Gezichten

uit de cursus ‘Doe het zelf’  (hoofdstuk 5 ) – februari 1976

Gezichten

Als u naar uw medemensen kijkt, dan krijgt u een totaalindruk. Daarbij speelt het gezicht een voorname rol. Uw ervaringen in het verleden maken uit of u iemand er aardig of minder aardig, prettig of minder prettig vindt uitzien. Het is ook de moeite waard eens te letten op bepaalde trekken in het gezicht, want daar kunt u heel vaak het een en ander aan aflezen.

Allereerst keken we naar de ogen. De ogen geven, als wij ze goed kunnen bekijken, de mogelijkheid om in het lichaam aanwezige ziektebeelden vast te stellen. Dat doet men officieel met iriscopie. Wij kunnen volstaan met te zien of er in de iris bijzondere verkleuringen zijn. Als daar grote vlekken in voorkomen, dan kunnen we altijd aannemen dat de persoon in kwestie ziek is. Dit kan belangrijk zijn, want iemand die ziek is kan over het algemeen niet goed denken. Voor een handelsreiziger betekent dat misschien een voordeel, maar voor iemand die een normale conversatie wil voeren of afspraken wil maken is dat altijd een nadeel. Zo’n persoon is dan op dat moment niet in staat de consequenties te overzien van alles wat hij zegt. Zijn reacties zullen wat overtrokken zijn. Enthousiasme of gebrek aan enthousiasme zegt niets over de werkelijke stemming. Nu zult u zeggen: dat zie ik zo gauw niet. Als u eenmaal eraan gewend bent om daarop te letten, dan ziet u het wel.

Hetzelfde is het met het oogwit. Verkleuringen van het oogwit geven over het algemeen aan dat er iets niet in orde is met de lever, of de gal. Het betekent dat zo’n persoon dus prikkelbaar is. Het betekent ook dat die persoon doorgaans onverwachts zal reageren en ook nog bepaalde fouten heeft. Om een voorbeeld te geven: een lichte nieraandoening kan voor iemand, die toch al andere problemen heeft, de aanleiding worden tot drankzucht. Wij zien dat niet alleen aan de verkleuring van het oogwit, maar ook aan het feit dat de adertjes daarin duidelijker zichtbaar zijn. Is het geel zonder meer, dan kan dat duiden op gal. Onder omstandigheden kan het ook zijn dat zo iemand in de tropen is geweest en vroeger last heeft gehad van malaria. In dergelijke gevallen is het goed te weten: die persoon heeft bepaalde afwijkingen, ik moet daar dus rekening mee houden.

Rond de ogen zien we altijd wat rimpeltjes. U weet zelf wel, als je die kraaiepootjes ziet, die de dames zo ijverig plegen weg te plamuren, dat ze een aanwijzing kunnen zijn voor de aard van de persoon. Als die rimpeltjes namelijk iets gespreid lopen (zoals een vogelpootje met drie tenen), dan betekent dat vaak dat het een persoon is die graag lacht. Maar om dat verder te kunnen constateren moeten we ook kijken naar de mondhoeken. Als bij de mondhoeken een lichte, opwaarts lopende plooi mede zichtbaar is, dan kunnen we zeggen: dat is iemand die graag lacht. Maar lopen de mondhoeken omlaag, dan hebben we te maken met iemand die de ogen vaak dichtknijpt. Dat kan natuurlijk een overgevoeligheid voor licht zijn, maar als de mondhoeken nu ook een wijkende lijn naar beneden vertonen, dan moe­ten we aannemen dat deze persoon zich van de wereld wil afsluiten. Het is iemand die geneigd is zich te isoleren.

Er bestaan bepaalde gezegden over de relatie van bepaalde organen en de neus en de mond. Daar zou ik niet al te veel op rekenen: dat loopt altijd op teleurstelling uit. Maar we moeten wel kijken bij de neuswortel.

Naast de neusvleugels en boven bij de neuswortel tussen de ogen zijn bepaalde plooien te zien. Zien we nu boven aan de neuswortel een plooi die uit twee lijnen bestaat, eventueel gedekt door een derde lijn, dan is dat iemand die zeer goed nadenkt en die de neiging heeft zich zeer sterk te concentreren. Het geeft aan dat een dergelijk persoon alles goed door­denkt. Indien u zo iemand een oppervlakkige verklaring geeft, dan bent u niet van hem af, maar krijgt u vroeg of laat de noodzaak alles nog een keer en veel beter uit te leggen. Ziet u zo iemand, probeert u dan alstublieft zo duidelijk mogelijk te formuleren en waar u niet zeker bent, houd uw mond.

Vouwen die van de neusvleugels naar de mondhoeken lopen. Nu ligt dat natuurlijk ook een klein beetje aan de bouw van de jukbeen­deren, aan de leeftijd etc… Wij kunnen daar dus niet zonder meer een oor­deel op baseren, maar toch zullen we vaak zien dat deze lijnen bijzonder diep gegrift zijn. Is dat het geval, dan hebben we te maken met iemand, die op de een of andere manier de neiging heeft om een beetje op de men­sen neer te kijken en ook om anderen te zien als minder bekwaam. Het zijn die plooien die we vinden zowel bij oplichters, politici, pastoors, dominee’s, advocaten als ook bij zeer verwaande personen. Het is niet zeker dat die vouwen iets dergelijks aangeven, maar we kunnen er beter rekening mee houden dat die mogelijkheid bestaat.

De vorm van de lippen. Als de bovenlip tamelijk dun is, dus lijnvormig en nogal recht, dan zien we vaak dat de onderlip als een soort half cirkeltje in het midden een beetje uitpuilt; er zit een tuitje aan. Personen die zo’n mond heb­ben, zullen gewoonlijk in hun gemoedsleven afwijkingen vertonen. Ze hebben iets te verbergen voor de gemeenschap en ze zijn doorgaans ook geneigd om bijzonder fel en een beetje gemeen te reageren indien ze zich aange­vallen wanen. Dergelijke personen moet u dus wel een beetje ontzien en in de gaten houden. Aardige voorbeelden voor al deze eigenschappen kunt u vinden als u de fotogalerij van uw ministers en parlementariërs neemt en u gaat ze eens na. Dan zult u zien dat het eigenaardige tuitmondje voorkomt bij mensen, die bijzonder fel reageren aan de ene kant en aan de andere kant eigenlijk niet helemaal rechtuit zijn. En dat wordt dan wel bijzonder duidelijk.

Is de onderlip vol en de bovenlip streepvormig en tamelijk recht, dan hebben we te maken met iemand die grote zinnelijkheid vertoont. Dat wil zeggen: deze persoon houdt van de goede zijden des levens. Maar de bovenlip geeft weer aan dat hij ze alleen voor zichzelf verlangt, hij zal u niet zo gemakkelijk erin laten delen. Het is iemand die u gauw verkeerd inschat, omdat hij erg joviaal kan doen, maar die ongeacht de jovialiteit naar buiten toe zeer sterk egomaan pleegt te reageren, als het gaat om de goede dingen der aarde.

Is de bovenlip wat opgekruld, dan hebben we niet te maken met iemand, die ‑ zoals men wel denkt ‑ zeer emotioneel is, maar met iemand, die geneigd is de we­reld te beschouwen als een plaats waarin men deze persoonlijkheid (het ego) dient te vereren. Personen met deze dikke bovenlip zijn dan ook niet bestand tegen kritiek. Dit is een heel belangrijk punt, want deze mensen zullen de kritiek niet altijd heftig beantwoorden, maar het vreet wel door. Het eindresultaat is heel vaak dat ze, geconfronteerd met te veel kritiek, weglopen of zenuwziek worden. Het is maar dat u het weet. Het is goed om daar rekening mee te houden.

Dan bestaat er ook nog zo’n gezegde: een man of een vrouw met een vierkante kin is een doorzetter. Laten ze u maar andere sprookjes vertel­len; die zijn leuker. Het is namelijk helemaal niet de vorm van de kin, deze hangt onder meer af van de vorming van het kaakbeen, maar het is de houding van de kin; en daar moet u op letten.

