Voorbereiding: doe het zelf

‘Doe het zelf’

Inleiding

Als wij de titel DOE HET ZELF kiezen, dan betekent het dat u het zelf helemaal moet opknappen. Het betekent ook dat wij ‑ nemen wij aan dat u heel veel weet op dit gebied, er veel over gelezen heeft en misschien vele disciplines heeft gevolgd ‑ toch bij het begin zullen moeten beginnen.

Het is allemaal zo eenvoudig dat een leek het kan doen. En dat is niet voor niets. Als we kennis maken, met alle systemen die er zijn, dan is het ontzettend ingewikkeld en geheimzinnig, met graden zus en graden zo. Dat willen we vermijden. We zullen dus rustig beginnen met datgene wat u zelf kunt doen en met de eenvoudigste manier waarop u het kunt doen. U zult vaak dingen tegenkomen waarvan u denkt dat wist ik al, of: dat heb ik al gehoord. Dat zal wel waar zijn, maar heeft u het al bekeken in dit verband? En bovenal, heeft u geprobeerd het toe te passen?

In alle lessen zullen we proberen een paar oefeningen te verwerken. Het zijn geen oefeningen die u als huiswerk krijgt. Niemand zal vragen of u het wel of niet heeft gedaan. Niemand zal u zeggen dat u het verkeerd heeft gedaan. Het zijn gewoon dingen waarmee u moet experimenteren. Alle ontdekkingen in de wereld vanaf het eerste wiel tot de quadrafonie toe zijn ten slotte het resultaat van het experiment, van denken en beseffen.

De wereld waarmee wij ons gaan bezighouden, de wereld van de geestelijke krachten en de geestelijke ontwikkeling, is in de eerste plaats een terrein waarin ook het gevoel een rol speelt. Gevoel is hier vaak belangrijker dan denken. Maar zonder experiment kom je ook hier niet verder. Wie denkt ‘we zullen eens horen wat ze te zeggen hebben’ heeft zich een aantal avonden misschien redelijk vermaakt en zijn cursusgeld weggegooid. Hij kan dan het volgend jaar zeggen: ik ben erbij geweest, maar meer ook niet. Degene die werkelijk moeite doet en probeert om dit eenvoudige systeem dat wij u in deze cursus zullen uiteenzetten steeds aan de praktijk te toetsen en daarmee voor zichzelf te werken, die zal aan het einde van deze reeks lezingen in ieder geval kunnen zeggen: ik heb geleerd om mijn geestelijke kracht snel op te voeren en vermoeidheden van het lichaam in kortere tijd dan normaal op te heffen. Daarnaast zal hij heel waarschijnlijk zeggen: ik heb geleerd iets van mijn uitstraling te gebruiken en ik heb bovendien geleerd een paar van die dingen als iets heel normaals te doen die anderen nog paranormaal noemen.

Na deze inleiding gaan we meteen over tot het eerste punt.

 

 

uit de cursus ‘Doe het zelf’ (hoofdstuk 1 ) – oktober 1975

Voorbereiding: doe het zelf

Alles vraagt voorbereiding. Als u geestelijk wilt gaan werken heeft u een voorbereiding nodig. Het is natuurlijk een kwestie van routine en op den duur vraagt het weinig of geen tijd meer. Maar vooral in het begin moet u er wel even bij nadenken. Elke voorbereiding kan worden onderverdeeld in vier verschillende fasen.

1e fase: Het lichaam tot rust brengen.

Dit betekent: zorgen dat er geen kans is voor grote of kleine boodschappen die zich dringend aankondigen, dat er geen holle knorgeluiden de innerlijke leegte verraden, dat alle knellende voorwerpen (vormcorrigeerders e.d.) worden verwijderd of althans losgemaakt, totdat u het gevoel heeft: ik zit er lekker bij. Want het lichaam wordt normaal en haast uit gewoonte aan allerlei pressies onderworpen. U zit, maar zit u nu wel goed? Misschien kunt u beter gaan liggen. U bent altijd zo gekleed. Dat is wel waar, maar ergens zit dat ene bandje of riempje toch een beetje verkeerd. U merkt het haast wel niet, maar op het ogenblik dat u met uw geestelijke krachten lichamelijk wilt gaan werken, gaan juist die kleinigheden meespreken. Het is zelfs zo dat ik u de raad zou willen geven: zorg ook dat u de handen schoonmaakt. Want als u een paar kleverige vingers heeft waar u normaal niet op let en u gaat voor het experiment zitten, dan bent u ineens helemaal in beslag genomen door die plakkerige vingers.

Het eerste punt is dus: zorg dat je lichamelijk geen enkele pressie ondergaat van welke aard dan ook.

2e fase: Begin bewust.

Bewust betekent dat u weet hoe u ademt. Ademhalen is een techniek, ook al doe je het normaal heel gewoon. Als u leert om rustig en regelmatig adem te halen, zult u reeds ontdekken dat dat op zichzelf al een ontspannende werking heeft. Als u daarbij nog in staat bent om uw spieren een beetje te ontspannen, zoveel te beter. Hiervoor zijn er systeempjes. U kent het misschien wel: ga zo recht mogelijk liggen. De ruggengraat gestrekt, geen drukkende banden om het lichaam en begin langzaam ademhalend u voor te stellen: mijn tenen zijn ontspannen enz. enz. Het kan helpen, vooral voor slapeloze mensen die toch de tijd hebben. Maar als u met geestelijk ‘doe het zelf’ bezig bent, komt u meestal niet verder dan de helft van deze fase en dat is niet de bedoeling. Het is niet nodig dat u precies tegen uw lichaam zegt wat er ontspannen moet zijn. U gaat er gewoon zo gemakkelijk mogelijk bij zitten of liggen. U haalt zo regelmatig mogelijk adem, totdat u het gevoel krijgt dat u wegdommelt. Het is niet zo erg als u wel denkt wanneer u in slaap valt. Deze vorm van ontspanning vinden in de kortst mogelijke tijd plaats, vergt enig overleg, maar het helpt u bij de voorbereiding van alle geestelijk werk.

3e fase: Ons denken.

Er zijn allerlei meditatieve systemen. Denkt u bijvoorbeeld eens na over: ‘er is er maar één’, en vraag u af wat dat is. Dan komen de meeste Nederlanders aandragen met Karel I. Er is echter maar één al bezielende Kracht.

Wat heb ik eigenlijk nodig voor mijn denken? Iets wat voor mij betekenis heeft. Een soort mandala misschien. Een vreemd woord dat het best kan worden vertaald met: een sleutel waardoor de zinnen a.h.w. geboeid kunnen worden en het hogere zich kan losmaken.

