Hoe benaderen wij de God in ons?

uit de cursus ‘Filosofieën over het Goddelijke’ 1955-1956

Het benaderen van God heeft ons langs vele gebieden gevoerd. We hebben God gevonden in de wereld buiten ons. We hebben hem gevon­den in de daad en in de gedachte. Maar de kern van alle dingen bleek weer te liggen binnen onszelf. Daarom wordt het noodzakelijk dat we ook deze God in ons gaan zoeken, opdat we onze God kunnen vin­den. Want zonder God kom je het leven niet door. En het is beter je een God te stellen, Die werkelijk Heerser van de Kosmos is ‑ ook al kun je hem niet begrijpen ‑ dan een God te aanvaarden die gelegen is in deze wereld en bv. Sociale Welvaart heet of iets dergelijks.

Waarom God in ons? Kort samenvattend hetgeen hierover reeds werd gezegd:

God heeft Zich geuit in alle werelden; en alle werelden bestaan uit en in Hem. Deze gewichtige zin kunnen wij niet genoeg herhalen. Want het betekent dat God in ons leeft en dat wij uit Hem bestaan. Als God in ons bestaat, dan is er in ons de volmaaktheid. Al wat de wereld ons aandoet, nl wat de wereld ons brengt en biedt, is tenslotte niets anders dan de éénklank of de dissonant tussen ons en de wereld.

God is een perfecte harmonie. God is eeuwig volmaakt en oneindig. Ook de God in ons. Want al neem je van het oneindige nog zoveel stuk­ken af, als je ze niet begrenst, blijven ze oneindig. Welaan, bij ons ontbreekt aan het stuk God dat in ons bestaat (dat deel van het God­delijke wat wij eigenlijk zijn) één grens. Wij zijn ‑ evenals hij ‑ oneindig, ofschoon we uit Hem zijn voortgekomen. En deze oneindigheid maakt ons tot deel van het Eeuwige, volledig en te allen tijde. Dit betekent voor ons dat wij deel hebben aan alles wat in God leeft.

Een zijn met Hem betekent ook dat wij het ware doel van ons leven, van alle arbeid, van alle werken en denken moeten vinden in Hem. God in ons.

Maar wat is onze persoonlijkheid dan? Want als God de kern is, dan moet de persoonlijkheid eromheen liggen. Gij weet evengoed als ik dat de persoonlijkheid van een mens of zelfs van de hoogste geest niet identiek is met God.

Stellen wij dat onze persoonlijkheid is: het bewustzijn plus alle vormen, waarin dit – als deel van het geheel tot uiting komend – zich stelt tegenover de andere geuite waarden, dan moeten we om tot God te komen in onszelf doordringen, totdat wij onze persoonlijkheid a.h.w. van binnenuit zien als een aantal consequenties van kosmische wetten van oorzaak en gevolg.

Ten eerste dienen wij natuurlijk afstand te doen van onze persoonlijke mening. Want ons denken is niet in staat het Goddelijke dat in ons leeft te aanschouwen of te aanvaarden. Wij moeten aanvoelen en niet meer beredeneren.

Ten tweede moeten we afstand doen van de daad, die uit onze overwegingen en alleen in relatie tot onze persoonlijkheid uit ons wordt geboren. Naastenliefde die ons met de wereld verenigt, verenigt ons met het Goddelijke in de andere wezens en brengt harmonie. Maar het vanuit jezelf denken, redeneren en handelen verwijdert je van de wereld, van de God in die wereld, maar ook van de God in jezelf.

In de plaats daarvan moet komen de stille eenheid met God, waardoor elke daad onmiddellijk uit Hem wordt geboren. Dit is voor mens en geest moeilijk, indien nog wel te bereiken.

Nu ga ik dit stellen: Om te komen tot de God in mij, moet ik in de eerste plaats de wereld met rust laten. Ik moet mij a.h.w. terug­trekken van alle waarnemingen en alle overdenkingen die met de we­reld in verband staan. Ik moet echter ook mijzelf kennen, opdat ik niet van de ongerealiseerde waarden die in mij bestaan en deel uit­maken van mijn leven en persoonlijkheid, mij een vals beeld, een afgod vervaardig. Ik dien dus ook mijzelf te kennen. Als ik mijzelf ken en mij afsluit van de wereld, kan ik krachtens mijn kennis, mijn persoonlijkheid en wezen elimineren. En wat ik overhoud is dan de zuivere uiting van het Goddelijke die ik op dit ogenblik kan aanvaarden en bevatten.

