Oorzaak en Gevolg werkingen

uit de cursus ‘ occulte Wijsbegeerte’ (hoofdstuk 9) – juni 1968

Oorzaak en gevolgwerkingen

Oorzaak en gevolg zijn in wezen een en hetzelfde. Het zijn twee facetten van wat wij eeuwigheid of waarheid noemen. Waar de oorzaak is, is het gevolg; het gevolg is altijd weer oorzaak. Dit klinkt misschien enigszins cryptisch. Het is echter allesbehalve cryptisch, indien we nagaan hoe in de totaliteit van het menselijk leven en werken naast de zuiver materiële waarden en krachten ook de verborgen geestelijke of occulte krachten een rol spelen.
Een oorzaak is nl. niet een feit zonder meer. Een oorzaak is een samenvloeien van een groot aantal invloeden. Deze zijn in de eerste plaats bewustzijns- en mogelijkheidsinvloeden, kosmische tendensen en daarnaast ook nog de keuze mogelijkheid, die eveneens beïnvloedend optreedt. Wanneer we dit alles bij elkaar nemen, ontstaat er iets, wat wij de oorzaak plegen te noemen. Maar de krachten, die ik opnoem, zijn lang niet altijd geheel gelijk lopend.
Ik kan mij een toestand indenken, waarbij het karma van een mens volkomen in strijd is met hetgeen als mogelijkheid wordt gepresenteerd door zijn omgeving; waarbij het bewustzijn van die mens bovendien niet in staat is eigen karma te beseffen of de mogelijkheden van de omgeving zodat de keuzewerking (of wilsinvloed) in feite zeer gering wordt. In een dergelijk geval zeggen we: Hier is iemand, die wordt gedreven door het noodlot.
Nu kunnen wij een mens nemen, die eveneens belast is met wat wij noemen karma. Dit karma wordt ten dele althans beseft. De mens heeft dus begrip. Ook hij heeft te worstelen met zijn omgeving, die hem zeker niet de mogelijkheden biedt, die hij krachtens bewustzijn en karma voor zich zou verkiezen. Maar hij kan nu tenminste kiezen tussen het beste en het minder goede. De mogelijkheden bevredigen niet, maar hij kiest het . Hierdoor maakt hij een deel van zichzelf waar. Zijn bewustzijn breidt zich uit. In zijn karma ontstaat een groter evenwicht. Ook hier ontstaat dus een minder dwingende kracht. Geestelijk zal hij daardoor grotere energie kunnen inzetten voor het uitdrukken van zijn wil. Het gevolg van dit eerste kiezen, dit eerste streven, is dus niet alleen maar een beginpunt voor een volgende oorzaak en gevolg sequenties, het is daarnaast ook de mogelijkheid om vrijer te bepalen.
Ik weet dat de meesten van u zich op het ogenblik bezighouden met de zoveelste moord op een Kennedy. Misschien kunnen wij dit als een vóórbeeld nemen van het eerste geval dat ik u stipuleerde.
Wij hebben hier de karmische belasting, de keuze van een stoffelijke overvloed, maar gelijktijdig het zoeken naar een geestelijke zekerheid. Daardoor wordt een bepaalde entiteit in deze familie geïncarneerd. Deze familie heeft – zoals zeer vele van de rijkere families in de Ver. Staten en elders – wat eigenaardige opvattingen omtrent haar taak, haar mogelijkheden en ook haar rechten in de maatschappij. Er ontstaat dus een conditionering. Deze is Amerikaans en dientengevolge gericht op het ontwikkelen van wat men noemt: persoonlijke moed, sportiviteit, bekwaamheid in lichamelijke oefeningen en gelijktijdig ook in de richting van een zekere eenzijdigheid.
Nu stellen wij: Robert Kennedy als een mens, die krachtens zijn wezen weliswaar heeft gekozen voor rijkdom, maar meer om redenen van bewustwording en studie dan voor macht, genietingen en wat dies meer zij. Er is dus een strijdigheid tussen hem in zijn wezenlijke behoefte en het milieu. De geesteskracht, die wordt opgeroepen, zou die van de persoonlijkheid kunnen zijn: “Ik probeer mijzelf evenwichtig te maken” (het tweede geval, dat ik voor u tekende), en daarmee een verwezenlijking van wat ik ben. Dan zou deze Robert Kennedy waarschijnlijk een behoorlijk historicus en vooral ook socioloog zijn geworden. Maar hij kon dit niet verwezenlijken, want hij werd gedreven door zijn familie. Hij was niet in staat de eerste stap te doen, waardoor hij los zou komen uit deze algemene gedrevenheid. Het resultaat is geweest, dat hij nolens volens de richting moest gaan van rechten. Hij moest zich bezighouden met de wet, met de verschillende verordeningen van coöperaties en wat dies meer zij; en daarnaast ook steeds meer politiek. In deze politiek kon hij niet zichzelf zijn zonder gelijktijdig de strijdigheid met zijn milieu tot uiting te brengen. Dit wilde of kon hij niet doen. Het resultaat is duidelijk geworden. We hebben gezien hoe Kennedy bewust of onbewust zijn eigen dood mede heeft veroorzaakt.
Nu zult u zeggen: Dat is een grote ramp voor de wereld. Dat is maar de vraag. Want nu is deze zelfde entiteit bevrijd van milieu omstandigheden. Dat wil zeggen, dat geestelijk een grotere uitingsmogelijkheid bestaat met althans voorlopig nog een gelijkblijvende gerichtheid op de mensen. Hij zou als geestelijke invloed ongetwijfeld in zeer korte tijd een rol kunnen spelen.
Er is een tweede aspect bij. Deze man had nooit datgene kunnen worden, wat hij pretendeerde te zijn: de werkelijke politicus. Hij zou altijd zijn geweest: de socioloog, gevangen in een labyrinth van ambtelijkheid of red tape. Nu hij echter zijn idealen wel heeft kunnen verkondigen zonder zelf te moeten overgaan tot de uitwerking daarvan, heeft hij een zeer sterke schokgolf teweeg gebracht. Een dergelijke schokgolf kunnen wij afleiden uit de geschiedenis van deze familie en van deze persoon.
Wat is die schokgolf? Zij is een zeer sterke emotionele geladenheid, die in een groot gedeelte van de Ver. Staten (niet het geheel, al stelt men het hier misschien zo voor) en ook in een groot gedeelte van de wereld (al is ook hier de belangstelling niet zo veelomvattend als men misschien voorgeeft) de emotie doet uitstralen in het bewustzijn van de mensheid. Uit dit bewustzijn der mensheid is op dit moment dus zeer veel kracht, zeer veel energie te onttrekken. Of die energie nu speciaal in de Ver. Staten tot uiting zal komen, is maar een grote vraag. Maar wel is zeker, dat over de gehele wereld op dit moment een kracht beschikbaar is, waardoor personen meestal enkelingen kunnen komen tot acties en besluiten, die voor hen karmisch juist liggen. Een versterking van hun wilsmogelijkheid, zonder dat hierbij het eigen bewustzijn en de eigen geest noodzakelijkerwijze een rol spelen.
Als ik u dit zo verklaar, dan zult u waarschijnlijk zeggen: Het is een beetje kil en koud om het zo te zien. Maar wat is eigenlijk de belangrijkheid van een mensenleven? Wat is de belangrijkheid van een dag of minder misschien zelfs van een uur in uw totale leven? Het kan goed zijn, het kan slecht zijn; maar het tekent uw leven niet. Evenmin tekent het stoffelijk bestaan het werkelijk ego. Juist omdat de mens dit laatste niet beseft, zal hij in karmische werkingen, in oorzaak en gevolg en ook in de magische werkingen, die daaruit voortkomen, over het algemeen een te gering inzicht hebben.
