Sprongsgewijze ontwikkeling

uit de cursus ‘Groeiende bewustwording‘ (hoofdstuk 8 ) – mei 1980

Sprongsgewijze ontwikkeling

Als wij te maken hebben met een dierlijk bewustzijn, dan is het bijna ongelooflijk dat zo’n dier vanuit de ene incarnatie in de volgende weer mens kan zijn. Ook bij mensen zien we soortgelijke verschijnselen. Er is een periode waarin ze iets doormaken en dan blijkt ineens dat het bewustzijn zich opnieuw a.h.w. heeft ontplooid en ontwikkeld. Wij zouden hier kunnen spreken van een sprongsgewijze ontwikkeling, omdat in feite de geleidelijkheid niet kenbaar is.

Nu hebben we in een vorig deel van deze cursus al eens gesproken over de manier waarop dat groeit en in een nog verder in het verleden liggende cursus hebben we dit allemaal uitgewerkt. Ik wil dat dus niet al te precies behandelen.

Een bewustzijn heeft twee factoren waarmee we altijd rekening moeten houden. In de eerste plaats natuurlijk de vanuit het ‘ik’ gerichte beleving. In de tweede plaats het vermogen om een deel van deze beleving naar een punt buiten het ‘ik’ te projecteren. Dat zijn de belangrijke factoren bij elk groeiend bewustzijn.

Bij een dier zien wij, en nu wil ik de mens even buiten beschouwing laten, dat het verantwoordelijkheid op zich kan nemen. Het kan een wijfje zijn dat de aanvoerster wordt van een olifantenkudde, het kan een hengst zijn die de paarden aanvoert. Zo’n dier begint in wezen dus wel met zichzelf. Het gaat een kudde zien als een verlengstuk van zichzelf, maar het gaat tevens begrijpen dat die delen van het ‘ik’ afzonderlijke eigenschappen hebben. Hierdoor kan het bewustzijn enorm groeien. Want op het ogenblik dat ik niet alles meer beoordeel aan de hand van mijn eigen kwaliteiten en eigenschappen alleen, betreed ik al een ruimere wereld. Die veel ruimere wereld is geestelijk zo groot, dat de incarnatiemogelijkheid als mens daar eigenlijk uit voortvloeit.

Nu neem ik aan dat u de dierlijke fase althans grotendeels achter u heeft. Daarom zou ik nu voornamelijk verder willen spreken over de eigenaardige schokken die het bewustzijn kan ondergaan wanneer we in de materie vertoeven.

Wanneer je leeft ontwikkel je wat men noemt een gewoontepatroon. Dit houdt in dat je bepaalde handelingen altijd ongeveer gelijk verricht, dat je oriëntatie t.a.v. je medemensen altijd ongeveer dezelfde is, kortom, dat je wordt geleefd door iets wat je je hebt aangewend of wat de wereld je heeft aangeleerd. Er kunnen echter omstandigheden zich voordoen waardoor je niet meer in staat bent op een dergelijke wijze te reageren.

Dat begrijp je dan niet. Het resultaat is dat er enorme spanningen kunnen rijzen en wat meer is, dat die spanningen vaak ook voor jezelf negatieve effecten hebben, je weet er geen raad mee.

Nu kun je natuurlijk alles wijten aan het tekortschieten van de wereld, iets wat we heel vaak zullen zien vooral bij jongeren. Je kunt echter ook beseffen dat je de wereld eerst op haar eigen mensen moet beoordelen, voordat je je relatie met de wereld kunt vaststellen. Op het ogenblik dat dat gebeurt kom je innerlijk in verwarring. Het besef had zijn vaste waarden, het had zijn zekerheden en moet deze nu niet meer en moet zich op­nieuw oriënteren. Dat is een zeer pijnlijk proces.

Heel veel mensen zullen zich, waanneer dat begint, daaraan willen ontrekken. Ze doen dat vaak door terug te vallen op hun gewoonten ofwel de schuld bij de deur van anderen leggen.

Stel nu dat je dat niet doet, dan komt er een ogenblik dat je je mentaliteit, je gedrag, je reactie onder de loep gaat nemen. Maar als je dat doet met een besef dat buiten je de wereld anders reageert dan jij hebt gedacht, dan verandert ook je waardering voor de wereld en je relatie met de wereld. Waar dat gebeurt ontstaat er een nieuwe ontwikkeling. Het ik maakt dan a.h.w. met een schok (meestal niet al te aangenaam, maar het duurt niet lang), een sprong in zijn relatie met de wereld. Je gaat allerlei dingen, ook uit het verleden, anders bekijken. Je ziet je eigen doelstellingen in een geheel nieuw licht. Vanaf dat moment zal dan de emotionele waarde, die wordt overgedragen naar de geest, ook van een ander gehalte zijn. Dat betekent dat die geest op haar beurt een aantal nieuwe resonanties verwerft.

