Hij, die de weg gaat, maar blind is voor de boorden, gaat onder.

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 14

8 april 1956

Ik zou voor vandaag met U een ogenblik wat oude, zeer oude wijsheid willen beschouwen.  Er staat in één der oudste boeken geschreven; Hij, die de weg gaat, maar blind is voor de boorden, gaat onder.

Wanneer men door het leven heen gaat, dan kan men wel per ongeluk precies de juiste weg kiezen. Men gaat dan inderdaad in de goede richting, maar men realiseert zich niet, dat naarmate men verder vordert op elke weg, ze meer begrensd wordt, tot zij uiteindelijk slechts een smalle strook van levensmogelijkheden biedt tussen twee afgronden.

En juist dit gebrek aan realisatie heeft menig mens terug doen vallen tot lagere sfeer en lagere waarden. Wij allen gaan in het leven een bepaalde richting, maar wanneer wij eenmaal een richting gekozen hebben, dan moeten we ons goed bewust zijn van alle logische consequenties, die uit ons besluit voortvloeien. Een keuze betekent voor jezelf ook tevens vaststellen, wat wel en wat niet goed is. En naarmate je verder gaat strevend in dezelfde richting, berustend in dezelfde leer, zul je steeds meer datgene wat niet past in dit levenspad, als kwaad gaan ervaren. Maar op het ogenblik, dat je vast bent geroest in deze overtuiging en niet meer jezelf kunt afvragen: Is dat kwaad? dat je voor jezelf ten alle tijde alles ontkent, wat niet past je zelf gekozen levensweg dan gaat naast die weg een afgrond.

Er is een grensgebied. Een grensgebied van iets, wat misschien nog net zou kunnen. Een mens en een geest hebben een gewoonte om juist daarvan gebruik te maken, dat kan nog wel. Dat gaat nog wel. Maar wanneer je wat verder gevorderd bent en je bewustzijn steeds verder is voortgeschreden, dan betekent dat ook, dat je wankelt langs de rand van de afgrond, die zo diep is, dat ze je tenminste terugbrengt tot het beginpunt, van waar uit je je stijging naar hogere sfeer bent begonnen. Daarom is het onmogelijk om terzijde te gaan op zo’n ogenblik. Je móet verder, of ondergaan door de wetten en waarden die je jezelf hebt geschapen, nu je eens deze weg hebt gekozen en gevolgd. Dit zal ongetwijfeld reeds een grote verantwoording op ons leggen. Maar, zoals U allen; wel hebt gehoord, kunnen wij geen weg gaan zonder bepaalde beproevingen te doorstaan. En zo zegt de oude schrijver: “Wanneer we echter, de weg gaan en; zij is geworden tot een zwaard over een afgrond, dan ontmoeten wij zeven poorten, en elke poort wordt verdedigd door de monsterlijke krachten der afgrond.  Door elk dier poorten zullen we moeten gaan, want zelfs van terugkeer is geen sprake.”

Het is begrijpelijk, dat, naarmate wij scherper ons eigen wezen en de voor ons aanvaardbare richting definiëren, wij buiten ons meer waarden scheppen, die als het ware tegengericht zijn aan ons wezen. Op den duur wordt het pad, dat voor ons nog redelijk blijft, zo smal, dat het inderdaad vergeleken kan worden met het zwaard. Het scherp van een zwaard, waarover wij gaan. Maar er zijn 7 poorten, want wie zo nauwkeurig als mens of als geest terwijl hij nog begeerten of voorstellingen heeft zijn weg bepaalt, zal zichzelf vinden als vijand bij elke nieuwe overwinning.

Je moet zo’n poort doorgaan, zegt men. We zouden het beter uit kunnen drukken: je moet door zelfoverwinning komen tot een beter bewustzijn van de kracht in jezelf, waardoor je vrijer wordt van het scherpe smalle pad, waarop gaat, zonder terug te vallen.

