Evenwichtsbegrip

uit de cursus ‘Wereldontwikkeling‘ (hoofdstuk 4) – januari 1983

Evenwichtsbegrip

Evenwicht is iets wat de mens altijd wel heeft bezeten maar dat in kosmische zin pas later bewust is geworden. Wij hebben zeker in de Atlantische periode een aantal mensen gehad die daar veel van afwisten. In de bekende tijden begint het eigenlijk eerst bij de taoïstische leer. Een van de meest sprekende beelden is het yang yin‑principe.

Evenwicht is iets wat altijd blijft bestaan. De wereld is geestelijk zowel als stoffelijk een beetje te vergelijken met een soort gyroscoop. Zo een vliegwiel dat draait. 0ok als het evenwicht is verstoord, zal het door zijn eigen snelheid altijd weer terugkomen op het punt waar het werkelijk in evenwicht is.

Nu zijn de krachten die in werking zijn, stoffelijk gezien, evolutionaire processen, de ecologische evenwichten, de wijze waarop de soorten elkaar in evenwicht plegen te houden. Daarnaast spelen nog andere factoren een rol zoals bijvoorbeeld de relatie aarde/zon waardoor ijstijden als het ware minimaliseren waarna het weer in de volgende periode een maximale ontplooiing kan bereiken.

Kijken we naar het geestelijk evenwicht, dan blijkt dat het vliegwiel eigenlijk gelegen is in de emotie van de mens. Als wij spreken over mystiek, over magie en al dergelijke zaken, dan hebben wij het eigenlijk over gevoelswaarden.

Nu blijkt dat altijd weer, wanneer de situatie op aarde ook materieel aan het veranderen is, zich daar gelijktijdig geestelijke veranderingen afspelen. En naarmate, stoffelijk gezien, het evenwicht wankeler wordt, zien wij een versnelling van juist geestelijke factoren waardoor het geestelijk evenwicht zich weer kan herstellen. Het is een up-and-down.

Ik meen dat we, althans eerder, hebben gezegd dat je het historisch kunt omschrijven als een niet geheel gelijklijnige sinusoïde, welks onder en boven nul een vergelijkbare of gelijke maximale uitslag geeft. Het zijn alles fasen. Voor ons doel vanavond zijn de geestelijke fasen natuurlijk erg belangrijk. Ik zou daarvan een aantal punten onder uw aandacht willen brengen.

In de tijd dat de mens nog leeft in een betrekkelijk wild milieu en weinig of geen werktuigen kent (dat is nog pre‑Mu), is er weinig geestelijke ontwikkeling. Maar er is een factor van buitenaf. Er zijn rassengeesten die voor een deel nog zichtbaar en kenbaar optreden. Dezen zijn eigenlijk de factor die het geestelijk evenwicht blijven handhaven. Daarna komt er een stoffelijke ontwikkeling.

De mens ontwikkelt wapens. Hij ontwikkelt een cultuurpatroon. Een tijdlang valt dan het geestelijke streven terug en wij zien het materiële streven en zelfs een vorm van logica aan de oppervlakte komen. Dan blijkt echter dat in die gemeenschap met haar cultuurpatroon een groot aantal mensen eigenlijk niet past. Ze zijn de feitelijke voorvade­ren van de Atlantiërs, degenen die naar de eilanden zijn uitgeweken om daar op een eigen vasteland een eigen cultuur op te bouwen. In die tijd is de onevenwichtigheid tevens weer aanleiding om zich be­zig te houden met wat men ‘de goden of de voorouders’ noemde.

De magische krachten en de mystieke beleving treden voor een deel in de plaats van de stoffelijke mogelijkheden, die een groot gedeelte van de mensen beginnen te ontberen. Het wonderlijke is dat zelfs de ondergang van Mu gepaard gaat met een enorme opleving van allerlei geestelijke factoren en dat zelfs de eerste grondslagen van de groene magie in die dagen wordt gelegd.

Kijken we naar de Atlantische periode zelf, dan zien we weer het­zelfde. In het begin betrekkelijk eenvoudige rijkjes, hoofdzakelijk boe­ren en vissers. Er zijn wat krijgslieden, maar niet veel. Alles ontplooit zich in de richting van een handelsbeschaving. Zolang dit een begin­periode is, zijn goden en goddelijke krachten concrete factoren. Daardoor komen ook de eerste ingewijden, de voorlopers van de Witte Broederschap. Deze, plus de eigen beleving van de mensen, geven steeds meer momentum aan die maatschappij.

Er komen steeds betere verhoudingen. De strijd om het bestaan ont­aardt niet in een strijd van mensen onder elkaar. Het eindresultaat is weer een materialistisch wordende beschaving waarin weliswaar priesters zijn, maar priesters die men hoofdzakelijk gebruikt voor eigen nut.

Geloof is er nog wel, maar dat is eigenlijk helemaal afgestemd op het cultuurpatroon, op de maatschappelijke verhoudingen. Daarbuiten blijven er weliswaar nog een aantal van deze ingewijden over die zich niet bezighouden met het stadsleven. Maar hun invloed neemt zeer sterk af. Het is in deze tijd dat de eerste oorlogen uitbreken. Het is ook in deze tijd dat het eerste grote vredespact wordt gesloten en dat de gou­den tafelen op de zuil worden gegraveerd in de stad van bijeenkomst.

Dan zien wij dat Atlantis in feite ten onder gaat aan zijn materia­listisch denken, zijn machtsbesef, zijn machtsbehoefte en aan de strijd tussen de verschillende fracties. Maar wat blijkt er dan gelijktijdig te gebeuren? Wij krijgen de eerste vlucht en later ook de tweede vlucht uit At­lantis waardoor die cultuur en vooral ook het geloof en de mystiek worden verbreid. In heel Europa is de invloed van de eerste vlucht kenbaar, onder andere als voorloper van het latere druïdisme.