Elke resonantie voor de geest is in wezen een mogelijkheid om contact te hebben met anderen en van die anderen gegevens, kracht e.d. te ontvangen. Het is duidelijk dat niet alleen maar in de materie je denken en je gedrag enige wijzigingen ondergaan, ook je innerlijk ondergaat wijzigingen en je komt tot een inzicht in de wereld dat je tot op dat ogenblik niet had.

De periode waarin zo’n sprong zich voltrekt kan wat variëren. Er zijn mensen die dat doormaken in een week. Er zin ook mensen die daar 3 tot 6 maanden over doen. Moet je daar langer over doen, dan kun je niet meer van een sprongsgewijze ontwikkeling spreken. Wat dat betref zijn ook de neveneffecten anders. Ik zal daar zo dadelijk op terugkomen.

Wat zijn de kwaliteiten die de geest normaal ontvangt? Een mens ontvangt normaal een aantal signalen uit zijn omgeving die onbewust mee worden verwerkt. Dat kunnen gedachten zijn, dat kunnen ook geestelijke invloeden zijn en zelfs waarden uit het gemeenschappelijk bewustzijn. Daarnaast heeft de geest het vermogen om door eigen concentratie selectief gegevens te ontlenen aan de omgeving over het gemeenschappelijk bewustzijn. Om dit aan geestelijke krachten te doen heeft ze gewoonlijk niet voldoende doordringingsvermogen. Dat wil zeggen dat ze dus altijd gebonden blijft aan materiële reacties en relaties.

Op het ogenblik dat die ontwikkeling sprongsgewijze plaatsvindt, verandert dit de hele relatie. Want nu gaan geestelijke elementen opeens veel sterker spreken dan stoffelijke. De stoffelijke namelijk lopen nog in de oude tendens, omdat de afstemming van de persoonlijkheid op materiële waarden niet opeens in bijna het tegengestelde kan veranderen, omdat gewoonten en oude gewoonten nog een tijd worden doorgezet, ook als deze verandering van bewustzijn inderdaad heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat de eerste vernieuwende factoren altijd uit de geest komen.

Hier is dan de vraag: met welke sferen of met welke entiteiten kan ik in contact komen? Het onmiddellijke contact van een mens voor zover dit enigzins bewust of halfbewust kan worden beleefd is doorgaans met entiteiten die op aarde hebben geleefd ofwel nog stofgebonden zijn, dan wel nog in de vormkennende sferen vertoeven.

De mogelijkheden om verder contacten te leggen zijn voor de doorsnee mens praktisch nihil.

Nu komt de sprong. Dat betekent dat de gehele waardering van vorm, formaliteit e.d. wegvalt. Wij boren dus plotseling sferen aan waarin de beperking van de vorm niet meer bestaat. Maar dat houdt in dat:

  1. deze geestelijke krachten werken met essentie en niet meer met uiterlijkheid. Het resultaat voor een mens is dat hij sterk intuïitief gaat reageren. Hij ziet veel meer dingen zonder ze eigenlijk verstandelijk te kunnen benaderen.
  2. de mens wordt gevoeliger voor entiteiten. Ook dat is logisch. Het is voor sommigen helderziendheid of helderhorendheid, maar het kan net zo goed zijn dat men gaat dromen of dat men zich op een andere manier gaat bezighouden met paranormale waarden.

Maar het paranormale, d.w.z. datgene wat de norm te boven gaat en niet verklaarbaar is uit de norm, speelt in toenemende mate een rol in het leven. De kracht die je nodig hebt is voor een normaal mens te ver­gelijken met zijn eigen aanvaarding van een kernbron (bv. God), dan wel diens eigen besef van verbonden zijn met bepaalde entiteiten. Waar dit be­sef niet bestaat, kan geen kracht worden ontleend. Aangezien onze gods­voorstelling over het algemeen beperkt is, betekent het ook dat ons ver­mogen om uit God kracht te verkrijgen en die zelf bewust te gebruiken eveneens nogal beperkt zal zijn.

Het bewustzijn maakt een sprong. God is niet meer de formuleerbare factor. Hij is een soort emotie die in je speelt. De emotie is niet te begrenzen; ze is niet met redelijke grenzen aan te duiden. Uit de tota­liteit kan ik dus veel grotere energie ontlenen dan normaal was en wel voor zover mijn wezen in staat is die krachten te verwerven.

Dat betekent gewoonlijk dat iemand, die zo’n sprongsgewijze ontwikkeling doormaakt, zijn vermogen om te werken met geestelijke krachten (de z.g. paranormale vermogens) verder tot verdrie- tot vertienvoudigd ziet. Dan denkt u: dat is nogal wat. Maar het ligt er maar aan wat u nu heeft. Het is een factor van vermenigvuldiging, het heeft niet zonder meer een uitbrei­ding.

