Humanist en esotericus

 SVGZ – 25 september 1959

Allereerst wil ik hierbij opmerken, dat u ons de laatste keren onderwerpen hebt voorgelegd die een sterk politieke inslag hebben. Onze groep, de Orde der Verdraagzamen, staat zowel t.o.v. politiek als godsdienst zo neutraal als het haar mogelijk wordt gemaakt.  Onze belangstelling gaat uit naar meer geestelijke zaken. U zult het mij dan ook hopelijk niet euvel duiden, wanneer ik de meer politieke kant van het humanisme deze avond zoveel als mogelijk buiten beschouwing laat.

Humanitas: mensheid. Humanist: iemand die zoveel mogelijk wil leven voor en met de mensheid.

Esoterie: de weg naar binnen. Esotericus: de mens die zoekt naar hetgeen in zijn wezen verborgen is.

Dit zijn dan de twee grenzen, waarbinnen ons betoog zich zal moeten afspelen.

Wanneer wij goed begrijpen, wat een waar humanist is, zullen wij tevens begrijpen, dat hij in zeer vele gevallen een goed esotericus zal zijn. Dit is haast onvermijdelijk, ofschoon hij zich soms zelfs van beide eigenschapsbepalingen onbewust zal zijn. Doch dit laatste doet weinig ter zake. Indien wij het humanisme als een modern verschijnsel willen bezien, zouden wij moeten zeggen: het humanisme is in feite een a-godsdienstige godsdienst. Het humanisme is een pogen, de mens als mens te benaderen en de directe banden met God erbuiten te laten. Maar dit kunt u alleen, wanneer u in uzelf – onverschillig hoe – een band gevoelt met God. Hier komt dan mijn inziens ook de esoterie op de voorgrond.

Nu heeft het humanisme eerst betrekkelijk kort geleden zijn naam gekregen. Toch is de gedachtegang, die er aan ten grondslag ligt, zeer oud. Vreemd genoeg vinden wij deze humanistische gedachten vooral in de oude inwijdingsscholen. Daarnaast komt zij sterk tot uiting in het boeddhisme, vooral wel in het laat-boeddhisme. Verder vinden wij ook een humanistisch denken bij vele sekten en schismen, die ontstonden uit de oorspronkelijke christelijke godsdienst. In het christendom zelf heeft het humanisme eerst in de laatste tijd enige rol gekregen. Voordien was deze denkwijze tenminste wel zeer beperkt. Wij zullen moeten zoeken naar de grondwaarden die al deze richtingen gemeen hadden. Ik voor mij ben zo vrij hierbij uit te gaan van de oude inwijdingen. Het is noodzakelijk te erkennen, dat elke mens in elke mens leeft. U kunt niet uzelf zijn en uw broeders verlaten. Eerst indien u voor de wereld gestorven zijt, zult u de ware wereld kunnen erkennen en deel kunnen zijn van haar wezen. Dit zijn de regels die letterlijk vertaald zijn uit de oude inwijdingsformulieren.

Mij persoonlijk spreekt de gedachte, dat men moet sterven om waarlijk mens te worden, zeer aan. Eerst wanneer wij onze persoonlijke gedachtegangen, de nadruk die wij op onszelf plegen te leggen, terzijde kunnen stellen, zullen wij immers in staat zijn om de mensheid als geheel te dienen. Of wij nu een fontein van eeuwige jeugd, dan wel van Goddelijke wijsheid zijn, zolang wij de nadruk blijven leggen op ons eigen wezen, is er iets fout. Wij zullen dan nooit werkelijk de mensheid dienen. Om met een boeddhistische wijze te spreken: wie zichzelf erkent als waardevol in de wereld, zal niet de mensheid, doch slechts zichzelf dienen. Hij zal dan niet de juiste weg gaan, doch slechts zijn eigen weg. Wanneer wij als humanist op de juiste wijze in het leven willen staan is het voor ons niet noodzakelijk een bepaalde godsdienst te belijden! In vele gevallen zullen wij wel een diep innerlijk geloof hebben waardoor wij in staat zullen zijn anderen te helpen. Onze taak is echter niet voor anderen bijzondere condities en omstandigheden te scheppen. Foutieflijk neemt men wel eens aan, dat humanisme in feite niets anders kan betekenen dan het verdedigen van de rechten van de mens. Dit kan het nooit zijn omdat de interpretatie die men heeft van de rechten van de mens, zo vaak geheel verschillend zijn. Wat verdedigt men als humanist? De mogelijkheid voor iedere mens om ook als mens te leven, meer niet. Dit kan niet bereikt worden door het volgen van bepaalde regels. Het kan alleen voortkomen uit de wijze, waarop je jezelf beschikbaar stelt voor anderen.

