Magische Zelfopenbaring

 

uit de cursus ‘ Occulte Wijsbegeerte ‘ (hoofdstuk 6) – maart 1968

Magische zelfopenbaring

Als wij het begrip “magie” hanteren, staan wij altijd even wat verwonderd te kijken naar de mogelijkheden die erin zouden liggen en gelijktijdig naar ons eigen onvermogen. Want enerzijds nemen wij aan, dat magisch zeer veel kan worden gepresteerd; anderzijds ontdekken we steeds weer dat wij zelf tekort schieten en vaak met de meest ingewikkelde riten en procedures nul op het rekwest krijgen.
Het zal u duidelijk zijn, dat de magie als geheel niet kan worden opgevat als iets, wat alleen buiten de mens bestaat. Het occultisme omvat een zeer groot aantal wetten, die althans tot heden toch niet als natuurwetten en levenswetten zijn erkend. De magie echter past deze toe. Om dat mogelijk te maken dient er een punt van, beroering te zijn tussen de kracht of de wereld, die ik magisch oproep en mijn eigen wereld.
Het scheppen van een brandpunt wordt ritueel heel vaak gedaan door het tekenen van pentagrammen, het scheppen van een bepaalde sfeer, het spelen van bepaalde melodieën etc. Maar toch blijft dikwijls het resultaat uit. Want al te vaak neemt men aan dat entiteiten, die men magisch tracht op te roepen, kunnen worden gelokt door geuren, structuren, machtswoorden (klanken, muziek), die in de eigen wereld worden gebruikt. Indien dit het geval ware, zou een ieder zelfs de minst geschoolde die over de juiste magische formule en eventuele opstelling beschikt, in staat moeten zijn om geesten op te roepen of krachten te openbaren. Dit is kennelijk niet het geval en nooit het geval geweest. Daarom moeten wij teruggrijpen naar die ene factor, die alle dingen samenbindt en daaruit a.h.w. het magisch geheel vormt: het ego.
Dit ego kent in zichzelf voorstellingen, gevoelens, bewustzijn en is in staat deze uit te stralen op een zodanige wijze dat ze op elk vlak van bestaan kenbaar worden. (Voor degenen, die dit te vaag vinden, verwijs ik naar vorige lessen, waarin dit uitvoerig is behandeld.)
Moet ik vanuit mijzelf tot een magisch bereiken komen, dan impliceert dit ook dat ik alleen dan magisch kan bereiken, indien ik tenminste t.a.v. mijzelf, mijn voorstellingswereld en al wat daartoe behoort een zekere zelfkennis heb verworven. Omgekeerd moeten wij stellen, dat elk zelfs maar ten dele geslaagd magisch experiment ten gevolge moet hebben, dat men zichzelf juister gaat zien. Het een is met het ander verbonden. Ik kan niet zonder meer iets magisch waar maken en gelijktijdig blind blijven voor wat ik zelf ben: Ik kan niet in mij iets duidelijk en volledig erkennen zonder gelijktijdig daarmee een mogelijkheid voor mij te verkrijgen, die magisch mag heten.
Magische zelferkenning is een wat zonderling proces. Ik meen, dat wij in het kader van deze occulte filosofie in zekere zin ook daaraan aandacht moeten wijden. Het berust op het feit, dat al wat ik doe als mens of als geest niet alleen de erkende en in mijn wereld gangbare betekenis heeft, maar daarnaast een groot aantal meestal door mij niet direct besefte of erkende invloeden uitoefent.
Dus elke uiting van het “ik” bevat een groot aantal van niet direct en bewust gekende waarden en werkingen. Een mens, die zich begint te verwonderen over die eigenaardige relatie, die er bestaat tussen zijn handelen en denken en datgene, wat hij uit de wereld schijnbaar als een toeval ervaart, zal misschien zeggen als ik goed doe, dan moet ik dat ergens terug krijgen. Of, als ik kwaad doe, dan straft zich dat toch weer. Ook dit is niet altijd het geval. De verklaring is kennelijk nog te eenvoudig. Durf ik uitgaan van het principe, dat al hetgeen buiten mijn bewust willen en ageren om, het resultaat is van mijn acties, zonder dat ik de samenhang direct kan verklaren in een voor mijn wereld logisch verband, dan kan dat worden beschouwd als deel van een magisch gebeuren. En dan ben ik een hele stap verder.
Ik stel:
1. Alle voor mij niet verwachte resultaten van mijn bewuste actie, moeten worden onderzocht in hoeverre zij behoren tot een logische of niet logische samenhang.
2. Daar, waar geen logische samenhang kenbaar is, moeten eigenschappen van mijn wezen een rol daarin spelen.
3. Eigenschappen van mijn wezen, die eenmaal een bepaald effect hebben veroorzaakt, zullen dit ook volgende malen kunnen doen. Erkenning van deze eigenschappen vergroot mijn beheersingsmogelijkheid.
Alle erkenningen omtrent mijn wereld of omtrent mijzelf vergroten voor mij het inzicht in mijn werkelijke mogelijkheden en betekenis, doch zijn gelijktijdig een erkenning van nog niet rationeel gekende wetten, die mijn bestaan regeren. Met die punten heb ik geprobeerd vast te leggen wat er met de magische zelferkenning eigenlijk aan de hand is. U allen handelt in uw leven vaak minder rationeel dan u zou willen. De resultaten ervan zijn vooral voor u wat eigenaardig. Hoe komt dat? U heeft een deel van uw persoonlijkheid ingeschakeld, waarvan u zich niet bewust was. U heeft krachten of mogelijkheden van uw persoonlijkheid tot gelding gebracht, die u normalerwijze niet bewust pleegt te uiten. U heeft magisch gewerkt. Denk niet, dat de magie vreemd is aan het dagelijkse bestaan. Daarover hebben we in het verleden meer dan genoeg gezegd, zodat ik mij nu kan beperken tot een opsomming van enkele feiten.
De doorsnee mens doet een beroep op onbekende krachten en put daaruit kracht.
De doorsnee mens tracht de vastheid van een verklaring van zijn wil of wezen met een beroep op in feite imaginaire of althans niet reëel kenbare krachten te bevestigen.
