Wie ben ik?

uit de cursus ‘Filosofische esoterie’ (hoofdstuk 2) – november 1982

Wie ben ik?

Dit klinkt een beetje vreemd, want iedereen denkt dat hij weet wie hij is. Wat je bent is meer dan alleen een naam en een vorm… Als je doordringt tot je innerlijke, dan word je daar geconfronteerd met allerlei eigenaardige droomwerelden. Ga je nog verder, dan kom je in een soort wazigheid terecht die soms zelfs een licht in zich draagt en waarvan eigenlijk een omschrijving niet meer mogelijk is. Maar al die dingen ben je. Je kunt het betrekkelijk eenvoudig maken en dan zeg je: Een mens is eigenlijk een vorm waarin een geest leeft die in alle sferen ook thuishoort en in een groot aantal van die sferen waarschijnlijk bewust is. Maar dan weet je nog niets.

Als je een antwoord wilt geven op de vraag: wie ben ik? Dan moet je in de eerste plaats menselijk redeneren en zeg je: ik ben een conglomeraat van ervaringen, opgedaan in vele levens en in vele sferen. Deze alle tezamen hebben al datgene bepaald wat ik nu nastreef en ook datgene waar ik voor vrees. De exponenten van hetgeen wij werkelijk zijn, worden eigenlijk uitgedrukt in begeerten of strevingen aan de ene kant en angst en afkeer aan de andere kant. Die dingen zijn niet terecht; d.w.z. dat ze niet in een kosmisch verband zinvol zijn. Per slot van rekening, iemand die zich vijfmaal aan een kachel heeft gebrand, zal er de zesde keer een beetje bang voor zijn. Toch kan hij die kachel hard nodig hebben, vooral als hij een polaire winter doormaakt. Maar die vrees is er nu eenmaal en daar kom je niet zo gemakkelijk over heen.

Iemand die vijf, zes keer dezelfde misère heeft doorgemaakt, heeft de voortekenen ervan leren kennen. Wanneer die voortekenen ook maar ergens in verschijning treden, dan is hij bang.

Zo zijn er ook zaken die je als aangenaam hebt leren ervaren. Misschien een blijk van genegenheid of een blijk van zekerheid, van geborgenheid. Zaken die je het gevoel geven dat alles goed gaat, dat je zelf alles in de hand hebt. Als je dat goed bekijkt, dan is het eigenlijk niet zo maar dat je vroeger een aantal belevenissen hebt gehad en je vergelijkt de omstandigheden van het heden met die herinneringen. Onbewust doe je dat vaak maar je doet het. Het resultaat is dat je stemming, maar ook de wijze waarop je de wereld beleeft, wordt bepaald door hetgeen je hebt ervaren. Tot zover zal waarschijnlijk geen psychotherapeut, geen psycholoog het met mij oneens zijn.

Nu kunnen we natuurlijk gaan zeuren over regressie naar vorige incarnaties. Ik zou dat liever buiten beschouwing laten. Het is een terugspoorproces dat op zichzelf soms zinvol is maar in de meeste gevallen eigenlijk overbodig blijkt. U heeft geleefd. In die levens heeft u in de stof een aantal ervaringen opgedaan. Die ervaringen blijven behouden; ze zijn deel geworden van uw geest. De geest projecteert die weer bij elke incarnatie naar de stof. Hierdoor ontstaan er een soort vooroordelen. Bepaalde zaken kun je aan, andere kun je niet aan. Bepaalde kwaliteiten in jezelf en in anderen schat je hoog. Andere daarentegen acht je verwerpelijk. Dat betekent dat degene die je op dit ogenblik bent, zeer sterk geconditioneerd is, niet alleen door de maatschappij waarin hij leeft of door zijn omgeving, maar wel degelijk ook door zijn voorgaande levens.

Nu denkt u waarschijnlijk: daar blijft het dan wel bij. Neen, er is nog veel meer. Want wij zijn deel van een kosmisch geheel. De vorige keer zijn wij daar al verder op door gegaan. U behoort tot dezelfde kosmische kracht met al het andere. In die kracht zijn er een aantal manifestaties. Nu kun je die manifestaties ‘goden’ noemen maar je kunt ze ook kosmische krachten noemen, je zou ze zelfs kunnen definiëren als invloeden, die de astroloog meent aan te treffen in een bepaald dierenriemteken. Als je zo ervaring opdoet, dan krijg je een bepaalde voorkeur. Een voorkeur voor trillingen, voor bepaalde ervaringen of een afkeer van andere trillingen. Dat wil zeggen dat je wordt geboren, niet alleen door het toeval zonder meer, maar dat het ogenblik van de geboorte en de invloeden daarbij, die een grote rol zullen spelen in je leven, astrologisch bezien wel degelijk een rol spelen in de keuze van incarnatiemogelijkheid. Dat ze bewust of onbewust mede een rol spelen bij degenen waar je wordt geboren, maar ook voor dat deel van de wereld waar je wordt geboren.

Nu zult u zeggen: Heb ik al die dingen nodig om te weten wie ik ben? Misschien niet. Maar hoe kun je weten wie je bent, als je jezelf niet eens kunt begrijpen? Om jezelf te kunnen begrijpen moet je tevens kunnen teruggaan in jezelf tot tenminste een aanvaarding van al die onbewuste invloeden en capaciteiten (je behoeft ze niet eens naar voren te brengen) waardoor je gedrag in de wereld wordt bepaald. Want dat gedrag heeft wel degelijk betekenis. Dan zegt u: Maakt dat dan zo’n groot verschil uit? Laten we maar weer een voorbeeld nemen. Iemand is twee levens lang militair geweest. Het eerste leven misschien gewoon soldaat, het tweede leven is hij officier geworden en in dit leven begint hij weer aan een dergelijke loopbaan. Nu zal die man misschien niet bij het leger terecht komen. Het kan ook zijn dat hij bij de politie komt, in de godsdienst of ergens anders. Want het gaat niet om het leger, het gaat om een bepaalde structuur die hij voor zichzelf meent nodig te hebben. Het is zo iemand die zegt: Het enige dat goed is, dat is discipline, gehoorzaamheid. Ik moet mij aanpassen aan mijn meerderen en als ik meerdere ben, moeten mijn minderen mij gehoorzamen. Of je dan generaal bent of sergeant, paus bent of monseigneur, dat maakt niet veel uit. Je hebt die mentaliteit. Die mentaliteit kun je niet kwijt raken.

