Orfische mysterieën

uit de cursus ‘Groeiend bewustzijn‘ (hoofdstuk 7) – april 1980

Orfische mysteriën

De z.g. orfische mysteriën zijn altijd nogal geheim gebleven. Zoals u waarschijnlijk weet was ook de pythagoreese beweging in feite een deel van de orfische inwijding. Hierbij dient men zich het volgende voor ogen te stellen: elke mens is in staat bepaalde harmonieën voort te brengen. Hoe sterker hij die harmonieën weet te projecteren, des te duidelijker hij niet alleen overbrengt wat er in hem leeft, maar des te sterker hij ook in staat zal zijn daardoor zijn omgeving te beïnvloeden.

Orpheus zou de onderwereld hebben bezocht. Voor degene die in de orfische inwijdingen een bepaalde trap heeft bereikt is dit bezoek aan duistere werelden normaal. Men genereert uit zichzelf wat men kan noe­men de melodie van het Licht. Hij kent de juiste woorden, omdat ze weer de juiste resonantie zijn van hetgeen er in hem bestaat. Hierdoor is hij in staat niet alleen de duistere werelden binnen te treden, maar zelfs om onder voorwaarden degenen die daar zijn iets van zijn Licht te geven. Het primaire denkbeeld van deze gehele inwijdingscyclus zou kunnen worden samengevat in de volgende woorden:

De mens, die in zich de juiste beheersing en de juiste harmonie tot stand weet te brengen, kan door alle werelden gaan. Hij zal in alle werelden datgene wat hij is kunnen overdragen aan anderen. Hij zal hierdoor mede in staat zijn van anderen te ontvangen datgene wat voor zijn wezen har­monisch is.

Nu heeft men daaraan natuurlijk een groot aantal oefeningen verbonden. Er bestonden vele droomuittredingen. Daarnaast waren er bepaalde systemen van communicatie. Alles was gebaseerd op de kosmische taal. Ook dit vraagt enige verheldering.

De kosmos heeft maar een beperkt aantal wezenseigenschappen. Elk van die eigenschappen kan worden uitgedrukt door elk deel van de kosmos. Op het ogenblik dat wij die taal (de eigenschappen met de daarbij behoren­de uitdrukkingen) uit onszelf kunnen voortbrengen, zullen wij een taal hebben die onveranderlijk is, die a.h.w. de mathematica van de geest vertegenwoordigt en daardoor het mogelijk maakt op grond van enkele gegevens elk deel van de kosmische structuur, hetzij geestelijk hetzij stoffelijk, te overzien en te beleven.

Oorspronkelijk waren de mysteriën van Orpheus gebaseerd op de vrijwillige gang naar de onderwereld. Hoe sterk die invloed is, kunt u nagaan als u de christelijke geloofsbelijdenis daarover opslaat waarin wordt gezegd dat: Jezus stierf aan het kruis, neder­daalde ter helle en ten derden dage herrees uit den dode. Hierin zit iets van de oude mystiek zeker ook verwerkt.

Als wij namelijk weten hoe wij leven, wat onze kosmische levenssleutel is, dan kunnen wij niet wezenlijk sterven. Wij zullen onze weg gaan en wij zul­len die altijd in een kringloop afleggen. In deze kringloop is het onvermijdelijk dat wij het Licht, dat wij zelf opnemen door onze harmonie, ook weer afgeven aan anderen die het nog niet zover hebben gebracht. Eenheid is de basis van dit denken.

Nu kunt u natuurlijk daaraan heel veel conclusies verbinden, maar het eigenaardige is dat dit in verschillende tijden nogal sterk afwijkend is uit­gedrukt. Er is een deel van de orfische inwijding geweest die zich hield aan de gebruiken van de eredienst van de Grote Moeder, die vanuit uw standpunt althans nogal orgiastisch was.

Wij kennen de Pythagoreeën die juist te maken hadden met een streng en zeer ascetisch regime waarin de mens zich vele beperkingen oplegt. Wij we­ten dat verschillende Scholen het regime hebben vervangen door de ritus en daarbij de ritus hebben gebruikt als een ontlading van al datgene wat dan in een persoonlijke ascese zich misschien toch opzamelt. Op deze wijze heeft men eigenlijk altijd gezocht naar een weg die voor de mensen onder bepaalde omstandigheden het gemakkelijkst begaanbaar was.

