De verborgen goden

uit de cursus ‘Filosofische esoterie‘ (hoofdstuk 6 ) – maart 1983

De verborgen goden

Als wij de oude esoterische scholen nagaan, dan blijkt dat er heel veel vormen van godsbegrip zijn die voor de mensen in deze tijd onaanvaardbaar zijn. Er blijken vreemde goden verborgen te leven in de natuur, maar ze komen ook van de sterren, van over de oceaan, ze stijgen op uit de diepten. Het zou allemaal kunnen worden afgedaan als bijgeloof en legende, als er niet een eigenaardig aspect aan verbonden was: met die goden wisten de ingewijden wonderen te doen. Of die wonderen nu zo groot waren, daarover kunnen wij van mening verschillen.

Er zijn heel veel verhalen over mensen die materialen konden veranderen. Er zijn ook vele verhalen over mensen die op twee of drie plaatsen tegelijk gezien werden en dan natuurlijk ook de wonderlijke verplaatsingen. Kortom, die goden en de begrippen van goden, krachten en oneindigheden mogen dan kinderlijk klinken, maar ze deden kennelijk iets.

In deze tijd spreken die goden niet meer zo. Toch, als we even heel voorzichtig kijken, dan zien we veel van die oude goden terugkeren, zelfs in moderne geloofsvormen. Wat zou u zeggen van de H. Maagd Maria? Als we kijken naar de attributen die ze heeft (de slang die ze verplettert, het kind dat ze draagt), dan ziet ze er uit als de goedertierende en beschermende vorm van Isis. Ik zou er meer kunnen noemen. Het lijkt mij echter voldoende dat u begrijpt dat de goden er nog wel zijn maar ze zijn verborgen. Waar zijn ze verborgen? Hoofdzakelijk in de mens zelf.

Als wij spreken over wraakgoden, dan stellen wij ons misschien Megaeren of Furiën voor die met verbittering neervallen op een stad of op een mens. De Furiën schuilen echter in ons. Wij hebben zelf eigenschappen. Er zijn zeer veel kwaliteiten (sommige goed, sommige kwaad) die alle bij elkaar ons wezen vormen en daarmee ook onze ervaringswereld. Onze geest bevat al onze ervaringen. Dat wil zeggen dat de nadruk wordt gelegd op bepaalde aspecten, ook tijdens een incarnatie, waardoor we langzaam maar zeker in een bepaalde richting gaan denken en streven. Dan werkt volgens het oude geloof een van de goden door ons.

Het is niet zo dat die god zonder meer door je spreekt. Dat kan misschien nog in bepaalde vormen van voodoo en wat daarmee verwant is, waar goden als een Nazasoelie doorkomen door een medium en dan uitspraken doen. Tot voor kort bestond dat ook nog in Tibet waar demonen werden gebonden in een medium en dan gedwongen werden voorspellingen voor het komende jaar te geven. Maar de moderne mens is niet meer gelovig in die zin van het woord. Hij gelooft wel in zijn eigen gelijk en misschien ook nog in een eeuwige zaligheid, maar daar blijft het dan bij.

De goden waar het hier over gaat, zijn oer-eigenschappen. Als ik dat zo zeg, dan moet u niet denken dat het ver gezocht is. Men heeft ook onbegrepen natuurverschijnselen als goden benoemd. Waarom zou dan b.v. de moed van een krijger en ook diens wreedheid niet kunnen worden omgevormd tot een god die hem bezielt zoals in de Tolteekse tijd is geschied?

Ik stel nu: in de eerste plaats zijn er kwaliteiten die wij gemeen hebben met tenminste een groot gedeelte van de mensheid. Daardoor krijgen deze kwaliteiten een zekere onafhankelijkheid. Zij kunnen zich ook manifesteren buiten ons willen en ons begrip om. In de tweede plaats: omdat een dergelijke godheid een soort eigen persoonlijkheid bezit, is het noodzakelijk die god te begrijpen als je hem wilt beheersen. Kun je dat niet, dan ben je zijn slachtoffer. In de derde plaats: dergelijke goden zijn niet redelijk. Ze worden gedreven door bepaalde grondeigenschappen en grondbeginselen en zijn uit die grondbeginselen inderdaad in hun optreden en handelen rechtlijnig. In onze wereld en in ons denken ‑ zeker wanneer wij op aarde bestaan – is er echter geen samenhang te ontdekken omdat we de regels niet kennen.

Wat zijn nu de eigenschappen, die in uw wezen het sterkst op de voorgrond komen? Sommigen hebben een afkeer, om niet te zeggen een haat, tegen alles wat anders is. Dat is niet iets dat alleen tot uiting komt als ze worden geconfronteerd met b.v. een Turk, een Surinamer of iemand die ze helemaal niet kunnen begrijpen. Dat komt ook naar voren als het gaat om zeer kleine dingen in het dagelijkse leven; dat hoort zo niet, dat kan dus niet zo. In zo’n mens zit een bepaalde vaste orde ingeschapen. Die god, als je hem zo mag noemen, beantwoordt aan de volgende regels: a) Ik weet het en niemand anders weet het even goed. b) Ik ben meer dan een ieder die anders is dan ik. c) Ik heb dus het recht om iemand, die anders is dan ik, te verachten en eventueel te onderwerpen.

Een zeer typische gang van zaken. Maar als we nu aannemen dat dit een gemeenschappelijke eigenschap is die in een zeer groot gedeelte van de mensheid werkzaam is en we kijken terug in de historie, dan blijkt dat altijd weer deze zelfde mentaliteit, maar ook dezelfde door de mens eigenlijk niet gewilde uitingen daarvan, naar voren komen.

Het is niet alleen een kwestie van concentratiekampen; het gaat veel verder terug. Het is het uitmoorden van mensen die je minder acht. Het is de bijna verachtelijke vorm van bekering die is toegepast in bepaalde landen. Het is de manier waarop zelfs bepaalde standen eenvoudig een deel van hun eigen volk hebben uitgesloten als zijnde paria en verachtelijk. Als ik een dergelijke kwaliteit personifieer, heb ik een god.

Zo zijn er ook andere zaken. Bijvoorbeeld genegenheid. Nu bedoel ik daarmee niet de meer stoffelijke vormen van liefde maar een soort aanhankelijkheid. Het is een goedertierenheid. Deze blijkt eveneens in bijna alle mensen te bestaan, ongeacht de andere kwaliteiten die ze hebben.

Dezelfde man, die een beul is in een concentratiekamp, kan in het gezin de meest liefhebbende, trouwhartige en vooral goedhartige mens zijn die men zich maar kan voorstellen. Het klinkt vreemd maar het is zo.

Neem ook hier aan dat er een gemeenschappelijke kwaliteit bestaat en doe dat voor al die andere mogelijkheden die ik nu niet heb opgesomd, dan komen we met een godenwereld in contact. Een wereld die meer is dan we zelf zijn. Een aantal zuiver omschreven kwaliteiten die elk volgens een eigen aantal wetten functioneert. Als we ons dan afvragen: ­waar zijn die goden verborgen, dan weten wij het niet. Wat zijn ze? Wij weten het niet. Wij weten alleen: het is een uiting van iets wat in ons bestaat, dat deel uitmaakt van onze innerlijke wereld.

