Ontwikkeling

Inhoudstafel

uit de cursus ‘Groeiend bewustzijn‘ (hoofdstuk 3 ) – december 1979

Ontwikkeling

De primitieve mens leeft a.h.w. in een kinderwereld. Wat er gezegd wordt is voor hem een feit. Alles wat er gebeurt kan worden verklaard door wie dan ook en hij neemt het voor een feit aan. Alleen door ervaring leert hij.

Ook wij bevinden ons altijd weer in een situatie waarin soortgelijke indrukken een rol spelen. Wij laten ons voortdurend vertellen dat bepaalde zaken buitengewoon belangrijk zijn, en dan geloven wij dat. We vragen ons niet af of het waar is. Het is uit deze mengeling van gevoelens, fantasieën en feiten dat eigenlijk het bewustzijn in een menselijke vorm zijn eerste verrijking vindt. Er komen ogenblikken dat we even door een paar illusie kunnen heen kijken. Dan zijn goden opeens geen goden meer en de problemen van een sterrenwereld krijgen een heel ander aanzien.

Willen we dit zoeken in de bekende geschiedenis, dan kunnen we teruggaan tot de Chaldeeën of misschien tot de oudere Chinese beschavingen, daarvan is nog iets overgebleven. In al deze werelden valt op dat het verhaal, het sprookje, de legende en de werkelijkheid a.h.w. versmolten zijn tot een wereldbeeld.

Nu is dat een wereldbeeld waaruit de bewustwordingsmogelijkheid ontstaat. Op het ogenblik dat ik de wereld op een verkeerde manier bekijk, zal ik met die wereld in conflict komen. Het resultaat is een aantal ervaringen en die kunnen op zichzelf dan misschien minder aangenaam zijn, maar aan de andere kant leer ik. Ik dring door naar de werkelijke feiten. Maar met feiten alleen ben ik er niet, ik moet weten wat er achter steekt.

Eerst komt het weten, daarna het begrip. Het is vaak beter om weinig dingen goed te begrijpen dan vele dingen te weten zonder ze te begrijpen. Dat is ook voor uw tijd erg belangrijk. Er zijn heel veel problemen waarmee we ons kunnen bezighouden. In al die gevallen is de vraag niet alleen maar: wat zijn de feiten, wat is de logica, wat heeft de wetenschap bereikt? Het is wel degelijk. Wat steekt er achter?

Elke wetenschapsman die doordringt tot de essentie van zijn tak van wetenschap wordt – of hij het wil of niet – ergens een mysticus, want hij komt tot stellingen en verklaringen die niet rationeel meer zijn. Hij zal ze dan aarzelend uitspreken omdat hij wetenschappelijk gevormd is, maar hij probeert ook te begrijpen waarom het zo is. Het is dit begrijpen dat in de ontwikkeling van het menselijk bewustzijn een enorme rol heeft gespeeld.

De tijd van de eerste aanvaarding, van het je gewoon laten overspoelen door prikkels van buitenaf, gaat voorbij. De tijd van de eerste primitief denkende wezens die nog lichtende geesten in hun midden zagen en die waarden daarvan aannamen, zonder te weten wat het was, als het enige dat voor hen belangrijk en beslissend was, gaat voorbij. Er komt concurrentie. Er is niet meer een leidsman, een mentor, een God. Er zijn vele goden en vele mensen die proberen anderen in zeer verschillende richtingen te leiden. Toch moet daarachter een kernwaarheid schuilgaan.

Degenen die doordenken, die proberen met hun gevoel zowel als met hun rede de wereld en de stellingen in die wereld te begrijpen, komen dan ook terecht op een waarheid die vergelijkbaar is. De formuleringen zijn anders natuurlijk. Je kunt Jezus niet vergelijken met Boeddha. Je kunt de Boeddha en Jezus weer niet helemaal vergelijken met Mohammed. En onge­twijfeld verschillen die beiden weer sterk met Mozes. Zo zou ik er nog wel wat kunnen noemen. Het belangrijke is in dit geval dat men in wezen zoekt naar een synthese.