Vandaar, dat dezelfde reeks van gedachten, waaruit ik er enige heb geciteerd, de laatste wel zeer vreemd is. Wanneer ge door 7 poorten zijt gegaan, dan is er geen pad meer. Zelfs niet zo scherp als het scherp van het zwaard. Maar wat wel blijft, is de kracht in U, die U verheft boven alle dingen en U vrijelijk doet gaan, hoog of laag, zoals U zelf wenst of wilt. Geen begrenzing meer voor de bewuste. Voor de bewuste bestaat hoog noch laag, goed noch kwaad. Voor de bewuste bestaat slechts de Goddelijke waarde, die hij erkent in al het zijnde, in elke sfeer, in elke wereld. En daaruit schept hij het Licht en voor zichzelf een hemelsfeer.

Het is niet zonder rede dat ik, na de in Paassfeer gehouden vorige bijeenkomsten, thans deze oude, volgens het christendom heidense, waarheid aansnijd. Want, wij vergeten maar al te vaak, dat er heel veel wegen zijn, maar dat, wie een weg kiest, die weg ook moet houden, en alle consequenties daar van voor zichzelf moet verwerken.

Wanneer wij een weg kiezen die we zelf hebben gekozen, pardon hebben gevonden, dan kunnen we nooit de wereld of iemand anders een verwijt maken. We kunnen nooit de verantwoording voor al datgene wat op dit pad gebeurt, van ons afschuiven. En daarom weigert menig mens dit te doen. Men bepaalt zich liever tot een weg door anderen ontworpen; die is breder en geeft meer mogelijkheden. Inderdaad, maar het is een pad, dat zich kronkelend voortslingerend ons bij lange stukken gaans uiteindelijk maar een zeer kort eindje verder brengt. Om verder te gaan moet je zelf je weg vinden. In volle overtuiging moet je zelf accepteren de volledige waarheid van het in je levende, moet je zelf doorstaan alle beproevingen, die het onvolmaakt besef van je eigen wezen je steeds weer oplegt.

Het is natuurlijk makkelijk om te zeggen: “Jezus is opgestaan, en Hij zal ons leiden.” Maar kán Hij dat? Natuurlijk. Door Zijn voorbeeld en Zijn kracht is Hij ons een voortdurende steun, is Hij ons in zekeren zin deel van de weg of de weg zelve. Maar, zolang we Hem nemen als voorbeeld en gelijktijdig Hem verheffen boven ons zelf, zouden we voortdurend in het grensgebied rondwandelen. Wij zullen altijd zeggen: “Hij kon deze rechte weg gaan, maar wij….” en dan volgt de vernedering van eigen persoonlijkheid, die tevens verontschuldiging moet zijn van eigen laksheid in het volgen van het gegeven voorbeeld. Geloof mij, degenen, die zó denken tot bewustzijn en lichte sfeer te kunnen komen, maken een grote fout. Wanneer Jezus ons DE weg is, dan is Hij dit niet, door wat Hij in wezen was, maar alleen door de leer, die Hij aan ons heeft achtergelaten, die wij kunnen aanvaarden als redelijk, en die we dan ook oprecht en tot het uiterste moeten volbrengen. Zo is Hij de weg, en niet anders.

Elke verontschuldiging, elk zichzelf wat denigrerend beschouwen en opmerken, dat men toch maar een zwakke mens is en dat men dit toch wel mag, betekent in werkelijkheid zichzelf in gevaar brengen neer te storten en grote geestelijke schade te ondergaan. Wanneer we echter tot de poorten komen, dan verandert de zaak.

De poorten zijn de beproevingen der inwijding. En 3 poorten zijn het, die de mens kent. Vier poorten zijn het, die aan de geest blijven voorbehouden, en die stoffelijk niet kunnen worden doorgaan of begrepen, dus ook niet doorstaan.