Ik zeg ‘magisch”. Dat magisch klinkt voor u misschien een beetje vreemd, zeker in dit verband. Maar vergeet één ding niet: Een dode wordt een symbool. Eens was Luther King een belangrijk man. Nu is hij een legende. De woorden, die hij heeft gesproken, zijn ergens een heiligdom geworden. Iets wat je herhaalt om eeuwige krachten te wekken daar, waar je zelf meent tekort te schieten. Op een soortgelijke wijze zijn bepaalde woorden van John F. Kennedy tot een legende geworden. Ze zijn een dwingende invloed geworden in de maatschappij. Iets wat je kunt aanroepen, wat je kunt citeren en waarmee je kunt werken. En daar zit nu juist het magisch karakter van het geheel in. Want wij denken altijd aan oorzaak-en-gevolg als een volkomen logisch gebeuren. Maar dat is het niet helemaal. Wij hebben te maken met grote kosmische harmonieën. Het zou mij te ver voeren om die hier allemaal te beschrijven. Heel eenvoudig gezegd ligt de zaak zo:
Uit het totaal van de goddelijke werkelijkheid ontstaan een aantal spiegelwerelden. Elk van die spiegelwerelden heeft een eigen wet en een eigen invloed. Die wetten en invloeden zijn gebonden aan begrippen. Deze begrippen komen in de magie vaak tot uiting als namen (incantatie); in andere gevallen als sympatische werkingen, b.v. riten.
Nu kan een besef van een van deze spiegelwerelden (deze weerkaatsingen van de goddelijke werkelijkheid) gevangen zijn in wat men denkt omtrent de persoonlijkheid, omtrent het leven van een wezen op aarde. Het gaat hier niet om wat dat wezen is; het gaat erom wat het denkbeeld is. Dat denkbeeld is een harmonisch element. En alles, wat dit denkbeeld dus in de mens activeert, krijgt daardoor het karakter van een in contact treden met die bepaalde spiegelwereld. Elk in contact treden met een sfeer of spiegelwereld van de goddelijke werkelijkheid impliceert weer, dat de wetten en krachten, die daar regeren, op aarde geuit kunnen worden.
In een karma kan heel vaak een dergelijke relatie mede zijn gelegen. Een mens heeft een aantal vorige levens achter de rug. Daarin heeft hij een zeker bewustzijn bereikt en hierdoor kon hij als geest op een bewustzijnsvlak bestaan, dat wij als een sfeer omschrijven; een vlak van bewustzijn met eigen wetten en krachten. Die mens blijft nu met dit geestelijk bereikte gedurende zijn incarnatie (zijn karmisch stoffelijk bestaan) verbonden. Op het ogenblik, dat hij als mens ageert, heeft hij dus de beschikking over die hogere kracht. Zeker indien hij zich daarvan bewust is, maar ook zonder dit speelt ze een rol. Daarnaast is hij echter gebonden aan de wetten van die sfeer, ook als die wetten op aarde niet bekend zijn of zelfs hem niet bekend zijn.
Nu is het eenvoudig genoeg ons van dit alles af te maken door te zeggen: Nu ja, het materiële leven is een weerkaatsing van de eeuwigheid en daar moeten wij het dan maar bij laten. Maar wie zelf op aarde leeft, weet hoe belangrijk dat leven op aarde schijnt. Hij weet hoe uitermate belangrijk schijnbaar minieme omstandigheden kunnen worden. Hoe eigenlijk op zichzelf onbetekenende gebeurtenissen, invloeden, roerkinkjes het hele “ik” kunnen veranderen en kunnen richten op een totaal andere wijze. Daar mogen wij zeker niet zonder meer het stoffelijk bestaan terzijde stellen. Integendeel, wij moeten dit stoffelijk bestaan beschouwen als een aanvulling van het geestelijk bestaan; en daarmede dus in zijn erkenning en beleving van stoffelijke waarden als een verlengstuk van de wetten van de hoogst bereikte geestelijke sfeer. En dat is een element, waar je werkelijk even bij moet stilstaan, wat je werkelijk goed moet begrijpen.
Als u spreekt over oorzaak en gevolg, dan denkt u nl. in de termen van oorzaak en gevolg, zoals u die op aarde kent. En u gaat daarbij vaak uit van aangenomen begrippen: b.v. als ik de kraan opendraai, gaat er water stromen. U denkt er niet over na, dat er omstandigheden kunnen zijn, waardoor er geen water is achter de kraan. U neemt de dingen als vanzelfsprekend aan. Maar uw stoffelijk oorzaak en gevolg begrip blijkt elke keer weer vast te lopen op wat men noemt: toeval, het ingrijpen Gods, acts of God, zoals men dat plechtig in het Engels zegt.
Die “acts of God” is een uitdrukking van een wetmatigheid. Het is geen toeval, waardoor oorzaak en gevolg in hun logische samenhang buiten spel worden gezet. Het is een hogere orde van ditzelfde oorzaak en gevolg spel, van deze eeuwige regel, die op aarde tot uiting komt, maar stoffelijk niet geheel begrepen kan worden. Hierdoor wordt de betekenis van alle karmische werkingen en wetten gewijzigd.
Zolang ik mijn karma stoffelijk wil uitdrukken, zeg ik: Ik beleef in de materie dit, dus moet er dat (en dan stelt men dat meestal ook nog stoffelijk) aan vooraf zijn gegaan. Dat is niet nodig. Dat is maar een veronderstelling. Ik kan slechts zeggen: 0p aarde openbaart zich in mijn leven dit, dus moet in het geheel van mijn wezen dat bestaan; het oorzakelijke daarvoor.
De karmische wet is niet alleen maar: Wat je op aarde doet, krijg je op aarde terug. De karmische wet is: Wat je bent, beleef je voortdurend. En dat is wat anders.
Omdat deze karmische wet dus de werking van oorzaak en gevolg bepaalt, onttrekt zij een groot gedeelte van de verhoudingen in de materie aan het verstandelijk vermogen van de mens. Een mens kan wel rationaliseren, maar hij kan niet rationeel verklaren op grond van de objectieve feiten. Daar de werkingen en krachten echter toch bestaan en door de mens zelf desnoods kunnen worden geactiveert (kenbaar gemaakt in de materie), spreken wij als aanvullende factor van oorzaak en gevolg en karma automatisch van magie of zo u wilt occultisme.
Ik moet nu een ogenblik aandacht gaan besteden aan de spiegelwerelden en wat zich daarin afspeelt.
Als ik in de geest eenmaal een vlak van bewustzijn heb bereikt, zal dit bewustzijn voor mij blijven bestaan, ook indien ik die wereld eventueel zou verwerpen. Ik kan mij dus niet onttrekken aan een bereikt bewustzijn. Ik kan wel trachten voor mij de daaruit voortvloeiende feiten te ontkennen. De vrijheid van wil maakt het mij zelfs mogelijk om mij terug te trekken in het duister, indien de feiten van een lichtende wereld mij niet bevallen. Dat is op zichzelf een zekere kwelling, maar het is mogelijk. En wat meer is, naarmate ik hoger kom in mijn bewustzijn van de lichtende werelden (dus mijn spiegelwereld dichter bij de goddelijke werkelijkheid komt te liggen), zal ik verder in wat men het “duister” noemt (de negatie van zijn) moeten doordringen om deze wereld te kunnen afwijzen. Dat is een volledig evenwicht.
In die wereld, waarin ik geestelijk bewust ben, bestaan wetten, die zich op mijn denken betrekken. In de sfeer is het niet de wereld, die mij bepaalt, maar ben ik het die mijn wereld bepaalt. Het resultaat is dan ook, dat de wetten van een geestelijke sfeer alle wetten zijn, die samenhangen met eigen denken en eigen reactie.