Als iemand de onderkaak als gewoonte naar voren steekt, dan hebben we te maken met enorme doorzetters, wilskrachtige figuren. Maar wilskrachtige figuren, dat moet u niet vergeten, ma­ken slachtoffers onder allen die niet in staat zijn hen te doorzien, distantieer u eventueel van deze personen.

Is de kaak teruggetrokken (een wijkende kin), dan geeft ze over het algemeen een zekere volgzaamheid aan. Ook met deze volgzaamheid moet u zich niet vergissen. Iemand heeft eens gezegd: “Een schaap is het meest volgzame dier dat er bestaat, maar als het eenmaal schichtig wordt, dan bezorgt het zichzelf en anderen een ongeluk.” Dat geldt ook voor mensen bij wie de kin normaal naar binnen terugwijkt.

Ook de oren zijn de moeite waard. Als u naar de oren kijkt zal het u opvallen dat de oorschelpen alle van vorm verschillen. Er bestaan ech­ter bepaalde aanduidingen. Zo zegt men bv.: een vastgegroeid lelletje geeft aan dat een zekere mate van innerlijk gehoor aanwezig is. Vergeet u dat maar! Dat hoort bij een bepaalde mystiek en geldt alleen, indien het lichaam eveneens aan een aantal voorwaarden voldoet.

Als de oorschelp naar boven toe een beetje faunachtig is, dus puntig, dan hebben we te maken met figuren die wederom wat sluw zijn. Iemand die dergelijke oorschelpen heeft, is geneigd altijd van anderen misbruik te maken. Het is goed daar rekening mee te houden.

Heeft u iemand met een kleine, fijngevormde oorschelp waarvan de binnenronding normaal is gevormd, dan is deze persoon geneigd om zeer opmerkzaam te zijn. Het klinkt een beetje vreemd; een klein oor en zeer attent, maar het is begrijpelijk als we even teruggaan naar het verleden. Kleine oren betekenden dat je meer moest opletten. Het betekende dus een scherpere gerichtheid van de oren en meestal ook een vergrote tastzin. Dit alles bij elkaar genomen maakt het de moeite waard te zeggen: dit is gedurende geslachten gegroeid en dat betekent dat erin de genen een af­wijking is die ook deze neiging tot grotere waakzaamheid, vooral visuele waakzaamheid, met zich brengt. Dergelijke personen zien erg scherp. Als zij dus heel vreemd naar je kijken, dan moet je niet opvallend trach­ten te zien wat er aan je mankeert, maar je moet wel onopvallend je ver­wijderen om dan te kijken of er misschien toch iets pluis is.

Het gezicht geeft ons meer indrukken. Als wij een gelaat beschouwen, dan zijn er altijd bepaalde vertekeningen. Als we bij een jong persoon (onder de 40) zien dat de gelaatsspieren, die vanaf de jukbeenderen (dus van­af de oogkassen) naar beneden lopen te slap zijn, dan hebben we zeer waar­schijnlijk te maken met iemand die niet gezond is. Het is alsof er een beetje spieratonie is.

Nu zijn er rond de oogkassen een groot aantal spieren. Als u goed thuis bent in de microfysionomie, dan kunt u die spiertjes afzonderlijk lezen, omdat hun verschil in spanning namelijk ook veel verraadt over de toestand waarin de persoon zich op dat ogenblik bevindt. Maar is er een verslapping en weet u zeker dat die persoon geen kater kan hebben vanwege de feestelijkheden van gisteren, dan heeft hij waarschijnlijk migraine of neiging tot migraine. Deze persoon zal over het algemeen in bepaalde delen van het zenuwstelsel een overspanning ervaren en dat zal altijd samenhangen met het hoofd.

Als iemand een tumor in het hoofd heeft, dan is het wonderlijke dat we dit uitgedrukt zien rond de beide ogen. Dan zien we niet alleen dat de oogzakken wat meer dan normaal voor die persoon naar voren trekken, maar we zien bovendien dat de ogen iets wegtrekken, en wel schuin naar beneden in de richting van de onderkant van de oren ongeveer. Het is net alsof de spier daar verzakt is. Aan één kant is de afwijking het sterkst; en dat is meestal de kant tegenovergesteld aan die waar een druk op de hersenen is, dus waar een tumor of een hersenbeschadiging is.

U heeft ongetwijfeld ook ervaringen gehad met mensen die ziek zijn. Daarbij heeft u onwillekeurig bepaalde tekens waargenomen in de gezichten. Nu ontdekt u een soortgelijke uitdrukking bij een ander. Dan is het natuurl­ijk niet zeker dat die ander dezelfde kwaal heeft, maar er is een moge­lijkheid. Als u nu opeens inspiratief denkt: zou die niet dit of dat heb­ben, dan is de kans heel groot dat u voor een deel althans gelijk heeft. Gaat u nu letten op de gelaatsuitdrukking, de manier waarop de verschil­lende spieren staan, de spanningen die er zijn, dan kunt u heel veel be­reiken.

Nu weet ik dat er heel veel dingen zijn waarin u zich erg kunt vergissen. Er zijn bv. mensen die ingevallen wangen hebben. En lopen er ook nog een paar scherpe lijnen, dan bent u geneigd te denken: die zitten er wat zorgelijk voor. Maar het is evengoed mogelijk dat ze geen gebit of een slecht gebit hebben. Hetzelfde geldt voor een bovenlip die wat opgetrokken is. Ook weer: een slecht zittend gebit. De onderlip puilt op een wat eigenaardige manier uit; teruggetrokken mondhoeken, de onderlip steekt uit. Niet in een zak­kend tuit-model. Dat is ook weer een slecht zittende prothese. U moet er gewoon rekening mee houden.

Het is duidelijk dat de oren van iemand, die regelmatig een bril draagt, aan de bovenkant iets anders staan (er is meer ruimte tussen oor en hoofd) dan van iemand, die niet gewoon is een bril te dragen. Oorschelpen moet u dus niet alleen beoordelen naar hun vorm, maar u moet ook even kijken: deze is een brildrager en die niet. Dat kunt u trouwens ook zien aan de uitdrukking van de ogen.

Bij iemand die altijd een bril heeft gedragen en sinds korte tijd contactlenzen draagt zien we nog altijd de knijpuitdrukking, die automatisch ontstond als hij geen bril ophad. Dat wil zeggen dat de wenkbrauwen iets naar binnen getrokken zijn, het voorhoofd licht gefronsd is en de ogen iets geloken zijn. Dat zijn dingen waarmee u rekening moet houden. Ze komen gewoon door de hulpmiddelen die die mensen gebruiken.

Als u op dergelijke tekens alléén zou zeggen: deze mens heeft deze of gene kwaal, dan moet u zich wel even afvragen of er nog een andere oorzaak is. Ga vooral op de gelaatsuitdrukking af en op wat er bij u over komt. Naarmate u meer gevallen heeft meegemaakt van mensen die ziek waren, mensen die in bepaalde moeilijkheden zaten, zult u gemakkelijker die oude ervaringsbeelden associëren met hetgeen u ziet en u krijgt daardoor een snellere en betere indruk van wat er met de ander aan de hand is.

Veel mensen hebben ook belangstelling voor de houding. Ze wordt vaak door de arbeid en dergelijke mede bepaald. Iemand die regelmatig over zijn bureau hangt, vooral als hij geen goede bureaustoel heeft, krijgt nu eenmaal afzakkende schouders. Dat is geen mistroostigheid, het is ook geen slapheid, maar doodgewoon een beroepseuvel. Iemand die voortdurend loopt te poten op een landbouwbedrijf, heeft de neiging de ene schouder wat hoger te houden en de ander lager. Dat zegt helemaal niet dat die man uit het lood is geslagen. Het zegt alleen dat hij, gewend aan een bepaalde houding, deze haast automatisch ook aanneemt terwijl hij in een ruststand is. Van de houding kunnen we dus niet zoveel zeggen.

