Wijsbegeerte en praktijk

uit de cursus ‘Occulte Wijsbegeerte’ – 1967-1968

    Inleiding

Het occulte of duistere is het niet erkende deel van het bestaande. Elke mens maakt deel uit van de totaliteit van bestaan, niet slechts van het erkende deel ervan. Wil men doordringen tot datgene, wat als verborgen, als duister wordt beschouwd, zo zal men zich de beelden van dat Al eigen moeten maken, aan de hand waarvan men zich kan oriënteren in de totaliteit en afstand kan doen van de eenzijdige gerichtheid en beperktheid, die normalerwijze het menselijk denken bevat. De voorstellingen van het AL zijn velerlei. Ik wil beginnen met een eenvoudige opzet te geven, die u als schema kunt gebruiken voor alle volgende lessen.
1. De kern van het Al is een gedachte. Wij noemen dit de goddelijke Gedachte. Deze gedachte is zo veelomvattend, dat een kleiner begrip niet in staat is die gedachte in een ogenblik te overzien. Hierdoor ontstaat het besef “tijd”, waarbij mag worden gesteld, dat naarmate het bewustzijn minder omvat tijd een meer vaste betekenis krijgt binnen het eigen bestaan.
2. De kern van al hetgeen wij kennen en beleven in welke sfeer dan ook is kracht, wij noemen deze kracht goddelijke Kracht. In feite is zij datgene, wat in de Gedachte tot uiting komt. Alle kracht kan in alle vorm optreden. Er is dus geen beperking of eenzijdigheid t.a.v. de kracht, die in de goddelijke Gedachte bestaat. Een ieder, die deze kracht als een niet gerichte waarde kan beseffen en bevatten, zal eveneens in staat zijn om met deze kracht op gerichte wijze de gewenste processen en resultaten tot stand te brengen,
3. Elke indeling van het heelal, van geestelijke werelden en sferen of van krachten, vloeit niet voort uit het wezen daarvan, maar uit het wezen van de beschouwer. Hij, die het Al beziet, erkent daarin verschillen van waarde. Deze verschillen van waarde zijn het product van zijn eigen vermogen tot beschouwing.
Dan een tweetal zeer korte regels, die toch wel bij de afronding van dit beeld behoren:
a. Ik ben datgene, wat ik denk te zijn, zolang ik volledig reageer en handel in overeenstemming met mijn voorstelling.
b. Waar ik aarzel, twijfel of tekort schiet t.a.v. het beeld van mijzelf of van de wereld, dat ik in mij draag, zal ik falen en zal ik dus het door mij gewilde of begeerde niet bereiken.
In deze regels ligt een overzicht besloten van het Al in zijn totaliteit.
Alle indelingen, die wij in deze en toekomstige lessen gebruiken, zijn dus methoden om vanuit een beperkt besef toch de totaliteit te benaderen.
Alle pogingen tot definitie van sfeer en kracht, die wij ongetwijfeld zullen moeten gebruiken, zijn niet bepalingen van die kracht in haar wezen, maar van de verhouding, die zij t.o.v. ons bezit. Want wijzelf nemen een zeer centraal punt in bij al hetgeen wij beleven, wat wij zijn en wat wij doen. Uit een oneindigheid van mogelijkheden kiezen wij voor onszelf datgene, wat wij willen waarmaken. Hierbij is onze vrijheid uit de aard der zaak beperkt door ons besef. Maar wij kunnen beseffen en wij kunnen waarmaken wat wij willen. Dit in wezen niet gelimiteerd zijn van de mens is een van de belangrijkste grondslagen van alle occultisme en magie.
Op het ogenblik dat ik een beperktheid, een gerichtheid of zelfs een voorbestemd zijn ga aannemen, kom ik nl. tot een niet persoonlijk handelen, een niet persoonlijk beïnvloeden van de feiten en is mijn besef van nul en generlei waarde, daar het op het totale verloop der dingen geen invloed uitoefent. Dan is mijn besef alleen voor mijzelf van belang. En zelfs deze belangrijkheid is in vele gevallen nog vraagwaardig.
Om mij een voorstelling te maken van het hogere of om mij een beeld te vormen van mijn mogelijkheden zal ik altijd moeten uitgaan van een gelijkenis. Het is nl. niet gemakkelijk zo het al mogelijk is om te overzien wat een bepaalde daad als gevolgen met zich zal brengen, mits wij deze ontleden naar een verdere toekomst. Het is niet zo eenvoudig een denkbeeld te koesteren en de totale betekenis ervan voor ons wezen te beseffen. Gaan wij uit van het meest eenvoudige standpunt, dan kunnen wij zeggen:
Voor ons en vanuit onszelven zijn alle waarden vergelijkbaar. Als zodanig is de hogere wereld voor ons het gesublimeerde beeld van onze eigen wereld. Onze eigen wereld is volgens ons besef een afleiding van hetgeen wij als hogere wereld beschouwen. De beide beelden, die wij in ons dragen, beantwoorden niet geheel aan de waarheid, maar datgene, wat als waarheid rond ons bestaat, is in beide gevallen de dragende factor voor ons voorstellingsvermogen en zal in beide gevallen bepalen wat onze actiemogelijkheid zal zijn.
Nu komen wij van hieruit eigenlijk vanzelf op de mens, zijn wezen en zijn gedrag, Een mens onderscheidt niet slechts de wereld, maar ook zichzelf in tegendelen. Dat wil zeggen, dat het beeld, dat wij van het eigen “ik” maken, altijd uiteenvalt in onze goede en kwade zijden; dat de wereld altijd verdeeld is in licht en duister, in goed en kwaad. Deze dingen vloeien gezien het voorgaande uit onszelven voort. Het is dus eenvoudig te stellen, dat er geen goed en geen kwaad zijn. Maar voor onszelven bestaan deze waarden wel degelijk. Zonder dit is een levensinterpretatie niet mogelijk. Het resultaat is dus, dat ons persoonlijk gevoel van goed en kwaad veel meer dan een eventueel algemeen geldende maatstaf of zelfs als de een of andere zogenaamde of reële openbaring bepalend zal zijn niet slechts voor ons leven en ons voortbestaan, maar voor onze erkenning van leven en voortbestaan. Geluk is in het leven: harmonische erkenning van feiten en mogelijkheden. Ongeluk, leed en smart zijn niet harmonische erkenningen van feiten en mogelijkheden.
