheid voor ons is dus eigenlijk niet om de gehele persoonlijkheid precies te kennen en te omschrijven. Er kan in ons leven immers niets gebeuren, dat niet ergens in ons zijn juiste beeld, zijn juiste wetten, zijn juiste regels heeft en ook zijn juiste kracht en capaciteit. De grote moeilijkheid is om uit de eenheid, die dat ego volgens ons vormt, elke factor afzonderlijk naar voren te laten treden. De delen van dat ego kunnen elk voor zich regerend optreden t.a.v. de voor het bewustzijn voornaamste uitingen van dat ego. Voor iemand, die ooit in een duistere wereld terecht moge komen, is het misschien wel goed om zich dat te herinneren. Wanneer hij zich nl. openstelt voor dat deel van zijn wezen, dat tot een lichtwereld behoort, waarin het duister niet erkend is — en die zijn er — is hij op dat ogenblik licht. Door zijn licht verdrijft hij het duister en kan hij terugtreden in elke wereld, zonder door het duister gevangen te worden gehouden. U behoeft alleen naar zelf te activeren wat er in zit.
Hoe dit te doen? Ja, een moeilijke kwestie, zou ik zeggen. Maar ook hier is misschien een zeer algemene gebruiksaanwijzing mogelijk, waarbij ieder voor zich dus wel moet bedenken, dat die aanwijzingen moeten worden aangepast aan uw eigen wezen, eigen voorstellingsvermogen, eigen dromen en idealen. Kortom, aan dat wat u bent aan de buitenkant. Want men kan nooit de werelden zo algemeen groeperen, dat ze bij iedere voorgevel passen; dus dat zo bij iedereen passen. Onthoud dus de volgende eenvoudige regels.
Op het ogenblik, dat er een situatie ontstaat, welke u redelijk niet of niet juist meent te kunnen oplossen, moet u zich de negatieve en positieve aspecten daarvan realiseren. Probeer deze zo goed mogelijk te zien. Het is een tijdelijke opbouw van een astraal synoniem. Tracht dan de beide gestalten, de beide vormen terug te brengen tot één geheel.
Probeer het goede dat u begeert en het kwade dat u vreest samen te voegen, totdat ze enigszins passen bij de werkelijkheid, ook als u daarbij gebruik moet maken van allerhand ideeën of voorstellingen, die absoluut niet realistisch zijn.
Heeft u dit bereikt, ontspan u dan volledig. Het eigenaardige is, dat plotseling uw reactievermogen gaat veranderen, dat uw denken verandert en dat u niet alleen maar een beetje inspiratie heeft, maar dat u soms dingen al gedaan hebt, zonder te weten hoe, voordat u zich had gerealiseerd dàt ze moesten worden gedaan. Het is een deel van uw persoonlijkheid, dat dan overneemt.
U zult daarbij opmerken, dat het misschien gemakkelijker is u te concentreren op het Witte Licht of te roepen tot God. Voor iemand die God kent (dus iemand, die naar willekeur de wereld van het Witte Licht kan betreden) is dat wel waar. Maar wie kan dat? Het is precies hetzelfde, als iemand zou zeggen. Mijn belastingaanslag is niet in orde, ik ga er maar eens over praten met de Minister van Financiën. Dat zijn dingen, die kunt u nu wel denken, maar om ze te doen vraagt heel wat meer invloed dan u bezit. Daarom moet u altijd teruggrijpen naar het meest eenvoudige: uw eigen persoonlijkheid, uw eigen wezen, uw angst en verwachtingen. En dan moet u één ding onthouden:
Om die verschillende delen van het “ik” actief te maken is het noodzakelijk, dat u niet probeert een redelijke controle op uzelf uit te oefenen, voordat de situatie is veranderd. Dat is misschien lastig. Maar aan de andere kant: hoe vaak handelt u op aarde niet instinctief? Als er een vliegje op uw oog afkomt, dan heeft u uw oog al gesloten, voordat u zich heeft gerealiseerd dat er een vliegje of een stofje was. Waarom zou u bang zijn om geestelijk hetzelfde te doen?