In de huidige tijd zijn de orfische inwijdingen onder die naam niet meer bekend. Men weet niet meer van deze oude gang door het duister. Men kent niet meer de legende van de Ridders met de lichtende zwaarden, die met het magische teken als verdediging afdalen tot in de diepste diepte en met hun licht degenen beroeren die bevrijd willen worden. Toch bestaat dat nog. Want het is niet slechts een oude inwijding en het is niet alleen maar een oud geloof. Het is een systeem dat direct in overeenstemming is met het kringloopprincipe dat in elk beperkt deel van de kosmos een hoofdrol speelt. Juist doordat wij deel zijn van een kringloop (de incarnatiecyclus, de levenscyclus, de gang van de tijd, de spiraal van de tijd) zullen wij in de beperking waartoe wij behoren niet kunnen ontkomen aan het afdalen in het duister, als we willen opgaan naar het Licht. En omgekeerd, wanneer wij in het Licht vertoeven, dan zullen wij moeten afdalen in het duister, naar de beperking. Van de vrijheid gaan we naar de gevangenschap. In de gevangenschap vinden wij de vrijheid, die wij dan aan anderen kunnen geven. In deze schijnbare tegenspraak ligt het geheel van de werkingen van de geest vast, maar ook wel degelijk van de meer ingewijde mens in de stof.

Als ik dan ook voor dit aspect van de bewustwording uw aandacht vraag, zo doe ik dit omdat in deze dagen zeer zeker in vele opzichten deze orfische denkwijze weer noodzakelijk wordt; ze moet weer meer worden erkend.

Je kunt niet opgaan, als je niet bereid bent neer te dalen. Je kunt niet het licht vinden tenzij je in jezelf de harmonie van vrij­heid vindt waardoor de absolute respons op de kosmos mogelijk wordt. In een groeiend bewustzijn zullen deze factoren worden uitgedrukt. Zij zullen daarbij hun vorm voortdurend veranderen. En wat de Pythagoreeën eens misschien op hun manier hebben gedaan, zullen nu misschien rock­musici en krakers tezamen doen, want de uiterlijke verschijnselen zeggen weinig.

Ik moet bereid zijn te gaan tot in het diepste duister en met mijn krachten, mijn harmonie en met het aanvaarden van alle persoonlijke risi­co’s en gevaren die eraan verbonden zijn, anderen vrijmaken zelf vrijheid te kunnen vinden. Ik moet bereid zijn om in het hoogste Licht alle licht te absorberen zonder mij te trots te voelen om iets te aanvaarden of mij­zelf te goed te voelen en daardoor iets te verwerpen. Het is een voort­durend spel van opnemen en geven. Het is een spel van steeds weer verandering, waarin elke verandering niets meer of minder is dan het vastleg­gen van de innerlijke waarden van de mens.

In het oude Griekse denken, zeker ook in het orfische denken, is de mens het beeld van de kosmos. Hij is a.h.w. het heelal. In hem wonen he­mel en hellewerelden. In hem zijn de mogelijkheden van een uitgebreid ster­renstelsel en de gebeurtenissen binnen een atoom. Alle gelijktijdig. In zijn beseffen van deze innerlijke kosmos moet hij proberen het ritme te vinden, moet hij proberen de passende tonen of trillingen te vinden die samengevoegd zijn kosmos, zijn wezen uitdrukken en daardoor een resonantie­mogelijkheid geven met het geheel van de kosmos zowel als met elke persoon­lijke kosmos buiten hem.

Groeiend bewustzijn is een zoeken naar banden. De orfische bewustwor­ding en inwijding zijn niets anders dan de weg om deze banden in en vanuit jezelf voortdurend te bevestigen.

U weet misschien dat in de pythagoreese opvatting iemand die deze weg begint te gaan allereerst verplicht is te luisteren. Pas als hij een aantal jaren heeft geluisterd en waardig is bevonden, mag hij spreken. Hij leert te luisteren naar de muziek van anderen. Hij leert een instrument te beheersen en te bespelen. Pas als hij alle waarden daarvan heeft doorg­rond, mag hij met de anderen samenspelen, dus muziek voortbrengen.

In deze dagen is dat misschien een beetje dwaas, omdat de eisen die worden gesteld zeer hoog en zeer streng zijn. Maar indien u een kosmos bent en u bent niet in staat eerst te luisteren naar de kosmos buiten u, hoe zult u ooit het beeld van hetgeen u innerlijk bent kunnen verwezenlij­ken, kunnen beseffen en kunnen harmoniseren. Als u weet welke klanken en melodieën de kosmos kunnen beroeren en dus de harmonische factoren daar­van zelf hebt leren kennen, dan is het nog altijd nodig dat u zelf een deel daarvan op de juiste wijze voortbrengt. Dat wil dan ook zeggen, dat u het gehele beeld zelden alleen kunt beheersen, u heeft er altijd ande­ren bij nodig. Als u dat allemaal tot u laat doordringen, dan is luiste­ren soms niet zo dwaas.