Wij maken dus voor onszelf het beeld uit van goed en kwaad. Wij leven daarin en zijn, daaraan door ons bewustzijn gebonden. Occult gezien betekent dit, dat wij alleen kunnen streven volgens datgene wat wij “goed” noemen, daar alleen dit voor ons een blijvende waarde heeft en geluk of harmonie met zich kan brengen. Zodra wij iets doen, wat volgens ons besef of wezen “kwaad” is, zal dit of het goed is of niet een rol blijven spelen in ons bestaan en zullen wij ongeacht de gevolgen hierdoor in onszelf een disharmonie ondervinden, die eerst moet worden gecompenseerd, voordat geluk mogelijk is.
Stel nu, dat deze waarden niet alleen gelden voor het stoffelijk “ik”. Zij gelden voor de totaliteit van het ego. En dit betekent, dat zij ook alle andere werelden mede omvatten. Dan kunnen wij zeggen: Het vermogen plus de beleving van de geest in welke sfeer dan ook zal worden bepaald door haar eigen herinneringen omtrent goed of kwaad volgens haar eigen norm. Dit is van belang.
Er zijn in het leven heel veel dingen, die de wereld goed of kwaad noemt en die ons persoonlijk niets zeggen. Ook wanneer wij in deze dingen verward geraken en daardoor in de ogen van onze medemensen helden, heiligen, zondaars of slechte mensen worden, heeft dit geen invloed op ons voortbestaan en in wezen geen invloed op ons vermogen tot gelukkig zijn.
Wie zich bezighoudt met de verborgen krachten van het AL en met het gebruik daarvan, zal dan ook tot zijn verbazing moeten constateren dat in, alle mogelijkheden (of deze magisch, ritueel, esoterisch zijn, dan wel eenvoudig ontwikkeling van wat men gaven noemt) hij daarbij afhankelijk zal zijn niet van hetgeen de wereld denkt en niet van hetgeen buiten hem klaarblijkelijk kenbaar wordt, maar van hetgeen hij in zichzelf gevoelt. Wij kunnen t.a.v. alle begaafdheden (of dit helderziendheid, helderhorendheid of iets anders is), alle krachten en vermogens (of dit nu is hypnotiseren, paranormaal genezen dan wel het dwingen van geesten, het bezweren van demonen etc.) dus zeggen :
Dat, wat ik in mijzelf als juist ervaar, is te verwezenlijken. Dat, waaraan ik twijfel of wat ik niet als juist ervaar, is niet te verwezenlijken. Mijn gaven komen niet voort uit iets, wat buiten mij ligt, maar zij komen voort uit mijn persoonlijke aanvaarding van levensaspecten, zonder enig voorbehoud of twijfel daartegenover te zetten, en zonder ook te twijfelen aan de goede, de positieve waarde, die daarin is gelegen.
Dit is natuurlijk alleen maar een beginpunt; dat zult u begrijpen. U moet een basis hebben, een punt van uitgang. Hierin ligt de bepaling van uw mogelijkheden. Indien u zich laat bepalen door hetgeen er buiten u bestaat of geschiedt, dan bent u daaraan gebonden, niet door de dwang van buitenaf, maar door uw eigen reactie daarop, uw aanvaarding ervan.
Feiten, zoals een mens die ziet, zijn in wezen geen feiten. Als iemand u wil doden, dan kan hij dit misschien doen. Maar als voor uw besef de dood niet bestaat, kan hij u niet doden. De doodsangst en al wat ermee gepaard gaat (het lijden, de verschuiving van bewustzijn, die u “dood” pleegt te noemen) vloeit niet voort uit het wezen van de overgang, maar uit uw reactie op de overgang. Het zal u dus duidelijk zijn, dat de omstandigheden buiten u weliswaar door u niet kunnen worden beheerst, maar dat hun betekenis voor u wel degelijk door u kan worden beheerst en geleid. De grondslag van alle occultisme is de beheersing van jezelf om door die beheersing van jezelf de betekenis van de wereld voor jezelf te kunnen vastleggen naar eigen besef en wil.
Iemand, die zich op een geest beroept, zal uit die geest kracht kunnen putten, indien voor zijn bewustzijn die geest macht representeert, die geest t.a.v. het “ik” als harmonisch kan worden ervaren en de uitdrukking van de kracht van die geest binnen het kader valt van het voor het “ik” mogelijke, zonder dat daaraan voorwaarden worden gesteld. Ook dit moet u goed begrijpen.
Wij kunnen natuurlijk in vele gevallen iets voorwaardelijk stellen. Maar niet, indien het gaat om onze verhouding t.o.v. hogere krachten of onze uiting van goddelijke waarden, krachten en wetten. Deze dingen zijn er. Niemand van u zal het in zijn hoofd halen om te zeggen: De wet van de zwaartekracht, zoals wij die op aarde kennen, werkt behalve dan en dan en dan. Wij zeggen: Die wet is er, primair. Deze wet moeten we aannemen. En nu kunnen wij ons voorstellen, dat de zwaartekracht teniet wordt gedaan, gedeeltelijk wordt opgeheven door een magnetisch veld, een wervelend magnetisch veld misschien, dat deze onder omstandigheden anders is, maar deze wijzigingen komen voort uit de omstandigheden. De wet zelf is onaantastbaar.
Op dezelfde wijze moet men in het occultisme uitgaan van de onaantastbaarheid van de grondwetten, die daarin bestaan. De wet is altijd dezelfde. Zij kan meer omvatten dan wij beseffen. Maar datgene, wat wij ervan erkennen en uitdrukken, is in zijn wezen onveranderlijk. De variaties van betekenis zijn geen variaties van de wet. Ze zijn variaties van onszelf of het toevoegen van andere krachten of omstandigheden.
Indien ik dus occult iets wil bereiken wat schijnbaar tegen goddelijke of natuurwetten ingaat, dan kan ik nooit trachten die wet te veranderen of op te heffen. Maar ik kan aan deze wet en in overeenstemming met deze wet andere krachten toevoegen aan de werking van de wet, waardoor het verschijnsel in strijd lijkt te zijn met de wet.
Uit al hetgeen ik tot nu toe heb gezegd, vloeien er een paar punten voort, die u naar ik hoop goed in uw geheugen wilt prenten. Ik zal ze in een logische volgorde presenteren.
