Zoeken naar de achtergrond

uit de cursus ‘Occulte Wijsbegeerte’ (hoofdstuk 7) – april 1968

Zoeken naar de achtergrond

Het woord wijsbegeerte betekent in feite onderzoek doen naar de achtergronden der dingen. Het is een tak van filosofie; en we kunnen al heel ver teruggaan in de geschiedenis, willen we een eerste basis vinden.
Er zijn in de oudheid filosofen geweest in Ninive (Keptah b.v. een van de Egyptische priesters), die allen geprobeerd hebben om de achtergrond van het leven te omschrijven en daarbij te ontsnappen aan de toch wel wat moeilijke geloofskant van de zaak. Daarna krijgen we verscheidene denkers, als b.v. Thales, Anaxagoras en niet te vergeten Aristoteles, die eigenlijk allen hebben geprobeerd het systeem van de wereld, het zijn en het leven te ontleden. In de latere tijd danken we zeer veel aan de Cordovaanse wijzen, die in Cordova de vertaling hebben verzorgd van vele in het Arabisch bewaard gebleven stellingen van occultisten en van de oude Griekse filosofen. Alles bij elkaar is het onderzoek naar de achtergronden van het leven en van de verschijnselen in alle tijden een van de meest belangrijke dingen geweest.
Als wij nu zeggen, dat we het occulte willen onderzoeken, dan is dat alleen, omdat wij speculeren over de achtergronden van datgene, wat algemeen nog duister wordt geacht. Dat hebben in hun tijd alle grote filosofen gedaan. Er is dus helemaal geen reden om aan te nemen, dat occulte wijsbegeerte nu zo geheel verschillend behoeft te zijn van alle andere wijzen van denken. Alleen, we moeten hierbij afstand doen van enkele, tegenwoordig nogal geliefde methoden van denken, zoals het dialectisch denken. Wij kunnen niet alleen maar vanuit de ervaring gaan redeneren.Wij kunnen ons niet geheel vrij of onafhankelijk verklaren, zoals b.v. de Epicuren. We moeten werkelijk proberen ons wezen, ons leven en denken te omschrijven en daarbij te beseffen wat er op de achtergrond ligt, want dat is het voornaamste.
We zijn acteurs op het levenstoneel. Dat heeft tenminste Vondel beweerd. Maar we zijn als elke acteur voor het effect dat we kunnen bereiken zeer sterk afhankelijk van het decor, waarin we staan. Het moeilijke is, dat het decor van de mensheid eigenlijk nooit helemaal ontleed is. Ook ik kan op deze bijeenkomst natuurlijk niet trachten een volledige ontleding te geven van de achtergronden van het menselijk zijn. Er zou daarover jaren te praten zijn, zonder dat we tot een eindconclusie zouden komen. Maar juist waar het de occulte verschijnselen aangaat, datgene wat men verborgen, duister, geheimzinnig en onbegrijpelijk acht, daar mogen we toch wel een aanval doen op de sluier, waarmee de werkelijke achtergrond verhuld blijkt te zijn. Ik wil dit doen in een aantal zeer korte studies of epigrammen, die ik dan samenvoeg tot een geheel.
Leven op zichzelf is ervaren. Niets in het bestaan is volledig met zekerheid vaststelbaar (dit zeggen ook de oude filosofen), maar het feit dat wij beleven, dat we bestaan, dat we denken, is voor ons zonder meer kenbaar. Het bewijs: wij denken, wij leven. En of wij hier nu Descartes willen volgen of willen uitgaan van een ander standpunt, desnoods dat van Nietzsche, we moeten altijd weer zeggen: sta zelf in het centrum. Als ik in het centrum sta, zal het totaal van hetgeen er rond mij geschiedt door mij mede worden bepaald. De achtergrond van het leven moet dus zeker een groot element inhouden van al datgene, wat ik zelf ben.
Wil ik werken met krachten, die ik niet zonder meer kan omschrijven, dan kan ik dit vaak niet verstandelijk doen, maar ik kan wel de verschijnselen constateren. De hele geschiedenis van de mensheid is vervuld van wonderverhalen. En deze op zichzelf bezien, blijken te zijn: een aantal onverklaarbare omstandigheden of onverklaarbare gebeurtenissen. Gaat het om de omstandigheden, dan is het een kwestie van het tijdsmoment, waarop ze samentreffen; gaat het om de gebeurtenissen op zichzelf, dan bevatten zij een voor ons niet redelijk kenbaar of verklaarbaar element. Op grond hiervan kunnen wij zeggen, dat alle occulte waarden in een tijdselement dan wel in een gebeuren liggen. Het gebeuren wordt door onszelf bepaald; het tijdselement wordt niet geheel door onszelf bepaald.
Een volgende reeks conclusies dringt zich aan mij op, indien ik uitga van het standpunt, dat het zijn voor mij altijd datgene betekent, wat ik erin wil zien. Er bestaat geen enkel algemeen geldend en volledig criterium, waarmee ik het zijn in z’n waarde of betekenis kan vastleggen. Dientengevolge: Daar ik zelf mijn zijn bepaal, zijn het de waarden, die ik in mij persoonlijk erken, waardoor mijn gehele bestaan en alle erkenningsmogelijkheden in het bestaan worden vastgelegd. Ik word slechts omringd door die achtergronden en waarden welke ik zelf mede help bevestigen of tot stand breng. Dit geldt zelfs, als ik die waarden of achtergronden voor mijzelf verwerp of ontken.
Toelichting: Je kunt dus zeggen: Ik wil geen oorlog. Maar aan de andere kant blijf je roepen om vrijheid of om je rechten. Dan ben je, omdat je wilt strijden voor vrijheid of voor rechten, in feite ergens ook voor oorlog en is deze mentaliteit medeaansprakelijk voor de totale oorlogsmentaliteit, die de achtergrond kan vormen van je bestaan.
Verder kom ik tot de conclusie, dat de mens lichamelijk leeft. Hij kan daaraan niet ontkomen. Dan moet de achtergrond van het totale gebeuren ook in de menselijke lichamelijkheid uitgedrukt zijn en via die lichamelijkheid uitdrukbaar worden. Het is niet redelijk aan te nemen, dat er voor de mens alleen geestelijke achtergronden zijn, indien daarin niet mede het stoffelijke (het lichamelijke dat hij toch voor zichzelf is) een grote rol speelt.
De mens denkt. In zijn denken kan hij uitgaan van de onmiddellijke constatering van feiten; van de vergelijking van feiten met b.v. het verleden of de verklaringen van anderen; hij kan daarbij verder uitgaan van speculaties, waardoor hij persoonlijke conclusies trekt op grond van feiten, zonder dat de conclusies geheel bewijsbaar zijn.
Ten laatste kan hij komen tot een voor hem volledig verstandelijk systeem van denken, dat op niet bewijsbare grondslagen berust en dat als zodanig, zouden we het op feiten alleen willen bezien, eigenlijk onredelijk is. Dan moet dus ook gezien deze mogelijkheid van het menselijk denken de reflex van de achtergrond naar ons wezen toe in deze zelfde grootorde vallen.
In de reflex van het leven worden we dus in de eerste plaats geconfronteerd met het zuiver materiële, beantwoordende aan de materiële wetten, die wij in onszelf en in de wereld erkennen.
In de tweede plaats met de vergelijkingselementen, waardoor de waarde van beleving, van het beleefde en het materieel bestaande kan worden veranderd of anders kan worden bepaald. Daarnaast dus ook de mogelijkheid van het speculatief reageren, waarbij wij waarden gaan toekennen aan de verschijnselen, zonder dat dit nu helemaal vaststaat.
Ten laatste (noem het mijnentwege de rationalisatie van het bestaan of het geloof): het uitgaan van niet redelijke elementen, waardoor echter mijn verhouding tot de redelijke wereld wordt bepaald.