Interessant is het naar de handen te kijken. Er is erg veel te zeg­gen over de vingers. Er zijn een paar dingen waarop u heel goed moet let­ten.

Als het bovenste vingerlid met de nagel uitloopt in een verbrede vingertop, die bovendien iets plat, bijna rechthoekig is, dan heeft u te maken met iemand die erg heerszuchtig is. Dit komt altijd uit. Heeft u iemand bij wie de onderste delen van de vingers dik zijn, dan is dat zeer waarschijnlijk een persoon die eveneens de geneugten des vlees zeer gaarne geniet en die daarnaast – vooral wat betreft voeding e.d.-  minder beheerst is. Zo’n persoon zal verder een beetje instabiel reageren.

Lange vingers behoeven niet noodzakelijk artisticiteit aan te duiden. Men denkt dat wel; het is niet waar. Wel is van betekenis: bij artisticiteit is het verschil van lengte tussen de vingers niet zo groot. Hier hebben we een normaal verschil (de hand van het medium). De middelvinger steekt ongeveer één cm uit. Het verschil naar de pink is ongeveer l,5 cm, naar de duim is het 2,5 cm. Een normale hand dus. Als we nu een hand hebben waar de drie middelste vingers bijna even lang zijn (het verschil is nihil of bijna nihil), dan hebben we te maken met grote handvaardigheid. Is daarbij ook de pink langer, dan hebben we iemand die vooral zeer goed is in het behandelen van allerlei gecompliceerde apparaten. Hij zal waarschijnlijk ook een zeer goed pianist zijn, maar een slecht violist. Ik weet niet waarom, maar dat is zo.

Alles wat er rond ons is drukt niet alleen zichzelf uit, maar ook de wezens eigenschappen die er achter verborgen liggen. U kent allen wel het verhaal van de man, die zo lang de zeeleeuwen had gevoederd dat hij op het laatst ook zo’n snor had, ook zo’n ronde kop en ook tegen zijn vrouw blafte, vooral kort voor het eten. Dit is natuurlijk overdreven, maar het kan voor ­komen.

Alle mensen drukken met hun gelaat uit wat ze zijn. De gelaatsuitdruk­king die een mens aanneemt kan misleidend zijn. Er zijn mensen die glim­lachen terwijl ze je dood wensen. Maar de manier waarop ze glimlachen en vooral die onwillekeurige spiertrekkingen bij de ogen en bij de neusvleugels plus eventueel de houding van de kin/kaak maken u wel duidelijk, dat dat geen gemeende glimlach is. U kunt er dus veel uit leren.

Dromen

Als we denken aan gezichten, dan denken de meeste mensen aan een ge­laat. Maar een droom is ook een gezicht op een andere wereld. Ook met dro­men kun je heel veel moeilijkheden krijgen, als je ze verkeerd gaat uitleg­gen. Wij hebben al eens eerder gezegd: neemt u in ’s hemelsnaam geen droomboek van onverschillig welke grootheid, want die geven zelden of nooit weer wat de werkelijke betekenis van uw droom is. Het is een algemene middelmaat. Dat is net zoiets als een regering, die zorgt voor de gemiddelde burger. En omdat deze niet bestaat, komen alle burgers in opstand. We gaan eens kijken wat er aan dromen belangrijk kan zijn.

U heeft een eigen manier van spreken, een eigen terminologie. Als u aan uw lichaam denkt als aan een voertuig, dan zal elk voertuig dat in uw droom figureert waarschijnlijk mede betrekking hebben op uw eigen lichamelijke toestand. Denkt u aan uzelf als aan een geest, dan zult u eerder vlinderdromen hebben. U zweeft. U bent een vlinder of een libel; u voelt zich gevleugeld. In dergelijke gevallen heeft u het over geestelijke waarden en drukt u dus uit wat voor u geestelijk van belang kan zijn. Zo kunt u – uitgaande van uw normale denken en taalgebruik – al nagaan wat verschillende droomsymbolen betekenen. Want alles wat u uitspreekt is verbonden met een beeld. De manier waarop u zich normaal pleegt uit te drukken geeft dus gelijktijdig aan welke begrippen ook als beeld in u de hoofdrol spelen. Wij kunnen, als we dromen willen interpre­teren, eenvoudig rekening houden met het volgende:

Alle vormen van licht hebben in ieder geval te maken met positieve waarden. Alle dromen waarin vuur voorkomt, hebben over het algemeen een negatie­ve waarde, omdat de oude instinctieve angst van de mens voor het vuur, die nog steeds ergens aanwezig is en vaak ook de ziekelijke attractie tot het vuur, hier wel degelijk een rol spelen. Heeft u te maken met licht: goed. Heeft u te maken met vuur: verkeerd. Ziet u iets in het schijnsel van het vuur: een positieve mogelijkheid. Bereidt u iets op een vuur: zeer waarschijnlijk laat u zich leiden door uw slechtere instincten; u moet een beetje uitkijken, want u werkt uzelf in de puree. Zie u het licht ergens doorheen schijnen: u bent bezig met problemen of denkbeelden, die doorzien kunnen worden, waardoor er een oplossing voor te vinden is. Het bekijken tegen het licht, betekent: u heeft op dit moment inspiratieve mogelijkheden, gebruik ze.

We hebben ook uittredingen. Daar zijn we ook lang mee bezig ge­weest. In de droomsymboliek, dus in de gewone droom, spreek je met jezelf. De droom brengt vanuit het onderbewustzijn van de mens erkenningen en bood­schappen in een beeldtaal over. Daarbij is de bron waaraan het beeld ont­leend is van minder belang. Om u een voorbeeld te geven:

  1. U heeft net een spannende t.v.‑thriller gezien of een mooi boek ge­lezen waar op elke bladzíjde tenminste drie lijken gezaaid zijn. Nu gaat u dromen. U droomt dat u zelf doodt. Wat zegt u dan tegen uzelf? Ik zoek een instrument om mijn gevoelens van onmacht af te reageren.
  2. U droomt dat men op u schiet of dat men u dreigt te doden. U bent op de vlucht: er zijn bepaalde problemen in mijn omgeving die ik niet on­der ogen wens te zien.
  3. U loopt ergens voor weg: ik moet ze nader bekijken. Dit alles is ontleend aan een romannetje, maar de manier waarop het is samengesteld is de samenhang plus de waardering die u heeft voor sommige dingen, maken de betekenis uit.

Het zal u duidelijk zijn dat het hierdoor veel moeilijker is de dro­men van een ander te verklaren dan uw eigen dromen; als u tenminste eer­lijk bent tegen uzelf. Want als u dat niet bent, kunt u ook uw eigen dro­men nooit goed uitleggen. Ik herinner mij een geval dat iemand zei: “Jezus is de kamer bij mij binnen­gekomen met alle apostelen.” Dit was het verhullen van iets anders. De persoon in kwestie namelijk was niet gehuwd en begeerde een deel van de voordelen van deze staat toch wel ten zeerste. In deze stelling werd ze dus door verscheidene heren in de droom bezocht. Maar dat was niet aanvaardbaar voor haar religieuze inzichten. Dientengevolge werden ze dus Jezus en de apostelen. U moet dus wel eerlijk zijn tegen uzelf.

Heeft u te maken met de dromen van anderen, dan kunt u eigenlijk al­leen uitgaan van uw eigen associaties; dat maakt het wat moeilijker.

Toch zijn er altijd een paar dingen die u moet onthouden en die bij elke po­ging om een droom voor een ander te duiden doeltreffend plegen te zijn.

Beweging geeft altijd actie aan. Een beweging die plotseling overgaat in een andere beweging of in stilstand: één verandering wordt aangevoeld. Gebeurt dit met een schok: u kunt aannemen dat het op korte termijn zal plaatsvinden. De tweede beweging is niet te overzien, ze gaat gewoon door totdat men wakker wordt: de verandering is iets wat je eigenlijk te laat opmerkt. Je moet eens goed kijken in de omgeving of in je eigen persoonlijkheid, of er niet zekere dingen zijn veranderd de laatste tijd.

