Hoe benader ik God buiten mij?

uit de cursus ‘Filosofieën over het Goddelijke’ 1955-1956

Wanneer wij leven, zien wij de wereld rond ons als een directe tegenstelling tot ons eigen wezen. Er is tussen die wereld en ons een scherpe grens. Een onderscheid dat zich bij velen zelfs uitstrekt tot oordeel en waardering. Wij kunnen ons moeilijk voorstellen dat een kracht, anders dan de onze, in ons wezen aanwezig is. Zo zien wij alle machten die ingrijpen, die ons in stand houden of bewust doen worden als factoren die buiten ons gelegen zijn. Indien wij dan God willen benaderen, dan is het begrijpelijk dat wij God buiten ons gaan zoeken. En dan komt het grote probleem.

Wat is die God? Hoe zie ik die God? Hoe moet ik die God ervaren? Als ik God buiten mij wil benaderen, dan moet ik dit ‑ zeker als mens maar meestal ook nog als geest ‑ in de eerste plaats doen langs de weg van de innerlijke logica. Innerlijke logica kent behalve de directe logische argumenten nog bepaalde interne geloofswaarden die mee in het betoog en de beredenering worden verwerkt, omdat zij deel zijn van het “ik”.

Hoe kan ik God vinden? Ik moet in de eerste plaats overtuigd zijn dat die God Zich uit. Ik kan vandaag God zien in een vlinder, morgen in de zon, overmorgen als de kracht die een sterrennevel doet rond wervelen, dan weer als een straal licht, die door een eeuwige duisternis heengaat. Elke keer als ik zo’n voorstelling heb en daar intens in geloof, is dit voor mij het beeld van God. Blijkbaar is het benaderen van de God buiten mij dus niet zeer moeilijk, doordat ofwel ik die God niet kan vinden, dan wel door het feit dat ik het eerst met mijzelf eens moet zijn over datgene wat ik als God zijn.

Het eerste antwoord dat wij ons moeten geven, als wij God zoeken, is dit: Ben ik ervan overtuigd dat er een God bestaat? Ja? Dan is die God daar, waar ik Hem verwacht en ik Hem zie. De voorstelling die anderen van God hebben, gaat mij op dit ogenblik niets aan. Wat voor mij God is, kan ik benaderen, omdat ik daarvan een beeld heb, dat hoe vaag dan ook voor mij toch een definitie vormt van hetgeen ik wil benaderen en van de weg die er heen leidt. Ik moet mij dus in mijn eerste antwoord distantiëren van de, gehele wereld met alle tradities en alle voorstellingen, indien dit nodig is. Het gaat er niet om God te vinden, zoals anderen Hem vereren; het gaat erom God te vinden, zoals ik Hem ken.

Als een gelovige een beeldje ziet van een kind in de kribbe en zegt. “Ziet, dit is God.” Zo zijn er onder ons misschien, die zouden zeggen: Dwaas. Maar indien deze mens eerlijk hierin gelooft, indien al wat er in hem aan weten en aan denken aanwezig is, bevestigt dat dit kind God is, dan is het totaal Goddelijke voor deze mens in dat kind of zelfs in dat beeld geopenbaard. Hoe groter de opvatting is, die deze mens van het Goddelijk heeft, des te veelomvattender zijn visie op het Goddelijke zal worden en hoe meer hij het Goddelijke zal kunnen naderen, juist omdat hij begrijpt dat die God op vele wijzen en in vele verschillende intensiteiten a.h.w. voor hem voelbaar en merkbaar ten grondslag ligt.