Op grond hiervan meen ik te mogen stellen, dat óp de achtergrond van elk menselijk bestaan tenminste vier verschillende waarden van bewustzijn voorkomen, die elk hun eigen tendens, structuur (u zoudt kunnen zeggen: kleur hebben) en als zodanig bijdragen tot de beleving van het bestaan, zoals wij die kennen.
Nu heb ik hiermede een schets gegeven van die achtergronden. Zij moeten bestaan uit tenminste vier verschillende delen. Wil ik die delen gaan ontleden op materialistische manier, dan moet ik dus zeggen :
a. Ik heb te maken met het feit;
b. de interpretatie van het feit;
c. het denkbeeld, dat tot het feit kan leiden;
d. het geloof, dat de betekenis van het feit kan veranderen.
Maar ik kan ook anders redeneren. Want waarom zou ik dit alles alleen maar op de stoffelijke wereld betrekken? Het feit, dat niet stoffelijke waarden aanwezig zijn, impliceert volgens mij ook dat er niet materiële bewustzijnstoestanden moeten zijn. En aangezien het “ik” de zaak niet materieel toch even volledig zou moeten kunnen beleven als materieel op bepaalde punten, mag ik ook aannemen, dat dit werkelijk mogelijk is. Ik stel, dat de achtergrond van het menselijk wezen dus bepaald wordt door het materiële en tenminste drie bijkomende sferen van bewustzijn, waarvan tenminste twee van die sferen niet op de realiteit zijn gebaseerd.
Nu ga ik nog een stap verder en kom tot de conclusie, die voor het occultisme m.i. van groot belang is:
Als tenminste twee sferen of werkingen in of rond het “ik” of in de wereld niet op de werkelijkheid berusten maar wel deel uitmaken van de constateerbare werkelijkheid, zal tenminste de helft van de z.g. redelijke of constateerbare feiten in wezen niet verstandelijke of niet feitelijke elementen mede bevatten. En dan zeg ik heel eenvoudig:
Op het ogenblik, dat de resultaten van een dergelijke werking tot uiting komen, spreek ik van occultisme.
Is occultisme daarom uitdrukkelijk magie? Ik geloof niet, dat het juist is om dat te stellen. Magie is de aanduiding, die men geeft aan een zeer bepaald deel van de praktijken, die uit het occultisme voortkomen. Ik kan ook niet zeggen, dat het occultisme esoterie is. Esoterie is een van de mogelijkheden (een constructieve mogelijkheid, die volgens de gegeven klassering in de derde categorie zou thuishoren), waarin het “ik” zijn wereld definitie kan opbouwen en eventueel herzien. Maar het is lang niet zeker, dat de uitwerkingen daarvan concreet merkbaar zullen zijn. Zelfs van de magie kunnen we dat niet direct zeggen.
Toch zullen wij in alle vormen van occultisme en magie steeds weer het woord aantreffen. Het woord, dat een vreemd machtsverschijnsel is; dat de “onuitsprekelijke Naam” wordt genoemd; dat in sommige gevallen wordt omschreven in andere gevallen vaag wordt aangeduid. Maar altijd weer een woord, een begrip. In het occultisme mogen we dus stellen, dat een begrip de basis is van al hetgeen wij kunnen bereiken en eventueel leren constateren.
Dan stel ik, dat b.v. helderziendheid, helderhorendheid en al dergelijke eigenschappen die paranormaal worden genoemd, alle bereikingen die occult worden genoemd (soms ook theosofisch), in feite behoren tot de voorgaand omschreven werking. Zij zijn deel van een wereldverandering en wereldontwikkeling, die vanuit het “ik” plaatsvindt. Zij moeten daarom mede uitdrukking geven aan de mogelijkheden, die in de normale wereld niet verstandelijk of stoffelijk worden erkend.
Indien ik het decor verander, verander ik de tendens van het stuk. Als ik dezelfde rol speel in een bos, in een paleiskamer of in een hut, dan verandert ergens de waarde van het geheel. Iemand, die zeer sterk is, kan het decor overspelen, d.w.z. hij kan de niet bij hem passende delen van het decor voor anderen a.h.w. wegpraten. We vinden dat terug bij de rhetoricus, de mens, die met zijn zilveren woorden (zoals dat eens mooi werd gezegd) de zwakheid van zijn argumenten doet vergeten. Maar hoe het ook zij, we zitten dus met het onbegrijpelijke argument. En het onbegrijpelijke argument wordt tot de onbegrijpelijke praktijk. Mijn decor verandert. Ik ben in staat om mijn eigen decor te bepalen. Ik kan dus in een wereld, die absoluut a romantisch is wel degelijk als romanticus overtuigen, maar dan moet ik de zwakte van het decor (de reflex van het decor op mijn wezen) door de sterkte van mijn persoonlijkheid overspelen. Anders gezegd: Waar de wil en de persoonlijkheid in een volledige inzet een bepaalde waarheid nagaan, zal het ego geneigd zijn dit voor het “ik” tot waarheid te verklaren en alle ervaringen, daden, maar ook reacties en resultaten aan de hand van het geprojecteerde te bepalen.
In de magie gaat de magiër uit van het decor dat hem past. Hij maakt dit voor zichzelf zozeer waar, dat het totaal van de door mij genoemde vier waarden reageert op die persoonlijkheid volgens een waarde, die hij zelf heeft bepaald en die niet alleen maar door een gemeenschap wordt vastgesteld. Hier, heeft u het typische beginsel van de magiër.
De esotericus doet vaak precies hetzelfde. Ook hij gaat uit van een bepaalde stelling en verwerpt eenvoudig elk ander benaderingspunt. Hij komt hierdoor voor zichzelf ongetwijfeld tot resultaten, maar deze zijn voor de wereld niet normaal. Ze zijn a normaal; zij passen niet in de totaliteit. En omdat ze niet daarin passen, zegt men, als ze merkbaar worden, dat het occult is, zodra het om verschijnselen gaat, die ook anderen betreffen. Zodra het om jezelf gaat zegt men dat het waanzin is.
Hier liggen dus eigenlijk reeds de grondwaarden van deze achtergrond filosofie, die ik vandaag voor u ontwikkel, uitgestald. Maar we moeten m.i. niet alleen proberen om wijsgerig de achtergrond en de werking daarvan te begrijpen, we moeten daarnaast trachten met die achtergrond te werken.
Nu blijkt mij:
Het is voor de mens moeilijker de materiële (de voor hem direct líchamelijk leefbare en denkbare) waarden te veranderen dan zijn vergelijkingswaarden (de associatieve waarden) en daarbij zijn eventueel filosofische opbouw of zelfs zijn geloofservaringen. Geestelijke waarden kunnen gemakkelijker worden veranderd dan lichamelijke. Hieruit vloeit voort, dat wij ons bij het occulte nooit moeten baseren op een a priori veranderen van de materiële wereld, maar dat we moeten uitgaan van de verandering van de geestelijke waarden van het decor. Wij kunnen driekwart van het decor beheersen. Dit is voldoende om een totaal andere belichting tot stand te brengen, de scene een geheel ander aanzien te geven en daarmede de gevolgen voor ons te wijzigen.
Waarom moet dan de materie toch mede een rol spelen? Wel, heel eenvoudig. De materie is voor de mens de bron van denken, van ervaring en dientengevolge (het kan haast niet anders) van zijn associaties en mede ook van zijn geloofsaanvaarding. Ook zijn filosofie zal er ongetwijfeld door gekleurd worden. Daarom kan de mens uitgaan van de stelling, dat elke praktijk magisch kan zijn, zolang zij in de eigen wereld normaal aanvaardbaar of beleefbaar is; gelijktijdig een andere betekenis kan krijgen in associatief verband; en bovendien de uitdrukking kan vormen van een filosofische erkenning of een standpunt van geloof.