De tweede vlucht, die veel verder reikt, brengt onder andere grote veranderingen in Noord‑Afrika, een sterke ontwikkeling van de techniek van de groene magie, een toenemende mystiek die voert tot een aantal mystieke scholen in Perzië, maar ook in het zuiden van Rusland (de Kaukasus). Daarnaast zijn er zelfs mystieke bewegingen die zich beginnen te ontplooien en ontwikkelen en via Griekenland en Noord‑Italië tot in Frankrijk reiken en in Engeland als het ware aansluiting vinden bij hetgeen er van de eerste vlucht is overgebleven, het druïdisme. De eindbestemming is tenslotte het hoogland van de Karakorum en later Tibet.

Er is een tijdlang in het Karakorum-gebergte een aantal tempels van buitengewoon groot belang. Er zijn zelfs bibliotheken overgebracht. In de Potala zitten in het begin ook mensen die een mystieke eenheid kennen met de ingewijden, met de meesters. Later zal ook dat een beetje verzanden.
Het betekent dat elke keer als we een materiële neergang krijgen, daar tegenover een neiging staat om de emotionele en geestelijke vormen van bestaan te versterken. Dat impliceert onder meer voor de tegenwoordige tijd dat wij geconfronteerd zullen worden met allerlei pogingen om een nieuw evenwicht te vinden. Dat evenwicht kan stoffelijk niet worden gevonden omdat de feitelijke factor, die het stoffelijk evenwicht zou moeten hand­haven, niet meer aanwezig is. Ze is door de mensheid verstoord. Daardoor krijgen we een voortdurend wisselende uitslag op stoffelijk gebied. Deze onzekerheid stimuleert echter de mens tot de emotionele, de mystie­ke beleving en het verwerven van steeds betere geestelijke inzichten en vooral ook van een soort geestelijke onafhankelijkheid.

In de tijd waarin u nu leeft zijn ontzettend veel van die mystieke bewegingen gaande. Vele daarvan zullen moeten falen door hun eenzijdig­heid. Het klinkt een beetje gek als ik zeg dat de grootste factor in de ondergang van vele bestaande kerken en godsdiensten is gelegen in de ontkenning van het yang yin‑principe. Toch is dat zo.

Het man/vrouwelijke, het licht en duister moeten elkaar aanvullen, wil er een evenwichtig geestelijk geheel denkbaar zijn. Het resultaat is dat allerlei sekten en bijzondere scholen ontstaan die elk voor zich pro­beren een bepaalde mate van ontspannenheid en evenwichtigheid te bren­gen. Het zijn deze scholen die zonder op zichzelf bepalend te zijn, in vele mensen een nieuw besef van het leven wakker roepen.

Het is dit besef van het leven waardoor die geestelijke vliegwielen in de maatschappij langzaam maar zeker momentum gaan krijgen en we daar­door, in de plaats van materiële en eenzijdige factoren, weer een veelzijdige factor krijgen die met een steeds groter wordend momentum de mens brengt tot het inzicht van ‘ik ben verbonden met het Al’.

De uiting die daaraan op dit ogenblik wordt gegeven is op zichzelf onbelangrijk, tenzij daarin mijn gevoelswaarden, mijn mystieke beleving als het ware een uiting vinden. Je kunt je afvragen of een dergelijk evenwicht zichtbaar wordt. Wel, een geestelijk evenwicht op zichzelf, ook als het steeds groter en stabieler wordt, heeft niet onmiddellijk inwerking op de materie, alleen indirect. Er is namelijk een relatie tussen al datgene wat er in onze geest gebeurt en wat er stoffelijk gebeurt. Je kunt daar geen abso­lute scheiding tussen maken. Maar deze geldt nimmer voor het geheel, ze geldt alleen voor de persoon, het ‘ik’.

Op het ogenblik dat ik geestelijk en mystiek een grote kracht verwerf, dat ik deel ga worden van een eenheid die voor mij volledig is, zal ik ook mijn uiting aanpassen. Niet meer aan de materiële tendens zon­der meer, maar aan mijn innerlijk beleven.

Dan weet ik dat het een beetje zonderling lijkt in de ogen van vele mensen als je dan maar ‘Hare, Hare, Hare’ zingt of op een andere manier duidelijk maakt dat je eigenlijk buiten de gemeenschap wilt staan, het ge­zag van een leermeester aanvaardend, ondergaand in mystieke theorieën en plechtigheden. Maar aan de andere kant, als je dit doet en je bent niet te zeer gebonden aan het patroon dat anderen je opleggen, dan zul je innerlijk steeds meer de eenheid gaan voelen.

Dat betekent dan dat voor jou een versnelling plaatsvindt van alle geestelijke ontwikkeling en alle geestelijke ogenblikken van werking. Niet alleen geef je voor het geheel van de wereld een vergroting van evenwicht maar voor jezelf verkrijg je een versnelling van de ontwikke­ling omdat je steeds minder gericht bent op de verschillende verschijn­selen die rond je plaatsvinden en steeds meer je één voelt met de ba­lans van het geestelijke zijn en de mystieke binding met het onbekende, met God of met het Hogere.

Ik neem aan dat deze ontwikkeling in uw tijd steeds zal toenemen. Dat houdt in dat er een steeds grotere geestelijke stabiliteit zal wor­den geschapen die een evenwicht kan vormen, zelfs met een op zich oneven­wichtige materiële ontwikkeling. Want als wij de evenwichtsverstorende fac­toren wegnemen, dan zal ook de materiële ontwikkeling wel degelijk weer momentum krijgen. Ook zij kan zich weer optimaal gaan richten op haar werkelijke waarde, haar werkelijke relatie met het hele stoffelijke bestaan.

Wat zou je in deze wereld als verschijnsel hiervan kunnen verwachten? Als de wereld zich ontwikkelt zoals zij op het ogenblik doet, dan is er een wetenschap. Maar die wetenschap wordt beperkt door de manier waarop ze zich te stoffelijk opstelt. Gelijktijdig ontstaat er een weten dat wel degelijk geestelijke waarden bevat maar dat niet wetenschappelijk bruikbaar of uitdrukbaar is in de termen van de materie. Het is een splitsing. Maar de techniek zal zeker deel blijven uitmaken van de magie. De magie zal wel degelijk een voortdurende aanvulling betekenen van de technische mogelijkheden die er bestaan. Ik mag dit punt wel even ver­duidelijken.