Een mandala kan alles zijn. Het kan zijn bv.: ‘de kat krabt de krullen van de trap’; het kan zijn: ‘o, gij kleinood in de lotusbloem’. U heeft altijd wel iets wat voor u erg belangrijk is, iets waarin u heel erg gelooft, dat u zeer dierbaar is. Probeer eens of u daarmee een zinnetje kunt maken van ca. vier of vijf woorden. Als u dan zo’n zinnetje heeft dat u ‑ als u het hardop uitspreekt ‑ enigszins een gevoel van prikkeling in de hoofdhuid geeft, dan heeft u voor uzelf de juiste sleutel gevonden.

U zult zeggen: moet ik dan zo lang zoeken? Dat is helemaal niet waar. U heeft allen bepaalde dingen in uw leven, in uw denken, die uw bewustzijn en onderbewustzijn beheersen en daardoor uw gehele besef tot een eenheid kunnen maken. Dat kan dan zelfs de uitroep ‘potverjandorie’ zijn, want het woord komt er niet op aan. Het gaat er doodgewoon om dat u dat ene denkbeeld of droombeeld vindt dat u a.h.w. in uw gehele wezen voelt.

Als we een dergelijke mandala hebben gevonden (u kunt die natuurlijk ook visueel maken, maar dat is weer te ingewikkeld, daar komen we later nog wel op terug), dan zult u door dit steeds te herhalen (u behoeft het niet hardop te doen, u kunt het ook gewoon denken) een eenheid in u tot stand brengen waarbij uw denken en uw wil langzaam maar zeker versmelten met het totaal ego. Daar merkt u niets van. Maar op een gegeven ogenblik heeft u het gevoel: nu trekt het door m’n hele body heen. Wanneer dat het geval is, kunt u verder gaan. We hebben nu het denken en zelfs een deel van het gevoelsleven onder controle.

4e fase: Wat wil ik?

U kunt zeggen: ik wil iemand genezen. Maar daar heeft u niets aan. Als u zegt: ik wil één galsteen of één niersteen op een zodanige manier ontbinden in een bepaalde persoon zodat dat en dat het gevolg ervan is, dan heeft u een bestemming. U kunt het dus niet in het algemeen doen. Ons doel moet nauwkeurig omschreven zijn.

Als wij geestelijke kracht willen ontvangen, dan moeten we weten waarvoor en waarom. Het hoe komt dan vanzelf. We moeten dus ‑ en ik kan het niet nadrukkelijk genoeg zeggen ‑ gewoon definiëren wat we willen. Nu doen we dat in een toestand van ontspannenheid, want we hebben net de 3e fase achter de rug. Het resultaat is dat ons doel er heel anders uitziet dan we het normaal zouden willen omschrijven. Zeg dan niet: ik moet dat terugbrengen tot iets mooiers of tot iets wat beter klinkt. Houdt u gewoon bij het beeld dat ontstaat wanneer u zich afvraagt: wat wil ik, op welke wijze? Waarom wil ik? Heeft u ook deze fase afgesloten, dan bent u namelijk voldoende voorbereid om met het eigenlijke werk te beginnen.

Wat erg belangrijk is, dat is allereerst het opvoeren van onze energie. Nu kunnen we die energie niet opvoeren langs zuiver lichamelijke weg. We kunnen ook niet zeggen: we willen een bepaalde geestelijke energie hebben. Belangrijk is hier natuurlijk onze juiste oriëntatie. Het ‘hoe’ doet nog steeds niet ter zake. De stelling is de volgende:

Rond mij is energie. Met elke ademhaling neem ik energie op. Elke klop van mijn hart, elke vibratie in mijn pols of waar dan ook neemt energie op. Ik ben mij bewust dat ik mij bevind in een zee van kracht. Ik neem deze kracht op. Het klinkt allemaal erg kinderlijk, maar het gekke is dat het werkt. Het is grotendeels een autosuggestief proces. Die krachten zijn inderdaad rond u, ook al is het niet altijd een oceaan. Het feit dat u zich van die krachten bewust bent, dat u ze naar u toe trekt met uw gedachten, betekent een toenemen van potentiaal in uw lichaam. Maar het is nog altijd geen energie die we direct kunnen verwerken, waarmee we lichamelijk direct iets kunnen doen of waaruit we onmiddellijk een geestelijk bewustzijn kunnen distilleren. Daarvoor zullen we meer moeten doen. We gaan dus eerst de energie versterken.

Ik stel me voor dat ik haar voel ongeveer bij het heiligbeen. Ik maak van mijzelf a.h.w. een soort stofzuiger waarvan de zuigmond bij het heiligbeen alle kracht, die er in de omgeving is, met een enorme snelheid naar binnen zuigt, langs mijn ruggengraat bewegen zich die krachtstromen naar boven. Ik voel de lading van die kracht. Het is alsof ze als een thermometerwijzer van wervel tot wervel omhoog loopt. Verder dan de nekwervel (bij de nekaanzet) gaan we niet. Stop dus voordat u bij de atlaswervel bent, andere krijgt u te maken met verschijnselen waarvoor u misschien nog niet rijp bent. Wanneer u deze warmte langs de ruggengraat duidelijk heeft gevoeld, dan sluit u de zaak af door gewoon te zeggen: ik ben verzadigd.

Doe daarna dan ook iets. Blijf niet liggen nasoezen, want dan heeft u later het gevoel dat de energie wegdruipt. De energie die we opnemen moeten we gebruiken om haar om te zetten in iets belangrijks. En aangezien dat belangrijke in deze eerste les zeker nog niet ver buiten onszelf zal liggen, is het het best om een lichamelijke activiteit te verrichten. Doe nu iets waarvoor u eigenlijk geen energie genoeg had. Doe dat ongeveer 10 tot 15 min. Op deze manier fixeert u de opgenomen kracht in uzelf. Omdat u dit lichamelijk doet, zult u ook psychisch beter in staat zijn de geestelijke kracht die u heeft opgenomen in u te bewaren en aan te passen aan uw wezen.

Hier hoort dan een kleine oefening bij, die u zich eventueel regelmatig te binnen kunt brengen en waarmee u dan wat kunt doen. Het is eigenlijk een kwestie waarbij zelfsuggestie een grote rol speelt. Zelfsuggestie betekent dat ik mij een toestand suggereer die niet reëel is. Het betekent echter ook dat ik mijn situatie verander volgens het beeld dat ik mij voorstel. Daarom is het ook niet zo belangrijk dat we daartoe precies volgens de werkelijkheid te werk gaan. Wel is belangrijk dat we onze relatie met de omgeving veranderen op een bepaalde manier.