In de vorige les hebben wij geprobeerd u te confronteren met de relatie die er bestaat tussen mens, het menselijk denken en de reactie van de natuur. Waarom zouden we het alleen tot dat punt beperken? Het is duidelijk, relaties zullen ook op astraal vlak, op het gebied van levenskracht, zelfs op het gebied van geestelijke contacten, zowel hoge als lage tot stand komen. Dan durf ik zeggen:

De verborgen goden zijn die waarden welke wij in ons kunnen ontdekken. En daar elk van die goden zijn eigen wetmatigheden kent, zullen wij niet alleen de kwaliteiten moeten erkennen maar ook de regels waaronder zij functioneren. Pas als wij daarin zijn geslaagd, komen wij tot de mogelijkheid om onszelf goed te kennen, juist te reageren en eventueel ook ‑ wat we reeds de vorige keer hebben gezegd ‑ gebruik te maken van kwaliteiten die onbeheerst demonisch lijken te zijn, maar die tevens in beheerste vorm een ideaal vormen. Zoiets als atoomenergie tegen atoombom. De bom is vernietigend. Dezelfde kracht, als ze wordt beheerst, levert energie op. Dan kunt u zeggen. Daar zitten veel bezwaren aan vast, maar dat zit aan elk voorbeeld.

Laten wij de innerlijke mens dan eens proberen in te delen. Omdat wij dat doen aan de hand van voorbeelden, een andere weg ken ik niet, zou ik u willen voorstellen om u een cirkel voor ogen te stellen, ongeveer als het Rad van het Lot dat men kent in bepaalde boeddhistische en lamaïstische instellingen.

Wanneer wij in ons innerlijk afdalen, dan is daar een hellewereld. Een wereld waarin al onze angsten en verschrikkingen bijeen zijn gebracht. Gelijktijdig is er een neiging om die verschrikkingen naar buiten toe te manifesteren opdat wij innerlijk daarmee niet worden lastig gevallen. Wat blijkt de wet te zijn die hier regeert? In feite deze: Dat wat ik in mij vrees, zal ik anderen aandoen. Dat wat ik in mij erken en niet vrees, helpt mij om anderen te helpen.

Dan is er een tweede afdeling die misschien wat chaotischer is. Wij vinden daarin allerlei dierlijke driften, de lust tot eten, Wein, Weib und Gesang, en tegenwoordig ook stuff. Al deze kwaliteiten zijn bedoeld om te compenseren. Zolang wij niet weten wat wij in feite willen compenseren worden wij beheerst. Je eigen seksuele problematiek b.v. kan heel vaak worden herleid tot een innerlijke onzekerheid. Vandaar dat mensen op een bepaalde leeftijd vooral moeten bewijzen dat ze nog meetellen en dat dan vaak doen via seksualiteit of andere soorten van excessen. Zij doen dit omdat zij niet in zichzelf geloven.

Deze godheid, als ik hem zo mag noemen, is wantrouwen. Wantrouwen tegenover jezelf. Op het ogenblik dat je jezelf wantrouwt, zal je proberen om het buiten je op de een of andere manier toch waar te maken. Gelijktijdig zul je daarin zelf steeds een falen ontdekken zodat je onzekerder wordt naarmate je meer probeert naar buiten toe die zekerheid te doen blijken. De regel die hier geldt, is een heel eenvoudige: Zolang ik iets beschouw als verboden, als onjuist, als onaanvaardbaar, zal ik erdoor worden gebiologeerd. Dus moet ik beginnen om in mij dat iets, zoals het bestaat, te aanvaarden. Bij het aanvaarden echter geldt de regel dat bij een bewust beseffen van de kwaliteit, de uiting van de kwaliteit beheersbaar is. Wij kunnen dan alle uitingen ‑ of dat nu gebruik van drank is of iets anders ‑ herleiden tot een persoonlijke noodzaak. Als wij die noodzaak als basis nemen en geen andere verwachtingen of denkbeelden hebben, zijn wij meester. Het in een vloed die ons blijft overspoelen en meesleuren, tenzij wij haar in ons kanaliseren Dat kanaliseren is gebaseerd op het erkennen van onze eigen onzekerheden en het innerlijk overwinnen daarvan.

Dan hebben we kwaliteiten die we misschien wat verkeerd plegen te omschrijven als menselijkheid, edelmoedigheid, soms naastenliefde. Het is een wereld waarin je de hele kosmos eigenlijk als deel van jezelf zou zien. Toch schuilt ook hier een gevaar.

Op het ogenblik namelijk, dat ik de gehele’ wereld en de kosmos als mijzelf wil zien, ben ik geneigd mij op te leggen als de enig bepalende wetten in de hele kosmos. Dit zal altijd weer conflicten veroorzaken want ik ben niet zoals ik zelf veronderstel te zijn. Daardoor zal ik in de wereld steeds weer zien hoe ze tekort schieten en mijzelf daardoor gekrenkt achten. Dan moet je dus proberen te beseffen waarom je die eenheid wilt. De bevestiging die je in de wereld buiten je zoekt, kan er alleen een zijn die is gebaseerd op datgene wat jij persoonlijk kunt betekenen voor de ander, nooit op de vraag wat de ander voor jou kan betekenen. Hier moeten we af van het ‘voor wat hoort wat’ principe. Wanneer we daarin zijn geslaagd, ontstaat de volgende wetmatige relatie.

Daar ik vanuit mijzelf steeds waarmaak wat ik ben, word ik in mij steeds krachtiger. Ik zal in de wereld om mij heen duidelijker zien hoe ik moet functioneren en zal daardoor een steeds groter gevoel van een­heid verkrijgen, hetgeen gepaard gaat met alle krachten die daarvoor noodzakelijk zijn. Dit is een heel eenvoudige regel. Helaas zijn we daarmee nog niet klaar.

Wij hebben een bepaald wereldje dat ik de waanwijsheid zou willen noemen. Er zijn heel wat waanwijze goden geweest.. Meestal halfgoden zoals Hercules die Augias’ stallen schoonspoelt maar niet snel genoeg begrijpt waar het om gaat, als je met werkelijke goden in contact komt. Wij moeten begrijpen dat waanwijsheid ontstaat doordat wij ons innerlijk be­grip trachten te ruilen voor zaken buiten ons die niet eigen zijn aan onze persoonlijkheid. Hier geldt in feite:

Naarmate ik meer vertrouw op de wijsheden die mij van buiten worden aangedragen, zal ik minder in staat zijn mijn innerlijk besef tot uiting te brengen. Daardoor zal ik een steeds grotere spanning opwekken tussen mij en datgene wat ik als wijsheid beschouw. Dit zal tenslotte resulteren in een fanatisme waarmee ik mijzelf bestrijd door anderen te vernietigen. Dat klinkt ook weer vervelend. Toch hebben we hier ook te maken met een soort godheid, een algemene kwaliteit.

