Historische parallellen

image_pdf

16 juli 1965

Bij het begin van deze bijeenkomst wijs ik u erop, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Denkt dus zelf na over alles, wat naar voren wordt gebracht. Mijn onderwerp voor heden is: Historische parallellen.

Wanneer wij in de historie trachten de groei en vorming van geloof, staat, sociale structuur na te gaan, zo ontmoeten wij iets, dat de doorsnee historicus pleegt te verwerpen: De bekende spiraal waarbij bepaalde ontwikkelingen elkander en zichzelf voortdurend herhalen. Men zegt dan: Dit is geen vergelijkbaar materiaal. Ik meen echter, dat men hier toch wel zeer sterk van een eigen en beperkt standpunt pleegt uit te gaan.

Wanneer wij bijvoorbeeld zien hoe de veroveringstocht van Alexander de Grote verloopt, blijkt ons, dat hij allereerst een aantal betrekkelijk eenvoudige overwinningen behaalt, gebaseerd op het snel verplaatsen van troepen en het paraat zijn wanneer anderen dit nog niet zijn. Hierdoor kan hij een zeer groot gebied rekenen als het zijne. Niet tevreden met zijn veroveringen, gedreven door een noodzaak te blijven veroveren, valt hij Indië aan, dat weliswaar voor hem valt, maar waarin na de verovering de krijgslieden hun hardheid en het leger zijn samenhang verliest. Alexander is daardoor niet meer in staat de omstandigheden te blijven beheersen, verslagen door het klimaat en de gebruiken van Indië kan hij zich niet meer handhaven, zodat zijn terugtocht zijn dood wordt.

Kijken wij naar de geschiedenis van Napoleon, zo ontmoeten wij daarin vele gelijksoortige ontwikkelingen. Ook hier is er sprake van iemand, die uit een rijk in gisting als veroveraar en krijgsman naar voren komt, daardoor tot populaire figuur wordende. Zoals Alexander dankt hij zijn populariteit vooral aan zijn krijgslieden en krijgstochten, terwijl ook hij voor vrienden en familieleden wel bijzonder royaal is. Maar ook Napoleon doet uiteindelijk die ene stap, die net iets te ver gaat voor zijn vermogen en zal, juist wanneer hij meent gewonnen te hebben, de stad Moskou rond zich zien branden. Hoewel zijn terugtocht voor hem nog niet een persoonlijk einde is, betekent zij voor hem eveneens het einde van alles, waarvan hij ooit droomde: Van een verenigd Europa, een herleven van het grote rijk van Karel de Grote.

Men pleegt te zeggen, dat een dergelijke parallel niet juist is getrokken, omdat de gebeurtenissen zich afspelen onder geheel andere sociale omstandigheden en de wijze, waarop de legers manoeuvreren geheel anders was. Ook de persoonlijkheden, zo zal men stellen, zijn te verschillend. In vele opzichten ben ik geneigd een dergelijk argument te aanvaarden, maar men verliest een punt uit het oog: Wanneer wij geen rekening houden met de verschillen van normen en tijd, maar slechts met de optredende invloeden, blijkt de geschiedenis zich hier wel degelijk te herhalen. Zo eens de nederlaag voortkomt uit een tocht naar het oosten, zo blijkt in het tweede geval een tocht naar het noorden de oorzaak van de nederlaag te worden.

Als wij nog iets verder zoeken en bv. naar Hitler kijken, blijkt zich ook hier hetzelfde voor te doen, met dit verschil, dat deze zijn nederlaag uiteindelijk aan het westen heeft te danken. Het lijkt haast logisch om te stellen dat, zo er nogmaals een dergelijke nederlaag voor zou komen, de bron van de val in het zuiden gelegen moet zijn. Aangezien wij op het ogenblik Europa uit kunnen schakelen als omgeving, waarin een dergelijke figuur optreedt, zou het redelijk zijn aan te nemen, dat hier de V.S. als beginpunt van de ontwikkeling in aanmerking zouden komen. U kunt nu opmerken, dat een directe oorlog tussen N-Amerika en Z-Amerika ondenkbaar is.

In zuiver militair opzicht is dit misschien waar. Zeker is het niet waar in politiek, sociaal en cultureel opzicht. Er is zelfs reeds nu een zekere bedekte handelsoorlog gaande tussen N-Amerika en vele delen van Z-Amerika.

Ik heb dit alles uitgesponnen om u duidelijk te maken, wat ik bedoel met historische parallellen: Ontwikkelingen en tendensen eerder dan reeksen van feiten alleen. Ik meen verder duidelijk gemaakt te hebben, dat ik in vele gevallen meen, dergelijke parallellen wel te mogen trekken, ook i.v.m. toekomstige ontwikkelingen. Dergelijke historische parallellen zijn volgens mij van belang, wanneer men zijn eigen tijd en haar mogelijkheden wil duiden. Op aarde geldt altijd weer: Uit het verleden kan men zekere leringen trekken, maar op gelijksoortige reeksen van ontwikkelingen kan men ook een prognose baseren.

Wanneer ik bv. een vergelijking ga maken tussen de situatie van Duitsland rond 1920 en Engeland rond 1966, blijkt mij, dat er in de economische en partijpolitieke ontwikkelingen een grote overeenkomst bestaat. Wij weten, dat door deze ontwikkelingen in Duitsland een inflatie ontstond, welke de gehele gemeenschap deed ontsporen. Wij kunnen op grond van de overeenkomsten dus wel aannemen, dat voor Engeland op het ogenblik een dergelijk gevaar bestaat. Te zeggen, dat dit gevaar ook geheel zal worden gerealiseerd, is dwaas: De omstandigheden zijn enigszins anders, dus zullen er ook andere mogelijkheden bestaan, maar de tendens is dezelfde. Indien wij kijken naar de manier, waarop bepaalde politieke figuren in Duitsland zijn opgetreden en dit vergelijken met de wijze, waarop in deze dagen de verhouding tussen Britse staatslieden zich toespitst, moeten wij echter zeggen, dat vooral op het gebied van de regeringen en het optreden daarvan wel buitengewoon veel overeenkomsten te vinden zijn.

Denken wij aan Frankrijk, dan zijn eveneens interessante parallellen te vinden: Hier treffen wij in deze dagen een houding, die herinnert aan de houding van de V.S. tijdens het bewind van de eerste Roosevelt. Zowel de hoofdpersonen als de wijze, waarop dezen hun politiek voerden, evenals bepaalde eigenaardigheden in de sociale structuur van beide landen, zijn wel degelijk vergelijkbaar. Nu was voor de V.S. in het verleden het gevolg van deze tendensen als reactie een groot isolement, dat ten dele moest worden opgeheven door immigratie aan te moedigen. Een logische conclusie zou zijn, dat Frankrijk, zo het zijn heilige beslotenheid nog enige tijd wenst te handhaven, van buitenaf nog veel meer werkkrachten zal moeten aantrekken, om zo zijn noodzakelijke productiviteit te behouden. Hierdoor zal echter ook de band met “les autres” ontstaan, waardoor Frankrijk op den duur ten bate van, en ten voordele van anderen, grote offers zal moeten brengen. Misschien zijn deze punten op zichzelf niet zo buitengewoon belangrijk. Maar wanneer dit alles samenvalt in een periode, waarin de gehele wereld bewust of onbewust iets verwacht – men weet zelf niet wat, en bouwt legenden – dan kunnen wij, door iets verder in de geschiedenis terug te gaan, eveneens belangrijke aanduidingen vinden. Het zo gevonden beeld kan sprekend zijn voor de achtergronden en gevaren van deze dagen.

Eens was het Incarijk zeer machtig, het was een welvarend land, dat in vele opzichten, bv. voor verbindingen, de beste en meest doelmatige organisatie van de wereld kende. In zijn sociale structuur en de verzorging van de burgers hoefde het – rekening houdende met de kennis en mogelijkheden van die tijd – zeker niet onder te doen voor staten met een zeer sociale structuur in deze dagen als bv. Zweden. Dit alles was gebaseerd op een overheersing door de keizer en de keizerlijke familie. Er was een grote priesterstand, die in wezen de ambtenarenstand grotendeels verving, maar er zijn toch wel zeer vele overeenkomsten te noemen. Dit volk kon zich niet slechts goed handhaven, maar vormde de kern van een grote, en een groot gebied overheersende beschaving, tot het ogenblik, dat een verwachting wakker werd. Dit gebeurde niet in een tijd dat het slecht ging, immers, toen Montezuma aan het bewind kwam, had men grote invloed op omliggende volkeren en vele handelsrelaties. Ofschoon het geheel voornamelijk op landbouw gebaseerd was, zo was deze goed georganiseerd. Men was welvarend. De techniek van het volk was – zover men van techniek mag spreken – goed, de cultuur stond hoog. Maar er was een gevoel van verwachting.