Er zijn mensen die zeggen: Je kunt iemand omturnen. Neen, je kunt hem niet echt omturnen. Je kunt iemand misschien zover krijgen dat hij op dezelfde manier, waarop hij op het ogenblik een bepaalde discipline verdedigt, agressief wordt tegen die discipline en die gaat aanvallen. Maar dan doet hij het nog steeds vanuit een standpunt van meer of mindere gehoorzaamheid, disciplines, zelfbeheersing, maar ook het beheersen van anderen.

Weten wie je bent, betekent dus ook een beetje begrijpen dat zelfs de meningen die je hebt, de manier waarop je pleegt op te treden, niet worden bepaald door de omstandigheden van het heden maar ook door de voorkeuren die er eigenlijk van het begin af aan in je hebben gezeten. Dat zijn de capaciteiten die vanuit de geest worden ingelegd en daardoor is dit voor jou op dit moment het juiste leven.

Het is heel vaak voor een mens moeilijk te aanvaarden dat zijn persoonlijkheid, zoals die zich op het ogenblik in de stof manifesteert, onvermijdelijk is. Hij denkt: ik moet mijzelf verbeteren. Maar je kunt jezelf niet echt verbeteren. Je kunt je gedrag veranderen, maar niet je persoonlijkheid. Te weten nu dat dit zinvol is, dat het voortvloeit uit het groeiproces dat je persoonlijk doormaakt, is deel van een evolutie die langzaam maar zeker van leven tot leven je heeft gevoerd tot dit punt, maar ook tot deze problemen, tot deze vastgelegde mentaliteit. Dat maakt het veel gemakkelijker om je wat los te maken van de rest van de wereld, om te zien dat die dingen vooral voor jezelf gelden en niet voor ieder ander evenzeer.

Het is moeilijk, dat geef ik graag toe. Maar de vraag: wie ben ik? kun je nu eenmaal niet beantwoorden door te zeggen: Ik heet Piet Jansen. Ik werk daar en daar, ik geloof dat en dat, en ik doe zus en zo. Want daarmee heb je wel je ogenblikkelijke toestand omschreven maar wat je buiten beschouwing hebt gelaten, dat zijn de werkelijke drijfveren waardoor je in dit leven bent gekomen, waardoor deze uiterlijke persoonlijkheid werd aangenomen en waaruit ook de ervaring zal voortkomen die specifiek voor jou belangrijk kan zijn.

Er zijn heel veel visies in deze wereld waarmee men juist de onveranderlijkheid van de persoonlijkheid, het langzame groeiproces door vele levens heen probeert te verwerken. Dat is begrijpelijk. Als je de tijd hebt, als je weet waar je in dit leven faalt, dat kan je in een volgend leven corrigeren, ach, dan ben je misschien niet zo gehoorzaam. Dan denk je toch een beetje van je eigen kant uit en houd je wat minder rekening met hetgeen anderen nu toevallig goed vinden.

Ik kan begrijpen dat er vele leerstellingen zijn die daar tegen zijn. Zelfs esoterische scholen zijn erbij die absoluut ontkennen dat je eerst jezelf moet zijn. Ze willen je wel jezelf laten ontdekken maar alleen binnen een kader dat door de groepering wordt goedgekeurd. Dat is natuurlijk onzin. Je kunt evengoed zeggen: Je bent nu wel een varken, maar het enige dat je van jezelf moogt zien is je staart, mooi gekruld, sierlijk. Maar de rest is nog steeds een varken en het slobbert nog. Het is niet alleen wat wij uiten, het is wat we zijn waardoor ons weten wordt bepaald.

Nu zou ik graag een korte schets geven van een mogelijk ontwikkelingsproces, alleen maar ter verduidelijking.

Iemand is in het begin ergens op een wereld terecht gekomen die niet de aarde was. Hij heeft daar misschien een tijdje de uitstraling gevoeld van werkende vulkanen of hij heeft zich beziggehouden met de omloop van de wateren. Hij is misschien betrokken geweest bij het gebeuren in een atmosfeer. Van daaruit heeft hij besloten dat hij die ongebondenheid niet zonder meer kan aanvaarden. Hij wil weten wat het betekent. Stel dat die planeet geen leven meer draagt. Hij gaat verder op zoek en komt terecht op de aarde. Op de aarde wordt hij een plant. Hij ervaart nu de invloeden waarvan hij eens deel is geweest a.h.w. van de andere kant. Hij beleeft ze nu als iemand die ze nodig heeft maar die er gelijktijdig door geteisterd kan worden. Hij heeft nu een beter begrip gekregen van de elementen alsook van de betekenis die ze kunnen hebben op plantaardig vlak. Misschien dat hij dat een paar keren herhaalt, misschien ook niet.

Er zijn mensen die eens een grasplantje zijn geweest en die de volgende keer een vogel zijn of een ander dier. Anderen groeien heel langzaam van een stukje onkruid via een struik naar een boom die honderden jaren staat. Dat op zichzelf betekent alleen maar dat je meer tijd nodig hebt om iets in je persoonlijkheid te integreren om dat begrip op te bouwen. Je wordt dan dier. Als dier heb je te maken met beweeglijkheid. Je gaat nu ook zien dat het plantenleven weer een bepaalde wisselwerking heeft met ander leven. Je wordt a.h.w. ingeschakeld in een voortdurend proces van leven en sterven. Ik weet wel dat de mens dat vaak ontkent maar dat komt omdat hij bang is voor de dood. Hij is bang voor de dood omdat hij duister en uitblussing verkeerd associeert met het wegvallen van het lichaam.