Ik wil proberen om enkele daarvan eenvoudig weer te geven, ontdaan van vele complexe bijzaken. Dan kan ik voor een redelijk lichtend bewustzijn in de geest zeggen:
1. Elke erkenning van schoonheid, elke erkenning van wezen, die ik in mijn wereld uitdruk, verrijkt mijn wezen met de mogelijkheid tot verdere erkenning of grotere schoonheidsbeleving.
2. Elke erkenning van mogelijkheid wordt voor mij tot feit. Elk besef van feit openbaart mij verdere mogelijkheden.
3. Dit punt geldt zeker ook in een lichtende sfeer. Elke eenzijdige erkenning voert tot duisternis, daar zij mij een ontkenning ingeeft van mijn werkelijkheid. Elke veelzijdige erkenning geeft mij echter een besef van alle werelden rond mij zowel als van de eigen wereld, zodat mijn harmonisch vermogen zich steeds zal uitbreiden.
Met deze wetten incarneert mijn wezen op aarde. Deze wetten gelden. De mens leeft wel in een stoffelijk oorzaak en gevolg verhouding, maar op het ogenblik dat hij zijn besef verandert, veranderen a.h.w. de oorzaak en gevolgmogelijkheden en wetten op aarde. De uiting zal voor anderen misschien verstandelijk nog wel verklaarbaar blijven, maar plotselinge veranderingen doen zich desalniettemin voor. Een noodlot of een toeval of het geluk grijpen dan in, zegt men. Maar in wezen heeft het innerlijk van de mens nu de kosmisch besefte waarde omgezet in een gedachtenprojectie, die stoffelijk waar wordt. Magisch.
U zult begrijpen, dat een sfeer stoffelijk eigenlijk alleen maar te beschrijven is als een aantal stemmingen; niet als een bewustzijn. Maar stemmingen kunnen op aarde soms kunstmatig worden gekweekt. Men kan de eigen emotionele toestand leren beheersen en richten. Dat betekent, dat men ook in staat is om eigen contact met een sfeer te bepalen en daardoor ook de mogelijkheid die men heeft om vanuit die sfeer te werken.
De sferen bevatten verder een element, dat wij sympathisch harmonisch noemen. Als ik nl. tot een sfeer behoor en ik ageer met een denkbeeld, dan zullen allen, die datzelfde denkbeeld hebben, mijn denken met mij delen. Zij zullen mijn gedachten kunnen aanvullen. Zij zullen de ontstane noodzaak om te handelen of te beseffen voor mij helpen vervullen. Ik sta nooit alleen.
Dit nooit alleen staan is voor een mens alweer betrekkelijk moeilijk denkbaar. Maar juist dit verbonden zijn met anderen geeft ons wat men noemt de resonantie met andere persoonlijkheden, ook in de stof. Als het dan nodig is om op aarde een bepaald iets tot stand te brengen, dan kun je menselijk daarvan wel een zekere omschrijving geven, maar die is geestelijk niet aanvaardbaar. Omdat de anderen het geestelijk aanvaardbare projecteren en niet het stoffelijk geziene, zal het resultaat van hetgeen ik doe anders zijn dan men zou verwachten.
Ik stel dit niet als een letterlijk voorbeeld, maar teruggrijpend naar de dood van Robert Kennedy zal men kunnen zeggen, dat hij emotioneel de dood aanvaardde voor het een feit was, omdat hij emotioneel, maar niet verstandelijk wist, dat hetgeen hij moest waarmaken karmisch gezien alleen op deze wijze geestelijk waar te maken was.
Hier ligt dan eigenlijk de sleutel van vele onverklaarbare zaken. U ontmoet in uw leven soms mensen; en zonder dat u het weet springt er een vonk over en ontstaat er een band. Vaak is dat een band van begrip, soms zelf een gedeelde antipathie. Deze band is stoffelijk niet verklaarbaar. Als het nu hartstocht is, kunnen we dat nog verklaren uit zuiver stoffelijke oorzaken. Maar sommige van die sympathieën en antipathieën zijn alleen verklaarbaar, indien we aannemen dat er een zekere resonantie tussen de persoonlijkheden bestaat. Die resonantie kan nooit voortkomen uit een zuiver materieel bestaan en is zelfs vanuit een mentale projectie niet erg aannemelijk te maken. Maar zodra we aannemen, dat zij een gelijksoortige bewustzijnssfeer hebben, zal elk denkbeeld op het niveau in zijn geestelijke betekenis weerkaatsen naar de ander.
Het resultaat is vaak verbluffend. Wij zien bij beide personen allerhande verschijnselen optreden: dromen, telepathische contacten en rapporten, gelijksoortige afwijkingen van de norm. Kortom, die twee mensen hebben iets gemeen.
Nu is dit spontaan. Maar ben ik wel vetplicht bij die spontanieit te blijven? Indien oorzaak en gevolg voor mij niet meer een noodlotssequentie is, waarin ik gebonden ben, maar een hanteerbaar, een variabel feit, waardoor ik mij in de wereld juister kan uitdrukken, dan zal ik in staat zijn om een beroep te doen op mijn sfeer. Dan kan ik in die sfeer zoeken naar de juiste harmonische sleutels. En als ik over zo’n sleutel eenmaal de beschikking heb, kan ik krachtens deze sleutel met mensen op aarde, die ik helemaal niet ken en misschien niet eens zie, deze eigenaardige eenklank vinden sympathiek of antipathiek, dat geeft niet waardoor wij gezamenlijk reageren volgens een hogere wet.
In de oudheid heeft men dat beseft. Heel veel van de oude occulte werken (zelfs de Veden) grijpen juist naar dit aspect. Als een strijder voor de troepen staat, dan is in zijn hart genade. Toch wordt hij door de godheid a.h.w. uitgedaagd om te vechten terwijl hij weet, dat hij waarschijnlijk sneuvelt. Hij wordt uitgedaagd om dapper te vechten en dapper te sterven; en in dit sterven heel moedig te zijn. Wat dan ook prompt gebeurt. Hier wordt in allerlei beeldspraak en vage termen, zoals de oosterse meestal zijn zeker voor de westerling eigenlijk niets anders gezegd dan dit:
Op aarde maak ik iets waar, niet omdat het stoffelijk volgens mijn besef juist is, maar omdat het geestelijk en emotioneel juist is. Ik maak mijn geestelijk wezen waar; dit is mijn karmische last, die ik te dragen heb. Maar door zo te reageren schep ik harmonieën en daarmee de door mij gewenste gevolgen, die zonder dit onbereikbaar blijven. Ik kan tot de godenwereld opgaan, maar dat kan ik alleen, indien ik gelijktijdig die godenwereld waar maak; dus haar wetten op aarde vervul.
Hieruit is geloof ik duidelijk geworden, dat de sfeer (de spiegelwereld), waartoe ik behoor; een dominantie heeft over de stoffelijke werkingen op het ogenblik, dat ik bewust vandaaruit werkzaam ben. En dit brengt mij tot het derde en laatste deel van dit betoog.
Magie is het bereiken van resultaten via niet algemeen erkende wetten meestal mede door het gebruik van niet direct stoffelijk kenbare krachten of werkingen. Magie is dus een scheppen of erkennen van relaties en de wil binnen deze relaties werkzaam maken.