1. Goddelijke wetten en alle, als deel van het Goddelijke, erkende wetmatigheden zijn in hun wezen onveranderlijk. Wij kunnen echter omstandigheden scheppen, waardoor deze wet niet meer geldt; ofwel het resultaat van deze wet plus een andere wet maakt het mogelijk te bereiken wat schijnbaar volgens de wet niet mogelijk was.
2. Bij onze benadering van goddelijke krachten, goddelijke wetten, sferen, entiteiten en al wat dies meer zij, speelt ons eigen besef een rol. Dit is niet datgene, wat wij uit de wereld leren of in de wereld zien. Het is ons aanvoelen van de waarden plus ons vermogen om dit in de termen van de wereld, waarin wij leven, te interpreteren. Hierdoor alleen worden de eigen mogelijkheden bepaald. Hierdoor alleen is het mogelijk een juiste keuze te doen uit de vele mogelijkheden, die er voor ons bestaan.
3. Zogenaamde gaven en vermogens, waarover in het occultisme veel wordt gesproken, zijn slechts normale eigenschappen van het ego. Zij zijn niet exceptioneel en worden niet onder bijzondere voorwaarden verworven. Zij zijn delen van het “ik”, die ontwikkeld kunnen worden in overeenstemming met het besef van het “ik”.
Eerste noodzaak tot het verwerven van gaven is: het aanvaarden ervan. Elke conditie, gesteld t.a.v. een z.g. gave, betekent dat zij niet volledig en misschien in het geheel niet tot uiting zal kunnen komen.
Nu wij met deze 3 regels tevens uw eigen houding en gedrag t.a.v. het occultisme enigszins hebben omschreven en bepaald, wil ik dan eindigen met een korte beschouwing over God en goddelijke Kracht. Deze dingen namelijk zijn eveneens kernwaarden in het totaal occulte gebeuren, God is de Totaliteit. Er kan niets buiten God bestaan. Goede en kwade krachten ontlenen gelijkelijk hun vermogen aan deze Godheid. Goed en kwaad vloeien niet uit de Godheid voort, maar uit onszelf. Dientengevolge kunnen wij elke macht of kracht, waarmee wij worden geconfronteerd, door onze verhouding t.a.v. die kracht inhoud en betekenis geven volgens ons eigen willen. Het is onze houding, die bepaalt hoe de goddelijke Kracht zich zal openbaren. Riten, gebeden, incantaties, moedra’s enz. zijn uitdrukkingsmiddelen voor iets, wat in ons reeds bestaat. Het is een menselijk gezien aanvaardbaar maken van het werken van een kracht, hetzij in, door of buiten jezelf. Op dezelfde wijze zijn leersystemen of dit nu is yoga, bepaalde vormen van occultisme, godsdienst of geheimleer in wezen maar een omschrijving of een formulering van hetgeen er in jezelf bestaat.
In de benadering van God heeft het geen zin iets te aanvaarden, omdat het geschreven staat of omdat je het geleerd hebt. Zolang dit alleen maar een accepteren is op gezag, zonder dat het “ik” daarbij in staat is de werkelijkheid ook voor zich aan te voelen, heeft nl. dat deel van het Goddelijke of van de kracht van het Goddelijke voor ons geen enkel bewijskracht of gelding. Een verstandelijke beredenering kan ons niet helpen hier tot resultaten te komen. Wij moeten innerlijk iets als volledig waar aanvoelen. Door dit aanvoelen van de volledige waarheid zullen wij ermee kunnen werken en over alle krachten beschikken. Technisch gezien ligt de zaak ongeveer (ik vereenvoudig hier wat, dus daarom “ongeveer”) als volgt: Er is overal energie. Deze energie is gezien vanuit ons standpunt, ons vermogen en ons behoeven, voor ons althans oneindig. Deze energie is latent, rustend. Zij komt alleen dan tot uiting, indien er een tegenwaarde wordt geschapen. Indien ik in mijzelf, vanuit mijzelf of door mijzelf een tegenwaarde schep, zal hierdoor, zonder dat ik zelf daar nog verder bij betrokken ben, reeds een actie (’n kenbaar worden van de aanwezige energie of kracht) plaatsvinden.
Als ik bid, en dit bidden is voor mij geen uitdrukking van actie, dan zal er niets gebeuren. Als ik bid, en dit voor mij een zodanige concentratie is, dat het element van vraag, van ontvankelijkheid, van verheerlijking desnoods, door mij in sterke mate wordt uitgestraald, zo wordt de latente kracht rond mij verstoord. Er ontstaat een verschil van evenwicht, een potentiaalverschil. Dit potentiaal verschil wordt door een actie van deze goddelijke Energie of Kracht opgeheven. Indien ik dus op aarde iets doe, dat voor mij (vanuit mijn besef en mijn praktijk) uitbeeldt wat ik in de hogere kracht verlang, zo zal ik hierdoor deze kracht tot ontlading brengen. De gevolgen daarvan worden dan niet bepaald door mijn voorstellingsvermogen, maar door de feitelijke waarde (de actie), die ik heb geschapen. Hier is dus het “zo boven, zo beneden” wel degelijk tot uitdrukking te brengen. Wat ik op aarde vanuit mijn bewustzijn en in volledige waarheid voor mij schep, activeer ik in de goddelijke Kracht, zodat het ook in de door mij niet besefte werelden en sferen voor mij, vanuit mij en door mij actief is.
Hier ligt dus een waarde van God in, die men meestal voorbijgaat. Men stelt God als een waarde, die vanuit zichzelf ageert buiten ons om en waarbij dan eventueel het “ik” de mogelijkheid heeft om dit ageren enigszins te wijzigen of te richten door zijn smeekbeden aan en zijn aanvaarden van de Godheid. Maar dit is niet juist. Het is mijn eigen wezen, dat het antwoord van de Godheid bepaalt. Daarom kun je zeggen:
De goddelijke Energie, die voor ons de totale uiting is van de goddelijke Kracht en het goddelijk Scheppingsvermogen, toont zich alleen in antwoord op de verstoringen van het daarin heersende evenwicht, die wij tot stand brengen. De acties zullen altijd een compensatie zijn, zodat de evenwichtigheid wordt bereikt in de kracht zelf en volgens de waarden van die kracht in of rond ons.