Zo’n dier heeft ook bepaalde ervaringen in twee of drie vormen, misschien zelfs meer en wordt dan mens. Dan zal die mens eerst worden geconfronteerd met dierlijke factoren in het mens-zijn, dat is duidelijk, want dat zijn zijn ervaringsdrijfveren. Al het andere is een aanvulling. Vanuit die aanvulling komt hij tot een beter begrip van geestelijke of ideële betekenissen. Hij zal vanuit het absoluut materiegebonden zijn zich ontplooien in de richting van een meer abstract beleven en denken. En dan incarneert hij weer. Zo gaat het door. Elke keer wanneer er een incarnatie is geweest, is er een rustpauze. Die rustpauze is niet te omschrijven in stoffelijke termen. Als je die vergelijkenderwijs probeert uit te drukken, dan komen we bij allerlei begrippen die we al kennen zoals eerst Schemerland, rusten, ontwaken in Zomerland. In Zomerland leren om te leven, daarna vanuit Zomerland gaan werken en leren tegelijk. Misschien nog naar een hogere sfeer gaan totdat je vastloopt.

Vergeet echter een ding niet: wat u bent, wordt bepaald door de ervaringen die u heeft opgedaan. Uw leven in de sferen is alleen het in details uitwerken van wat u persoonlijk al als inhoud aan ervaring, aan begrip, aan harmonie en disharmonie heeft verworven. Het is dus a.h.w. een bevestiging van wat je bent geweest en gelijktijdig een juister begrip, een betere afstemming waardoor je beter zult kunnen bepalen wat je kunt zijn. Stel dat de laatste incarnatie in ons verhaal terecht komt in de huidige tijd. Dan is de vraag gewoon: Hoe denk je? Wat is je instinct, zeggen ze dan. Maar wie denkt dat alles wat instinct is, zuiver stoffelijk is, die stinkt er lelijk in, zo nu en dan. Want er zijn heel veel instincten die niet stoffelijk zijn, omdat ze vanuit het onderbewuste en in feite vanuit de geest worden gereguleerd.

Er zijn mensen bij die zich alleen kunnen voorstellen dat ze, als een organisch geheel, leven met anderen. Dat kunnen wezens zijn die in dierlijke vorm in kudden, in roedels gejaagd of gegraasd hebben. Misschien zelfs entiteiten die heel sterk zijn beïnvloed door een insectenincarnatie in een wespengemeenschap, een bijengemeenschap of een mierengemeen­schap. Als je daarentegen behoord hebt bij de soorten die hoofdzakelijk jagen (je bent misschien een tijger geweest of een arend, desnoods een winterkoninkje), dan behoor je tot soorten die sterk territoriumgebonden zijn, maar die gelijktijdig een zeer beperkte gemeenschapszin hebben. Als je dan op aarde gaat leven, zul je dus anarchistisch zijn in­gesteld of sterk egoïstisch; wat in de wereld gebeurt, dat interesseert mij niet, als het mij maar goed gaat. Dan zegt men: Het is toch verschrikkelijk dat er mensen zijn die zo denken.

Als je weet wie je bent, dan weet je dat het bijna onvermijdelijk is en dat je nooit kunt proberen die mentaliteit te veranderen, hetzij in jezelf hetzij in een ander. Het enige dat je kunt doen, is de toepassing van deze in het ‘ik’ nu eenmaal vastgelegde waarden een beetje veranderen. Dus, wie ben ik, is niet alleen maar een kwestie van: wie zou ik willen zijn of: hoe zie ik mijzelf? Het is ook een vraag: door welke drijfveren functioneer ik eigenlijk? Dan is het natuurlijk ook heel prettig als we alleen maar bezig zijn met incarnaties. U heeft behoord tot een geestelijke gemeenschap. Een geestelijke gemeenschap betekent een aantal banden die voor u blijven bestaan. Dat zijn de z.g. harmonischen. Een sterke harmonische impliceert dat een eenmaal ontstane binding op geestelijk niveau ook wordt gecontinueerd wanneer degenen die daartoe behoren, in verschillende werelden verder bestaan.

U heeft dus een bepaald deel van de geest waarmee u harmonisch bent en dat op u inwerkt, dat voor u spreekt. Dat is niet voor iedereen hetzelfde. U kunt dus niet verwachten dat datgene wat voor u geestelijk werkzaam is, voor een ander precies zo zal werken. Dat kan eenvoudig niet. Als dat zou gebeuren, dan zou dat een grote zeldzaamheid zijn. De regels van de materie, de herhaalbaarheid van de feiten blijken niet te bestaan als wij ons bezighouden met de z.g. paranormale mogelijkheden van de mens. Als we eerlijk zijn, dan geldt dat ook niet helemaal t.a.v. de gedrevenheden van de mens of het ‘ik’ en de onbewuste factoren.

Deze harmonieën kunnen ook bestaan tussen een aantal entiteiten die gelijktijdig, of ongeveer gelijktijdig, op aarde geïncarneerd zijn. Dan is er een sterke wisselwerking die in een geestelijke wereld heeft bestaan en misschien daarvoor in de stof. Als we kijken waar de basis ligt, dan bevindt deze zich meestal in een stoffelijke sfeer; dus een stofwereld zoals de uwe. Hier komt men tot een zodanig aantal vergelijkbare belevingen, dat men eenzelfde vordering maakt. Is er oorspronkelijk een mate van harmonie bij de incarnerende geesten aanwezig geweest – ook al werd deze niet beseft ‑ dan wordt ze op aarde bevestigd en ontstaan er, wat men noemt, de groepsincarnaties. Om te weten wie je bent, moet je ook dit beseffen.

Een groepsincarnatie houdt namelijk in dat er een aantal mensen zijn met wie het op de een of andere manier klikt, waarmee je contact hebt en niet eens weet waarom, waardoor je je getrokken voelt tot bepaalde bewegingen. Niet om hetgeen ze pretenderen te zijn maar om de mensen die erin zitten. Hier is een aantrekkingskracht en die zal zeer zeker, als het om belevingen gaat, een grote invloed hebben. Maar het betekent ook dat u, gezien een vergelijkbare achtergrond met tenminste een incarnatie, ongeveer vergelijkbare belangen heeft bij uw incarnatie in deze wereld. Die onbewuste impulsen die uw stoffelijke persoonlijkheid zo sterk beïnvloeden en die vanuit de geest geprojecteerd zijn, zijn dan ook vergelijkbaar. Dit houdt in dat samenwerking mogelijk wordt zonder dat er verder een reële band aanwezig is.