De situatie waarin het bewustzijn zich dan bevindt is in de eerste plaats: oriënteren. Want, zoals ik al heb gezegd, je zit vast aan oude gewoonten van denken, van stoffelijk reageren. Ook geestelijk zul je be­paalde gewoonten niet zo gemakkelijk helemaal uit het oog verliezen. Maar er is een doorbreking en die doorbreking wordt groter. Denk aan een stormvloed waardoor een dijk door een oorspronkelijk klein stroompje water wordt doorbroken en dat erodeert dermate sterk dat op een gegeven ogenblik een groot gedeelte van de dijk doorbreekt.

Een soortgelijk effect zien we nu in het bewustzijn plaatsvinden. Dat heeft het voordeel dat je eraan kunt gewennen. Want als je ineens met een totaal nieuwe visie en een totaal nieuwe mogelijkheid met een wereld wordt geconfronteerd, dan kun je dat niet aan. Maar omdat het langzaam begint en steeds sterker wordt, pas je je eigenlijk aan je nieu­we mogelijkheden aan. Het resultaat is dan ook voor buitenstaanders ver­bluffend en voor de persoon zelf zeer natuurlijk. Je hebt geen tijd om erover na te denken dat het zo gek is gegaan.

Nu je eenmaal in contact bent met niet meer aan de vorm gebonden entiteiten, zul je ook in de meer abstracte zaken steeds sterker gecon­fronteerd worden met de essentie en niet meer met vorm en formulering. Dit is een heel belangrijk punt.

Formulering op zichzelf betekent beperking van datgene wat wordt geformuleerd. Als ik echter niet meer formuleer maar ervaar, dan zal het totaal van mijn gevoeligheden bepalen in hoeverre het ervarene voor mij kenbaar wordt. Ik heb geen behoefte meer om het vast te leggen, het is er eenvoudig. Dat een persoon op aarde die zover is gekomen steeds meer contact krijgt met entiteiten is bijna onvermijdelijk.

De contacten die je legt zullen variëren. Dat kan gaan van een persoonlijk advies of een persoonlijke raad, die dan echter niet meer met redenen omkleed wordt gegeven, tot een geheel nieuw beeld van je moge­lijkheden waardoor je plannen zich wijzigen of je manier van optreden en werken veranderen en daarmee ook je functie in de stoffelijke wereld. De situatie waarin de geest dan verkeert, betekent dat ze eigenlijk steeds meer deel wordt van een geestelijke wereld.

Bij het normale bewustzijn zien we wel de overgang van wereld naar sfeer en van sfeer naar wereld. Het is echter altijd als een soort ver­volgverhaal, een soort keukenmeidenroman in een ongeteld aantal afleve­ringen. Nu blijkt dat de keukenmeidenroman ineens verandert in een gothische stijl en tenslotte misschien in een zeer moderne stijl. De stijl van het geestelijk beleven verandert en dat betekent ook dat ik niet meer als ‘ik’ terugkeer, maar weer beperkt blijf tot diezelfde vormkennende sfeer waarin ik al zo lang heb vertoefd.

Een geest, die normaal altijd in laag Zomerland komt en vandaaruit weer teruggaat, dringt nu ineens door tot de grenzen van hoog Zomerland en begint met een beleving waardoor haar hele visie op incarnatiemogelijkheden verandert. Op deze manier kunnen mensen in zeer korte tijd enorm veel veranderen.

Nu moeten we even naar de menselijke werkelijkheid teruggaan. De samenleving is opgebouwd uit individuen. De meeste mensen weten dat niet. Zij denken altijd de maatschappij bepaalt mij, maar ook als mens be­paal je mede de maatschappij. Een geest, die bewuster incarneert, zal die maatschappij anders benaderen. Dat wil zeggen, dat er een begin is van een doorbreken van maatschappelijke gewoonten en ritmen. Als dat een­maal gebeurt, dan kan er een ommekeer plaatsvinden in de mentaliteit van hele koninkrijken of keizerrijken in een à twee geslachten. Dat is een op­vallend verschijnsel. Als je namelijk de geschiedenis van de mensheid be­schouwt, dan blijkt steeds weer dat er plotseling een soort schokbeweging is.

De hele wereld heeft een veelgodendom en ineens, niemand weet precies hoe, ontstaat er een kleine groep die een ééngodendom heeft. Zeker, het gaat uit van de stamgod, ongetwijfeld, maar het sluit alle an­deren als mogelijk gelijkwaardige goden uit. Dat is een hele verandering in de benadering van een godsbegrip, maar het betekent ook een verandering in de manier van leven. Want als er vele gelijkwaardige goden zijn, dan kun je die goden tegen elkaar uitspelen. Maar als er slechts één god is, dan is diens wet iets waartegen je je wel kunt verzetten met alle consequenties ervan, maar je dient eraan te gehoorzamen en daarmee basta. Dan kijken we verder hoe zich dat eigenlijk verder ontwikkelt.

Het christendom bv. maakt de mensheid in wezen los van de domineren­de Godheid. Het is meer een soort partnerschap met God dat je aangaat dan dat het een kwestie is van slaafse onderdanigheid. Eens waren de mensen de slaven van hun God. Elke overtreding werd streng gestraft. Nu hebben we te maken met een vriendschappelijke relatie met God, waarbij God wel raad geeft maar de consequenties bij de mens liggen en niet meer een kwestie zijn van een goddelijke willekeur zonder meer.