Ik weet dat er mensen zijn die zeggen: ach, luisteren, ik weet al genoeg. Waarom zou ik steeds weer luisteren? Maar de kwestie is niet of u luistert om iets nieuws te horen. De kwestie is, of u in het luisteren het juiste ritme te pakken kunt krijgen, of u de harmonische waarden begint te ontdekken en die in uzelf weer kunt her­kennen. Dan is dat belangrijk.

Zeg ook niet: die melodie heb ik al duizend keer gehoord. Het gaat er niet om dat u haar hoort, maar dat u haar kent, dat u haar terugvindt in uzelf, dat u zelf de mogelijkheid vindt om in het kader van die harmo­nie persoonlijk mee te werken.

De orfische mysteriën zijn een van de vele geheimscholen die het ge­heim van de totale eenheid aan de mens probeert over te brengen. Het gaat hierbij niet om kennis of uiterlijkheden alleen, al spelen ze vaak een rol. Het gaat hierbij juist om het erkennen van de innerlijke waarde en de in­nerlijke kracht en de mogelijkheid om die beheerst aan te passen aan ande­ren, bij het andere en tenslotte bij de totaliteit. Misschien maak ik u dit duidelijker als ik overigens in een verkorte en zeer vrije vertaling iets zeg over de z.g. ‘Sleutel van Bereiking’ die in de orfische mysteriën ongeveer 100 v. Chr. tot ongeveer 200 na Chr. bestond.

“De bewuste verzwelgt de sterren. Hij is één met de aarde en hij wordt tot de zon. En zo al zijnde wordt hij de mens, die nodig is om de ster­ren en de zon een juiste baan te laten gaan.”

“De waarlijk ingewijde leest het schrift van de sterren. Hij verstaat de taal van de goden en hij spreekt de woorden van de oneindigheid.”

Het laatste is opvallend geformuleerd. Sterren: buiten ons bestaande enorme machten. De goden: de personificatie van het onbekende. Maar dan het ‘ik’ als deel van de totaliteit, in wezen staande boven de verschijnselen.

Dan zegt men ook nog van de ingewijde:

“De ingewijde beheerst de tijd, want hij beheerst zichzelf. De ingewijde verplaatst zijn geest vrijelijk, want hij zet de kosmos naar zijn wil. De ingewijde kent alle krachten en gebruikt de krachten daaruit welke hij nodig heeft om zichzelf zuiverder en beter te zijn.”

Dit zijn een paar delen uit de nogal omvangrijke reeks citaten. Dat is de formule waarmee wij nog leven.

Wij leven, maar ons leven is zinloos en betekenisloos, tenzij wij hoe dan ook in rapport komen met de wereld om ons heen. Onze innerlijke wereld en onze beleving hebben weinig betekenis, tenzij wij ons één kunnen voelen met alle krachten van licht en duister die wij kennen. Ons geloof in God, ons vertrouwen op zijn eigenschappen hebben geen zin en betekenis, tenzij wij ons zozeer één kunnen gevoelen met die God dat wij bewust als functie van het geheel optreden.

Dit zijn zaken waaraan men heel vaak voorbijgaat. Het zijn de zaken waarvan wordt gezegd dat ze geheim zijn en nooit volledig bekend zijn gewor­den. Maar staat er niet geschreven dat er mensen zijn die ziende blind en horende doof zijn? Men wil alles als een afzonderlijke waarde regelen. Maar er bestaat maar één inwijding.

Het groeiend bewustzijn kent niet duizend wegen, maar in feite slechts één werkelijke ontwikkeling. Als we dat gaan beseffen, dan zien we hoe de geheimen samenvloeien, hoe de betekenis van de dingen verandert en hoe wij door het aanvaarden van dit alles zelf veranderen tot wij de kracht en de vreugde van het geheel ervaren als datgene wat ons stimuleert in onze reizen naar licht en duister.

Vragen

  • Het verhaal van Orpheus en Eurydice. Hij mag haar uit de onderwereld halen, maar mag niet omkijken. Is dat symbolisch bedoeld?