Omdat praktisch alle mensen licht associëren met leven, met iets po­sitiefs, dient u te onthouden:

Kleuren kunnen wij voor een ander moeilijk uitleggen. Maar licht als zodanig zal door iemand die droomt worden onderscheiden in prettig en hel­der of droefgeestig en somber.

Helder licht, vreugde of vreugdige mogelijkheden. Hier wordt aange­duid dat de persoon in de huidige situatie over mogelijkheden beschikt om zich een beter bestaan, enige vreugde, kortom, een verbetering van de hui­dige toestand te verschaffen.

Het licht is mistroostig, droevig: buiten eigen beheersing om veran­deren de omstandigheden. De persoon dient zich snel aan te passen. Zo dit niet geschiedt, ontstaan er allerlei stress‑situaties waar men beter verre van kan blijven.

Voor veel mensen, maar niet voor allen, hebben dieren een bijzondere betekenis. Iedereen heeft zo zijn eigen liefhebberij of voorliefde. Kent u de liefhebberij van degene voor wie u de droom verklaart, dan is het volgen­de weer interessant:

Men droomt van een aanwinst. Bijvoorbeeld: een dier komt aanlopen en is erg lief. Iemand die planten verzamelt krijgt een mooie bloeiende plant: men voelt aan dat er een vernieuwing op komst is. Deze is dan posi­tief, want ze betekent een verbetering van de huidige situatie. Men heeft te maken met een ziek dier, men wordt als dierenvriend aangeval­len door een dier, planten verwelken of men staat opeens in een leegte waar alleen nog maar zand is in plaats van planten: er zijn op dit ogenblik in uw normale gewoonten eigenaardigheden geslopen waardoor u zeer veel kunt verliezen. U waarschuwt uzelf dat u heel goed moet uitkijken en vooral u moet beheersen, omdat u anders ten onder dreigt te gaan. Ook hier weer een betrekkelijk eenvoudige benadering. Dit wil niet zeggen dat u nu allemaal perfecte droomuitleggers wordt, maar u heeft er wel iets aan.

Als u droomt over de dingen van de dag, dan moet u altijd één ding onthouden: u bent bezig met deze dingen. Als u grote spanningen ondergaat door te dromen van actuele situaties waar­in menselijke invloeden een rol spelen, dan moet u zich wel afvragen of u zich ten aanzien van uw medemensen en uw situatie in de wereld wel juist heeft opgesteld. Dergelijke angstdromen komen namelijk meestal voort uit besef van: ik reageer eigenlijk niet juist; of: ik geniet voordelen die ik eigen­lijk niet verdien. De realisatie hiervan is zeer goed.

Dan hebben we ook wel eens te maken met dromen waarin erotische elemen­ten voorkomen. Als dit het geval is, betekent het op zichzelf niets. Onthoudt u dat goed. Het kan uit zuiver lichamelijke drijfveren voortkomen of uit een erkenningsbehoefte. Dat is heel normaal. Het begint bij de puber en het blijft doorgaan tot op zeer gezegende leeftijd. Als je een honderdjarige bent, kun je wel niets meer, maar je droomt er nog wel van. Op zichzelf hebben dus de erotische scènes weinig te zeggen, maar ze drukken wel een verhouding uit.

Omdat erotiek voor de mens over het algemeen niet alleen bestaat uit lichamelijke, maar mede uit geestelijke contacten ‑ dat moet u goed onthou­den! ‑ zal in de droom de erotiek altijd mentale situaties uitdrukken en niet alleen een lichamelijk contact of een lichamelijk wensleven. Waar de si­tuatie onbevredigend wordt, duidt ze aan dat u niet op de juiste wijze reageert ten aanzien van anderen. Dat zegt u in feite. Droomt u dat het wel gaat, dan zegt u dat de juiste geestelijke verhouding bestaat. Trek echter daaruit geen materiële consequenties zonder meer, anders komt u meestal bekocht uit.

Als we bepaalde symbooldromen hebben, dan weten we tegenwoordig allemaal wel, sedert Freud populair is geworden, dat bezemstelen e.d. mannelijke sekssymbolen zijn, terwijl kruiken, glazen, roemers en alle ande­re holle voorwerpen een vrouwelijk sekssymbool voorstellen. Dat kan natuur­lijk waar zijn. Maar als je begint deze uitleg te geven, dan trek je eigen­lijk alles weer in het seksuele vlak. Dat moet u niet doen.

Een bezem is namelijk niet altijd een mannelijk geslachtssymbool.

Als u droomt dat u een bezem in de hand neemt en veegt, dan kan dat heel goed betekenen dat u beseft dat het noodzakelijk is om eindelijk eens orde op zaken te stellen, zeker op bepaalde punten die u allang bezighouden. Als u droomt dat u een grote kruik heeft en daaruit drinkt, dan betekent dat niet noodzakelijk dat u als man naar de meisjes wilt. Dan kan dat heel goed betekenen dat u kennis kunt verkrijgen. U bent er misschien te lui voor, maar die kennis heeft u nodig. U heeft in de omgeving mogelijkheden om te leren, te absorberen, vaardigheden te verkrijgen enz.. Maak daar ge­bruik van. Zeg tegen uzelf: ik heb ze nodig. Op deze manier wordt de droom heel iets anders dan men er meestal van maakt: alleen een voorzien van de toekomst.

Er zijn natuurlijk ook voorspellende dromen. Er zijn visioenen, die sa­menhangen met alle geestelijke krachten die op de wereld werken. Er zijn dromen van uittredingen in vele soorten. Maar aangezien wij deze over het algemeen zeer moeilijk kunnen herkennen voor wat ze zijn, is het verstandig om in de eerste plaats na te gaan: wat is mijn eigen rol? Hoe is deze rol te vertalen? Was het licht of was het niet licht? Was er beweging of was er alleen maar een verandering van beweging? Is er een verandering in het landschap of de omgeving of is er een verandering in mijzelf? Een verandering in de omgeving geeft namelijk aan dat u beseft in een situatie te verkeren waarin de veranderingen buiten uw wil en schuld om moeten plaatsvinden.

Als u droomt dat u zelf verandert, dan wil dat zeggen dat u tegen uzelf zegt dat u de huidige situatie niet langer kunt aanvaarden en daar­om een andere vorm of gedaante verlangt, in feite echter een ander contact met de buitenwereld. Door allereerst uit te gaan van deze heel eenvoudige regeltjes – u kunt ze gemakkelijk onthouden ‑ kunt u een basis vinden voor uw droomleven. Bovendien kunt u enig idee krijgen van de betekenis van de dromen van anderen, als ze u die vertellen.

Als u een droom voor een ander moet ontleden, dan zal hij heel vaak ook vragen: kun je me niet iets meer concreets zeggen? Let u dan weer op het gezicht, want het gezicht van een persoon verraadt wel degelijk met welke problemen hij te maken heeft. Het maakt duidelijk dat er misschien een ziekte is of althans één lichamelijke onregelmatigheid. Het maakt duidelijk dat die persoon op een bepaalde manier pleegt te rea­geren. Calculeer dat in en u zult over het algemeen die ander zelfs goede raad kunnen geven aan de hand van een droom, die u slechts ten dele kunt ontleden, omdat u nu eenmaal niet de volledige achtergrond kent van de dromer of droomster.

Ik meen dat ik u hiermee een paar zeer eenvoudige aanwijzingen heb ge­geven waarmee u veel kunt doen.

Handlijnkunde

Heel veel mensen houden zich bezig met handlijnkunde. De lijnen van uw hand geven inderdaad iets weer van uw leven. Maar een hand wordt mede gevormd door manier waarop u werkt. Een vereelte hand heeft nu eenmaal een ander lijnenspel dan een niet vereelte hand, ook al zullen vele deskundi­gen dat misschien ontkennen. De hoofdlijnen zijn over het :algemeen duidelijk. Als u wilt weten wat ze betekenen, dan kunt beter een van de vele boekjes daarover raadplegen. De weergave van de hoofdlijnen is daarin heel goed en voor mij is het praktisch onmogelijk om dit verbaal duidelijk genoeg te beschrijven.