Wij moeten heel eenvoudig de situatie constateren en automatisch de mogelijkheden, de impulsen van ons wezen laten overnemen. Wij moeten die niet ontleden. Bij de ontleding splitsen wij de zaak weer en zitten we weer in onze voorhal met hier het licht en daar het duister, met hier de begeerte en daar de angst. En deze dingen kunnen ons niet helpen. Neen, wij moeten werkelijk wel teruggaan naar het niet controleren, het niet redelijk nadenken. Het is een soort onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan een deel van je persoonlijkheid dat je zelf niet goed kent. Maar naarmate je meer werkt met zo’n deel van je persoonlijkheid, zult je het beter leren kennen. En dan heb je nog een eigenaardig iets.
Een groot aantal delen van het “ik” blijven voor de mens onbekend, omdat hij ze niet kan aanvaarden, zonder ze gelijktijdig aan zijn beoordeling, zijn kritiek volgens een zekere maatstaf te onderwerpen. Zolang je die maatstaf hebt, kun je die delen van het “ik” niet hanteren. En zo doolt menigeen rond in een voorhal, vol met allerhand schrikgestalten en lichtende figuren, zonder zichzelf te beseffen. Je moet absoluut in staat zijn om de kritiek, de redelijkheid zo nu en dan terzijde te stellen. En dan moet je dat niet alleen doen vanwege je angst of je begeerte, maar je moet langzaam maar zeker leren in jezelf die vele persoonlijkheden — want zo noemt men het dan — te erkennen, die beschikken over kennis, over vaardigheid of andere capaciteiten, die je normaal niet bezit.
U hebt heel wat meer mogelijkheden dan u denkt. Dat geldt voor elk van u. Maar kunt ge uw stoffelijk wereldje voor een ogenblik uitschakelen? De meeste mensen kunnen dat niet. En daardoor blijven zij staan voor het grote raadsel van hun ego. Degenen, die het wel kunnen, ach, die komen zo nu en dan met hun redelijke wereld wel eens in de knoop. Want ze moeten verklaren, waarom ze iets hebben gedaan. Het is niet voldoende dat je juist hebt gehandeld, maar je moet ook weten waarom, zo zegt men. Ik vraag mij af, of dat wel redelijk is. Zou je niet veel eerder kunnen en mogen zeggen: Het bereiken van het juiste standpunt, de juiste handeling, de juiste daad, de juiste impuls is belangrijker dan het erkennen waar zij vandaan komt of hoe ze ontstaat of waarom zij op deze wijze tot uiting komt.
Misschien interesseert dit alles u minder. Maar indien ge uw “ik” wilt ontleden, dan hebben wij daarin wat ik zou willen noemen: het “ik” in het Witte Licht.
Het Witte Licht kent geen tegenstellingen. Het Witte Licht kent alleen kracht. Die kracht is hard. Zij is zonder gevoeligheid, zonder sentiment. Wanneer u met uw sentimenten wilt proberen die kracht te gebruiken, dan moeten daar wel ongelukken van komen. Het is precies hetzelfde of je een last van 10 ton op een tafeltje wilt stapelen dat ten hoogste 100 kg. kan houden. Dat gaat niet. Daar komen ongelukken van. Maar als je bereid bent om de hardheid, de klaarheid, de helderheid, deze macht zonder meer te accepteren, zonder te vragen: Wat zullen de gevolgen zijn? zeggende: Ik weet dat die kracht goed is, dan zult je die kracht uitstralen. Je zult die kracht tot uiting brengen in de wereld; en dan gebeuren er misschien dingen, die je ongelukkig vindt van uit een stoffelijk standpunt, maar ze zijn noodzakelijk. Ze brengen evenwicht, ze brengen juiste, scherpe verhoudingen. Want de wet van het Witte Licht zegt immers: Alles moet rein zijn en keren tot zichzelf.