Dit is niet alleen oorzaak en gevolg. Dit heeft eigenlijk niets meer te maken met de wet van oorzaak en gevolg, zoals die gewoonlijk wordt geïnterpreteerd. Dit is de onvermijdelijkheid van de compensatie: God, goddelijke Kracht, is rust. Actie mijnerzijds verstoort die rust en zal dus een compensatie vergen, opdat die rust in het Goddelijke weer tot stand kan komen.
Nu heb ik een gedachtenwereld. Deze gedachtenwereld op zich is voor mij in voorstellingen weliswaar een uitdrukking van het Goddelijke, maar in zichzelf besloten zijnde is zij een punt van rust. Ook de mens, die innerlijk tot het uiterste verdeeld is, met zichzelf in strijd is, die onder waanvoorstellingen en angstdromen lijdt, zal zolang deze in hem berusten daarmee niet de goddelijke waarde, de goddelijke Energie, verstoren. Er ontstaat geen verschil van potentiaal en daarmee geen goddelijke correctie. Die goddelijke correctie komt eerst, wanneer het naar buiten treedt.
De vraag, die hieruit kan volgen, is dan: Of deze reactie van het Goddelijke dan in het geheel niet plaatsvindt t.a.v. het denken. En daarop geldt het volgende antwoord:
Zodra mijn denken een niet meer in zichzelf gesloten keten is, zal ik met mijn denken een deel van mijn persoonlijke energie (eventueel van mijn beelden) naar buiten toe projecteren. Ik breng ze dus in de wereld. Of die energie daarbij in verschijning treedt in een astrale, een hogere of een lagere wereld of in de wereld van de mens zelf, doet niet ter zake. Zonder dat ik verder stoffelijk gezien actief ben, zal het ontsnappen van die kracht dus een evenwichtsverstoring betekenen. En deze evenwichtsverstoring brengt uit de latent aanwezige kosmische Kracht een compensatie, waardoor in deze goddelijk of kosmische Kracht de rust weer ontstaat.
U kunt dus met uw denken en uw daden zeer veel tot stand brengen. Dit toeschrijven aan een bewust willende God, is misschien wel verkeerd. Het is zo gemakkelijk te zeggen, dat de dingen gebeuren, omdat God ze wil. Ik geloof, dat het eenvoudiger is te zeggen, dat de dingen gebeuren, omdat God zo IS. Het is de onveranderlijkheid van Zijn Wezen en niet in de eerste plaats Zijn Wil, die ingrijpt. Gelukkig misschien. Hoe zou je in het occultisme, in het werken met deze z.g. verborgen en bovennatuurlijke waarden anders ooit iets kunnen bereiken?
Zodra wij een goddelijke Wil die ingrijpt aannemen, is er sprake van een willekeur. Ik kan u garanderen, dat op dat z.g. occulte terrein daarvan geen sprake is. Er is geen willekeurig beantwoorden vanuit de Godheid. Er is een vaste norm; een vaste wet, waardoor de kracht, die wij als de goddelijke beschouwen, optreedt in reactie op ons wezen.
Grondstelling:
Datgene, wat ik ben en kenbaar maak naar buiten toe door gedachten, acties of op welke andere voorstelbare wijze dan ook impliceert een directe beantwoording vanuit de goddelijke Energie.
Aanvullende regels :
Daar mijn relaties met mens, wereld en geest voor mij een uiting van kracht zijn, zal in elk contact met anderen de goddelijke Kracht meespelen. Naarmate ik bewuster gebruik maak van het feit, dat die kracht optreedt, zal ik het resultaat van mijn contact met anderen beter kunnen bepalen.
Dan mag ik zo langzamerhand afsluiten.
Ik weet, dat wij het begrip “magie” hier nog niet hebben behandeld. Magie is eveneens een gebruik maken van wetten; van dezelfde wetten, die wij besproken hebben. Occultisme wordt vaak beschouwd als een innerlijke waarde, terwijl magie als naar buiten toe gericht wordt beschouwd. In wezen zijn het twee uitingen van een en dezelfde kracht. Zij berusten op dezelfde mogelijkheden en waarden in de mens en zullen mede dóor het begrip en het aanvoelen van de mens in hun werking en resultaten gelimiteerd zijn. Zoek daarom in het occultisme nimmer naar de ingrijpende kracht van buitenaf, maar ga steeds uit van de in u berustende mogelijkheden. Voor zover oorzaak en gevolg, verwezenlijking van vrije wil e.d. in het geding komen, is dit volledig juist.
Dat er een God is, behoeven wij niet te bestrijden. Dat die God bewustzijn heeft, eveneens niet. Maar wij hebben met deze problemen alleen te maken in zoverre zij voor ons, in onze praktijk, in onze werkelijkheid van belang zijn. En ook in occultisme en wijsbegeerte zullen wij verstandig doen niet te ver uit te stijgen boven datgene, wat onze eigen wereld limiteert, wat de kracht van onze wereld inhoudt en wat de uiting in onze wereld mogelijk maakt.
In deze eerste en betrekkelijk eenvoudige inleiding heb ik getracht u een beeld te geven van grondslagen en grondwaarden. In volgende lessen zullen wij trachten dit uit te bouwen tot een begrip van de verschillende delen van het Al, zoals deze zich voor de mens en vanuit het menselijk voorstellingsvermogen openbaren.
Wij mogen daarbij echter bovenstaande, algemeen geldende waarheden nooit uit het oog verliezen. Onze voorstelling bepaalt onze wereld, dat is waar. Maar de wet of de kracht, die geldt, is algemeen. Geen enkele waarheid, die ik stelde of zal stellen, is voor u onomstotelijk waar. Het is uw eigen erkenning ervan niet slechts uw aanvaarding die voor u het gebruik van deze wetten en regels zal bepalen. De beperking van uw vermogens komen uit uzelf voort, evenals de openbaring daarvan.
Ik eindig dan ook dit eerste deel van deze reeks met het uitspreken van de hoop, dat u door de beelden, die u worden gegeven, heen zult zoeken naar uw eigen waarheid; en vanuit die waarheid zult komen tot een bewuste wisselwerking met de oneindige Kracht rond ons, die wij kennen als de goddelijke Kracht; zo waarmakend de mogelijkheden, die fragmenten van de goddelijke Gedachte zijn, waarin wij bestaan.