Hoeveel mensen hebben niet hele volksstammen uitgemoord alleen om hun eigen gelijk te bewijzen? Hoeveel wetenschappers houden, zelfs tegen beter weten in, soms ontdekkingen en ontwikkelingen van anderen tegen alleen omdat ze vrezen daardoor hun eigen wijsheid in een meer betrekke­lijke relatie tot de werkelijkheid te moeten stellen? Dit is in alle men­sen min of meer aanwezig.

Dan is daar ook de moed: Moed is niet gelijk aan wilskracht. Sommige mensen denken dat wel. Wilskracht bestaat feitelijk niet. Wilskracht is gewoon intensiteit van begeren. Als dat begeren toevallig juist is gericht, krijg je resultaten die anderen vol bewondering doen uitroepen: Wat is zo iemand wilskrachtig!

Moed is het vermogen om de waarheid te zien en desondanks jezelf te blijven. Het is niet moedig van iemand die denkt dat hij niet kan ster­ven om honderd vijanden aan te vallen. Maar als je weet hoe groot het ge­vaar voor jezelf is en je bent bereid om het tegen drie op te nemen, dan is dat wel moed. Ik hoop dat ik het daarmee gekarakteriseerd heb.

Wij behoren tot een geheel dat de neiging heeft om zichzelf in stand te houden. De mensheid doet dat niet alleen op zuiver individuele basis (iedere mens heeft de neiging om zichzelf ten koste van alles te redden, in stand te houden en te beschermen), maar ze doet dat ook als gemeen­schap. In elke gemeenschap is een drang waardoor wordt geprobeerd de waarden welke in die gemeenschap op dat moment aanvaard zijn te doen voortbestaan, ook als men zelf daaraan te gronde gaat. Hiervoor is weer een eenvoudige wet te vinden. Ze zegt dit:

Moed heeft alleen zin indien u datgene wat innerlijk voor u als volkomen goed is erkend, beschermt zelfs als dit persoonlijk grote risico’s betekent. Op het ogenblik echter dat u alleen datgene wat buiten u bestaat beschermt zonder daarin werkelijk te geloven, zult u door uw prestaties het andere ondermijnen en uzelf ook innerlijk te gronde kunnen richten.

Dan zijn er zaken waarover men eigenlijk moeilijk kan spreken. Er is een wereld van harmonie. Die harmonie komt in bepaalde godsdiensten en ook esoterische scholen tot uiting als een opgaan in het geheel; een met God Zelf wandelen of in contact komen.

Ieder van ons, mens en geest, bezit deze mogelijkheid, het is een ingeboren kwaliteit. Daarbij kan het beeld van God een schijnvoorstelling zijn maar het contact met die God is een reëel iets. Het opgaan in het geheel zal tenslotte een illusie blijven want we keren terug. Maar het besef van het geheel dat in ons bestaat en zelfs wordt bevestigd door zo’n ervaring, is weer werkelijkheid. Ik zou hier willen stellen:

A1 datgene wat ik in mijzelf erken als van hoge waarde en betekenis in mijn uiterlijk bestaan en de uiterlijke factoren daarvan, is voor mij een basis van waaruit ik het goddelijke kan benaderen of de kracht kan realiseren. Op het ogenblik dat ik dit doe, word ik meer dan ik denk te zijn. Ik put namelijk krachten uit het geheel. Gelijktijdig word ik door deze krachten gericht op de enige belangrijke punten van beleven of handelen die er voor mij in mijn wereld bestaan. Op het ogenblik, dat ik niet uitga van dit innerlijk gevoelen, dit geheel, maar b.v. aan de hand van riten of anderszins probeer dit geheel op grond van uiterlijkheden te bereiken, zal ik vastlopen in een schijnbeeld dat mij beheerst. Het zal mij echter niet de kracht geven die ik nodig heb om iets wezenlijks tot stand te brengen. In plaats van harmonie vind ik disharmonie.

Dit zijn een paar voorbeelden. Er is natuurlijk meer. Waar het mij echter om gaat, is dat elk van deze eigenschappen, die ook u innerlijk bezit, vroeger in de oude scholen werden gepersonifieerd.

Er zijn overleveringen die je zelfs op een andere manier kunt uitleggen als uitermate zinvol. Bijvoorbeeld, Venus rijst op uit het schuim van de zee. De mens is echter ook voortgekomen uit het leven in de zee. Zelfs op die manier kun je de beelden benaderen. De zee is gelijktijdig de basis van het leven. Vergeet niet, in de tijd dat dit beeld werd gebruikt, was het ook de onbekende wereld. Je wist niet waar ze ophield, je wist niet hoe groot ze was. Het enige dat je wist: er is leven in, er zijn krachten in. Zo is ons innerlijk als ikheid opgenomen in een oceaan van werkelijkheid, die we toch niet kunnen benaderen, die we niet kunnen kennen.

Op het ogenblik, dat in ons de kwaliteiten van die oneindigheid, op welke manier dan ook, actief worden en wij daarmee ons losmaken uit het zuiver geestelijke ervan en komen tot een bepaalde wereld waarin wordt gemanifesteerd ‑ of het geestelijk is of stoffelijk ‑ dan hebben wij inderdaad de uit het schuim geboren Venus. Op die manier werd in de oudheid ontzettend veel verteld.

Als men in Babylon spreekt over Nabu, de god der wijsheid, dan spreekt men niet alleen over een god die wijs is en een bepaalde functie heeft in de Raad der Goden, eigenlijk een combinatie van schrijver en adviseur. Men spreekt over een wezen dat eigen attributen heeft, b.v. een mantel. Deze mantel draagt een aantal sterrensymbolen. Daarbij behoort ook een zwaard dat de eigenaardigheid heeft dat het niet scherp is aan geen van beide zijden van het lemmet maar dat, als het wordt gebruikt door de bewuste, daarmee zelfs stenen klieft zonder dat er verder ook maar iets aan te zien is.

Ik denk dat we hier te maken hebben met een voorstelling van de innerlijke rede. Want in de uiterlijke wereld zijn zoveel dingen onverklaarbaar, daar kun je niet verder mee komen. Maar alles heeft zijn betekenis, zijn zin en zijn bedoeling.

In ons is er iets waardoor we die zin en die bedoeling kunnen gebruiken. Gebruiken we nu het zwaard van de rede, dan is dat scherp; dat zijn oorzaak‑en-gevolg‑redeneringen en alles wat daar bij behoort. Als we daarmee op een steen slaan of op iets wat we eigenlijk met een zwaard niet aan zouden kunnen, dan blijkt het zeer scherpe zwaard opeens bot en we krijgen weinig of geen resultaat. Maar het schijnbaar botte zwaard is de geestelijke wijsheid die wij bezitten.