Linkerhand en rechterhand worden verschillend gewaardeerd. Onthoudt u dit: het belangrijkst dat men in een hand kan lezen is niet de toekomst, maar wat de persoon is.

Een hand die week is en waar veel kussentjes zijn vooral onder de vingers zegt dat dit een persoon is die niet veel werkt. Zien we boven­dien dat de vingertoppen zacht en schoon zijn zonder enige verruwing van de huid, dan is dat iemand die het nogal gemakkelijk neemt.

Kijken we verder naar de handpalm, dan letten we vooral op de handwor­tel, de plaats waar de handpalm uitloopt in de pols. Belangrijk is: beginnen de lijnen bij de aanzet van de palm zodat de muis van de hand al of niet omlijnd wordt. Mensen met een zeer grote vitaliteit (en dan moet u aannemen dat die veel tegenslagen kunnen verwerken, als u hen de hand leest hebben altijd een lijn die doorloopt tot aan de handwortel. Verder hebben de meeste van hen twee of meer kleine lijnkransen die om de pols heen schij­nen te lopen. Ziet u dit, dan heeft u te maken met iemand die zeer veel aankan. U moet dus alles wat u wilt interpreteren positief doen.

Als u zie, dat er op de vingertoppen hier en daar prikjes zijn, dan doet die persoon aan handwerken; die heeft zich aan een naald geprikt. Wilt u een psychisch rapport opbouwen gebaseerd op vertrouwen, dan kan zo iets u van dienst zijn. Let dus op die kleine tekens. Handen hebben nog meer te vertellen. Kijk naar de nagelriemen. Zijn ze goed verzorgd? Zitten ze los of vast? Ze zeggen iets over de zorg die de persoon voor zichzelf heeft. De manier waarop de nagelriem opzij is inge­scheurd, geeft bovendien ook aan welke spanningen er zijn. Kijk ook of iemand nagels bijt. Iemand die op zijn nagels kauwt, is over het algemeen een zenuw­pees. Dat wil dus zeggen dat u daar wat langzaam aan moet doen. Misschien denkt u dat dit allemaal van weinig betekenis is. Maar vergeet u één ding niet;

Alles wat wij paranormaal willen doen voor een ander (dat geldt voor ge­nezing, voor psychische hulp en vele andere dingen) moet gebaseerd zijn op een zo juist mogelijk erkennen van die persoon. Een droom kunt u het best uit­leggen als u een duidelijk beeld heeft van de dromer. Een zieke kunt u het gemakkelijkst helpen, als u niet alleen aan de hand van die kleine verschuivingen in de fysiognomie kunt zeggen: “die kwaal is waarschijnlijk”, maar als u bovendien nog enig begrip heeft van de situatie van die mensa

Let ook op de bewegingen van een mens. Er zijn mensen die arthritis heb­ben; dus eigenlijk verstijfd zijn en toch een zekere élégance behouden. Er zijn ook mensen die helemaal niets mankeren en toch een wat robotachtig bewegingspatroon vertonen. Bewegingen geven dus ook iets aan, want die zijn niet alleen bewegingen van de souplesse van het lichaam, ze geven gelijktij­dig ook de innerlijke gesteldheid aan.

Als u iemand ziet wiens bewegingspatroon grof is, dan kunt u aannemen dat die persoon ook grover reageert. Is er een zekere élégance, dan kunt u aannemen dat deze persoon in ieder geval in een goede samenwerking func­tioneert. Hier zijn alle delen van het ‘ik’ goed op elkaar afgestemd. Met al deze dingen tezamen kunt u uw medemens beter benaderen.

Gaat u nu niet voor de spiegel staan om te kijken: heb ik nu een pruime­nmondje of heb ik een bovenlip zo of zo. Want als u uzelf zonder dit niet kent, zult u uw spiegelbeeld toch verkeerd interpreteren en ongetwijfeld u een brevet van geestelijke bekwaamheid geven dat u niet verdient. Ken uzelf, dan heeft u dat niet nodig. Maar uw medemens kent u niet. En zelfs als u denkt uw medemens te kennen, dan zijn daar toch bepaalde facetten bij waarvan u denkt: ik moet even uitkijken. Met daarop: Probeer te begrij­pen wat er schuilgaat achter het uiterlijk van de ander: Let daarom op alle kleine tekens die u kunnen helpen. Op deze manier zult u u beter op een medetrens kunnen afstemmen. U zult hem daardoor gemakkelijker be­reiken, u zult hem beter kunnen helpen en uzelf juister kunnen opstel­len t.a.v. de ander. En dat kan u ongetwijfeld ook voor veel inspanning, geestelijke spanningen en schade behoeden.

Amuletten

Een amulet is iets wat geluk brengt; althans eigenschappen heeft waardoor men zich gelukkiger of beschermder gevoelt dan zonder dat. Elk voorwerp kan een amulet zijn, omdat geen geestelijke eigenschappen, maar de eigen geestelijke instelling hier in de eerste plaats bepalend is.

Als u een amulet maakt voor een ander, dan moet de ander niet be­grijpen wat u heeft gemaakt, anders denkt hij dat hij het moet controleren. En als hij het controleert, dan gelooft hij niet meer. Dit wil zeggen, dat de meeste amuletten dus worden gemaakt met ‑ let wel ‑ raadselspreu­ken, godsnamen of lettertekens die niemand kan lezen. Als u dus iemand een bijzonder krachtig werkzaam amulet wilt geven, dan is het in uw land raadzaam om dit in joodse of Arabische schrifttekens uit te voeren. Aan de andere kant zijn er mogelijkheden om aan een voorwerp bepaalde krach­ten te verbinden. Het wonderlijke is dat die krachten niet in de eerste plaats worden bepaald, zoals menigeen denkt, door de namen en de tekens die erin zijn gegrift. Het is vooral de bedoeling die erin wordt gelegd. Daarom is het erg belangrijk dat iemand die een amulet maakt het ook met alle zorg en bijzonder zorgvuldig doet.

U kunt van mij een recept krijgen voor een zeer eenvoudige amulet dat geluk brengt.

U neemt een stukje klei. Daarvan maakt u een schijfje ongeveer ter grootte van een gulden. Nu concentreert u zich zo goed u kunt op geluk. Het eerste beeld dat in u opkomt, probeert u met een enkel lijntje of een letter aan te geven in de klei. U grift dit in met een speld of een naald, dus heel dun.

U stelt zich dan een tekentje voor dat voor u waarheid of geluk be­tekent. Dat kan een kruis, een ster of een cirkel zijn. Het kan elk teken zijn, maar het moet iets zijn dat u met geestelijke kracht of met geluk of met goddelijke liefde associeert. Dit teken grift u onder de letter. Daarna zet u boven de letter wederom wat tekentjes. Ik zou suggereren dat u hiervoor een paar vleugelachtige lijntjes neemt (een paar fors uitgeval­len wenkbrauwen mag ook). Vervolgens sluit u het schijfje af van het licht en u laat het in het donker ongeveer een week drogen. Nu komt voor u wel het belangrijkste, want u heeft nu een zegeltje gemaakt: dit dingetje is van klei, het is dus tamelijk bros én breekbaar. U neemt nu een gewoon stukje staniol (aluminiumfolie) of tin. Terwijl u probeert uw kracht in te stralen in het staniol (niet op het schijfje klei, maar of het staniol of tin) maakt u daarvan een vorm, die volgens u voldoende is om het nu hard geworden brosse schijfje te bevatten.

U vouwt het zorgvuldig om het schijfje heen, nadat u het heeft ingestraald. Daarna doet u het in een lapje dat u dichtnaait. U mag het ook dichtknopen, dat geeft niet. Nu heeft u een soort suikerdotje gekregen dat uw ge­dachten bevat, puls een deel van uw instraling. Indien u dit heel zorgvul­dig heeft gedaan, brengt dit u inderdaad geluk. Weet u waarom?