Het groeien van het bewustzijn, die langzame ontwikkeling waardoor de mens eigenlijk ondanks zichzelf steeds meer kosmische waarden gaat be­grijpen, is juist gebaseerd op het niet zonder meer aanvaarden. En dat niet zonder meer aanvaarden daarmee kom je vandaag de dag nog in moeilijkheden. Als iemand zegt: als God de duivel heeft geschapen, dan is de duivel in wezen datgene wat door God in stand wordt gehouden en is dus eigenlijk even­zeer deel van God als wij. Dan kunnen we dat niet meer beschouwen als iets wat strijdig is met God, hoogstens als een functie van God die voor ons on­aanvaardbaar is. Dan is dat allemaal heel mooi, maar het wil er niet in. En toch.

Als we ons bezighouden met de manier waarop de mensen leven, dan zien we dat die leefwijze steeds verandert. Hun zeden, hun moraal onder­gaan voortdurend veranderingen. Zeker, er zijn natuurlijk wel invloeden van buitenaf die een rol spelen. Wij weten dat, als er bv. erg veel vrouwen zijn en in verhouding weinig mannen of weinig beschikbare mannen (dat komt ook voor) veelwijverij de oplossing is. Is het omgekeerd, dan wordt veelman­nerij de oplossing. Dat is normaal. De manier waarop men bepaalde dingen als zondig of verwerpelijk karakteriseert en andere als deugd is toch wel heel sterk afhankelijk van de tijd.

Het is niet voldoende te zeggen dat in deze wegen vele dingen niet meer als zondig worden ervaren die het vroeger wel waren. Wij moeten ons afvragen waarom? De ontwikkeling van het bewustzijn moet het ons mogelijk maken door de uiterlijkheden heen te kijken. Want al die uiterlijke regels van zonde en deugd zijn eigenlijk niets anders, maar ook werkelijk niets an­ders, dan een poging om het gebied van het leven, van het harmonische te omschrijven.

In het begin is de mens iemand die probeert gelukkig te zijn wanneer het kan en het ongeluk dan maar draagt wanneer het komt. In zekere zin is dat een erg rationele houding, want je kunt aan geluk en ongeluk niet zo­veel doen. Als je steeds bezig bent met de kans dat je morgen ongelukkig zult zijn, dan zul je vandaag niet gelukkig meer kunnen zijn. Dus daar zit wel iets in. Maar wat zit er achter?

In het groeien van het menselijk bewustzijn wordt de angst van de mens voor de kosmos en voor de wereld waarin hij leeft, de verschijnselen ook die hij daarin ontmoet, meer en meer omgezet in de behoefte om te heersen. De mens wil niet meer de ondergeschikte zijn van de natuur. Hij wil de mees­ter zijn. Hij wil niet meer gedomineerd worden door goden die zeer wille­keurig optreden. Hij wil op z’n minst uitrekenen hoe de zaak in elkaar zit. En als er dan wordt gegooid met de donderhamer, dan wil hij in staat zijn om die onschadelijk te maken door middel van een bliksemafleider.

Zo bezien zou ik kunnen beginnen met enkele regels op te stellen. Ik meen dat dat belangrijk is ook in dit opzicht.

  1. Een groeiend bewustzijn is alleen dan mogelijk, indien de mens steeds meer relaties gaat beseffen en steeds minder vanuit zich, of op grond van gezag buiten zich, tot een vaststaande beoordeling van feiten overgaat.
  2. Elke verabsolutering, van welke stelling dan ook, is tevens een afgrendeling van de groeimogelijkheid van het bewustzijn.
  3. Elke angst om jezelf volledig te uiten zoals je bent, is tevens een ontkenning van een deel van je persoonlijkheid en als zodanig het scheppen van een disharmonie in jezelf waardoor eveneens de bewustwording niet evenwichtig plaatsvindt en er dus problemen ont­staan.

Het zijn simpele regels. We zijn ook in de eerste les al begonnen met in wezen simpele stellingen. Maar als wij ze stellen, dan kunnen we ze nooit absoluut stellen. De ontwikkeling, de groei van het bewustzijn is eigenlijk te danken aan het feit dat de mens, ondanks alle factoren in zijn gemeenschap die proberen alles vast te leggen, toch altijd weer de neiging heeft om te zoeken naar andere onbekende interpretaties, visies of werel­den. Onze zucht om het onbekende te ontmoeten is niets anders dan onze be­hoefte om de grenzen te doorbreken waarin ons leven schijnt te zijn vastge­legd. Dit geldt voor de geest, maar zeer zeker voor de mens.