Hoe meer ik het materiële deel maak van de totale verandering van het decor, des te meer mijn rol zich aanpast aan het beeld, dat het decor mij biedt. Ik kan mij niet zonder meer voor de achtergrond veranderen, maar ik kan wel vanuit mijzelf en voor mijzelf de achtergrond zodanig wijzigen, dat dezelfde rol, die ik speel, een totaal andere betekenis krijgt.
Gezien in magisch verband: Alle normale dingen van het leven kunnen op deze wijze worden getransponeerd tot direct magische werkingen, waarvan de gevolgen niet in overeenstemming zijn met datgene, wat men er normalerwijze van zou verwachten.
Esoterisch kunnen wij zeggen:
Elke benadering, die op deze wijze plaats vindt, maakt het mij mogelijk innerlijk een beleving waar te maken, welke niet verklaarbaar is, niet kan worden gerationaliseerd en voor mij zelfs als associatie in de eerste plaats een geloofsassociatie blijft, maar die mij desalniettemin de mogelijkheid geeft om daardoor in mijn stof bepaalde dingen te veranderen, oorzaken en gevolgen en besefswaarden in de wereld voor mij volledig te variëren.
Dan kom ik tot een ander punt:
In de filosofie, die eigenlijk aan dit wijsgerig ontleden van het occulte vooraf gaat, probeert de mens voortdurend rekening te houden met zijn goden. Opvallend is dat de primitieve volkeren toch goden hebben. Opvallend is verder, dat die goden een uitdrukking van het milieu zijn. Dalton, de god van de Phoeniciërs b.v., is een visgod. Hij heeft een soort kikkerkop. Als we gaan kijken naar volkeren, die b.v. rivieren hebben, dan zien we de krokodil, de ibis optredende dier elementen. In feite kunnen we dus zeggen, dot de god voor het primitieve volk de weergave is van de natuurlijke omgeving. Anders gezegd: Het geloof van de primitieve volkeren is een aanvulling van het natuurlijk ervaren.
Indien dit voor de primitieve volkeren zo is, mag ook worden aangenomen, dat alle filosofen eigenlijk op soortgelijke wijze te werk zijn gegaan. De filosofie is een poging om een aangezicht te geven aan het onbegrijpelijke, zodat het aangepast is aan het eigen milieu. De achtergrond van het normale bestaan bepaalt dus de norm, die de god aanneemt.
Als dat waar is voor een god dan moet het ook waar zijn voor alle andere krachten. Ik kan dus niet gaan zeggen, dat een engel of een demon overal hetzelfde zal zijn. Integendeel, zij zullen veranderen naar gelang de mens en zijn milieu verandert. Toch ontwikkelt men op grond van die geloofsstellingen een aantal wetenschappen en pseudo wetenschappen:
De astrologie b.v. komt voort uit het geloof, dat de sterren het schrift der goden zijn. Als men verder gaat, ontdekt men de wetmatigheden van de hemelbeweging; maar men ziet deze nog steeds als een lotsuitdrukking op deze wereld. Is dit redelijk? In feite niet. De mens moet echter rationaliseren. Hij moet een uitdrukking vinden. Hij gaat dus zijn ervaringen koppelen aan een systeem.
Wat blijkt nu? Dit systeem, ofschoon in de details zeker niet altijd houdbaar, is in algemene termen wel degelijk bruikbaar. Mag ik daarom stellen, dat elk systeem (magisch, esoterisch, wetenschappelijk, occult, pseudo wetenschappelijk enz.), dat door de mens wordt ontworpen om zijn achtergrondsbeleving te rationaliseren, na verloop van tijd door de ervaring tot een hanteerbaar systeem wordt, waarmee werkelijke resultaten kunnen worden behaald, ofschoon de waarden, waarvan de resultaten worden afgeleid niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid? En dan is verder nog maar een stap noodzakelijk.
Indien het systeem niet noodzakelijkerwijze de werkelijkheid weergeeft, ofschoon de resultaten daarvan betrouwbaar zijn, kan elk systeem ook het meest wetenschappelijke in wezen onjuist zijn, maar zal het gegroeid door de tijden heen toch ware oorzaak en gevolg verhoudingen uitdrukken. Dan is elk systeem, mits juist gehanteerd en een redelijke groeiperiode in de mensheid ondergaande, evenzeer bruikbaar zijn om tot feitelijke resultaten te komen.
Dan zijn we nu dus zover gevorderd dat wij kunnen constateren, dat alle menselijk denken en alle menselijke wetenschap niet noodzakelijkerwijze gebaseerd zijn op feiten maar uitdrukking geven aan in het menselijk milieu erkenbare materiële verhoudingen, waarvan de gevolgen wel constateerbaar zijn. En dan zitten we middenin het werkelijk occultisme.
Wat is het occultisme? Het is een aantal systemen, die worden gebruikt om verschijnselen te veroorzaken en te verklaren. Deze verschijnselen zijn gedeeltelijk van fysieke, gedeeltelijk van psychische aard. Ze gaan zelfs verder. De systemen, die in het occultisme gelden en worden gebruikt, behoeven niet noodzakelijkerwijze juist te zijn. De fenomenen van het occultisme echter maken wel duidelijk, dat er iets bestaat en dat bepaalde systemen bruikbaar zijn om een vaststelbare werking tot stand te brengen. Dan is onze achtergrond zeker niet zo redelijk of zo mystiek als we willen denken. Onze achtergrond is nog steeds vaag, want hij is niet werkelijk definieerbaar : Onze achtergrond blijkt als we hem op de kern onderzoeken niets anders te zijn dan iets, wat ons te machtig is en waarin wij ons trachten in te voegen op een eigen manier.
De achtergrond van het occultisme is het onbekende. Het occultisme zelf is een poging om dus het totaal van dit onbekende in te passen in eigen leven, om een rol te gaan spelen, die gaat bij het decor dat men niet kent. Men kan daarbij van zeer vele foutieve veronderstellingen uitgaan. Maar de ervaring heeft geleerd, wat de actieve elementen zijn.
Nu wil ik even ingaan op de vraag of het denkbaar is, dat een op zich onjuist systeem juiste resultaten geeft.
Ik wil erop wijzen, dat in het begin van de sterrenkunde de mensen een heel vreemd beeld hadden van een aantal vaste sferen (hemellagen, die er rond de aarde waren en ten opzichte van elkaar verschuifbaar); de kristallijnen sferen. Maar de registratie van de loop der sterren was desalniettemin juist. We weten, dat men in de primitieve chemie is uitgegaan van de meest krankzinnige denkbeelden. Bijvoorbeeld: omtrent het al of niet harmonisch zijn van elementen volgens de primitieve vier hoofdwaarden (vuur, aarde, water, lucht), waartoe ze zouden behoren.
Vuur b.v. zou bij lucht explosief kunnen zijn. Vuur bij water zou geen resultaat geven. Vuur bij aarde een onberekenbaar resultaat. Op grond daarvan en niet op grond van hetgeen u op het ogenblik met vele formules weet uit te drukken, heeft men in het begin geëxperimenteerd. Toch zal men moeten toegeven, dat zelfs reeds rond het begin van uw jaartelling er een chemie en een kruidkunde bestonden, die wel degelijk bruikbaar waren, De redenen, die men opgaf voor de behaalde resultaten, waren niet juist, de resultaten wel.
Hetzelfde kunnen wij op het ogenblik nog zien bij vele primitieve volkeren, die in hun geneeskunde, hun opvattingen omtrent leven, de jacht e.d., uitgaan van regels en denkbeelden, die absoluut niet redelijk zijn voor de blanken. Maar de resultaten, die zij behalen, brengen de blanken ertoe om te zoeken naar wat hij noemt: het actieve element. Dit actieve element moet hij dan gaan uitdrukken vreemd genoeg in de scala van zijn eigen voorstellingswereld. En daarmee wordt het ook voor hem bruikbaar. Vóór die tijd is het meestal twijfelachtig.