Een groepsincarnatie, dat moet ik er nog bij zeggen, kan zich een lange tijd herhalen. Wij weten dat er b.v. Atlantische groepen zijn die op het ogenblik aan hun 7e of 8e groepsincarnatie bezig zijn. Het houdt niet in dat er tussendoor niet een aantal van die mensen ook nog eens afzonderlijk geïncarneerd kan zijn, maar ze komen kennelijk steeds weer terug in een milieu waar juist die oude Atlantiërs eenmaal geïncarneerd zijn. Je wordt aangetrokken tot een milieu waartoe je in feite eigenlijk reeds behoort. De waarde van dit milieu wordt dan bepaald door de mogelijkheden die de wereld geeft. Je kunt net zo goed vanuit het standpunt van die wereld crimineel zijn als hoogverheven, buitengewoon wetenschappelijk of zeer verstandig. Dat ligt maar aan de inhoud die de groep heeft. De maatschappij zorgt voor de beoordeling. De groep echter voor de wisselwerking en de wederkerige versterking.

Wil je weten wie je bent, dan moet je je eens afvragen in welke kringen je je beweegt. Kijk gewoon naar de kwaliteiten die daar steeds op de voorgrond komen. Zeg dan niet tegen jezelf dat je nu bezig bent met de idealen maar kijk gewoon naar de mensen. Hierdoor word je je bewust van datgene waartoe je je aangetrokken voelt. Je zult in vele gevallen zien dat je je meer aangetrokken voelt tot de mensen dan tot de problemen waaraan je dan gezamenlijk iets probeert te doen. Dat kan erg belangrijk zijn. Hierdoor word je je bewust van de kwaliteiten die je bezit.

Juist deze groepsincarnaties zijn in deze tijd talrijk zodat heel wat mensen de mogelijkheid hebben om alleen reeds aan degenen met wie ze omgaan, te zien wat ze zelf een beetje zijn. Daarbij zie je dan niet alleen maar stoffelijke kwaliteiten. Als je iets verder kijkt, dan zie je dat er een gemeenschappelijke geestelijke achtergrond moet zijn.

Doordringen tot de kern van je eigen wezen is prima, maar als je geen vergelijkingsmateriaal hebt, dan kom je nergens als mens. Wil je weten wie je bent, dan moet je eerst kijken: waar is het vergelijkingsmateriaal? Dat materiaal kun je vooral vinden in die harmonieën welke uit een onbewuste drang voor jou op deze wereld steeds weer ontstaan. Dan gaat het niet om de uiting ervan. Het gaat er dus niet om, of je loopt te demonstreren of dat je gezamenlijk een sleutelclub hebt of misschien gezamenlijk hetzelfde geloof nastreeft en binnen dat geloof een bepaald groepje bent gaan vormen. Al die dingen zijn secundair. Het gaat om de relatie van mens tot mens, het binnen de groep behoren. Kijk naar de persoonlijkheden en probeer ze een beetje eerlijk te bezien. U zult zien welke drijfveren er ook in u bestaan, wat uw attracties zijn, wat hetgeen is dat u afwijst. Om het weer in een paar eenvoudige regels te gieten:

  1. Het ‘wie ben ik’ is nooit te beantwoorden door alleen jezelf te bestuderen. Je kunt jezelf alleen herkennen door de waarderingen, de relaties die in de wereld rond je bestaan en die voor jou op dit moment reëel en besefbaar zijn.
  2. Ik zal als entiteit altijd mee worden bepaald in elke manifestatie en ook incarnatie door de voor mij bestaande harmonieën. Zoekend naar datgene waarmee ik mij in de wereld harmonisch voel, zal ik kunnen beseffen wat mij drijft. Hierdoor kom ik nader tot de bepaling van mijn eigen kwaliteiten en – als ik eerlijk ben – tot een juister begrip van datgene wat zich achter mijn uiterlijke persoonlijkheid verbergt.
  3. Al wat de wereld bevat, is op dit ogenblik voor mij als mens bepalend. Ik kan niet rekening houden met geestelijke waarden, stromingen, tendensen of abstracties. Ik heb te maken met de feiten. Om te weten hoe ik reageer op de feiten, moet ik nagaan hoe ik zelf de feiten verwerk en welke feiten ik zelf creëer. Daaruit kan ik wederom een aantal conclusies trekken t.a.v. mijn persoonlijkheid en mijn inhoud.

Juist door deze dingen te leren onderscheiden en daarmee mijn eigen harmonieën en disharmonieën, in deze wereld althans, redelijk te omschrijven, wordt het gemakkelijker om door te dringen in de wereld van halve dromen en fantasieën die gelegen is in het innerlijk tussen de innerlijke werkelijkheid en datgene wat je stoffelijk meent te zijn. Je kunt dan een groot aantal van die dromen herkennen voor wat ze zijn en terzijde schuiven. En dan zul je uit de vaagheid gemakkelijker een innerlijk licht vinden. Dan zal er een ogenblik voor je kunnen komen dat je zegt: Ja, ik ben dit alles en waarschijnlijk nog veel meer. Maar in de eerste plaats ben ik toch een verlengstuk van deze kracht die in mij is. Hierdoor ontsnap je aan het gevoel van eindigheid, aan het gevoel van lotsgebondenheid zonder meer. Hierdoor rechtvaardig je meer van hetgeen je bent en doet aan de ene kant en besef je duidelijker waar je faalt t.n.v. jezelf aan de andere kant. Een mens, die wil weten wie hij is, moet bereid zijn te leven zoals hij is. En dat is niet alleen maar een kwestie van de dingen doen maar ook beseffen waarom je ze doet. De volgende keer zullen we ongetwijfeld op deze punten nog verder moeten voortborduren. Want het gaat er niet alleen om: wat ben ik? wie ben ik? Maar zelfs om vragen als: waar ben ik?