Alle magie is vanuit stoffelijk standpunt gezien een ingrijpen in de normale gang van oorzaak en gevolg. Geestelijk gezien echter is het het waarmaken van oorzaak en gevolg volgens een geestelijke norm, die de stoffelijke a.h.w. kan beheersen. Dan volgt hieruit, dat de magie in het leven eigenlijk een noodzakelijke factor wordt bij het beleven van het geestelijk “ik” en dat de krachten van het geestelijk “ik” en alle mogelijkheden daaraan verbonden op aarde pas kunnen worden waargemaakt, wanneer ik mij niet alleen aan de stoffelijke normen en waarderingen hou, maar daarin de geestelijke wetten (de emotioneel erkende wetten) mede tot uitdrukking breng.
Nu kunnen wij natuurlijk iedereen aanroepen op onze eigen wijze. De een roept tot Sinte Clara, de ander tot Barnabas, weer een ander roept misschien Luther King aan, de Kennedy’s of desnoods Marx, Lenin, Trotzky e.d. Deze aanroeping op zichzelf is niet belangrijk; wel belangrijk is de idee, die daarin ligt.
In de oude kabbalistische magie b.v. zien wij dat klanken en machtswoorden, tot de bekende godsnaam Baal Sjem toe, worden gevormd uit begrippen. Het zijn associaties. De klank is secundair. Op dezelfde wijze vormen wij in ons leven of wij het willen of niet associaties, die wij met bepaalde woorden uitdrukken. Wie dit niet gelooft, moet eens terugdenken aan de tijd, dat hij of zij in verliefdheid die enkele speciale woorden of uitdrukkingen gebruikten, die weliswaar een algemene betekenis hebben, maar die nu plotseling een heel andere inhoud kregen. Dat woord was het wekken van een emotie; en daartoe werd het ook gebruikt. Een overdracht van gevoelens en daarmede een overdracht van waarden, die niet alleen stoffelijk kunnen worden gezien. Op dezelfde manier zal de magiër bewust via klanken en associaties de hogere krachten en wetten evoceren; en deze eenmaal opgeroepen hebbende manifesteren in zijn eigen wereld. Het karma van de mens bepaalt zeker ook in deze zijn mogelijkheden. Maar het bepaalt vooral zijn wenselijkheden. Want achter het karma staat het bereikte bewustzijnsniveau en de wet daarvan.
Wie op deze wijze oorzaak en gevolg hanteert in zijn eigen wereld, kan rekenen op een geestelijk juist, ja, optimaal resultaat van het toch zo korte stoffelijke bestaan. Wie de stoffelijke waarden, rede, logica, oorzaak en gevolg werkingen stelt boven deze magische aspecten, zal ontdekken dat hij karmisch gebonden is aan onbegrepen waarden. Want hij kan niet begrijpen hoe zijn geestelijke wereld hem andere regels oplegt, maar ook andere krachten en verplichtingen geeft dan stoffelijk te beredeneren is.

Esoterische en geestelijke groepen op aarde

Als u kennis hebt van het geestelijk werk, dan wordt heel vaak een term als Witte Broederschap gebruikt. Daarnaast hoort u heel veel over de geheimschool van Alexandrië, de geheime inwijdingen van Egypte, van Griekenland enz. De meeste mensen realiseren zich niet, hoe deze zijn ontstaan. Het is boeiend te zien hoe de mens langzaam maar zeker integreert in zijn eigen wereldbeeld en toch de hogere geestelijke krachten en waarden blijft behouden.
In het begin (de periode van Mu en Atlantis) zijn er de eerste mensen, die in zichzelve keren en innerlijk een contact met het Goddelijke zoeken. Zij zijn de buitenbeentjes van een maatschappij, die zich meer en meer op de materie gaat instellen. Deze mensen gaan uit van het standpunt, dat in jezelf de waarheid ligt; en dat de waarheid, zoals je haar in jezelf kunt vinden, de verklaring is van alles buiten je, maar gelijktijdig ook de bepaling van alle mogelijkheden en ontwikkelingen, die buiten het “ik” plaatsvinden.
De eerste werking van geestelijke groepen en inwijdingsgroepen is dan ook hoofdzakelijk profetisch. Men geeft allerlei orakels. Men vertelt de mensen wat er allemaal op komst is, wat juist is. Men doet dit vanuit een innerlijk besef van het Goddelijke, waarbij de mens zelf zich eigenlijk nog niet eens helemaal bewust is van wat er zich kan afspelen. Maar juist in de Atlantische periode ontwikkelt zich de eerste z.g. witte priesterschap.
Deze witte priesters gaan niet meer alleen in zichzelf zoeken, maar ze gaan zoeken naar de overeenkomst tussen het eigen “ik” en de kosmos. Ze bereiken hierdoor een mogelijkheid om zich buiten het eigen “ik” te projecteren in, die kosmos.
Het is opvallend, dat al heel lang geleden mensen iets hebben gezegd over de aarde: hoe ze als een ronde bal tussen de sterren door danst en ze geven heel dichterlijke beelden over de maan, de zon en de sterren. Deze mensen blijken ook in staat (dat kunnen we zelfs vinden, ongeveer 3000 jaar voor uw jaartelling, dan is dat al vastgelegd) door te dringen in de wereld van het molecuul en van het atoom. Ook daarover weten ze dingen te zeggen, die wel dichterlijk, maar toch juist zijn. Kortom, de mens leert langzaam maar zeker zichzelf te projecteren in de wereld, zonder daarbij het bewustzijn van zichzelf te verliezen. Dat is nu het begin van alle grote geestelijke en esoterische groeperingen, die zich op aarde ontwikkelen.
Als ik eenmaal kennis maak met de wereld buiten mij (de wereld van allerlei sferen, maar ook de ruimte), als ik de tijd leer beschouwen als iets, waarin ik zelf kan dwalen naar eigen willekeur, dan moet ik ook proberen regels en wetten te vinden, want zo is de mens nu eenmaal. Degenen, die de eerste regels en wetten vinden zijn de afstammelingen van de Atlantische priesters bij de eerste uittocht. Een groot deel van hen bevindt zich in het vruchtbare Mand waar tegenwoordig de Sahara ligt. Ze trekken langzaam verder, later versterkt door een tweede golf en dringen door tot de Karakorums en ten slotte tot Tibet.
Deze witte priesters trachten een systeem te vinden, waardoor ze de hemelen of de werelden buiten het “ik” kunnen indelen op zo’n manier, dat zij in zichzelf de afstemming op dat andere kunnen vinden. En als je eenmaal daarmee begint, dan is de overeenstemming tussen je eigen stoffelijke wereld en een bepaalde geestelijke wereld zo groot, dat het reversibel is. Als je bent overgegaan kun je dus ook uit die andere wereld weer terugkeren tot de aarde.
Dit is een systeem, dat eigenlijk maar heel langzaam gestalte krijgt; eerst in verscheidene pantheons, waar de goden symbolen van functies en werelden zijn. Daarna langzaam maar zeker in een structuur, waardoor eigenlijk alle factoren, die in de wereld werkzaam zijn geestelijk en stoffelijk een eigen inhoud krijgen. In het begin wordt die inhoud dus zo verdeeld dat alles, wat direct op aarde werkzaam is vrouwelijk wordt genoemd, terwijl al datgene, wat geestelijk in de sferen werkt, mannelijk wordt genoemd. Een vertroebeling ven die beelden ontstaat pas ongeveer 1500 v. Chr.
Willen we de esoterische groepen in hun begin volgen, dan hebben we eigenlijk niet veel keuze. Er zijn enkele Indische scholen, die indirect de aanleiding zijn tot yoga. Veel van de tradities van deze eerste groepen is later overgegaan naar de beoefenaars van de yogaleer. We vinden daarin bepaalde denkbeelden over kosmische ordening, zoals die door de Brahmanen zijn overgenomen en helaas later materialistisch uitgelegd. Daarnaast vinden we ofschoon dat weer iets later in de tijd ligt in Egypte de z.g. Broederschap of Priesterschap van de Ster, later van Isis.