Hieruit blijkt volgens mij dus reeds dat een stelsel, dat van westers standpunt op volledig fictieve waarden berust, resultaten kan voortbrengen, die indien zij eenmaal zijn omgezet in de termen van het westerse stelsel plotseling wetenschap zijn, Vóór die tijd noemt men ze bijgeloof misschien en onkunde. Dit is dwaas, dat zult u begrijpen, willen we dus voor onszelf deze vage achtergrond van leven, van bestaan, hanteren, dan moeten we niet uitgaan van het standpunt, dat alles onmogelijk is of dat alles mogelijk is. We moeten leren uitgaan van onze eigen wereld, ons eigen denken.
Een magiër, die geen magische stellingen kent, bereikt meestal weinig met zijn magie. Hij kan zijn weten vaak door zijn emotie vervangen, dat is volledig waar. Maar hij is toch niet in staat om het zonder meer nu maar tot stand te brengen. Hij kan niet alles. Als een magiër wordt geconfronteerd met een andere, hem vreemde vorm van magie, moet hij de formule en de werkwijzen daarvan herleiden tot zijn eigen filosofische achtergrond. Pas dan worden ze bruikbaar.
Voor de esotericus geldt precies hetzelfde. Als hij een bepaald denksysteem heeft, dan kan hij soms zeer grote stimuli vinden voor een verdere geestelijke ontwikkeling in een ander systeem. Maar willen ze voor hem bruikbaar zijn voor een werkelijk verdere ontdekking van het “ik”, dan zal hij toch eerst die dingen moeten vertalen in zijn eigen termen. Hij moet dus komen tot een beeld, dat bij hem past. Anders gezegd: De vage achtergrond moet voor ons een vaste betekenis hebben, voordat wij met de waarden van die achtergrond iets tot stand brengen.
Dan ben ik nu aan het laatste stukje en dat is misschien wel een beetje minder filosofisch, maar daarom geloof ik meer bruikbaar.
Om iets te bereiken onverschillig waar en hoe moet ik geloven. Mijn geloof wordt bepaald door mijn denken plus mijn gevoelsleven. Om werkelijk iets te bereiken zal ik dus uit mijn gevoelsleven en mijn denken mijzelf een wereldbeeld moeten vormen, waarin ik mij harmonisch kan bewegen. Pas indien dit het geval is, zal ik met mijn wereld en haar mogelijkheden harmonisch kunnen samenwerken.
De aard van het beeld, dat ik ontwerp, is niet van belang. Zolang ik echter zelf resultaten wil bepalen, zal ik er zeker van moeten zijn dat het totaal van actie en van verklaring en associatie binnen het voor mij harmonische vlak ligt. Zelfkennis is noodzakelijk. Zodra echter een ander de leiding heeft (en hier zit nu een haakje), zal de persoonlijke waarde, waardering en erkenning van deze persoon bepalend en beslissend zijn. Hierdoor worden de oorzaak en gevolg verhoudingen bepaald. Niet door de verhoudingen van alle deelnemers tezamen. Zij zullen immers slechts deelnemen, gedreven door een zekere aanvaarding van hetgeen hun meester, priester, enz. doet. Zij onderwerpen zich dus onbewust aan de ander en aanvaarden, zij het tijdelijk, diens criteria. Daarom zal bij elke samenwerking van een groep iemand moeten kunnen optreden als initiatiefnemer, richtinggever. Hij zal niet aan de andere behoeven te verklaren waaróm iets werkt, maar hij moet daarin wel zelf geheel geloven en anderen weten te overtuigen van het feit, dat zijn werkwijze goed is.
Aangezien oorzaak en gevolg in de occulte wereld niet een direct kenbare samenhang hebben, is het niet noodzakelijk, dat enigermate logische samenhangen worden erkend of nagestreefd. Wel is noodzakelijk dat men alles, wat men nastreeft, volledig gelooft, dat het deel uitmaakt van het eigen stelsel of systeem van denken. Hoe primitief of filosofisch uitgebouwd en ingewikkeld ook, het zal altijd mijn systeem moeten zijn.
De kern van de zaak is dus: Degeen, die de scene beheerst op het toneel, beheerst daarmede ook voor alle figuranten de waarde van de achtergrond. Ik kan mijn achtergrond veranderen. Maar dat kan ik alleen doen, indien ik anderen domineer. Zolang ik door anderen of door iets anders word gedomineerd, zal ik daartoe niet in staat zijn.
Voor alle bereiking van esoterische, van magische of van andere occulte aard blijkt dan ook een grote mate van zelfbeheersing en een zekere mate van onthechting of onverschilligheid noodzakelijk te zijn. Hij, die zich teveel bekommert om het resultaat, zal het niet bereiken, omdat hij het resultaat zodanig voorop stelt, dat hij vergeet zichzelf harmonisch in te passen in het voor hem bestaande systeem.
Dan volgt verder hieruit, dat je dus niet werkelijk met elkaar kunt spreken over het occulte. Je kunt elkaar het occulte mededelen en elkaars beeld van het leven hierdoor beïnvloeden. Maar van een lijnrechte mededeling is dus nooit sprake. Er kan sprake zijn van een onderwerping, van een domineren, maar nimmer van een volledige gelijkwaardigheid. Wie zich wil bezig houden op occult terrein, onverschillig waarmee, doet er goed aan dit in de oren te knopen.
Geestelijke krachten bestaan voor mij en waarschijnlijk ook voor u. Of zij reëel bestaan, zoals wij ze kennen, is niet zeker. Wel is zeker, dat zolang wij de scene domineren, deze beelden van ons denken voor óns volledig reëel zijn en dan zullen ingrijpen volgens de werking, die wij eraan toekennen. Laat mij daarom een beeld maken van de geestelijke mogelijkheden en waarden van deze wereld, zoveel mogelijk in overeenstemming met mijn wezen, mijn wereld en mijn behoeven. En laat mij al hetgeen ik filosofisch of misschien meer religieus aanvaard mede in die figuur fixeren. Hierdoor maak ik ze voor mij tot werkzame krachten. Daar zij deel uitmaken van het decor van de achtergrond, kan ik ze naar voren roepen en actief maken naar mijn wil, zolang ik niet stipuleer, dat ik aan hen onderworpen ben.
Dit laatste is iets, waarmee men nog wel eens worstelt, zoals Tobias met de engel. En dat is heel begrijpelijk. Een mens wil zich een engel voorstellen als een machtig wezen. Daarom acht hij zich aan dit wezen onderworpen. Op het ogenblik, dat hij dit doet, wordt de engel voor hem een niet actieve factor. Hij kan niet ingrijpen. Op het ogenblik, dat diezelfde mens meent, dat hij misschien door een goddelijke gezag, een goddelijke gave of een machtwoord die engel te kunnen bevelen, komt die engel uit de achtergrond naar voren, wordt een tijdelijk concrete macht en zal als zodanig volledig werken en ingrijpen volgens datgene, wat de persoon die hem oproept daarin legt.
Het is zeer belangrijk, dat ik het beeld, dat ik mij van geestelijke krachten maak, wel overlegd beschouw; dat ik het wel overlegd inbouw in mijn denken en filosofie; en dat ik daarvan alleen gebruik maak vanuit een standpunt van beheersing of superioriteit.