De eerste poort van de stof betekent beheersing van jezelf. Wie zichzelf beheerst, zal zijn weg verder gaan ongeacht de dreigende monsters rond hem, ongeacht de schijnbare geslotenheid van de poort vóór hem. Er is maar één weg om te gaan, en hij moet die verder gaan, want anders faalt hij. En het vreemde is, dat juist dit smalle weggetje, deze smalle levensmogelijkheid, die ge Uzelf gekozen hebt, U vrijwaart tegen alle stoffelijk geweld rond U, U vrijwaart tegen alle ondergang, die zich rond U afspeelt. Ge sterft als het ware zonder te sterven, omdat het leven in U voortgaat. En daardoor kunt ge de eerste poort passeren. In de eerste poort laat U achter de onbeheerstheid, die Uw wezen tot nog toe steeds weer aanviel. Deze vijand is overwonnen. Vanaf dat ogenblik zullen stoffelijke waarden, onverschillig van een lagere sfeer of van Uw eigen wereld, altijd Uw dienaren zijn. Maar ternauwernood hebben we ons deze overwinning gerealiseerd, of we staan voor een tweede hinderpaal. Het pad, dat nog smaller is geworden, totdat het slechts een haar breed lijkt, wordt bevolkt door demonen. Demonen, die dreigend op ons afstormen. De wereld valt ons aan, de hemel verlaat ons, er is eenzaamheid en de poort, waardoor we moeten gaan in duisternis. De demonen en de duisternis, zij vragen ons of we vertrouwen genoeg hebben, want iemand, die zijn eigen weg ten einde toe moet gaan, moet vertrouwen hebben in zijn God en in zichzelf en in de gerechtigheid, die het Al regeert.

Wanneer ge moedig voorwaarts schrijdt, zal geen van deze demonen, van deze verschrikkingen U werkelijk beroeren. Het duister der verlatenheid duurt, indien ge niet aarzelt, kort. En daarna breekt U een nieuw licht en een nieuw besef door.

Ge gaat verder, want daar wacht de derde poort. En deze is gevaarlijker dan beide voorgaande, want in de plaats van de monsters rond U is het hier de volheid van alle ontroering en begeren, die gij U voor kunt stellen. De poort zelve is levendig. Duister en moeizaam is het pad door de rotsen, hoog en haast onbegaanbaar. Maar daar rond heen groeperen zich de lachende tuinen, de zoete herinneringen, ja, al hetgeen wat sluimerende rust, wat aarzelend begeren kan verleiden om een ogenblik te verwijlen. Maar het is een schimmenspel, want ziet, al deze lust, deze vreugde en dit teruggaan naar het verleden, dat U misschien geboden wordt, kan voor U slechts betekenen: onbevredigdheid en val. Dan onberoerd verder gaan. Verder gaan, ook al werpen zich de schimmen van Uw ouders zich smekend voor U om een ogenblik te verwijlen. Verder gaan, al lijkt de weg geplaveid te zijn met Uw stervende vrienden en kinderen, zonder af te wijken. Verder te gaan ongeacht alle schoonheid en heerlijke verleiding, die U alle schatten der aarde schijnt te bieden. Dat is zwaar, maar wie zichzelf beheerst kan dit volbrengen.

Heeft men eenmaal deze poort doorschreden, dan laat men voor de verdere weg het lichaam achter. Want dat lichaam, dat slaaf en voertuig is geworden zonder meer, beheerst door de geest, zal, zo het dan leeft, geen betekenis kunnen hebben voor de verdere bewustwording.

Dan volgt de vierde poort. De vierde poort, die schijnt te zijn: een poort tot de hel. Zij is vol van al hetgeen, wat voor U verschrikking betekent. Er is geen enkel ogenblik, dat niet een nieuw en verschrikkelijk feit U aanstaart, dat een nieuw demonisch gezicht niet toevoegt aan de weerzin, die ge voelt voor deze weg. Want zij lijkt U onnatuurlijk, zelfs tegennatuurlijk te worden. Zij strijd met al Uw begeren naar schoonheid en verlangen, al Uw hoop op licht. Zij is de walging zelve. En ge zult door de walging heen moeten schrijden, zonder ook maar één ogenblik te aarzelen. En zolang ge Uwen weg gaat, kan zij U niet beroeren.