In wezen verwachtte eenieder de vervulling van een noodlot – gebracht door blanke goden van overzee, een nieuwe kracht, die men niet kon overzien. Wij zien dit gehele machtige rijk in handen vallen van mensen als Pizarro, condottieri, rovers, die zich met weinig moeite van alle rijkdommen meester maken en vragen ons af, hoe dit toch wel mogelijk is geweest… Een zo groot en machtig rijk, met een zo groot leger, zo goed georganiseerd, dat men haast onmiddellijk weet, dat er blanken geland zijn. Het is haast niet denkbaar, dat een kleine pressiegroep, die zich zo onedel en onredelijk gedraagt, alles kan beheersen en de gehele macht van dit rijk kon overwinnen.

Maar wanneer wij nu naar het heden zien, zo zal men ook menen, dat het onmogelijk is de westelijke wereld of bv. het oostelijk blok binnen te dringen en te overheersen; men kan zich niet voorstellen, dat de zo geperfectioneerde en ingewikkelde maatschappelijke structuur zal worden aangetast. Evenmin als de bewoners van het Incarijk geloofden, dat hun vorm van samenleving geheel kon worden vernietigd, zelfs door de blanke “goden”. Maar ook in het heden wacht eenieder op iets, op een gebeuren en, evenmin als in het oude Mexico, weet men, waarop men eigenlijk wacht. Wanneer in de periode van verwachting, angstige verwachting, ook maar een enkele onverwachte factor in de wereld optreedt – bv. in de machtspolitiek – zo zal men, evenals Montezuma eens deed, offeren en blijven offeren, blijven betalen, om de boze vijand af te kopen of gunstig te stemmen en uiteindelijk hem hierdoor de middelen en de aansporing verschaffen, die hij nodig heeft, om de gehele samenleving te vernietigen.

Nu klinkt deze beschouwing misschien erg pessimistisch, maar zij is dit in wezen toch niet. De Incabeschaving viel als slachtoffer, deels door eigen zwakheid, deels door de hebzucht van de roofridders. Door de acties, die zo in Mexico en Midden-Amerika plaats vonden, werd uiteindelijk een geheel nieuwe beschaving geschapen. De smeltkroes van het zuiden, waarin wij Latijnse volkeren vinden, vermengd met indiaans en negerbloed, is eenvoudig niet denkbaar zonder een voorafgaande val van het Incarijk. Het noorden van Amerika – en zo de wereld – heeft veel van zijn ontwikkeling in deze dagen te danken aan de controversen tussen Noord en Zuid. Wanneer het Noorden een nederzetting was gebleven van uitgeweken geestdrijvers, mensen, die alleen een godsdienstige vrijheid zochten, was Amerika nooit groot geworden. De Latijnse invloed uit het zuiden, de gewoonte slaven te houden, versterkt door een grote Franse invloed in bv. Louisiana, bracht de zuidelijke vorm van leven en denken tot aanzijn, versterkt met de boekaniers, de zeerovers, die de weelde van dit zuiden mogelijk maakten. Hierdoor vooral werd een vraag geschapen, die het Noorden er toe bracht steeds meer industrieel te gaan werken.

Het is dus niet zo, dat het Noorden van het begin af aan industrieel was. De vraag en rijkdom van het Zuiden hebben dit proces doen beginnen en zich snel doen verder ontwikkelen. Het is de rijkdom van de plantages in het Zuiden, die het Noorden de eerste impuls tot de huidige vorm van samenleving en beschaving gaven. Het is de strijd om de slavernij, waaruit de grootheid van de huidige USA bepaald werd. Dit is een langdurig proces. Maar zeker is het, dat dit alles nooit bestaan zou hebben, wanneer niet in de sporen van Columbus, avonturiers en rovers het El Dorado hadden gezocht.

In de wereld van heden is een nieuwe vorm van samenleving noodzakelijk. De huidige beschaving is niet voldoende voor de eisen, die aan de mensheid van heden gesteld worden. Met alle cultuur en zekerheden, met alle onderlinge verbondenheid, is de mensheid nog niet in staat tot een werkelijke eenheid te komen. De mensheid is niet in staat, om, zoals eens van de trekkende stammen door de dwang van het lot een natie werd gemaakt, door eigen wil tot mensheid te maken en zich te bevrijden van alle vooroordelen en nationale gevoelens. Dit, gepaard gaande met de angstige verwachting bij velen van iets onbestemds, is voldoende om een proces van omwenteling en vernieuwing door middel van op roof beluste pressiegroepen haast onvermijdelijk te maken.

Nu heb ik u reeds gezegd dat ik een volgende nederlaag zie als veroorzaakt door het Zuiden. Nu verwacht ik dit zeker niet alleen vanuit Zuid-Amerika, ofschoon dit op het ogenblik een ketel vol gisting is, die zeker vandaag of morgen kan overkoken. Er is namelijk ook de invloed van Afrika, die een omwenteling in menselijke verhoudingen schijnt af te willen dwingen, terwijl – door menigeen niet beseft – een ander blank probleemgebied bestaat: Australië, dat een grote invloed op het hedendaagse wereldbestel dreigt te worden. Deze zuidelijke delen van de wereld bieden weerstand aan de inzichten van het Noorden, de huidige zetel der beschaving en zullen hieraan bepaalde rechten af willen dwingen; groepen, die vooruit willen, zullen zich een plaats op de wereld moeten veroveren en wel een zeer goede en lucratieve plaats. Afrika zal hierom in toenemende mate pressie uitoefenen en Afrikaanse roofridders in colbert zullen de westelijke wereld steeds meer het mes op de keel gaan zetten. Australië zal, uit zelfbehoud, het Gemenebest los moeten laten, dat geen voldoende mogelijkheden tot afzet en handhaving van welvaart meer biedt en zal zich wenden tot die delen van de wereld, waar voor de producten van dit land een afzet en een uitwisselingsmogelijkheid voor bepaalde behoeften bestaat. En die gelegenheid is zeker niet meer in Engeland of zelfs maar Europa te vinden.

Wat het eerlijke deel van Afrika betreft: daar komt op het ogenblik haast alle aanmoediging vanuit China. Desondanks kan men niet zeggen, dat de ideologie van China voor Afrika een werkelijke oplossing kunnen vormen. Men moet daar iets nieuws vinden, waardoor men zich zelf kan blijven en zich gelijktijdig toch alle voordelen eigen kan maken, die het Noorden op het ogenblik heeft. Men zoekt daar naar een eigen beschaving, een soort negercultuur.

Zuid-Amerika is nog steeds het land van de vele armen en de weinigen zeer rijken. Zoals de situatie daar nu is, kan zij niet lang meer blijven bestaan. Maar de belangen van de noordelijke delen der wereld zijn voor een groot deel gebonden juist aan de nu bestaande mogelijkheden en verhoudingen. De armen grijpen hier naar de middelen, die het Noorden eveneens gebruikt, om een welvaart te vinden, en bindt zich aan vakbonden – vaak misdadige – en gaat steeds meer uit van politieke partijen, die niet met eerlijke, of alleen revolutionaire middelen werken, maar de terreur als machtsmiddel handhaven. In de snelle ontwikkelingen van genoemde gebieden ligt m.i. de kern van alle omwentelingen, die deze tijd zullen kenmerken. Een historische parallel is gemakkelijk getrokken en wordt even gemakkelijk gewraakt door “deskundigen”. Vanuit mijn standpunt zie ik echter grote overeenkomsten tussen het verleden, het heden en de toekomstige mogelijkheden.

Ik zie verder in deze tijd principes van vernieuwing overal de kop opsteken, zonder dat zij ergens voet aan de grond schijnen te krijgen. Er zijn onnoemelijk veel dromers in deze dagen.