Als u kijkt naar de voorhoven van de zigurats, de tempels van Babylon en ook van andere steden, dan kunt u daar magiërs aantreffen. Doktoren zouden we ook kunnen zeggen, want zij behandelen de mensen door hen kruiden te geven, maar ook door een soort psychologische benadering. Een soort psychiatrie. Ze hanteren aan de ene kant middelen die wij in de moderne tijd zien als wetenschappelijk, want ze behoren tot de materie en zijn op de stoffelijk logica van toepassing, maar het volgende ogenblik grijpen ze opeens naar de een of andere wonderbaarlijke kracht en brengen dansend en spreuken mompelend onlogisch genezingen tot stand.

Er is in de magie kennelijk een vervlechting van de kennis, die men bezit in deze maatschappij, en een bovennatuurlijke kennis, een bovenna­tuurlijke kracht misschien ook, die niet redelijk uitdrukbaar is in de ter­men van het weten van de mensen van die tijd.
In onze dagen zien wij dat de zogenaamde paramedische behandelmethoden meer en meer onder de aandacht komen. In de moderne wetenschap is de acupunctuur nu niet iets waarover je kunt juichen, maar het blijkt te werken en het wordt steeds meer toegepast. Er zijn bepaalde methoden ontwikkeld, onder andere de osteopathie, waardoor het mogelijk is ziektebeelden te verdrijven die eigenlijk helemaal niet met de botten schijnen samen te hangen.

We zien in de natuurkunde zo hier en daar resultaten ontstaan, die niet door andere gedupliceerd kunnen worden en die toch gelijktijdig we­tenschappelijk constateerbaar zijn. Maar kennelijk is het resultaat van de procedure afhankelijk van degene die de procedure toepast. Dit wijst erop dat de magie in de moderne tijd toch een steeds grotere invloed zal krij­gen.

Ik meen dat de mystiek langzaam maar zeker weer een groter deel zal innemen in het denken van veel mensen en vooral in hun beleven. Ik meen echter ook dat wij, zelfs in deze periode, dus in dit jaar, te maken krijgen met een versnelling ‑ zij het nog een matige ‑ van wat ik dan maar het geestelijke vliegwiel wil noemen. De evenwichtstoestand die door de krachten van de geest mee worden bepaald.

Wat zien wij daar als fenomeen verschijnen? Vreemde waarnemingen. Mensen worden plotseling geconfronteerd met stem­men, met gedaanten, met vreemde in zichzelf rijzende beelden of zelfs met verschijnselen van verschillende kleuren licht. Ze worden geconfron­teerd met dromen die op een onmerkbare wijze toch weer in hun werkelijk­heid schijnen over te gaan vloeien en waardoor ze, schijnbaar onlogisch en onredelijk, komen tot een opstelling tegenover de wereld die tenslotte voor hen een verbetering van hun eigen evenwichtigheid tot stand brengt.

Nu is het natuurlijk wel aardig te zeuren over de werkeloosheid, over de economische teruggang, over de grote zakelijke moeilijkheden en de toe­nemende politieke instabiliteit, maar deze dingen zijn slechts nevenver­schijnselen. Ze kunnen gemakkelijk worden gecompenseerd als de geestelijke ontwikkeling verder gaat.

Een ander punt dat zeer opvallend is, is de relatie tussen man en vrouw. De vrouwen noemen het emancipatie. Vele mannen hebben daar een ander oordeel over. Ik moet toegeven dat in sommige gevallen emancipa­tie voor de man evenzeer noodzakelijk is als voor de vrouw. Ook hier een yang yin‑principe. Een denker heeft eens gezegd: “wij nemen nu wel aan dat mannen en vrouwen dezelfde soort zijn, maar ze gedragen zich vaak als twee geheel verschillende soorten, die slechts gezamenlijk een voortplantingsmogelijk­heid gemeen hebben.” Ik ben geneigd dit te onderstrepen.

Kijk, als de vrouw van haar eigen beslotenheid langzaam maar zeker verdergaat in de richting van de wereld, dan zal ze daarbij vaak iets van haar godsdienstig fanatisme gaan omzetten in een sociaal fanatisme. Dat is niet zo slecht als het lijkt. Want de vrouw die teveel alleen met het bovennatuurlijke bezig is, doet dit gewoonlijk aan de hand van een uiterlijke leiding die wordt bepaald door anderen. Zelden zijn die belevingen geheel zelfstandig geweest, totdat een vrouw eindelijk zich­zelf begon los te maken van de tot dan toe aanvaarde gezagsverhoudin­gen. Wij hebben verscheidene van deze perioden gekend en de ontwikkelin­gen waren verschillend.

In Griekenland bijvoorbeeld was er wel degelijk onder de vrouwen van de hogere standen een vorm van emancipatie ontstaan. Zij maakten zich los van inwijdings‑ en godsbeleving zoals die bij de mannen bestond, maar daarmee ook van gezagsverhoudingen zoals ze daar bestonden. Zij kwamen er toe om, zoals later de matrones in Rome, op te treden als absolute heerseres binnen het eigen huis en daarnaast tot het vieren van eigen­aardige feesten vol van verrukking, waarbij ongetwijfeld wel eens slacht­offers vielen. Niet omdat deze vrouwen zo bloeddorstig waren maar om­dat degenen die ongenood aan hun mysteriën deelnamen of deze gadesloe­gen, vooral als ze van het andere geslacht waren, natuurlijk het zwijgen moesten worden opgelegd. Zij hadden een eigen vorm van mystiek ontwikkeld.