Nabu was in een bepaalde esoterische school, welke in die dagen bestond, het symbool voor de innerlijke waarheid of de innerlijke wijsheid die, als ze werd gebruikt tegenover de feiten, alleen die feiten a.h.w. kon splijten. Ze kon alle verhulling wegtrekken. Ze kon alle krachten werkzaam maken, maar gelijktijdig openbaren voor wat ze zijn. De mens, die opging naar Nabu, maakte een eigenaardige inwijding door.

Het is een inwijding van allerlei raadselen. Ze heeft niets te maken met de veel voorkomende beproeving van het gaan door het duister, het overwinnen ven de elementen. Het doet eerder denken aan het verhaal van de Sfinx: het raadsel dat zij iedereen opgeeft en dat hij moet oplossen, wil hij levend de Sfinx passeren.

Als je naar Nabu gaat, dan zijn daar b.v. de vragen: Wat is een vorst? Wat is een priester? Wat zijn de zeven goden? Wat is de Raad der Goden? Wat is het lot der mensheid? Al die dingen zijn niet te beantwoorden vanuit een verstandelijke stoffelijke benadering. Ze kunnen alleen vanuit een innerlijk inzicht worden beantwoord. Elk van die vragen werd overdacht in eenzaamheid. Men had daarvoor vroeger meer mogelijkheden dan tegenwoordig. Zelfs als je een jaar over zo’n vraag nadenkt, kom je nog niet met het goede antwoord. Toen zei men:

“Wanneer Nabu is gewekt, dan is het antwoord aanwezig. Want gehuld in de sterrenmantel (het beeld van het heelal) nemen wij het zwaard van de enige werkelijkheid en dit richtend op de vraag openbaart ze het antwoord dat in haar behouden is.” Ja, het zijn maar formules, natuurlijk. Ik kan u het beleven ervan niet geven.

Dergelijke goden bestaan nog steeds. Er is in ons nog altijd een zekerheid waarmee we veel meer kunnen doen dan met alle redelijke benadering. Wij kunnen nog steeds antwoorden in ons vernemen die zinloos lijken, als we zuiver de stoffelijke feiten en mogelijkheden bezien die we toch als de enig juiste aanvoelen. Alleen, misschien zijn de meeste mensen verleerd hoe je dat zwaard van de waarheid moet gebruiken.

Je moet die kracht plus de daarin gelegen instigatie richten op het geheel van de stoffelijke problemen en mogelijkheden zonder daarbij een variatie toe te staan. Dit is de actie van het ‘ik’. En dan zullen we zien dat, waar er geen ruimte leek te zijn voor hetgeen er in ons leeft, die ruimte opeens ontstaat.

Het zijn wonderbaarlijke leringen. Mensen, die in deze tijd zich nogal eens opwinden over alle leerstellingen die vooral uit het Oosten of z.g. uit het Oosten het Westen overspoelen, zeggen meestal: Het geloof wordt teniet gedaan. Neen. Het geloof wordt niet teniet gedaan. Dan zeggen ze: Ja, maar de redelijkheid wordt teniet gedaan. De redelijkheid heeft de wereld niet bepaald ver gebracht. De enige vraag die je zou moeten stellen is: Welke goden wekken zij in de mens? Welke verborgen goden worden actief in de mens? En als dan blijkt dat de mens, door het wegvallen van allerlei voorstellingen van de wereld, door de aanvaarding van op zichzelf onzinnige principes, opeens de vrijheid krijgt om zijn werkelijke gaven volledig en vrijelijk te gebruiken, dan is daarmee een antwoord gegeven, dan is er een zinvol iets gebeurd. Dat zinvolle ligt niet in de vorm maar in het beleven dat het induceert. Dat geldt ook voor u.

U zit hier nu bij elkaar. Er zijn er bij die denken: Het is niet zo interessant. Een ander denkt: Nou ja, dat kan nog wel iets zijn. Dit zijn toch maar uiterlijkheden. Welke kracht kent u in uzelf? Waar gelooft u in? Probeer dat eens te beantwoorden. Niet omdat u nu ineens die kracht moet gaan gebruiken, dat is niet nodig. Maar gewoon, wat is uw visie? Wat wilt u in de wereld doen? Hoe voelt u in u de mogelijkheid daartoe, zonder verder te redeneren. Wat moet u zijn om waar te maken wat u wilt doen? Vraag u dat ook eens af. U zult met verbazing constateren dat u meer kunt doen dan u denkt; dat veel zaken die onoverkomelijk leken, opeens gemakkelijk overkomelijk zijn. U kunt, ondanks al die schijnbaar overweldigende machten om u heen, toch iets bereiken, toch iets zijn. Als u gelooft in het licht in u en u straalt dat uit naar een medemens, dan kunt u die medemens soms genezen.

Waar komt dat licht vandaan? Het blijkt dat dat licht alleen kan bestaan als u de ziekte haat en de mens liefheeft op dat ogenblik. Een tweeledigheid. Een verwerping van disharmonie, gelijktijdig op z’n minst de erkenning van een harmonische mogelijkheid. Zijn die beide aan­wezig, dan blijkt inderdaad dat u krachten kunt uitstralen, dat u uw me­demensen kunt genezen. Maar dan blijkt ook dat u soms waarheden opvangt waarvan het absoluut onredelijk is dat iemand er iets van zou weten, laat staan u. Dan wordt u ineens een ander. Niet een ander wezen maar u wordt een mens met andere grenzen.

Uw hele wezen is gevuld met verborgen goden, met krachten die we misschien kunnen benoemen en waarvoor we een naam kunnen verzinnen waar­van we de werkelijke afkomst, het werkelijke wezen niet eens door hebben en waar we niet werkelijk iets over kunnen zeggen.

Diep in ons voelen we soms die krachten aan. We zijn er altijd weer als de kippen bij om onszelf te vertellen dat dit niet redelijk is. Dit kan toch niet en dat zouden we toch eigenlijk anders moeten bekijken. Maar als we dat nu eens niet zouden doen. Als wij, zoals in vele van die oude scholen, zouden proberen om dat ene punt (dit wil ik, of dit is juist) ons hele wezen te laten vullen, zou dan niet ‑ zoals men zei ‑ God door ons kunnen spreken?

De mens heeft zichzelf gebannen uit het paradijs, zo zegt het oude verhaal. Er staat een engel met een vlammend zwaard voor. We zullen er niet over spreken of daar andere uitleggingen voor te vinden zijn, die zijn er wel degelijk. Laten we ons gewoon realiseren wat het verschil is tussen het paradijs en de wereld daarna.

In het paradijs, zo zegt men ons, wandelt de Adam met God. Dit is het essentiële punt. Niet de vraag of er gewerkt moet worden of niet. Of je spelen werken noemt of werken spelen, komt op hetzelfde neer. Maar wandelen met God. Wat is God? God is datgene wat boven alle kennis en redelijkheid uitgaat en gelijktijdig alle verschijnselen en mogelijkheden in zich bevat, tenminste in deze zin.