Toch bestaat er voor de mens ergens de behoefte aan te leunen aan het sterkere, de supplicatie aan het hogere. In deze gevallen kunnen wij niet volstaan met een vorm hebbend beeld van de Godheid. Zodra de Godheid te sterk in vorm is uitgedrukt, wordt Hij daarmede ook teveel bepaald. Hij wordt deel van onze achtergrond. Een dergelijke God zal alleen kunnen ingrijpen, indien wij menen Hem te kunnen beheersen. Zodra God echter de vaagheid is, de achtergrond, waaruit wij de beelden kunnen oproepen, die voor ons beheersbaar zijn, is het iets anders.
Wij hebben dan de hogere Macht, die ons de mogelijkheid geeft en waaraan wij de kracht ontlenen, omdat ze sterker is dan de verschijnselen, die eruit voortkomen; en gelijktijdig door haar vaagheid iets, waarmee wij ons volledig kunnen identificeren.
Identificatie met het Allerhoogste betekent macht op occult terrein. Het betekent inzicht, omdat men toegang heeft tot de kennis, die normalerwijze op de achtergrond ligt en onbereikbaar wordt geacht, maar nu uit het Goddelijke dienstbaar wordt gemaakt aan het “ik” en zo mede wordt vertaald in het totale denken van de eigen persoonlijkheid.
Hiermede ben ik zo ongeveer gekomen aan het einde van mijn betoog. Ik hoop echter met dit alles u een paar denkbeelden te hebben meegegeven. Het is niet voldoende alleen bewustzijn, persoonlijkheidsbewustwording en dergelijke factoren te bezien; of om ons bezig te houden met de mogelijkheden van magie, van helderziendheid of het ontwikkelen van gaven. Pas als we onszelf zien tegen de achtergrond van dit leven (die absoluut vage achtergrond, dit decor), dat onze rol, onze functie bepaalt, zodra we het als een vaste waarde accepteren, maar dat zodra het wordt beseft als het feitelijk ongevormde rond ons, door ons kan worden beheerst en daarmede het ons mogelijk maakt om onze eigen rol te bepalen, dan heb ik al veel bereikt.
U bent in wezen niet de onderworpene. Uw onderworpenheid komt voort uit uw wereldbeeld; niet uit de feiten van uw wezen alleen. Indien u iets niet kunt, dan komt dat voor een groot gedeelte voort uit uw eigen denken, uw eigen gevoelswereld, uw eigen reactie; niet zonder meer uit de feiten. Laten wij dus in deze occulte wijsbegeerte stellen:
De achtergrond van alle occulte bereiking is het vermogen een eigen beeld van het Al zodanig harmonisch te richten, dat men zelf daarin als enig actieve of als algemeen beheersende factor kan optreden. Dit sluit niet uit, dat boven ons een God is, Die onze gelijkheden regeert; dat er kosmische krachten zijn; dat er vele oervormen zijn, die ons wezen bepalen. Maar daar deze mede onze denkwereld en al onze besefsmogelijkheden omschrijven, behoeven we daarmede in de praktijk geen rekening te houden.
Laat ons uitgaan van onszelven en van onze werkelijkheid. Laat ons die werkelijkheid bouwen naar ons beste besef en zo ons waardig tonen aan de Kracht, die ons de beperkte mogelijkheden heeft gegeven, waarover wij beschikken.

Oude Inwijdingen

Als wij de oude inwijdingen proberen te beschouwen in het licht van de kennis, waarover de mens nu beschikt, dan beseft men al heel snel, dat hierin de natuur, de krachten van de natuur en de goden van de natuur een heel grote rol spelen.Wij weten, dat b.v. de beste mysteriën van Griekenland in feite ressorteren onder Demeter, terwijl daarnaast de tweede reeks inwijdingen, die men in Griekenland kende, voornamelijk onder Bacchus vielen, wederom een natuurgod.
Gaan wij kijken naar de inwijdingen in andere landen, zoals Egypte, dan valt ons op dat daar de z.g. opwekkingsinwijding van Osiris bestaat naast de z.g. Isis inwijding. Wederom een kwestie van de krachten van de natuur, in casu de zon en de aarde. Het zal u duidelijk zijn dat daarvoor een reden moet zijn; en dat wij deze inwijdingen, die ongetwijfeld vaak zeer hoge geestelijke waarden hadden, niet kunnen afdoen met een aantal bijgelovige gebruiken. Waarom dan zoveel inwijdingen, die op de aarde zijn gebaseerd?
De mens leeft op aarde. Zijn wereld is een totaliteit, ook al beseft hij haar voortdurend slechts in details. In deze totaliteit moet het karakter van de werkelijke wereld, van de levenskracht, welke die wereld beheerst, worden erkend, wil de mens in staat zijn zich boven zijn milieu en de beïnvloeding daarvan te verheffen. Om het anders te zeggen:
Zolang de mens gebonden blijft aan de details en de facetten van zijn menselijke samenleving en van de natuurkrachten, waarin hij leeft zonder ze te begrijpen, zal hij zich niet bewust kunnen worden van zijn hogere geestelijke vermogens; en zal hij daarnaast niet de mogelijkheid vinden om de eenheid met de totale wereld, de harmonie met de kosmische figuur en heerser, die door die aarde wordt vertegenwoordigd, te aanvaarden.
Bij de zonne magie is het al precies hetzelfde. Bij de inwijdingen die gebaseerd zijn op de zon in haar vele gestalten, treffen wij het begrip aan van de kracht van leven en dood. (Leven en dood zijn de elementen, die de mens beheersen.) Eerst indien deze als een eenheid kunnen worden beseft, kan de mens zich losmaken van de verschijnselen van tijd, van het menselijk bestaan op zich en daarmede een bovenmenselijk inzicht verkrijgen van de werkelijkheid.
Bij al deze godsdiensten en inwijdingen worden we getroffen door een aantal gebruiken, die we dan toch wel magisch mogen noemen. Typerend is hierbij, dat de inwijding bijna altijd een beproeving van de kandidaat inhoudt. In sommige gevallen is dit de z.g. bloeddoop, zoals in Babylon, waar men in een graf werd gelegd, waarboven dan een stier werd geofferd. (Een stier, die ook weer het symbool was van de vruchtbaarheid op deze aarde.)
Wij zien in b.v. de Mitrasdienst de beproevingen door de elementen, waar men o.m. vlak bij een vuur werd gelegd, in water werd gedompeld etc. Wij zien de labyrinth beproevingen; en daarbij is heus niet altijd een Minotaurus noodzakelijk. Beproevingen, waarbij het magisch element eigenlijk ligt in het overwinnen van de te grote afhankelijkheid van zintuigen. De mens moet niet meer gaan reageren volgens wat hij hoort en ziet. Hij moet volgens zijn gevoel plus zijn wil reageren. In al deze gevallen is het magisch element van het ritueel eigenlijk een aanduiding van een proces, dat zich in de mens zelf aan het ontwikkelen is of zich moet voltrekken.
Overdrachtelijkheid speelt in de oude magie een zeer grote rol en is althans magisch gezien ook in deze dagen zeker nog aanwezig. De overdrachtelijkheid van een bloeddoop is het onderdompelen van de mens in de essentie van het leven. Het bloed van de stier (een dier, dat bovendien nog gewijd is), is a.h.w. ondergedompeld worden in de kracht van de vruchtbaarheid van de totale natuur en daarmee het winnen van een eenheid (of wilt u zeggen bloedbroederschap) met de werkelijke levende krachten van deze aarde. Door het gebeuren op zichzelf (het begraven worden, het in bloed gedoopt worden) ontstaat het beeld van een herrijzenis (iets wat we ook steeds weer tegenkomen), waarin ook nog een overwinning op de dood en de tijd mede wordt gesuggereerd.