Het speelt niet in die vorm als een symbolisch verhaal in de inwij­ding, maar het geeft wel iets weer dat binnen het geloof van die tijd ligt, zelfs ouder. Denk ook aan de vrouw van Lot. Je moet het verleden achter je laten. Wie terugkijkt naar het verleden versteend of verliest het. Dat is typerend voor het denken van die mensen, omdat je het verleden eenvoudig niet terzijde kunt schuiven. Men heeft het gedramatiseerd. Het verhaal zoals u het citeert is van de Griekse schrijvers. De Griekse schrijvers waren grote dramaturgen. Als u dat begrijpt, zult u ook inzien dat een roman weliswaar op feiten gebaseerd kan zijn, maar dat er vaak veel aan wordt toegevoegd om het verhaal smakelijk te maken.

  • Kunt u iets zeggen over de harmonie der sferen?

De harmonie der sferen is in wezen de harmonie van de totaliteit, nu uitgedrukt in de Griekse term. Men geloofde dat rond de aarde een aantal kristallijnen, dus uitgekristalliseerde sferen waren waarin de muziek der sferen niets anders was dan de basisharmonie waarin het geheel van het bestaan zich uitdrukt.

  • Voor musici is het schijnbaar mogelijk om die harmonie uit te drukken omdat zij het horen.

Als je een deel van een kosmische harmonie hoort en je probeert die uit te drukken, dan zul je ongetwijfeld niet het geheel hebben gehoord. Het geheel namelijk is niet uitdrukbaar, maar beleefbaar. Het weerkaatst uit elk deel van je wezen en kan dus in elke willekeurige melodie zelfs worden neergelegd. Het is het basisritme van het leven plus de trillingsvarianten die voor de mens de uitdrukking daarvan vormen. Een musicus kan dat dus vinden, maar is dan niet gebonden aan een bepaald weergeven zoals u suggereert. Want wie een deel van de muziek der sferen weergeeft, doet dit omdat hij het geheel nog niet ontvangt of begrijpt. Ik hoop dat ik het voorzichtig en duidelijk heb uitgelegd.

  • De duistere wereld waarin de verlichte afdaalt, wat is dat voor een wereld?

De duistere wereld is de wereld der ontkenning die noodzakelijk is om de waarde van de bevestiging te zien. En waar het ‘ik’ zichzelf ontkent of een deel van zichzelf, leeft het in het duister. Daar waar het licht zich­zelf aanvaardt is het de lichtende wereld. Het ‘ik’ dat tot de lichtende wereld behoort echter, moet in staat zijn in het duister het licht te zien. Want de ontkenning verandert niet de wezenlijke waarde. Daardoor kan de verlichte afdalen in het duister en in het duister licht zijn en de een­zijdigheid van de ontkenning verbreken bij anderen die zichzelf daartoe misschien veroordeeld hadden.

  • Beleeft iemand die in het duister afdaalt dan het duister als duister?

Mag ik u een tegenvraag stellen misschien dat dat het vereenvoudigt? Ziet u een blinde als blind of bent u zelf blind wanneer u de blinde ziet? Met andere woorden, je ziet de eenzijdigheid, die de oorzaak is van het duister, maar gelijktijdig behoud je het kenvermogen dat je uit het licht hebt, ook ten aanzien van al wat deze duisternis in en vanuit zich in feite vormt.

Strijdbaarheid

Moet ik dan strijdbaar zijn? Ik ben de vrede, maar kan ik dan de strijd ontkennen die in de ander leeft? Ja, strijdbaar moet ik zijn, juist omdat mijn vrede de strijd moet opheffen die in de ander leeft.

Strijdbaar moet ik zijn, omdat ik de verstoring van mijn vrede, die in mij ontstaat erken en terugbreng tot haar onbelangrijkheid voordat zij in mijn vrede verdwijnt.

Strijdbaarheid is geen doel, want strijdbaarheid heeft geen zin. Ze wordt slechts opgeroepen door de onvolmaaktheid die in jezelf ontstaat, die rond je telkens spreekt.

Wie strijd is ook degene die de staf breekt over anderen, die hun zegt: het is niet goed, je moet veranderen. Ik weet de weg. Maar wie weet de weg die zelf de totaliteit nog niet kent waarvan alles deel is, dat de oorzaak werd van strijd en oordeel en verwer­ping.

Goed, laat mij strijdbaar zijn, opdat ik strijd in mij beseffe en zo vernietige de oorzaak van de strijd. Maar laat mij nimmer strijden, want strijd in zich is de eenzijdigheid die zich wil opleggen aan de ander, zichzelf niet beheerst en zo ten onder gaat aan eigen beper­kingen en onvermogen tot volledigheid.