Wie zegt dat wij niet kunnen wandelen met God? O, wij zullen geen paradijs betreden in de zin van een mooie tuin waar je bovendien van de appels moet afblijven. Dat heb je tegenwoordig misschien nog in de boom­gaard van de een of andere landelijke pastoor of dominee, maar veel ver­der gaat het niet. Neen, wij krijgen te maken met iets waardoor wij weten wat belangrijk is of wat niet belangrijk is.

Adam, zo zei men, kende de dood niet. Iemand, die zich bewust is van de werkelijkheid van het leven, kent de dood ook niet. Hij weet dat het leven een aantal veranderingen is, maar zonder dat hierbij de dood gerekend wordt, een werkelijke uitblussing of zelfs een periode van rust of absolute duisternis, zoals het bij anderen wordt geïnterpreteerd.

Wandelen met God wil zeggen: Diep in ons erkennen wat er in ons is en dit laten spreken, dan zijn we vandaag nog deel van het paradijs. Helaas, de engel met het zwaard heet Redelijkheid: zo is mijn wereld en daarmee moet ik rekening houden. Dit zijn mijn verplichtingen en dat wil ik toch liever niet. Dat alles tezamen bouwt het zwaard op dat tussen ons en de innerlijke werkelijkheid staat. Leer leven met wat je bent, is wandelen met God.

Misschien dat het daarom voor ons toch goed, zou zijn om zo nu en dan eens contact te zoeken met de verborgen goden, die ook in ons wonen. Al is het maar omdat we daardoor iets meer van de werkelijkheid leren beleven, iets meer van de krachten ervaren waarvan ook wij deel zijn en op deze wijze iets meer waarmaken wat tot de werkelijkheid behoort, iets wat uitgaat boven de wereld van illusies en vluchtige verschijnselen.

Ik heb in deze les geprobeerd u weer iets meer bij te brengen omtrent de complexiteit van de mens, de mensheid en indirect omtrent de verbondenheid die er bestaat tussen alle dingen en de werkelijke, de innerlijke mens. Misschien kan dit bijdragen tot een meer eigen en voor het ‘ik’ betere benadering van alles wat men feiten en werkelijkheid pleegt te noemen.

Vragen

  • Mensen in een rustperiode die aan iets denken, als ze dan een schok door hun lichaam krijgen, zijn ze dat waaraan ze dachten, plotseling kwijt. Hoe komt dat?

Dat komt, omdat het denken een hersenproces is. Het is nog steeds een verstandelijk proces. Op het ogenblik dat het ik met het bovenredelijke ‘ik’ in eenklank of harmonie is gekomen, zal geen proces in welk deel van het ‘ik’ ook maar getolereerd kunnen worden waardoor die af­wijking tot stand komt. Bij de een kan het een kwestie zijn van: ik weet niet eens meer wat ik dacht. Bij een ander kan het zijn dat het beeld verandert. Dat ligt heel sterk aan de persoonlijke inhoud. Maar dat er een soort collectieve invloed is, als eenmaal een van de grote krach­ten in ons wezen is geactiveerd, dat staat buiten twijfel.

  • De goden zijn verborgen. Zijn ze ook deel van ?

De goden van de oudheid zijn allen deelpersoonlijkheden die tezamen ook weer een grotere persoonlijkheid vormen. Het is zo: Er is een oergod. Uit die oergod komt een kenbare god, uit de kenbare god komen de goden en godinnen. De goden en godinnen zijn dus in wezen de gepersonifieerde eigenschappen van de kenbare god. Maar de kenbare god met zijn geheel is slechts een eigenschap van de onkenbare godheid. Wij zijn deel van de kenbare godheid, dus de geopenbaarde godheid. Daardoor leven in ons alle deelkrachten en deeleigenschappen van de godheid die in het totale proces van zijn en schepping een rol spelen. U kunt dus zeggen: Ik ben God, in die zin dat God in mij even sterk en even volledig aanwezig is als in alle dingen die ik ken en zie en al datgene wat is, zonder dat ik het ken en zie.

Gelijkenissen

Er was eens een ezel. Ofschoon hij een ezel was, legde hij zijn oren, die groot genoeg waren, voortdurend te luisteren. Zo klom hij op in de maatschappij. Hij werd mijnheer Ezel. Hij bracht het zelfs tot minister. Niemand zag toen meer dat hij een ezel was. Daarna ging hij over in zaken en werd directeur van een groot con­cern. Ook daar wilde men niet toegeven dat hij een ezel was. Zo heeft men hem weliswaar voorzichtig aan de kant gezet maar dan met een gouden hoefdruk. Nu zegt men nog steeds: Dit is geen ezel, dit is een respec­tabel man.

Een gelijkenis die u in uw tijd hier en daar ook wel kunt thuisbrengen. Laten wij nu eens goed kijken wat er aan de hand is. Iedereen kijkt alleen naar de uiterlijkheden. Dat iemand een ezel is, dat is meestal een interne kwestie; dat valt gewoon niet op. Als je er dan achter komt dat hij toch ‘n ezel is, dan wil je dat niet toegeven. Want als je toegeeft dat de ander een ezel is, dan geef je toe dat je zelf een ezel bent geweest.

Zo is een mens vaak verliefd op zijn eigen vergissingen. Zelfs als hij inziet dat hij zich heeft vergist, zal hij altijd nog naar een weg zoe­ken, hoe kostbaar ook, om te voorkomen dat zijn vergissing kenbaar wordt. Een mens is gewoon bang voor zijn vergissingen. Hoe erg dat soms kan wor­den, blijkt weer uit een andere kleine gelijkenis.

Een ziel ging op naar de hemel. Nu komt dat wel meer voor. Bovendien was dit een ziel die op aarde al teveel was opgehemeld. Hij kwam natuurlijk bij het bekende pleintje met het bekende bankje, het poortwachtershuisje en de grote poort, die toegang geeft tot het hemels paradijs volgens het simpele geloof van zeer velen, die zich de werkelijkheid niet kunnen voor­stellen. Daar aangekomen zegt de ziel: “Petrus, ik wil graag naar binnen”.  Petrus vroeg: “Wie ben je?” De ziel antwoordde alleen: “Ik ben de stem van de Heer.” Petrus was zo overdonderd dat hij het hek opendeed.

Misschien is dit ook weer een aardig bewijs voor de dwaasheid van vele mensen en ook wel van vele heiligen.

Je bent datgene wat je gelooft te zijn, althans in de ogen van velen. Alleen als je ingaat tegen de regels die ze hebben gesteld, krijgen ze in de gaten dat het niet deugt. Maar als je jezelf bent en je boven de re­gels stelt, dan zijn er maar weinigen die daar bezwaar tegen maken. Zoals nu die ziel in die hemelpoortgeschiedenis optrad, zo doen wij dat heel vaak tegen onze innerlijke werkelijkheid.

Wij zeggen: Wij zullen opstijgen tot de hoogste sferen. Wij duiken dan diep in ons innerlijk en daar staat iemand die zegt: ”Welk recht heb je daartoe?” Waarop wij uitroepen: “Wij zijn uitverkoren”. En voor we het we­ten, gaan we verder. Wij weten alleen niet of we in de goede richting gaan.