Als je uit het oude leven weet te ontkomen, sta je in de nieuwe wereld geheel vrij. Je wordt niet gekweld door allerhande problemen, die je eens had. De relaties, die vroeger bestonden, zijn a.h.w, afgedaan. Wat er overblijft, is alleen nog je eigen niveau van bewustzijn, waarmee je gerelateerd bent. Dat deze methode, om de mens vrij te maken wel degelijk zin heeft, mag blijken uit het volgende:
Wanneer er een vuurdoop plaats vindt (een doodgewoon verschijnsel, dat op de Fidzji eilanden tegenwoordig zelfs voor toeristen wordt vertoond), dan gaat iemand over gloeiende houtskool of witheet gestookte stenen, zonder dat hij zijn voetzolen verbrandt of door de vlam ergens anders brandblaren oploopt. Natuurlijk is daarvoor een zekere techniek nodig. Maar het typerende is nu dat de mens, die zich weet op te zwepen, totdat hij zich verbonden gevoelt met een soort vuurgod en zich dus als deel van het vuur gaat beschouwen, in de beweging de zekerheid heeft en in de afscheiding van zijn lichaam de juiste reactie produceert, die nodig is om b.v. 50 meter over een kolenbed te lopen, zonder dat dit ook maar iets uitmaakt. Dat klinkt ongelooflijk. En toch blijkt een mentale preparatie voldoende te zijn om een mens tot deze prestaties in staat te stellen.
Ik wil niet ingaan op de vele andere voorbeelden van soortgelijke verwantschapsinstellingen, die over de gehele wereld in de magie voorkomen. Ik wijs er alleen maar op dat de mens die zich dus werkelijk (en dat moet dus ook daadwerkelijk zijn) verwant weet met een totaliteit en al het andere daarvoor terzijde schuift, verandert, zijn reactie verandert, zijn denken verandert, zijn constatering van feiten verandert, en daarmee ook zijn vermogen.
Iemand, die een volledige inwijding had gehad in de oudheid, geld als magiër. Hij gold als magiër, omdat, hij geheimen kende, die aan het gewone volk natuurlijk verborgen bleven. Soms waren dat zuiver kenniskwesties: geneeskunde b.v. In andere gevallen was het kennis van bepaalde natuurwetten. In sommige gevallen was het ook het gebruik van gaven van suggestieve of hypnotische aard. Het vreemde is, dat die gaven of kennis op zichzelf eigenlijk nooit zo ontzagwekkend zijn, Ontzagwekkend is hetgeen de ingewijde ermee doet. En nog wonderbaarlijker is het, indien we ons gaan realiseren, dat de niet-ingewijde, die soms de beschikking krijgt over deze kennis, er over het algemeen maar heel weinig van terecht brengt. Het gaat om een harmonische oriëntatie.
Indien ik naga, hoezeer men bij bepaalde inwijdingen met symbolen werkt (o.a. in het labyrinth onder de tempel van Poseidon), dan valt mij op, dat men de mensen daar een symbolisch licht meegeeft, dat niet werkelijk brandt. Een lamp en olie, maar beide gescheiden. De mens aanvaardt deze gescheiden waarden, maar zij worden hem tot licht. Dat bereikt hij niet in de eerste drie of vier afdelingen, maar pas wanneer hij de zesde graad heeft bereikt. Hij krijgt graan of een koekje uit graan gebakken. Dit is niet alleen voedsel, maar het is de hele aarde. Als hij benauwd is, dan heeft hij a.h.w. de korenvelden bij zich. Hij kan ademhalen als in de vrije natuur, zelfs in de meest benauwde grotten. Hij kan door ruimten gaan; waar rond hem geen steun aanwezig is en hij heeft de zekerheid van iemand, die over de vaste grond gaat. Een magisch denken dus. Maar als degeen, die dergelijke symbolen ontvangt, daaraan gelooft dan gaat hij inderdaad vaak door krankzinnig gevaarlijke proeven heen, zonder dat er ook maar iets gebeurt.
Een voorbeeld, dat u tegenwoordig nog kunt vinden in het fakirisme, is het lopen over de z.g. zwaardentrap. Dit zijn werkelijk scherp geslepen zwaarden. Natuurlijk wordt een dergelijke proef wel eens vervalst, maar over het algemeen gaat het hier werkelijk om dunne, scherpe zwaarden. Hierbij zijn natuurlijk bepaalde regels noodzakelijk. O.a.: zet de voet rechtop, steunend op het grootste vlak, breng het gewicht geleidelijk over, etc. Maar vooral: zorg, dat de druk steeds recht op het scherp blijft. Dat is de technische kant ervan.
Maar hoe komt het dan, dat zo weinig mensen leren deze kunst volledig te beoefenen? Heel eenvoudig, omdat de werkelijke fakir, die ermee werkt, niet alleen een kundigheid heeft; hij heeft een geloof. Hij gelooft, dat hij op het ogenblik, dat hij over die trap loopt, zich aan een oordeel van de goden onderwerpt. Hij weet, dat hij goed is. Daarom wordt hij onkwetsbaar.
In de inwijdingen zien wij precies hetzelfde element. De psychische instelling van degeen, die de inwijding ondergaat, is bepalend voor het succes. Er zijn mensen geweest, die werkelijk als krankzinnigen terugkwamen uit een dergelijke inwijdingsbeproeving. Ze werden misschien in een van de elementen plotseling door angst bevangen. Ze werden beroerd door een slang en zij voelden zich dus niet verwant met de natuur. Zij meenden dus vergiftigd te worden. Zij konden de tijd niet voldoende uitschakelen om een vuurpref te doorstaan en al die dingen meer. Zij faalden, omdat zij zelf niet komen tot de aanvaarding van de symbolen als werkelijkheid.
Dit is de magische achtergrond van de oude inwijding. Alle rituelen zijn daarbij van voorbijgaande aard. En ofschoon sommige daarvan volgens onze moderne opvattingen erg obsceen zouden zijn (langzaam maar zeker worden ze minder obsceen maar dat hebben ze te danken aan bepaalde auteurs van deze tijd), zijn andere daarentegen voor u onvoorstelbaar dom en dwaas. Maar alle geven ze resultaten. Resultaten, opdat  vreemd genoeg de mens door zijn geloof krachten kan verwerven; door de overdrachtelijke magie die hij gebruikt, krachten en toestanden in zich kan doen ontstaan en naar buiten toe zelf invloeden kan genereren, die eigenlijk niet behoren tot het normaal menselijk bestaan. En waarom niet? Omdat de inwijding in feite ten deel heeft om de mens los te maken van de mensheid, zoals hij die kent.
Het is niet voor niets dat bepaalde inwijdingen begonnen met een bad (o.a. de Eleusinische), dat bepaalde inwijdingen begonnen met een maaltijd en andere juist weer met een periode van vasten, sommige van 28 dagen. Hier werd doodeenvoudig een reiniging, een zuivering, een verandering van toestand gesuggereerd. Want om werkelijk ingewijd te zijn moet je beseffen, dat je nooit kunt behoren tot de mensheid, zoals je die ziet en gelijktijdig je bewust kunt zijn van de kracht, die de mensheid beweegt. Dat wil niet zeggen, dat je boven die mensheid moet staan. Maar het wil zeggen, dat je deel zijn ervan geen onderworpenheid meer mag inhouden. Vrijmaking, dat is het typische principe van al die oude inwijdingen.
De magie, die erbij voorkomt, is soms wel van een vreemde soort. Als u in een kerk zou komen en u zou daar een oude heer met een uitgebreid hoofddeksel en een paar rinkelbommen rond u zien springen als een halve dwaas, totdat hij ineen zakt, dan zegt u waarschijnlijk; “Ik vind het een mooie vertoning”, of: “Ik vind het nutteloos,” Maar als u gaat beseffen dat die mens een kring van kracht rond u legt, waardoor u veilig zult zijn, dan is elke beweging van die man, elk geluid alleen maar een versterking van uw zekerheid. In bepaalde Egyptische inwijdingen kwam dat nl. voor.