Dan gaan we verder humanitair denken. Dat humanistisch denken is eigenlijk ook niet zo belangrijk. Wel zeker, het is een schokkende veran­dering. Eens stond de abstractie (de God) onaantastbaar in het middelpunt. Nu komt de mens in het middelpunt te staan. De mens staat in het middel­punt van het gebeuren en wat zich van daaruit ontwikkelt, heeft nog wel met God te maken, maar de mens is niet meer alleen een soort partner van God geworden, maar hij is ook van stille vennoot verandert in iemand die actief deelneemt, al is het maar door het voeren van de boekhouding bij wijze van spreken.

Het bewustzijn van de mensheid ontwikkelt zich verder. De combinatie van het humanisme (ik hoop niet dat er humanisten zijn die mij dat kwalijk nemen) zou ik toch wel ‘de God is dood’ beweging willen noemen.

God is dood. Het beeld van God is sterfelijk. De kracht zelf mis­schien niet, maar het beeld. Het beeld dat wij hebben van God is niet meer gefixeerd; het is flexibel geworden. In die flexibiliteit kan de godsbe­leving dus worden gedemonstreerd op duizend en één verschillende manieren. God kan voor elke mens in een andere vorm optreden en er is geen reden meer om de ene boven de andere te verkiezen. Wij hebben hier te maken met een sprongsgewijze ontwikkeling. Als wij die precies willen oriënteren, kunnen we zeggen dat tussen de jaren 50 en 70 althans een deel van de mensheid een sprong heeft gemaakt in zijn visie op zichzelf en op de wereld. Dit betekende voor die hele groepering, of ze het nu weten en beseffen of niet, een totaal nieuw contact met de kosmos en niet alleen met de wereld.

Het is een beetje overdreven om nu nog te praten over Provo, Oranje vrijstaat, The flower people enz. Dat is allemaal voorbij. Tegenwoordig gaat het anders. Het zijn degenen geweest waarin deze beleving van het ‘ik’ en van de wereld sprongsgewijze en met een enorme nadruk veranderde. Het le­ven ging er anders uitzien. De mensen gingen er anders uitzien. De eigen verantwoordelijkheid tegenover de wereld werd een heel andere. Nu is dat weer weggeëbd. Maar allen, die op de een of andere manier daarvan deel zijn geweest, zijn veranderd, ook degenen die nu nog leven.

O, er zijn teleurgestelde provo’s in rijksbanen. Er zijn teleurgestelde provo’s die zijn gaan dichten of acteren. Er zijn misschien nog anderen die wanhopig proberen de ontwikkelingen van de jeugd bij te houden. Dat is he­lemaal niet erg. Maar die mensen zijn veranderd en daarmee is hun relatie niet alleen met de mensheid maar ook met het onkenbare, met God, met de kosmos, met de sferen veranderd. Wanneer deze zo dadelijk gaan incarneren, dan is het duidelijk dat ze een sprongsgewijze ontwikkeling van bewustzijn hebben doorgemaakt waardoor ze een totaal nieuwe factor gaan vormen in de groei van de mensheid.

Als je dat zo zegt in die termen, dan denkt iedereen: zou dat wel waar zijn? Ik zeg u, dat de mensen inderdaad veranderd zijn. Het gaat niet alleen maar om het zoeken naar de roes, naar de zelferkenning, de egotrip en al die andere dingen meer. Dat zijn uiterlijke verschijnselen van onzeker­heid. Als in het ‘ik’ eenmaal een beeld is gekristalliseerd, dan is het on­veranderlijk geworden. Het is nu deel geworden van een totaal contact waar­bij ook de krachten, die vanuit de geestelijke wereld ergens een rol spelen, opeens veel sterker gaan doorwerken.

O, er moet een grens worden doorbroken een grens van gewoonte. Maar die grens is niet onoverschrijdbaar voor mensen die zelf al zover ver­anderd zijn dat hun gewoonten niet meer passen bij de wereld waarin ze leven.

Elke keer weer zien wij in de historie van de mensheid een sprong van deze aard optreden. Enkele generaties nadat die sprong heeft plaatsgevon­den, begint het in feite. Er komen nieuwe figuren. Soms zijn het filosofen, soms wetenschappers, soms nieuwe profeten. Zij geven de wereld iets wat tot op dat ogenblik zo nog niet is geweest. Wij zeggen dan: dat zijn de vernieuwers. Neen, het zijn geen vernieuwers. Het zijn alleen mensen die hun eigen contact met een hogere wereld menselijk proberen uit te drukken. Door het uitdrukken van deze factor beïnvloeden ze veel meer dan tijdens hun vorig bestaan, waarin die sprong plaatsvond, de gehele omgeving. Zij worden dege­nen die de historie van de toekomst voor een groot gedeelte van de mens­heid gaan bepalen.