De tweede vraag die al evenzeer belangrijk is, stellen wij onszelf en zeggen: Hoe kan het zijn dat mijn beeld van het Goddelijke zo voortdurend anders is? Het antwoord dat wij daarop moeten geven, is dat God overal rond ons is en Wij God daar zien waar onze ogen vallen op een uiting van Zijn wezen. Elke mens en elke geest worden voortdurend geconfronteerd met de wisseling van aspecten in het Goddelijke. God is geen simpel iets. Integendeel, God is in Zichzelf misschien het meest eenvoudige, maar voor ons het meest complexe Wezen dat bestaat. Wij kunnen niet hopen die God te definiëren of te overzien. Maar wij leven. En in dit leven staan wij voortdurend in contact met de Kracht die ons leven geeft. Onze gedachten, ons vermogen tot logisch denken, zowel als ons innerlijk weten doen ons nu naar deze, dan naar gene zijde schouwen. Vandaag is onze God een mens, morgen een zuil licht, overmorgen duisternis, geschal van klaroenen of stilte. In elk dezer dingen is God aanwezig. Wij moeten dus elke voorstelling die wij van het Goddelijke hebben aanvaarden, mits deze voor ons redelijk aanvaardbaar is volgens het kennen dat wij bereiken langs de weg van de innerlijke logica.

De vraag die daarop volgt echter, is wat onaangenamer, vooral in haar antwoord.

Waarom zien wij God zo vaak verschillend?

Antwoord. Omdat wij ‑ zelfs in onze benadering van het Goddelijke ‑ wispelturig zijn en niet onze aandacht op één punt gericht kunnen houden. Wij dwalen door de schepping. En dwalende door de schepping zien wij de vele facetten Gods, maar zijn niet in staat ze te zien als één geheel.

God als mens betekent dat wij verlangen naar een menselijke God. Indien de mens zich God voorstelt als iemand gelijk in gedaante en gestalte aan zijn eigen wezen, dan is zijn verlangen om tot het Goddelijke te komen uitgedrukt in een vergoddelijking van zijn eigen uiterlijkheid. Het is misschien dwaas, maar de mens kent de mens; en in die menselijke vorm lijkt God hem gemakkelijker te benaderen en te bereiken. Hij durft die God meer te zeggen en te vragen. Hij kan zich Zijn toorn en liefde beter voorstellen.

Als de mens God ziet als licht, dan is zijn streven: bewustzijn, het zien van de weg des levens die voor hem ligt. En omdat hij dit zoekt, wordt God voor hem het licht dat op zijn pad valt. Als hij verborgenheid zoekt, omdat hij vol vrees is, wordt God voor hem een verhullende duisternis. Want God is ook zekerheid, een kracht die ons behoedt.

Zo zoekt ieder op zijn eigen wijze in God de vervulling van de behoeften die in hem leven. En daar God al deze dingen is en meer dan dat, kunnen wij niet zeggen “Dwaas” tot degene die op deze wijze zoekt. Wij kunnen niet tot onszelf zeggen dat onze Godsverering onwaarheid is, wanneer wij vandaag bidden tot het licht; mits ons bidden oprecht is en wij slechts bidden tot God om datgene wat wijzelf als goddelijk en Godswaardig zien. In de loop der tijd heeft de God buiten ons in de ogen der mensen vele gedaanten gekend. Er zijn wispelturige Goden, die enerzijds beloften uitkramen, die zij meestal slechts half vervullen, anderzijds zware offers vragen. “Offer mij je kind,” zo zeggen zij. “Offer jezelf, offer je bezit’. Offer, offer, opdat mijn toorn niet over je neerdaalt.” Zo’n God moet wel geboren zijn uit mensen die innerlijk een intense bezitszucht kennen. Een dergelijke God is een mens. Een mens die eigenlijk iets van een sjacheraar heeft, die diensten verkoopt tegen offers. Geen mooie en geen juiste voorstelling van God, maar dit is beter dan helemaal geen beeld van Hem te kennen.

Ook heden ten dage vereren veel mensen nog deze kleine sjacherende Godheid. Maar zo de mensen kunnen sjacheren en zichzelf oneindige machten als zodanig kunnen voorstellen, moet dat ergens in het Al waarheid zijn. Want Gods gehele waarheid omvat alles wat wij waarheid en leugen heten.