Dit is een van de eerste gemengde esoterische groepen d.w.z. er behoren priesteressen en priesters toe. Het systeem zelf baseert zich op een aantal riten, waarmee de kosmische samenhangen worden uitgebeeld en via sympathische werking en magie (o.a. telepathische berichtgeving en de gave van profetie worden ontwikkeld) meer gericht bruikbaar worden en er dus ook een begrip ontstaat van wat zich op aarde voltrekt.
Nu kunnen we natuurlijk wel zeggen: Dat is allemaal het erfdeel van het verleden. Maar terug te gaan tot het werkelijke begin is haast niet mogelijk zonder gelijktijdig te vervallen in iets, wat voor u alleen maar een romantisch sprookje is. De Witte Broederschap is eigenlijk gevormd aan het einde van de tweede Atlantische periode. Voor die tijd waren er wel geesten, die zich met de aarde bezighielden en waren er ook mensen, die zich weer met die geesten bezighielden. Maar een samenwerking tussen de mens (overgegaan of levend in de stof) en de verschillende rassen en groepsgeesten (de vormende geesten, die nog op deze wereld inwerken), kunnen we toch wel plaatsen in een periode van ongeveer 8000 jaar v. Chr. Vanaf die tijd begint de overgegane bewust deel te nemen aan het werk op aarde. Hij kiest daarbij ook weer zijn erfgenamen.
Die erfgenamen kennen de z.g. 7 graden of 7 stralen. De promotie is daar in feite het je bewust worden van meer mogelijkheden en meer krachten, maar ook het dragen van grotere verantwoordelijkheden. Omdat de leerlingen, die dit alles volledig beseffen en de verantwoordelijkheid ook bewust geheel kunnen dragen maar zeer klein in aantal zijn, krijgen wij nu scholen de z.g. esoterische scholen, die eigenlijk dienen als een soort voor selectie; een soort brugklas voor degenen, die de bewustwording kunnen halen op aarde. Bij elke esoterische school gaat men uit van de denkwijze van het betreffende land en de gebruiken van de betreffende naties. Maar elke school probeert voor de mens de mogelijkheid te scheppen in zichzelf waarden te erkennen, die buiten het “ik” in de kosmos ook bestaan. De rede speelt daarbij vooral in het begin niet zo’n grote rol. Je kunt alleen maar verklaren, dat bloed iets eigenaardigs is, want als het uit de mens wegvloeit, houdt hij op te leven. Dat is het redelijk element. Maar het niet redelijke, het gevoelsmatige element zegt: Bloed is als een levensstroom. Levensstromen bestaan in mij ook. Dus moet het bloed iets zijn, waardoor de binding met het Goddelijke bestaat. En we horen tot zelfs in de late middeleeuwen nog verkondigen, dat de ziel van de mens in het bloed zetelt. Een stoffelijke gevolgtrekking die overigens weer onjuist is. Nu zijn er ongeveer een 30 tal scholen te noemen over de hele wereld, die van groot belang zijn. Daarvan zou ik willen noemen:
1e. De orde van de Ster en de latere Isis groep.
2e. De z.g. Krishna en Indra groepen; twee groepen, die in India bestaan.
3e. De z.g. maan- en zonnecultus, zoals die in Zuid Amerika bestaat. Deze      hebben elk verschillende esoterische scholen van groot belang.
4e. De inwijdingsleringen van meer verstandelijk karakter, zoals de eerste      en tweede Alexandrijnse School. De eerste is een zuiver mystieke, de tweede is een wiskundig mystieke.
5e. De z.g. magische scholen. Van de magische scholen zijn er drie zeer bekend geworden. De eerste lag in het Teutoburgerwoud. Zij ging uit van de Germaanse, de noordelijke godenleer, maar leerde de mens de verbondenheid met de natuur. En door deze verbondenheid met de natuur de verbondenheid met de goden. De erkenning van het eigen “ik” was hier de associatie van het “ik” met de eigenschappen van de goden, zodat men als mens de krachten uit Asgard kon oproepen. De Walküren mythen zijn overigens nog een product van deze school. Hier zei men: Als ik de kracht der goden vertegenwoordig en ik sterf, dan werd ik automatisch deel van Asgard, want ik hoor erbij. Dat is later geworden tot de Walküre, die op haar paard komt om de stervende held op het slagveld mee te voeren.
Een tweede school, die helaas nogal snel verwatert, ligt achter de IJzeren Poort in het Zevengebergte; Zij wordt genoemd de z.g. sympathische school. Zij leert de mens de overgang van het eigen “ik” naar de rijken van de oude elementen. Via deze oude elementen, het erkennen van de kosmische krachten, zodat degeen, die de kosmische krachten en de elementen kent, de aarde beheerst. Dit wordt echter ongeveer 900 na Chr. een zwart magische school.
Dan kennen we de Tibetaanse magische school, die in twee delen uiteenvalt; nl. de z.g. necromantische school in het noorden van Tibet en de z.g. profetische school, die zeer zuidelijk in Tibet ligt tegen de Karakorums aan. Deze scholen zijn weer van groot belang, omdat ze bepaalde werkwijzen tot uiting brengen. Een product van de z.g. profetische school is het nu nog als een van de weinige kloosters, werkende Klooster van de Drie Blinden.
Van het zwart magische klooster is het in de wetenschappelijke projecten opgegane Tsu Ling Klooster, dat aan de Chinese kant lag nog de representant. Hier wordt het paranormale onderzocht. Men is daar op het ogenblik, bezig met allerhande kunstjes om dieren te leren beheersen, zodat men die als wapen zou kunnen gebruiken. U ziet, deze dingen gaan door alle tijden heen.
In Griekenland hebben wij te maken met een zeer interessante inwijdingsschool, die gebaseerd is op de zeegoden en leert hoe de ontwikkeling is. Deze school houdt zich in de eerste plaats bezig met de evolutie, en op grond van de evolutie uit het verleden leert ze de mens zich te projecteren in de evolutionaire mogelijkheden van de toekomst. Ook hier zelfkennis. Maar bij deze zelfkennis vooral een projectie in de geestelijke toekomsten, daarmee het ontwikkelen van denkbeelden, waardoor de gehele mensheid en de gehele wereld verder kan worden geholpen en ontwikkeld.
In Egypte hebben we een korte tijd een weerkaatsing hiervan. Een invloed, die overigens via Cyprus is gekomen. Dat is dan de Aton verering, waarmee een poging wordt gedaan om een esoterische school te stichten, die helaas mislukt. En wel omdat de kennis van het één godendom wel bestaat en deze ook wel wordt aanvaard in Egypte, maar men wil geen afstand doen van de magische kracht, die in het personifiëren van de functies van de godheid ligt. Een zeer typisch verschijnsel, dat we steeds weer zullen aantreffen.