Een goed voorbeeld hiervan gaf een man uit de Jordaan. Deze kleine Jood, die in 1942 naar Auschwitz werd weggevoerd, heeft waarschijnlijk nooit gedacht dat hij humanist was. Hij was in de hele Jordaan bekend. Wanneer je zorgen had, dan ging je naar hem toe. Hij had altijd tijd voor je. Wanneer je bij een van de vele geldschieters in de buurt veel schulden had, ach, dan nam hij – wanneer het maar even kon – dat bedrag van zijn handelsgeld af. Later kon je het hem dan wel eens – en zonder interest – terug betalen. Als er ergens leed heerste, was hij erbij om mee te treuren. Wanneer er moeilijkheden waren, was hij de eerste die ter plaatse was om te helpen. Of het nu ging om een christen, of een Jood, een diamantbewerker, of een handelsman, hij was er, klaar om te helpen. “Want” zo zei hij, “ik kan alleen gelukkig zijn, wanneer ik gelukkige mensen rond mij zie”. Ik zal de naam van deze mens niet noemen. In de Jordaan herinneren zij zich hem nog wel.

Hij was hét type van de humanist. In zichzelf voelde hij een behoefte aan volmaaktheid. Maar het was hem onmogelijk iets van volmaaktheid, of ook maar van vrede te beleven, wanneer er rond hem in de wereld nog mensen waren met leed, met zorgen en ellende. Daarom gaf hij zijn leven en krachten aan “de buurt”. Daarom ging hij op het duivenplat zitten met de duiven- melkers, al interesseerde in werkelijkheid geen enkele duif hem. Daarom speelde hij kaart in de kroegjes, ofschoon hij eigenlijk niet van kaarten hield. Hij voelde aan, dat hij alleen op die manier de juiste betekenis voor anderen kon winnen, hun vertrouwen kon winnen en hun leven lichter en mooier maken. Toen deze mens naar de gaskamer ging, vertelde hij grappen. Niet omdat hij vrolijk was, maar omdat de anderen niet mochten denken over het onvermijdelijke. Zeker, hij was een kleine en onbelangrijke man met een handeltje in groenten en fruit. Maar weinigen hebben zo intens geleefd in begrip van de God in hem, weinigen zijn in hun leven zo werkelijk mens geweest, als hij geweest is.

Ik vertel u dit om duidelijk te maken, dat je als humanist, als esotericus, niet tot een bepaalde groep hoeft te behoren, of een inwijding van een bepaalde school ontvangen dient te hebben. Deze mens wist van deze twee begrippen niets. Maar hij zocht de honger te stillen die in hem leefde. Wanneer hij zijn leven gaf aan anderen, één wilde zijn met zijn buren, zo goed als met de onbekenden die hij op zijn weg ontmoette, dan deed hij dit alleen, omdat in hem een onstilbaar verlangen naar volmaaktheid leefde. Ook al was hij zichzelf van deze dingen niet bewust, zo leefde hij, naar heel oude regels en bracht hij oude principes in de praktijk.

Wanneer wij leven, moeten wij een doel hebben dat groter is dan wijzelf zijn. Dat is de grootste gemeenplaats die er bestaat. Maar zij is waar. Om in vrede te leven, moet je een doel hebben dat niet alleen buiten je, maar ook in je bestaat. Om vrede te vinden zul je de weg naar binnen moeten zoeken. Om weer enkele regels uit enkele geheimscholen te citeren:   “De leerling tracht de harmonie tussen zijn wezen en de wereld waarin hij leeft steeds te vergroten. De leerling zwijgt, tenzij het spreken een noodzaak is die uit hem geboren wordt en zijn weerkaatsing vindt in een behoefte tot luisteren buiten hem. De leerling aanvaardt. Hij aanvaardt voor zich, alleen om anderen te kunnen schenken “.

Dit alles behoort tot de leertijd. De tijd, dat je moet leren waardig te zijn aan het grotere doel, wat in je bestaat. Het gaat niet gepaard met glorieuze openbaringen van allerlei geheimen. Het is alleen maar een leefregel. Om een goed humanist te kunnen zijn, moet je ook leren vooral te luisteren. Je moet kunnen weten, wat er in anderen leeft. Je moet hun zorgen en problemen a.h.w. ook in jezelf kunnen verwerken. Alleen dan kun je immers helpen. Wanneer je dit tracht te doen, ben je ook in harmonie met iets groters. Iets, wat wij de Bron van Naastenliefde noemen. De Christusgeest, die in ons allen actief kan worden. Juist uit deze innerlijke waarden wordt dan de kracht geput om een waar mens te zijn. Ik weet dat er humanisten zijn die dit overdreven zullen vinden. Zij zeggen: wanneer wij nu maar als mens onze plicht doen, is dat toch wel voldoende. Ik weet niet of zij dan wel beseffen, dat je je taak als mens niet kunt vervullen, wanneer er niets in je leeft dat belangrijk is. Want alleen dan zul je de drift hebben, de stuwende kracht, die haast niet te remmen is, om in de wereld geluk te geven, vrede en al wat er bij hoort.