Een mens heeft contact met wezens of waarden, die hij niet verder kan omschrijven en die hij persoonlijke eigenschappen pleegt toe te kennen. Hij weet niet, waar ze vandaan komen, maar hij heeft daarmee contact en kan daardoor vaak iets bereiken. Er zijn natuurlijk veel meer aanleidingen te geven, maar deze enkele voorbeelden zijn genoeg. In uw leven spelen onbekende factoren dus een rol. Waarom heeft u zolang tegenslag gehad en valt het nu ineens mee? Daarvoor moet er een verklaring zijn. Waarom heeft u voortdurend een gevoel gehad van machteloosheid en nu vaak langs een door u geheel niet verwachte weg vindt u uw oude vermogens, uw oude kracht en sterkte terug? Dat kan nipt alleen aan de wereld liggen; dat moet ook in u zijn oorzaak hebben. Want pas als het eigen “ik” als totaliteit met een bepaalde mogelijkheid harmonisch is, kan die worden gerealiseerd. Hoe meer ik nu weet van de in mij bestaande mogelijkheden en eigenschappen, des te gemakkelijker ik mij zodanig in harmonie kan brengen dat het gewenste mogelijk wordt. Ik stel dan als volgt:
1. Elke actie, onverschillig welke, waarin meer van mijn wezen dan alleen het redelijke deel een rol speelt, zal gedurende mijn verblijf op aarde geestelijk en stoffelijk gevolgen met zich brengen, die ik niet met de rede alleen kan verklaren.
2. Mijn besef voor deze schijnbare onverklaarbaarheden of noodlottigheden in mijn bestaan, maakt het mij mogelijk in mijzelf door te dringen en te gaan beseffen, dat ik zelf in de wereld dingen waarmaak. Ga ik ver genoeg, dan blijkt bovendien, dat dit waarmaken niet verbonden is met mijn wensen, maar met mijn feitelijke voorstellingen en verwachtingen. (Ik verwijs hier o.m. naar hetgeen we hebben gezegd over fantasie.)
3. Als ik onbewust bepaalde dingen kan veroorzaken of waarmaken, moet dit bewust eveneens mogelijk zijn. Hierbij is de redelijke verklaring van geen enkel belang. Magische zelferkenning berust niet op de redelijke verklaring, maar in de eerste plaats op een erkenning van een oorzaak en gevolg verhouding. Ik hoop, dat vooral dit laatste ook duidelijk is.
Je kunt nu eenmaal als mens je totale wezen en alle mogelijkheden daarvan niet redelijk omschrijven. Je bent niet in staat precies te vertellen wat je wel en wat je niet kunt. Maar je weet, dat een zekere instelling, een bepaalde actie een bepaald gevolg pleegt te hebben. Ik weet dus: Indien ik dit doe, wordt dit oorzaak voor dat. De erkenning van deze relatie geeft mij ook zonder dat ik de zaak redelijk kan verklaren een aanduiding. Ik doe A; en A betekent voor mij: dat ik verstandelijk en gevoelsmatig een bepaald iets kan omschrijven. Het resultaat is B: Dan betekent dit: dat mijn instelling redelijk beschouwd omvattende alle waarden van A de werking B met zijn resultaten in de wereld veroorzaakt. Dan zal elke werking in de wereld, die gelijk is aan B of daarmee is te vergelijken; op mij persoonlijk inwerken en in mij de rationele of emotionele factor A wakker roepen. Het klinkt erg ingewikkeld, maar dat is het niet. Het is eigenlijk doodeenvoudig.
Als ik weet welke aspecten in de buitenwereld bij mij iets wekken en begrijp dat dit inhoudt, dat een bepaalde innerlijke toestand (die dus gelijk is aan het veroorzaakte) mij helpt om buiten mij weer datgene tot stand te brengen, wat oorspronkelijk de emotie bij mij veroorzaakte, dan kan ik dus in de eerste plaats zeggen:
Alles, wat mij van buitenaf bereikt, geeft iets aan van de totaliteit van mijn wezen; een zelferkenning.
In de tweede plaats kan ik daardoor zeggen: Alles, wat ik zelf doe en zo in de buitenwereld tot stand breng, omschrijft een deel van mijzelf.
Nu wordt het dus duidelijker waar die magische zelferkenning eigenlijk vandaan komt. Zij is niet alleen maar gebaseerd op het waarderen van het “ik” aan de hand van de verschijnselen buiten het “ik”, of misschien op de inwerkingen op het “ik”. Het is doodeenvoudig het erkennen, dat de totaliteit van mijn wezen voor mij slechts kenbaar kan worden in de verhouding tussen dat “ik” en de buitenwereld. Want het gaat hier helemaal niet om vaststaande waarden. Het gaat hier juist om wisselwerkingen, die voortdurend kunnen variëren, maar waarvan ik altijd een van de twee factoren ken. Zo kom ik tot een zelferkenning.
Die zelferkenning is wederom niet geheel redelijk. De constateringen zijn rationeel. Dat is duidelijk. Als ik weet, dat als ik iemand een klap geef en dan een klap terugkrijg (in het ene geval een straf, in het andere geval een beloning), dan kan ik heus wel beredeneren wanneer ik wel en wanneer ik niet moet slaan. Je kunt misschien een keer misslaan. Maar ja, misslag is menselijk.
Als ik dus ga zeggen: He, er zijn dingen, die gebeuren zonder dat ik de samenhang kan verklaren, dan moet ik dus aannemen: hier werkt voor mij een niet bekende, onzichtbare wet. Want niets in de wereld kan bestaan, zonder dat een kosmische wetmatigheid of een afleiding daarvan eraan ten grondslag ligt. Hierdoor wordt het ook duidelijk, dat elke mens eigenlijk een steeds meer persoonlijk leven moet gaan leiden. Niet dat die mens zich uit de gemeenschap behoeft terug te trekken; dat is helemaal niet waar. Maar die mens moet beseffen, dat zijn handelingen, zijn gedachten, zijn instelling en daarmee ook wat de wereld voor hem betekent, alleen vanuit hemzelf kan worden bepaald. Er bestaan geen magische standaard recepten, zoals er ook geen esoterische standaard recepten bestaan. Er is alleen maar de mogelijkheid iets te bereiken, indien men uitgaat van zichzelf.
De conclusies, die hieraan verbonden zijn, zijn vanzelfsprekend:
Mijn verstand plus mijn gevoelswaarde maken het mij mogelijk een houding te bepalen tegenover de wereld. Daar hierbij de placering of de toestand van de wereld altijd zal bepalen hoe ik kan reageren, bestaat er voor mij geen vaste gedragsnorm, doch slechts een variabeler die op erkende verhoudingen is gebaseerd. Alweer een relativiteit. Er is zoveel relatief in het menselijk bestaan, dat je het als mens haast niet kunt verwerken. Maar het is juist de erkenning van deze relatieve waardering en de noodzaak tot relatieve waardering zelf, die het me mogelijk maken magisch te werken.