Oefening 1

Bereidt u voor. Als u het gevoel heeft ontspannen te zijn, begin met het opnemen van energie. Doe dit een korte tijd en breng daarna contact tot stand door de handen kruiselings op de knieën te leggen. Dus: rechterknie – linkerhand: linkerknie ‑ rechterhand. Sluit het contact bij de enkels (enkels over elkaar of tegen elkaar). Haal vervolgens zeer langzaam en zeer diep 3 á 4 keer adem. Ontspan u daarna. Verbreek de contacten en schrijf de eerste 3 woorden die u in gedachten komen op, hoe onzinnig ze ook mogen zijn.

De reden van deze oefening: door deze oefening hebben we het volgende gedaan. Wij hebben de energieën, die in ons aanwezig zijn, laten pulseren en wel volgens een bepaald patroon van de levensstroom. (Indien u zich bezighoudt met prana‑yoga, dan komt u er wel achter op welke manier dat gebeurt.) Het hoe, ach, wat interesseert u dat eigenlijk. Als u, dames, met een naaimachine werkt, weet u dan hoe dat apparaat geconstrueerd is? Als u maar weet hoe u het bedienen moet. Voor de heren: u weet ook niet precies hoe de motor van uw auto in elkaar zit. Als u er maar goed mee kunt rijden. Zo gaat het met deze kracht ook.

Als ik die oefening heb gedaan, heb ik eigenlijk mijn totale energie aan het werk gezet, dat is mijn geestelijke energie die gestimuleerd is, dat is mijn onderbewuste energie, mijn levenskracht en mijn denkkracht. Deze zijn alle tegelijk gestimuleerd. Dit betekent dat er op dit moment geen normale redelijke processen kunnen optreden. Maar het houdt wel in dat bepaalde begrippen, die voor de gehele persoonlijkheid nu belangrijk zijn er a.h.w. gaan uitspringen. Met de 3 woorden die u neerschrijft, schrijft u in feite sleutelwoorden voor uzelf neer. Het zijn woorden waarin u uw probleem, uw oplossing misschien ook voor een probleem of uw besef van uw toestand neerschrijft. Als u die proef heeft gedaan, dan heeft u het kladje‑met‑de‑drie woorden erop en gaan we ons afvragen wat ze betekenen.

We stellen als basis in deze opgave: ik werk met kracht. Het gaat dus over mijn kracht en mijn mogelijkheden met kracht. Later zal dat anders worden, wanneer u gewend bent de hele voorbereiding a.h.w. in een halve minuut af te werken. Nu bent u er nog tamelijk intens mee bezig. Die woorden zeggen wat voor uw gevoel uw geestelijke kracht, uw levenskracht is.

Oefening 2

Tracht te weten wat uw energieprobleem is. Voorbeeld: ik zeg dit of dat tegen mijzelf. Later zeg je tot jezelf: dat kan ik nooit hebben bedoeld. Maar als je het eerlijk bekijkt, dan kom je tot dat idee. Nu zeg je: op het ogenblik dat ik in mijn energiepatroon een tekort of een teveel vind, moet ik uitkijken met het wekken van het slangenvuur. Als ik echter aanneem dat het bij mij wel gaat, dan begin ik langzaam met de suggestie van kracht opnemen. Ik ga daarmee voorlopig niet verder dan gemiddeld de schouderbladen (aanzet nekwervels). Als u namelijk de eerste keer al verder gaat, heeft u de neiging niet meer te stoppen. Dat wil zeggen dat u dan ergens in de cortex allerlei eigenaardige verschijnselen veroorzaakt die uw persoonlijke stabiliteit kunnen beïnvloeden. Daarom moet u dat voorlopig niet doen. Als we die kracht op deze manier hebben opgewekt, dan verbinden wij haar in gedachten met een bepaald punt op ons lichaam van waaruit we dit gaan projecteren. De opgave is dus:

Wekken van slangenvuur, maar niet verdergaand langs de ruggengraat dan ongeveer ter hoogte van de schouderbladen. Daarna verbinden we de kracht met een willekeurig punt op het lichaam. De meesten zullen zich daarvoor een chakra voorstellen. Het geeft niet wat u daarvoor neemt. Op een bepaald deel van het lichaam treedt de kracht uit. Deze kracht is een combinatie van geestelijke kracht en levenskracht.

Bij deze proeven nemen we een plant (bijvoorkeur twee gelijke planten) en richten de straal op één daarvan om deze meer kracht te geven. Als wij die proeven een paar keer hebben herhaald, zal de plant in kwestie een snellere en betere groei en een grotere bloei moeten vertonen dan de andere niet behandelde. Het is een handige methode om zo gelijktijdig te toetsen wat je kunt.

Als ik bezig ben met ontspanning en kracht, dan moet ik mij ook eens afvragen hoeveel verschillende soorten kracht er wel zijn. De meeste mensen zijn geneigd dat ofwel te zien als één geheel ‑ wat niet waar is ‑ dan wel te denken dat er een aantal krachten is. In de praktijk hebben we te maken met één basisenergie, die in een aantal trillingsgebieden uiteen valt. Zoals we bij de radio te maken hebben met hertzgolven. Dat kunnen we onderscheiden in verschillende golflengten: lange, midden, korte golf enz. We hebben dus te maken met een aantal verschillende gebieden. In feite zijn er 7 werkzame gebieden waarvan we in deze cursus slechts 3 gebieden zullen behandelen, anders komen we tot een te vergaande verdeling en wordt het te ingewikkeld.