En de volgende poort, die daar kort op volgt, toont U als helse verleiding wederom een volheid. Maar nieuw. Een volheid van engelen en Goden. Een troon voor Uzelf om U neer te zetten en te heersen over wereld en sfeer. Ze toont U al, wat verleiding kan betekenen, elke gedachte en droom, die ge ooit gekoesterd hebt, is hier gerealiseerd in een volheid, die ge U niet hebt kunnen indenken. En dan moet ge toch verder gaan op Uw pad. Verder gaan tot naast dien troon, die op U wacht, en niet aarzelen en verder schrijden. Want achter dien troon ligt een poort.

En dan ontmoet ge eindelijk het gepersonifieerde begeren. Alle krachten ooit in één van Uw levens in Uw wezen ontplooid als negatieve waarden, zijn samen gekomen. Tezamen bouwen ze op één dreigend monster. Het heeft geen bepaalde gestalte, soms is het een draak, soms een slang, het heeft altijd weer een nieuwe vorm en een nieuwe betekenis, maar het is het totaal van Uw eigen onvermogen, dat U daar aanstaart. En gij zult IN dit onvermogen in moeten dringen; zonder aarzelen zult ge erheen moeten schrijden, het aanvattend en delend, zodat de weg voor U vrij komt. Wanneer ge geestelijk Uw eigen onvermogen hebt overwonnen, dan blijft alleen de laatste poort.

Een poort, die vol is van licht. Maar een licht, dat pijnigt. Licht, dat schijnt te bestaan uit bloesemende vlammen. Licht, dat U afsnijdt van al het zijn, licht, dat de weg achter U doet verdwijnen en U laat in de ongekende eenzaamheid, waarin zelfs de zelfbeschouwing schijnt weg te vallen als mogelijkheid.

Het is moeilijk ook deze poort te doorschrijden. Want het likt U af daar achter de absolute vernietiging ligt van Uw eigen wezen. Maar ge zult ook dien weg verder gaan, ook die poort doorschrijden en dan zult ge inderdaad zijn, zoals het oude beeld zegt: “aan het einde van het zwaard.” waarover Uw weg heeft gevoerd. Het oordeel is over Uw wezen gesproken, ge hebt het zelf gedaan.

Gij zijt geleid door één principe, één gedachte, één doelstelling, al deze schreden lang. Gij kunt niet meer ondergaan. Gij zijt gelouterd door steeds Uzelf te overwinnen in elke fase. Gij zijt bevrijd van alle krachten, die U nog binden aan wereld en stof, gelouterd van alle voorstellingen en sferen. Nu blijft alleen de werkelijkheid. En deze werkelijkheid betekent, dat ge elke wereld en sfeer U kunt realiseren, alleen door Uw eigen wil. Dat ge kunt dalen tot het diepste en stijgen tot het hoogste. Het betekent ook dat Uw eigen licht, een deel van Uw wezen word, toen gij de grootste eenzaamheid hebt overwonnen, ten alle tijde Uw licht blijft, waar ge ook zijt en hoe ge ook gaat.

De weg van inwijding blijft. Zij was er aan het begin van deze wereld, toen de geesten uittredend en voorzichtig het ongeziene pad gaande, steeds weer deze zelfde hindernissen ontmoetten. Zij wilden gaan tot de hoogste sferen. En de moedigen hebben het teruggebracht, hun mislukking en hun aarzeling, maar ook de hinderpalen.

En dit is een waarheid, oud als zij moge zijn nooit ondergaat zolang een geest naar bewustzijn streeft.