Als u wordt geconfronteerd met een aantal mensen, die b.v. op hun hoofd gaan staan (iets wat bij een bepaalde Indische inwijding voorkomt), dan zoudt u zich afvragen: Zijn die lui nu gek of niet? Neen, ze willen u duidelijk maken, dat u de zaak nog niet ziet, zoals zij, er is een verschil in standpunt. Zij treden met hun voeten de hemel en dragen de aarde. Als u dat begrijpt en u ziet, dat zij allen de wereld dragen waarop u loopt, opdat u veilig zult zijn, dan voelt u zich zozeer beschermd door die kring, dat u het gevoel krijgt: ik kan die aarde ook wel dragen.
Zelfs de maaltijden van het eerste christendom, die ook zo nu en dan weer beginnen te herleven, de agape (de liefdemaaltijd), had een typisch element van eenheid. Hier werd alles van bezit, van rang, van stand, van persoonlijkheid terzijde gesteld. Is het niet duidelijk, dat door het wegvagen van het onderscheid, het opgaan in het geheel, een ieder voor zich tijdens deze liefdemaaltijd de gelijke was van ieder ander? Men heeft later die praktijken afgeschaft, omdat juist tijdens die maaltijden vaak de gave van profetie werd beoefend en ook andere ongewone verschijnselen zich vertoonden. Dat paste niet in een organisatorische opzet. Maar vreemd, dat hier weer een magisch element meespreekt.
Wij zijn allen gelijk. En naarmate dus in het christendom (dat is ook typerend) de ongelijkheid tussen de priester als gezaghebber en de gelovige als onderdaan werd uitgebreid, zien wij het verschil van communiceren. Niet alleen dat er uit andere vaten werd, gedronken. In de middeleeuwen dronk men uit edel metaal, terwijl de anderen meestal dronken uit een aarden kan of vat, als er wijn werd gedronken. Maar op den duur gaat men zelfs zover, dat men alleen de ouwel of het brood nog deelt met de gelovige en dit wordt zelfs niet meer van hetzelfde brood gebroken. Er is een verschil in de ouwel voor de priester en voor de gewone mensen. Hier wordt dus kennelijk het onderscheid scherper gemaakt. De mensen zullen dat wel niet zo ervaren. Ze zullen denken over een sacrament. Maar de magische werking van de eenheid, de eenwording, is daarmee ergens ongedaan gemaakt.
Zo kun je dus eigenlijk uit al die vreemde denkbeelden en gebruiken je conclusies gaan trekken. En dat zou ik dan ook vanavond willen doen.
In de eerste plaats: De symbolen, die mij in staat stellen mijn persoonlijk verbonden zijn met de enkelingen en de enkele waarden in de wereld terzijde te stellen om daarvoor in de plaats een eenheid te bereiken al dan niet symbolisch met de totale wereld, geven mij de mogelijkheid de totale wereld te begrijpen en de werkingen daarin te kennen.
Het is duidelijk, dat hieruit voorkennis van feiten, inzicht in mogelijkheden, maar ook kennis omtrent normaal verborgen waarden zal ontstaan. Zodra ik één ben met het geheel, spreekt het geheel in mij. Ik ben niet meer een mens, die denkt als een mens; ik ben het brandpunt geworden van alle denkende mensen op deze wereld. En ik selecteer niet alleen uit datgene, wat in mijn hersens aanwezig is, maar ik kan elk punt dat ik aanvoel aanvullen met het bewustzijn van de mensheid. Ik beschik niet alleen meer over mijn eigen kracht van leven, want mijn levenskracht is vervlochten met die van de hele mensheid. De levenskracht van de gehele mensheid staat mij dus ter beschikking, indien ik kracht nodig heb. Geestelijke waarden, die ik zelf niet bezit,. bezitten andere mensen misschien. Ik kan over die waarden beschikken, want ik ben deel van die anderen; en die anderen zijn deel van mij. Ik ben deel van het geheel geworden.
Wie zich kan onttrekken aan de beperkingen van het persoonlijk bestaan, vindt dus een zekere inwijding. Deze inwijding impliceert een toenemende mogelijkheid om te beschikken over wat men dan wel het gemeenschappelijk bovenbewustzijn noemt plus de gemeenschappelijke levenskracht.
In de tweede plaats: Het is niet mogelijk als mens en in de beperktheid van een menselijk bestaan uitdrukking te geven aan al die dingen, die op een kosmisch niveau erkend, beleefd of benaderd worden. Maar ik kan altijd wel een symbool vinden, waardoor ik datgene, wat voor mij groot kosmisch een werkelijkheid is, kan uitbeelden. De uitbeelding is gezien de stoffelijke beperktheid gelijktijdig de realisatie van de geestelijke verwezenlijking. Hier is alle idee omtrent sacramentale en magische handelingen, bezweringen, eenheid, gemeenschappelijke verheffing tot hogere waarde zonder meer aanwezig.
We weten, dat in de oudheid vaak godenverhalen als een soort toneelstuk werden opgevoerd o.a. in Eleusis, maar ook bij vele Isis tempels en in sommige grote tempels in Egypte en in Babylon. Die uitbeelding op zichzelf was niet zo belangrijk. Het belangrijke was, dat mensen het godenlot konden uitbeelden en dat hierbij voor een groot deel improvisatie in het spel was; het algemene verloop stond vast, maar niet de persoonlijke reactie. Hierdoor kon de mens zich a.h.w. god gevoelen of een met de god. Door op die manier te acteren ontstond er dus weer een overeenkomst tussen een geestelijk niveau en een aardse handeling, zij het symbolisch. Deze handeling maakte het geestelijke niveau toegankelijk. Daardoor kon de kracht en het weten uit de geest worden geput, dat in de rol alleen maar werd aangeduid. Degeen, die de rol had gespeeld, beschikte na afloop inderdaad over een grotere kennis, een groter inzicht of een grotere kracht.
Het klinkt allemaal wel een beetje ongelooflijk. Maar dat is eigenlijk het geheim van die oude inwijdingen: Iets, wat wij magie noemen of overdrachtelijke magie. Iets, wat we symboliek noemen, maar dat in wezen, berust op het afstemmen van een bewust strevende mens op een groter geheel, waarvan hij zozeer deel kan worden, dat hij vanuit dit geheel ook in zijn persoonlijke vorm allerhande waarden kan weergeven en waarmaken.
In de moderne tijd is veel van dit alles teloor gegaan. De oude inwijdingsinstituten bestaan niet meer. De inwijding van vandaag is niet meer de priesterlijke inwijding. Ze is veeleer de persoonlijke bewustwording. De lering en de wacht bij de goden in de tempel van voorheen is geworden tot het onderling debat, het trachten je eigen gedachten voor anderen te formuleren of wel gezamenlijk een zekere ritus volbrengen. Dat wil echter niet zeggen, dat de oerwaarden teloor zijn gegaan.
De oerwaarden van de oude inwijding, de werkelijke bewustwording, die door het één zijn met het hogere bestaan, is wel degelijk aanwezig, mits de mens zich maar realiseert, dat de bloeddoop, het z.g. drie dagen in de doodkist rusten (wat in Egypte bij sommige inwijdingen gebeurde) en al die andere inwijdingen, het symbool waren van een ontkennen van de eigen gedetailleerde wereld. Zodra je je eigen beperkte persoonlijkheid a.h.w. kunt zien sterven en daarvoor de eenheid met de totale persoonlijkheid kunt aanvaarden, dan heb je wat men in de oudheid en ook heden nog zou meteen noemen: ware inwijding. En deze is ook heden voor een ieder, die waarlijk en oprecht streeft, misschien langs eigen weg en met eigen symbolen, bereikbaar.