Meditatief kan men inderdaad vaak tot God komen. Want er konen ogenblikken, dat de gevormde gedachte je verlaat. Ik weet dat niet allen onder u deze ervaring kennen. Ik zal daarom trachten haar te schetsen.

Beginnen met een overpeinzing. Dan gaan de gedachten verder en verder. Zij trachten meer en meer te omvatten en het beeld dat zij in je scheppen wordt vaag. Op den duur is de wereld een woord, een begrip dat nog vaag en langzaam voortdrijft op de nevelen van een wereld van ongevormde gedachten. Dan valt ook die wereld weg en het denkbeeld blijft over: de ene gedachte. In één leegte schijnt ze een weerklank te vinden. Plotseling is ze verdwenen. In de plaats daarvan komt uit het Niet ‑ plotseling en onweerstaanbaar ‑ een lichtende kracht op ons af; een gevoel, een sensatie die je niet nader kunt omschrijven. Dan weten wij voor een kort ogenblik boven onszelf verheven, zelfs niet meer wie wij zijn. Wij vinden geen woord en geen gedachte, geen beeld en geen uiting. We zijn volledig passief. En rond ons werkt deze eigenaardige kracht, die uit het Niet geboren, ons doordringt tot in onze diepe vezelen.

Je keert dan terug tot jezelf, maar je voelt je blijer, sterker, veranderd. Een gevoel dat al gauw slijt, want je persoonlijkheid krijgt weer de overhand. De wereld vraagt weer. De wereld komt weer met haar problemen, met haar eisen. Er blijft je alleen vaag op de achtergrond de gedachte dat je een ogenblik boven alles verheven was. Toch bent u niet buiten uzelf getreden. Je bent niet, zoals menig mysticus beweert, opgevoerd tot in de hoogste hemelen. Ge hebt slechts een ogenblik de Goddelijke Kern beroerd, waaruit uw gehele wezen bestaat.

God vinden in jezelf betekent dus ook een zelfverloochening.

Zolang wij het woord “ik” nog gebruiken, scheppen wij een grens, tussen ons en het Eeuwige. Dan stellen wij ons bewustzijn voor de zaak dat er twee waarden zijn: ik en God. En dat zeggen we ‑ of we het willen of niet ‑ juist in de volgorde die ik zo even noemde. Eerst ik. Ik ben. En dan is er ook nog God. Daarom moet je dat “ik “laten wegvallen. Daarom kunnen we met veel kennis moeizaam de wereld kennen. God kennen in de natuur buiten ons. Maar we kunnen hem nooit beleven en benaderen zoals Hij in ons bestaat.

God in jezelf vinden, betekent de abdicatie van de mens. Afstand doen van zijn troon van menselijkheid en van persoonlijkheid. Dat betekent: opgaan in een toestand, die Nirwana is … en meer. Want als God in je kenbaar werkt, dan word je tot Zijn werktuig. Dan is er niets meer dat werkelijk iets betekent buiten deze God.

Wij hebben daarvan vele voorbeelden gezien. Of het nu Boeddha is die mediterend zijn God vindt, of Jezus die in het lijden zijn God vindt. Het blijft altijd weer hetzelfde. Op het ogenblik, dat men zichzelf maakt tot werktuig van het Goddelijke, openbaart zich de goddelijke Kracht in ons plotseling en zijn we één met de grote scheppende Kracht.

Bij ons zoeken naar God zullen wij dus een zware taak hebben, willen we God in onszelf gaan benaderen. Er mag geen ogenblik worden geaarzeld. Wij mogen ons niet meer afvragen: Is dit voor mij goed of voldoende? Want wij leven uit Hem. En het woord “mij” bestaat niet meer.