Want mijne vrienden, de werelden zijn vele. De mogelijkheden oneindig in God. Maar in onszelf zijn de mogelijkheden weinige. Dan bestaat er maar één werkelijke wereld. Dáárom moeten wij het nauwe pad gaan. Dit slechts kan ons voeren tot de voleinding, waar het ons confronteert met onszelf en uit onszelf doet naar voren treden; de grote werkelijkheid die ons wezen is,.

o-o-o-o-o

Willen Volgen

Willen volgen. Dat is eigenlijk iets, dat mens en geest is ingeschapen. Bewust van eigen onvolmaaktheid, treden we steeds in de voetsporen van een ander. Wij volgen. Soms volgen we de duisternis en soms het licht, maar we willen altijd volgen, omdat we niet alleen durven staan in het leven.

Men kan de grote vraag: hoe zullen we het beste, het meest juiste, onze wil volgen kunnen verwerken in ons leven?

En dan gaan we vragen aan onszelf: Welke weg bestaat er voor mij? En dan zal Uw verstand, dan zal Uwe geest antwoord geven en zeggen: Ziet duizenden wegen. En dan vraagt ge Uzelf: Welke weg durf ik gaan? En dan zegt ge tegen Uzelf: Ik kan die wegen niet overzien; ik kan niet precies begrijpen, hoe deze keuze wel, en gene niet goed zal zijn.

En dan zoekt ge voor Uzelf naar degenen, die iets achter hebben gelaten en reeds eerder een weg zijn gegaan.

En dan zien we overal leerstellingen, wij zien overal patronen, afgedrukt op de wereld, waaruit we kunnen putten en onze weg verder bepalen. Want zeker, wij willen graag iemand volgen, maar het is zo moeilijk het goede voorbeeld te vinden, de goede persoon. Soms vind je een mens, een geestelijke kracht, die je leidt, en dan kun je die volgen. Maar dan moet je dat met vol vertrouwen doen, want je kunt ze niet nu wel volgen en dan verwerpen. Er is geen halfheid mogelijk in deze. Wanneer je werkelijk volgen wilt, dan moet je aanvaarden óf niet volgen en dus verwerpen.

Dit begrijpende gaat de mens een voorbeeld zoeken en hij overpeinst lang, hoe dit voorbeeld te maken tot iets van juiste perfectie. Hij heeft soms in vele geslachten met zijn legenden en verhalen een vorm en het wezen, dat hij vereert. Hij tekent zelf, als het ware, de voetstappen, die nooit warden genoemd door degene, die voorging. Hij tekent zichzelf op de weg, van punt tot punt, zodat hij uiteindelijk de gehele weg meent te bezitten. En dan zegt zich die mens! Dezen zal ik volgen. Maar gaat hij de schreden, van hem, die is voorgegaan? Ach neen. Hij gaat zijn eigen schreden, zich richtend naar hetgeen zijn voorganger hem heeft geleerd

“Willen volgen” mag nooit betekenen een slaafse onderdanigheid. Het betekent wel een aanvaarden van een zeker standpunt, dat een ander heeft. Maar precies volgen is een waanzinnig spel, dat ontaardt tot een fantastisch ballet van waanzinnige scènes en met demonische krachten doortinteld. Je kunt niemand – geen Jezus en geen mens – volgen, precies elke schrede; maar je kunt wél trachten punt na punt te bereiken, wat zij bereikt hebben. En dat betekent, dat je ook hun tempo enigszins moet handhaven ge moogt niet achterblijven.

Zo vaak hoort men op de wereld zeggen: Ga voor, we volgen U. Dan wordt daarin de wil tot volgen uitgedrukt. Maar heeft dat willen volgen dan ook niet de betekenis, dat men zelve niet de verantwoording wil dragen? Of in zichzelf de capaciteiten niet aanwezig acht, om zelf een weg te zoeken? En toch leidt deze wil te volgen er bij velen toe, dat ze zich door blinden langs een afgrond laten leiden, of, dat ze zich door een lamme laten leiden, wanneer uiterste spoed noodzakelijk is.