Andere mensen kennen een twistzieke God. Een God die vraagt om argumenten en problemen. Een God die niet logisch is. Want op het ogenblik dat de logica dreigt hem van zijn troon te stoten, begint hij onmiddellijk te zeggen: Maar Ik ben God, de Machtige. En tegen uw logica in ken Ik het recht en heb Ik het recht te doen en te zijn wat Ik wil. Geen God, die mij persoonlijk aantrekt. En toch een Godheid van twee der grootste religieuze genootschappen, die er op het ogenblik op aarde bestaan. Een dergelijke God toont ons de mens als een verwaand en eigenwijs wezen. Want hij zoekt het gelijk ten koste van alles: de verheffing tot leraar en het goedmoedig argument om innerlijk de overtuiging te gewinnen dat hij rechtvaardig, eerlijk en waar is. Maar hij doet een beroep op onzichtbare en oncontroleerbare machten op het ogenblik dat het redelijke van het leven hem voor de zaak stelt: dit is niet juist, dit is niet mogelijk. Ook in deze God zit ‑ vanuit het goddelijk standpunt – veel waarheid. Want laten wij niet vergeten dat de argumenten die men God in de mond legt, in de mens worden geboren en een weergave zijn van de mogelijkheden die binnen het Goddelijke bestaan, zo deze al niet reeds gerealiseerd zijn. Laten wij bovenal ook niet vergeten dat hetgeen achter deze karikaturale, twistzieke Filosoof schuilt toch altijd weer is: Al-scheppende Liefde, Al-kracht, Vermogen dat de kosmos beheerst. Wij vinden ook nog andere Goden. Goden die als jagers over de wereld gaan en zielen vangen in een net van gedachten. En is zo’n ziel gevangen, dan laten zij haar niet meer los. Zij maken gevangenen.

Onwaar is dit beeld niet. Het wijst erop hoe mensen, gedreven door een overschatting van eigen waarden, menen in staat te zijn zielen te vangen op een zodanige wijze dat deze zich niet meer aan hun ban kunnen ontworstelen.

God bezit ons reeds. God heeft ons niet te vangen. Als wij ons voorstellen dat een God met wonderen of op een andere manier, als een visser tracht zielen tot zich te lokken, dan tonen wij daarin alleen onze eigen dwaasheid, ons onvermogen om God te zien als werkelijk Al-scheppend, zonder vijanden, zonder tegendelen in de schepping, die niet uit God geboren zijn. Toch kunnen wij eveneens waarheid vinden in het aanbidden van ook deze God. Want hoewel wij misschien tegenover anderen in deze opvatting van het Goddelijke onjuist zullen handelen, dan zullen wij toch zelf een innig besef hebben van de Macht die ons voortdurend drijft en regeert.

Er zijn ook abstracte goden. Goden die niet menselijk zijn. Zij bestaan als een gedachte of een leuze en zijn moeilijk te vangen. Want hoe men ook zoekt als mens of als geest, steeds weer ontsnappen zij aan de rede, steeds weer ontsnappen zij aan het bewustzijn, steeds weer betekenen zij een zware beproeving voor ons vermogen om te geloven. Ook zij vertegenwoordigen een aspect van het Goddelijke. Maar een aspect dat wij als schepselen beter nog een tijdlang kunnen laten rusten.

Deze goden zijn het beeld van een God die zo oneindig groot is, dat – zo zijn Wezen voor ons is geopenbaard en geuit ‑ zijn betekenis ons steeds ontgaat, daar wij niet in staat zijn deze te bevatten en te begrijpen.

0, ik kan verdergaan met al die goden op te noemen. Goden, die als verbeterde faunen en satyrs door de natuur dansen en de driften der natuur aanwakkeren. Duivels, zegt het christendom. Maar toch ook goden, want de natuur is ook uit God geboren.