Besef dat uw wereldbeeld maar een zeer onvolledig deel is van de werkelijkheid waarin u verkeert. Besef dat al datgene wat voor u beslissend is, eigenlijk maar een conclusie is, getrokken uit een zeer klein aantal gegevens die u uit de grote veelheid van gegevens heeft kunnen waarnemen. Door op deze manier op te bouwen, is het mogelijk esoterisch bewust te worden zonder daardoor uzelf los te maken van hetgeen u bent, u los te maken van de wereld waartoe u behoort.

Vragen

  • U zei: je bent een verlengstuk van de kracht in je. Ben je niet een uiting van de kracht in je?

Dan zou je alleen projectie zijn. U bent niet alleen projectie want de kracht in u is datgene wat u ook mogelijk maakt nu te zijn. Anders zou u namelijk niet als bezielende factor kunnen optreden in een lichaam. Daarom is het beter uit te gaan van het standpunt dat we geen projectie zijn maar dat we deel zijn van de kracht, een verlengstuk.

  • Als er een ervaring op je afkomt, dan word je daar bang voor want je weet dat de uitingen ervan niet aangenaam zijn. Is dat niet een waarschuwing tegen de verkeerde instelling?

Zeer in het algemeen gezegd: De conditioneringen die stoffelijk zijn, kun je overwinnen. De conditioneringen die voortkomen uit het totaal van je bestaan, dus niet alleen uit dit stoffelijke leven, kun je niet corrigeren. Maar zelfs als je die correctie op aarde zou willen aanbrengen, dan is het nog de vraag in hoeverre die conditionering is voortgeschreden. Als ze namelijk te ver is voortgeschreden, kun je de fout wel erkennen maar je kunt – meestal op het belangrijke ogenblik – de reactie niet zodanig beheersen dat ze volgens je besef juist is. Je handelt dan volgens je instinct juist.

De loop van groepsincarnaties

Wat groepsincarnaties zijn, weet u zo langzamerhand wel. Dat is in het eerste deel uitgelegd. Maar wat u misschien niet weet, is dat hierdoor allerlei werkingen heel sterk worden bepaald op aarde.

Er zijn b.v. groepen uit Atlantis. Dat zijn heel verschillende groepen. Wij kennen de groep: de vorsten. Er waren tien rijken en tien potentaten, om niet te zeggen despoten. Deze despoten waren eigenlijk in de eerste plaats krijgsheren en regeerders. Zij waren dus erg geïnteresseerd in de militaire ontwikkeling. Deze groep kunnen we later terugvinden in Egypte; reïncarnatie. Wat waren het? Het waren allemaal militairen, militaire gouverneurs, generaals, legeraanvoerders.

Er waren ook priesters. De priesters van Atlantis waren in twee klassen in te delen. Er was een groep bij die zich vooral bezighield met macht en het bouwen van mooie tempels enz. Nu is het vreemde dat wij deze groep terugvinden, eerst in de buurt van de Pamir (het dak der wereld), daarna in het boven-Egyptische rijk. Niet in het beneden-Egyptische rijk waar ze de mooiste bouwwerken hebben gemaakt. Neen, in het boven-Egyptische. Als we nog verder gaan kijken, dan lijken ze ook nog op te duiken op een gegeven ogenblik in Griekenland, in de tijd van het tweede Byzantijnse rijk. We vinden ze ook nog eens terug aan het einde van de heerschappij van de Karolingers, in de middeleeuwen. Daarna komen ze nog eens naar voren, vreemd genoeg, in ongeveer 1800. Daar tussen hebben ze natuurlijk ook wel wat gedaan. Sommige van hen zijn in deze tijd alweer geïncarneerd waarbij ze zich ineens weer hebben ontwikkeld tot kerkelijke potentaten en politici.

Dan was er ook een groep die we ‘de Witte Priesters’ noemen. Deze Atlantische groep maakte andere incarnatiecycli door. Wij zien dat deze een heel grote rol hebben gespeeld in het priesterdom in bepaalde delen van Zuid-Amerika. Ze vormden daar de positieve kant.

Wij zien dat ze in de druïdische geloofsvorm een heel belangrijk aandeel hebben gehad, meestal als de z.g. ingewijden. Wij zien dat ze zelfs bij de Vikings hier en daar voorkwamen. Wij zien dat ze zelfs in Midden-Europa en in Egypte optraden, maar in veel mindere mate en alleen in heel kleine groepjes. Als je dan kijkt, zo rond 1200 tot 1400, dan zie je ze ineens in heel grote aantallen werken in China. Je zou er dus uit kunnen afleiden dat dergelijke groepen eigenlijk getrokken worden naar die plaatsen waar ze de beste mogelijkheid zien om volgens hun eigen instelling verder te leven en verder te werken.

Als u naar Nederland kijkt in deze dagen, dan is het bijna niet te geloven als u de bevolking bekijkt. Wist u dat er in Nederland op het ogenblik een groep indianen is geïncarneerd? Dan bedoel ik Amerikaanse indianen. Wat wij daar ook terugvinden, zijn hele groepen die uit de Italiaanse Renaissance stammen en elkaar daar hebben ontmoet en gekend.

Vreemd genoeg zien we ook zowel in Duitsland als in Nederland een grote incarnatiegroep die elkaar hebben ontmoet in de Alexandrijnse periode, de tijd van Alexandrië voordat de bibliotheek werd vernietigd. Je kunt dus zeggen dat een volk een bepaalde mentaliteit heeft en bepaalde groepen aantrekt. Maar dan moeten ze daar ook anders zijn.

Als ik probeer om b.v. de Witte Priesters te volgen, dan kom ik tot de conclusie dat zij eigenlijk in het begin tamelijk hard zijn. Ze zijn heus niet zo lief en vriendelijk, heus niet zo mooi en ingewijd als u zou willen, maar ze leren daar kennelijk veel van. En elke keer wanneer ze terugkomen, zijn ze iets zachtmoediger geworden maar gelijktijdig ook rechtlijniger in hun filosofie, in hun denken.