Hetzelfde kunt u vinden bij bepaalde primitieve stammen (dat noemt men dan primitief in deze tijd) zoals er zijn in Afrika, in Zuid‑Amerika, zelfs nog in delen van Azië. Ook daar heeft de vrouw een eigen vorm van mystiek ontwikkeld. Ze heeft deze voor een deel overgedragen aan haar functie binnen de gemeenschap en daarmee ook de wijze waarop zij staat tegenover de man, het door mannen bepaalde gezag en wat dies meer zij.

Wat blijkt nu? De vrouw alleen heeft het nooit kunnen redden. Er zijn tijden geweest waarin vrouwen de feitelijke heersers waren. Er zijn zelfs nu nog enkele bergstammen in de buurt van Kathmandoe waar de vrouwen de zaken regelen en de mannen alleen de uitvoerders zijn van hun bevelen. Maar altijd weer mankeert er iets aan.

Kijken we naar een mannenmaatschappij, dan blijkt dat die mannen­maatschappij te zeer denkt in de termen van strijd, van meerwaardigheid en eigenlijk om niets het eigen bestaan en het eigen welzijn op aarde in gevaar brengt. In die mannenwereId blijkt steeds weer een grote oneven­wichtigheid te bestaan die heel vaak tot een totale vernietiging van het geheel aanleiding is. Ik mag eraan herinneren dat het niet alleen het geval is wanneer krijgslieden regeren, maar evengoed wanneer pries­ters regeren. Want het zijn de priesters geweest die Atlantis de tweede keer te gronde hebben gericht.

Wat moeten we dan vinden? Wij moeten een samenwerking vinden, een evenwicht tussen de man en de vrouw. Dat kan alleen indien beiden een steeds grotere vrijheid van heersende vormen ontwikkelen en gelijktijdig, in zich, een persoonlijke, maar ook voor het geslacht, althans in een be­paalde omgeving, geldende mystiek gaan beleven. Dan zal de mystiek de ontmoetingsplaats worden en, zich baserend op een absolute gelijkwaar­digheid, komt het tot een samensmelting van de materiële aspecten die bij man en vrouw, of men dat toegeeft of niet, ergens een tikje verschil­len. Datgene wat tegenstander is in een normale samenleving, kan worden samengesmolten tot een nieuwe evenwichtsfactor voor een komende samenleving. Het blijkt dat je daarmee ook enorme geestelijke krachten kunt losmaken en dat groepen, waarin dit evenwicht is bereikt, een zeer lange tijd in staat zijn zichzelf te handhaven.

Er is in het noordelijk deel van de Andes een volk geweest dat op­viel door zijn lange levensduur in vergelijking met de omringende stam­men. De gemiddelde levensduur was daar al 1400 jaar geleden tussen de 60 en de 90 jaar. Ik denk dat je gemiddeld kunt zeggen 72 jaar onge­veer, voor mannen en vrouwen. Ziekten kwamen niet of bijna niet voor, terwijl ze in de omgeving bijna vernietigend waren voor de stam. Kortom, deze groep deed heel eigenaardig aan.

Wat blijkt nu? Deze groep had een bepaalde (godsdienst kun je niet zeggen) geestelijke vorm van samen‑zijn waarbij mannen en vrouwen op grond van absolute gelijkwaardigheid in een gemeenschappelijke trance bepaalde krachten opwekten. Die opwekking van krachten werd daarna door de man­nen en de vrouwen geïnterpreteerd. Beiden voegden dan samen het in­nerlijk gewonnene en beleefde. Soms in de vorm van verandering in voeding of verandering in bouwwijze, zelfs in verandering van landbouw en jacht­methoden. En dan blijken die primitieve mensen, totdat ze in contact ko­men met wat beschaving heet, in staat te zijn bijzonder gelukkig, redelijk lang erg gezond en ook geestelijk erg gezond te leven.

Hier zijn yang en yin versmolten door de erkenning van gelijkwaardig­heid, van feitelijke eenheid en gelijktijdig een erkenning van de afzonder­lijke mogelijkheid tot functioneren. Ieder heeft wel een eigen plaats maar is daardoor niet de mindere of de meerdere. Iedereen put uit het geheel maar verwerkt dit volgens zijn eigen kwaliteiten en eigenschappen. Het zou ook in een toekomstige wereld denkbaar zijn en zou dan ongetwijfeld een samenvloeien tot stand kunnen brengen van een stoffelijk bestaan, indien van buiten veranderen­de invloeden kunnen optreden.

Evenwicht kun je, kosmisch gezien, misschien uitdrukken als het sa­mengaan van uitersten, die elkaar niet bestrijden maar wel voortdurend elkanders tegenwicht vormen. Het is dit aspect dat voor de wereld van vandaag, en ook voor de wereld van morgen, van groot belang zal zijn.

Wij kunnen natuurlijk weer gaan preken (sommigen zien dat als zoda­nig) en u vertellen dat u heus beter kunt, dat u heus meer kunt bereiken en doen dan u denkt. Zeker, dat is waar. Maar in een cursus als deze gaat het er ook om de achtergronden te laten zien. De achtergrond van evenwicht, en ook van onevenwichtigheden, is altijd weer gelegen in het aanwezig zijn of ontbreken van die mystieke momenten waardoor de materie zelf wordt belet in haar ontwikkeling gelijktijdig haar even­wicht en samenhang te verstoren.

Om mijn onderwerp zo langzamerhand te besluiten, wil ik u nog het een en ander vertellen over zaken uit het verleden die in deze tijd mis­schien zeer welkom zouden zijn.

Er is een tijd geweest waarin sjamanen spraken met de voorvaderen van de stam. Ze deden dit door gebruik te maken van vaak bedwelmende rook, een soort rinkelbommen of tamboerijnen, gespannen trommen (tabbura’s). Ze wisten daarmee inderdaad een contact te leggen tussen datgene wat is voorgegaan en datgene wat er nog is. Zij putten daaruit niet alleen de kracht om raad te geven aan de stam in stoffelijke zaken, maar konden op deze manier ook genezende krachten uitstralen. Ze hebben heel wat gedaan op dat terrein. Ze wisten daarnaast vaak delen van de toekomst te herken­nen of onbekende gebeurtenissen in de verte af te lezen. De manier waar­op zij optraden was voor de stam een mysterie.