Denken betekent een proces, een stoffelijk proces. Als u denkt, dan zult u zonder het te beseffen associatief denken. Dat wil zeggen dat u komt tot een vergelijking met andere zaken die u kent of heeft ervaren. Door dit associatief denken zal geen enkele waarneming en geen enkel feit alleen op de eigen merites worden beschouwd. Wij interpreteren onszelf voort­durend in de wereld die we ontmoeten. Wij zijn zelfs niet in staat om over de wereld na te denken zonder al datgene wat we als persoonlijke inhoud bezit­ten gelijktijdig daarbij te voegen. Zolang die inhoud er nu een is van meer stoffelijke zaken (de jacht, de primitieve landbouw, de in wezen toch ook wat primitieve machtspolitiek van de oude rijken e.d.) dan vergeten wij het wel. Dan zitten we met een wereldje dat we aan kunnen, waarin we kunnen wer­ken. Al dat andere redeneren we dan weg, we geven er een naam aan, we personifiëren het en laten het verder met rust. Maar op het ogenblik dat onze eigen wereld en de strijd daarin dermate complex is geworden dat steeds meer denkbeelden die niet op feiten zijn gebaseerd. een rol gaan spelen, dan wordt als vanzelf ook onze benadering t.a.v. een godenwereld of van het bovenna­tuurlijke een andere.

Ook de natuur treden we met heel andere ogen tegemoet. We beleven haar anders. Abstracties zijn heus niet alleen wetenschappelijke abstracties. Neem nu maar dat typische feit in Rome. Toen ‘het burger van Rome zijn’ niet meer alleen een feitelijk vaststelling was, maar het werd een deel zijn van de abstractie (de macht van Rome), begon Rome te verbrokkelen. Omdat men eenvoudig niet in staat was een onderscheid te maken tussen het feit van het werkelijk Romein zijn en het als Romeins burger erkend zijn van vreemde­lingen.

In ons bewustzijn gaat het ongeveer gelijk. Zolang we bezig zijn vanuit onszelf, vanuit onze ervaringen, dan gaat het allemaal wel goed. Maar dan komt er een ogenblik dat we iets menen te herkennen wat ons met anderen verbindt en dan geven wij daar een naam aan. Vanaf dat moment is het die naam die regeert en niet meer het wezen. Zodra de naam in de plaats treedt van het wezen, de theorie in de plaats treedt van het feit, zijn we verloren. Dan is er eenvoudig geen mogelijkheid meer om de oude toestand in stand te houden en krijgen we de krankzinnigste dingen. Bijvoorbeeld:

Radio Luxemburg mag niet worden doorgeprikt op het lijnenstelsel van de Nederlandse radio en t.v.distributie, want daar zit veel reclame in en die is schadelijk voor het Nederlandse volk. Het is principieel schade­lijk. Degene echter die in staat zijn te verstaan wat er wordt gezegd, heb­ben over het algemeen een instelling dat ze het kritisch kunnen bekijken. Alle anderen die de taal niet of niet voldoende beheersen kijken eenvoudig niet. Dus waar vechten zij eigenlijk over? Over een idee.

Het idee is de onheilige reclame. Maar op het ogenblik dat wij de reclame onheilig gaan noemen, zeggen we eigenlijk dat het hele handels- en productieproces van de maatschappij niet deugt en dat willen deze men­sen niet beseffen. Men heeft het geabstraheerd. Aan de ene kant zegt men: reclame is nodig en dat moeten we dan ook maar aanvaarden. Aan de andere kant zegt men: neen, toch maar niet. Dat kan men nooit doen. Een dergelijke houding geeft blijk van hoe een mens op grond van principes eenvoudig blind kan zijn voor de feiten.