Wat is mijn “ik” dan? Mijn “ik” is kennelijk een zeer uitgebreid en veel omvattend complex van gevoelens, gedachten, waarden en erkenningen, waarvan ik de limiet zelfs niet helemaal kan constateren. Uit deze complexiteit is het steeds weer nodig om voor mijzelf harmonie te vinden. Dat wil zeggen: de factoren van mijn wezen, die op een bepaald moment actief zijn (of dat nu in denken, in voelen of in handelen is), moeten gelijk gericht zijn. Ze mogen elkaar niet opheffen of bestrijden. Zolang die harmonie er is, zal de wereld mij moeten antwoorden volgens die harmonie.
Wat moet ik dan verder nog zeggen over het ego?
Vanuit het standpunt van de magische werkingen kan ik concluderen, dat mijn wezen in de totaliteit van het Al eigenlijk voortdurend een andere plaats en een andere rol heeft. Je kunt dat doen via b.v. de astrologie en aantonen, dat op elk moment van de dag eigenlijk weer een andere invloed voor je werkzaam is. De geleidelijkheid, waarmee je die verandering ondergaat, houdt nog niet in dat die verandering op zichzelf niet aanwezig is. Onthoud dat goed: Maar dan is ook mijn harmonisch vermogen van dag tot dag anders. Mijn wezen is een in zichzelf besloten geheel, dat zijn relatie met het AL en kosmos voortdurend wijzigt, zodat de harmonische noodzaak en behoefte van de mens zich eveneens voortdurend wijzigen.
Ik geloof, dat het heel belangrijk is, dat we daar even bij stilstaan. Het is zo gemakkelijk te denken, dat je kunt volstaan met een vaste harmonie. De praktijk wijst echter uit, dat dit niet mogelijk is. Mijn mogelijkheid tot harmonie verschilt van dag tot dag tot Al. Wil ik dus bewust magisch werken, dan zal mijn instelling t.a.v. de wereld ook van dag tot dag verschillen. In de magie vinden we daarvan een aardig voorbeeld.
Wij kennen voor elk uur van de dag een z.g. beschermengel. Het zijn overigens 7 planeetengelen, die zich door de 24 uur herhalen. Zijn we aan de laatste gekomen, dan beginnen we weer met de eerste enz. Er is dus steeds een wisselende kracht dominant (zelfs volgens de magiër) voor elk uur van de dag. Maar dan is bovendien dominant: de heerser van een planeet én alle geesten, die die planeet dienen. Naargelang dus de engel van het uur regeert, moet men volgens de magie weer een beroep doen op bepaalde entiteiten, die onder een planeet heerser ressorteren.
Dan moet ik verder rekening houden met de onderlinge stand van de planeten plus nog eens een keer met hun relatie tot -als je het helemaal precies doet- 30 vaste sterren; en aan de hand daarvan weet je welke hoofdkracht van de zon domineert. Ik weet wel, dat men meestal Arcan aanvaardt als de heerser van de zon (als eerste Genius), maar eigenlijk is dat niet waar.
In de zon gaat op een gegeven ogenblik de actieve Godheid (Jod He Vau He) domineren. Een volgend ogenblik wordt dat Adonaï, maar dan wordt het Eloachim, dan Eloi en dan El. Dat verandert dus ook voortdurend. En naarmate de kracht, die in de zon regeert, moet ik mijn formulering opstellen. Ik kan dus niet zeggen: In de naam van zeg IHVH beveel ik U, o geesten, enz. Ik moet wel degelijk nagaan: wie is de heerser van de zon, wie is de engel van het uur (die is intermediair) en op grond daarvan kan ik dus een bevel, in sommige gevallen een verzoek richten tot de entiteiten, die ik wil laten verschijnen.
Elke heerser van het uur, elke regerende Genius (dus de geest, die de meest actieve is voor mijn doel op dat moment) heeft weer eigen reukstof, eigen stenen, eigen hoeveelheden olielampen en eventuele aanvulling van olielampen, beïnvloedt eventueel de kruiden die je verbrandt in een brassier. U ziet, het is een buitengewoon ingewikkelde zaak.
Zo ingewikkeld als dit in de rituele magie wordt, is het eigenlijk ook in onze persoonlijkheid. We zijn niet in staat om zonder meer nu maar altijd vanuit hetzelfde standpunt te reageren, te werken met dezelfde kracht, met dezelfde formule. We moeten ons gedrag voortdurend aanpassen aan ons wezen op dat ogenblik. Een ding moet er nog bij vermeld worden:
In de magie bestaan er vaste regels (die overigens niet altijd kloppen). Maar voor het “ik” bestaan er geen vaste regels, die algemeen gelden. Want hoe de constellatie in het “ik” bestaat, kan alleen het “ik” zelf leren ervaren. Degeen, die met magie werkt, zal op grond van zijn resultaten leren welke factoren in het “ik” de meest variabele en welke de meest actieve zijn. Magische zelferkenning is dus wel degelijk een ervaringsprocedure. In deze tijd zal men de kwestie van magie graag op zij schuiven. We doen het liever esoterisch, wetenschappelijk. We willen het desnoods doen via een geloof, maar niet via de magie; niet via het scheppen van een actieve verhouding t.a.v. onze eigen wereld, waarin bovennatuurlijke krachten mede verwerkt zijn. Maar inwijding, werkelijke bewustwording en werkelijke zelferkenning kunnen nu eenmaal niet geschieden aan de hand van een vast geformuleerd geloof, volgens een vaste procedure van esoterische erkenning en zelfbespiegeling alleen. Er is voortdurend een wisselwerking nodig. Die inwijding confronteert ons dan met wat men pleegt te noemen: de elementen.
Ook over inwijding heeft u heel veel gehoord. Ik kan mij hopelijk dus zonder voorbeelden beperken tot wat met het onderwerp samenhangt.
Als ik te maken heb met aarde, dan betekent dit voor mijn persoonlijkheid niet alleen maar grond of wat er onder de grond zit, maar het betekent in feite een bepaalde structuur van materie. Het is een vorm van zijn en van de invloeden, welke in die vorm van zijn kunnen optreden. Wil ik met de aarde harmonisch zijn, dan kan ik dat alleen, indien mijn zelferkenning (dus de harmonie van mijn eigenschappen) plus mijn actie inderdaad op die materie gebaseerd zijn. Dat houdt dus in dat alles, wat met de aarde als element te maken heeft, een grofstoffelijke beïnvloeding vergt. Wat voor mij magisch gezien dus ook weer betekent, dat alle grofstoffelijke bereiking gepaard gaat met tenminste het stimuleren of op de proef stellen van bepaalde, eventueel harmonische eigenschappen in mijzelf. Ik heb niet alleen maar te maken met de materie, met aarde. Neen, ik heb te maken met een aantal eigenschappen in mijn wezen, die daarop kunnen reageren; en dat zijn ze niet allemaal.