De mystiek behoorde tot geheimscholen, zelfs al in die dagen. Zoals er tegenwoordig nog steeds een medicijnmannenschool is in het hartje van Afrika waar je aan een aantal proeven kunt beantwoorden om duidelijk te maken dat je waarlijk een medicijnman bent. Bij die proeven behoren onder andere voorzien en voorzeggen, genezen van ziekten, het jezelf onaantastbaar maken voor gif, het opnemen in jezelf van de geest van bepaalde dieren en het erkennen van die ene werkzame bron in een oerwoud dat zich on­geveer een 50 vierkante kilometer uitstrekt. U merkt wel, het is een heel vreemde mengeling van zaken.

Wat kregen we daarnaast? Wij kregen de geheimscholen waarin de men­sen niet alleen lezen, schrijven en rekenen werden bijgebracht, maar ook het gebruik van kruiden, de manier waarop je kleurstoffen kon vervaar­digen, ja zelfs hoe je allerlei middeltjes voor de schoonheid van de vrouw kon vervaardigen. Maar daarbij leerden ze je ook hoe je je geest kon uitzenden, hoe je via verschillende belevingen eigenlijk kon komen tot een erkenning van een zeer hoge kracht en hoe je die kracht moest terugbrengen naar je eigen wereld zonder daardoor jezelf ten aanzien van die wereld te veranderen.

Dergelijke inwijdingsscholen zijn er heel veel geweest. Sommige wa­ren zuiver wit, andere hadden meer eigenbelang op de achtergrond en werden dus als grijs of zwart beschouwd. Maar al die scholen waren te­vens ook de bronnen waar de mensen van uit konden gaan, die een cen­trum werden voor de gewone mensen.

Neem nu de heksenkring. Wij weten dat de kerk de hekserij erg ver­dacht heeft gemaakt, ofschoon ze in feite een natuurverering was. Een erkenning van God is in al, al is God. Deze vaak primitieve mystie­ke belevingen van gewone mensen hadden weinig zin, als er geen leiding was. Vandaar dat we in elke heksenkring een heksenmeester aantroffen wiens functie niet zozeer die van bevelhebber was (dat denkt men wel eens), maar eerder van representant van bijvoorbeeld zonnekracht en andere zeer positieve levenskrachten. Zijn werkelijke taak is echter niet alleen om in de riten die dingen uit te beelden. Hij moet daarbij in het den­ken de verborgen mystiek, de geheimen van de leer overdragen. Hij wordt altijd door de oudste heks, zoals dat dan heet, vergezeld.

Deze vrouwelijke heksenmeester (zo zou men haar kunnen noemen) heeft op haar eigen manier ook een soort inwijding doorgemaakt en heeft dus ook de mystieke achtergronden volledig beleefd en kan ze tot uiting brengen. Beiden zijn als het ware de beweegkracht waardoor de primitieve ver­rukkingstoestanden en mystiek van de kring op zich kan worden gebun­deld tot een positieve kracht, een positieve mogelijkheid en waardoor voor een ieder ook nog een eigen positieve ontwikkeling, zelfs in besef en ver­mogen, tot stand kan worden gebracht. Dat is in het verleden geweest.

In deze tijd zijn er nog wel een paar geheimscholen, maar het zijn er niet veel meer. Hun belangrijkheid neemt af omdat in deze tijd alleen degenen die innerlijk reeds enige beleving hebben doorgemaakt, in staat zijn om mystieke werkelijkheden te erkennen, zelfs als ze voluit in een boek zijn neergeschreven of veelvuldig gedrukt door de wereld worden gestuurd.
De grote wijsheid, die je in deze tijd moet vinden, is dat je niet mag uitleggen, niet mag interpreteren, maar dat je mystiek moet beleven. Want alleen door die innerlijke beleving komt dan een zuiver gedragspatroon naar voren dat voor jou het perfecte en juiste is, ook als het gezag van een bepaalde groep het daarmee niet eens zou zijn.

Ik geloof dat in deze tijd steeds meer mensen worden rijp gemaakt voor dit persoonlijk mystiek beleven dat alle interpretatie verre te boven kan gaan. Dan kan uit elke bron ‑ of het nu het christendom is, het judaïsme, de verschillende sekten in de hindoe-leer, in het boed­dhisme, in de islam ‑ geput worden om via deze wegen het grote inner­lijke evenwicht van de mensheid te versterken. Maar dan moet je niet meer verklaren en uitleggen, niet meer proberen alles om te zetten in materiële consequenties, maar je moet het beleven en vanuit jezelf het beleefde waarmaken. Deze ontwikkeling zie ik voor de komende tijd toch in toenemende mate plaatsvinden.

Ik kan mijn betoog niet beëindigen zonder erop te wijzen dat negativis­me, in welke zin dan ook, een onevenwichtigheid veroorzaakt, ook als je werkt met geestelijke krachten, als je je bezighoudt met mystieke bele­ving. Positiviteit betekent niet de ontkenning van het negativisme in de wereld, maar de erkenning van het positieve in jezelf. Als je daar gebruik van maakt, dan kom je als vanzelf verder. En alle bijkomende belevingen en waarnemingen zijn alle een symptoom van een ontwikkeling. Als u daaraan wilt denken, dan zult u het evenwicht voor uzelf beter bereiken en u zult in deze periode helpen het geestelijke evenwicht dermate sterk te maken dat zelfs de verstoring van stoffelijke evenwichtig­heid voor een groot gedeelte ongedaan kan worden gemaakt.

Levende goden

U weet wat levende goden zijn? Het zijn bijvoorbeeld de levende boeddha’s. Het waren vroeger de Caesars, die ook god waren. Het waren de Farao’s, ook al god. Dan sta je als modern mens een beetje raar te kijken als je zegt: hoe komen de mensen ertoe om zichzelf god te noemen? Hoe pas­sen ze eigenlijk in dat geheel van goden, in dat hele pantheon dat er dan nog was. Ik zal proberen om dat duidelijk te maken.