In Rome is de Apollonische School van groot belang. Daarna in het tijdperk van de kalifaten zien we de Cordovaanse School, die via kabbalistische methodiek de mens ook weer leert zichzelf te zien in verband met een goddelijke werkelijkheid en de daaruit voortkomende verschijnselen. Ik zou historisch hierop nog veel verder kunnen doorgaan, want ik heb zeker niet alle scholen genoemd. Maar ik geloof, dat het interessanter voor u is om te zien wat deze scholen de mens eigenlijk proberen te leren. God is een eenheid. De eenheid Gods is niet te beseffen, maar is een eenheid te vergelijken met die van een landschap. In een landschap kan ik elk object afzonderlijk erkennen en toch zal ik het geheel als landschap kunnen beseffen, juist door de waardering die ik heb voor de afzonderlijke waarden. Waarom moet de goddelijke werkelijkheid worden verdeeld in feitelijk niet onafhankelijk bestaande krachten en delen. De Cordovaanse School doet dit door de verschillende Serafim te stellen als wegen (bepaalde fasen van bewustzijn), welke uit het Goddelijke voortkomen. In elk daarvan is dus een aantal aspecten van het Goddelijke bevat: En wie dit beseft, beseft zichzelf. Hij is niet meer gebonden aan zijn beperkte werkelijkheid, maar kan daaraan ontkomen. De School van Apollonius, die vanuit modern standpunt waarschijnlijk heel wat magischer is, leert dat het “ik”, zodra het de samenstelling van het Al beseft, zichzelf kan binden en ontbinden, zoals in het Al elke binding alleen door de wil tot stand komt. Deze wil is dan weer een goddelijke wil. De filosofie, die daar op de achtergrond ligt, vinden we ook bij de zwervende wijsgeren van Rome: de Cani. Van Apollonius zijn er een paar dingen, die ik hier wel bijzonder de moeite waard acht en daarom zou ik ze even willen citeren.
In mijzelf ben ik een samenstel van gedachten, die slechts in hun onderlinge verhouding juist en evenwichtig beseft mij een beeld geven van hetgeen ik ben. Elk van die denkbeelden is echter bruikbaar om het geheel van mijn persoonlijkheid daardoor te richten en het geheel van mijn krachten daardoor te uiten.
Daar de kosmos op gelijksoortige wijze is gebouwd en ik mijn denkbeelden willekeurig kan binden en ontbinden, zo kan ik mij ook willekeurig binden en ontbinden. En beseffende wat ik in wezen ben, zal ik in alle tijd en ruimte mij daar kunnen plaatsen in de vorm die ik begeer, indien ik in mijzelf een analogie weet te vinden met de kosmische wet, met de kosmische werkelijkheid. De School van Apollonius is, dus eigenlijk wel een zeer magische school, omdat zij de krachten van de ziel, de krachten van de geest en de krachten van de materie als volkomen vergelijkbaar beschouwt. De kennis van een van die krachten in detail betekent de beheersing van beide andere delen in gelijke details.
De kabbalistische scholen, die tegenwoordig als de voorvaderen van o.m. Maçonnerie, Rozenkruisers, Theosofen ook wel degelijk een grote rol spelen, kunnen we geloof ik het best samenvatten in de volgende gedachtegang:
Vanuit Gods werkelijkheid worden de details als door een prisma gebroken aan ons kenbaar. Wij zien de totaliteit uitgespreid in de tijd en kunnen daardoor de afzonderlijke krachten erkennen, waaruit de totaliteit bestaat. Elk van deze delen van de totaliteit heeft een naam en een belangrijkheid. Door deze belangrijkheid uit te drukken in namen en begrippen of weer te geven in cijfers en waarderingen kunnen wij de begrippen overal terugvinden waar ze op aarde ook zijn en de ware gestalte en betekenis ervan vinden.
De kabbalist berekent b.v. wat uw naam betekent en zegt: Krachtens die naam ken ik uw wezen, Maar omgekeerd zal hij zeggen. Ik ken uw wezen, dus kan ik uw naam berekenen. Ik kan dus elke waarde omzetten in een andere, mits de grondeigenschappen maar geluk zijn.
Dit komt dus voort uit een denkbeeld, waarin Gods wereld uitgespreid is in tijd en in ruimte, maar alle waarden in zichzelf omdat zij deel zijn van dezelfde kracht onderling verwisselbaar zijn geworden. Door deze verwisselbaarheid kan dus het karakter van alle dingen worden bepaald. De volledig bewuste magiër gaat dus van dit standpunt uit in. Ken jezelf; besef God als een waarde, waarin je leeft; openbaar jezelf t.a.v. de goddelijke waarde in de verschillende aspecten, die je van jezelf kent en je zult de aspecten van het Goddelijke, die stroken met hetgeen je in jezelf erkent, daardoor beheersen. Vandaar dat de kabbalisten en de z.g. wonderrabbi’s ook meestal als tovenaars werden beschouwd.
Nu moeten we daarbij niet vergeten, dat de wonderrabbi langzaam maar zeker een overlevering is geworden. En als we de legenden over de Golem e.d. horen, dan hebben we wel te maken met grondbegrippen, waarin een waarheid ligt, maar we hebben niet meer te maken met verhalen, waarin de mens kenbaar wordt. We moeten doordringen in de essentie van het verhaal, voordat het betekenis krijgt.
De gelijkenis is bij de wonderrabbi en ook bij de kabbalist over het algemeen een van de middelen, waardoor hij zijn werkelijkheid kan openbaren en uitdrukken. Zo geeft hij b.v. aan waarom het paradijs door vier stromen werd doorsneden. Want zo zegt hij vier engelen waren gezet als wachters. De kracht van deze vier engelen bracht de volmaaktheid van het paradijs volgens Gods wil tot stand. En God wandelend uit deze kracht was geopenbaard in het totaal van het paradijs.
Dan vertelt hij b.v. ook waarom de dieren allemaal in vrede met elkaar leefden. Want zo zegt de kabbalist vrede is iets anders dan rust. Vrede is de perfecte samenwerking. En in de perfecte samenwerking zal het dier, dat weet dat het moet worden gegeten, zich niet verzetten hiertegen. Zoals het dier dat eet, slechts eten zal, omdat het leven moet. Daar het leven in harmonie is, zijn alle dieren tezamen en kunnen zij in vrede leven. De leeuw ligt naast het lam. Niet omdat het lam veilig is of de leeuw geen vlees eet (dat is tegen zijn geaardheid in), maar omdat beide zich bewustzijn van hun functie tegenover elkaar.
Er zijn natuurlijk heel wat meer gelijkenissen en verhalen aan te halen, maar om iets van het denken duidelijk te maken is dit wel voldoende.
Hieruit komen langzaam maar zeker de christelijke mystici voort; en ook deze christelijke denkers beginnen op een gegeven eigenblik zichzelf te zoeken en niet alleen maar het wonder van boven. Een van de eersten, die zich daarmee bezighoudt is Reuchlin. Hij probeert om via, de Tuin (een van de kabbalistische geschriften) een uitdrukking te vinden voor de relatie mens – God, maar ook de relatie mens – mens. Je zou kunnen zeggen: De eerste humanisten worden eruit geboren. Deze humane opvatting is niet gebaseerd op het feit, dat elke mens goed is, maar op het feit dat elke mens doordat hij mens is een gelijke inhoud bezit. Die gelijke inhoud, betekent dat elke mens gelijke mogelijkheden bezit. Wie eenmaal de mogelijkheden ziet en niet alleen maar de uiting, kan dus de perfectie terugvinden zowel in de andere mensen als in zichzelf. En daarmee staan we weer heel dicht bij hetgeen we in de Witte Broederschap vinden.
De Witte Broederschap langzaam gegroeid door de eeuwen heen en steeds sterker geworden heeft natuurlijk via haar verschillende geestelijke en esoterische scholen haar ingewijden op aarde gekregen. Ze heeft haar inwijdingswegen op aarde gecreëerd, maar haar grootste belang is toch wel de erkenning van degelijkheid in allen. Zij erkent in allen het Goddelijke en ontkent dus niet, dat er b.v. misdadigers zijn en heiligen op aarde, of zondaars en vromen. Ze beseffen, dat het niet belangrijk is wat er in de mens op dit moment tot uiting komt, maar dat het belangrijk is dat het geheel, dat in elke mens gelijkwaardig is, wordt gerealiseerd. In deze realisatie praten we dan ook niet over vrede in de zin van rust, gezapigheid en gezelligheid, maar eerder op de manier, waarop de kabbalist dat zegt: als de vrede tussen de dieren in het paradijs. Een kwestie van je bewust te zijn, van je functie tegenover elkaar en die deze aanvaardende daardoor kosmisch altijd bestaat.