 

uit de cursus ‘ Occulte Wijsbegeerte ‘(hoofdstuk 1) – oktober 1967

Wijsbegeerte en praktijk

Wanneer men het AL theoretisch beschouwt en tracht een begrip te krijgen van alle waarden, die daarin bestaan, zo zal zich op den duur aan de mens een aantal mogelijkheden en feiten gaan openbaren. Deze openbaring ligt binnen het eigen begripsvermogen en houdt dus nog niet in, dat iedereen in staat is daarmede onmiddellijk te werken. Vergelijkenderwijze kan men stellen:
Door meditatie kan ik een zeer goed inzicht krijgen in een bepaald probleem. Ik kan de waarde daarvan zeer goed en juist leren beseffen, zonder dat ik onmiddellijk de mogelijkheid vind om de in mij bereikte wijsheid nu ook praktisch om te zetten in toepassing op het dagelijks leven in mijn eigen wereld.
De occulte wetten, die de basis vormen zowel van de wijsgerige beschouwingen als van de praktijk, houden zich bezig met wat men kan noemen de kosmische energie. Deze kosmische energie moge een eenheid zijn vanuit theoretisch standpunt en voor het juiste begrip moet dit aanvaarden van de eenheid m.i. dan ook wel worden bereikt maar vanuit het eigen denken, eigen leven en eigen praktisch werken toont de zaak zich toch enigszins anders.
Wij hebben daar in de eerste plaats te maken met de Godheid, die wij ons voorstellen als een Triade. Daarnaast hebben wij te maken met een veelal hiërarchisch voorgestelde hemelwereld, waarin vele entiteiten bestaan met eigen functies en scheppende mogelijkheden. Daaronder groeperen zich een groot aantal werelden en sferen, die de weerkaatsing zijn van een goddelijke werkelijkheid. Een van deze werelden is de onze.
Nu zal het duidelijk zijn dat iemand, die kracht zoekt en deze onvervormd krijgt, daarbij een veel grotere intensiteit aan kracht verwerft en veel minder beperkingen zal ondervinden in het gebruik van die kracht dan iemand, die via vele voorstellingen een dergelijke kracht moet realiseren. Dit komt in de praktijk erop neer dat iemand, die gelooft en in dit geloof de kracht onmiddellijk aanvaardt, ook zonder zijn redelijk besef omtrent die kracht of de nodige wijsheid de intensiteit van die kracht zonder meer kan waarmaken. Het impliceert verder dat de mens, die bepaalde sferen en entiteiten inschakelt, daarbij a.h.w. een trap bouwt vanuit zichzelf tot deze totale Kracht. Dit betekent, dat de totale Kracht telkenmale wordt gebroken door de omzetting in de begrippen van een andere sfeer. Bij een directe geloofsaanvaarding is de kracht onmiddellijk aanwezig en zal zonder enig verlies of neveneffect worden omgezet in de kracht van de wereld, waarin men leeft.
Indien ik echter uitga van een hoge sfeer, in die sfeer de kracht zoek en mij dan vervolgens realiseer hoe deze kracht via vele sferen op den duur de materiële vorm zal krijgen, zal de werkelijke intensiteit van de kracht in het begin gelijk zijn; maar afdalend naar een lagere sfeer wordt zij getransformeerd en zet zich ten dele om in waarden van die sfeer. Wat er over blijft is minder. En zo zal bij elke volgende sfeer een vermindering van intensiteit en van directe werking worden verondersteld.
De mens die bidt en dit doet via de ingreep van vele heiligen b.v. zal de goddelijke Kracht niet onmiddellijk ontvangen en daardoor een verminderd resultaat hebben. Maar er is ook een andere kant aan deze zaak. Want de mens, die niet onmiddellijk in God kan geloven, Hem niet in Zijn volheid kan aanvaarden, kan vaak een heilige, een lagere godheid, een tussenpersoon wel aanvaarden. En daar het geloof (dus de totale overgave aan de kracht) noodzakelijk is om deze werkzaam te maken, is het duidelijk dat men, ofschoon het beste resultaat wordt bereikt door onmiddellijk het Goddelijke zelf te stellen, in de praktijk vaak beter bereikt door gebruik te maken vaneen voor het “ik” aanvaardbare bemiddelaar, waarin men gelooft, wiens bestaan een grotere zekerheid voor het “ik” vormt dan dat van het ten slotte toch wel zeer vage Goddelijke.
Hier ziet u reeds hoe moeilijk het wordt een wijsbegeerte om te zetten in praktijk. In de wijsbegeerte werken wij met begrippen. En ons begeren naar wijsheid en inzicht wordt tot een gespecialiseerde maar zeer theoretische kennis, die niet altijd aan ons eigen wezen zal kunnen beantwoorden. Praktisch geldt daar ëeom in het occultisme;
Ga niet slechts uit van uzelf, maar ga ook uit van de geloofsmogelijkheden en waarden, die in uzelf schuilen.
Nu is er t.a.v. het Goddelijke dat naar ik meen in het eerste onderwerp in het geding is gekomen natuurlijk heel veel te zeggen. Maar wie het Onbegrensde begrensd wil omschrijven, zal altijd tekort schieten. Men heeft vooral wijsgerig de neiging zich bezig te houden met het onbeperkte, maar men is niet in staat daar een reële conclusie te bereiken. Men zoekt a.h.w. naar de revolutie van bovenaf. Men wil de omwenteling vanuit het hoogste besef van het Goddelijke, tot stand brengen; en een dergelijke revolutie is in de praktijk zo goed als onmogelijk. Een revolutie op de wereld wordt opgebouwd door de bestaande onrust plus de hervormingszin van vele schijnbaar onbelangrijke en niet krachtige entiteiten. De vele mensen, die ontevreden zijn, bouwen tezamen de revolutie, die een inhoud kan krijgen en dan de totaliteit anders kan omschrijven.
Alle werken met occulte waarden is in feite een tot stand brengen van een revolutie tegen het verstand. Wie zich wil bezighouden met de grote en onbegrepen problemen zal in de praktijk weinig of niets bereiken. Wie daarentegen durft uitgaan van de kleine, nog hanteerbare problemen en voornamelijk daarin werkt, bouwt voor zich een kracht op, waardoor op den duur het hoogste bereikbaar is.