In de eerste plaats moet u begrijpen dat, door jezelf god te noemen, je je losmaakt van de kritiek van de mensen. Dat was dus heel erg be­langrijk want daardoor krijg je een soort onfeilbaarheid. De Paus ontleent dat weer aan de H. Geest. De Farao’s ontleenden dat aan hun god‑zijn, vaak aan hun vader die dan de zon was of iets derge­lijks.

Al deze levende goden zijn mensen die op enigerlei wijze proberen voor het geheel een invloed te vormen. Of ze dat nu doen zoals de Fa­rao door bijvoorbeeld het hele landbouwbeleid uit te stippelen of als de Cae­sars door, eigenlijk vaak tegen de wil van de Romeinse burgerij, alle Romeinse rijken in stand te houden en daarmee dus ook de voorziening van graan, slaven en dergelijke zaken in Rome. Of dat je het doet als een levende boeddha, die alleen kracht overdraagt aan anderen, maar die wel degelijk een soort leergezag vormt en daardoor toch op de een of andere manier de mensen in toom houdt. Het is net zoiets als de Paus ex cathedra een uitspraak doet, dan betekent dat voor een goed katholiek dat je daar niet aan mag twijfelen. Door de juiste uitspraak op het juiste ogenblik te doen, kun je bereiken dat de mensen op een bepaalde manier gaan leven en denken.

Die levende goden vinden we ook nog weer terug in allerlei verha­len, dan zijn het meestal halfgoden. Ze hebben op aarde geleefd, ze heb­ben enorme dingen gedaan en daardoor zijn ze binnengedrongen in de wereld van de goden. Hercules is een van de meest bekenden. Wij vinden ook derge­lijke figuren in de verhalen van de hindoemythologie. Al die grote mensen blijken achteraf gewoon dingen gedaan te hebben op een niet-conventionele wijze. Je zoudt kunnen zeggen dat de levende goden mensen zijn die op geestelijke of andere gronden niet‑conventioneel reageren en handelen. Dat is natuurlijk niet altijd een compliment.
Per slot van rekening, er zijn Caesars geweest die de gekste din­gen hebben gedaan. Die hun goddelijkheid gebruikten, zoals een zekere Caligula, om zijn paard tot senator te benoemen. Nu is dat natuurlijk ab­soluut onverstandig. Je moet nooit een paard tussen een hoop ezels zetten.

Het idee dat de goden zo een grote macht en zo een grote zekerheid hebben, kun je ook weer terugvinden. Want als je gaat kijken wat die go­den doen, dan zijn ze eigenlijk net mensen, maar dan super-de-luxe en kun­nen ze alles doen. Neem nu maar die oude Jupiter. Het ene ogenblik was hij een stier, het andere ogenblik een zwaan en het volgende ogenblik was hij de dubbelganger van een mens op aarde.
De goden, zoals men die in al de godsdiensten kent, zijn ergens mensen en toch net iets meer dan mensen. Het heeft niet te maken met ons beeld van God, de onmetelijke kracht waaruit alles voortkomt, de On­bepaalbare. Neen, de goden zijn bepaalde fenomenen die je kunt waarnemen. Ze worden dan uitgelegd als een persoonlijkheid, die als een mens leeft zonder de beperkingen van het mens‑zijn.

De hele geschiedenis van deze goden komt voort uit de gedachte dat het een bepaald lot is, dat alles bepaalt. Alles wat gebeurt, dat gebeurt volgens wetmatigheden. Dat is absoluut waar. De keuze die je hebt, bin­nen die wetmatigheden, is betrekkelijk gering. Als je nu weet wat het ver­loop is van het lot, dan kun je altijd de optimale weg kiezen. Dat wil zeggen dat de wetmatigheden voor je werken in plaats van tegen je. Zo eenvoudig begint het eigenlijk.

Het is vanuit dit geloof dat we ook komen tot al die levende goden. Want het is toch wel heel erg prettig wanneer er iemand op aarde is die zozeer één is geworden met het lot, met die wetmatigheid, dat hij in staat is om, boven alle anderen uit piekende, als het ware die ene juiste be­slissing te nemen waardoor het lot werkt voor de mensen die hij vertegen­woordigt en niet tegen hen.

Er zijn daarbij natuurlijk allerlei bijgeloofsvormen geweest in het ver­leden die ook alweer te maken hebben met die goddelijke wezens. Koningen bijvoorbeeld waren vroeger ook een beetje goddelijk. Hij had een van God gegeven gezag en hij stond boven alle kritiek.
Een koning kon schurft genezen. Dat is opvallend omdat de meesten van hen een karakter hadden dat als schurftig omschreven kon worden. Maar zo een koning genas die ziekte en dat gebeurde inderdaad. Hij droeg een soort kracht over.

Als we kijken naar die levende goden of Caesars, dan weten we dat­ ze ook wonderen hebben gedaan. Als de Kerk van Rome die ooit erkend zou hebben, dan zou ze een hoop Caesars onder de heiligen moeten rangschikken.

Kijken we naar de levende boeddha’s, dan blijkt dat ook zij kracht over­dragen. Ze doen dat vaak door een sjaal over iemand heen te gooien of in andere gevallen een stok met een kwast eraan te gebruiken waarmee ze dan iemand even aanraken. De hele situatie ‑ ontdaan nu even van de geloofs­artikelen ‑ komt er op neer dat deze God in staat is om je de kracht te geven om de juiste weg van het lot te bewandelen. Of je dat nu noemt ‘ver­dienste’ zoals bij de boeddhisten waardoor je minder incarnaties moet on­dergaan, of dat je het ziet als het goed dienen van Rome en de goden van Rome zoals in de Romeinse tijd, dan wel uitdrukt als het tot priester kunnen worden en ingewijd kunnen worden dank zij de aanraking en de zege­ning van Farao, zoals dat voorkwam in Egypte. Het is altijd weer: er wordt ons een kracht overgedragen. En dat is nu het typerende van een levende god.