De Witte Broederschap heeft zich voortdurend beziggehouden met het scheppen vaan nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden. Ze is b.v. de aanleiding geweest tot het ontstaan van een groot aantal christelijke reformaties, zelfs betrekkelijk vroeg, waardoor de gezagsverhoudingen, de organisatieverhoudingen moesten plaats maken voor een idee van “de Christus als iets, wat ook in jezelf kan leven”. De vervulling van Jezus’ wet was dus niet meer een organisatorische kwestie, maar een persoonlijke levensverantwoordelijkheid. We vinden. dat terug b.v. bij de Albigenzen e.d.
De Witte Broederschap heeft altijd weer geprobeerd om de verbreiding van wijsheid te bevorderen. Want de bespiegeling, die voor de mens zo belangrijk is, moest overal bekend worden gemaakt. In de vroegste Griekse tijden heeft ze dat b.v. gedaan door de wijsgeren te stimuleren tot denken over de natuur. Denk eens aan Archimedes. Ze heeft daarnaast getracht de mens bewust te maken van de sociale verhoudingen. Denk aan Socrates, Plato. Ze heeft ook geprobeerd en steeds sterker de mens duidelijk te maken, hoe eigenlijk de wonderlijke verhouding van geestelijke en stoffelijke elementen liggen. En dat werd haar heel moeilijk gemaakt door het christendom. Maar ze is al heel snel ertoe overgegaan mensen te stimuleren om binnen dit christendom dat wat men alchemie heeft benoemd tot uiting te brengen. De vroegste alchemisten vinden we vóór het bestaan van het woord !’cel chemie’; nl. al in het jaar 300 n. Chr.
Altijd weer heeft de Witte Broederschap dus geprobeerd om kennis te stimuleren; echter niet een feitelijke kennis, maar een verhoudingsbegrip. Een kennis, die niet gebaseerd is op de feiten zonder meer, maar op de relatie tussen de feiten. Dit heeft geleid tot de ontplooiing van wat men kan noemen: magische krachten.
Bij deze magie was het in de middeleeuwen erg belangrijk, dat mensen de persoonlijke contacten met het bovennatuurlijke zouden vinden. Helaas, de kerk greep in; we kregen de heksenvervolgingen en al wat erbij hoort. Toen dat een beetje gekalmeerd was, heeft men in de kloosters geprobeerd de zaak op de juiste manier aan te pakken. Maar ook hier, helaas, kregen we te maken met hysterie en bezetenheid. Een rustperiode trad in en daarna kregen we te maken met de mediums, met het mesmerisme.
Het mesmerisme, het gebruik van profeten (ook al in de middeleeuwen bestaande, maar toch zeker: vooral in de 18e en 19e eeuw hand over hand toenemend) kon de aanleiding zijn tot bepaalde richtingen als de theosofie, het spiritisme, waaruit dan weer het spiritualisme naar voren komt; zoals uit de theosofie de antroposofie herleeft. Antroposofie is ook al oud. Ze bestond eigenlijk reeds bij de Griekse wijsgeren en in de Alexandrijnse periode. Op die manier kun je dus langzaam maar zeker een systeem van denken opbouwen.
Nu gaat het er voor de Witte Broederschap of voor de grote esoterische groepen helemaal niet om dat iedere mens, die theosoof, antroposoof of wat anders wordt, daarin nu de volledige openbaring vindt. Het is eigenlijk belangrijker om een selectie te laten plaatsvinden. Er zijn mensen (heel vaak verwijderen zij zich later uit de officiële groepering), die innerlijk een beeld van de kosmos krijgen, dat voor hen bruikbaar is; en zo blijven de magiërs (degenen, die het bovennatuurlijke en het natuurlijke met elkaar weten te verenigen) nog steeds bestaan.
Misschien is de naam “magiërs” hier wel veelbetekenend. Zoals u weet was de naam “magie” de naam die voor priesters en later voor priesterkoningen werd gebruikt, die de wetenschappen van de aarde en van de hemelen kenden. Ze waren o.m. de eerste astrologen. Deze mensen: wisten het bovennatuurlijke en het natuurlijke samen te brengen. De esoterische scholen van vandaag doen dat eigenlijk ook wel. Alleen, wie eenmaal geslaagd is, verwijdert zich een beetje uit de openbaarheid. Want het heeft weinig zin om elke mens de kunststukjes te leren, waardoor hij zijn naaste kan beheersen en regeren. Maar het heeft heel veel zin om de mens, die in staat is kosmisch te leven (dus samen te leven niet alleen met de Witte Broederschap maar met de mensheid, die tijd en ruimte a.h.w. kan maken tot een functie van God in zichzelf, om die te betrekken bij de totaliteit van het mens zijn. Op deze wijze zijn eigenlijk de esoterische groepen en scholen op aarde niet alleen ontstaan, maar steeds belangrijker geworden.
Nu zijn er in de moderne tijd natuurlijk ook dergelijke scholen. En het eigenaardige is, dat wij in de moderne tijd drie disciplines kennen, die alle drie voeren indien je ze goed hanteert tot de erkenning van de kosmos en het bewust hanteren ervan. U zult misschien heel verbaasd zijn, indien ik als eerste noem: de wetenschappelijke scholing.
De wetenschappelijke scholing leert de mens vooral objectiviteit. Indien hij die objectiviteit leert gebruiken niet alle en t.a.v. de verschijnselen in de wereld maar ook t.a.v. zichzelf, dan vindt hij in zichzelf krachten, die niet meer stoffelijk objectief te verklaren zijn, maar die wel de verhoudingen kenbaar maken en daarmee werkingsmogelijkheid scheppen. Jung b.v. is een aardig voorbeeld van wat langs deze weg toch alweer bereikbaar is.
De tweede discipline is de godsdienstige. Niet de godsdienstige zoals u die kent (met mooie gebedjes ed.), maar de discipline zoals we die in bepaalde kloostergemeenschappen hebben leren kennen; zoals ze bestaat bij bepaalde vrome groepen en genootschappen in alle landen ter wereld. En vergist u zich niet, hierin zitten ook mensen van de groene magie in dezelfde gerichtheid als b.v. bepaalde Dominicanerkloosters. Zij zoeken in de natuur en in zichzelf een erkenning te vinden van hogere krachten; en die krachten in zichzelf en in de natuur vindend, kunnen zij ermee gaan werken, door dit werken ontstaat besef, ontstaat wijsheid; door die wijsheid kan een samenwerken met het totaal van wat men Witte Broederschap noemt en met andere geestelijke groeperingen worden bereikt en kan men buiten tijd en ruimte om de mensheid a.h.w. gestalte helpen geven.
De derde en laatste discipline zal u wellicht de meest waarschijnlijke lijken: Het zijn een groot aantal pseudo esoterische scholen als Maçonnerie, verschillende groepen van Rozenkruisers, mystieke islamitische groepen enz. In deze groepen is een hele symboliek en een heel systeem van zelferkenning opgebouwd, maar achter dit alles liggen bepaalde sleutelbegrippen. Indien de mens die sleutel te pakken krijgt, voelt hij een eenheid tussen zich en al het bestaande. En op grond daarvan is dus ook een ontwikkeling mogelijk. Alleen, het percentage van bereikingen blijkt in dergelijke scholen t.a.v. het aantal leden kleiner te zijn dan in de eerste en de tweede discipline.