We moeten proberen een paar andere zaken reëel te beschouwen. Dat u een bewustzijn heeft en dat dat bewustzijn doorgaans wel wat zal groeien tijdens een mensenleven, daarover behoeven we niet te strijden. Of u een sprongsgewijze ontwikkeling doormaakt, dat ligt aan uzelf.

Maar welke factoren treden dan op? En dat is typerend.

Iemand die plotseling een sprong in bewustzijn doormaakt, zal in het begin worden geconfronteerd met een onaanvaardbare wereld. Het eer­ste dat hij doet is volgens de oude gewoonte proberen anderen te rege­ren. Dat lukt niet en daardoor trekt zo iemand zich dan meestal terug. Hij gaat deel uitmaken van een nogal exclusieve groep bijvoorbeeld. Hij richt zich op iets wat supermodern heet en komt tot de ontdekking dat hij ook daar niet verder komt.

En dan komen we bij dat opmerkelijke ogenblik van de zelfconfrontaties: de donkere trip. Plotseling realiseert hij zich: ik ben voor anderen niet wat ik zelf denk. En dan krijgen we het kritieke punt, want hier gaat het om de vraag, of de sprong komt of niet. Kun je dit accepteren, kun je dit verwerken, kun je ermee doorgaan, dan zul je in  het begin nog erg veel moeilijkheden hebben met jezelf. Het is als iemand die wil uitscheiden met roken en die toch voortdurend loopt te zoeken of hij nog een sigaret in zijn broekzak of tas vindt!

Elke keer weer corrigeer je jezelf. De periode van correctie is min­der lang dan je denkt. Ze duurt gewoonlijk enkele maanden. Daarna heb je de nieuwe gewoonte gevonden, de harmonische gewoonte. Eerst als je die aanpassing hebt bereikt, begint de andere kracht sterker in je op te treden, want nu pas ben je in staat om haar te ontvangen.

Er komt een periode van ijle indrukken. Het is of iets voorbij danst aan de kanten van je blikveld. Langzamerhand leer je dat je die dingen kunt pakken met je gedachten, dat het niet gaat om zien of horen, maar dat je gewoon moet leren centraal te denken. Zolang dat nog een poging blijft, zijn de resultaten vraagwaardig. Maar er komt een ogenblik dat je het spontaan doet.

Het is alsof je spontaan die kracht beetpakt die je nodig hebt, of je spontaan dit denken, dat inzicht, die kwaliteiten tot je trekt die op dat ogenblik passen in je nieuwe bewustzijn en de mogelijkheden van je per­soonlijkheid. Vanaf dat moment (dat kan zijn na 6 maanden tot anderhalf jaar) zien we de volle ontplooiing Elke ontplooiing betekent ook dat het groeiproces van het bewustzijn veranderd.

U kent wel de praktijken van sommige tuinlieden. Als u bv. een hor­tensiaplant heeft en u wilt die laten bloeien, dan moet u de toppen weg­snoeien wanneer ze voor het eerst knop gaat zetten. Als u goed kijkt en u ziet een bladknop, dan haalt u dat eruit. Daarna zet de plant daaronder weer knop die knop wordt dan een bloem. Op die manier moet u a.h.w. le­ren snoeien.

Als wij een maximum resultaat van de vernieuwing willen hebben, dan is het niet alleen: wij aanvaarden wat we hebben en we groeien tot in de hemel. Neen, we gaan voorzichtig de dingen die overbodig zijn in ons geeste­lijk leven en in ons stoffelijk bestaan weghalen. We gaan er niet meer mee werken of op letten, opdat we kunnen komen tot de zaken die essentieel zijn. Dan krijgen we inderdaad die geestelijke bloei.

Een geestelijke bloei, dat moet u wel begrijpen, betekent niet dat u er direct erg florissant gaat uitzien. Heel vaak zie je er juist beroerd uit in zo’n periode. Al is het alleen maar omdat je nog niet in staat bent om alle energieën juist te verwerken en te weten wat er met je gebeurt. Nu heb je echter de mogelijkheid gekregen je eigen kwaliteiten te verveel­voudigen. Die verveelvoudiging van kwaliteiten, die geestelijk en voor een deel ook stoffelijk van belang zal zijn, ontwikkelt zich dan weer tot wat wij noemen rijpheid.

Rijpheid is geen inwijdingsproces zonder meer. Zeker, bij inwijdingspro­cessen kan vaak een soortgelijke schok optreden ,met alle ge­volgen daarvan zoals eveneens al genoemd, maar het is niet noodzakelijk. Ook zonder inwijding kan deze situatie plotseling voeren tot een verveelvuldiging­ van wat je de verveelvoudiging van het eigen wezen kunt noemen.

Nu moet ik voorzichtig zijn dat ik niet in de war raak met mijn beeldspraak.