Ik geloof dat dat een van de zaken is waarin we terug moeten gaan naar de oude wijsheid van de Tabula Smaragdus. Daar staat; “Voorwaar, zo het boven is, zo is het beneden. Zo het beneden is, is het boven.” Bij ons is het eigenlijk zo dat we boven en beneden door elkaar hebben gehaald. Soms denken we naar beneden te gaan en we komen boven terecht en soms is het omgekeerd. Wij hebben namelijk geen absolute waarde meer.

Het gebrek aan een absolute waarde doet mij altijd denken aan de man die de negers ging bezoeken en die kraaltjes en spiegeltjes meenam en dacht dat hij zich daarmee wel rijkdom zou kunnen verschaffen. Maar hij had daar geen geluk mee. Hij had toevallig voor eigen gebruik ook een stelletje van die briefkaarten bij zich die ze in Parijs zo heimelijk aan­bieden. Die heeft hij goed verkocht: Een gelijkenis? Ja, zeker.

Wij denken dat wij met allerlei mooie deugden en mooie beelden van een goddelijke werkelijkheid die hele innerlijke wereld eigenlijk wel kun­nen overspoelen, dan zijn we daar wel de baas, Maar die innerlijke wereld van ons weet ook van wanten. Misschien hebben we een paar ervaringen opgedaan of een paar dingen bij ons waar we zelf van denken: nu ja, het hoort misschien wel niet zo maar het is zo leuk. Heel vaak blijken die dan de enige sleutels te zijn waardoor we wat verder kunnen gaan dan de innerlijke wereld.

U denkt nu wellicht: wat zit hij weer te zeuren. Dat is ook zo’n typisch verschijnsel. Als je de waarheid zegt en je zegt haar zo oprecht dat iedereen kan denken dat de ander de schuldige is, dan vindt men het schitterend. Zeg je het een beetje badinerend, dan voelt iedereen zich ergens getroffen. En dan zeur je. Zeg je het ernstig maar zo dat men er onderuit kan komen door te zeggen: Zo ben ik niet, dan lieg je. Wat op zichzelf ook een gelijkenis is.

Wij zijn in ons innerlijk leven, in onze innerlijke wereld voortdurend bezig alles te ontkennen wat waar is. En als we het al voor onszelf toe­geven, dan doen we nog of het niet echt bestaat. We zitten nu eenmaal vast aan een hoop uiterlijke denkbeelden die ons door anderen zijn bijge­bracht, zoals die ontdekkingsreiziger met zijn kraaltjes en spiegeltjes. Hij had misschien in een boek van 50 jaar geleden gelezen dat het zo was. Hij wist helemaal niet dat tegenwoordig bepaalde negers ook in een Mer­cedes rijden. Aan de Cadillac en de Hispano Suiza zijn ze nog niet toe, maar voor de rest gaat het best.

Wij zijn gewoon bezig met oude normen, oude waarden een nieuwe we­reld met nieuwe ontwikkelingen en nieuwe ontdekkingen te benaderen. Daardoor lopen we vast. Het is niet alleen zo in de innerlijke wereld, het is ook zo naar buiten toe. Je kunt met het in stand houden van het oude op het ogenblik de situatie niet meer veranderen. Dat kun je al­leen doen indien je heel snel nieuwe wegen inslaat, met andere woor­den, oude en voorop gezette denkbeelden eens terzijde zet.

Als je innerlijk naar God wilt en je hebt een voorstelling van een God met een baard en stralenkrans en ‘halleluja, halleluja looft de Heer’, dan zul je misschien de werkelijke God tegenkomen maar je loopt er eenvoudig aan voorbij omdat je God niet beschouwt als een licht, als een trilling, maar alleen als iets wat jij je kunt voorstellen. En wat jij je kunt voorstellen, kan nooit God zijn. Op een dergelijke won­derlijke wijze bedriegen wij onszelf voortdurend.

Als ik denk aan de manier hoe wij in de geest worden voorgesteld, dan heb ik ook zo mijn bedenkingen. Het volgende is een gelijkenis maar gelijktijdig een feitelijke gebeurtenis.

Ik was nog niet zo lang overgegaan en dan sta je nog een beetje vreemd in het nieuwe leven, toen ik van de aarde af werd opgeroepen. Ik ging dus naar beneden en kreeg inderdaad een contact. Ik kon mij manifesteren. Toen werd mij gevraagd om eventjes, als ik kon, de volgen­de dingen tot stand te brengen: ­Er was een ongeneeslijke zieke, die moest ik één, twee, drie gezond maken. Er waren grote karaktermoeilijkheden van een kind, die moest ik ook even veranderen. Dan waren er ook een paar stoffelijke zaken niet in orde, misschien wist ik daar ook een oplossing voor. Ik wist natuurlijk van niets. Wat heb ik toen gezegd? ”Werk zelf en ik zal u bijstaan.” Laat dat nog gelukt zijn ook.

De ongeneeslijke zieke was gelukkig een medische vergissing. Het moeilijke karakter van het kind kwam eigenlijk voort uit het feit dat men dacht dat het moeilijk was. Toen men het als een normaal kind ging behandelen, ging het langzamerhand weer naar normaal toe. Wat de stoffelijke moeilijkheden betreft, omdat ze dachten: wij moeten zelf wat beginnen, dan krijgen wij wel hulp, durfden ze het een en ander aan te pakken. Goed, het werd maar een garen‑ en bandwinkeltje, maar het leverde toch net genoeg op om redelijk te kunnen leven.

Ik denk, dat dit misschien ook onze relatie t.a.v. God en de geest vaak kenschetst.

Als wij bezig zijn met hogere waarden, dan willen wij graag dat die het even voor ons opknappen. Dat ze het vaak niet kunnen, daar staan we niet bij stil. Iemand die dood is en nog kan doorkomen, moet alle din­gen weten. Alleen hopen ze dan dat je niet weet wat ze willen dat je niet weet. Want als je alles zou zeggen wat je weet, volgens hen dus, wat je zou moeten weten, dan zou je waarschijnlijk een vlucht veroorza­ken in plaats van een toeloop. Zelfs hier.

Dus waar komt het eigenlijk op neer? Wat kon deze geest, die hier op het ogenblik dit lichaam tijdelijk gebruikt, meer doen dan zeggen: Ik zal jullie helpen, zonder erbij te zeggen in welke mate hij kon hel­pen, want dat was maar een heel klein beetje, gelooft u dat maar. Maar daardoor ging men zelf iets doen.

Ik denk dat we die fout ook maken als we bezig zijn met God in onszelf of met de geest. Wij vragen altijd: Doen jullie het. En als we dan tot antwoord krijgen: Je moet het zelf doen, dan denken we nog steeds dat de ander het doet. Maar in feite doen we het zelf.