Omdat u zo sterk ermee bezig bent geweest en tenminste wel tweemaal met het zoeken naar de krachten van het geluk, de positiviteit in het le­ven dat u deze heeft overgedragen aan het voorwerp. Indien degene die het draagt er bovendien nog aan gelooft (dat is ook van belang), zal deze daardoor zijn afgestemd op alle positieve reacties en als zodanig geluk hebben. Want hij begrijpt namelijk niet dat wat de mens geluk noemt over het algemeen datgene is wat hijzelf, ondanks alles, maakt van de omstandigheden waarin hij verkeert. Dit is een heel eenvoudig recept. U kunt het nog eenvoudiger van mij krij­gen, maar dan moet u toch iets meer weten van lijntjes.

U neemt een stukje dik, niet gelinieerd wit papier. Als het kan linnenpapier of z.g. perkament. U snijdt daaruit een cirkeltje zo groot als een rijksdaalder. In het cirkeltje tekent u twee keer weer een cirkeltje. Tussen deze lijntjes zet u eerst uw opdracht, als het kan in latijn, maar het mag ook in het Nederlands. Bijvoorbeeld: dat het zegen moge brengen, dat het geluk moge brengen, dat de kracht van die of die met u moge zijn. Nu heeft u om die cirkeltjes te trekken het middelpunt al moeten bepalen. U trekt nu door dit middelpunt drie lijnen. Dan krijgt u a.h.w. een sterre­tje. U zorgt dat de afstand tussen de lijnen t.a.v. de binnenste cirkel even groot is als de afstand tussen de binnenste en de buitenste cirkel. Nu zet u een kruisje op de bovenste (?) en u maakt van het onderste steel­tje een soort P, met een lijntje eronder. Daarna zet u aan beide kanten een H. Dan houdt u dus nog twee lijnen over en één vak dat open is. Nu schrijft u in die open vlakken boven Alpha (rechts) en beneden Omega (links). Daarna voorziet u de laatste streepjes van een z.g. sluitteken; dat is een licht gebogen lijntje. Als u dat nu zorgvuldig heeft gedaan met het gevoel dat u werkelijk daarmee iemand kracht wilt geven, dan heeft u het hele geval geladen.

Er is nu nog iets eigenaardigs gebeurd: u heeft hier een lijnenstelsel gebruikt dat z.g. vierdimensionaal is. Het is namelijk niet alleen het be­kende kruis, de snijding van krachten, maar er is een extra lijn aan toege­voegd; en deze lijn betekent afweer. Daardoor heeft u een bescherming aan­gebracht tegen alle invloeden van geestelijke, bovennatuurlijke aard. Daar­voor dienen ook die sluitlijntjes. U heeft Alpha et Omega neergeschreven. Dat is nu eenmaal een term die wij gebruiken om begin en einde, eeuwigheid of God aan te duiden. Hierdoor heeft u het geheel in harmonie gebracht met de hoogste kracht, want al doende heeft u ook daaraan moeten denken, an­ders had u die tekens niet kunnen schrijven. Nu vouwt u dit geheel in een envelopje. Bíjvoorkeur van hetzelfde materiaal, maar dat hoeft niet, als het maar geen bedrukt of gelinieerd papier is. U geeft het zegeltje aan iemand mee en het brengt ook weer geluk. En omdat u hier heeft gewerkt met eeuwigheidswaarden (geestelijke waarden), is het niet zo belangrijk dat iemand erin gelooft als bij het eerste zegel.

Deze dingen noem ik amuletten, omdat ze in feite alleen een zekere be­scherming bieden of een zekere positieve kracht aantrekken. En dat is nu de kunst van het amuletten maken. Met deze paar voorbeelden, die oneindig kun­nen worden aangevuld natuurlijk, heeft u niets anders gedaan dan een afwe­rende of aantrekkende werking vastleggen, die de drager van de talisman zal overnemen. Het is gewoon een vorm van magnetisme.

Als je leeft in de wereld, dan zijn er allerlei krachten die op je af­komen. Daar zijn de krachten uit de geest, de werkingen van de Witte Broeder­schap, de directe kosmische golven die uit uw heelal komen of invloeden die nog van ergens anders komen. Al die dingen zou u zich kunnen voorstellen als iets wat als een magneet werkt. Als ik een zegeltje maak, dan maak ik ook een magneetje. Maar ik bepaal de waarde die het heeft. Het zal bv. alle zuidpolen afstoten en alle noordpolen aantrekken. Dat betekent dat ik een bepaald deel van het veld, dus een bepaalde stroming, tot mij trek en een ander deel af­weer. Dit kunt u doen door de geestelijke instelling t.a.v. bijna alles wat om u heen is. Dat kunt u ook doen zonder dat u zo’n tekening of een voorwerp maakt, want voor uzelf is het eigenlijk niet nodig om dergelijke dingen te doen. Indien u zich juist instelt, dan trekt u de juiste harmonieën aan, en andere stoot u af. Maar u kunt meestal die werking voor een bepaalde persoon niet handhaven gedurende langere tijd. Daarvoor dient nu die talisman of amulet.

U maakt een voorwerp waarin uw eigen kracht is vastgelegd. Die kracht blijft met u verbonden, die is een deel van uw wezen. Ze blijft harmonisch met u. Nu behoeft u niet meer bewust te denken en u bewust in te stellen, omdat die instelling is vastgelegd in het voorwerp. Als er een behoefte optreedt, dan wordt u er a.h.w. door gewekt en u begint te reageren vol­gens de kracht die in het amulet zit. Waaruit bovendien nog blijkt, dat amuletten en bepaalde talismans alleen werkelijk betekenis hebben, indien de persoon die ze heeft vervaardigd en die de werking eraan heeft gegeven in leven is of geestelijk bewust is. Dat is misschien goed om dat er even bij te vertellen.

Als u bepaalde amuletten heeft gemaakt voor anderen en u gaat dood, maar u bent bewust, dan zegt u: ik heb een belofte gedaan die móét ik vervullen. Als er nu een wekteken komt (ik ben nog steeds deels ermee in harmonie), dan reageer ik daarop. Mijn geestelijke kracht gaat optreden als vervanger van hetgeen ik eens geestelijk, toen ik mijn lichaam nog had, was op aarde. Maar nu gaat u dood en u zit zich af te vragen: waar zit ik nu, potverdorie? Dan komt dat signaal en u zegt alleen maar: weg, ik weet niet waar ik zit. Dan jaagt u het weg als een wesp. U kunt er ook wel door ge­stoken worden, maar dan krijgt u alleen de pijn, niet het besef. Daarom geldt voor alle amuletten, talismans e.d. die met kracht zijn gela­den: hun werkzaamheid wordt bepaald door de innerlijke activiteit van het amulet en de toestand en het bewustzijn van de vervaardiger.

Er zijn natuurlijk ook andere methoden die we kunnen gebruiken om iets aan een ander over te dragen. Een van de eenvoudigste is dit:

Neem twee voorwerpen die identiek zijn. Laad beide op met uw kracht. Dat doet u gewoon door ze a.h.w. in te stralen. Nu geeft u één voorwerp aan een ander of u brengt het in een andere ruimte. Het andere houdt u zelf. Die twee zijn gelijk van vorm, gelijk van instraling. Dat betekent dat ze geestelijk gezien naast elkaar staan. Op het ogenblik dat u het ene voor­werp instraalt, wordt die straling mede gewekt in het andere voorwerp. Hier is het nodig dat u elke keer bewust op het eerst ,voorwerp inwerkt om de werking te verkrijgen in het tweede voorwerp. Maar er zit nog een haakje aan.