Word ik geconfronteerd met het element water, dan zal ik zien dat mijn ideeën, mijn denkwereld en indirect de astrale wereld hierin een grote rol spelen. Water is voortdurend in beweging; het golft. En zo zegt het eigenlijk reeds Alles, wat in mij met water harmonisch kan zijn, moet ook iets zijn wat mij voortdurend een aanpassingsmogelijkheid geeft. De flexibiliteit van mijn voorstellingsvermogen, van mijn denken en mijn vermogen om juist met de verandering in harmonie te zijn bepalen mijn relatie tot het element. In de magische zelferkenning zou je dus kunnen zeggen;
Naast de vaste zuiver materiële waarden zijn er voor mij astraal merkbare waarden (soms zijn het gevoelswaarden, dikwijls sfeertoestanden), die rond mij bestaan, waarmee ik ook harmonisch moet kunnen zijn. Die harmonieën zijn eigenschappen van mijn wezen. Als ik wil leren hoe ik een bepaalde sfeer moet beïnvloeden en veranderen, dan moet ik ook weten hoe ik in mijzelf een zekere harmonie schep, die ligt op wat wij dan gewoonlijk noemen: astraal vlak.
Vuur. Vuur is louterend, reinigend, zegt men. Men wil het graag alleen zien als een soort vuurproef, een beproeving van de moed van een mens. Maar dat is helemaal niet waar. Vuur is het element in omzetting. Het is het meest alchemistische element, dat er in de mens bestaat.
Als ik in mijzelf met vuur moet werken, dan moet ik bereid zijn om voortdurend uit vele waarden een eindresultaat te produceren. De innerlijke samenwerking van verschillende sferen, verschillende voertuigen en werelden is in overeenstemming met het vuur van het grootste belang. Ik kan dan meester zijn van het vuur, niet alleen als verschijnsel op aarde maar eveneens van alles, wat men in de geest lichtkracht noemt. En dat betekent, dat toch zeker tot aan het begin van de vormloze sferen een bewuste beheersingsmogelijkheid is ontstaan.
Wil men de lucht beheersen, dan weet u het: Lucht is eigenlijk het levenselement voor de mens. Maar daarnaast ook datgene, wat zijn wereld bepaalt en zijn leven mogelijk maakt. Als ik magisch te doen krijg met dingen, die ik niet meer kan omschrijven, die geen sfeer zijn en die niets, te maken hebben met een gevoel of met een kracht, maar die toch het veranderen van verhoudingen of van samenhangen betreffen (menselijk gezien dus volkomen onredelijk en zelfs emotioneel niet helemaal te vatten), dan moet ik innerlijk een harmonie verkrijgen, waarin de totaliteit van mijn wezen kan optreden. Die harmonie zal altijd de hogere waarden uit de lichtsferen moeten bevatten. Ben ik dus in staat te werken met de vier elementen volgens de inwijding van de oudheid, dan heb ik in feite ook geleerd mijzelf te kennen, maar ook mijzelf magisch (dus volgens de onbekende wetten en mogelijkheden van de kosmos) te openbaren in mijn wereld. Inwijding is dus eigenlijk helemaal niet een kwestie van: nu doen we zus en dan doen we zo of: we aanvaarden of we doorstaan. Neen, het is wel degelijk een kwestie van een scheppen van verhoudingen tussen jezelf en je wereld en zelfs de kosmos.
Hier wordt misschien langzaam maar zeker duidelijk wat we met dat idee bedoelen. De magische zelferkenning is iets, wat ik voel, weet of zelfs maar geloof, dat ik in mijn wereld een bepaalde invloed kan uitoefenen. En omgekeerd: dat ik aanvaard dat invloeden uit de wereld, die op mij betrekking hebben, ontstaan door de manier, waarop ik zelf ben.
U zult het na dit alles met mij eens zijn, dat het begrip “magie” in zelferkenning en zelfopenbaring niet te ver gezocht is. Het belangrijke voor een mens is niet dat hij de terminologie kent, maar wel dat hij weet te werken met verhoudingen.
Er zijn een aantal praktische richtlijnen te geven, die in het algemeen (dus nooit direct en volledig) voor ieder persoonlijk van kracht plegen te zijn.
Als ik met die richtlijnen begin, verzoek ik u uitdrukkelijk deze nooit voor uzelf als een handleiding of richtlijn te beschouwen zonder meer. Ze zijn hoogstens een aanleiding voor mogelijke experimenten, die u zelf zou willen ondernemen; meer niet.
Als ik iets uit de wereld ervaar, zal de wijze waarop ik dit doe een bepaling zijn van mijn toestand. Indien deze toestand in mij hernieuwd kan worden gewekt, zal de reactie van de wereld in overeenstemming zijn met de eerste ervaring. Dat is voor iedereen nog wel van kracht.
In dit geval is dat niet meer zo, want hier moet ik stellen:
Acties in de stof, woorden, gevoelens, gebaren hebben voor mij als mens een persoonlijke associatie. Als er in de wereld bepaalde dingen gebeuren, brengen zij bij mij een zekere reactie teweeg. Wil ik van mij uit nu in de wereld ook iets tot stand brengen, dan is het logisch dat deze reacties van belang zijn. Want indien ik deze reacties in mijzelf herschep, gaat er een invloed over de wereld uit, die harmonische factoren wekt. Maar en dit is nu juist het moeilijke punt hierbij, de uiterlijke vorm moet altijd worden aangevuld door de innerlijke toestand, nooit t.a.v. eventuele associaties.
U wilt bepaalde invloeden afweren. Een toestand van afweer, van losmaken gaat bij de mens over het algemeen gepaard met een gevoel van walging of van paniek. Leer u aan, om datgene wat u het meest verafschuwt, plotseling en zo mogelijk onverwachts te zien of te ontmoeten en dan onmiddellijk een bepaald gebaar te maken of een bepaald woord te spreken. U zult ontdekken, dat op den duur het gebaar of het woord voor u de gevoelens van afkeer of walging opwekken. U heeft dan een mogelijkheid u te verdedigen.