Als ze dan eindelijk in China zijn, dan blijkt ineens dat ze filosofen zijn, dat ze zich daar bezighouden met de juiste weg van leven en al dat soort dingen. Wanneer zij in deze tijd terugkomen, waar moeten wij ze dan zoeken? Waarschijnlijk niet bij degenen die grote bewegingen stichten. Ik denk dat ze daaraan zullen zijn ontgroeid. Ik denk dat degenen van die groepen die in deze tijd incarneren, of nog zullen incarneren, zich voornamelijk zullen bezighouden met vereenvoudiging, een soort terug naar de eenvoud van het beseffen: maak de dingen niet ingewikkeld.

Bij de krijgsheren zien wij dat ook. In het begin gingen ze uit van de persoonlijke moed. Maar langzamerhand hebben ze moed voor een gedeelte ingeruild voor macht. Wat eens voor hen het waarmaken was van een rijk, dat hebben ze voor een deel ingeruild voor avontuur.

Er zijn Amerikaanse generaals die eens aan het hoofd hebben gestaan van Egyptische ruiterij. En als je dan kijkt, zeg je: Ik zie toch nog wel iets van die mentaliteit terug. Maar die mensen hebben dan wel een heel stel gelijkgezinden. Die clan (dat is het eigenlijk) vormt dan economisch, sociaal een heel bepaalde stuwkracht in de maatschappij.

Kijken wij naar de duistere priesters, de intriganten, dan zeggen we: Waar komen die nu allemaal terecht? Dan blijkt dat ze vooral daar terecht komen waar je lekker kunt intrigeren. Dat zijn geen mensen die elkaar alleen maar de bal toespelen. Integendeel, samen vechten ze tegen de wereld en ondertussen proberen ze elkaar de das om te doen, misschien omdat ze denken er meer als heer uit te zien.

Nu is er een groep die in deze tijd weer incarneert. Het zijn over het algemeen nog jonge kinderen en er zijn nog een aantal op komst; die zijn nog niet geboren. Deze behoorden eigenlijk tot degenen die in Atlantis alleen hebben bestaan als een beperkte kaste. Dat waren de wetenschappers, de technici. Ze ressorteerden in die tijd wel onder de tempel, maar ze waren qua leven, qua denken heel afzonderlijke mensen. Als je nu nagaat welke kant die zijn uitgegaan, dan zie je met verbazing dat deze mensen in plaats van wetenschappelijk verder te gaan (dat hebben alleen de onbekwamen gedaan) zijn verder gegaan in de combinatie van geestelijke wetenschappen met stoffelijke wetenschappen. Ze maakten b.v. een aardig deel uit van de z.g. magische priesters in Babylon. Ook in Egypte zijn ze geweest. Wij hebben ze ook aan de Ganges en aan de Indus kunnen vinden.

Als we kijken naar wat ze in Europa zijn geweest, dan blijkt dat er een tijd was dat zo’n groep is geïncarneerd die hoofdzakelijk bestond uit wat we dan toch alchemisten moeten noemen; mensen die geesteswetenschap en stoffelijke wetenschap op een vreemde manier met elkaar hebben gecombineerd.

Dan vinden wij ze nog eens terug in bepaalde Loges. Dat is dan in 1700 tot 1800. Daar ontwikkelen ze reeds allerlei denkbeelden die vooruitlopen op de wetenschap. Ze zijn b.v. eerder met psychologische inzichten bezig dan Freud. Ze zijn eerder bezig met inzichten t.a.v. materiële ontwikkelingen dan de meeste wetenschappelijk erkende coryfeeën van die dagen. Zij vinden nieuwe wegen in geneeskunde. Zij vinden nieuwe wegen in de techniek. En als je kijkt waar het om gaat, dan blijkt het bijna een internationaal groepje mensen te zijn die elk voor zich bezig is met ontdekken, met experimenteren en die hun kracht ontlenen aan het onderling uitwisselen van gegevens.

Wanneer die entiteiten weer geboren worden, dan vermoed ik dat die neiging tot synthese groter zal worden. Het zou voor de toekomst betekenen dat de incarnatie van een dergelijke groep een groot aantal omwentelingen tot stand zal brengen, niet alleen in de wetenschap maar ook in de benadering van de mensheid vanuit de wetenschap. Groepsincarnaties zijn dus buitengewoon interessant en belangrijk.

Nu is het duidelijk dat een groep nooit kan bestaan uit een aantal entiteiten die een vast programma hebben. Er is b.v. een van de Witte Priesters geweest die ook nog een hele tijd ergens aan de oostkust van zuidelijk Afrika een geestelijke leider, een magiër, is geweest. Er is een ander geweest die, vreemd genoeg, een tijd koning is geweest in de gebieden van Abessynië en een deel van Egypte. Zij hebben allemaal een stempel achtergelaten. Maar hun deelincarnatie (het als eenling incarneren) heeft niet kunnen voorkomen dat ze altijd weer tot de groep werden teruggetrokken en dat zij met die groep zijn verder gegaan. Daarom zou je bij een groepsincarnatie kunnen zeggen dat zo’n groep wordt gevormd door mensen met een aantal gemeenschappelijke belevingen plus een gemeenschappelijke belangstelling. Hun geestelijke instelling als groep is bepalend voor de wijze waarop ze voortdurend weer samen incarneren.

Realiseer u eens hoeveel dingen zich in de historie steeds weer herhalen. Speculanten in woningen? Die zitten heus niet alleen in Nederland en in Amsterdam. Die kunnen we ook vinden in Rome in de tijd van 120 v. Chr. tot 80 n. Chr. Kamerverhuurders? Uitbuiters waren er ook. Bouwers van onbewoonbare woningen? (die hadden ze heus niet alleen hier en daar in de middeleeuwen en in de industriële gebieden in 1850). Ze waren er ook in de Romeinse tijd, zelfs tot voorbij het verval van Rome. Diezelfde zien we ook als bouwers optreden in landen als India, maar altijd bij stedelijke agglomeraties. Altijd herhalingen.