Op deze manier blijft de Witte Broederschap ook heden een actief werkende factor op de wereld en zal de mensheid zelf bewust of onbewust deel blijven uitmaken van deze Broederschap en van al deze geestelijke genootschappen; en worden de mensen of ze het willen of niet, voortdurend door werkelijke esoterische scholen beïnvloed.
Laat mij u nu nog enkele beelden geven van de wijze, waarop in uw eigen tijd wordt gewerkt vanuit deze bereiking.
Om harmonie te bereiken is het noodzakelijk, dat tegendelen worden erkend. Het bevorderen van extreme handelwijzen en denkwijzen zal in vele gevallen een bewustzijn van mogelijkheid en daarmee van goddelijke openbaring en van eigen mogelijkheden in de mens wekken. Het bevorderen van extreme tegenstellingen op aarde is een van de dingen, die in deze dagen graag wordt gedaan.
Een tweede punt, waarmee men in deze tijd probeert te werken, is: Het induceren van gedachten. Breng een mens binnen een bepaalde geloofsbeschouwing, een bepaalde politieke of sociale beschouwing en leer hem zichzelf vragen te stellen. Doordat hij zich die vragen stelt, vergelijkt hij in wezen zichzelf met het systeem, dat hij dan projecteert. De onjuistheden in het eigen “ik” en in het systeem worden kenbaar en aanpassing aan de werkelijkheid is mogelijk. De opstandigheid en zeker in deze dagen de individuele opstandigheid wordt vaak bevorderd, opdat men door dit verwerpen van alle normen de kosmische normen in zichzelf zal kunnen vinden.
Er wordt natuurlijk ook gewerkt met het scheppen van massale inwijding krachtproeven. Een oorlog is primair een krachtproef voor de mensheid. Maar daarnaast brengt hij voor de mensheid de noodzaak zichzelf met de dood en met het leven te confronteren. Degenen, die dit bewust hebben gedaan, staan voortaan anders in het leven; zij zullen het leven en de waarde van het leven anders zien; in de meeste gevallen zullen zij zichzelf beter kennen en hierdoor ook goddelijke en kosmische waarden (al noemen zij die misschien anders) juister tot uiting kunnen brengen.
In dit verband zou ik ook erop willen wijzen, dat b.v. een groot gedeelte van de moderne reformen in de Oostbloklanden te danken is aan het feit dat de soldaten die hebben gevochten, dit niet altijd onder strakke politieke leiding konden doen en dat leuzen niet altijd de feiten dekten. Zij zijn zelf gaan denken. Hierdoor ontstond er een mentaliteitsverandering, een ander begrip van de gemeenschap en daarmee een totaal andere benadering van het leven en de mensheid. Men probeert die dingen te onderdrukken, maar ze zijn er. Oorlogen zijn dus eigenlijk de toetssteen voor het menselijk bewustzijn; en in strijd en geweld kan de mens vaak worden losgeschud uit zijn waanbeelden, omdat hij dan alleen met zichzelf in een werkelijkheid staat, die hij meent niet aan te kunnen. Dan moet je wel een beroep doen op de kracht in je en leer je jezelf kennen. Door je te beroepen op die kracht in jezelf, ontdek je ook dat je een zekere zeggenschap hebt naar buiten toe.
Dan zal in deze dagen het magisch denken natuurlijk heel sterk worden bevorderd. Onderschat u ook dat niet. Het denken van de z.g. “bloemenkinderen” b.v. lijkt dan wel in de eerste plaats een sociale revolutie, een afwijzing van een bestaande orde, maar het is ergens ook een geloof; het is een magisch geloof. Het zoeken naar een nieuwe vorm van mens zijn en daarmee een nieuw beeld van jezelf en van de maatschappij. Dit is wel degelijk een magische vernieuwing.
Magie zal verder worden bevorderd door de mensen te leren gebruik te maken van bepaalde occulte begaafdheden. Het zal u allen wel bekend zijn, dat heel veel regeerders in hun omgeving z.g. paragnosten hebben, mensen met zekere gaven. Daaronder zijn o.m. telepaten, helderzienden etc. Deze mensen gelden ook weer als een geloofsstimulans. In vele gevallen hebben ze op dit moment nog geen grote invloed. Maar doordat het begrip van bovennatuurlijke ordening of kracht gaat doordringen, zal de al te menselijke waan van ordening gemakkelijker kunnen worden verbroken. De bewustwording wordt op die manier bevorderd.
U ziet, tussen een heel ver verleden en het heden is de parallel wel heel groot. Eens waren de witte priesters van Atlantis, de priesters, die zich a.h.w. verzetten tegen de verstoffelijking van geestelijke denkbeelden. En als tegenwicht van de normale priesterschappen brachten zij de esoterische scholen tot stand en daarmee eigenlijk ook de eerste witte broederschappen, waaraan de mensen deel hadden.
In deze dagen zien we precies hetzelfde. Er is een geestelijke revolutie aan de gang op velerlei terreinen, waarbij de mensen de sleutels vinden van hun eigen innerlijk en daarmede de toegang tot een kosmisch bestaan. Door deze parallel kunnen we zeggen: De oude wijsheden zullen herleven. De oude werkelijke scholen van de geest en de oude werkelijke inwijdingspaden zullen weer geopend worden.
Dan is er nog een aspect, dat ik niet heb genoemd en dat toch belangrijk is. Ik sprak over Apollonius zoals ik zou kunnen spreken over allerlei andere grote wijzen: bodhisattva, boeddha’s enz. Het zal u duidelijk zijn, dat als eenmaal een dergelijke magische ommekeer aan de gang is het uit de geest en uit de totaliteit gezien belangrijk wordt om de eenheid van het zijn weer menselijk te kristalliseren. Anders gezegd: Er incarneren grote geesten op aarde. Die grote geesten geven dan waarheid, de mensen maken er natuurlijk weer een leer ven zelfrechtvaardiging van. Maar de elementen, die ze geven; bevorderen dan toch een kosmisch werkelijkheidsbesef.
De groten op deze aarde of we nu spreken over Apollonius of Jezus of Mozes erbij willen halen hebben allen een ding bereikt: Zij hebben mensen of groepen van mensen geleerd zich boven zichzelf te verheffen in een besef van een geheel. En uit dit geheel hebben de mensen altijd weer krachten gevonden, die verdergaan dan het normaal menselijke. Daarom kunnen we zeggen, dat de ontwikkeling van de Witte Broederschapen van de esoterische scholen op deze aarde eigenlijk alleen maar de weergave is van een kosmische werkelijkheid:
God bestaat. God is in alle dingen. Alle dingen zijn in en uit God. Dus zal een ieder, die God beseft, in en uit alle dingen God ontmoeten. En wie God in en uit alle dingen ontmoet, is eeuwig en niet gebonden aan de tijdelijkheden. Wie in en vanuit de Godheid werkt, leeft en beseft, is niet gebonden aan menselijke regels of opvattingen, maar hij maakt waar wat in de totaliteit van de schepping bestaat,
Eens zal de hele mensheid zover zijn, dat zij als geheel afscheid kan nemen van de materie. Op dat ogenblik, zal zij zichzelf kennen, de tijd en de ruimte zien als functies van eigen bestaan. Ze zal zijn doorgedrongen in de macrokosmos en de mikro kosmische verhoudingen en zij zal bewust van de totaliteit op een ander vlak van bestaan verder kunnen gaan.
Tot die tijd zal het besef van eenheid altijd weer Witte Broederschappen en dergelijk op aarde doen werken. Tot het zover is, zullen er steeds weer esoterische scholen zijn en zullen er steeds weer sleutels worden gegeven aan de mens, opdat hij zichzelf in waarheid beseffend en uit dit besef van eigen waarheid worde tot waarlijk kosmisch deel van mensheid en schepping.