Sommigen onder hen dromen anarchistisch, socialistisch, zuiver kapitalistisch of fascistisch. Maar dit zijn alleen maar termen, die slaan op de gevolge methoden en middelen, niet op de mentaliteit. Al deze groeperingen zoeken, of zij het nu toegeven of niet, naar een nieuwe “leider”. Zij verkondigen allen de komende tijd. Toen eens Israël onder het juk van Rome moest buigen, traden er in dit volk zeer vele profeten naar voren. Dromers, zo u wilt. Uit dezen maakt zich voor de christenen wel het meest kenbaar Johannes de Heremiet los, die later de Doper zal worden genoemd door de wijze, waarop hij reeds een nieuwe gemeenschap in het land probeert te vestigen. In die tijd was geheel Israël vervuld van verwachting: Men hoopte op het komen van de Messias, die alle schande en alle ongemak zou wegnemen. Of deze leefde of niet, wist niemand. Men hoopte, maar wist niet, zelfs niet toen Jezus al in het openbaar optrad. In het begin had de Doper grote vrijheid en werd hij bewonderd. Later zou hij het slachtoffer worden van zijn invloed op het volk.

Nu is er in deze dagen een Wereldleraar geweest, die ondertussen reeds weer van uw wereld is heengegaan. Zijn volgelingen werken op het ogenblik vooral in Pakistan, India en de rijken van het Nabije Oosten. Hij baande een pad, kondigde iets aan. Of de werkelijke vernieuwer van deze tijd reeds geboren is, weet niemand. Dat hij komen zal, voelt haast eenieder, die geestelijk streeft, aan. Het is noodzakelijk, dat het geestelijk pad, dat deze wereld gaat, vernieuwd en gereinigd wordt, bevrijd wordt van het vuil, dat de mensheid met pogingen tot reglementeringen en beredeneringen daarop heeft gedeponeerd, tot dit pad haast onbegaanbaar is geworden.

Toen de Verlosser kwam, werd hij door zijn volk niet aanvaard. De meesten verwierpen hem, vooral omdat hij een bedreiging was van de heersende belangen. Maar niet vele jaren nadat men met hem en zijn volgelingen meende afgerekend te hebben, werd Jeruzalem tot de laatste steen gelijk gemaakt met de grond. Waarom? Je kunt niet star en strak een bepaalde stelling blijven huldigen, een bepaalde leefwijze als enig juiste blijven verdedigen en een bepaalde godsdienst als enig juist blijven verkondigen, wanneer je niet meer over de macht beschikt om je wil eenvoudig aan anderen op te leggen. Er is geen land op de gehele aarde, dat op het ogenblik over voldoende macht beschikt om allen, die van belang zijn, zijn eigen visie zonder meer op te leggen en alle niet gewenste ontwikkelingen te onderdrukken. Het moge schijnen, dat bepaalde grote Staten dit nu kunnen, maar als het erop aankomt, is er maar één ding, dat op het ogenblik werkelijk telt! De gedachte aan winst, aan welvaart en genot. De Romeinen, met hun landvoogden enz., zijn vervangen door de commerciële rijken van deze wereld, door de internationale handelsbelangen. De wereld, is bezet door deze machten zoals Israël eens door de Romeinen, en ook hier zijn stemmen, die hij voortduring spreken van een komende verlossing. Maar de verlossing is nog niet kenbaar. Wanneer Israël Jezus niet had gedood, maar had aanvaard, zou daarmede de overheersing van Rome niet ongedaan gemaakt zijn. Wat wel geschied zou zijn: Door deze geheel nieuwe mentaliteit zou er een overwinning op het Romeinse rijk behaald zijn, die de Romeinen zelf niet zouden beseffen. Men zou door deze denkwijze Rome meegesleurd hebben en zichzelf als belangrijke natie gehandhaafd hebben.

Denk niet, dat dit een onmogelijkheid is, iets dergelijks is al eens eerder gebeurd, toen de Manchous China binnentrokken en het gehele oude Rijk van het Midden beheersten. Zij werden daar onderdanig ontvangen en gediend. Zo eindigden de Manchous met méér Chinees te zijn dan de Chinezen zelf. Dit was zo sterk, dat de “staarten” waarmede men nu nog steeds Chinezen af pleegt te beelden, door de overheersers verplicht werd gesteld, opdat deze gebruikt kon worden als een soort scalp-lok, maar deze veroveraars uiteindelijk zelf met valse vlechten liepen, om er vooral gewichtiger en meer Chinees uit te zien dan de Chinezen zelf. Dit lijkt misschien dwaas, maar dit overweldigen door een opnemen van vreemde elementen in eigen volk is meerdere malen op aarde geslaagd. Bij het joodse volk is dit niet gelukt.

De wereld van vandaag heeft ook te maken met vele vreemde elementen, die zij niet onmiddellijk kan beheersen en zal een van de beide parallellen waar moeten maken, de vraag is alleen maar, welke. Misschien, dat de vernieuwer komt, en hét einde een wereld wordt, waarvan geen steen op de andere blijft; misschien ook komt de vernieuwer en wordt de mentaliteit van het vernieuwen dan de z.g. reële waarden, zo de werkelijke macht uithollende en daarvoor in de plaats de macht van eensgezindheid, geweldloosheid stelt, en niet de door eigenbaat alleen gedragen macht stelt. Ik meen, dat dit laatste zeker mogelijk is. Juist omdat mijn interesses zowel het heden als het verleden gelden, heb ik ook beelden gezocht, die de mogelijke verdere ontwikkelingen kenbaar zouden kunnen maken.

Ik vind dan het volgende: Duitse jongeren, die overal ter wereld helpen bouwen, kerken enz., om zo een soort herstel te geven voor alles, wat door hun volk eens misdaan werd. Toch hebben deze jongeren geen werkelijk schuldbesef. Zij zoeken slechts een goodwill te tonen en te verwerven.

Ik zie jonge mensen vanuit de USA uitgaan, niet zonder verwaandheid misschien, maar toch zich als zogenaamde vredessoldaten vermengende met andere volkeren, en in andere landen iets anders brengende dan het zakelijk domineren en het richting geven aan andere primitievere volkeren volgens internationale belangen. Zij brengen in vele landen een zeker gevoelen van gelijkwaardigheid en verwantschap tot stand. Naast de vele negatieve aspecten van deze dagen merk ik vooral steeds meer mensen op, voor wie grenzen hun werkelijke belangrijkheid zijn gaan verliezen, mensen, die alles, wat de volkeren scheidt, niet meer als noodzakelijk, maar als een overbodige belemmering zien. Kortom, ik zie over geheel de aarde een nieuwe mentaliteit ontstaan.

Daarom zou ik voor de mensheid van deze dagen niet de parallel van het Incarijk willen zien als beslissend; de Inca’s zijn grotendeels ondergegaan in een dwaze strijd. Wat overbleef van dit volk, ging ten onder als slaaf in de mijnen of vluchtte weg naar de oerwouden in het zuiden, vooral de oerwouden van Z. Amerika, waar zij de voorvaderen werden van betrekkelijk snel vervallen indianenstammen. Ik zie naast alles, wat voor de naties als een haast onvermijdelijk noodlot in de historische tendensen schijnt te zijn vastgelegd, een welwillendheid bij vele mensen, die tegen alle beproevingen bestand is.

In de dagen van het eerste christendom vinden wij steeds weer de overwinning van het christelijke denken en leven door geweldloosheid, door een vastberadenheid, die echter alle geweld ontkent en vermijdt. Daarbij zijn zeker ongetelde martelaren gevallen – in vele gevallen door een nauw verborgen wens door sterven de zaligheid te verwerven.

Belangrijker dan dit alles is echter de hoop, die men brengt in de havenkwartieren van Rome en de inhoud, die men uiteindelijk ook weet te verschaffen in de geestelijk lege levens van vele rijkeren. Rome en Byzantium, zetels van de grootste machten van die dagen, worden tot de eerste werkelijke zetels van het christendom. Ik meen, dat de grensloosheid, een begrip van eenheid, onder de mensen dergelijke overwinningen tot stand kan brengen.

Wat maakt het dan uit, of de Staten van heden wankelen en vallen, of de valuta’s van vandaag op morgen misschien de helft van hun waarde verliezen? Wat maakt het zelfs uit, wanneer de aarde beeft en schokt en scheurt, als de mensen maar tot werkelijke mensen worden? In de eerste dagen van het christendom was er sprake van kinderlijkheid, bijgeloof, primitieve magie enz., overal waar het geloof vaste voet kon vinden. Toch is daaruit, buiten alle rede en redelijkheid om, iets tot stand gekomen, dat zelf nu nog zeer machtig is. Het wezen van de eerste christenen werd immers beheerst door een honger naar broederschap, naar verbondenheid en belangrijkheid. Maar deze honger, eens vooral kenbaar in geweld en eisen, werd binnen de christengemeenschappen omgezet vanuit een “alles van de wereld eisen” naar een “alles aan de wereld bieden”.