Dan moeten we ons afvragen: wat zit er op het ogenblik in Nederland? De indianen heb ik al genoemd. Dat zijn de mensen die nog steeds denken dat je met agressiviteit en luid schreeuwen je betekenis voor de goden en voor de wereld verhoogt. Er zijn er heel wat van, maar de meeste zijn meelopers. Er is zo’n groepje dat activist is.

Dan hebben we op het ogenblik in Nederland een nogal belangrijke groep, waarin hoofdzakelijk de Spaanse en Italiaanse incarnatiegroepjes een rol spelen. Die groepjes zijn niet zo heel groot. Ik denk aan ongeveer een paar duizend. We zien dat de Spaanse groep zich vooral bezighoudt met de vroomheid in vele opzichten. Ik zou zeggen, dat zijn de mensen die de Here in hun mond nemen en niet alleen maar op de deur schrijven in het restaurant. Deze mensen zijn voortdurend bezig om anderen te bekeren en te betuttelen. Dat is geen wonder want een groot gedeelte van hen heeft een rol gespeeld bij de Inquisitie. Je zou kunnen zeggen: de prehistorische Opus Dei.

De Italianen daarentegen die hier zijn geïncarneerd, blijken voor een groot gedeelte afkomstig te zijn uit steden als Turijn, Milaan, Verona. Deze mensen hebben over het algemeen direct of indirect een rol gespeeld bij kunst. Zij hebben in de Renaissance deel gehad aan de cultuur van die tijd, uitvoerend of misschien alleen als toeschouwer en genieter. Ze waren sterk beroerd door dit gebeuren.

Als je die nu in Nederland terugziet, dan blijkt dat ze een zeer scherpzinnige kunstappreciatie hebben met sterke voorkeuren. Je ziet dat ze in hun persoonlijk handelen en denken een beetje vrije geesten zijn (dat ligt ook in die tijd), dat ze daarentegen zeer besliste opvattingen hebben t.a.v. wat kan en wat niet kan (ook in hun tijd natuurlijk) en daarnaast dat ze nog wel eens de neiging hebben tot vendetta. Als ze zich eenmaal gekrenkt voelen, dan kost het hen vaak heel veel moeite om dat niet terug te doen. Deze groep zien we overal verdeeld. Je kunt ze vinden onder de kunstenaars, onder de politici, onder de handelslieden. Maar ze hebben allemaal ergens dat artistieke, dat niet helemaal rationele en daarbij toch die gebondenheid aan schoonheid in hetgeen ze doen. Ze proberen alles een eigen vorm te geven. Die mensen zijn belangrijker dan je zou denken omdat ze zich losmaken van de vaste structuur. Ze zijn geneigd tot wat improvisatie en dat is erg belangrijk.

Als ik nog verder kijk, dan zie ik in Nederland nog een paar groepjes die voor een deel uit Midden-Afrika zijn geïncarneerd. We hebben vreemd genoeg op het ogenblik ook een aantal incarnatiegroepen vooral uit Noord-Azië in de richting van Korea, Mongolië en buiten-Mongolië. Deze groepen zijn ontzettend gebonden aan vaste wetten. Dat komt omdat in hun bestaan, dat betrekkelijk los was in die dagen, een vast gezag en een vaste regel erg begeerlijk waren. Daarin vonden ze hun mogelijkheid tot zelfbevestiging en de mogelijkheid om zekerheid voor zichzelf te verwerven.

Als je naar die mensen kijkt, dan zul je ze vinden, ik wil niet zeggen als ambtenaren, dat zou te gek zijn, maar als de toepassers van regels en wetten. Het kunnen net zo goed accountants zijn als hoge ambtenaren van Waterstaat. Het is de gebondenheid van deze mensen aan de re­gel, dit zich voortdurend beroepen op een vastheid, waardoor ze hun eigen belangrijkheid bevestigd zien en gelijktijdig toch ook weer hun oude angsten voor bedreiging kunnen afweren door die voorschriften. Deze mensen maken in Nederland ook een belangrijke incarnatiegroep uit. Ik denk dat, als je ze allemaal gaat tellen, je gauw komt tot een kwart miljoen.

Zeker, er zijn ook nieuwe incarnaties bij. Dat zijn entiteiten die misschien wel vele malen geïncarneerd zijn maar nooit in een groep zijn terecht gekomen. Er zijn in Nederland zelfs wat dierlijke incarnaties bij. Maar die vind je overal op de wereld.

Het belangrijke is eigenlijk dat die groepen door hun geneigdheid de structuur van een maatschappij mee bepalen maar ook de wijze waarop een geloof wordt verkondigd, waarop een geloof wordt beleefd. Zij zijn degenen die door hun groepsachtergronden, zonder het zelfs te beseffen, anderen beperken en conditioneren. Hoe vrijer de groep is die incarneert, des te meer ze voor anderen ook vrijheid betekent. Hoe meer de groep zelf in het verleden is belaagd door problemen of angsten, des te groter de angst dat ze die problemen en angsten nu weer gaat voelen en erkennen. En vervolgens, zonder te beseffen dat ze elkaar ooit hebben gekend, komt tot een samenwerking om die gevaren terzijde te schuiven.

Daarmee heb ik aangetoond dat groepsincarnaties buitengewoon belangrijk kunnen zijn omdat ze niet alleen invloed hebben op een geestelijk niveau maar werkelijk mee bepalend zijn, zelfs voor internationale relaties, voor sociale structuur, voor economische ontwikkeling en al die dingen meer.