God vinden is jezelf verliezen in God. Maar op het ogenblik dat je je in God verliest, vind je de waarheid omtrent je eigen wezen. Dat is het einddoel van al ons leven en streven. Dat is het doel, dat staat aan het einde van een weg door talloze levens en een ongekend aantal sferen. Wij gaan onbewust telkens deze weg. Wij leven voortdurend uit deze Kracht die in ons bestaat. Er is geen ogenblik dat we zonder dat kunnen. Maar omdat we ons er niet van bewust zijn, gaat de volle waarheid, de volle kracht en de volle betekenis ervan teloor.

God vinden in jezelf wil zeggen: God stellen boven jezelf, De ware verhouding zien tussen je persoonlijkheid en de Kracht die je heeft geschapen. Durft men dit moeizaam avontuur aan, durft men deze laatste schrede in de eenzaamheid zetten, dan vindt men als resultaat zichzelf onbetekenend als uiting, maar gelijktijdig vol‑scheppend, vol‑levend en eeuwig als deel van het geheel.

Uit het raadsel van de God in ons wordt geboren het raadsel van de kosmische Kracht, van het eeuwige Licht. Niemand kan deel hebben aan de kosmos, tenzij hij eerst één wordt met de kosmische Kracht die in hem bestaat. Want ons gehele leven is een kwestie van harmonieën.

Als wij in een wereld komen en het kwaad achtervolgt ons, dan menen wij dat het de wereld buiten ons is, die ons heeft beroerd. Maar het is ons onwetend zijn omtrent het wezen van de wereld, dat ons juist deze deed kiezen uit de vele mogelijkheden die ons leed brengt.

Als de ondergang ons drijft tot de duistere sferen, dan menen wij dat het onze zonden zijn, of dat het een oordelende Rechter is, hoog boven de wolken tronend, die ons dit oplegt. Maar het is niet waar. Wijzelf zijn het die in een volkomen onbegrip van de waarheid onszelf veroordelen, onszelf dit aandoen.

Waar wij ook komen, hoe wij ook gaan, altijd is alles volmaakt. Volmaakt, omdat het uit God wordt geboren. God Die in ons leeft. Volmaakt, omdat het voor God deel is van het ene, alomvattende moment van de schepping. Onvolmaakt voor ons, omdat wij ‑ niet in éénklank zijnde met de eeuwigheid ‑ voortdurend ons stoten aan al wat er rond ons gebeurt.

Ons bewustzijn is de factor die de kosmische harmonie verstoort. Ons bewustzijn, ons denken is het, dat goed en kwaad schept. Ons aarzelend zoeken naar waarheid is het, dat ons langzaam maar zeker meer en meer doet meeklinken met de volledige klank van het Goddelijke. 0, hoe zouden wij, mens of geest, iets van harmonie met het Goddelijke kunnen scheppen – wij het kleine met het Oneindige ‑ indien niet in ons de Oneindigheid reeds leefde?

In ons bestaan alle dingen. Niet slechts ons eigen wezen. Al wat God ons tooit in de natuur, al wat wij vinden in de daad, in de handeling, in de gedachte en in de droom, het is in ons aanwezig. Want onze God is niet slechts eeuwig, almachtig en alomtegenwoordig. Hij is ook één en ondeelbaar. Het wezen Gods is niet deelbaar. En zo is het deel Gods dat in ons leeft in werkelijkheid ook een geheel. Want er is geen groot en er is geen klein. Er is geen boven en geen beneden. Er is alleen maar dat ene punt: God. Het punt dat ook in ons zijn focus vindt.

In ons trekken de sterren hun baan, niet buiten ons. In ons zingen de sferen hun loflied niet buiten ons. In ons is de eeuwige Kracht te allen tijde, oneindig en onverbrekelijk. In ons is het Eeuwige dat wordt gehandhaafd elk moment van ons zijn. Wij, kleinen en onvolmaakten, die deze waarheid niet begrijpen, wij rijgen de momenten aaneen en vlechten een snoer uit reeksen levens, dat ‑ cirkelend zichzelf ontmoetend‑ ‑ voor ons het begrip van de eeuwigheid is. Maar de werkelijkheid is anders. Dit moment dat je thans leeft is eeuwig en onveranderlijk. En elk moment dat je zult leven, is eeuwig en onveranderlijk. Alles, te allen tijde, is vast. Alles, waarvan je droomt, is een werkelijkheid en staat vast. Al hetgeen u zich niet realiseert en wat ge niet denkt, maar dat als moeilijkheid bestaat, is eeuwig en onveranderlijk. Eén geheel en onveranderlijk is het leven. Eén geheel en onveranderlijk is de uiting Gods schepping. Eén en onveranderlijk is de geest die in ons leeft zoals in alle dingen: God.