In een wereld, die zoveel eisen stelt, zoals vandaag overal het geval is, kan een bestaande sociale structuur niet blijvend gehandhaafd worden. Zelfs wanneer de gehele gemeenschap haar vorm zoekt op een wijze, waardoor aan alle eisen beantwoord kan worden, maar daarbij de zelfzucht van eenling en groepen niet verandert, zal de gehele sociale samenhang eens moeten breken. Dat kan niet anders, omdat het wezen van een dergelijke maatschappij “het eisen van anderen”, en niet “het zelf geven”, als punt van uitgang neemt. De mensheid vraagt echter meer dan goederen en welvaart, meer dan zekerheid alleen. Zij vraagt het in wezen beleven van de gemeenschap, broederschap, de werkelijke vrijheid en vrede, die voortkomt uit een gezamenlijk werken en streven. Wanneer er een brandpunt in de wereld ontstaat, waardoor deze behoefte aan verwantschap, aan één-zijn met anderen, aan erkenning en erkend worden, in focus wordt gebracht, zo ben ik er van overtuigd, dat de mensheid op al haar problemen het juiste antwoord zal weten te vinden.

De haat tegen het christendom deed Rome branden, terwijl Nero de luit sloeg en verzen declameerde en pretorianen zinloze moorden begingen. Maar zelfs met de vernietiging van de stad of t.m. bepaalde wijken daarvan, konden de christenen niet uitgedreven en verslagen worden. De wereld van vandaag dreigt te branden. Ook zij dreigt een wereldbrand als enige oplossing voor eigen geschapen problemen te zien. Maar daar, waar een dienend elkander helpen, een zoeken naar gemeenschap in dienende zin en een pogen elkander ondanks alles te begrijpen, en een aanvaarden in de plaats kan komen van politieke leuzen en nationalistisch gedaas, zal, naar ik meen, de mensheid de nederlaag van vele van de nu heersende machten niet alleen overkomen, maar zal zijn een werkelijke eenheid en broederschap kunnen winnen.

Ik wil u echter niet alle parallellen gaan opsommen, die ik heb gevonden, maar zal u alleen de gevonden mogelijkheden weergeven, zonder daarbij al te veel de beelden uit het verleden aan te halen.

In de eerste plaats: Er is een grote verstoring van de economische evenwichten in vele landen. Wanneer u bv. Engeland beziet, zult u zien, dat daar vooral de storing van geldelijke aard is en voortkomt uit de gebruikte maatstaf, het goud. Ziet u naar de USA, dan blijkt de oorzaak voor alle gevaren vooral uit een vertrouwenscrisis voort te komen. In Rusland is er eerder sprake van een productiecrisis, terwijl in bv. Italië de grote verliezen een rol spelen, waardoor de sociaaleconomische structuur een schok krijgt. Wanneer deze dingen overal plaats vinden, zullen de daarop gebaseerde machten en machtsverhoudingen niet meer kunnen bestaan. Een macht, die valt, zal dit niet doen zonder zich tot het uiterste tegen de dreigende invloeden te verzetten, zeker wanneer, zoals in sommige delen van de wereld, deze macht zichzelf beschouwt als absolute macht.

Wij moeten er dus rekening mee houden, dat het schouwspel van het brandende Rome, of de strijd tot de laatste man vanuit deze machten wel voor herhaling vatbaar zou kunnen zijn. Als gevolg daarvan zal de oorlogsdreiging toenemen, gelijktijdig voorzie ik, dat bv. in Rusland hoofden zullen gaan rollen en opstanden onderdrukt zullen worden met een bloedbad zoals zelfs Rusland sedert de aanvallen op de boerenstand in de jaren 28 -29 niet meer heeft gezien. Ik geloof ook, dat er in vele landen een zo grote tegenstelling tussen rijken en armen zal gaan ontstaan – als in Italië -, als sinds de vroege middeleeuwen niet meer denkbaar scheen. In Engeland zal de tegenstelling tussen de verschillende groepen en hun belangen zo groot worden, dat wij voor de omwenteling, die zich daar gaat afspelen zelfs terug moeten gaan tot de tijd van het Magna Charta, om een vergelijkbare situatie te kunnen vinden. Wat Amerika betreft: De tegenstellingen daar kunnen, naar ik meen alleen vergeleken worden met de felle en emotionele opstandigheid, die eens de federatie uiteen deed vallen in de noordelijke en de zuidelijke staten.

Het zaad der vernietiging is dus wel degelijk aanwezig. Maar gelijktijdig zien wij toch overal een begrip voor mens-zijn en menselijkheid groeien naast het overheersende egoïsme.

Op grond van dit alles acht ik het redelijk te stellen, dat binnen enkele maanden het verzet tegen niet te vermijden veranderingen kenbaar zal worden. Daarbij zal sprake zijn van steeds stringentere regeringsmaatregelen en wetten in vele landen, er zullen overal zondebokken worden gezocht voor alles, wat desondanks misgaat. Er zal een grotere felheid kenbaar worden in de strijd om macht en erkenning, die op vele gebieden reeds nu bestaat.

Dit alles is uiterlijk. Het zijn betrekkelijk kleine groepen, die in dit alles actief optreden. De mensheid als geheel heeft een zekere onverschilligheid voor dit alles, waardoor juist die kleine groepen op kunnen treden. Dezen beseffen echter niet, dat er onder deze onverschillige massa een steeds groter begrip van samenhorigheid zal groeien en een steeds grotere behoefte aan vrede en rust ontstaat, zodat men de massa niet zoals vroeger gemakkelijk op zal kunnen zwepen tot oorlogsacties naar buiten toe of al te grote gewelddadigheden in eigen land. Het is de grote massa die voor het verloop der dingen in deze dagen in wezen beslissend is. Wanneer zij begrijpt, dat onderlinge hulp en steun belangrijker is dan al het andere, kan zij in zeer korte tijd fantastische dingen bereiken. De hervorming kan dan, gezien de toenemende versnelling van levenstempo en actiegraad in deze dagen, binnen enkele jaren een feit zijn geworden.

Wat betreft de begeleidende verschijnselen van dit alles heb ik naar parallellen gezocht. Ik denk daarbij aan het verhaal van de onmens, zoals de zeeman die hoorde roepen: “De grote Pan is dood” op het ogenblik, dat Jezus aan het kruis stierf; aan de bergen, die beefden op het ogenblik dat Jezus stierf e.d. Ongetwijfeld hebt u ook gehoord van de grote rampen, die aan grote sociale maatschappelijke omwentelingen vooraf zijn gegaan. Wanneer wij de grote uitbarsting van de Krakatau bezien, zo blijkt deze direct vooraf te gaan aan een verandering in het koloniaal bestuur en daarmede in wezen het beginnen van de ondergang van het kolonialisme in het geheel van Zuid-Azië. Vanaf dat ogenblik zien wij een nieuwe vorm van samenwerking met de inboorlingen ontstaan, die voert tot een verdere opleiding van vele leden van het geëxploiteerde ras, waaruit in deze dagen de werkelijke revolutionairen en staatslieden van deze volkeren rijzen.

In Amerika zien wij de brand van Chicago en de aardbeving van San Francisco, die niet alleen een vernietiging op grote schaal inhouden, maar gelijktijdig plaats vinden in een periode, waarin de maatschappelijke en zelfs mentale gerichtheid van de mensen rond en in deze gebieden een ommekeer ondergaan, Het San Francisco, dat door de aardbeving wordt vernietigd, was toen nog de hoofdstad van een geëxploiteerd gebied, een land, waarin men snel rijk wil worden, maar dat geen thuis is. Het San Francisco, dat herrijst, is na korte tijd de hoofdstad van mensen, die in Californië willen wonen, leven en sterven. Het Chicago, dat brandt, was nog steeds een pionierscentrum, een soort einddoel voor alle goede en slechte krachten van het geheel van midden USA. De stad, die herrijst, wordt echter eerder tot een brandpunt van industriële ontwikkelingen, van mechanisatie en vernieuwingen – al blijft het zelf ergens een verzamelplaats van minder gewenste elementen.