En als je komt in een wereld van een bepaalde lichtkleur, kun je zeggen: Ik heb een voertuig, dat behoort tot het helderblauw of tot donkerblauw of tot het rood. En dan kun je zeggen: Maar dat helderblauw eist eigenlijk vele intuïtieve sprongen. Ik kan misschien later leren te verklaren, waarom ik die samenhang zo heb gezien; maar zo is ze. Probeer je dan te zeggen: Die samenhang moet dus in overeenstemming met mijn kennis bestaan, dan bereik je niets. Want de wet van het helderblauwe licht is: Het totaal der samenhangen binnen Het Goddelijke is uitgedrukt in de samenhang der tegendelen. En daarvan kun je alles maken.
Menselijk kun je dat niet verder verklaren. Maar het is de balans van de kosmos. Het is de wet van evenwicht en van gelijkblijvende velden, Het is de wet van leven en dood, want ook deze houden elkaar in evenwicht.
En als je komt in de wereld van wat donkerder blauw, dan moet je dat je daar helemaal niet kunt grijpen naar een geloofskracht. Die heb je er niet. Maar in dat donkerblauw geldt: de erkenning der waarde op zichzelf definieert het wezen ervan. Zoals vroeger de magiërs zeiden: “Een naam geeft macht.” Zo is eigenlijk de erkenning op zichzelf definieert het wezen. Niet alleen de buitenkant, maar ook de binnenkant. Als je naar een olifant kijkt, dan zie je niet alleen de buitenkant van de olifant, maar je ziet hoe het beest denkt, hoe lang die leeft, kortom, wat hij is. Een soort vierdimensionaal schouwen zou u het misschien kunnen noemen.
Als ik op die manier iets waarneem, dan moet ik niet gaan verklaren, waarom ik die eigenschappen toeken. Ik moet handelen volgens de erkende eigenschappen; en de gevolgen maken het mij dan misschien later weleens mogelijk om een stoffelijk beeld op te bouwen, dat een beetje dichter bij de waarheid ligt.
En zo ligt dat dus voor elke Straal een beetje anders. Ik heb nu blauw genomen, omdat dat zo even is behandeld. Maar u moet goed begrijpen dat de impuls uit zo’n deel van een persoonlijkheid het belangrijkst is. Niet de verklaring of de uitleg. Niet de realisatie zelfs, maar de daaruit voortkomende kracht, actie of erkenning.
Zo heb je dus in dat ego de verschillende gestalten, waarmee je bent verbonden. Mijn voorganger zou hier misschien spreken over “de boden van het Licht” of iets dergelijks. En een vroom mens denkt misschien aan een engelbewaarder, een beschermgeest, een geleider of een controle. Al die dingen bestaan. Maar de band met zo’n persoonlijkheid is weer niet gebaseerd op stoffelijke erkenningen. Zij ligt op een bepaald vlak. Slechts, één van die voertuigen, één van die delen van uw wezen bepaalt die band. Al het andere valt erbuiten.
Wilt u dus met een controle, een beschermengel of wat dan ook in contact treden, dan moet u niet uitgaan van uw stoffelijke erkenning, behoefte of begeerte. U moet weer terugkeren tot de impuls. Denk aan de beschermengel zonder meer. Druk verder zo weinig mogelijk uit. En als het nu werkelijk nodig is, druk dan uit wat je vreest of wat je begeert en breng dat tot eenheid. Probeer die eenheid in jezelf omhoog te stuwen en je bent er. Dan is er het contact, en dat contact vindt dan weer een uitdrukking, die schijnbaar rationeel is. De beschermengel, de Meester, de geleidegeest er wat dan ook spreekt tot je. Het zijn geen werkelijke woorden en wat er wordt gezegd klopt niet. Dat is je eigen realisatie van de zaak. Maar de kracht, de essentie, die erachter zit, die is juist.
Als je het zo beziet, kun je het contact met geesten via je eigen wezen dus ook veel gemakkelijker maken. Maar ja, je weet hoe het gaat. Als je toevallig op de parterre blijft staan en je moet iemand spreken, die op de vierde verdieping is, dan versta je hem moeilijk. Maar als je even met de lift naar de vierde verdieping gaat en daar met hem spreekt, dan kun je wat belangrijk is (een herinnering en niet het feitelijke betoog) wel weer mee terugnemen naar de parterre. Op die manier moet je leren werken, leven en denken met jezelf.