Dit betekent dat er veel energie wordt besteed aan zaken die de moeite niet waard zijn en dat daardoor zeer belangrijke zaken in wezen over het hoofd worden gezien. Ik geloof dat er in Nederland al driemaal een Kabinet is gesneuveld over een omroepkwestie. Maar over de rechten van de mens is nog niemand geval­len. Dat komt waarschijnlijk omdat men niet zo gauw valt over een misbruik op dat terrein.

Dus als ik een groeiend bewustzijn heb, dan is mijn denken op een gegeven ogenblik selectief; het gaat die dingen beseffen. Bewust leven be­gint met bewust denken voor een mens. Zoals in de geest bewust leven in de eerste plaats betekent: een bewust aanvaarden van alle contacten die worden aangeboden,, om dan op grond van je persoonlijke harmonische reac­ties en ervaringen een deel daarvan misschien af te wijzen en andere ver­der te beleven en verder te interpreteren. Als je dat niet wilt doen, kom je niet verder. Maar kun je verder leven in een verstarring? Als uw maatschappij zou verstarren, dan zou ze zichzelf te gronde richten. Als een geest verstart, dan isoleert ze zich in een wereld die steeds be­nauwder wordt omdat ze steeds meer wordt beleefd als een drukkende, altijd saaie en eentonige herhaling van dezelfde motieven.

In het geestelijke bewustzijn krijg je de noodzaak tot incarnatie; die ontstaat hieruit. Maar als je het in een menselijke wereld ziet, dan brengt elke verstarring op zich de revolutie. Revolutie is niet noodza­kelijk het gevolg van misbruiken die men wil bestrijden. Het is wel een po­ging om eigen beperking te doorbreken, hoe dan ook. En dit doorbreken van de beperking is elke keer een confrontatie met een geheel nieuwe wereld.

Het is erg gemakkelijk voor eenvoudige mensen, zoals je dat in Zuid­-Amerika zoveel aantreft, om op te trekken in de revolutie en te zeggen: “Voor en door het volk.” Maar op een gegeven ogenblik blijkt dat ‘voor en door het volk’ ook niet meer te consumeren is. Met andere woorden, de illusie valt weg en is het de vraag: kan men de feiten aanvaarden?

Diezelfde kwestie speelt zich ook in Nederland af. Daar denkt men ook: wij kunnen altijd meer verdienen, want er wordt verdiend. Men vergeet echter dat het getalsmatige verdienen niet in overeenstemming is met een werkelijke productieverhoging en een omzetverhoging. Men kijkt nog niet door het feit heen dat het niet belangrijk is hoeveel gulden je verdient, maar ­hoeveel je voor een gulden kunt kopen. Dat probleem leidt dan als vanzelf tot een crisis.

U zit op het ogenblik in een crisis. Nederland heeft een aantal werklozen dat aanmerkelijk hoger ligt dan het officiële. Het officiële aan­tal zal op het moment op 225.000 zitten. En als we al diegenen erbij reke­nen die salaris krijgen voor niets doen of die op de een of andere manier zijn ingeschakeld in taken die geen werkelijke betekenis hebben, dan komen we dichter bij de 750.000. Dan heb ik nog de ambtenaren en de beambten niet meegerekend.

Er zijn mensen die denken dat beambten overbodig zijn. Neen. Beambten zijn noodzakelijk zolang zij direct deelnemen aan de dienstverlening. Een ambtenaar is noodzakelijk zolang zijn functie van coördinatie een ver­betering betekent van de maatschappelijke samenwerking. Op het ogenblik dat dat ophoudt zijn ze overbodig. Dus als ik dat ga uitrekenen, dan ko­men er nog wel een 50 à 60.000 werklozen bij. Dat is het gevolg van een verkeerde benadering. Dit betekent dat men wordt geconfronteerd met een crisis.

Die crisis kan niet onbeperkt voortgaan in dezelfde illusie van rechten, mogelijkheden en plichten. Er moet een herwaardering komen. Een herwaardering betekent ook dat men heel veel z.g. idealen en theorieën moet gaan herzien. De bewustwording ontstaat op het ogenblik dat deze heroriëntatie noodzakelijk wordt en zich voltrekt. Ontwikkeling is dus niet een kwestie van: wij worden bewuster, want wij zien meer hogere waarden.