Wij kunnen uit deze en vele andere voorbeelden wel afleiden, dat grote rampen over het algemeen gepaard gaan met veranderingen en vernieuwingen die met de ramp zelf niet of ternauwernood samenhangen. Het gaat hierbij om veranderingen, die men op het ogenblik zelf misschien niet eens aan kan duiden, die geleidelijk en geruisloos tot stand plegen te komen en zich – in verhouding – in zeer korte tijd plegen te voltrekken. Ik meen, dat wij, op grond hiervan, op de wereld grote rampen mogen verwachten. Maar deze rampen zullen altijd zo plaats vinden, dat zij met een omwenteling op ander terrein gepaard kunnen gaan. Zij zullen dus op plaatsen geschieden, die voor een ommekeer rijp zijn.

U denkt misschien, dat dit een dwaze stelling is. Laat mij daarom een voor u controleerbare parallel geven uit het nabije verleden. Zeeland was een sterk in zich besloten provincie. Door een geheel eigen mentaliteit en meer nog, door een gevoel van zelfrechtvaardiging en gerechtvaardigdheid was men daar in wezen van de ontwikkelingen in Nederland afgesloten, ook al voelde men deze dingen zelf niet zo. De watersnoodramp heeft niet enkel maar de zekerheid wat verstoord, maar bracht veel meer met zich. Hierdoor werd de gehele oriëntatie van de provincie veranderd. Deze ramp was aanleiding tot het Deltaplan, waardoor, wat eens een reeks van betrekkelijk eenkennige en in zich besloten gemeenten was, nu langzaam maar zeker gaat worden tot wat men recreatiegebied pleegt te noemen, m.a.w. een gebied, waarin steedse invloeden wel zeer sterk tot uiting zullen gaan komen. Denk niet, dat de gevolgen onmiddellijk zichtbaar zijn. Het heeft jaren geduurd, voor de huidige fase bereikt werd, het zal nog vele jaren duren, voor het eigen karakter der Zeeuwen een voldoende verandering heeft ondergaan. Maar realiseer u, dat dit alles toch een feit is. Dan is mijn conclusie voor u ook logisch: Er zullen in deze tijd rampen moeten gebeuren en dit zullen betrekkelijk grote rampen zijn. Waar zij optreden, moeten wij een misschien niet direct merkbare en berekenbare, maar toch veelomvattende wijziging in gewoonten en innerlijke oriëntatie van de mensen rond de rampgebieden verwachten.

In dit verband is het misschien interessant ons eens af te vragen, wat er op het ogenblik bv. in Griekenland gaande is, wat er in delen van Turkije gebeurt, die eens van de gehele beschaafde wereld afgesneden waren. Indien wij daarvan een studie zouden kunnen maken zouden wij waarschijnlijk ontdekken dat, juist na de grote rampen, die daar gebeurd zijn, de mentaliteit van de mensen en zelfs hun gebruiken zich aan het wijzigen zijn, zodat deze gebieden langzaam maar zeker een ander karakter gaan krijgen.

Ik wil echter nog verder gaan, dan alleen de gevolgen van de rampen aansprakelijk stellen. Ik meen, dat er een soort wisselwerking bestaat tussen het optreden van de ramp en de behoefte tot verandering. Vandaar dat naar mijn mening de meeste rampen juist plaats zullen vinden in gebieden, waar een verandering van mentaliteit en vorm van samenleving haast niet meer tegen te houden is, waar reeds nu de geestelijke voorwaarden bestaan voor een algehele omwenteling. In dit verband denk ik allereerst aan streken als Midden-Amerika en bepaalde delen van Z. Amerika. Maar ook in Afrika, waar vele vreemde dingen haast onvermijdelijk lijken, let wel: Het gaat niet alleen om de veranderingen in politieke verhoudingen, die hier plaats vinden. Om echter verder te kunnen leven, zullen de mensen hier een grote verandering van mentaliteit moeten ondergaan, er moet voor hen een verandering van bestemming plaats vinden. Ik concludeer uit de huidige situatie, dat rampen op korte termijn hier noodzakelijk en onvermijdelijk zullen zijn, wanneer het door mij gelegde verband tussen ramp en verandering bestaat.

Er is nog een punt, dat belangrijk is. In de dagen, dat kerken en religieuze gemeenschappen zichzelf van eigen macht geheel overtuigd zijn, zien wij zelden of nooit een reformatie of splitsing daarin optreden. Zo er al een opstand tegen de heersende geloofswaarden voorkomt, is dit altijd een kwestie van betrekkelijk kleine groepen, die snel worden vervolgd en onderdrukt, waarna zij verworden tot legendarisch voorbeeld van de slechtheid der mensen, of geheel in de vergetelheid verzinken. Op het ogenblik echter, dat een dergelijke gemeenschap zich van eigen fouten en feilen bewust gaat worden, zien wij overal reformatoren opstaan. Men realiseert dit zich niet zo, maar de reformatie, die een Luther, Calvijn, Zwingli enz. naar voren bracht, was alleen mogelijk, omdat er in de kerk reeds pogingen tot hervorming bestonden, omdat binnen de kerk reeds sprake was van onrust en schuldbewustzijn. Wij zien hervormers steeds weer van binnenuit, nooit van buitenaf, in het kerkelijke en godsdienstige denken ingrijpen.

Wat zij tot stand brengen is sociaal maar ook esoterisch van groot belang, zowel voor de oude groep als voor de nieuwe godsdienstige bewegingen, waaraan zij het aanzien geven.

Nu zie ik in deze dagen niet alleen in de kerk van Rome, maar ook in vele andere godsdienstige gemeenschappen onbehagen, gevoelens van schuld ontstaan. Men zoekt naar een weg om bv. een andere en nieuwe beleving van het christendom mogelijk te maken. In het boeddhisme zien wij een uiteenvallen van de oude beschouwende school en in de plaats daarvan een ontstaan van actiegroepen. Wij zien, dat de boeddhist zich niet meer zo vreemd en onpartijdig in de wereld durft stellen, als eens toch de eis van de Meester was. Het resultaat is, dat bij velen een gevoel van schuldbewustzijn ontstaat door het niet of niet juist nastreven van de leringen, die de grote Meester eens gaf. Hervorming is hier m.i. onvermijdelijk.

In de Islam zien wij, dat de leringen en wetten – die wij kennen uit de koran – zoals zij door Mohammed zelf werden gegeven of werden aangevuld en verklaard door opvolgers als Ali en Hussein, onder drang van de maatschappelijke ontwikkelingen op de wereld, verlaten moeten worden; zo moet worden verklaard, dat zij in wezen in hun tegendeel verkeren. Een hervorming is hier noodzakelijk, ook al zal in de eerste plaats binnen deze leer gesproken worden van hervormingen van meer sociale aard, al tasten dezen toch de waarde van de godsdienst zelf aan. Ook hier is een strijd gaande, die alleen kan resulteren in een verandering van de leer, een naar buiten toe ook kenbare splitsing misschien.

Ik ken geen enkele grote godsdienst op de wereld, die op het ogenblik niet worstelt met schuldgevoelens, gepaard gaande met een vaak zeer voorzichtige, maar in alle gevallen van binnenuit gevoerde propaganda voor hervormingen.

Ik meen hieruit af te mogen leiden, dat ook in de godsdiensten voor velen ontstellende ontwikkelingen verwacht kunnen worden. Ontstellend vooral, omdat men zich hierbij op terreinen gaat begeven, die volgens velen niet behoren onder het gezag van de godsdienst, terwijl daarnaast leringen en stellingen naar voor zullen komen, die zozeer in het nu gangbare particuliere leven van de mens ingrijpen, dat men meent, dat de godsdienst hiertoe geen recht bezit. Ik meen, dat zowel hier als op zuiver politiek en maatschappelijk terrein een snelle opmars van kleine pressiegroepen kan worden verwacht, die hun inzichten en wensen tegen de wil en het belang van de grotere gemeenschappen zullen doorvoeren. Ik meen, dat gelovigen en idealisten van allerlei aard – zowel vanuit het marxisme als vanuit andere groepen – pogingen zullen doen de gehele wereld met alle middelen naar hun hand te zetten. Zij zullen de neiging vertonen de wereld te plunderen, alle mogelijkheden en winsten voor zich opeisende. Ik ben er ook van overtuigd, dat de gehele wereld alles in het werk zal stellen, om door gedeeltelijk toegeven deze groepen af te kopen en het oude in stand te houden.