En omdat u misschien zult denken, dat ik in dit betoog te weinig heb gezegd over die verschillende delen van het “ik”, wil ik nog even definiëren:
Het totaal van de geestelijke voertuigen worden onderscheiden in: de kleurloze, de vormloze en de vormkennende.
Alle kleurloze werelden zijn voor de mens niet te begrijpen. Zij bevatten zeer grote krachten en zeer vele mogelijkheden. Zij geven hem toegang tot een soort heelal, waarin tijd en ruimte a.h.w. facultatief zijn. Je kiest ze zelf en ook de verhoudingen, die daarin een rol spelen. Deze krachten, werkingen en mogelijkheden zijn voor een groot gedeelte over te dragen aan de stof.
De werelden van kleur zijn alle gebaseerd op erkenningen van harmonie en disharmonie. Hier spelen gevoelselementen een zeer grote rol. Zij reageren dan ook sterk op emotionele instellingen en belevingen. Als zodanig kan worden gesteld:
De werelden van kleur geven geen gerichte instructies, maar zij geven beperkte en scherp gerichte krachten, die voor één enkel doel, maar dan ook volledig bruikbaar zijn en waarmede grote resultaten kunnen worden bereikt, mits het doel voldoende duidelijk is gesteld en ontdaan is van begeerten en angsten als tegenstelling.
De vormwerelden behoren tot de werelden, waarin een zeker bewustzijn bestaat. Zij kunnen worden gebruikt als bron voor weten en voor erkenning. Verder zijn ze voor de mens één van de gemakkelijkste reeksen van werelden om tot contact met anderen te komen. Hiervan kan geen onmiddellijke kracht of inwerking in het eigen leven worden verwacht, wel een aantal boodschappen of herinneringen, die soms redelijk betrouwbaar zijn, maar die — aangezien zij in de stoffelijke vorm altijd een eigen interpretatie inhouden — moeten worden getoetst aan de eigen werkelijkheid; hetgeen met de beide andere niet het geval is.
Slechts indien men eigen voertuig of krachten uit deze vormkennende geestelijke werelden wil laten ingrijpen, zal men zijn eigen wezen moeten uitschakelen en daartoe in zich bestaande angsten en verwachtingen terzijde moeten stellen of tot eenheid brengen.
Dat deel van het “ik”, dat behoort tot de werelden van levenskracht en tot de astrale wereld, kan worden gesteld te zijn: een wereld, waarin de gedachte vormend optreedt en waar de gedachtenvormen en gedachtenbeelden van de mens als zodanig beslissend zijn voor de werkingen, die hij daaruit verkrijgt en de contacten, die hij daarin kan vinden.
Deze werelden zijn dus te benaderen via de gedachte. En de juist gevormde gedachte geeft voor degene, die de gedachte schept, een onmiddellijke mogelijkheid om beperkt krachten te putten uit de astrale wereld en om eigen krachten of eigen onvermogen aan te vullen, in zoverre deze wel binnen het “ik” bestaan, maar niet stoffelijk worden beseft of geaccepteerd.
En ten laatste om via de daar geschapen vormen, voorstellingen en gestalten contact te krijgen met andere vormkennende werelden van licht of duister en met de persoonlijkheden daarvan een uitwisseling van gedachten of zelfs van krachten tot stand te brengen.
En dan blijft er nog over het menselijk voertuig met de daarin geschapen verdeling van denken in bewust en niet bewust, waarbij wij dus over boven en onderbewustzijn kunnen spreken. Van deze kan worden gezegd: Zij beïnvloeden de tendens, waarin het bewuste denken de feiten en ook de herinneringen interpreteert; en als zodanig de directe toepassing, die de mens geeft aan kennis, aan voorstellingen, voorbehoud, geloof e.d., dat stoffelijk redelijk in hem is bevat.

Overwonnen angst

Wanneer ik vrees en durf beseffen wat ik vrees, zo zal ik zien dat mijn vrezen, beseft, zijn waarde gaat verliezen. Want zodra ik weet waarvoor ik vrees, kan ik ook beseffen, welke krachten er in mij en in het Al schuilen, die aan de angst tegengericht zijn.