Er zijn mensen die denken: als ik God eenmaal kan zien, dan ben ik klaar. Maar ze vergeten één ding. Als je God kunt zien dan kijk je zo ver dat je je nek breekt over een kiezelsteentje dat op je pad ligt. Je moet naar beneden en naar boven kunnen kijken. De eenzijdigheid van die gerichtheid kan nooit een werkelijke uitbreiding van het bewustzijn tot stand bren­gen en daarmee geen groei betekenen voor het ego, maar wel de ervaring waardoor ik rijker word. Want als ik weet waarom iets niet kan, ga ik ook begrijpen wat wel kan. Ik leef dichter bij de feiten aan de ene kant, aan de andere kant kan ik mijn innerlijke gevoelens van juistheid, door het be­sef van mogelijkheden, beter uitdragen.

Ik zou daarom een paar punten naar voren willen brengen die in deze tijd belangrijk zijn. Ik kan nu wel aldoor bezig blijven over de oudheid en ik kan heel veel vertellen over wat bv. de revolutie van Mohammed heeft betekend of wat er eens in Griekenland allemaal heeft bestaan, maar daar wordt u niet veel wijzer van.

Op het ogenblik wordt u geconfronteerd met een wereld waarin, langzaam maar zeker, leuzen door een groot aantal mensen als feiten worden be­schouwd. Wij moeten begrijpen dat een leuze niet gelijk is aan een feit en dat slechts die leuze, waarvan de inhoud onbeperkt kan worden waargemaakt, als feit betekenis heeft. Daaruit kunnen we leren. Uit het verwezenlijken van een leuze kunnen we leren, maar niet zolang we de leuze zelf als onaan­tastbaar beschouwen, ongeacht de ontwikkeling van de feiten. In een wereld zoals de uwe, die zo ontzettend overbevolkt is, is het krankzinnig de oude normen te blijven handhaven.

Als men spreekt over de heiligheid van het leven, dan is dat iets anders, dan de heiligheid van het individu. Nu zijn de meeste individuen meer schijnheilig dan heilig, dat weet ik wel. Als een persoonlijk­heid zich heeft gevormd, moet zij de mogelijkheid krijgen zich op aarde ver­der te ontplooien. Maar er wordt niet bij gezegd op welke manier dat dient te geschieden. Dat zal een ieder voor zichzelf en volgens zijn eigen inhoud moeten uitzoeken.

Verzet tegen geboortebeperking, door mensen die zich verplicht heb­ben als celibatair te leven en die er dus al toe bijdragen, is nu nog steeds in de mode. De abortus werpt overal stofwolken op en door dat stof ziet men de feiten niet meer.

Overal is men bezig over de noodzaak om de jeugd haar juiste plaats in de samenleving te geven. Maar gelijktijdig vergeet men dat de samenleving er niet is voor de jeugd en dat de jeugd er niet is voor de samenleving. Samenleving betekent een directe relatie tussen de jongsten en de oudsten die in de gemeenschap leven. In deze tijd zal men heel veel visies moeten gaan herzien. Dat kan men nooit doen op basis van nieuwe theorieën. Dit kan men alleen doen door met de feiten rekening te houden, dan kan men al die problemen oplossen.

Als mensen zich zo ontzettend druk maken over sexuele vrijheid, dan zeg ik: ach, mensen, jullie hebben misschien wel gelijk vanuit jullie stand­punt, maar niemand zegt dat het moet. Aan de andere kant is de betekenis ervan geheel anders geworden. Van het semi-magische gebeuren van eens, de liaison waardoor bezitsvermeerdering mogelijk werd in een latere periode, zijn we nu zover gekomen dat ze in feite een communicatiemiddel is geworden, een uitdrukkingsmiddel tussen mensen. Als wij dat niet willen erken­nen komen we vanzelf in moeilijkheden. De bewustwording zou dan inhouden dat wij niet meer kijken naar het gebeuren, maar dat we kijken naar een be­tekenis: wat is het resultaat? En pas aan de hand van de resultaten kunnen we oordelen

Dat is natuurlijk erg vervelend, want dat betekent ook dat er heel veel wetten op de tocht komen te staan. Zolang je een wet ziet als een onaantastbare regel, ben je fout. Als je een wet ziet als iets wat geen betekenis heeft, ben je ook fout. Een wet is niets anders dan een richtlijn waarop het functioneren van de gemeenschap is gebaseerd. Maar dat betekent dat een ieder die wet kan waarderen vanuit zijn eigen functie bin­nen de gemeenschap. Het betekent verder dat die wet nooit een absolute waarde kan hebben, maar alleen een relatieve waarde t.a.v. het indivi­du enerzijds, en de gemeenschap anderzijds.