  • 1e gebied: Levenskracht                                                                                                         Levenskracht is de eigen vitaliteit. Ze heeft een ritme (de vibratie van het eigen lichaam) en toont in de vibratie dus ook alle modulaties van dat lichaam t.a.v. welbehagen, niet‑welbehagen, gezond, niet‑gezond. Deze kracht kunnen we onmiddellijk aan anderen overdragen. Ze kan worden geprojecteerd op voorwerpen en kan door middel van de juiste voorstelling worden omgevormd tot datgene wat men ectoplasma noemt en dan voor manipulaties buiten het lichaam worden gebruikt: telekinese.
  • 2e gebied: De gedachtewereld                                                                                            Het gaat hier om de finesses van het denken, die een heel eigen vibratie vertonen. Deze vibratie geeft o.a. de interne spanningsverhoudingen weer zoals begeerte‑, aanvaarding‑ en verwerpingspatronen.Deze kracht kan echter door een wijziging van het denken worden afgestemd:
    Wij hebben hier dus te maken met een vorm van energie die door ons denken wordt bepaald. Indien ik mijn denken geheel weet te concentreren op één enkel punt, zal het totaal van de uitstraling die van mij uitgaat in overeenstemming zijn met het punt dat mijn denken beheerst. Onderbewuste factoren zullen wel een rol spelen, maar worden zodanig aangepast dat het gedachtebeeld dat ik uitzend in feite het enige is dat uit mij kan worden overgedragen. Geconcentreerd gebruikt zou dit actieve telepathie betekenen, dus zenden. In meer passieve zin gebruikt kan het aftasting zijn, aflezen van gedachten.Indien we in staat zijn deze trilling te projecteren naar een willekeurig voorwerp, terwijl we geen eigen denkbeelden hebben omtrent het voorwerp, dan kunnen de impulsen die in zo’n voorwerp werken worden afgelezen. We hebben dan eigenlijk een vorm van waarzeggerij. Als we de trilling richten op een bepaalde ontwikkeling, ontstaan er fragmenten die we a.h.w. zien of denken, maar dan zeer uitdrukkelijk uitgebeeld denken. Dit is een vorm van profetie.Deze kracht kan dus worden beschouwd als altijd aanwezig te zijn in de mens. Een mens die niet denkt is geen mens. Misschien zijn er mensen die niet denken, daardoor geen mensen zijn en daarom zichzelf voorstellen als de supermens. In de praktijk: elke mens denkt. Deze trilling is dus altijd aanwezig. Naarmate u geconcentreerder denkt (gebruik hiervoor uw eigen mandala als u er één heeft gevonden), zult u in staat zijn deze gedachte verder van u uit te zenden en daardoor uw ontvankelijkheid voor anderen of uw vermogen om u op afstand aan anderen uit te drukken vergroten.
  • 3e gebied: Pseudo‑geestelijke energie
    Deze energie is niet zuiver geestelijk. Er zitten bepaalde astrale aspecten aan verbonden. Het is een energie waarin het ‘ik’ zich uitdrukt vrij van alle vormbeperkingen en vormbewustzijn. Deze energie is normaal ongelijk actief, we zijn ons dus niet bewust wat ermee gebeurt. Ze is wel aanwezig, omdat we nu eenmaal niet kunnen leven zonder de verbinding tussen geest en stof, ook niet op aarde.Als ik deze kracht wil stimuleren, zal ik mijn gedachten weer zoveel mogelijk moeten beperken. Ik moet daarbij in mij een gevoel van eenheid met het hogere opwekken. Een aangepaste mandala kan hier vaak een goed hulpmiddel zijn. Andere hulpmiddelen in dit geval zijn: het veroorzaken van optische vermoeidheid. Bijvoorbeeld het kijken naar een kaarsvlam, kijken in een kristallen bol, het kijken in een spiegel, maar dan in een donker vertrek, zodat u alleen uzelf ziet. Hierdoor komen wij tot een sterkere band tussen het geestelijke deel en het mentale deel van het ‘ik’. Daar onze bewuste wil gericht is op deze geestelijke energie, kunnen wij signalen uitzenden die in geestelijke sferen kunnen worden ontvangen. In theorie kunnen we nu ook ons bewustzijn naar die andere sferen verplaatsen. Dat is echter niet altijd zo gemakkelijk. Daar komen we later nog wel op terug.Met deze kracht kan ik dus contact hebben met de geest. Ik kan contact hebben met anderen die zich op soortgelijke wijze projecteren. Ik kan waarnemingen doen vanuit een geestelijke toestand naar mijn eigen wereld of naar andere werelden. Ik kan emoties ervaren die voor mij verhelderend werken. Ik kan daarnaast ‑ dat is ook erg belangrijk ‑ een nieuw denkbeeld krijgen van mijn eigen kracht. Een mens, die zich met zijn gehele kracht goed oriënteert, is net een magneetnaald. Hij draait namelijk naar de pool toe, de kracht waartoe hij met zijn gehele wezen, dus mede door alle voortbestaanservaringen, wordt aangetrokken. Dit is dan ook zijn ogenblikkelijke bestemming, het is de grootste harmonie. Je kunt dus met de derde vorm van kracht buitenzintuiglijke waarnemingen doen. Het zal u duidelijk zijn dat het gebruiken van deze 3 verschillende vormen van de eigen energie met enige training grote voordelen kan geven.

Ik hoop dat we nu het grondmateriaal zo’n beetje verwerkt hebben. We moeten namelijk leren bepaalde formuleringen te gebruiken. We hebben woorden nodig om elkaar te verstaan. De inhoud van een woord wordt bepaald door ons wezen, hij is dus niet identiek met de woordbetekenis die een ander erin zoekt. Als we echter die woorden op een bepaalde manier voor onszelf omschrijven, kunnen we daarmee een zo groot mogelijke gelijkheid van uitdrukking krijgen en daardoor een zo goed mogelijk begrip of communicatie. Dan moeten we nu een aantal woorden goed omschrijven, misschien dat we er dan gemakkelijker toe komen ze later goed te begrijpen.