Gesteld dat een ander beseft wat dat voorwerp is en daarop inwerkt, dan ontstaat die werking als een straling ook bij het voorwerp dat u ge­bruikt. Daarom geldt dat u een dergelijk voorwerp nooit bij u mag dragen. Het verstandigst is het om het ergens te bewaren in het donker en als het kan in een lapje van natuurzijde. Waarom? Zijde heeft de neiging om nogal wat statische effecten te vertonen en die vormen alweer een bescherming tegen al te grote en directe invloeden, die vanuit het voorwerp zouden voortkomen zonder dat u het wilt.

Misschien wilt u het nog een beetje beter en deftiger doen? Dan moet u er wat astrologie bij halen.

Iemand behoort tot een bepaald teken van de dierenriem. Dat teken heeft zijn eigen metaal. Iemand heeft ook zijn eigen heersende planeet.

Ook deze is uit te drukken in een metaal of soms in een steen. Als wij die twee nu bewust combineren, dan kunnen we een sieraad maken ‑ heel kunstzinnig of heel erg plomp ‑ waarin de eigenschappen van die persoon vertegenwoordigd zijn, maar nu in een harmonie.

Uw heersende planeet betekent voor u de dominerende werking in uw leven. Uw teken houdt in feite in uw lichamelijke en geestelijke oriëntering ten aanzien van de omgeving. Deze beide factoren kunnen nu zo wor­den samengebracht dat ze onderling harmonisch zijn. Laten we zeggen: iemand heeft als planeet zon en hij heeft als steen bv. topaas of aqua­marijn. Dan maakt u bv. een gouden ring waarbij u bewust denkt aan die persoon en u voegt daar de steen in. Indien steen en ring op harmonische wijze in elkaar sluiten, dan betekent dit dat de planeet de werking van het sterrenteken weerspiegelt en omgekeerd. Anders gezegd: geestelijke en stoffelijke waarden worden in balans gebracht. Door deze balans zal de persoon gemakkelijker, sneller, juister en bewuster reageren dan anders het geval is. Het geeft geen bescherming tegen ongelukken, maar het betekent wel dat u eerder beseft dat er een ongeluk kan gebeuren en dat u sneller zult reageren, zonder nadenken om het ongeluk te vermijden, indien het nood­zakelijk of wenselijk is. Zo’n voorwerp heeft dus ook zijn eigen betekenis.

Sommige mensen hebben een structuur, die het best kan worden uitge­drukt als een aantal afzonderlijke laagjes. Het zijn schijnbaar heel orde­lijke mensen, maar zoals bij alle mensen loopt er hier en daar een streep doorheen. Het is dus een soort rasterwerk van balkjes. Maar niet alle balkjes zijn natuurlijk even lang, dat is duidelijk. Als u nu een tekening zou kunnen maken waarop die gelaagdheid van de persoon, plus de verschil­lende afwijkingen harmonisch worden weergeven, dan heeft u iets gemaakt waarin die persoon is vastgelegd .

Nu zult u zeggen: het zijn maar lijntjes. Lijntjes kunnen echter onder omstandigheden de werkelijkheid vervangen. Een van de aardigste demonstraties op dit terrein is eens gedaan door iemand die een tekening maakte van de technische voorstelling, die hij goed kenden even goed als zijn omgeving, van een elektrische batterij plus een leiding plus een schakelaartje dat eindigde in twee open lijntjes. Daarop legde hij twee hoopjes soldeer neer. Aan het soldeer maakte hij een draadje vast en aan het draadje een klein elektromotortje. Daarna nam hij een potlood en hij sloot met een lijntje de schakelaar. Het motortje be­gon te draaien! Toch er geen batterij aanwezig. Hieruit blijkt dus dat elektriciteit op een andere manier ook kan worden opgewekt. Het motortje draaide in feite op menselijke energie, die werd veroorzaakt door de symbooltekening welke voor de tekenaar stond voor de werkelijkheid. Daardoor verving hij, beperkt natuurlijk maar toch kenbaar, door het motortje die werkelijkheid door zijn eigen energie. Het motortje bleef draaien totdat de lijn verbroken werd. Maar was de persoon in kwestie en alle anderen weggegaan, dan had het motortje ook niet meer gedraaid.

Dit krankzinnige grapje is nu precies hetzelfde wat u uithaalt, als u een tekening maakt van een persoonlijkheidsstructuur. En als de symbolen juist gekozen zijn, dan heeft u in wezen de ideaaltoestand van een mens uit­gedrukt. Dat betekent: zodra er een vergelijkbare kracht of toestand aanwe­zig is, het hele geval ineens begint te werken als een persoonlijkheid. Het is dus een stabiliserende invloed. Dat maakt men ook in het metaal dat hoort bij de figuur of bij zo’n hoofdplaneet. In andere gevallen maakt men er 7 en dan volgens de heersers van de dagen. Het is een oud magisch gebruik.

Men zei dat deze ringen zegen brachten. Dat is niet helemaal waar. Maar wat deze ringen wel deden: door de juiste structuur die ze hadden, stelden ze de mensen in staat zichzelf gelijk te blijven. Ze konden niet door emoties overweldigd worden, omdat ze altijd meester bleven van hun emotie. Ze konden niet ziek of onevenwichtig worden zonder dat ze automatisch probeerden het evenwicht zo snel mogelijk te herstellen. Dat was het enige waarvoor ze die ringetjes en voorwerpjes, die vroeger ook wel werden gemaakt als sluitgespen voor mantels, eigenlijk konden gebruiken.

Nu begrijpt ik al direct wat u zeggen wilt: hoe maakt men nu zo’n persoonlijkheidsstructuur?

Kijk naar iemand zoals hij zich gedraagt. Zijn er in die persoon veel tegenstrijdigheden die u opvallen, begin dan twee balletjes te teke­nen die schuin tegen elkaar staan. Kijk dan verder of die persoon een wil heeft. Heeft hij een sterke wil, zet dan een streep door de balletjes heen. Teken daaromheen een vijfpuntige ster met de balletjes als middel­punt. Dan hebben we namelijk de hoofdstructuur van een mens: de dimensio­nale verhouding van een mens met een geestelijk streven en een paar hoofd­lijntjes die uw visie op de persoon aangeven. Als u die zo positief moge­lijk uitdrukt (de wil bv. stabiliseert in dit beval de onevenwichtigheden die u constateert), dan geeft u die mens daarmee iets wat hemzelf even­eens stabiliseert. Draagt zo iemand het altijd bij zich, dan is het inder­daad een talisman; het brengt geluk.

Nu heeft men ook wel andere methoden gebruikt om talismans te maken. U weet hoe een indiaan zijn medicijn maakte. Hij ging het bos in totdat hij, van honger en dorst en andere ellende droomde dat hij met een manitou te maken had. Hij zocht een beestje en een plantje. Hij nam een stukje van het beestje en een stukje van de plant en zoals de manitou had gezegd, wat rode aarde. Dat alles werd in een zakje gedaan en dat weer in een zakje. Daar schreef hij misschien nog wat op of hij deed er een stukje leer in met zijn nieuwe naam erop. Dat was dan zijn medicijn; in feite een talisman. Wat was dat nu? Dat was een poging om de persoonlijkheid uit te druk­ken. De naam die hij koos was over het algemeen de naam van hetgeen hij wenste te zijn. Als iemand nu koos voor bv. ‘Snelle Arend’, dan wilde hij ver kunnen zien en snel kunnen toeslaan. Koos hij; ‘Zachtvoet’, dan wilde hij een goede sluiper zijn. De een voelde meer voor het krijgsmansvak, de an­der meer voor stelen.

Nu kan ik heel goed begrijpen dat u de mogelijkheid en de lust niet heeft om op een dergelijke manier uw persoonlijke medicijn te vervaardigen. Maar er is iets anders waarmee u iets kunt doen.