Maar de achtergrond, die eens de gezellen van Cortez hadden, een Spanje, een Hibernia, dat bereid was hen te eren en hen in staat te stellen hun winsten ook te realiseren in levensgenot, is er niet meer. Er is volgens mij geen land en geen volk aan te wijzen, dat geheel en in wezen achter dergelijke pressiegroepen en hun methoden zal staan. Daarom verwacht ik, dat, in tegenstelling met hetgeen ik u vertelde over Mexico, de veroveraars, de pressiegroepen, deze maal niet de laatste slag zullen winnen, ondanks hun verraad en het hanteren van alle denkbare middelen. Ik verwacht de veroveraars en vrijbuiters van deze dagen aan zichzelf ten onder te zien gaan.

Dit alles klinkt niet aangenaam. Men is geneigd te stellen, dat alle tegenstellingen op vredige wijze opgelost kunnen worden. Men kan stellen, dat de gewelddadige omwentelingen eenvoudigweg overbodig zijn, dat de getrokken parallellen onjuist zijn. Maar ik wil nog een stap verder gaan en niet alleen het verleden zien als een mogelijk baken voor de toekomst. Ik geloof, dat wij de parallellen niet alleen in de tijd, maar ook op hun prognostische mogelijkheden mogen bezien, en naar mijn inzien ook moeten bereid zijn, deze regelmaat in het gebeuren te zien als deel van een plan. Wij mogen de lijn van de historie beschrijven als een haast onvermijdelijke lotslijn, die weliswaar de eenling niet dwingt, maar toch de proeven en beproevingen, waaraan men als deel der mensheid onderworpen zal worden op bepaalde tijden vastlegt. Ik meen, dat het zich steeds herhalen van dergelijke proeven te vergelijken is met de herhalende proefwerken, die men op de scholen aan de leerlingen voorlegt, om na te gaan, of zij van de ene klasse naar de andere over mogen gaan. Naar mijn mening zijn de huidige proeven zo iets als een overgangsexamen voor een overgaan naar een nieuwe vorm van mens-zijn. Ik ben er van overtuigd, dat achter dit alles een bedoeling, een kosmisch plan schuil gaat. Wat ik zie van de spiraal van tijd, is voor mij in detail vaak, evenals voor u zeer vaag; het enige wat ik daaruit kan lezen is een bestemming, die is vastgelegd.

Op grond van hetgeen ik elders heb geleerd en al, wat ik geloof, stel ik dan ook: er is een Goddelijke Kracht en een Goddelijke Werkelijkheid, waarin alle mogelijkheden zijn vertegenwoordigd. Deze mogelijkheden zijn echter ook daar met elkander op een bepaalde wijze verbonden. De mensheid van het verleden heeft zo bepaald, op welke wijze de spiraal van mogelijkheden in de tijd zich zal wentelen in deze dagen. Er is geen sprake van een in elke tijd zelf een opnieuw scheppen van eigen mogelijkheden, maar van een haast gedwongen herscheppen, waarbij de mogelijkheden bepaald worden door alles, wat aan het moment van leven vooraf ging. Daarbij kun je volgens mij alleen negatieve of positieve resultaten boeken.

Wanneer er in werkelijkheid sprake is van een goddelijk plan voor de schepping – en hierin geloof ik vast – zo zijn de windingen van de spiraal, die zich zoveel sneller opeenvolgen, omdat wij zoveel dichter bij het middelpunt daarvan komen, niet te beschouwen als iets, wat door de mens werkelijk beheerst kan worden.

Er is sprake van een goddelijke wil, een noodlot, een weg, die je moet gaan. Een weg, die een ieder zal moeten gaan zoals ik door alle tijden heen steeds weer de stemmen van gezondenen ontmoet, die waarschuwen, maar ook vaak helpers zijn, die uit het niet schijnen op te rijzen wanneer het er op aan komt, zo verwacht ik ook in deze dagen de stemmen van een hogere waarheid steeds weer te horen, de helpers steeds weer op onverwachte momenten uit het niet te zien rijzen.

Ik meen, dat dit alles,  zelfs op grond van het verleden, moet voeren tot een uiteindelijk positief resultaat. Een voorbeeld voor een positief resultaat van iets, wat door de mensen zelf als negatief wordt beschouwd, kan ik u wel geven: Er gingen eens vele duizenden joden schijnbaar ten onder in de diaspora, de verspreiding. Een volk, dat eens in de kleine wereld rond de Middellandse Zee van groot belang was geweest, maar tot betekenisloosheid verviel en slechts nog enige rijkdommen uit het verleden bezat, werd verspreid over de gehele bekende wereld. Er zijn in de laatste 20 jaren alleen reeds veel meer joden vermoord, dan er op de wereld bestonden op het ogenblik, dat Jeruzalem werd verwoest en allen die overleefden, in gevangenschap werden weggevoerd of vluchtten. Dit volk, terugverlangende naar het verleden, naar het heilige Land van eens, heeft zich over de gehele wereld uitgebreid en overal iets van zijn eigenschappen, zienswijzen en kunde gelaten. Niet alleen haat heeft dit volk gewekt, maar veel heeft het ook de wereld gegeven. Niet alleen heeft het zich gewroken op een wereld, waarin het zich als banneling voelde, maar vaak ook heeft het geholpen. In deze dagen is het volk, naar men zegt, teruggekeerd. Maar wat is er feitelijk in Israël in deze dagen? Een betrekkelijk klein deel van de joden. Want het jodendom van vandaag is meer dan een godsdienst of het volk, dat alleen maar het oude land weer wil betreden en bezitten als eens. Het is een deel van de wereld geworden.

Uit de schijn van een ramp is een grootheid geboren, die het volk zelf misschien niet ervaart en beseft en die de verdere wereld gemakshalve maar over het hoofd pleegt te zien. Maar dit gebeuren is een bindende en zelfs bepalende factor geworden in het noodlot van de mensheid.

Ik zou hier kunnen wijzen op het belang van de joodse financiers als bv. het huis Rotschild voor de vorming van het huidige Europa. Ik zou kunnen spreken over de vele joodse filosofen en uitvinders, die het denken van de blanke wereld en vaak ook het begrip van een deel van die blanke wereld voor andere rassen hebben gevormd. Ik zou kunnen wijzen op joodse groepen, die niet alleen de ontwikkeling van landen hebben beïnvloed, maar zeker ook de conflicten van deze tijd gevormd hebben, de politieke conflicten. Zeker is, dat uit deze schijn van ondergang en verspreiding, voor de mensheid een grote reeks belangrijke en nieuwe waarden werd geschapen, niet voor het jodendom, maar voor de mensheid als geheel. Vandaag zullen er, zoals juist door de verspreiding, deze verbanning en gevangenschap van de joden in de vreemde, de wereld veel gegeven werd, juist door een verval van waarden en stellingen, die grote groepen van mensen juist in eigen land en omgeving tot werkelijkheid hadden willen maken voor het geheel van de mensheid van morgen, grote gaven ontstaan.

De mensen achten zich zeker, zoals eens de joden in hun eigen land, veilig rond hun heiligdommen en tempels. Maar eerst wanneer hun zelfvoldane gemeenschappen uiteen geslagen worden en de werkelijke strijd om jezelf te kunnen blijven begint, zal men de rijpheid en kracht kunnen vinden, om in waarheid de mensheid te dienen en te verrijken. Ik geloof, dat het geestelijk element, de geestelijke krachten, die ook nu reeds een belangrijk deel zijn van het menselijke bestaan, pas in werkelijkheid tot actief leven en werken gewekt zullen worden, wanneer maatschappij, land en zekerheid een mythe zijn geworden, waarvan men met zeker heimwee zijn minderen nog vertelt en eens hoopt te herwinnen; iets, dat in werkelijkheid nooit meer zal kunnen bestaan.

Vele parallellen in de historie doen mij vermoeden, dat wij kort voor het ogenblik staan, waarin een gehele verspreiding en verdeeldheid zal plaats vinden, maar ook de werkelijke en innerlijke betekenis van vele dingen, die nu door uiterlijkheden nog overheerst wordt, een eigen leven zal gaan krijgen en zo worden tot een belangrijk deel van het bestaan van de mensheid van morgen. Uit de angsten, verwachtingen en idealen van vandaag, zal volgens mij, juist door een frustratie van de zuiver stoffelijke verwerkelijking, morgen een wereld van Licht geboren kunnen worden.