De angst voor vuur kan groot zijn. Maar als ik weet, dat het water nabij is om het vuur te blussen, zo zal ik het minder vrezen.
Als ik vrees te sterven en ik weet dat het eeuwige leven mij wacht, zo zal de dood misschien niet aangenaam zijn, maar ik zal hem niet meer vrezen. Ik zal mijn angst overwinnen.
Wanneer ik in het leven zoek en ik kan in dat leven niet vinden, zo vrees ik nooit te vinden, totdat ik besef, dat ik als eeuwig wezen eenmaal alle dingen vinden zal, die er te vinden zijn; en dan vrees ik mijn onvolkomenheden niet meer.
Soms vreest men te zondigen, omdat men — ingaande tegen het geleerde, het besefte of het innerlijk gepredikte — meent zichzelf te verliezen. Maar wie beseft, dat je niet zondigen kunt, zonder dat de zonde reeds een deel van jezelf is en dat zonder dit geen zondigen mogelijk is, die vreest de zonde niet. En waar hij de zonde niet meer vreest, wordt het hem gemakkelijker om deugdzaam te zijn,
Een overwonnen angst is niets anders dan een realisatie van de werkelijkheid van je bestaan.
Een mens is misschien wel een woestenij. Een woestenij, waar doorheen je trekt in de hoop zo nu en dan een oase te vinden, een enkele bron. Hij is als een oneindige vlakte, waarin je voortdurend delft in de hoop eenmaal goud te vinden. Want dat is het leven.
Maar als je nu vreest dat je te gronde zult gaan, als je vreest dat je geen oase zult vinden, als je vreest dat er geen bron is en je beseft dat je deze dingen zelf bent, dan is je angst overwonnen.
En daarom wordt de angst overwonnen door jezelf te kennen; niet alleen in uiterlijkheden, maar ook in jezelf. Door te begrijpen, dat het niet nodig is te beantwoorden aan een wereld of aan iets anders, omdat je moet beantwoorden aan de kracht, die je heeft geschapen, aan het wezen dat je zelf bent.
Wie ondanks dit gedreven worden door instincten vreest, moet beseffen dat zijn angst niet iets is om te vrezen. Want er is geen vrees zo groot als de angst om bang te zijn. En degene, die bang is en vreest bang te zijn, dwingt zichzelf tot een dubbele angst. Maar wie zichzelf toestaat te vrezen, vindt gemakkelijker het evenwicht.
Vrees de angst niet en ge zult haar overwinnen. Vrees niet het einde der dingen en ge zult de eeuwigheid ontdekken. Vrees niet, omdat elke vrees wordt opgeheven door de kracht van het Goddelijke, die in ons leeft; door de wetten van de eeuwigheid, die voortdurend evenwicht scheppen.
Dan kunt ge zeggen: Ik heb de angst overwonnen. En ik heb daarmede licht en duister in mijzelf verenigd. En zo erken ik voor het eerst de eeuwigheid, waarvan ik deel ben.
Want het is niet in de uiting, maar in het wezen der dingen, dat Gods waarde voor ons is geopenbaard.
Het is niet in de veelheid der dingen, maar in het besef van de onmetelijke eenheid van alles, dat het begrip eeuwigheid ons duidelijk wordt.
De oplossing van alle problemen is nimmer gelegen in het zoeken van de krachten buiten onszelf, of het zoeken van machten of het vluchten voor het gevreesde. Wij moeten de moed hebben onszelf in het Niet te ontmoeten. Want wie staande in het Niet zichzelf in het oog heeft geschouwd en heeft erkend, deze is zonder vrezen.
Hij heeft alle angst overwonnen. Voor hem is de dood ten einde. Voor hem is zelfs de eeuwigheid slechts een mensendroom geworden, waarvoor een bestaan in de plaats komt, dat geen woord kan omschrijven, maar dat alle dingen omvattende ze in evenwicht toont en ze zo maakt tot een waar erkennen, een waar beleven en een vreugde, die — getemperd door het leed — haar volle intensiteit kan bereiken.