Als je het echter zo bekijkt, dan zijn er heel veel levende goden. Elke mens die in staat is om zijn levenskracht aan te vullen met de kracht die er om hem heen is, die de kosmische kracht als het ware via zichzelf op anderen kan richten, is zoals wij dat hebben uitgelegd een levende god. En waarom? Wel, hij is in staat om die krachten uit te stralen waardoor de normale loop van het noodlot wordt doorbroken en de juiste weg wordt gevolgd te midden van alle mogelijkheden waaruit de mens met zijn beperkte vrijheid zou kunnen kiezen.

De situatie wordt een beetje moeilijker als dergelijke halfgoden tevens nog beginnen een eigen beweging te stichten. U heeft waarschijnlijk wel gehoord van de Luipaardmannen. Dank zij Tarzan zijn die het meest bekend geworden. Je had ook de alligatormannen, de slangenmannen enz. Het waren geheime sekten. Zij hadden allemaal een opperhoofd van wie werd aangenomen dat daarin de geest leefde van de alligator, het luipaard, de slang enz. Hier werd er eenwording met een bepaalde soort (wij zouden misschien zeggen de rassengeest van een bepaalde soort) de aanleiding tot de onaantastbaarheid van deze persoon, die leiding geeft aan een dergelijk genootschap. Alle besluiten die hij neemt, moeten zonder tegenspraak worden opgevolgd. Want het is een hoge geest die het commandeert via deze mens, die op dit ogenblik de zetel daarvan is.

U zult zeggen: dat is toch een beetje te gek, dat doen alleen arme heidenen. Wat zoudt u dan zeggen van de H. Maagd. De H. Maagd die door de geest Gods wordt bevrucht en die iets voortbrengt dat het absolute gezag is op aarde, namelijk Gods zoon. Dat is natuurlijk waar, maar wat de heidenen vertellen is onzin. Je moet het een beetje christelijk bekijken. Maar in de praktijk is het precies hetzelfde.

Zo horen we bij andere sekten dat de stichter of de leider van die sekte, of hij nu Joseph Smith heet of een andere naam heeft, door een engel werd bezocht. Hij werd bezield met een goddelijk licht, hij kreeg misschien nog speciale tafelen en wetten. Daardoor had hij het recht om alle normale wetten opzij te zetten en voor zijn volgelingen een richting te bepalen die voor hen de meest juiste weg was. Het lijkt wel of je de een of andere partijleider hoort praten. De mens heeft kennelijk behoefte aan dit gezag want de praktijk heeft uitgewezen dat al die levende goden voor een groot gedeelte levende idioten waren en misschien na hun overgang nog steeds, als ze de waan hebben behouden.

De mens heeft behoefte aan goddelijk gezag. Als dat gezag binnen zijn eigen wereld kan worden geprojecteerd, dan staat hij open voor krachten die hij anders eenvoudig voorbij loopt. Hij heeft een vertrouwen dat hij innerlijk niet bezit, maar nu krachtens een ander voor zichzelf wel hanteert. Het is gewoon alsof de mens niet in staat is om het een en ander zelfstandig te doen. Daarvoor heeft hij goden nodig op precies dezelfde manier waarvoor hij goden nodig had, vooral onbelangrijke kleine goden, die je voortdurend achterna liepen, die voor hem zorgden.

In het spiritisme zijn het geleidegeesten geworden. In het christendom zijn het de engelbewaarders en wat je verder nog hebt. Ik zou het zo willen stellen: wij hebben behoefte aan gezag, niet omdat dat gezag op zichzelf goed of noodzakelijk is, maar omdat wij aan dit gezag een vertrouwen ontlenen dat wij in onszelf niet hebben. Op het ogenblik dat de mens in zichzelf voldoende vertrouwen heeft, voldoende zekerheid heeft gevonden, heeft hij geen halfgoden nodig, heeft hij helemaal geen goden nodig. Zeker, hij zal het onbekende als de bron van zijn bestaan blijven erkennen maar dat is niet meer een wet. Dat is ook geen regel meer. Het is eerder een bestaansmogelijkheid. En in de erkenning van die bestaansmogelijkheid wordt het bestaan tot uitdrukking van de kracht.

Nu lopen er op het ogenblik nogal wat, door zichzelf tot uitverkorene of tot halfgod benoemde, leraren en monsters rond op aarde. U kent ze wel, de goeroes en hoe zij zich verder noemen. Dergelijke mensen matigen zich iets aan wat ze meestal niet eens werkelijk bezitten. Maar zij weten een geloof te verkrijgen. Door het geloof te aanvaarden dat zij verkrijgen, ontstaat een feitelijk nergens op gebaseerde macht. Die macht kunnen ze dan weer delegeren aan een ieder die voldoende in hen gelooft en daar­door die mensen in een toestand brengen waardoor het leven plotseling voor hen aanvaardbaarder wordt, zij vertrouwen hebben in zichzelf en al­le onvolledigheden, waar zij zich vroeger ten aanzien van zichzelf aan gestoten hebben, opzij kunnen zetten. Kijk, als je dat zo beziet, dan zijn levende goden eigenlijk dingen die we hard nodig hebben.

Er zijn mensen die Oranje vereren als een godenfamilie. Zij staan ver boven alle mensen. Zij staan buiten alle kritiek. Daar straalt iets van af. En dan kun je zeggen dat het onzin is, maar in de praktijk werkt het toch wel. Ik zou het zo willen formuleren: Levende goden zijn voornamelijk de uitdrukking van de behoefte, die elke mens in zich kent, om zich te beroepen op een gezag en om zich te rechtvaardigen en zich gelijktijdig van een schuldenlast te bevrijden. Altijd weer, wanneer een onaantastbaarheid van gezag wordt gepre­tendeerd, zal een mens volgelingen vinden. Door zijn invloed op die vol­gelingen kan hij voor hen krachten en gebeurtenissen waarmaken die hij voor zichzelf nooit zou kunnen beleven.