Op het ogenblik, dat ik mij niet bewust ben van de werking, die ik in de wereld veroorzaak, zal ik ook de gevolgen daarvan grotendeels niet erkennen,
Dit geldt wederom voor alle mensen. Maar ik zal wel (en dit geldt voor ieder afzonderlijk op de eigen manier) een zeker gevoel hebben t.a.v. hetgeen ik tot stand breng. Dit gevoel zal positief of negatief kunnen zijn; het kan geladen zijn. met opwinding, het kan ook een absolute ontspanning betekenen. Dit gevoel plus de actie zouden reeds voldoende zijn om een daadbepaling en dus een werkingsbepaling in de wereld tot stand te brengen. Ga uit van deze dingen t.a.v. de gekende aspecten, maar probeer daarnaast steeds te zien, of er nog meer resultaten in overeenstemming schijnen te zijn met hetgeen u hebt gedaan. Door het beschouwen van de voor u voorlopig als neveneffect geldende verschijnselen vanuit een bepaalde daad of gemoedstoestand in de wereld gewekt, kunt u leren wat er voor u aan mogelijkheid bestaat en ook op welke wijze een beïnvloeding van de wereld eenvoudig bereikt kon worden.
Een mens zal zichzelf nooit volledig kennen. Hij zal echter wel zover komen, dat hij de meest gangbare reacties op en wisselwerkingen met de wereld voor zichzelf gaat beseffen. Wie eenmaal de regels beseft, die deze wisselwerkingen en reacties beheersen, zal ook zonder deze rationeel uit te werken, voldoende kennis van zichzelf hebben vergaard.

Noot
Als u ontdekt, dat elke keer als u tweemaal met uw vingers knipt het u ineens meeloopt (hetzij dat het verkeerslicht verspringt of dat u misschien ineens weer weet wat u vergeten was), dan is de erkenning, dat dit gebaar een zekere harmonie tot stand brengt met hetgeen waarop u bent geconcentreerd voldoende. U behoeft niet te verklaren waarom. Als u van het resultaat gebruik kunt maken, dan weet u dus ook dat u bepaalde dingen, die voor u belangrijk zijn met zo’n gebaar kunt associëren en daardoor alle daarmede verbonden waarden weer in uzelf kunt wekken. Een zeer praktisch punt is wel dit: De mens is geneigd zijn eigen harmonie in zijn wereld tot bepaalde gebieden of tot bepaalde personen of begrippen te beperken. Hoe meer je, je concept van harmonie beperkt, hoe kleiner ook je mogelijkheid wordt tot beïnvloeding van de wereld. Men moet dus niet proberen, voor alle dingen open te staan dat gaat toch niet naar wel om steeds meer begrip te krijgen voor alle andere dingen. U zult ontdekken, dat een benadering van zaken, die u normalerwijze hebt verworpen, reeds een toestand in u gaat wekken, waardoor u begrijpt wat deze dingen voor u betekenen, of beter gezegd aanvoelt. Door dit aanvoelen (eventueel begrijpen) zult u in staat zijn in u die toestand te wekken, waardoor eenzelfde resultaat in de wereld tot stand wordt gebracht; maar ook een tegengestelde reactie in uzelf te wekken, waardoor een dergelijke toestand voorkomen of althans in haar werking t.a.v. u wordt beperkt.
Beheersingsmogelijkheid bestaat inderdaad. Een mens, die weet wat hij kan doen, vanuit, door en met zichzelf, heeft een zelfkennis verworven, waardoor hij zijn harmonische verhouding t.a.v. de kosmos voortdurend kan vastleggen. En wie deze harmonische verhouding kan vastleggen, heeft een zodanige zelfkennis, dat de realisatie (datgene wat bij de mens nog verstandelijk plaatsvind) op den duur als vanzelf komt.
Magische zelfrealisatie, zelfopenbaring, is een kwestie van leerproces, waarbij aan de hand van de praktijk de theorie langzaam maar zeker duidelijk wordt. En ik mag er misschien bijvoegen, dat juist in dit geval theorie zonder praktijk over het algemeen waardeloos blijkt te zijn. Maar de theorie, die uit de praktijk voortkomt, is vaak de aanleiding om de praktijk verder uit te breiden.

De krachten van  vandaag

De krachten van vandaag worden door de doorsnee mens niet begrepen; maar hij reageert er wel zeer sterk op. Zijn reactie is echter lang niet altijd praktisch. Praktisch reageer je nl. alleen dan als je zelf en zo direct mogelijk ingrijpt, werkt of afwijst.
Nu zult u zien, dat er in de hele wereld op dit moment invloeden zijn, die u er eigenlijk toe brengen te haten of te verwerpen. Als u haat of verwerpt, zult u alle resultaten van haat verwerpen (d.w.z. disharmonie bevorderen. Als u komt tot een aanvaarden en dit aanvaarden is slechts een dulden, dan zult u de gevolgen voor uzelf slechts een klein beetje kunnen beperken, maar u zult er wel voor kunnen zorgen dat de disharmonie en daarmee de disintegratie in de buitenwereld niet wordt bevorderd. Kunt u leren iets te aanvaarden zoals het is en daarin de goede en positieve zaken te zien, dan heeft u dus waar mogelijk voor uzelf een zekere harmonie geschapen. Het resultaat is, dat u nu alle gunstige en bruikbare aspecten, die in dat andere zijn gelegen, naar voren haalt, maar zelf ook ertoe bijdraagt dat hetgeen er in de wereld gebeurt voor u en voor een ieder, die met u enigszins harmonisch kan zijn, gunstig is.
Onthoud wel, dat wat er op het ogenblik gebeurt, een algehele omwenteling is. In die omwenteling kun je als mens en zelfs als geest niet met zekerheid zeggen: Dit en dat is goed; dit en dat is kwaad. Je kunt zelfs niet zeggen: Zo moet het gebeuren. Het is allemaal een verward zoeken en tasten. Maar ik weet wel degelijk wat ik als grondstelling, als bedoeling, aanvaard en wat ik verwerp.
Ga uit van al hetgeen u aanvaardt; niet van hetgeen u verwerpt.Tracht niet beelden te vinden die een ideaal uitdrukken, maar probeer een zodanige aanvulling van een bestaande structuur te vinden, dat u daarmee nog harmonisch kunt zijn, zonder dat u daarvoor eerst te veel moet breken.
In deze tijd is het voor de doorsnee mens fataal, indien hij een absolute vernieuwing nastreeft, omdat zijn neiging tot afbreken hem dan in een roes brengt, waardoor hij geheel negatief gericht blijft. Daarom uitbouwen en aanvullen van het bestaande, voor zover dit mogelijk is, maar nooit proberen om het bestaande nu eens eventjes helemaal en zonder meer door iets nieuws te vervangen. Dat gaat niet. Het brengt disharmonische aspecten en toenemende verwarring.