Dan kan ik nu mijn eerste stelling variëren en zeggen: De mens, die niet onmiddellijk kan geloven in, en putten uit de directe goddelijke Krach,t hoezeer zij ook voor hem voortdurend in verschijning treedt zal er goed aan doen te werken met lagere waarden, waar hij in gelooft en op vertrouwt. Door deze lagere waarden voortdurend aan te vullen zal hij op den duur de directe benadering van de goddelijke Kracht mogelijk maken.
Nu is dit misschien nog niet zo praktisch als u zou wensen. Maar laat ons dan eenvoudig de mens zien met zijn z.g. logisch en redelijk denken.
Wanneer een logisch en redelijk denkend mens helderziend waarneemt, dan zal hij door de beperktheid van die waarnemingen en het onmogelijk controleerbare daarvan heel snel moeten beslissen: dit is niet echt, dit bestaat niet.
Indien hij dit besluit neemt, sluit hij zijn gave voor zich af. De mens heeft hier dus door zijn verstandelijkheid a.h.w. de gave verworpen. Hij heeft een eigenschap, die hij bezat, zodanig uit het bewustzijn verbannen, dat zij niet tot uiting komt en verkommerende op de duur daar niet meer actief kan zijn. Dit geldt als voorbeeld voor alles, wat met de praktijk van het occulte in verband staat.
Wij kunnen niet uitgaan van de logica, ofschoon we deze kunnen gebruiken om tot een benadering te komen. Wij kunnen een probleem logisch zodanig benaderen, dat we het probleem tenminste zien; oplossen kunnen we het logisch niet. Het bevat te veel waarden, die buiten het verstandelijk denken liggen. Zoals ons wezen te veel eigenschappen bevat, waarmee wij verstandelijk geen weg weten, zolang wij mens zijn. Hebben wij ze nu logisch benaderd, dan moeten wij in staat zijn afstand te doen van deze logica en uit te gaan van de waarde van de niet logische ervaring, de niet logische mogelijkheid.
Ik geef u nu enkele voorbeelden van schijnbaar onlogische acties en reacties van mensen, die directe resultaten hebben. De Boeddha wordt bij zijn stervende vader geroepen. Hij weigert te komen. Volkomen onlogisch. Hij schiet hier tekort t.a.v. wat hij zelf de pijlers van het bewustzijn noemt. Maar niet logisch en niet menselijk weet hij, dat zijn vader nog niet zal sterven. Nemen wij deze onlogische factor mede als juist aan, dan is het gedrag van de Boeddha geheel verantwoord.
Jezus geneest een mens. Hij geneest die mens niet door te zeggen: Gij zijt beter, maar door te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven. Onlogisch. Kan Jezus zonden vergeven? Wat hebben zonden met een kwaal te maken? Maar wie zich bezighoudt met psychologie, kan begrijpen dat de basis van een kwaal maar al te vaak is gelegen in de onevenwichtigheid, ontstaan door schuldgevoelens. Jezus’ “Ik vergeef u uwe zonden” is niet logisch. Maar het is een middel om het geestelijk evenwicht te herstellen; en eerst dan is de genezing mogelijk. Hier blijkt wederom het schijnbaar onlogische volkomen logisch te zijn, zodra wij rekening houden met factoren, die in het denken van de mens nog niet als logisch aanwezig zijn of waren ten tijde van het gebeuren.
Voor u mag dus gelden, dat menige schijnbaar zinloze handeling of actie volkomen zinvol is, indien zij voortvloeit uit de erkenning van noodzaak en past in een voor u wel logisch probleem. Want de problemen van uw wereld kunnen door het denken van deze wereld worden omgrensd. U kunt ze misschien niet in alle consequenties geheel overzien, maar u kunt ze aanduiden.
Wanneer ik het probleem logisch heb benaderd en de oplossing daarvoor niet met logische middelen mogelijk is, dan blijkt heel vaak dat onlogisch aangevoeld er een methode bestaat om toch een oplossing te vinden. Het is dan dwaasheid te zeggen: Dit is niet logisch, dus is het niet aanvaardbaar. Het is beter honderdmaal te proberen en eenmaal te slagen via het onlogische dan honderdmaal niet te proberen en te falen via de logica.
Het leven van de mens is niet afhankelijk van zijn besef alleen. Het zijn de resultaten die tellen. Resultaten zowel innerlijk als van het leven naar buiten toe. Als je de mens occult bezien in het leven stelt, dan is hij iemand, die op verschillende vlakken van bewustzijn gelijktijdig moet functioneren. Hij moet eerstens beantwoorden aan het dierlijk vlak van het bestaan, zijnde de geaardheid van zijn voertuigen. Daarnaast moet hij beantwoorden aan het redelijk vlak van bestaan, daar zijn denkvermogen voor hem het enige middel is om zijn dierlijke bevoertuiging in de wereld te handhaven. Maar rust en vrede kan hij daarin niet verkrijgen, tenzij ook nog wordt beantwoord aan een hogere, meer emotionele waarde, die ik dan als geestelijk zou willen beschouwen; geestelijk geopenbaard op b.v. mentaal vlak. En dan blijken daar nog meer waarden te zijn.
De mens moet dus complex reageren en kan daarbij de hem bekende waarden niet buiten beschouwing laten. Het menselijk lichaam met zijn reacties en behoeften is een kenbare factor. Dientengevolge moet het logisch worden betrokken in het geheel. De erkenning van wereld en wereldverhoudingen, zoals dit verstandelijk geschiedt, is een beheersbare en grotendeels kenbare factor. Zij moet daarom logisch worden ingevoegd in het geheel. Eerst waar in deze beide waarden geen voldoende mogelijkheid tot oplossing van problemen of erkenning van waarden aanwezig is, moeten wij een beroep doen op de aanvullende en niet-logische waarden. Misschien mag ik dit verduidelijken.
U bent helderziend. Dit is gesteld. Dan zult u eerst met eigen ogen moeten zien, moeten uitgaan van eigen dierlijke mogelijkheden, verstandelijk de consequenties trekken van het geziene en waar de hiaat optreedt en men dus niet verder kan, zal men dit z.g. helder zien, dit paranormaal vermogen, mogen inschakelen. Hieruit leid ik dus de praktische grondregel af: Paranormale kwaliteiten zijn ten allen tijde de aanvulling van de direct kenbare en beheersbare kwaliteiten van de mens.