Maar ons vaag en traag bewustzijn zoekt tastend mogelijkheden.

Neemt nu eens deze, dan gene weg en meent dat de volmaaktheid een doolhof is, waarin je moeizaam je baan trekt. Zelfs al weten we dat het niet zo is, we kunnen het ons niet anders voorstellen. Wij kunnen niet anders leven of handelen, omdat we persoonlijkheden zijn, omdat langzaam in ons het besef ontwaakt nu van dit moment, dan van dat. Toch ligt de gehele doolhof van de schepping ook in ons. Alles. Wij gaan onze weg; en wij kiezen hem vrijelijk. Beheerst alleen door de kosmische Kracht, die ook voor ons betekent: oorzaak en gevolg. Dat wil zeggen: verder gaan zonder terugkeer, zonder herstel. Maar al deze dingen zijn één. Als ik de God in mij heb gevonden, dan begrijp ik die. Wat meer is: dan lééf ik dit. Dan ga ik van mogelijkheid tot moge­lijkheid en droom ik misschien nog een ogenblik in terugkerend leven dat dit het ogenblik is. Want ik weet niet meer van tijd.

Indien ik God in mij ken, dan kan ik zeggen als Jezus‑ “Ziet, voor Abraham was ik. En nadat alle leven gedoofd is, zal ik nog zijn, want ik ben oneindig, eeuwig.” Slechts één ding doet mij verschillen van de ware God: Hij origineert mij en Zichzelf. Ik, origineer alleen een waanbeeld, dat ik mijzelf noem. Het verschil is groot en klein tegelijk. Naarmate ik dichter bij de kern van mijn wezen kom, zie ik dit verschil kleiner. Naarmate ik het verschil kleiner zie, zal ik niet meer trachten te streven in een bepaalde richting, of bepaalde wegen te gaan. Ik ben niet meer de reiziger door de doolhof; ik ben de doolhof.

Wat is dan de vreemde Kracht die ons toch dwingt te streven? Het bewustzijn. Maar wat voor een bewustzijn? Het onevenwichtig weten omtrent God, dát is ons bewustzijn. Het slechts kennen van kleine delen van Zijn wezen. Het niet in staat zijn plotseling al wat wij weten op één punt te realiseren en te beseffen. Wij zijn te klein. Wij kunnen in ons persoonlijk voorstellingsvermogen nooit datgene bereiken wat de God in ons te allen tijde in Zich heeft gedragen en in Zich zal dragen: de synthese van alle leven, de synthese van alle zijn, de synthese van alle kracht. Want dat is God. En dat is mijn ziel: de kern van mijn bestaan. Het is de Kracht waarom mijn bewustzijn korte banen probeert te beschrijven zonder te beseffen dat het Eeuwige onveranderlijk is.

Ik vrees dat gij in al deze woorden een reden hebt gevonden om fatalist te worden. Daarom wil ik hieraan een waarschuwing toevoegen: Als ge zoekt naar God in u, dan betekent dit: Gods wil door u en in u laten werken zo volledig gij kunt. Maar het betekent niet‑ daar waar gij niet zeker zijt – te wachten tot God handelt. Want indien gij slechts neer­zit, wachtend tot de God in u gaat spreken, dan bestaat de mogelijkheid dat uw bewustzijn niet groot genoeg is om die stem te verstaan. Dan is het mogelijk dat ge geen voldoende besef hebt omtrent uw wezen, omtrent de krachten die daarin leven, zodat ge aarzelend en moe met waanbeelden genoegen neemt en zo de leerschool zowel als het doel gelijk ver­zaakt. Fatalisme is waan. Overgave aan een noodlot is dwaasheid. Zolang ge nog beleven moet, beleef dan volgens uw beste weten en kunnen, uw eigen wegen kiezende. Maar komt er een ogenblik dat ge boven alle beleven verheven zult zijn, al is het maar voor één seconde, wees dan één met uw God. God binnen u is het moment dat u met de eeuwigheid verbindt. En de eeuwigheid blust alle tijd uit,

Dus, mijne vrienden, sta mij toe nadrukkelijk op te merken dat het voor ons noodzakelijk is kennis te vergaren. Te leven zo goed wij kunnen.