Taken

Opdrachten. Noodzakelijk te verrichten werkzaamheden. Een verplicht zijn, zelfs zonder dat je weet waarom. Ik heb een levenstaak, zo zegt de mens. Maar hij weet niet wat die taak in wezen inhoudt. Hij weet slechts, dat hij niet aan zichzelf kan beantwoorden, tenzij hij bepaalde dingen doet en waarmaakt.
Men zal soms in zijn leven vele verschillende doelen willen nastreven, maar men zal ontdekken, dat men niet het een kan laten vallen of het ander. Men heeft vele bestrevingen en zij zijn het “ik” a.h.w. ingelegd en ingeschapen. Daaraan niet beantwoorden zou zijn jezelf in onvrede storten; het gevoel hebben dat je eigenlijk tekort bent geschoten. En zo heeft haast iedereen in zijn leven wel een of meer taken, waaraan hij zich zou willen onttrekken en toch niet kán onttrekken.
Zo kent een ieder in zijn leven bepaalde gebeurtenissen, bepaalde ontwikkelingen, die hij zou kunnen vermijden, maar die hij niet wil vermijden, ofschoon hij ze toch niet zo wenst als ze optreden. Hier ligt de kern van het menselijk leven in de taak.
De taak zelf is misschien vaak meer een symbool dan een werkelijkheid. Ze zou anders kunnen zijn. Maar de mens zelf met zijn denken, met zijn wezen, met zijn leven, moet beantwoorden aan iets, wat hij in zich als harmonie, als het lichte, het juiste, het goede erkent. Dit zijn maar woorden, want niemand weet wat licht of juist of goed is. Maar een ieder weet, dat hij niet volledig zou zijn, niet waarlijk zichzelf, niet zou beantwoorden aan hetgeen hij wil zijn, indien hij een van die dingen niet zou doen, zou ontkennen of verwaarlozen.
De taken zijn ergens de afwikkeling van wat men het noodlot noemt, dat in vele levens is vergaard: het karma. Het bewustzijn, dat erkenning en beleving nodig heeft om eindelijk een begrip te krijgen van leven en wereld, dat verdergaat dan wat nu bereikbaar is.
Taken zijn de uitdrukking van je eigen verbondenheid; niet alleen met een menselijke wereld, maar ook met een geestelijke wereld en geestelijke krachten. Ze zijn zelfs de uitdrukking van je verbondenheid met een bepaalde geestelijke reeks van heersende invloeden. Voor jezelf weet je het niet. Je volvoert je taak moeizaam, soms haast protesterend, soms in een droeve gelatenheid ondergaande. Maar zonder die taak zou je niet kunnen bestaan, niet kunnen leven. Want een mens kan niet waarlijk leven met zichzelve, bewust leven in zichzelve en bewust erkennen vanuit zichzelve, indien hij aan het verplicht zijn, dat hij erkent, niet voldoet.
Er zijn weinig banden, die kosmisch gezien onveranderlijk zijn. De mens echter maakt banden, die onveranderlijk zijn. Hij vormt ze uit gewoonte. Hij vormt ze uit menselijke begrippen. Hij vormt ze uit innerlijke gevoelens. En omdat hij eerst zichzelf trouw moet zijn om trouw te kunnen zijn aan het hogere dat hij in zich erkent, draagt hij de taak, volvoert hij de taak en werkt en zwoegt hij een heel leven lang, niet beseffende misschien hoezeer hij juist daaruit de vrijheid voor zichzelf gewint.
Taken zijn de moeizame treden van een trap, die wij bestijgen. Een trap, die misschien niet voert naar een hemelrijk, maar die soms voert naar een toren, vanwaar wij kunnen uitzien over de wereld en kunnen zeggen: Dit is het land, waarin ik leef. Dit is hetgeen, waarvoor ik leef.
Zo, indien u taken schijnen opgelegd te zijn in dit leven en ze soms zwaar zijn, realiseer u, dat u door eerlijk en zo goed mogelijk de taak te vervullen uzelf een bewustzijn verschaft, dat geestelijke vrijdom en innerlijk vermogen met zich brengt. Vermogens zo groot, dat soms tijdens uw bestaan haast ongemerkt en schijnbaar natuurlijk de dingen in uw leven teniet gaan en veranderen, die u eens hebben geketend en waarvan u zich niet kon losmaken. U overwint veel zonder te beseffen waarom, indien u uw taak hebt vervuld.
Uw taak op aarde is tenminste tweeledig.
In de eerste plaats: waarlijk mens te zijn volgens uw beste besef van mens zijn.
In de tweede plaats: waarlijk goed te zijn (d.w.z. harmonisch te zijn) met de voor u belangrijke waarden, zoals u ze in u draagt en erkent.
Voor sommigen is daarbij nog een derde taak aanwezig: het vinden van de juiste uitdrukking voor de krachten, die in hen leven, voor het besef dat hen beweegt, opdat in hun wereld de harmonie groter moge worden en zij in zichzelve juister de kosmische harmonie moge zien.

De juiste houding

Een vreemd woord: juist. Wat is juist? Iets kan juist zijn in de ogen van anderen en voor mij onjuist. Iets kan voor mij juist en goed zijn en toch voor anderen onaanvaardbaar. Wat is dan een juiste houding?
Een mens, die innerlijk gelooft aan zijn verbondenheid met het Eeuwige, met God, kan geloof ik niet uitgaan van wat anderen zeggen. Voor deze mens zal het hele leven en al hetgeen in dat leven van belang is, worden bepaald door de wijze, waarop hij zichzelf erkent, in zichzelf een noodzaak tot uiting vindt en daarnaast zelf ook het vermogen om God waar te maken ontdekt. Dit impliceert, dat de juiste houding zeker niet de houding is, die anderen voorschrijven.
De juiste houding is individueel. Wat ben ik? Wat is voor mij belangrijk? Wat is hetgeen mij in harmonie met de wereld en met het Al mijzelf kan doen zijn? Wat voel ik in mij als een waarheid, die groter is dan ikzelf? Hoe kan ik die waarmaken? Dat zijn de vragen, waarop je antwoord moet geven, indien je een juiste houding wilt vinden.
Een juiste houding kan van ogenblik tot ogenblik veranderen. Want je eigen besef van God mag dan altijd hetzelfde zijn, maar de wereld rond je is t.a.v. die God en van je eigen wezen een voortdurend wisselende. Wat vandaag goed is, kan morgen verkeerd zijn. Wat nu verkeerd is, kan morgen zelfs een dringende noodzaak worden. Mijn juiste houding is dus eigenlijk gezien: een zekere mate van opportunisme. Maar dan een opportunisme, dat niet is gericht op het “ik” of alleen op het eigen “ik” en de belangen daarvan. Het moet een opportunisme zijn, waarbij men alles wat de vreugde, de harmonie, de vrede, het geluk in de wereld kan vergroten, al datgene waardoor wat in je leeft als een lichtende waarheid, als een bron van zekerheid buiten je kenbaar kan worden.
Een juiste houding is: jezelf waar te maken, zoals je de kracht die in je leeft erkent en met alle middelen de waarheid, die je bent, die je beseft, uit te drukken. En dat in een zo groot mogelijke harmonie met alles rond je.
De juiste houding is: voortdurend je aan te passen met een flexibiliteit van reactie en gedachte, zonder daarbij jezelf prijs te geven, of de kracht die in je is te verloochenen.
Zoals de wereld verandert, moet mijn reactie op de wereld veranderen. En naarmate ik in mijzelf meer waar blijf en getrouw aan mijzelf en aan de kracht in mij, zal juist door deze voortdurende aanpassing aan de wereld rond mij de kracht in mij spreken, de werkelijkheid voor mij meer benaderbaar worden en zal ik dank zij een juiste houding in dit leven ook de juiste verhouding vinden tussen mijzelf en de grote Kosmos, waarvan ik deel ben.