Wij zien goden, abstract als lijnen getrokken op een tekenbord, uitgedrukt in mathematische formules. Goden die geen persoonlijkheid meer hebben. En ook dezen hebben een waarheid. Een waarheid, die de mens meestal ontgaat, wanneer hij tracht God te vinden. Want de abstracte god (de formule) is de wet die ons allen regeert. Een wet die men geen persoonlijkheid kan noemen, omdat zij onveranderlijk voor ons blijft: één en dezelfde, altijd en te allen tijde het onveranderlijk heersende principe van de goddelijke Kracht in alle leven.

Ik zou u nog meer, veel meer kunnen zeggen over de goden die de mensheid zichzelf schept in haar zoeken naar de God buiten zich. Maar ik meen met deze korte voorbeelden te kunnen volstaan. Het gaat er ons tenslotte niet om te weten hoeveel voorstellingen van God de mensheid voor zich heeft gecreëerd. Het gaat er ons om te weten, hoe wij die God buiten ons kunnen vatten; hoe wij Hem tot iets tastbaars voor ons bestaan kunnen maken.

Ik zei u reeds: al deze goden zijn waar. Al deze goden zijn eigenlijk slechts beelden van de ware God, van het Werkelijke, het Onvatbare, het Al-beheersende dat in onze ogen haast niets is, omdat wij menen vanuit ons standpunt schouwende en niet overziende, dat alle ruimte wordt ingenomen door wat wij het Niet noemen; wat wij negatief achten misschien. In werkelijkheid is het daarentegen de Kracht die ons schept. Elk van deze goden, elk van deze beelden heeft waarheid in zich. De weg die wij volgen, het beeld dat wij nemen, is van weinig belang. Belangrijk is het, dat wij zelf overtuigd tot dat beeld durven gaan.

Als wij een beroep doen op de goddelijke wet, dan moeten wij leven in en onder die wet; intens, volledig, met geheel ons wezen. Als wij spreken tot de toornige God, dan zullen wij offers moeten brengen en zullen wij ons moeten vernederen en neerknielen. Ontmoeten wij de Filosoof, dan zullen wij redetwisten, totdat in onze ziel de galm van ledige woorden voort klinkt en er tenslotte alleen overblijft een vermoeide rust, waarin wij dan maar aanvaarden, omdat het argument van het Goddelijke ons verslaat, keer op keer.

De beste God buiten ons, volgens mijn standpunt, is de abstracte wet. De wet geeft ons rechtvaardigheid. Het feit dat zij ons zowel beschermt als binnen bepaalde grenzen houdt, toont m.i. dat de Godheid, het scheppend Vermogen, ons leidt en Zich om ons bezorgd maakt, ja, ons liefheeft. Maar ieder voor zich zal moeten weten, welke keuze hij doet uit de vele mogelijkheden. Noodzakelijk is het slechts om oprecht en eerlijk te gaan tot de God, die u kent, met inzet van geheel uw wezen, van geheel uw denken. Te gaan tot die God tot het ogenblik, dat u aan Hem twijfelt. Want waar de twijfel komt, is deze God voor u geen God meer. Dan is het aspect van het Goddelijke dat wij een ogenblik in dit beeld aanschouwden, dat wij buiten ons mensen meenden waar te nemen, vervaagd. Er blijft over, een deel van het leven en van de schepping, dat niet voldoende is. Daarheen kunnen wij niet meer van ganser harte gaan. Daarom is het beter dat wij het verlaten en zoeken naar een nieuw beeld. Maar hebben wij een beeld gevonden dat voor ons inderdaad God karakteriseert, een beeld waarin wij de Schepper menen te kunnen vinden met geheel ons hart en wezen (al is het voor nog zo’n korte tijd), dan hebben wij een onschatbaar goed gevonden. Want in ons zoeken naar de God buiten ons hebben wij de weerspiegeling gevonden van de levenskracht die in ons bestaat. De levenskracht heeft een vorm aangenomen die voor ons bewustzijn begrijpelijk is.