Geweld en vooral persoonlijk geweld speelt in deze dagen een zeer grote rol. U kunt daaraan niet ontkomen. U kunt nl. niet de disharmonie, die voor een bepaalde mens persoonlijk bestaat, zonder meer opheffen of teniet doen. Maar u kunt er wel voor zorgen, dat u niet betrokken wordt in dezelfde sfeer, dezelfde tendentie. Als u ziet, dat vele mensen onredelijk gewelddadig zijn, dan moet u, indien er al een antwoord nodig is, dit beperken tot het uiterst noodzakelijke. U moet echter wel proberen iets goeds te vinden wat het vechten waard zou kunnen zijn. Hierdoor kunt u er vaak in slagen de woede, en de onredelijkheid van de mensen en daarmee de gewekte sfeer ten goede te keren, voor zover het uzelf betreft.
Een groot gedeelte van de angsten en de verwerpingen in deze dagen komt door een te grote zelfuiting en de behoefte tot zelfexpressie. Zelfexpressie heeft alleen dan zin, indien zij in de wereld een direct resultaat heeft. Heeft zij dit niet, dan is zelfexpressie zinloos en is zelfrealisatie beter. Wie met magische krachten wil werken, zal daarom de waarden in zijn ”ik” zolang in zichzelf behouden, dat hij wanneer een mogelijkheid tot harmonisch manifesteren daarvan zich voordoet, met zeer grote kracht en volledige inzet van zijn wezen, alle mogelijkheden van zijn eigen “ik” buiten hem kan vastleggen.
Veel magische wetten regeren op het ogenblik bijzonder sterk. In een overgangstijd nl., waarin de ene heerser nog niet geheel heeft afgedaan en de andere nog niet volledig heerst, hebben wij een sterke dominantie van de z.g. kosmische stralen of invloeden. Kosmische stralen of invloeden kunnen ons gedrag niet bepalen maar wel de wijze, waarop wij harmonie kunnen gewinnen.
Als ik te maken heb met een straal van energie, dan weet ik dat alle daadkracht in mijn wezen op dit moment tot ontlading moet komen. Heb ik te maken met een periode van verveelde verstilling, waarin ik eigenlijk alleen maar lusteloos afwacht wat er nog meer voor onaangenaams komt (wat ook een bepaalde straal is, die in deze dagen soms optreedt), dan weet ik dat ik hier innerlijk moet trachten een positieve benadering te vinden. Naar buitentoe reageren heeft dan weinig zin. Maar innerlijk een positieve weg, een positieve mogelijkheid vinden, een zekere harmonie, is zeer belangrijk; want die invloed gaat voorbij. En wat ik in mijzelf aan positieve erkenning, aan waarde, aan gelijkmatigheid eventueel aan harmonie heb opgezameld, zal het mij mogelijk maken om bij een meer stimulerende straling onmiddellijk in mijn wereld magisch te werken.
Denk niet, dat u voortdurend magisch bezig kunt zijn in deze dagen. Dat is haast niet denkbaar. Maar u zult wel vaak tot de conclusie komen, dat u een of twee dagen machteloos zijnde, ineens de mogelijkheid krijgt veel te bereiken. Het is steeds weer hollen of stilstaan. Stilstaan betekent in jezelf werken aan een positief beeld, een positief gevoel van verbondenheid. Hollen betekent: die kracht gebruiken om zo snel mogelijk zo veel mogelijk waar te maken.
Een laatste punt, dat in dit verband misschien zeer interessant is:
Er bestaat op dit moment geen enkele vaste menselijke kennis. Ook de menselijke kennis is in gisting. Het heeft weinig zin uit te gaan van dingen, die morgen misschien onjuist kunnen zijn, tenzij het gaat om vandaag. U heeft nu eenmaal uw rationeel denken nodig. En via de rede komt u tot een bepaalde gerichtheid in de wereld; een bepaalde aanvaarding of verwerping. Maar ga dan ook uit van het standpunt, dat alle kennis, die daaraan ten grondslag ligt, alleen vandaag geldt, morgen niet meer.
Vul uw kennis steeds weer aan. Niet alleen met nieuwe stellingen, maar vooral met nieuwe ervaring. Door voortdurend zelf innerlijk in beweging te zijn, door steeds datgene wat je in de wereld zoekt, doet, bereid te veranderen in overeenstemming met nieuwe mogelijkheden, maar ook met nieuwe noodzaken, zult u ontdekken dat u zo sterk invloed op de buitenwereld kunt uitoefenen, dat zij u antwoordt volgens uw verwachting. Hoe meer uw denken afwijkt van hetgeen vandaag wordt erkend, mogelijk en waar is, zonder het te fixeren voor morgen, des te minder kans u heeft dat u iets waar maakt. Wie vandaag een plan ontwerpt, dat over tien jaar moet worden uitgevoerd, zal zien dat het niet wordt uitgevoerd. Maar wie vandaag een plan heeft dat morgen nodig is, vandaag aan de uitvoering ervan begint en op grond van zijn ervaringen die uitvoering morgen eventueel gewijzigd voortzet, zal in korde tijd zeer omvangrijke resultaten boeken.
Directe actie, directe voortgang, directe wisselwerking, is het belangrijke punt van deze.dagen. Wie van u dus de occulte krachten en wetenschappen wil gebruiken om in deze tijd iets te bereiken, moet met het voorgaande rekening houden.
Nog een ding, dat ook heel belangrijk is: Het occulte is de aanvulling van het normale streven en werken, waardoor het schijnbaar onmogelijke mogelijk wordt. Het is nimmer de vervanging van een andere praktijk. Zou u hiertoe overgaan, dan zult u zich in deze dagen juist helemaal machteloos gaan voelen. Dus: eigen actie aanvullen met de occulte kracht om zo te komen tot het maximum resultaat.