  1. Concentratie
    Het terugbrengen van mijn mentaal bewustzijn en het grootste gedeelte van mijn zenuwkracht tot één enkele voorstelling of één enkel punt van besef. Dit kan worden bereikt door verschillende vormen van zelfsuggestie, door het gebruik van mandala’s, door vormen van gebed en andere methoden. Concentratie is altijd het beginpunt van een bewuste actie waarbij de gehele persoonlijkheid actief moet of kan zijn.
  2. Meditatie
    Meditatie ‑ overweging. Het is een in jezelf opbouwen van een bepaald wereldbeeld waarin je vervolgens probeert de ontwikkelingen te begrijpen. Meditatie is dus niet het stug vasthouden aan bepaalde vormen of bepaalde krachten. Het is een bepaald onderwerp nemen, dit beschouwen als deel van een wereld die je niet kent, om dan vanuit dit onderwerp die wereld verder te bezien. Bij meditatie treden we dus binnen in een wereld van krachten en gevoelens die niet onmiddellijk voor ons kenbaar was, maar waarbij wij ‑ uitgaande van een bepaald onderwerp of zelfs van een bepaald voorwerp ‑ komen tot een samenhang van krachten waarin we het gevoel hebben ons te kunnen bewegen. Dit kan dienstig zijn om ons wezen juister te oriënteren zowel in de materie als in de geest.
  3. Contemplatie
    Beschouwing. Hierbij wordt het denken zoveel mogelijk uitgeschakeld. Men laat eenvoudig het beschouwde op het ‘ik’ inwerken zonder daarbij vragen te stellen of bewust redelijke processen te stimuleren. In feite zal de contemplatie, daar men steeds terugkeert tot het onderwerp van beschouwing, een aantal associatieve processen ontwikkelen in het denken (cerebraal) en als gevolg daarvan bepaalde sleutels geven die op dat moment en in verband met juist dit onderwerp voor het ‘ik’ van groot belang zijn. Het is door contemplatie zelfs mogelijk het eigen bewustzijn ten aanzien van een bepaald onderwerp of voorwerp voort te zetten buiten de stoffelijke beperkingen tot zelfs in tamelijk hoge sferen toe.
  4. Kracht
    Kracht is altijd een verschil van vermogen of van plaats. Een engel, die hoog in de lucht zit, heeft meer energie dan ik, al is het alleen maar omdat hij naar beneden kan vallen en ik niet. Energie van plaats dus.
    Energie is datgene wat ontstaat wanneer een bestaande situatie wordt veranderd. Het is dus niet iets wat je in een batterijtje koopt. Het is iets wat ontstaat als er een verandering aan de gang is. Bij een gewoon batterijtje is dat ook zo. Daarin wordt metaal door een zuur aangetast en dát geeft de feitelijke reactie. Of in andere gevallen is er is een chemische omzetting in de vulstof waardoor ten aanzien van de twee polen verschuiving van potentiaal (elektrische stroom) optreedt. Wij kunnen geen energie opwekken en zeggen: waar blijft die energie? Dit betekent dat als ik energie opneem, ik dan mijn mogelijkheid om energie te verbruiken verhoog, niet de feitelijke energetische werking die op dat ogenblik aanwezig is. Als er dus sprake is van verhoging van uw eigen energie, dan gaat het om het verhogen van uw mogelijkheid energie te gebruiken, het gaat niet om de directe aanwezigheid ervan die zich bv. in stemming, geladenheid, gespannenheid e.d. behoeft te manifesteren.
  5. Richten
    Als er wordt gezegd: richten, dan doet dit denken aan het aanwijzen van een bepaald punt binnen het driedimensionaal bestel, dus wijzen naar. Richten is voor ons iets dergelijks. Wij verbinden een bepaald voorwerp met ons bewustzijn van eigen aanwezigheid en plaats. Het betekent dat dat richten ook kan geschieden ten aanzien van punten die we niet zien. Denk aan het richten van een kanon dat over een grote afstand schiet. Daarbij ziet de kanonnier niet waarop hij feitelijk richt, maar hij wéét waarop hij richt en daardoor kan hij goed schieten. Hij dankt dit aan de gegevens die anderen hem verstrekken.
    Als ik mij richt op bepaalde geestelijke of andere zaken, dan weet ik niet precies waarmee ik bezig ben, maar het feit dat ik probeer daarop te richten, betekent dat er gegevens van buitenaf binnenkomen. Richten betekent dus niet alleen maar een wilspoging. Het is wel degelijk een verandering van eigen wezen en bewustzijn, waardoor een band ontstaat tussen degene die de kracht richt en het doel waarop ze gericht is.
    (Dit zijn begrippen, die altijd weer zullen voorkomen in de cursus. Het zou dus doodvermoeiend zijn ze steeds weer te moeten uiteenzetten, daarom krijgt u nu dit rijtje woorden. De volgende keer, als u ze heeft bestudeerd en u weet er nog geen raad mee, dan kunt u na de pauze daarover vragen stellen.)
  6. Geest
    Geest is dat gedeelte van het ‘ik’ dat alleen in krachtvelden, maar niet in materie kan worden uitgedrukt zonder verdere definitie.
  7. Levenskracht
    Levenskracht is dat gedeelte van energie dat alleen kan ontstaan en werkzaam zijn, indien er materie (al is dat ook de fijnste) aanwezig is waardoor deze lading zich kan uiten. Levenskracht is altijd gebonden aan materie. Levenskracht zal daarom in stoffelijke vormen alleen in materie aanwezig kunnen zijn, maar ook lucht is materie.
  8. Geestelijk werkzaam zijn
    Dit is voor de meeste mensen een uitvlucht waarmee ze daadloosheid proberen te verdoezelen. Geestelijk werkzaam zijn betekent dat je je geest betrekt in al wat je doet, niet dat je al wat je nu bent en kunt uitschakelt in de hoop dat er iets anders aan de gang zal gaan.
  9. Ontspanning
    Dit is een proces waarbij je even denkt aan het feit dat je niet gespannen wilt zijn, daarna vergeet je het helemaal. De mens, die zich inspant om zich te ontspannen, zal ontdekken dat hij krachtens zijn inspanning geen ontspanning kan bereiken.
  10. Concentratievormen
    Mandala’s. Dit is een begrip afkomstig uit India dat vaak aan zeer bepaalde zaken wordt verbonden. In feite is het niets anders dan die sleutel waarmee het eigen ‘ik’, tot een eenheid wordt gemaakt. Al datgene wat voor mij geestelijke, vitale, mentale en zuiver stoffelijke waarden tot eenheid kan maken is als zodanig mandala en kan worden gebruikt om een uitdrukking te krijgen van de krachten van het ‘ik’ in het totaal. Er zijn natuurlijk mensen die dit zeer speciaal zullen willen uitleggen. Zij kunnen voor zichzelf gelijk hebben, maar dat betekent niet dat een ander er ook zo over denkt.

Ik heb geprobeerd in kort bestek u het een en ander te vertellen over ontspanning, over krachten e.d. Als we nu weten wat ze zijn, dan moeten we ermee leren werken. U heeft twee proeven gekregen, die ik u werkelijk zou willen aanraden te doen. Dan zijn er ook nog leuke grapjes.

1e grapje

Als u het gevoel heeft dat u die kracht heeft opgeladen, neem een strookje dun zijdepapier dat u zo los mogelijk laat hangen. Nu gaat u zitten met de handen geopend een eindje van elkaar en het strookje papier ertussen (niet aanraken). Als u nu met uw gedachten het middelpunt tussen de handen verplaatst (de handen blijven op dezelfde plaats, maar u denkt dat u ze naar links of naar rechts verplaatst), dan zal het strookje zich in de betreffende richting moeten bewegen. Er ontstaat dus een afbuiging. Als u het strookje alleen door uw gedachten naar verschillende kanten kunt laten bewegen, zult u het ook kunnen wegdrukken uit de baan tussen uw handen. U zult ontdekken dat zonder dat u kunt zeggen hoe, dit stukje papier zich van u af beweegt. Het strookje naar u toehalen is praktisch onmogelijk.

2e grapje

Draairichting. Neem een lucifersdoosje of een vergelijkbare stabiele basis. Men zet daarin volkomen rechtstandig, dus verticaal, een naald. U kunt een stopnaald gebruiken, maar met een scherpe punt. Neem een stukje sigarettenvloei ter grootte van ongeveer 1,5 cm. De vouw in het sigaretten papier balanceert u recht op de punt van de naald. Probeer vervolgens de handen steeds met de vingers naar de wortel van de andere hand gericht daaromheen te houden. Er zal een draaiing, in het begin aarzelend en langzaam later sneller, optreden waarbij de draaiing meestal meegaat met de richting van de rechterhand. Verander daarna de houding door de hand, die eerst het dichtst bij was nu het verst van u af te houden, verder blijft de relatie hetzelfde. U zult zien dat het papier de andere kant uit gaat draaien.