Onze bestemming te volgen, zoals we die zelf kennen en zien, tot het ogenblik dat de opgedane ervaring het ons eindelijk mogelijk maakt te zeggen: “Ziet, dit ben ik. Dit is het omhulsel dat ik heb geschapen in een klein deel van het Goddelijke; maar hier is de kern. Dan zult ge ongetwijfeld het volledige en ware bewustzijn vinden.

Lichtende kracht

Lichtende, Kracht, die het duister doorbreekt en leeft in alle zijn,

Gij maakt het duister van ’t eigen stil bestaan zo wonder, wonderklein.

Wat is het “ik” in ’t lichtend spel van scheppende Kracht die werkt?

Wat is het “ik”, terwijl het Licht rond zich het zijn versterkt en boetseert,

tot ’t een volmaaktheid wordt uit Licht en­ Kracht geboren?

Lichtende Kracht is bewustzijn in God.

Lichtende, Kracht is het zonnegloren voor ieder,

die aanvaardend het kosmisch gebod

’t gebod: Hebt uzelf, uw naasten ook lief,

geheel weet te respecteren, de kosmische wet,

die de wereld vaak kent onder de naam van “de Wil des Heren.”

Gij zoekt naar uw God.

Gij zoekt naar het zijn;

de Krachten die steeds u geleiden.

Gij zoekt naar het wonder en wilt in ’t bestaan

voor dat wonder te allen tijde strijden.

Gij ziet er uw God in het spel der natuur.

Hij spreekt in het ruisen der bomen.

Hij wordt u herboren als Lichtend Vuur,

dat speelt door onrustige dromen.

Gij zoekt naar uw God in der bergen pracht,

gesluierd, met sneeuw overladen.

Gij zoekt God in de stilte der duistere nacht

en in de volheid van leven en daden.

Gij zoekt er uw God te allen tijd

en begrijpt niet het zonnegloren van Lichtende Kracht,

waarmee deze God u binnen het “ik” wordt geboren.

Want de Lichtende Kracht, die ook in u bestaat,

is de God, Die gij kunt begrijpen.

Dat is de Kracht, die naast u staat,

wanneer onrust en nood u weer nijpen.

De Lichtende Kracht leeft in heel het Al

en nimmer zijt gij dus verlaten,

tenzij gij, o mens, de Lichtende Kracht

en de Macht van de schepping wilt haten.

Wie het Licht zich verwerpt, wie de wereld zich zoekt

als een speeltuig om mee te balanceren,

 die moet zich van Licht en Lichtende Kracht

 tot het duister en d’ondergang keren.

Chaos is Macht en Licht is een Macht.

Beide uit één Bron geboren.

Maar het is tot het Licht en niet tot de chaos,

Dat mensen en geesten behoren.

Zo keert tot het Licht en de Lichtende Kracht.

Keert tot de God, Die in u leeft.

Dan zult gij begrijpen waarheen gij gaat,

waarom door de sferen gij streeft.

En terwijl dan de Lichtende Kracht u laaft,

tot uw dorst zelfs verzadigd is,

ziet gij het duister als nieuw bezit,

ervaart het niet meer als gemis.

Dan kent ge des levens werkelijkheid,

dan behoeft ge geen strijd meer te strijden.

Maar vóór ge het Licht op deze wijze aanvaardt,

zult gij moeten sterven en lijden.

Sterven en lijden, het vuur van de dood,

dat loutert van wereld en wens,

dat is voor velen van Lichtende Kracht

en ’t bewustzijn daarvan slechts de grens.

Opgaan tot ’t Licht, begrijpen uw God

en de Lichtende Krachten aanvaarden,

betekent: afstand doen van het “ik”

van alle zelfzuchtige waarden.

En herboren in ’t Licht,

geworden tot pracht van wonder en stralend vermogen,

wordt gij voor de wereld weer Lichtende Kracht,

die licht geeft vol mededogen.