Mogelijkheden tot zelfrealisatie

Jezelf te zijn is in de wereld van vandaag een van de moeilijkste dingen, die denkbaar zijn. Men wordt aan alle kanten belaagd door wat men vormende invloeden pleegt te noemen, door suggesties en eenzijdige voorlichtingen. Het zal u duidelijk zijn, dat gezien het gehele sociale systeem en alle daarin werkzame krachten een zelfrealisatie voor de mens belangrijk is, maar gelijktijdig zeer moeizaam op gang zal komen. Indien ik in staat ben te begrijpen wat ik wil, zo ben ik niet bereid om daarbij onmiddellijk ook de consequenties en verdere mogelijkheden te beseffen. Ik zal echter heel vaak niet bereid zijn zo ver te gaan, dat ik, wat ik innerlijk als aangenaam of mogelijk of wensenswaard ervaar ook in de praktijk omzet. Ik doe dit niet, omdat als mens het wezen nu eenmaal geketend is door vooroordelen, opvattingen, beperking van mogelijkheden en wat dies meer zij. Hierdoor ontstaat er een eigenaardige toestand. Zolang ik een in mij levende gedachte of wens niet in praktijk heb kunnen toetsen of althans bij anderen de praktische waarde daarvan voldoende heb kunnen gadeslaan en ervaren, ben ik ook niet in staat mijn begrip te veranderen of uit te breiden. De wens, die in mij bestaat, blijft in mij groeien, krijgt een volledig irreëel aspect, totdat ik op den duur de betekenis daarvan zodanig overschat, dat ik niet meer in staat ben de werkelijkheid van mijn wereld gade te slaan. Daarom zou voor zelfrealisatie in deze dagen toch wel moeten gelden:
1. Indien u iets wenst of als aangenaam beschouwt etc., zult u moeten nagaan, of u daarover regelmatig een soortgelijk denkbeeld hebt. Blijkt dat inderdaad het geval te zijn, dan is uw volgende stap te overwegen: hoe en in hoeverre u dit in de realiteit kunt toetsen. De daarop volgende schrede is: het zoveel mogelijk waarmaken van het gewilde of gewenste en aan de hand van de ervaringen, die men dan opdoet, tot een nieuwe waardering en eventueel een nieuw willen of een nieuw doel te geraken. Hierbij geldt: Zelfrealisatie is alleen dan mogelijk, indien ik in staat ben mijn denkbeelden, stellingen en wensen te beperken tot mijzelf en eventueel tot mijn persoonlijke actie of reactie t.a.v. de buitenwereld, terwijl ik daarnaast bereid ben om aan de hand van deze toetsing voor mijzelf conclusies te trekken omtrent verdere wenselijkheden en mogelijkheden.
2. Zelfverwerkelijking is ook voor een groot gedeelte een vraag van formuleren. Je kunt soms dingen denken op een wijze, waarop ze eigenlijk al direct onaanvaardbaar lijken. Maar de essentie van hetgeen ik wens, is deel van mijn wezen; ze kan eventueel een uitvloeisel zijn van karmische of vormende invloeden in dit bestaan. Als ik dus op de formulering blijf hameren en deze beschouw als een reden tot goed of afkeuring, loop ik vast. Indien ik echter bereid ben om de essentie te beschouwen en mijn praktijk en formulering aan die essentie weet aan te passen op een zodanige wijze, dat ik ook zelf het geheel als aanvaardbaar kan ondergaan, heb ik de mogelijkheid om steeds meer ervaring op te doen en hieruit voor mij ook steeds weer nieuwe mogelijkheden tot bereiking en tot begrip van mijn wereld te putten.
Er zijn mensen, die menen dat je je alleen kunt waarmaken, indien je jezelf aan de wereld oplegt. Maar ik kan nimmer bepalen hoe een ander wezenlijk denkt en reageert. Ik kan hoogstens tijdelijk de uiting van een ander bepalen en richten. Daarom dien ik in dit verband geen rekening te houden met anderen en mag ik ook niet trachten anderen blijvend in mijn richting om te buigen of te veranderen. Ik zal moeten uitgaan van hetgeen ik zelf kan doen, zelf kan zijn en daarbij vooral ook van mijn eigen duidelijkheid t.a.v. de wereld en mijzelf. Geef een mens een mogelijkheid en hij zal onmiddellijk beginnen te overwegen wat de voor en nadelen kunnen zijn. Op zichzelf is daar geen bezwaar tegen. Hij komt dan heel vaak niet tot een beslissing; en dat is foutief. Het houdt ook wel in, dat de mogelijkheid niet voldoende werd beseft, dan wel dat de mens de verantwoordelijkheid voor hetgeen er in hem leeft niet wenst te aanvaarden. Dit laatste houdt dan weer in: een vervreemding van het eigen wezen en van de eigen werkelijkheid.
Zelfrealisatie betekent niet alleen maar jezelf waarmaken zonder meer. Het houdt bovendien in, dat je jezelf waarmaakt op een wijze, waardoor je je eigen wezen steeds verder weet te beseffen; en niet het besef van dit eigen wezen steeds meer en steeds juister in de werkelijkheid weet waar te maken wat er in je leeft.
Een scheiding tussen een innerlijke wereld en de wereld buiten je is naar ik meen in stoffelijke vorm haast onvermijdelijk. Wij kennen nu eenmaal dromen en fantasieën, die we niet zonder meer kunnen omzetten in feiten; maar ze bevatten alle toch wel een element, dat in de werkelijkheid bestaat. Zodra de mens bereid is om zijn innerlijke werkelijkheid zoveel mogelijk aan te passen aan de uiterlijke mogelijkheden en haar gaat omzetten, zal de innerlijke werkelijkheid dus in beweging komen. Er komt een groter besef, een grotere realisatie en zelfkennis uit voort, maar daarnaast ongetwijfeld ook een betere erkenning van hetgeen men in de wereld en ten aanzien van de wereld kan bereiken.
Ik wil enkele voorbeelden geven voor wat mogelijk en wat niet mogelijk is.
Ik begin met een mens, die een medemens, waarmee hij zeer verbonden is, verloren heeft: een moeder een kind, een man een vrouw of iets dergelijks. Men kan nu gaan stellen, dat dit oude moet herleven. Dit is onmogelijk, omdat het “ik” een realisatie wenst in de stoffelijke vorm en wereld, waarin dit niet bereikbaar is. Men kan daarnaast zeggen Dit is onbereikbaar; ik wil het dus alleen maar in mijzelf doormaken. Maar dan ontstaat er ergens een gebrek aan contact met de buitenwereld. Indien ik nu besef, wat mij in feite drijft (de behoefte aan erkenning, aan liefde; de behoefte om te zorgen of verzorgd te worden), dan staat de zaak al anders. Door nu de binding met een bepaalde persoonlijke relatie los te maken heb ik dus een doel gekregen, dat wel stoffelijk te verwezenlijken is. Ik mag dan niet overgaan tot een vergelijking met wat is geweest, maar ik moet de behoefte erkennen, die er in mij bestaat en de vervulling van die behoefte nastreven. Op deze wijze zal ik innerlijk nipt het gevoel hebben onrecht te doen aan b.v. de dierbare overledene, maar zal ik daarentegen het gevoel hebben, dat de geestelijke waarden en contacten plus herinneringen, die in mij een grote rol spelen, nieuwe perspectieven krijgen. Wat een verlies was, komt opnieuw tot leven; maar nu op een wijze, die mijn “ik” in de wereld meer waar maakt en de wereld voor mij een grotere betekenis geeft.