Een leuk kunstje waaraan u misschien niet zoveel heeft, maar dat u doet beseffen dat er een mogelijkheid is. Voor degenen die met de voorgaande kunstjes veel succes hebben gehad, is er een:

3e grapje

Daarvoor heeft u een paar dingen nodig die misschien niet meer in elk huishouden te vinden zijn. U neemt twee stukje dun papier, maar zo dat ze net in een bepaalde houding kunnen blijven staan. U vouwt ze in het midden. U krijgt nu 4 naar boven staande stukjes papier. Die zet u op de een of andere manier vast, b.v. met een stukje klei, een punaise of een kurk. Het geeft niet of er wel of niet metaal bij is, als dat wat naar boven steekt maar papier is. Zet dit geheel onder een kaasstolp of iets dergelijks, zodat het in een ruimte staat waarin geen wind of een andere invloed kan optreden. Wij gaan daar nu vlak bij zitten. We concentreren ons op één van de vier strookjes papier en proberen met onze gedachten dit naar beneden te drukken. Indien u daarin slaagt, heeft u grote kans dat u telekinetische vermogens heeft, die u verder zult kunnen ontwikkelen in de eerste plaats. In de tweede plaats kunt u een aantal varianten op dit proefje maken waarmee u veel plezier kunt hebben met anderen en u zich op de borst kunt kloppen en zeggen: kijk, dit kan ik wel en jij niet. Dat is voor uw zelfvertrouwen en uw humeur soms heel goed.

Dit zijn drie aardigheidjes. Ken er niet al teveel betekenis aan toe. Het zijn dingen die u eens een keer kunt proberen. Wilt u nu een optimale kans hebben dat het goed gaat met de proefjes, eerst ontspannen, dan een beetje opladen, maar denk erom, nooit verder dan de eerste nekwervel: stop liever iets eerder, wanneer de warme gloed omhoog komt. Als u daarna, in plaats van maar iets willekeurigs te gaan doen, met dergelijke proefjes aan de slag gaat, heeft u een grotere kans op succes. En wat meer is, door het succes zult u ook de neiging ontwikkelen om gemakkelijker in die richting te werken.

Iemand, die met de strookjes papier juist kan werken, zal de uitstraling die hij naar een ander dirigeert vergroten. Dat kan van belang zijn als u wilt genezen. Degene die zich bewust wordt van die uitstraling en het feit, dat ze ompoolbaar schijnt te zijn (de draaiing met de handen), die wordt zich meer bewust van zijn levensstromen. Hij zal ze daardoor in zich ook gemakkelijker als iets actiefs kunnen voorstellen. Kunt u het zich voorstellen, dan kunt u het reguleren en er ontstaat beheersbaarheid. Dit kan van groot belang zijn bij alle activiteiten waarbij we onze geestelijke vermogens willen gebruiken.

De laatste proef is eigenlijk een beginproef voor telekineten. Het kan u op den duur ook helpen om gezellig vals te spelen bij bv.’mens erger je niet’. Het heeft het grote voordeel dat, als je die bekwaamheid wat ontwikkelt, je daardoor in staat bent om in te grijpen wanneer je dat lichamelijk niet zou kunnen doen op dat moment. Hoe, dat zullen we later wel eens nagaan.

Met deze kunstjes en met een paar opdrachten hebben we een begin gemaakt. Maar dit is alleen maar het eenvoudige begin. Als u dit allemaal goed kunt doen, dan heeft u alleen maar geleerd dat u vermogens heeft waarvan u zich nog niet bewust was. Als u uw eigen energie weet te vergroten, dan komt u alleen maar tot een punt waarbij uw mogelijkheden toenemen; u heeft nog niet geleerd om ze te gebruiken.

Magisch werken

Magisch werken betekent: werken met krachten, die op dit moment als zodanig niet erkend zijn.

Als we magisch werken kunnen we dat op vele verschillende manieren doen, maar in de praktijk komt het erop neer dat wijzelf het gevoel moeten hebben dat wij werken. In de magie komt het er dus op aan dat je het gevoel hebt dat je iets doet. Gevoel speelt hierbij een grote rol. Als een mens daarvoor een groot ritueel nodig heeft, dan gebruikt hij dat dan maar. En als hij gewoon zegt: ik heb het gevoel: dat kan ik doen en hij doet het, dan is het ook in orde. Het is dus zeer eenvoudig. Wat gebeurt er eigenlijk?

Bij magisch werk zal ik in de eerste plaats gebruik maken van mijn eigen krachten. Er zijn mensen die denken dat er een engel of misschien een duiveltje komt om dat te doen. Neen, u begint altijd zelf.

De mens begint als de starter. Hij is de startmotor die een bepaald proces op gang kan brengen. Maar omdat de hele wereld rond ons en alles wat er in de geest bestaat vol zit met allerlei krachten en allerlei persoonlijkheden, die over krachten beschikken, zult u, als u op de juiste manier uw kracht uitzendt, iemand afstemmen op krachten die in de omgeving zijn.

Als, u bv. iemand wilt genezen (een van de eenvoudigste dingen die bij de magie horen), dan kunt u zeggen: ik wil iemand helemaal zelf genezen. U kunt ook zeggen: ik stuur iemand mijn gedachten. Ik doe dat heel geconcentreerd en zeg: met mijn kracht probeer ik die mens te genezen. Maar als u nu het gevoel heeft dat u in de ander een verandering tot stand brengt, dan gebeurt er iets heel vreemds. De verandering in die persoon is als een soort uitstraling kenbaar geworden. Voorbeeld:

Iemand heeft maagpijn. Je stelt je voor dat die maag niet pijnlijk meer is. Dan is in dat lichaam die pijn wel aanwezig en gelijktijdig is daar het denkbeeld dat het er niet mag zijn. Het denkbeeld is een geestelijke vorm van kracht. Hierdoor ontstaat er een soort spanning, die de neiging heeft om krachten aan te trekken welke die spanning opheffen.

In de gehele kosmos bestaat de neiging naar evenwicht. Dat evenwicht kan vanuit ons standpunt verkeerd zijn of het kan goed zijn, maar het bestaat. Zolang er een evenwicht is, is er niets dat naar verandering zweemt. Verander ik echter de ene factor, dan moet de andere ook veranderen.