Voor krachten geldt precies hetzelfde. Ik heb een zekere lichamelijke kracht en kan daarover een betrekkelijk grote mate van beheersing verkrijgen. Dan zal ik eerst met de beheersing van mijn spierenstelsel moeten werken en met mijn lichamelijk kracht. Daar deze alleen als dommekracht niet voldoende is, zal ik met mijn verstand moeten nagaan in hoeverre deze kracht kan worden gebruikt voor het gestelde doel. Eerst wanneer er hier geen mogelijkheden zijn, zal ik en dan op het terrein waar dus het onmogelijke begint de paranormale krachten mogen inschakelen.
U ziet, dat de wijsbegeerte voor de praktijk grondslagen geeft, doordat zij de mogelijkheid aantoont op het terrein van het niet meer logisch mogelijke. Zij geeft een achtergrond, waardoor u van innerlijke waarden en krachten gebruik kunt maken, indien u verder tekort schiet. Op het ogenblik echter, dat we deze wijsbegeerte gaan zien als al bepalend voor ons bestaan en geen rekening houden met hetgeen in eigen wereld en eigen denken zonder meer mogelijk is, zullen wij tekort schieten, omdat wij met occulte waarden en krachten alleen dan met succes werken; indien zij gebaseerd zijn op een verantwoord en zo volledig mogelijk in eigen wereld juist reageren met de middelen van die wereld.
Dit zal u ongetwijfeld nog niet zeer praktisch voorkomen. Maar wanneer wij verder gaan doordringen in de geheimen van het leven en in de geheimen van die wereld, die men altijd als duister of bovenmenselijk beschouwt, dan zult u meer en meer tot de realisatie komen, dat dit inderdaad het begin is van alle praktijk.
Ik stel nu een paar regels, die eenvoudige en praktische waarden bevatten. Delen daarvan zult u ongetwijfeld kennen, maar in deze cursus zullen wij ze volledigheidshalve noemen.
1. Alle stoffelijk gebeuren kan mits voor het “ik” harmonisch met het gestelde doel worden gebruikt als uitgangspunt om daardoor z.g. paranormale krachten of gaven te wekken.
2. Alle beroep op z.g. bovennatuurlijke krachten wordt beperkt door het eigen vermogen van harmonisch zijn. Onderworpenheid kan daarbij even schadelijk zijn als een gevoel van macht. Degeen, die op basis van gelijkwaardigheid de geestelijke krachten weet te benaderen, zal de grootste resultaten verkrijgen, omdat hij een zo groot mogelijke harmonie bezit en in dit benaderen ook zijn persoonlijkheid als gelijke in het geheel zo juist mogelijk zal inzetten.
3. Alle mededelingen, boodschappen, waarschuwingen en leringen, die wij verkrijgen uit een hogere wereld hetzij van de geest langs mediamieke weg, door inspiratieve waarden, door geestelijke belevingen tijdens uittreding of op enigerlei andere wijze zijn richtlijnen, die nimmer bindend zijn.
4. Alle waarden uit het geestelijke deel van het bestaan verkregen, niet behorend tot onze eigen verstandelijke wereld, zijn voor ons een punt van begin. Wij zullen nl. constateren wat ons is gegeven als waarschuwing of als kennis we dit verwerken in onze verstandelijke wereld. Wij zullen het daarna aanpassen aan onze stoffelijke vermogens en zo komen tot een daadprojectie, die voor de eigen persoonlijkheid juist is.

Noot bij dit laatste punt:
Elk wezen in de kosmos, zelfs de hoogste geest die niet de Alomvattende Godheid is, reageert volgens eigen bewustzijn en geaardheid. Het is duidelijk, dat zelfs waar harmonieën bestaan verschillen in bewustzijn en geaardheid niet geheel uitgesloten zijn. Daar een ieder om waarlijk en juist te leven en om zo groot mogelijke resultaten te boeken in dit leven, op zijn eigen wezen en persoonlijkheid is aangewezen, zal hij of zij dus alle geestelijke krachten, waarden, inzicht e.d. moeten herleiden tot zijn/haar eigen praktisch vermogen (het voor het “ik” aanvaardbare) en moeten maken tot een deel van eigen bestaan.

Hierbij kunnen we nog enkele zeer eenvoudige punten aanstippen, die misschien niet geheel occult zijn, maar die toch erg bruikbaar zijn voor iemand, die het occultisme wil beoefenen.
Ten eerste: Een groot gedeelte van het lichamelijk onbehagen kan worden opgelost door bewuste ontspanning van het lichaam. Bewuste ontspanning van het lichaam betekent, dat het denken een zodanig beheersende – noem het mijnentwege ook suggestieve – inwerking heeft op het lichaam, dat daarin harmonische, ontspannen omstandigheden ontstaan. Tijdens een dergelijke rust zijn b.v. ontslakkingsprocessen veel sneller mogelijk, is oxygenatie van weefsels eveneens sneller mogelijk, zodat genezing daaruit kan voortkomen.
Ten tweede: Indien ik die ontspanning eenmaal beoefend heb, zal ik verder ontdekken, dat er voor mij vaak uitingsnoodzaken zijn. Een uitingsnoodzaak kan zelden volledig gericht geschieden. Maar het denkbeeld of de intentie, die in de uiting de hoofdrol speelt, bepaalt de waarde van de uiting voor mijn wezen en zal daarmede een actie voor mij volledig richten op een doel. Dit betekent dat alle door mij besefte krachten en mogelijkheden op dit doel eveneens worden gericht. Daarom: intentie is het meest belangrijke. Gebruik de juiste intentie bij alle dingen en u zult resultaten verkrijgen, waarbij z.g. bovennatuurlijke krachten mede een rol spelen.
Ten derde: Ik zou willen opmerken, dat in vele gevallen het denkproces staakt op het ogenblik, dat volgens het eigen bewustzijn nog mogelijkheden aanwezig moeten zijn. Wanneer het denkproces dan bewust wordt gestaakt, kan het zich voortzetten op een hoger en vaak ook sneller niveau van referentie. Wie in het bewuste denken vastloopt, zal het z.g. onderbewustzijn verder moeten laten werken. Niet alleen blijkt dan het redelijk resultaat, de redelijke kennis, de juiste herinnering weer beschikbaar te komen, maar daarnaast zien wij vaak associatieve beelden optreden. De associaties, die ontstaan na het afbreken van een onvoltooide denkketen mits daarop wederom een redelijke uitkomst wordt gevonden zijn een aanwijzing voor de juiste wijze van handelen en reageren, indien wij hogere krachten of niet algemeen erkende eigenschappen van de mens willen inschakelen bij het overwogen probleem.