Dit zijn voorbeelden die erg materieel zijn. Laten we het daarom nu omzetten in meer geestelijke waarden.

Het geloof is door deskundigen geformuleerd, zegt men. Geloof kan niet door een deskundige worden geformuleerd. Geloof is een innerlijke toestand en alleen die toestand heeft werkelijke betekenis. De formulering eraan verbonden is in wezen waardeloos en kan hoogstens functioneren als een machtsmiddel binnen de gemeenschap.

Een esoterisch systeem en de esoterische leerstelling zijn de enig juiste benaderingen van de diepe tempel van het innerlijke ‘ik'(Ik gebruik de gangbare formulering.)

In de eerste plaats zit er geen tempel in u.

In de 2e plaats: uw diepe innerlijk is alleen de werkelijkheid van uw ‘ik’, de rest is komedie

In de 3e plaats: u zult daar altijd mee leven. Alleen als u bereid bent om op grond van uw belevingen en uw benaderingen van het leven de feiten in dat leven voortdurend te herzien, zult u zich bewust worden van het innerlijk  ‘ik’. En dat is geen systeem.

Bewustwording, zo zegt men, is verkregen door meditatie. Laten wij eens zien wat daarvan waar is.

Als we teruggaan in het verleden, dan gaan we maar weer naar Atlan­tis. We vinden daar de Witte Priesters. Zij zijn de z.g. eenzaten, te ver­gelijken met de kluizenaars die men tegenwoordig nog wel hier en daar kan vinden, die zich terugtrekken in de bergen of ergens in de eenzaamheid en daar proberen te leven met hun God. Wat is de waarde van die Witte Priesters? Het wonderlijke is dat die waar­de eerst bestaat uit een communicatie die ze opbouwen. Met een hogere? Neen, met die delen van de wereld waar de andere mensen aan voorbij gaan. Hun betekenis is dan nog niet eens in die erkenning alleen gelegen, maar in de wijze waarop zij een correlatie tot stand brengen tussen het gebeuren in hun eigen wereld en de waarden die zij in een andere, hogere wereld hebben leren beseffen. Het is die samenwerking die de uitbreiding van hun bewustzijn ten gevolge heeft. Dit is de ontwikkeling die zich vol­trekt.

Maar dat geldt vandaag de dag toch ook nog. Meditatie kan goed zijn, als je met die meditatie inzichten of krachten kunt verwerven. Maar als je niet in staat bent om de in een meditatie verworven krachten en inzichten om te zetten in iets wat aan de feiten beantwoordt, dan heb je niets, dan is ze waardeloos.

Er is eens iemand geweest die zich heeft afgevraagd wat het nut is van kloosterzusters achter slot. Zoals u weet zijn dit zeer vrome vrouwen die zichzelf niet geheel ten onrechte achter slot zetten om zo door de we­reld niet verder beroerd te worden en daarmee ook de wereld sparen voor een beroering hunner tijds. Hij heeft toen geprobeerd om dat na te gaan. Deze man, een Engels filosoof, kwam tot de vreemde conclusie dat de zin van deze vorm van kloosterleven was gelegen in de zelfverheffing waardoor men zichzelf en de wereld leerde ontkennen. Het woord zelfverheffing is hier veelzeggend. Er was een ontkenning van de feiten.

Wij leven met God. Wij zijn ook zondig, maar de wereld is veel zondiger. Dan bidden wij voor die zondige wereld om zo onze eigen zonden uit te wissen en onze eigen hoogheid in het bijzonder te bevestigen.