Een tweede voorbeeld:
Er is een mens met een lichamelijke fout, een ongeneeslijke of geneeslijke ziekte etc. Wens: verandering van deze toestand.
Ik kan nu wensen, dat dit door een wonderlijke kracht uit de geest geschiedt. Dit is in de praktijk zelden zo al mogelijk. Ik kan wensen, dat zonder meer de eerste de beste gekozen mogelijkheid tot genezing resultaat zal hebben. De kans hiertoe is eveneens zeer beperkt. Ik kan ook stellen, dat mijn aanvaarding van de huidige toestand plus mijn behoefte tot verbetering mij voert tot het zoeken naar contact met alle fasen en factoren, welke die verbetering tot stand kunnen brengen. Op het ogenblik, dat ik dit doe, komen er in het leven ineens harmonische aspecten naar voren, waaraan je eigenlijk nooit hebt gedacht. Je hoort bepaalde inlichtingen, je krijgt contact met bepaalde mensen, je leest bepaalde boeken; en zo krijg je dus de kans een praktisch streven te ontwikkelen, dat die verbetering tot gevolg kan hebben. Blijft nu de wil daarop gericht, dan gaat men beseffen:
punt 1: in hoeverre die verbetering werkelijk van belang is.
punt 2: men ziet dat die verbetering, zij het misschien beperkt, mogelijk is en men bereikt dus iets.
punt 3: men gaat nevenaspecten beseffen, waardoor het innerlijk streven en leven nieuw georiënteerd kan worden en persoonlijk een groter geluk en een groter evenwichtigheid kan worden bereikt.
Met deze beide voorbeelden heb ik alleen willen aangeven, dat een zelfrealisatie in de wereld, waartoe zeer vele mogelijkheden bestaan, ook buiten de door mij genoemde, voor een mens nooit onmogelijk kan zijn. Maar deze mens moet bereid zijn afstand te doen van hetgeen hij wil ten bate van datgene, wat hij vanuit zichzelf mogelijk ziet worden. Hij maakt zijn persoonlijkheid wel waar, maar niet zijn denkbeelden.
De grote fout, die men vaak maakt in het menselijk streven naar zelfverwezenlijking is wel, dat men tracht zijn denkbeelden waar te maken, zonder te beseffen dat die denkbeelden eigenlijk niet de uitdrukking zijn van de werkelijke behoefte van het “ik”. Iemand, die zichzelf waarmaakt, heeft in de eerste plaats volledig het recht dit te doen; in de tweede plaats zal zo iemand daar altijd wijzer van worden en meestal beter; en in de derde plaats. zal zo iemand te allen tijde ontdekken hoe hij door het voortdurend veranderen van zijn benadering geestelijk rijpt en stoffelijk daarmede een zekere beheersingsmogelijkheid verwerft.
Er zijn natuurlijk zeer vele taboes in de wereld. Wij kunnen soms de zelfrealisatie tot stand brengen door een sublimeren van bepaalde aspecten. Maar deze sublimatie heeft een groot gevaar Wanneer ik iets wil sublimeren, zal ik mijzelf soms voorhouden, dat de oorspronkelijke waarde niet meer aanwezig is. Ik ontken dan een deel van mijzelf en daarmee wordt de sublimatie op zich volledig zinloos.
Wie uitgaat van hetgeen hij is, waarmaakt wat in hem leeft en gelijktijdig bereid is zijn ervaringen niet te beschouwen als een onrecht dat de wereld hem aandoet of een recht dat hij in de wereld verwerft, doch slechts als een aanleiding tot het hernieuwd uitdrukken van zijn persoonlijkheid, zal altijd resultaten behalen. Hij zal geestelijk altijd winst boeken en hij zal altijd consequenties ontmoeten op zijn pad, waarmee hij geen rekening heeft gehouden.
Misschien mag ik hier nog een paar dingen aan toevoegen. Zelfrealisatie is iets, wat zozeer met uzelf te maken heeft, dat niets en niemand anders daar ooit verantwoordelijkheid voor kan dragen of daarbij betrokken kan zijn in de vorm van initiatief, richting aanduiding of omschrijving. Dat kunt u alleen zelf. Het is niet belangrijk in hoeverre hetgeen in u leeft volledig wordt waargemaakt. Het is belangrijk in hoeverre u het uit. Het tot uiting brengen van hetgeen er in je bestaat, is een zelfrealisatie, doordat je, je nu bewust wordt van jezelf, maar ook doordat je jezelf hebt vastgelegd in je wereld.
De ontvluchting aan de grote vaagheid, die bij een geestelijke zelfrealisatie over het algemeen optreedt, wordt door een concrete zelfrealisatie altijd teniet gedaan. Als u de mogelijkheden, waarop deze realisatie tot stand kan komen kort wilt hebben opgesomd, dan stel ik:
In sociaal verkeer:
Door uit te gaan van het innerlijk aangevoelde; te reageren volgens die waarde en de feitelijke betekenis van deze reactie in de wereld voortdurend en onbevooroordeeld, voor zover mogelijk, waar te nemen.
Lichamelijk:
Door de erkende of aangevoelde stoffelijke noodzaken voor zover mogelijk te verwezenlijken, uitgaande van eigen initiatief, en verantwoordelijkheid, maar gelijktijdig te erkennen in hoeverre men zelf hieromtrent misvattingen had.
In economische zin:
Door een voorstelling, die in het “ik” leeft terug te brengen tot een onmiddellijke actie in het heden; en op grond van deze actie na te gaan, of het beeld, dat men in zich droeg, juist was.
Op geloofsterrein, occult terrein, esoterisch terrein etc.:
De innerlijk erkende geestelijke geloofswaarde enz. moet worden toegepast op de wereld. Het “ik” moet hierin initiatief nemende zelf het geloof of de erkenning in zijn leven en verhouding tot de wereld, tot uiting brengen. Men moet dan niet alleen kijken naar de uiting van een geloof, maar men moet tevens het resultaat voor het eigen “ik” registreren. Als resultaat voor het “ik” geldt echter niet alleen een stoffelijk resultaat, maar daarnaast kan ook emotionele ervaring, innerlijke gevoelens van verdieping, vergroting van inzicht als zodanig tellen.