 0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterie

Innerlijke evolutie.

Het woord evolutie drukt voor onze begrippen een reeks processen uit, waarbij van een stijgende ontwikkeling gesproken kan worden. Alle esoterisch streven is gericht op een innerlijk bereiken van een steeds hogere en kosmisch meer juiste waarheid. Nu zal men zich dus onder omstandigheden dit innerlijk proces wel als een vorm van evolutie voor kunnen stellen. Maar wat zijn dan de feitelijke kenmerken van een evolutionair proces?

In de eerste plaats, in een evolutie komt steeds weer een schok van ontwikkeling voor, waarbij in zeer korte tijd een mutatie ontstaat en zich ontwikkelt tot een geheel nieuwe vorm of mogelijkheid tot overheersing komt. Dit is vooral belangrijk, omdat de geaardheid en het milieu van het leven daardoor in zeer korte tijd geheel kan veranderen. In de tweede plaats zien wij als gevolg van een mutatie, die tot een normaal evolutionair proces kan worden gerekend, dat bij een ras of gemeenschap een gans van het vroegere verschillende oriëntatie kan ontstaan.

Men zal zich dan op een ander deel van het bestaan richten en zijn eigen mogelijkheden op een geheel andere wijze gaan gebruiken. Wij zien bv. onder de voorvaderen van de primaten aapachtigen, die zich in de richting van de dan ontstaande vlakten bewegen en tot vlakte bewoners worden, die op de duur tot holbewoners worden. Men kan zeggen, dat de evolutie, waarbij enerzijds de mens en aan de andere kant de aapachtigen ontstaan, zich binnen het kader van het geheel betrekkelijk snel voltrekt: Het belangrijkste verschijnsel daarbij is echter, dat bij de voorvaderen van de mens een nieuwe benadering, van leven en werken ontstaat, wat invloed heeft op geheugen en denkprocessen.

Wanneer wij innerlijk bewuster worden, zal de buitenstaander zich dit voorstellen als een verandering van ons werkelijke wezen en leven. Dit is, van zijn standpunt gezien, misschien ook wel het geval. Zoals bos- en vlaktebewoners echter volgens eigen inzicht weinig of niet veranderen t.a.v. hun vroegere levensvorm, zo blijven ook wij, ongeacht de innerlijke vorderingen, onszelf als gelijkblijvend beschouwen. Waar is de man of de vrouw onder u, die het verschil kan uitdrukken tussen eigen persoonlijkheid in deze dagen en bv. dit ik rond 40 jaren geleden. Uiterlijkheden kan men nog wel noemen, maar de innerlijke veranderingen zijn zeer moeilijk te definiëren. Men voelt zich nog steeds dezelfde. Zo gaat het met het ik, wanneer wij innerlijk een trapje hoger komen. Voor ons zal de wereld iets veranderen en zelfs zullen wij misschien begrijpen, dat onze visie op de wereld zich sterk wijzigt. Maar wij beseffen niet, waar en hoe in onszelf essentiële veranderingen plaats vinden. Wij menen eenvoudig, dat onze problemen wat anders gaan liggen. Dat is natuurlijk niet waar. De problemen zullen gelijk blijven maar wij zullen deze vraagstukken op een andere wijze benaderen. Wij zien een samenhang en werking in de wereld op een andere wijze. Daarvan zijn wij ons echter zeer onvolledig bewust, want de wereld blijft de wereld en het ik blijft het ik.

Juist degenen, die esoterisch streven, zullen maar al te vaak van zichzelf verwachten, dat op een bepaald ogenblik hun gehele ik bewustzijn zich zal wijzigen, dat zij zichzelf geheel anders zullen ervaren en zien, dat zij de gehele wereld op een bewust andere wijze tegemoet zullen treden.

Dezen doen mij denken aan kinderen, die zeggen: wanneer ik groot ben, zal ik groot en machtig zijn, dan bestaan voor mij de kleine beperkingen van heden en mijn huidige problemen niet meer, dan zal ik vrij zijn. Want zo denken kinderen, om echter later te ontdekken, dat de problemen alleen maar groter worden en niet kleiner, dat zij niet vrijer, maar steeds meer door verplichtingen en conventies gebonden worden.

Een innerlijk evolueren houdt in, dat wij steeds meer van de samenhangen op de werelden de daarin optredende krachten gaan beseffen. Hierdoor worden dingen, die ons eens eenvoudig en betrekkelijk gemakkelijk op te lossen schenen, voor ons steeds moeilijker en ingewikkelder.

Daden, die eens vanzelfsprekend waren, worden nu een aanleiding tot zelfonderzoek en pogingen jezelf te kennen en te begrijpen om zo te kunnen weten, of een dergelijke daad voor en vanuit het ik wel juist is.

Daarom wil ik allereerst stellen: Wanneer in een mens een innerlijke evolutie plaats vindt, zal hij niet in staat zijn dit zelf te constateren. Wat anderen daaromtrent constateren, is voor een dergelijke mens onaanvaardbaar en onjuist en kan dus door hem gevoeglijk verwaarloosd of verworpen worden. In de tweede plaats zou ik willen stellen: Elke innerlijke evolutie houdt niet een vereenvoudiging van levens- en bewustzijnsprocessen in, maar impliceert een juister overzien van een groter deel van het leven. Pas in laatste instantie ontstaat het vermogen vanuit de wereld en de krachten van het Al voor het ik de werktuigen te maken, waardoor je die wereld, zowel als jezelf, waarlijk zult kunnen beheersen. Van een volmaakte zelfkennis is echter geen sprake, zolang men nog leeft als een in zich begrensde ik-heid.

Dit klinkt misschien minder opwekkend, dan ik het zou willen doen klinken: wanneer wij groter en rijper worden en daarbij de problemen voor ons anders komen te liggen, zodat onze opvattingen omtrent recht en rechtvaardigheid, God, normen en zeden zich veranderen, is dit uiteindelijk bijkomstig en van weinig werkelijk belang voor onze innerlijke waarden. Van belang is de wijze, waarop wij ons eigen wezen een plaats weten te geven binnen de bedoelingen, die wij in de wereld erkennen. In wezen zoeken wij niet slechts God, maar ook de zin van ons eigen bestaan.

Naarmate wij dit bestaan erkennen en het zinrijker kunnen doen zijn binnen onze eigen voorstellingswereld, zullen wij groter moeilijkheden ondervinden bij ons pogen eigen zijn en bestaan nog zinvoller te maken.

Het feit echter, dat wij een deel van het leven steeds beter kunnen beseffen en in betekenis overzien, maakt ons toch vrijer: Niet door een absolute wetteloosheid, maar door een verwerven van een juister begrip voor de goddelijke wetten en een juister inzicht in de werkelijke betekenis van belangrijke waarden daarin, als de wet van oorzaak en gevolg of het rad van karma. Wij leven a.h.w. in een wereld, die niet beperkt blijft tot het gebeuren van vandaag of het gebeurde van gisteren. Zij wordt een eenheid voor ons, die als geheel betekenis heeft en niet alleen van belang is in die delen, die ons eigen leven en werken voor eigen ervaren onmiddellijk beroeren.

Deze eenheid van leven is het einddoel voor de doorsnee mens. Wanneer je zover bent gekomen, dat je je innerlijk leven en uiterlijk bestaan samenvoegt, tot deze niet meer strijdig zijn, is de betekenis van stoffelijk bestaan opgeheven. Daar, waar iets zinloos wordt binnen het goddelijk bestel, houdt het op als uiting te bestaan. Daar wordt het herleid tot een potentie, terwijl de feitelijke uiting zich op andere en belangrijke terreinen zal bewegen. Zo ontgroei je als mens langzaam het menszijn, maar je ontgroeit reeds tijdens het menszijn – zonder het te beseffen – de onbelangrijkheid van eigen wezen in beperkte zin.