Illusie. Zoals de man (een zekere William Booth) die besloot dat het beter was om eerst de hongerigen te voeden dan om alleen voor ze te bidden. Een rare instelling in vele opzichten. Maar hij had tenminste één ding be­grepen:  je kunt niet de zielen voeden, als je weigert het lichaam te voe­den. Maar misschien zou het omgekeerde ook waar kunnen zijn: je kunt niet de lichamen voeden, terwijl je weigert de ziel te voeden. Beide gelijktijdig te voeden is een noodzaak. Dan is maar de vraag wat voor voedsel geef je? Geestelijk is het bij het Leger des Heils een op verlossing gericht eenpans­maaltijd. Dat kan na verloop van tijd gaan vervelen. Maar dat betekent wel dat van de ene kant met de materie rekening wordt gehouden en daarnaast met de geestelijke waarden.

Dan moeten we ons afvragen in hoeverre deze beide zaken onze theorie bevestigen of ontkennen. Wij hebben met feiten te maken, niet met wat anders. Het Leger kan dan wel marcheren, heel goed musiceren en het kan heel veel goeds doen, maar kan het ook een verklaring geven van de kunstmatigheid die vaak schuilt in zijn blijmoedigheid?

Dat kunnen we ook aan andere richtingen vragen. En dan blijkt dat we de illusie van blijmoedigheid door zelfsuggestie bevestigen en daarmee ge­lijktijdig een deel van onszelf hebben ontkend. Als het bewustzijn moet groei­en, dan moet het dit feit accepteren, want dat wordt beleefd en men moet het niet afdoen met: ‘de Heer zal wel helpen’ of ‘het is de wil des Heren’. Trouwens de wil des Heren is de beste verklaring die gezaghebbers kunnen geven voor het onrecht dat ze anderen aandoen. Laten we dus redelijk zijn.

In deze les gaat het over ontwikkelen. Misschien vindt u zichzelf een ontwikkeld mens. Maar hoeveel begrijpt u van de wereld waarin u leeft? Een vraag die meen ik niet ten onrecht kan worden gesteld. Want al kent u alle werelden uit de geest en u begrijpt de wereld niet waarin u zelf leeft, hoe wilt u dan bewust worden? Dan bent u niet in ontwikkeling. Dan bent u in een verstarring of in een droom gewikkeld. En dan hoop ik al­leen maar voor u dat het geen nachtmerrie wordt. Die dingen moeten samen­gaan. Als u weet dat er een geestelijke wereld bestaat en u heeft de krach­ten van die geestelijke wereld als iets vanzelfsprekends aanvaard, dan is het niet noodzakelijk om dit alles met ritueel en theorieën te omgeven. Dan is het alleen nodig om te beseffen dat de kracht er is en ze te gebrui­ken. Als u dan resultaat ziet, dan weet u dat u gelijk heeft.

Dit gelijk vinden is het begin van de ontwikkeling. Want door hetgeen u wel en niet kunt, hetgeen er wel en niet gebeurt, gaat u begrijpen met wat voor kracht u werkt, maar ook wat die kracht betekent in de wereld waarin u leeft. U gaat begrijpen hoe die kracht alleen harmonisch gaat reageren. Dan begrijpt u hoe belangrijk het harmonische principe in de kosmos is. Dan kunt u uit een paar ervaringen, op zuiver stoffelijk niveau zelfs, komen tot een inzicht dat u het wezen van de hele kosmos weergeeft. En dat bete­kent weer dat uw hele visie op betekenis, op goed en kwaad en op al die an­dere dingen meer, verandert. Het is niet alleen maar een kwestie van: wat is goed volgens de boeken, de letteren en de leer?

Als u bewust wilt worden, moet u eerst beginnen met de ontwikkeling van uw besef. Dat kan alleen, indien u alle vooropgestelde en aangenomen waarheden beschouwt als eventueel veranderlijk. Uw besef van de waarheid moet niet bestaan ondanks de feiten, maar dankzij de feiten. Uw begrip van de werkelijkheid moet gebaseerd zijn op datgene wat u zelf bent en ervaart, niet op vage theorieën en stellingen, hoe kosmisch en hoe magisch ze ook mogen zijn.