Een verveelvoudiging ziet u misschien als een plotselinge uitbrei­ding. U moet het echter eerder zien als het ontstaan van het zaad van nieuwe mogelijkheden. Dat wil zeggen dat de mens, die eenmaal die sprong heeft gemaakt, niet onmiddellijk verder gaat woekeren totdat hij eindelijk de hele kosmos kan omarmen. Maar hij draagt met zich begripsmogelijkheden waardoor hij later in de geest (dus in de sferen en dat betekent voor de doorsnee mens wel na de dood) in staat zal zijn om werelden, waarmee hij tot op dat ogenblik geen enkel contact had, nu plotseling wel te ontvan­gen, daarop te reageren en daar a.h w in te groeien.

Er is dus eigenlijk een tweeledigheid; er is die meestal in de stof plaatsvindende schokontwikkeling en daarnaast krijgen we dan de daaruit voortkomende, maar intense groeimogelijkheid die praktisch alleen geestelijk bestaat.

Als wij dat willen zien in het geheel van de mensheid, dan wordt het weer moeilijk en dan kunnen we er alleen maar uitkomen door te gaan spre­ken over de wortelrassen. Als dit ras een wortelras is, dan is het wel een winterpeen, als u het mij vraagt. Het is ontzettend kil in zijn bena­dering van alles wat van belang is.

Een wortelras geeft aan een bewustzijn dat dominant is en daardoor invloed heeft op de vorm van de mens, maar ook op de vorm van zijn wereld en zijn samenleving. Nu is een dergelijke ontwikkeling maar eens in de zo­veel duizend jaren denkbaar. Meestal 21.000 jaar. Er zijn zelfs perioden geweest waarin van het ene ras tot het andere meer dan 200.000 jaren ver­liepen. Maar nu hebben we dus te maken met deze wereld en dit ras.

Kan dit ras plotseling veranderen? Antwoord: dit is niet waarschijn­lijk, want de geleidelijke groei is nodig voordat deze plotselinge ommekeer in geestelijke en stoffelijke beleving kan plaatsvinden. Maar als eenmaal voldoende mensen een dergelijke ommekeer hebben doorgemaakt, dan moeten wij ermee rekenen dat zij daardoor totaal nieuwe waarden naar voren gaan bren­gen in het ras. En als het aantal van deze buitenbeentjes (dat zijn ze in het begin) groot genoeg is geworden, dan zijn zij het die de norm gaan be­palen. Al de anderen zullen zich dan ofwel in gedrag, gewoonte en daardoor op den duur ook in geestelijke waarden gaan aanpassen aan deze verandering, dan wel ze zullen wegvallen. Wij hebben dat gezien met rassen.

Er waren vele mensenrassen. Homo sapiens kwam. Homo sapiens had een grotere herinneringstraining. Hij vond de samenwerking belangrijk, niet in een gezagsrelatie maar in een grotere zelfstandigheid van elke persoon voor zich binnen de gemeenschap. Hadden de anderen zich daaraan onderwor­pen, dan waren ze opgegaan in homo sapiens. Voor een beperkt deel is dat gebeurd. Een groot gedeelte echter van die vroegere soorten hebben zich vastgehouden aan hun eigen habitus. Wat is het resultaat? Ze zijn weggevaagd. Je ziet ze niet meer, je hoort er niets meer van. Hier en daar zie je mis­schien nog een overblijfsel van een pygmee, de een of andere oerbewoner van Australië, maar daar blijft het bij.

De nieuwe soort die stoffelijk ontstaat, heeft nieuwe behoeften en nieuwe benaderingen. Dat betekent dat ze de gehele samenhang in de wereld begint te veranderen. Homo sapiens is de eerste mens geweest die in staat was om het niet te laten bij bepaalde zeer primitieve werktuigen zonder meer, maar die begon steeds meer verschillende werktuigen te ontwikkelen en ge­lijktijdig tevens een kunstvorm waarvoor mede een deel van die werktuigen ge­bruikt konden worden. Dat is heel typerend geweest.

Als u dit beeld nu even vasthoudt en u denkt aan de huidige situatie, dan zal u duidelijk zijn dat overal in de wereld op het ogenblik een revolu­tie gaande is. Die revolutie heeft niet alleen maar te maken met de stoffe­lijke omstandigheden, ook al denkt men dat misschien. Ze heeft in wezen te maken met het onvermogen om zich innerlijk te identificeren met het wereld­beeld waarin men bestaat. Dan kun je dus zonder meer in verzet komen.

Je kunt destructief worden. Je kunt ook proberen iets anders te vinden, een andere waardering voor de wereld, een andere mogelijkheid om daarin te bestaan. Op het ogenblik dat dat gebeurt krijgen we de schokontwikkeling. Maar uit die schokontwikkeling ontstaat dan (vaak na enkele incarnaties reeds) de nieuwe soort en de vergroting van kwaliteiten. Door die vergro­ting van kwaliteiten wordt de mogelijkheid geschapen tot verdere ontwikke­ling en dominantie.