Als je geestelijke kracht uitstraalt, dan heb je in feite gezegd tegen het astraal en het levenslichaam van de persoon in kwestie: je hebt daar geen pijn. Maar hij heeft wel pijn. Dan moet er iets gebeuren waardoor de pijn verdwijnt of mijn kracht moet worden afgewezen. Maar als mijn kracht geconcentreerd is, dan zal het ego, dat zelf ook graag die pijn kwijt wil, niet geneigd zijn daar tegenin te gaan. Dus zal dat ego van alle kanten die energieën gaan aantrekken waardoor de pijn verdwijnt en er geen onevenwichtigheid meer is, een gespletenheid tussen wat geestelijk en wat stoffelijk zou moeten bestaan.

Op dezelfde wijze werk je met allerlei spookverschijnselen en geestverschijningen. Als er een rusttoestand is, dan is er niets te zien. Nu komt er in een spookkasteel iemand die mediamiek is en plotseling is daar het gegooi in de glazen. De jonkvrouw jodelt weg voor achtervolgende ridders mét dolk en zonder hoofd. Hoe komt dat? Heel eenvoudig. De persoon is gevoelig voor de uitstraling, maar hij probeert die te verklaren. Er is dus een gedachteproces dat de energie opneemt. Die energie wil echter in rust blijven. Nu wordt het beeld geproduceerd om de spanning op te heffen, want nu is er een antwoord op de vraag en daarmee wordt aangenomen dat alles weer tot rust, dus in evenwicht komt.

Duizenden keren hoor je bij magisch werken vertellen dat daar bijzondere krachten optreden. Maar altijd weer is het een feit waarmee je in wezen wordt geconfronteerd, dat er een evenwicht is verstoord. Het wonderlijke hierbij is dat een evenwichtsverstoring soms te sterk gecompenseerd kan worden. Dat is ook het grote gevaar bij magisch werken.

Als ik iemand een verandering probeer op te dringen, dan verander ik ook in mijzelf een evenwichtstoestand. Als de ander niet reageert, dan zal dat in mij moeten uitwerken. Men zegt wel eens: krachten die ik uitzend en die niet worden aanvaard, kaatsen tot mij terug. Dat is heel eenvoudig. Ik ben dan onevenwichtig. Verandert het evenwicht in de ander, dan is hierdoor ook mijn evenwicht hersteld. Maar verandert de ander niet, dan moet die energie toch ergens heen en het verstoorde evenwicht bestaat dan bij mij, de originator van die impuls. Dientengevolge onderga ik dan wat ik de ander heb toegedacht, wat betekent dat u anderen maar liefst het beste moet wensen. Als ze het niet verdienen, aanvaarden ze het niet en krijgt u het terug, maar dan heeft u er tenminste zelf plezier van. En als u iemand iets slechts toewenst, nu ja, heel veel mensen hebben een schuldbewustzijn. De kans dat het terugkaatst is misschien niet zo groot, maar het zou toch kunnen.

In alles wat we doen met geestelijke kracht (eigenlijk gedachtenkracht) veranderen we iets. Bij die veranderingen zijn er dingen waarmee de mensen eigenlijk veel te weinig rekening houden.

U kijkt naar de televisie. U wordt zeer geboeid door een bepaald stuk. Wat gebeurt er nu? Ofwel uw innerlijke processen veranderen, maar dan moet u dat ook afreageren, dan wel ‑ wat bij heel veel mensen gebeurt ‑ u valt in slaap. Waarom? Omdat u in de slaap het ontstane probleem kunt omzetten in onderbewuste associaties en daarmee uw evenwicht kunt herwinnen. Dat is de grote kunst voor iemand die een televisieprogramma moet samenstellen. Hij moet u een vertoning geven waarin u kunt opgaan zonder dat u zich er volledig mee identificeert. Op het ogenblik dat dat gebeurt, verstoort hij óf uw evenwicht óf hij brengt u in slaap.

Wat is nu het kenmerk van licht amusement? Lichte ontspanning is in vele gevallen een stimulans. Waarom? Omdat in de mens bepaalde problemen en angsten bestaan. Als je nu een grappige situatie schept die daarop slaat, dan ziet de mens plotseling zijn eigen probleem buiten zich geplaatst. Daardoor kan hij lachen over zichzelf zonder zichzelf daarmee te bedoelen. Degene die lacht om een clown, lacht om zijn eigen kinderlijke onbeholpenheden. Maar om zichzelf zal hij nooit lachen, hij is bang dat een ander het ontdenkt. Komt het naar buiten, dan is er een reële ontspanning.

Licht amusement heeft één groot voordeel, het brengt de mens namelijk tot het aanvaarden van bepaalde dingen die in hem bestaan. Hij ontlaadt onevenwichtigheden. En dat heeft weer een heel eigenaardig effect. Wanneer dit gebeurt, wordt de acteur (of het nu een clown is of een komiek) daardoor sterker in zijn vermogen om anderen aan te voelen, op hen in te spelen, juist omdat de spanningen, die op hem worden geprojecteerd bij hem worden omgezet in kracht. Waar gebruikt de acteur die kracht dan voor? Om weer het evenwicht in de zaal meer aan te passen, dus om de mensen innerlijke rust en evenwicht te geven. Wat is het eindresultaat? Dat hij goed heeft gewerkt. De artiest is dan moe, maar tevens een beetje gelukkig. Hij verkeert in een soort roes. Die roes kan heel intens zijn, soms is ze minder intens, maar altijd weer heeft hij een geestelijke spanning en een lichamelijke uitputting. En omdat die twee zo goed bij elkaar passen, is het resultaat dat de man na een tijd van meestal verhevigde activiteit of een neiging tot verhevigde uiting plotseling komt op een punt van totale ontspannenheid. Daarin kan hij dan beter rusten dan iemand anders. Hij kan dus in een heel korte tijd veel van zijn krachten recupereren.

Je zelf in harmonie brengen op magische wijze

U zult zeggen: is dat magie? Zeker. Als u doodmoe bent, onder grote geestelijke spanning staat, wat moet u dan doen? Heel eenvoudig. Wij werken dan magisch. Wij erkennen dat in ons een evenwichtsverstoring bestaat. Op het ogenblik dat wij lichamelijk uitgeput zijn, proberen wij ons te realiseren hoe sterk wij geestelijk geladen zijn. Als wij ons voldoende daarmee bezighouden en ons lichaam toestaan zich te ontspannen, zal de hele geestelijke geladenheid gebruikt worden om de lichamelijk energieën aan te vullen. Er ontstaat een slaaptoestand en daarin vaak ook een geestelijke activiteit die tot uittreding kan leiden. In ieder geval krijgen we een diepe slaap waarin zeer grote geestelijke energieën worden omgezet in lichamelijke energieën. De lichamelijke energieën versnellen het stofwisselingsproces. Gelijktijdig worden de zenuwen (de organen) sterker geladen en is er zelfs een redelijke doorbloeding ervan, sterker dan normaal. Het eindresultaat is dat u na een uur slaap het gevoel heeft dat u 6 uur heeft geslapen. Dit is een kunstje dat voor iemand die vaak erg moe is heel goed kan werken. Je kunt in een heel korte tijd zoveel slapen dat je voldoende energie hebt gekregen om weer een paar uur door te werken. Dan kun je je feitelijke rusttijd verkorten in tijdseenheden, terwijl je de intensiteit daarvan verhoogt zodat je toch tot hetzelfde geheel komt.