In uw tijd moet men eerst moeten begrijpen dat een mens moet leren terugvallen op zichzelf, werken met zijn eigen mogelijkheden, zijn eigen krach­ten en zijn eigen hogere inhouden voordat er sprake kan zijn van een ontwik­keling in maatschappelijk of ander opzicht. En als ik dat zeg, dan zeg ik nog heel iets anders. Al datgene wat u doet is van geen belang, tenzij het een uiting is van iets wat in u bestaat.

Dan zeg ik tegen u: als u de dingen doet moet u weten waarom u ze doet of tenminste proberen te begrijpen waarom u ze doet. En als u ze niet doet, moet u ook begrijpen waarom u de dingen niet doet. Pas als u dit gaat beseffen, komt u tot een nieuwe werkelijkheid met levensritme, met geestelijk rit­me. Maar u komt ook tot een besef van een werkelijkheid die achter alle din­gen schuilt.

Doordringen tot de essentie die ligt achter de uitingen is het doel van alle ontwikkeling. Een voortdurend relativeren van de verschijnselen en de theorieën omtrent de verschijnselen totdat een innerlijke zekerheid en een relatie met de onveranderlijkheid is gevonden. Dat is de enige manier om tot een ontplooiing van uw bewustzijn te komen en daarmee niet alleen de bewustwording tot een nieuwe werkelijkheid voor uzelf te maken, maar boven­dien uw eigen betekenis te beseffen in de totaliteit waarin u bestaat.

In deze cursus houden we ons bezig met het groeiend bewustzijn.

Een groeiend bewustzijn kan nooit worden gevonden alleen in het verleden. Een groeiend bewustzijn is een ontwikkeling die altijd gisteren en morgen samenvoegt op het ogenblik van vandaag. Daarom is het nodig dat u deze relativering van alle waarden leert aanvaarden. Zelfs uw eigen waarden zoals u ze hanteert moeten kunnen worden beschouwd en moeten kunnen worden getest.

Dan moet u niet praten over goed en kwaad en niet over God en duivel, maar dan moet u spreken over een innerlijke harmonie en disharmonie. U moet proberen het harmonische element in uzelf steeds beter te be­grijpen en steeds beter te uiten.

Natuur

Wat is de natuur?

Natuur is niet het onveranderlijk blijven van dat wat is geweest. Het is niet bevreesd voorwaarts gaand je afvragend wat de natuur zal doen. Het is het erkennen: al wat is zal op zijn eigen wijze en volgens goed fatsoen het evenwicht bewaren. Wie het evenwicht verstoort, hij wordt desnoods verwijderd of wordt verheven tot de eerste macht, indien dit voor het evenwicht noodzakelijk is.

En denkt u aan uw eigen aard, natuur, hetzelfde geldt. Het is hetzelfde spel. Het ene sterft, het andere leeft. Dat is niet betreurenswaard. Het is zo het hoort.

Zo is het wel, zo is het goed. Want slechts daar waar voortdurend het evenwicht zichzelf herstelt, zichzelf bewaart, ook als daardoor soms iets vergaat of niet gekende zaken weer ontstaan, dat is gezond, want de natuur is aanpassing. Voortdurend evenwicht dat zich herstelt. Het is het samenvloeien van vrede en ook geweld tot eenheid, tot bestaan.

Wie wat anders zoekt in de natuur, hij jaagt op spoken. Hij zoekt een waan tot werkelijkheid te maken, terwijl hij zo zichzelf verstoort en toch de natuur en wat zij is en doet te nimmer ongedaan kan maken.

Onthoud één ding goed, de natuur buiten u verandert voortdurend. U bent deel van die natuur of u het wilt of niet. U staat er niet tegenover, u bent er deel van.

Wat uzelf betreft, u heeft uw eigen geaardheid, uw eigen natuur. Daaraan kunt u zich ook niet onttrekken. Het enige dat u moet begrijpen is dat u deel bent van de natuur, dat het niet van buitenaf komt en dat u met de natuur niet de vredige verwezenlijking waarmaakt, maar steeds het strijdaspect oproept waardoor voortdurend nieuwe evenwichten ontstaan en zo in feite de bewustwording