Men zal zich afvragen, of deze innerlijke evolutie nu ook in bepaalde fasen is in te delen. Er zijn natuurlijk wel enkele algemene richtlijnen te geven. Maar iemand, die in een vliegtuig zit, zal de wereld anders overzien en ondergaan dan iemand, die in een ballon drijft. En iemand, die op een toren staat, ziet de wereld wederom anders en ondergaat haar op andere wijze, ofschoon van alle drie gezegd kan worden, dat zij, door het bereiken van hoogte, overzicht hebben gewonnen, dat niemand beneden hen bezit. De wijze, waarop wij innerlijk evolueren, kan geheel different zijn t.a.v. de evolutie, die zich in een ander voltrekt. Wij kunnen alleen stellen: naarmate wij innerlijk rijper worden, overzien wij de zin van het uiterlijke vanuit ons eigen standpunt beter.

Naarmate wij innerlijk sterker en rijper worden, beheersen wij onszelf beter en daardoor ook de wereld rond ons.

Als fase kun je allereerst stellen: De verwondering over het eigen ik, waarbij dit ik nog niet beheerst wordt, maar men zoekt iets van eigen wezen en betekenis te doorgronden.

Een tweede fase zal de overtuiging van een persoonlijke bestemming en doel brengen, waarbij het ontstane beeld echter al snel door de feiten wordt tegengesproken. Het is een tijd van innerlijke illusies, een wandelen in de dwaaltuinen der begoocheling.

Een derde fase confronteert ons met een waar beeld van de betekenis, die wij kunnen bezitten, maar geeft ons nog niet de beheersing, die noodzakelijk is, om eigen uitingen tot dit werkelijk betekenisvolle te beperken.

Als wij een vierde fase betreden, groeit in ons de overtuiging dat wij enkel kunnen en mogen doen, wat ook volgens ons innerlijk waarlijk zinvol is. De daarop volgende fase leert ons de betekenis te zien van wat wij zijn en stelt ons in staat, deze betekenis niet alleen vanuit ons zelf, maar van het geheel, waarbinnen wij bestaan, bij voortduring te beseffen.

Er zijn natuurlijk meer fasen te geven. Maar wie op aarde zal veel meer bereiken dan de door mij gegeven fasen? Bovendien? Wie zal nog behoefte hebben aan dit soort lering en deze weergave, wanneer hij de laatst genoemde fase eenmaal te boven is? In mijzelf zoek ik, maar ik weet nimmer precies, wat ik zoek. In mijzelf heb ik betekenis, maar ik kan die betekenis nooit geheel omschrijven. In mijzelf gevoel ik een Kracht, om in de wereld een macht uit te oefenen en zo van grotere betekenis te zijn, maar ik weet niet, welke die kracht is en kan nog niet beseffen, op welke wijze ik deze Kracht bij voortduring in de wereld tot uiting zou moeten brengen. Daarom blijft het al te vaak bij een soort esoterisch-magisch geknutsel en komt men niet verder.

Beseft men dit alles, dan zal de innerlijke evolutie en de daarmede gepaard gaande wijziging van waarden gemakkelijker aanvaard worden en zal vooral het juist hanteren der bereikte innerlijke fase van evolutie voor het ik eenvoudiger worden.

Stel, dat ik in mijzelf een zekere Kracht erken, maar nog niet precies weet, wat ik daarmede zoal kan doen. Ik zal daarmede dan vaak experimenteren op een wat vreemde wijze, zoals een kind, dat de voeten nog niet voor lopen gebruikt, de mogelijkheid van lopen niet eens beseft, maar vol aandacht op eigen tenen kluift.

Het is niet van belang, dat het ons aandacht wijden aan eigen gaven niet de feitelijke bestemming van die gaven weergeeft. Het is voorlopig van meer belang, dat wij het bestaan daarvan als een deel van eigen ik leren kennen.

Wij zien in onszelf op den duur theorie na theorie rijzen, wij bouwen luchtkastelen, vormen hemelse Jeruzalems, kortom een wereld van volmaaktheid, die echter van het eigen wezen en eigen wereldervaren verre blijft. Het lijkt alles overbodig, een verspilling van krachten. Maar eerst door deze drogbeelden te bouwen en te ervaren, hoe luchtkasteel na luchtkasteel tot ruïne wordt en het hemelse Jeruzalem zich, wanneer wij naderbij menen te komen, steeds weer ontpopt tot een wolkenformatie van zinloos grijze filosofieën, kan men de waarden werkelijk leren zoeken, waar zij te vinden zijn: Niet in theoretische stellingen, maar in persoonlijke ervaringen.

Evolueren is altijd een pijnlijk proces. Het is wel aardig om als volwassene te stellen, dat een kind toch maar een gemakkelijk leven heeft, maar voor het kind is eigen leven zwaar en het bestaan der volwassene juist begeerlijk. Het is aardig om bv. te stellen, dat de jonge mensen van tegenwoordig het toch maar goed hebben. Maar dezen hebben in het leven hun eigen problemen, hun eigen leegten en hiaten, waarmede zij worstelen en zij verlangen misschien innerlijk naar het ogenblik, waarop die leegte, die wij bij hen zo begerenswaardig noemen, is opgeheven en vervangen door een gevoel van gevestigd zijn.

Je kunt nooit zeggen, dat al die dingen, die zich in jezelf afspelen, nutteloos zijn. Je kunt alleen stellen, dat zij pas zin krijgen voor het eigen bewustzijn, wanneer het eigen ik ze leert doorzien. Het doorzien van de dingen, die eens raadselen leken, is wel de meest kenmerkende eigenschap van alle innerlijke evolutie. Wanneer ik begrijp, wat de essentie is van mijn kracht, leven en bestaan, hoe eenvoudig en gelijktijdig moeilijk dit alles is, zal men ook bewust in staat zijn tot een doelmatig streven en denken.

Dan hanteert men niet alleen andere sferen en werelden in het eigen ik, maar hanteert men alle sferen en werelden als deel van het ik, zonder daardoor hun eigen waarden ook maar iets te beperken. Het is eenvoudig, om in de esoterie te vluchten voor de moeilijkheden van het leven, als een kind, dat voor de onaangename werkelijkheid wegvlucht in een zelf verteld sprookje. Maar dat is geen ware esoterie. Wie zich bij dit vluchten voor de werkelijkheid en het dagelijkse leven, blijft houden, zal niet evolueren. Eerder kan men zeggen, dat zo iemand innerlijk verdroogt als een plant, die geen water meer krijgt. Men verdort als een grasveld in de brandende zon, dat geen enkele lafenis ontvangt.

Zoeken naar de zin der dingen is eigenlijk de werkelijke esoterie. Wat in het leven kan immers zinloos zijn, wanneer wij het Al bezien? Voor iemand, die op de laagste vlakken van innerlijke evolutie staat, is het gehele leven zinloos, behalve hetgeen hij zelf doet en begeert. Degene, die iets hoger stijgt, vindt nog steeds veel van wat in de wereld geschiedt, zowel als in eigen leven, dwaas en zinloos, terwijl vele gebeurtenissen en wetten van de natuur overbodig of zelfs krankzinnig lijken te zijn. Maar alles heeft zijn betekenis. Wij moeten niet leven in de richting der grote eenvoud alleen, al is deze nog zo belangrijk. Wij moeten ook leren leven in de richting van een voortdurend meer erkende zinrijkheid van alle dingen.

Ontsteek een lamp en alles, wat door het licht in de ruimte kenbaar wordt, werpt schaduwen. Om het voorwerp te kunnen zien, moet men de schaduw mede aanvaarden. Zonder licht geen schaduw, maar ook geen erkennen. Het leven is een samenstel van het volgens ons nuttige en nutteloze, het voor ons goede en kwade, wanneer wij het licht van innerlijk weten daarop richten. Maar wij kunnen deze waarden niet scheiden, kwaad kan men niet losweken van het kwade. Neem het goede weg en het kwade verdwijnt. Wie het kwade tracht te vernietigen, zal ook het goede daardoor aantasten. Want alles heeft zin en betekenis, alles heeft een eigen samenhang met al het andere.

De esotericus, die evolueert tot het punt, waarop alle goddelijke wetten en waarden achtbaar worden, zal zien, hoe alles samen behoort. Zijn bestaan is deelgenootschap in het gehele leven, niet slechts met één mens of één enkele sfeer. Doch hij zal niet beseffen, dat hij hierdoor “anders” is geworden, want dit alles is voor hem normaal. Zelfs de Hoogsten zien zichzelf als normaal en erkennen in anderen de mogelijkheden, die zij in zich kennen. Daarom zijn zij nooit meerderen, maar altijd weer broeders. Ook dit moet u maar eens onthouden.

image_pdf