Dit zijn enkele, werkelijk praktische punten, die in deze formulering toepasselijk blijken voor iedere persoon en die de omstandigheden volledig juist weergeven.
Nu kan ik natuurlijk daarover gaan filosoferen. En ik kan vertellen, hoe het hogere deel van de eigen persoonlijkheid een zeer grote rol speelt bij deze processen. Maar voor de praktische occultist zou ik willen stellen:
Niet zozeer de verklaring van het verschijnsel als wel de mogelijkheid om een verschijnsel beheerst tot stand te brengen is van belang. In het leven tellen de resultaten veel meer dan de overwegingen, Een mens, die zich te veel tot overwegingen beperkt en te weinig tot praktische resultaten komt, zal ergens een fout moeten hebben gemaakt. Wie in de juistheid van zijn bestaan gelooft, zal dit bewezen moeten zien. Let wel; niet de intenties van anderen zijn hier bepalend noch de beoordeling van anderen, maar de eenvoudige aanwijzingen, die voor u altijd een juist resultaat weergeven. Ze zijn als volgt:
Indien ik mij gelukkig of tevreden gevoel met wat is en met wat ik bereik, heb ik geestelijk de juiste krachten ingeschakeld.
Indien ik voor mijzelf een slagen constateer en bereid ben een dergelijk slagen met zijn consequenties ook verder te aanvaarden, is het duidelijk dat ik ongeacht het redelijk of niet redelijk zijn van de door mij gevonden oplossing of van mijn handelwijze daarin voor mijzelf geestelijke waarde heb gevonden en dus daaruit ook geestelijke krachten kan putten.
Wanneer ik als mens bepaalde waarnemingen of gevoelens heb, die schijnen te behoren tot boven zintuiglijke waarnemingen en daarin niet voldoende vertrouwen heb, zal ik moeten nagaan hoe groot de incident van juistheid is. Naarmate het aantal redelijk juiste erkenningen op onredelijke basis groter wordt, zal ik leren beter daarop te vertrouwen. Want z.g. occulte gaven hebben eerst dan waarde, indien men daarnaar zonder aarzeling of twijfel durft handelen en ze dus durft invoegen in zijn redelijke en praktische levensprocessen.
Het wordt nu tijd voor mij om ook aan mijn bijdrage een einde te gaan maken. Ik zou dit graag enigszins wijsgerig willen doen en citeer daartoe enkele, volgens mij belangrijke richtlijnen en waarheden.
Niet wat gij zijt, doch de wijze, waarop gij dit zijt, is belangrijk.
Wie waar maakt wat hij is, leeft juist. Wie slechts uiterlijkheden schept, die niet de innerlijke waarheid dekken, leeft onjuist.
Wie roept tot God in zijn hulpeloosheid, zal alleen door zijn geloof gered kunnen worden. Wie durft werken met God als de Kracht, die hem schept en inhoud geeft aan zijn wezen, zal voortdurend juister de vorming vinden, die beantwoordt aan zijn taak in de Godheid en daarmede de juiste waarden van tevredenheid, geluk en besef van juiste waarde in het “ik” bevordert.
Deze citaten maken duidelijk, dat de plaats van de mens niet alleen afhankelijk is van uiterlijkheden of resultaten, maar vooral van het beantwoorden aan een wet, die hem regeert, Deze wet werd eens als volgt omschreven
“Hij, die zich in alle dingen uit, geeft zichzelf in alle dingen antwoord op datgene, wat hij zich zelve vraagt.
“Indien wij, als deel van het geheel, antwoorden op de vraag die het geheel ons stelt, zo vervullen wij ons juiste wezen en onze juiste taak. Wie echter niet beantwoordt aan de vraag, die hem wordt gesteld, doch tracht te beantwoorden aan het geheel, zal falen. Want hij kan niet aan de totaliteit beantwoorden, zonder eerst de vraag, die tot hem wordt gericht, te beantwoorden.”
Alweer een citaat, dat echter duidelijk maakt, dat elk van ons een speciale mogelijkheid en een speciale taak heeft. Die taak en mogelijkheid zullen niet altijd in overeenstemming zijn met hetgeen de mens wil, begeert of denkt. Maar wij moeten eerst het antwoord vinden op deze speciale vraag van de Godheid aan onszelf. Wij moeten eerst waarlijk bewust zijn van onze huidige noodzaak tot juist leven of denken volgens die vraag, eer wij verder kunnen gaan.
“Hij, die streeft naar bezit, verliest alle dingen. Doch hij, die streeft te zijn in betekenis, verwerft alle dingen. Rijkdom vloeit voort uit de nastreving, niet uit het bezit. Daarom is het belangrijk te streven en niet te bezitten.” Dat is duidelijk. Wij kunnen ons nooit iets eigen maken en het voor onszelf behouden; dan degenereert het, dan gaat het ons domineren en beheersen. Als deel van de Godheid worden wij door onze illusies. omtrent een ander deel van de Godheid in onze mogelijkheden beperkt. Maar indien wij in de Totaliteit actief zijn, zullen wij uit de Totaliteit datgene kunnen ontvangen, wat nodig is om onszelf uit te drukken. Wij zijn dan rijk, omdat in al onze behoeften is voorzien, omdat al onze noodzaken worden vervuld. Dit moge wijsgerig zijn, maar het heeft in ieder geval deze praktische betekenis. Degeen, die gaven zoekt omwille van het bezit van de gaven, zal deze niet verwerven, of in het gebruik ervan zo tekort schieten, dat hij zou wensen ze niet te bezitten. Maar wie zoekt anderen te dienen volgens zijn besef van juist leven, verwerft gaven, die indien hij ze durft en kan gebruiken hem de mogelijkheid geven in het gehele leven te beantwoorden aan noodzaak en taak, en zo dus perfect in te passen in dat deel van de schepping, waarin hij op dit moment bestaat.