Groeiend bewustzijn is niet alleen maar een kwestie van geestelijk weelderig rondwapperen totdat je tenslotte de kosmos omvaamt. Het is mede een situatie waardoor alle stofgebondenheid, alle stoffelijke ervaring en zelfs alle ervaringsnoodzaak gepaard gaan met algehele veranderingen van niet alleen je wereld, maar ook van jezelf. De wereld wordt op een andere manier manipuleerbaar. Maar je eigen verantwoordelijkheid, zoals je die beleeft en ziet, wordt eveneens een andere. Je relatie met kosmos en God, met de wereld en de materie die je beheerst, verandert. Ben je eenmaal begonnen met het manipuleren, dan verander je ook het ras en niet alleen maar de geest.

Sprekend over een groeiend bewustzijn kunnen we ons natuurlijk afvra­gen, of er dan altijd een gemiddelde van bewustzijn is. Een gemiddelde be­staat nooit. Het gemiddelde is een abstractie die is ontworpen op grond van het bestaande, maar daardoor op zichzelf onbestaanbaar is.

Er bestaat geen gemiddelde mens. Er bestaat alleen een geprojecteerd gemiddelde waarmee men de kwaliteiten en eigenschappen van een zeer groot aantal mensen tot een gemeenschappelijke noemer probeert te herleiden.

Je kunt dus niet zeggen dat deze wereld bestaat uit mensen die allemaal gelijk zijn. Je kunt echter wel zeggen dat in deze wereld een groot aantal mensen leeft die a.h.w. door de relatie met de wereld zelf en de denk­beelden die in de wereld naar voren komen tot een zelfconfrontatie wor­den gedwongen.

Ik ben bereid te stellen, dat een aantal jaren geleden reeds (dus niet eerst nu) een schokontwikkeling heeft plaatsgevonden in steeds meer persoonlijkheden. De meesten realiseren zich nog niet hoe ze zijn veranderd. Zij zijn het die zo dadelijk het beginsel van een raciale verandering met zich brengen. Deze veranderingen zijn niet te beperken tot Nederland. U zult misschien denken: de hele wereld wordt zo dadelijk beheerst door provo’s. Vergeet dat maar. Deze wereld wordt door allen, die tot een nieuwe be­leving van zichzelf in de wereld zijn gekomen, veranderd en hervormd. Men staat aan de vooravond van een zeer sterke verandering in alle menselijke waarden. Daarbij ligt de nadruk niet alleen op de geestelijke kwaliteiten, maar wel degelijk ook op een totaal nieuw vermogen om ener­gieën en gegevens uit de geest toe te voegen aan het stoffelijke bestaan en gelijktijdig daarmee de reactie- en de oorzaak- en gevolgverhoudingen op aarde voor zich meer beheersbaar te maken.

Dan kunnen we met ons verhaal niet alleen maar denken aan de eenling. Wij hebben te maken met het geheel. Voor u, indien u zelf betrokken bent bij die verandering, zal dat op dit ogenblik niet gelden, want u beleeft het niet als zodanig. U beleven is voorlopig voor u nog de maatstaf van het zijn. Maar voor het geheel zal elke verandering voor elke mens afzon­derlijk betekenen dat er een soort explosieve waarde ontstaat in het ge­heel. Dat betekent voor het geheel meestal het begin van een verstarring. U heeft misschien wel eens gezien wat er gebeurt als u een potje met wa­ter buiten heeft gezet terwijl het vriest. Het barst. Waarom? Omdat de uitzetting van de inhoud niet gevolgd kan worden door datgene wat de in­houd moet bevatten.

De mensheid is het vat waarin het gemiddelde van het bestaande be­wustzijn een uitingsmogelijkheid kan vinden. Op het ogenblik dat het uitzettingsproces begint, zal er steeds meer spanning komen te staan op de mensheid zoals ze nu is en op haar maatschappelijke en andere beelden. In het begin lijkt het alsof het omhulsel het zal „winnen”, maar het uitzettingsproces gaat door en voordat je het weet valt het geheel in gruzelementen d.w.z. dat de vorm weg is. Zolang de kou of het actieve proces voortduurt, blijft de vorm behouden. Dat zult u ook aan uzelf be­merken.

Wanneer u die verandering doormaakt, kunt u de uiterlijke zaken niet veranderen. U blijft uzelf gelijk tot het ogenblik dat u met nieuwe belevingen of condities wordt geconfronteerd en dan is het net dooi. Wat is water dat bevroren was wanneer het lente begint te worden anders dan opeens een amorfe massa: het lost zich op. Het kan in elke vorm wor­den bevat. Welke vorm, dat hangt van de omstandigheden af. Misschien ver­dampt het wel, misschien dringt het in de grond, misschien maakt het tij­delijk een vijvertje waarin de muggenlarven nog een tijdje spelen tot ze zoemend opvliegen om de mensen te steken die er ook niets aan kunnen doen.

Wij zijn precies hetzelfde. Wanneer wij het proces ondergaan, dan blijft de uiterlijke vorm behouden, maar ze is niet meer stabiel. Wij passen ons echter veel beter aan. Het is het aanpassingsvermogen dat een rol speelt. Als dat voor ons geldt, dan geldt dat ook voor de maatschappij.