U gelooft aan bepaalde geesten. U heeft misschien het gevoel dat een bepaalde persoon, die op aarde heeft geleefd, uw beschermer is. Nu behoeft dat niet waar te zijn, maar u gelooft dat. U gelooft verder dat er een be­paalde kracht of invloed bestaat. Dat kan net zo goed Meester Kutumi zijn als de Orde der Verdraagzamen of iemand anders. Ik geef maar een voorbeeld om duidelijk te maken hoe weinig het erop aan komt wat u als zodanig ziet. Nu neemt u of een voorstelling van Meester Kutumi of diens geschreven naam of het sterretje van de O. D. V.. U doet dat in een portefeuille en u draagt dat bij u. Wat heeft u nu gedaan? U heeft uw geloof aan hogere waarden en aan bescherming tezamen met uw gevoel van geestelijke macht en beïnvloeding bijeengebracht. U draagt dit bij u en u weet onbewust dat u het bij u heeft. Hierdoor beroept u zich voortdurend op krachten die overeenstemmen (niet noodzakelijk identiek zijn) met hetgeen u in het zakje (portefeuille) mee­draagt. Hierdoor krijgt u betere resultaten. Dit is ook een soort talisman. Het werkt. U moet het maar eens proberen.

Dan heb ik nog een laatste trucje voor u. Het is zonder stoffelijke waarde. Hier is geen materie voor nodig, maar wel een beetje meditatie.

Als u lang heeft nagedacht over wat u bent en wat u wilt, dan moet u proberen om dat in een woord samen te vatten. Het kan soms een krankzin­nig woord zijn: pukkel of ubbelebub. Het geeft niet welke klanken het zijn. Als u al nadenkend een paar keer een vergelijkbaar woord of een vergelijk­bare klank heeft gekregen, dan schrijft u dat op en wel fonetisch. Dus niet zoals u denkt dat het geschreven moet worden, maar zoals het klinkt. Leer dat woord van buiten. Elke keer  als u denkt: nu zit ik in de puree, of: nu heb ik kracht nodig, haalt u zich dat woord voor de geest en u zegt dat woordje – al is het maar heel zachtjes. Het kan een ademtocht zijn, maar het moet naar buiten komen. Dan zult u tot uw verbazing merken dat u inderdaad het gevoel heeft dat u veel meer kunt, dat u meer bereikt, dat u eindelijk weer een uitweg ziet uit de moeilijkheid.

Hoe zou dat komen, denkt u? Dat is heel eenvoudig en begrijpelijk. Het is namelijk een magisch‑psychologisch foefje. U heeft nagedacht, u heeft dus gemediteerd. U heeft zich afgevraagd: wat ben ik? Wat wil ik? U heeft in wezen dus vastgelegd wat u wilt zijn: de harmonie die u wilt nastreven. Dat betekent dat er voor u maar één juiste weg is tussen al­le andere dingen op aarde, de rest is bijkomstig. In de geest trouwens ook. Er zijn maar bepaalde dingen die voor u een werkelijke betekenis heb­ben.

Wanneer de dingen betekenis hebben en u bevestigt dat zo, kunt u dat vanzelf als prettig ervaren. Het is dan niet meer belangrijk hoe het wordt uitgedrukt, maar wel, dat u de juiste instelling heeft, dat u op de juiste manier uw gehele wezen richt op dat wat u werkelijk wilt zijn. En dat doet u nu met dat woord. Want dat woord representeert uw overwegingen, uw toestand van meditatie en al wat u daar verder aan heeft besteed. Uw onderbewustzijn kent dit geheel en brengt als door een soort posthypnotisch bevel die toestand weer teweeg maar nu in relatie met de om­geving, met de situatie, met het probleem, waarmee u zit. Dit houdt in dat u dan automatisch reageert, dat u a.h.w. inspiratief de juiste ideeën krijgt. En dan doet u die dingen welke juist zijn volgens uw wezen en per­soonlijkheid. Niet de dingen, die juist zijn voor de buurt of waar u beter van wordt in financieel opzicht. Neen, datgene wat u werkelijk bent, wat u werkelijk wilt zijn dat wordt meer waargemaakt. Een mens, die nastreeft wat hij innerlijk wil zijn, zal gelukkiger zijn naarmate hij dat meer waar­maakt. U wordt daardoor dus gelukkiger.

Er is echter een tweede punt bij.

U heeft ‑ geestelijk en stoffelijk ‑ krachtreserves, die u zelf nog nooit heeft gebruikt. Maar uw ware persoonlijkheid en uw ware gericht­heid vallen samen met het gebruik van al uw vermogens, al uw kracht. Het resultaat is dat door deze uit het onderbewustzijn komende afstemrang van het wezen er krachten beschikbaar komen waarvan u bewust niet eens wist dat ze er waren. U heeft dus meer energie, meer geestelijke in­vloed en kracht, maar u kunt ook een stoffelijk uithoudingsvermogen op­brengen dat verder gaat dan voor u gebruikelijk is. Daardoor kan zo’n enkel woordje (een soort verbale talisman) u helpen om op de juiste ma­nier te reageren en het brengt u heel veel geluk.

U kunt dit alleen voor uzelf maken. U kunt nooit een dergelijke klank voor een ander samenstellen. Wel kunt u zich op die klanken be­roepen wanneer u een talisman of amulet voor een ander vervaardigt, omdat u daarmee nog een juistere afstemming krijgt van uw wezen en uw persoonlijkheid. Onthoudt u één ding wel: het kan ook zijn dat u daardoor de zaak opzij schuift en zegt: dat doe ik niet. Want dingen die je uit je gevoel en je denken zou willen doen, zijn soms voor de gehele persoon­lijkheid in feite onaanvaardbaar.

Ik hoop u hiermee een paar practische tips te hebben gegeven. U behoeft in deze dingen niet te geloven, maar u moet ze wel proberen. Want dat is met al deze zaken: als u het nooit probeert, kunt u het ge­makkelijk afwijzen. Als u het a priori aanvaardt, zult u er waarschijnlijk meer van verwachten dan er in wezen in schuilt.

Ik heb getracht om het zo eenvoudig mogelijk te stellen. De recepten die ik u heb gegeven zijn natuurlijk voor wijziging vatbaar, maar dan moet het wel een overlegde wijziging zijn. U moet het doen, omdat u het gevoel heeft dat het zó beter is, niet omdat u denkt dat het zo gemakkelijker is.

Dus niet zeggen: ik heb geen klei, nou dan doe ik het maar door het te graveren in een plaatje metaal of door het in een benen knoop te krassen. Dan gaat het niet. Maar als u het gevoel heeft: ik kan beter een stukje metaal nemen, dan doet u dat. En wat dat betreft: erg eerlijk zijn als het even kan, uzelf zo goed mogelijk afstemmen en daar kan het laat­ste foefje u vaak bij helpen.

Robijn

Diep rode gloed. Bloed gestold tot steen. Flonkering, waarin mis­schien het ijzer speelt met licht. Werkelijkheid? Of toch misschien al­leen een werking van de tijd, die in het ‘ik’ herinneringen wekt en zo het even toch doet zijn, anders dan het zichzelf kent.

De sleutel van de werkelijkheid is niet het gestolde bloed, is niet de kristallijnen richting, de gloed die straalt. Het is eerder het ‘ik’ dat in zichzelf dat wat het ontvangt voor zich veredelt, totdat het meer zichzelf is en meer beantwoordt aan het geheel waarvan het deel is, deel blijft, deel moet zijn.

Zo bent u zelf een robijn. Misschien zal zij uw wezen dan weerkaatsen en in u nieuw de krachten stralen, die u vergeten heeft. Maar zij maakt u niet adept. Zij maakt u niet tot meer dan gij werkelijk zijt. Zij wekt u slechts, opdat ge weer beseft dat wat vergeten was.

Zo zijn de stenen, zijn de planten, de metalen, ja, het gras, zo goed als lucht en stoom. Ze vertalen voor de mens dingen van de eeuwigheid. Als het besef dat hij ontvangt hem dieper in zichzelf leidt tot waar­heid die hij zelf is, zo zegt hij: het geeft mij meer. Het is een kracht die mij beroert. Het is een richtsnoer dat mij voert, omdat ik zelf nog niet besef. Het beantwoordt slechts aan wat ik ben: mijn eigen harmonie.