Nu kunnen wij die God accepteren. Nu kunnen wij ons werkelijk een ogenblik daaraan overgeven en daardoor de innerlijke gesteldheid bereiken die ook voor ons de levende Kracht in al het geschapene kenbaar maakt.

  • Kan er ooit iemand verloren gaan?

Er is niemand die verloren gaat. Vergelijking: Een goudsmid die heel fijn edelsmeedwerk maakt, werkt met een kostbaar materiaal. De bewust ge­worden ziel, de gevormde ziel, is voor God evenzeer een kostbaar materiaal, want zij is een deel van Zijn wezen. Als de goudsmid een kunstwerk heeft ge­maakt, dan bewaart hij dat, verzorgt en behandelt het heel voorzichtig, maar het afval en de mislukkingen smelt hij om. Dan begint de bewerking opnieuw; het gaat niet verloren. Maar het kan zijn dat de huidige vorm ver­loren gaat. Dat proces is eigenlijk moeilijk te verklaren, omdat de meesten niet begrijpen hoe het precies gaat. Stelt u zich voor dat u zich zo ver­nietigt dat u tenslotte geen enkel bewustzijn meer heeft behalve het feit dat u bestaat. Als u zover bent gekomen, dan is de levensdrang in u ster­ker dan alle denkbeelden in u. Want u weet alleen nog maar: ik leef, ik ben. Maar dan gaat u zich toch weer afvragen (want dat is de drang van het leven): Wie ben ik? Wat ben ik? Hoe ben ik? Waar ben ik? Daarmede be­gint u weer opnieuw aan de ontwikkeling. U gaat dus niet verloren. Maar u heeft het dieptepunt bereikt en zult u wederom rijzen tot bewustzijn, want dat is het doel dat u is gesteld. Het leven in u, het feit “ik ben”, is nl. niet uit te blussen.

  • Er werd gesproken over de Drie‑eenheid van ons menselijk bestaan. Hoe moet ik die Drie‑eenheid verstaan?

Ziel, geest en stof. Ziel: de goddelijke Kracht op zichzelf, de kern van ons bestaan. Geest: het bewustzijn dat dit wezen in zich draagt. Stof: de vormgeving waartoe het bewustzijn komt door zich uit te drukken in de schepping. Dat is de Drie‑eenheid van ons wezen. Als die drie volmaakt zijn geeft de vorm (de stof) een volledige uitdrukking aan de ziel en de geest. De geest als bewustzijn omvaamt geheel de kern (ziel) en de uiting (stof). Terwijl de ziel zichzelf volledig geopenbaard ziet zowel in de geest als in de stof.

  • Wordt door de wet van oorzaak en gevolg de genade Gods niet uitgeslo­ten?

Dat zie ik niet in. De genade Gods is hetgeen God ons geeft zonder onze verdiensten. De wet van oorzaak en gevolg zegt dat wij alle ervaring zullen moeten hebben om uit het huidig gevolg een oorzaak te maken voor volgende gevolgen in de richting van ons bewustzijn en onze wensen. Nu kunt u zeggen: Het is een genade Gods dat ons de mogelijkheid wordt gegeven te bereiken. U heeft gelijk. Maar zegt u mij dat de genade Gods een plotselinge verbetering kan betekenen, waardoor oorzaak en gevolg tijdelijk worden uitgeschakeld, versneld of vertraagd, dan zeg ik: Neen. Dat kan al­leen door de waarden in ons. En deze zijn afhankelijk van de volmaaktheid die wij reeds hebben bereikt en niet meer van God. Want God heeft in Zijn volmaaktheid voor Zich het enige geval geschapen dat volledig gepredestineerd is. nl. het volmaakte Al, d.w.z. de volmaakte uiting van Zichzelf.