Als er voldoende nieuwe waarden zijn, dan verstart die maatschappij. Maar de maatschappij zit aan vormen vast en de veranderingen die in de ver­schillende individuen plaatsvinden zijn nog niet tot één geheel geworden. Daarvoor moet het moment komen dat de spanning te groot is geworden. Pas als de spanning te groot is, zien wij het maatschappelijk geheel in scherven uiteenvallen en dan is elke nieuwe vorm, elke nieuwe functie en elke nieuwe werking voor de mensheid ineens weer mogelijk geworden.

Stoffelijk is dat niet zo belangrijk. Per slot van rekening, of je nu een koninkrijk of een republiek bent, een keizerrijk of een anarchie dat maakt niets uit. Het gaat alleen maar om de mensen. Zo is dat natuurlijk ook met vormen.

Geestelijk betekent het dat er incarnerend veel meer mogelijkheden zijn om jezelf perfect te uiten. En zeker iemand, die de schokontwikkeling heeft doorgemaakt, zal door zijn bewustzijn juist die vorm, die functie kiezen, welke eerst niet bestond, want alles had een vaste vorm. Nu kan hij a.h.w. zelf die vorm maken waarin hij past. Een volledige uiting van de eigen persoonlijkheid, een geheel nieuwe werking en een totaal eigen verantwoordelijkheid ontstaan. Dan zien wij dat het schoksgewijze gebeuren in feite betekent: een veel grotere zelfrealisatie, een veel betere maatschappelijke mogelijkheid. Het betekent ook een totaal nieuwe economische relatie en last but not least een totale vernieuwing van de inter­menselijke relaties. Wat mensen onder elkaar en voor elkaar zijn betekent meer voor bewustzijn en bewustwording dan men over het algemeen aanneemt.

Indien die verhoudingen en die relaties kunnen worden gevormd in overeenstemming met de innerlijke waarde van de mensen en daaraan de juiste vorm en uitdrukking worden gegeven, dan is er ineens de perfecte belevings­mogelijkheid in de stof geschapen en is er inderdaad sprake van een snelle groei.

Zeker, het ik zal zichzelf beperken, omdat men niet alles tegelijk kan zijn en niet alles tegelijk kan doen. Maar in deze zelfbeperking brengt men dan voor zichzelf weer nieuwe geestelijke contactmogelijkheden. Men brengt voor zichzelf al datgene tot stand wat later in de sferen tot een verdere verruiming van het totale bewustzijn kan bijdragen. Dat, mijne vrienden, zijn de belangrijkste dingen die u zich kunt voorstellen.

Ik zeg u: deze wereld en dit menselijke ras bevinden zich in een gis­tingsperiode. De spanningen zijn zo groot geworden dat langzaam maar zeker de aardkorst begint te barsten. Dat betekent dat nieuwe aanpassingen mo­gelijk zijn. Maar die aanpassingen kunnen alleen zinvol zijn, indien ze van binnenuit geschieden, indien de geestelijke krachten en de geestelijke ­waarden in toenemende mate worden gebruikt om de juiste stoffelijke oriëntatie tot stand te brengen.

Ik ben ervan overtuigd dat u misschien niet meer in dit leven, maar zeker voor uw volgende incarnatie hiervan getuige zult zijn. Dan zult u met mij zeggen: de sprongsgewijze ontwikkeling is een van de beste manifestaties van het in ons en in de kosmos groeiend bewustzijn.

Fantasie

Fantasie, de droomwereld die ik mijzelf schep om aan te vullen dat wat ik beleef en niet kan beleven.

De fantasie, de droom van de werkelijkheid, die onttrokken is aan de feiten die ik ken.

Fantasie, het vermogen om in de toekomst te zien en het gelijktijdig niet te erkennen.

Fantasie, het opbouwen van een kasteel in de wolken en daar met je gedachten vertoeven omdat je niet behoeft te bemerken hoe stenig de weg is die je op aarde moet gaan.

Veel is fantasie, want al datgene wat niet werkelijk is voor ons geestelijk of anderszins dat zullen wij proberen aan te vullen met onze dromen. Of het nu een droom is van een hemel, van Zomerland of van een hel voor anderen. Of het de droom is van een wereld van morgen die beter zal zijn of een wereld van gisteren die zoveel slechter was, dat doet niet ter zake. Wij fantaseren. En in die fantasie maken wij voor onszelf het le­ven leefbaar.

Laten wij echter een ding niet vergeten: de fantasie is ten dele een ontvluchting aan de werkelijkheid. Zolang wij in onze fantasie niet aan onze werkelijkheid ontvluchten is ze aanvaardbaar. Dan kan ze zelfs veranderen in profetie. Maar zodra het eigen ‘ik’ de kern is geworden van de gehele fantasie, dan is zij niets anders dan een poging tot zelfbevestiging voortkomend uit het onvermogen tot zelfaanvaarding.