Nu zit u zich af te vragen, na dit alles vernomen te hebben: bij welke groep hoor ik dan? Wij kunnen daarover natuurlijk geen definitieve uitspraak doen, dat zou een beetje te ver gaan. Maar als ik kijk naar het merendeel van de reacties die ik bij de Orde tegenkom, dan geloof ik dat velen zullen behoren tot de Italiaanse groep, dat er nogal een aantal incarnaties bij zijn waarschijnlijk uit de Egyptische en mogelijk voor die tijd uit de Atlantische periode. Ook die voelen zich aangetrokken. Daarnaast hebben we nogal een stevig stelletje middeleeuwers, die waarschijnlijk van Zwitserse of Oost-Franse invloed zijn. Deze groepen hebben allemaal de behoefte om een zekere vrijheid te ervaren. Tevens hebben ze behoefte aan denkbeelden waarmee ze kunnen werken en nog een soort schoonheid waardoor ze zichzelf, ondanks alles, even kunnen vergeten. Die kwaliteiten komen we bij de Orde ontzettend veel tegen. Dus lijkt het mij toe dat wij in de genoemde groepen wel het merendeel van degenen zullen aantreffen die zich nu bij de Orde thuis voelen.

Dat is ook weer iets vreemds. De Orde is in zekere zin conditionerend. Niet dat zij u iets oplegt, maar zij helpt u wel om op een bepaalde manier te denken, te voelen. Zij helpt u soms zelfs om uw problemen op een andere manier te benaderen of te zien. Het gevolg is dat er in de Orde, ondanks alle onverdraagzaamheid die aan een Orde der Verdraagzamen eigen schijnt te zijn, toch banden ontstaan. Er ontstaat dus ook weer een soort groepsbewustzijn.

Nu is de Orde in Nederland betrekkelijk klein, maar ze is internationaal. Wij werken in vele andere landen onder een andere naam. Zou het dan vreemd zijn te veronderstellen dat misschien over een 500 jaar, of misschien eerder, er ineens een incarnatiecyclus is waarin een groep van de O.D.V. op aarde terugkomt. En dan niet om de verdraagzaamheid te prediken, maar om gewoon die nieuwe benadering van het leven, die dan in de sferen nog verder is uitgewerkt, op aarde te manifesteren. Daarom is het interessant je bezig te houden met de mogelijkheid van groepsincarnatie. Het is niet alleen wat het verleden is geweest en wat nu inwerkt op de verschillende landen.

Wist u dat vele diplomaten die op het ogenblik in de Verenigde Staten werkzaam zijn, betrekkelijk snelle reïncarnaties zijn van de eerste mensen die westwaarts zijn getrokken? Nou, dat waren ook niet zulke schurken en cowboys zoals u zich hen voorstelt. Het waren mensen die een beetje eenzijdig, rechtlijnig waren, erg overtuigd van zichzelf, hun gelijk en hun God. Die kunnen we daaronder terugvinden. Zo wordt duidelijk wat er in de wereld gebeurt en wat er kan gaan gebeuren. Want al die groepjes die nu geïncarneerd zijn, die samen wel tegen het miljard aanlopen als we het tegenwoordig bezien, die zullen later incarneren in omstandigheden waarin ze zich thuis voelen. Dus de kans is groot dat ze in een gebied terecht komen. En omdat ze ook door kosmische invloeden worden gedreven (wat er in de kosmos is, voel je ook aan en zeker als geest), is het ook iets van: de haan van het licht kraait, ik moet opstaan en naar de aarde gaan. Dan zullen ze dus ook ongeveer gelijktijdig op aarde zijn. U moet dat dan niet zien als binnen 3 maanden. Zeg dat ze incarneren binnen 60 jaar. Dan krijgen we daardoor een bepaling van de nieuwe mensheid.

De groepen die op het ogenblik op aarde zijn en de waarschijnlijkheid dat tenminste een deel daarvan binnen 300 à 500 jaar zal incarneren, maakt duidelijk waar het karakter zal liggen in de hoofdperiode van Aquarius. Dan kunnen we zo bepalen dat, aan de hand van hetgeen er nu is en de problemen die nu worden ervaren, er een grote eenheid en samenwerking zal zijn, een zeer grote persoonlijke vrijheid in die periode. Dat er zeer waarschijnlijk zowel in weten als in geestelijke wetenschap er bijzonder sterke leiders zullen zijn die worden gedragen door groepen die er eigenlijk nu al harmonisch mee zijn maar die het nog niet beseffen. Daarmee hoop ik u een klein overzicht te hebben gegeven van iets wat u anders misschien zou onderschatten of niet volledig begrijpen.

Zilver

Zilver, zo edel als goud, maar schijnbaar toch meer algemeen. Zilverlicht, een kracht die levenskrachten schenkt, maar gelijktijdig ook brengt de vergroting van tegenstellingen waarin macht en onmacht, kracht en zwakte tegenover elkaar staan. Een genezende kracht, zeker, maar een kracht die niet alleen de patiënt sterker maakt, doch vaak ook de kiemende ziekte. Zilver is de band van het leven. De band die een verbinding maakt tussen de stof en de geest, wanneer je bent uitgetreden. Zilver is de kracht van een ontwikkeling die voortdurend feller en sterker zich openbaart maar daarbij de tegenstellingen a.h.w. verscherpt en nodig heeft, juist om zichzelf waar te maken. Daarom is zilver meer het symbool van leven.

Goud is meer het symbool van levenskracht want waar het goud bijna zacht en koesterend versterkt, daar is het zilver harder, is het feller, is het ook beslister en eigenlijk meer selectief. Waar het goud zijn kwaliteiten snel verliest als je het teveel vermengt, daar kan het zilver veel sterker vermengd zijn en toch nog kwaliteit-bepalend blijven.

Het witte licht, de sfeer van zilver en verblinding, dat is de openbaring van een waarheid maar dan wel in tegenstelling. Laten we daar niet bang voor zijn. Laten we vooral niet vergeten dat het goud voor ons in het leven de kracht is waaruit we leven. Terwijl het zilver de openbaring is waardoor het leven zinvol wordt. Wij kunnen geen van beiden missen. Wij kunnen niet een van beide verwerpen of de voorkeur geven.

Het zilver is de kracht waardoor we beseffen, waardoor we voelen, waardoor we zijn. Het goud is de kracht waardoor alles mogelijk wordt gemaakt. Als u dus denkt aan zilver, denk aan de waarheid met al haar tegenstellingen. Denk aan de felheid waarmee het leven zich in talloze verschijnselen uitdrukt. Besef dat daarachter de mildheid schuilt, die het leven mogelijk maakt.