Als u dit nu kunt volgen, dan heeft u misschien ook begrepen waar­om je de dingen met gelijkenissen en verhaaltjes gemakkelijker duidelijk maakt. Het is namelijk zo dat er in elke mens (ook in elke geest wat dat betreft) allerlei illusies en waanvoorstellingen leven die niets te maken hebben met hetgeen hij is en met hetgeen hij kan doen. Daar is de mens zo druk mee bezig dat hij zich niet realiseert wat hij werkelijk zou kunnen zijn, werkelijk zou kunnen doen. Daarom heb je dan iemand no­dig die je vertelt dat je zelf maar eens wat moet proberen. Waarom ben je toch zo onzeker? 0 ja, ik heb dat ook gehad.

Toen ik pas was overgegaan, heb ik een tijd gehad dat ik daar in Zomerland zat; overigens de afdeling zo tegen Schaduwland aan. Ik ben ook niet ineens opgewiekt in het licht. Ik was te vlinderachtig om zo omhoog te kunnen vlinderen. Maar ik heb geprobeerd te leren. En in plaats van te beseffen wat ik wist, wilde ik dat een ander mij vertel­de wat ik al wist. Dat was het stomme, want daardoor begreep ik de dingen die ik al wist pas op het ogenblik dat ik de illusie had dat een ander ze mij had verteld. Ik wilde een bron buiten mijzelf hebben.

Een bron buiten jezelf hebben, is natuurlijk heel prettig. Het is een soort verzekering die je dan afsluit. Een hoge geest leert mij. Maar hij leert mij alleen datgene wat ik reeds in mij heb. Ik had het dus zelf ook kunnen doen. Op die manier zijn wij, mens en geest, eigenlijk allemaal bezig. Wij wachten op de bron van buiten en we vergeten wat we zijn, wat we innerlijk hebben. Wij vergeten het gewoon.

Vergeten, dat is ook zoiets. U kent het verhaal van al die ver­strooide professoren en hun paraplu. Onzin. Maar er is toch wel iets van waar. Waarom die verstrooidheid? Heel eenvoudig, iemand die heel intens met een ding bezig is, vergeet een hoop andere dingen. De moei­lijkheid is nu dat je je heel vaak bezighoudt met zaken die eigenlijk niet bij je horen en dan vergeet je wie je zelf bent. Het gevolg i, dat je de grootste stommiteiten uithaalt. Niet omdat je dat wil maar ge­woon omdat je geen rekening houdt met hetgeen je persoonlijk bent en kunt.

Ik heb zo vaak horen zeggen: Een professor is iemand die van een zaak een beetje verstand heeft en daarom beweringen doet op elk gebied waar hij geen verstand van heeft. Wij zijn toch precies zo. Wij spreken een oordeel uit over God, over de kosmos, over de we­reld. Er zijn mensen die voortdurend bezig zijn met de kosmonauten, de astronauten van andere planeten, maar als je hun nou gewoon vraagt: Waarom start je auto niet? Dan weten ze het niet. Ze hebben nog nooit gehoord van een losse verbinding. Ze hebben nog nooit gehoord dat een accu op peil moet zijn want daar hebben ze anderen voor.

Innerlijk hebben we ook een accu. Wij hebben innerlijk licht. We heb­ben ook een motor; dat is het geheel van ons wezen met alle kwaliteiten. Maar als er aan de accu wat mankeert, dan start je niet. Dan kun je wel een hoop lawaai maken maar je komt niet verder. De accu is het inner­lijk licht. De motor is de werkelijke inhoud van ons wezen inclusief onze incarnatiebedoeling. Op het ogenblik dat er tussen het innerlijke licht en ons gehele wezen voldoende verbinding is, is er beweging, dan gaan we inderdaad vooruit, dan kunnen we wat doen. Op het ogenblik dat we of bezig zijn met het innerlijke licht of alleen maar met ons doel en ver­geten wie we zijn, komen we nergens.

Nu eens kijken of er iemand wakker geschud moet worden. Dat is ook heel typerend. Als iemand alleen maar waarheden vertelt en je denkt dat je ze al weet, dan vergeet je wat je daarvan niet weet. Je valt in slaap en zegt dan achteraf dat het niet mooi is gewees, omdat je denkt dat je begrepen hebt wat er is gezegd. Is u dat nog nooit overkomen? U moet maar eens opletten hoe vaak u zich bezighoudt met zaken waar u heus wel iets van kunt leren en dan zegt: Nou ja, dat is niets voor mij.

Wij hebben trouwens pas zo iemand aan onze kant gekregen, dat wordt erg interessant, een soort radioactieve dominee. Het eerste dat hij moet leren, is dat hij geen dominee meer is en meer schaap dan pastor. Het tweede dat hij moet leren, is dat je alleen door anderen datgene te geven wat ze zoeken, hen kunt brengen tot het besef van datgene wat er werkelijk is. Maar dat je, als je alleen geeft wat jij waar acht, in hen alleen de weerzin wakker maakt omdat zij die waarheid misschien nog kun­nen aanvaarden maar zeker niet in de vorm waarin ze wordt gegeven.

Dat is ook weer iets waarmee we even rekening moeten houden: het gaat heel vaak om de vorm die wij de dingen kunnen geven. Het wezen der dingen kan goed zijn, maar als God Zich aan u manifesteert en Hij doet het toevallig met een paar horentjes en een vorkstaart, dan moet u eens zien hoe u op de loop gaat. U vraagt zich niet af: Wat is hij? U vraagt: Hoe ziet hij eruit?

Hoe vaak zie je dat niet op straat. Daar loopt een mooie meid. Zij vindt dat ze een paar mooie benen heeft en wil er wat van laten zien. Dientengevolge heeft ze een kastrandje en een paar laarzen aan. Dan zegt iedereen: Wat onzedig. Waar gaat het naar toe met de jeugd. Dat is begrijpelijk. Die mensen hebben vroeger alles weggehangen, verhuld. Dat was zoiets van: de schoonheid alleen achter de draperieën. Maar kun je nu zeggen wat zo iemand eigenlijk is? Is een meisje nu goed of slecht aan de hand van de manier waarop zij zich kleedt? Is iemand innerlijk goed of kwaad aan de hand van de manier waarop hij de taal gebruikt of mis­bruikt? Dat schijnt tegenwoordig trouwens op school te worden geleerd. De jeugd is daar perfect, in heb ik horen zeggen.

Een zekere dominee meende dat je alleen al aan de manier waarop de mensen spreken en de manier waarop ze zich kleden al kunt weten hoever zij zich van God verwijderd hebben. Nou, als je zo kijkt naar een mens, dan kijk je alleen naar de buiten­kant. Je probeert niet te begrijpen wat erin steekt. Wat er in schuilt, is werkelijk. De buitenkant is vergankelijk, nietwaar. Het ziet er vandaag nog erg gevuld uit en over tien jaar is het misschien een kapstok. Je weet het eenvoudig niet. Realiseer je dat dan ook. Als je te maken hebt met waar­heden, met mooie esoterische theorieën of wat anders, kijk dan niet alleen naar de uiterlijkheid. Kijk ook naar wat erin zit.