Het is goed om te willen volgen, zeker, maar beter is het, om het volgen terug te brengen tot het erkennen van de grote waarden die geborgen liggen in al hetgeen onze voorgangers op groot geestelijk gebied ons hebben achtergelaten. Te leren begrijpen wat zij bedoelen, en voor onszelf te kiezen uit de punten, welke zij ons hebben gegeven. Zelfstandig voort te gaan en verder te gaan, altijd weer, tot uiteindelijk onze wil tot volgen is geworden een wil tot gelijk worden. Niet tot overtreffen: tot gelijk worden. We zullen altijd het recht van de eerste, die het spoor heeft gebaand moeten erkennen. Maar we zullen, gelijk deze, het zelfde einddoel kunnen bereiken, naast hem staande, de gehele weg afgelegd hebbende.

En dan heeft onze wil tot volgen ons tot het einddoel gebracht, en daar gaat het om. Je kunt niet ondergaan, wanneer je een ander volgt, tenzij die ander eerst is ondergegaan, en wie daarop acht geeft, begrijpt, en ziet, en weet, dat zijn weg niet goed is en zal niet meer volgen, want de wil tot volgen zal weg vallen bij het zien van den ondergang. We zouden de wil tot volgen samen kunnen vatten:

Volgen wil ik Uw glorierijk spoor. Gij trekt door het leven de kaarsrechte voor, waaruit mij de vruchtbaarheid tegen komt streven.

Ik zie de gedachten, de sferen en krachten, die zijn geboren uit Uw gaan. Daarom volg ik Uw schreden en wil ik, zo Gij ging, verder gaan. Maar zie ik, dat Gij hebt geleden, en kan ik het zelve niet doorstaan, dan zal ik niet langer meer streven, verwerpen de vage waan, dat Gij mij boven het lijden nog bijzondere krachten kunt geven. Maar ik weet, Gij, die zijt voorgegaan, Gij hebt Uwen weg volbracht. En in mij leeft, zoals in U, de Goddelijke kracht, die altijd draagt en altijd schraagt, wanneer wij verder gaan. En daarom wil ik volgen, en kies ik Uwen baan. Maar eens is ‘t volgens mij, genoeg..,…. en zal ik verder schrijden, zoals bewustzijn, dat mij droeg mij dit onderwezen heeft.

Misschien ben ik dan wel de kracht, die anderen leiding geeft, of kracht, die voortleidt onbesef, uit wereld van waan tot in een nieuwe tot eerlijk waar bestaan.

Want de wil tot volgen is niet genoeg. Volgen alleen zegt niets. Bereiken, dat is het punt waar alles om gaat. Wanneer wij begrijpen, dat een weg voor ons aanvaardbaar is, wanneer wij gevoelen, dat zekere krachten ons voldoen en juist zijn, wanneer we begrijpen, dat onze weg ons zó kan voeren, dan volgen wij, zolang vóór ons een gebaand spoor ligt, dat ons leidt tot een weg, die voor ons verantwoord en begrijpelijk is. Maar op het ogenblik, dat het te ver gaat, gaan we onzen eigen baan. Wij zijn geen verantwoording verschuldigd aan degene, die ons voorgegaan is, maar slechts aan de God, die ons geschapen heeft, die, als bewustzijn kracht en geweten in ons leeft, in ons wezen, te allen tijde .

Daarom volgen wij niet, tenzij ons eigen wezen ook dezen weg gekozen zou hebben, tenzij deze weg eigenlijk onze weg is. En steunend op hetgeen, die er zijn voorgegaan, ons hebben nagelaten, durven we dan misschien wat sneller voort te gaan.

Maar zelfs al willen we volgen, wij moeten toch onze eigen weg gaan, om dat alleen onze eigen weg ons voert tot onze eigen. plaats binnen de Goddelijke schepping, en daarmede tot de voltooiing van ons levensdoel; de eenheid met het volmaakte wezen, dat ons heeft voortgebracht.