Wanneer een mens zich goden schept, dan doet hij dit voornamelijk omdat hij zich wil herkennen in het onbegrepene, in datgene wat alles kan wat voor hemzelf niet mogelijk is. Goden zijn de luchtspiegelingen van de werkelijkheid die de mens in de woestijn van zijn bestaan projecteert om het idee te hebben dat hij zo dadelijk toch nog lekker kan drinken en lekker aan tafel kan gaan. Dit wetende zouden we moeten uitgaan van de vraag of we zelf niet even goddelijk zijn.    Ik heb nog een paar opmerkingen. U hoeft zich daar niet direct aan vast te klampen, denk er maar eens over na. Ze zijn de moeite van het overwegen waard.

Als ik in mijzelf voldoende vertrouwen heb, kan ik zelf worden tot een kosmische wet. Op het ogenblik dat dit het geval is, zal al hetgeen ik doe van kosmische betekenis zijn, niet slechts voor mij maar, door mijn innerlijke aanvaarding, voor zeer velen die dit begrip van het kosmische met mij kunnen delen.

Niets is onmogelijk behalve datgene wat ik zelf onmogelijk acht. Naarmate ik in mij een groter begrip van bereiking en kracht tot stand weet te brengen, zal ik meer kunnen waarmaken, meer kunnen bereiken.

Wanneer ik mij op deze wijze heb losgemaakt van het slaafse mens‑zijn, heb ik mij gelijktijdig verheven tot een toestand die alleen in hoge geeste­lijke werelden voorkomt. Maar als ik dat heb gedaan, zal ik deel hebben aan die wereld, want ze wordt voor mij een vanzelfsprekendheid die zich voortdurend voor mij, rond mij en in mij openbaart. Daardoor zal ik ook wezenlijk over meer inzicht, kennis en kracht beschikken dan zonder dit het geval zou zijn.

Nog een paar eenvoudige raadgevingen voor degenen die zo graag een halfgod willen worden.
Besef, dat je enige relatie met anderen alleen kan bestaan uit dienst­baarheid. Deze dienstbaarheid betekent niet dat je zonder meer onderdanig bent aan de wil van anderen, maar dat je volgens je eigen besef anderen dient. Hierdoor schep je de uiting van de in je levende kracht in en voor anderen en bereik je een steeds grotere vrijwording van de beperkingen die het mens‑zijn oplegt.

Probeer geen vaste beelden te maken van God, van goden of krachten die je moeten bijstaan. Aanvaard eenvoudig dat het licht en de kracht in jezelf zijn. Probeer uit dat licht en die kracht te putten. Niet door aldoor daarover te mediteren, maar door, in het besef dat ze bestaan, je uitspraken te doen of je daden te stellen.

Halfgod zijn betekent altijd losstaan van de mensen. Dit zullen de mensen je kwalijk nemen op het ogenblik dat je probeert hen te beheersen.

Besef, dat je eerst stoffelijke macht nodig hebt als je geestelijk wilt heersen. Daar stoffelijke macht echter verdere geestelijke bereiking onmogelijk pleegt te maken, is het verstandiger geen macht na te streven, doch slechts de kracht in jezelf te erkennen en door je te uiten.

En als u dat allemaal nog te moeilijk vindt, begin eerst in je zelf te geloven, op jezelf te vertrouwen en weiger een beroep te doen op anderen, tenzij dit ook voor die anderen van belang is. Op die manier kom je als vanzelf tot een hogere toestand van bestaan en maak je jezelf meer tot halfgod, tot werkelijk levende godheid dan al die mensen die zeggen: in mij berust het gezag en ik zal u zeggen hoe gij de hemel kunt bereiken.

Gezag

Gezag is het woord dat iets omschrijft wat niet bestaat, tenzij in degene die het gezag ondergaat. Gezag kan worden ontleend aan het meer zijn dan anderen in kennis, weten, in daadkracht, in waan. Want gezag berust op de aanvaarding door anderen van het meer dan gewoon zijn van je eigen bestaan.

Gezag is een schertsnaam voor hen die hun macht vereren alsof het een godheid was en die niet beseffen dat gezag uit bestaan voortvloeit en niet uit een wapen. Het ware gezag is datgene wat je wakker roept in anderen door je bestaan. En als je het grootste gezag wilt ervaren, dan moet je besef­fen, niet in eeuwen of in jaren, niet in wetten, niet in zinnen, in krachten, maar alleen door innerlijk ervaren, door het betrachten van al datgene wat in je bestaat, ervaar je het werkelijke gezag dat alles ondergaat of je het beseft of niet.
Dus geen gezag voor u en geen gezag voor mij. Integendeel, juist vrij van elk gezag onszelf zijnde en onszelf levende, vinden wij de enige macht, de enige kracht waaraan wij gezag ontlenen, het bewustzijn dat huwt met het kunnen en zo de waarheid manifest maakt.

Gezag is tegenwoordig iets wat uit de knuppel komt. Dat is niet altijd waar, ofschoon degenen die het gezag vertegenwoordigen heel vaak aan die beschrijving wel beantwoorden. Er zijn ook mensen die zeggen: het gezag is de goddelijke zekerheid die anderen bezitten en die wij nog moeten verwerven. Op het ogenblik dat anderen ze hebben en er niet geheel naar leven, kunt u maar beter zoeken naar een eigen vorm van gezag dan u te onderwerpen aan de anderen en hun pretenties.

Als u denkt dat wij gezag hebben, dan heeft u het mis. Wij hebben misschien een tikje meer wijsheid, soms. En dan ligt het nog aan u hoe u haar ondergaat. Het is u die eventueel gezag geeft aan hetgeen wij doen, maar zonder ons zou u het ook kunnen.

Ik wil nog wijzen op de vrijheid die u heeft om zelf te beslissen, zelf te beschikken, omdat u zelf door uw innerlijk en uw vermogen het enige werkelijke gezag bent dat kan bestaan buiten alle wettelijke en menselijke normen.