Geloof mij, menigeen heeft in een hoop kletspraat meer waarheid gezegd dan een ander in een donderend mooie en literair verantwoorde preek. Dat is een van de dingen die je gewoon moet leren. Wij zijn altijd maar bezig om naar de buitenkant te kijken en kritiek te hebben op wat er buiten ons is. Maar is dat werkelijk zo belangrijk? Wat er buiten ons bestaat, is toch niet belangrijk door de vorm maar wel door de betekenis.

Als je leeft in een werkelijk verarmde gemeenschap waar iedereen wel honger en nood kent, maar de mensen zijn goed voor elkaar, ze hel­pen elkaar, ze werken samen, denk je dan niet dat je veel beter af bent, veel gelukkiger zult leven en veel meer zult leren dan iemand die in een welvaartsstaat woont waar ieder alleen maar aan zichzelf denkt en de ander alleen maar ziet als een appendix van het eigen ik, die eventueel in staat moet worden gesteld om voor de tekorten van dat ik te betalen.

Bekijk dat maar eens. Vraag het je af. En als je bezig bent met alle mooie dingen en alle mooie woorden, alle mooie predikaties en je bent niet in staat om daarin een werkelijkheid te vinden en die werke­lijkheid ook volledig in jezelf te beleven, dan is de hele predikatie geen cent waard. En daarmee heb ik u meteen in staat gesteld een oor­deel te vellen over mijn toespraak.

Ik vind het altijd heel mooi dat ze zeggen dat de mensen een oor­deel vellen. Dat is inderdaad waar. Een mens ziet een boom staan. Hij zegt: Die boom staat hier niet goed. Wat doet hij? Hij hakt hem om. Misschien is dat ook zo met de waarheid.

Een waarheid die ons niet past, moet gesloopt worden. Als het een wijsheid is waarmee wij geen raad weten, dan maar uit de weg ruimen of in het beste geval zetten wij er een hekje omheen en zetten erbij: Boom is gewijd aan de H.Aliakes (Ajakkes). Wij willen gewoon niet het feit aannemen dat de bomen voor de mensen nodig zijn en de mensen voor de bomen. Het is een wisselwerking.

Wij willen er gewoon niet aan dat er kosmisch licht is maar dat dat licht ook niet zelfstandig bestaat, dat het een wisselwerking heeft met ons wezen. Wij kunnen niet leven zonder het licht maar het licht is zinloos zonder ons bestaan. Eerst als wij die waarheden gaan begrijpen en op grond van die waarheden gaan leven, komen we een stap verder. En als we denken dat we een stap verder komen, dan stappen we soms toch nog verkeerd, zoals in deze laatste gelijkenis moge blijken

Er was een man op aarde zeer geroemd, want hij was vele dingen geweest: directeur, minister, hoogleraar en eindelijk misschien zelfs secretaris van NAVO, NATO of UNO. Hij ging dus vol goede wil en gewich­tigheid naar boven. Maar hij keek niet naar de weg die hij volgde. Hij zag alleen zijn verre doel.

Voor hem was daar reeds de lichtende schijn van het paradijs, van een trap daar naartoe en van Petrus. Van iets anders wist hij niets. En omdat hij zo bezig was met zijn doel en alleen maar met zijn doel en daardoor niet keek waar hij liep, had hij niet in de gaten dat de trap een flauwe bocht maakte. Hij stapte dus recht door. Doordat hij recht­door stapte, viel hij. Toen hij viel kwam hij in de lagere regionen terecht.

Misschien denkt u dat hij daar op zijn plaats geweest zou zijn. Maar de directeur van die inrichting bekeek hem eens en zei: Van der­gelijke politici moet ik niets hebben, van dergelijke geleerden en wijs­geren ook niet. Voor we het weten, hebben we hier een eigen bond van dienstweigeraars in de hel. Dus, daar is de trap, begin maar opnieuw. En zo kon hij weer opnieuw beginnen. Dat is hem vijfmaal gebeurt voor­dat hij begreep dat het belangrijk is te zien waar je loopt en dat het doel wordt bereikt. En als je eenmaal je weg hebt gesteld, je deze ook zorgvuldig volgt.

Dit is voor u ook nog een aardige les. Als je al teveel bezig bent met de hoogste waarden, breek je je geestelijke nek misschien een paar keren. Maar als je eenmaal hebt vastgesteld waar je naartoe wilt gaan, probeer alles wat er in en om je heen gebeurt, te begrijpen in de zin van je innerlijk licht. Dan ga je stap voor stap verder en voordat je het weet sta je voor de hemelpoort.

En als u daar eventueel komt en u ziet daar achter een wat eigenaardige engelgorilla ronddartelen, dan weet u dat ik klaar sta om u te ontvangen.

Bescheidenheid

Ik ben bescheiden, zei de man want hij drong zichzelf niet op, maar vergat te zijn wat hij was. Zo was zijn bescheidenheid in feite luiheid, onbesef, een onbewustheid daardoor hij het zichzelf onmogelijk maakte dat te zijn wat hij moest zijn.

Bescheidenheid betekent niet denken, dat je kunt oordelen over anderen. Niet menen, dat je het recht hebt om anderen op hun fouten te wijzen, tenzij je eerst weet hoe die fouten verbeterd kunnen worden.

Ware bescheidenheid betekent niet een je onderwerpen, een voortdurende nederigheid. Het betekent wel degelijk jezelf zijn, jezelf manifesteren. Het betekent vanuit jezelf alles waarmaken wat je kunt waarmaken, desnoods met alle middelen die je ter beschikking staan, maar dan zonder je beter of wijzer te achten dan een ander, zonder ervan uit te gaan dat iedereen jou maar heeft te volgen.

Ware bescheidenheid is in zekere zin dienstbaarheid. Want je wilt niet alleen jezelf zijn maar je wilt de betekenis van dit zelf zijn voor anderen zo goed mogelijk waarmaken. Maar het betekent niet dat je anderen op hun bevel gehoorzaamt, want je hebt je eigen weg, je eigen verantwoordelijkheid, je eigen inzicht, je eigen mogelijkheden. Daarmee zul je werken zo goed je kunt. Alleen als anderen je daarom loven zul je zeggen: Ik ben alleen mijzelf. Als anderen je daarom hekelen, zul je zeggen: Ach, ik ben alleen mijzelf. Zo is de bescheidenheid.

Ik heb mijn plicht gedaan zo goed ik kon. Ik hoop dat u in de een of andere gelijkenis iets van uzelf terugvindt. Want begrip is altijd het begin van verbetering.

Ik hoop dat ik in uw reacties, voor zover ik die heb opgevangen (ook de kritiek op mij die er hier en daar in zat), voldoende gegevens heb gekregen om ook voor mijzelf iets dichter te komen bij de werkelijkheid, die ik misschien wel begeer maar die ik nog lang niet kan waarmaken.