Als ik dit nu zo vertel, dan gaat het er mij vooral om duidelijk te maken: we hebben hier altijd met evenwichten te maken. Ik kan een evenwicht op twee manieren beïnvloeden. Ik kan uitgaan van licht, het goede. Ik kan ook uitgaan van duister, het kwade. Of er nu werkelijk duivels zijn of niet, daarover behoeven we niet te vechten. Als ik mij voorstel dat een duivel mij helpt om iets tot stand te brengen, dan breng ik een evenwichtsverstoring van negatieve aard tot stand, d.w.z. een evenwichtsverstoring die kracht ontneemt. Er is dan kosmisch ook weer datzelfde herstel. Het effect kan hetzelfde zijn. Maar voor mij is het niet hetzelfde.

Als ik namelijk grijp naar het duistere of demonische, dan moet ik kracht afgeven, en dat is voornamelijk geestelijke kracht. Ik raak dus kracht kwijt. Ik ben dan in mijn geestelijke wereld en vaak zelfs in mijn levenssfeer minder actief, ik heb minder mogelijkheden. Of, ik behoud daar mijn mogelijkheden, maar ik ga er lichamelijk onderdoor. Daarom is het erg belangrijk dat wij bij alle magisch werk uitgaan van ons principe van goed. Niet dat we kunnen zeggen: er is de een of andere kracht die daar met een zwaard onmiddellijk achter staat. Het is gewoon een wet.

Als ik uitga van iets wat voor mij negatief is, dan ga ik in feite uit van een ontnemen van krachten. Dit ontnemen van krachten impliceert dat ik, wanneer het evenwicht ontstaat, de kracht zal verliezen die ik heb geprobeerd elders te nemen. Daaruit ontstaat als vanzelf een beeld waaraan wij ook in de praktijk kunnen zien, want het moet een ‘doe het zelf‑kwestie’ blijven, waaruit wij moeten werken.

Als ik zeg: nu ja, het zal wel niet gebeuren, dan is de kans groot dat het niet gebeurt, maar dan zal het feit dat het niet gebeurt ook kracht kosten. Het is een emotionele uitputting die vaak daaruit voortvloeit. Zeg ik: dit kan wel, dan stel ik het wel positief, maar ik stel altijd weer een samenwerking van factoren die ik nog niet geheel kan overzien.

Maar zeg ik: het meest juiste zal geschieden, dan ben ik zelf positief en gelijktijdig niet bepalend t.a.v. uiterlijke verschijnselen.

In alle magisch werken is daarom de stelling: dat het meest juiste zal gebeuren, de meest aanvaardbare. Ze kan nooit degene die de magie beoefent op enigerlei wijze schaden. Er kan nooit een toestand ontstaan waarin we een kettingreactie van onevenwichtigheden tot stand brengen. We gaan dan inderdaad uit van een kosmisch‑harmonisch principe dat wordt weerspiegeld in elk herstel van harmonieën volgens een meer ideaal beeld, zoals dat rond ons in de wereld, in onszelf en in geestelijke sferen gebeurt. Ik meen, dat ik daarmee toch wel een belangrijk deel van de magische werkingen heb aangestipt.

Alles wat we willen doen ‑ of we dat nu sacrament noemen, tovenarij of iets anders ‑ komt allemaal op hetzelfde neer, het moet gebaseerd zijn op licht, maar bovendien op een niet volledige bepaling van gevolgen. Als ik zeg: ik wil die mens genezen en ik probeer een niersteen te vergruizelen terwijl de man een darmkoliek heeft, dan is de kans groot dat hij er een nierkwaal bij krijgt. Als ik stel, die mens heeft deze pijn. De pijn zal verdwijnen en het organisme zal zich herstellen zonder dat ik weet hoe, dan zal mijn kracht in ieder geval gericht blijven op de genezing van het geheel. De kracht die ik dan geef, ook de stimulus die ik geef voor het onttrekken van kracht aan de omgeving is altijd harmonie, is dus juist.

Er is eens gezegd dat het kolder is te zeggen: “Heer, niet mijn wil, maar Uw wil geschiede.” Het was iemand die zeer rationeel dacht. Hij zei: als ik dat zeg, dan heeft het voor mij geen zin om te willen. Maar deze bepaling voorkomt dat ik met een beperkt inzicht dingen tot stand ga brengen die ik niet heb bedoeld. Als ik uitga van het groot‑kosmisch principe, van de werkelijk algemene harmonie waarin alle andere evenwichtstoestanden bevat zijn, dan zal elke verstoring in overeenstemming zijn met het grootste. “Heer, Uw wil, niet mijn wil geschiede” is in feite de meest magische kosmische formule die men zich kan voorstellen, omdat ze het herstel van evenwicht laat bepalen door het kosmische patroon en de eigen wil wel ziet als stimulus voor het proces, maar niet als bepalende waarde voor het proces.

Als u, hoe u ook wilt werken, bidden of genezen, dit in het oog wilt houden, dan zult u er veel baat bij hebben.

Wij proberen de kosmische wet, de kosmische wil in een perfecte harmonie tot uiting te brengen en niet alleen maar onze eigen denkbeelden waar te maken tegenover het nu bestaande. Dan hebben we verder geen riten en geen ritueel nodig, alleen in ons het besef dat wij dit kunnen doen, de wetenschap dat wij het willen doen en de impuls waardoor we het doen. Ik meen dat ik daarmee op dit terrein ook een paar aardige wenken heb gegeven.

KOSMOS

Levende leegte.

Totaliteit van mogelijkheid nog niet geuit, waarin ik droom van wat zou kunnen zijn.

Eeuwige vrede, waarin ik strijd en pijn creëer, omdat ik dan eerst vrede ken, waarin ik eerst mijzelf verlies.

Omdat slechts wie verliest eens weten zal: ik ben.

Ik ben bewust dan één met stille leegte, levend ongekend en vol van mogelijkheid.