Na deze eerste schermutselingen met mijn onderwerp wil ik nu enige punten belichten van een zijde, die – naar ik hoop – ons allen interesseert. Wij allen weten dat er vele godsdiensten zijn, ofschoon er toch maar één God kan bestaan. Wij realiseren ons allen dat er ergens een eeuwigheid is, waarvan wij deel uitmaken. Wij zullen beseffen dat er juist daarom nooit enige werkelijke vrede te vinden is buiten onszelf. Wij moeten tevreden zijn. Bevrediging alleen – in de wereld – leidt tot verzadiging. Verzadiging leidt tot verveling, verveling leidt tot wanhoop. Alleen wanneer die vreemde honger in ons wordt gestild, doordat wij dichter bij het Goddelijke komen, vinden wij vrede. Alleen dan kunnen wij werkelijk humaan zijn. Dan zullen wij esoterisch streven tegelijk. Dit zijn twee begrippen die in hun zuiverste vorm haast onscheidbaar zijn.

Laten wij nu trachten ons voor te stellen hoe de werkingen in u eigenlijk zullen kunnen zijn van binnen uit, zowel als in de wereld. In het zo-even gegeven voorbeeld heb ik u in feite alleen uiterlijke verschijnselen genoemd. En niet veel meer. Er zijn diepe, interne dingen in de mens. Dingen, die verborgen zijn, diep in ons, doch wortelen in het Goddelijke. Het zijn deze dingen die het belangrijkste zijn. Ergens leeft uw wezen. Hoe en waar precies, weet je niet. Want je werkelijke wezen leeft in vele sferen tegelijk. Ergens behoort uw ziel tot God. Vandaar daalt u af tot deze – uw – wereld, sfeer na sfeer. In al deze werelden bestaat u. In al deze werelden bestaat God. Nu bent u dan hier.

Stel, dat u begint te streven voor uzelf alleen. Egoïstisch dus. In de eerste plaats beperkt u dan onbewust – of bewust – het deel van de Goddelijke kracht, dat u bereiken kan. Misschien bent u zich er niet van bewust, maar i.p.v. u open te plooien als een bloem die de zon zoekt, hebt u zich als in een dichte knop versloten. U houdt zich alleen bezig met uzelf en meer niet. Dan zal in elke sfeer voor u diezelfde afsluiting van uw wezen bestaan. In elke sfeer zult u zich niet bewust kunnen worden van de werkelijkheid. Gesloten zijnde zult u op de aarde tussen de mensheid leven en nooit weten wat mens-zijn in feite betekent. Voor u zal de koude taal van de rekenmachine en de davering der motoren misschien iets zeggen. Maar nooit zal tot u spreken het lijden en de vreugde van medemensen. Nooit zult u deel hebben aan het leven van anderen. Eenzaam zult u zijn en slechts weinig ervaringen in het leven op kunnen doen. Al kunt u door zo te leven miljoenen verdienen, wat zult u daarmee doen, wanneer uw bewustzijn van deze aardse sfeer een ogenblik ophoudt?

Hoe zult u daarmee kunnen handelen, wanneer in een andere sfeer uw leven herbegint? U kunt immers nog geen enkele penning meenemen? Ook met die kennis – op aarde zo naarstig vergaard – zult u daar niets kunnen doen. Daar bestaat geen geld, is geen beurs. Daar bestaat er geen mogelijkheid anderen uit te buiten. Dan staat u arm en verlaten in uw geestelijke wereld.

Stel, dat u nu probeert – zo goed als het u gegeven is, want iedere mens is verschillend – open te staan voor de mensheid. Open staan. Niet met het medelijdende gebaar van “ach, wat verschrikkelijk, ik huil met je mee”. Maar volgens het begrip: “wat hebt u nodig, mens? Ik zal dan trachten het u te geven”. Dan geldt: “Hebt u iemand, nodig om tegen te klagen? Ik zal luisteren. Hebt u iemand nodig om met u te treuren? Ik zal met u treuren. Hebt u extra handen nodig om te werken? Ik zal voor u werken. Ik zal u helpen, waar en hoe ik maar kan.”

Dat is toch in feite de kern van het humanisme. Sta dan eens op deze wijze tegenover uw wereld. Dan staat u open voor alles, wat daarin gebeurt. Elke mens heeft u iets te zeggen. Wat er ook gebeurt in het leven, het heeft zin en betekenis. De mensen die op de straat u passeren, zijn dan voor u niet meer de dode poppen die als automaten langs u heen schuiven naar een onbekend doel. Het zijn levende wezens die zo dadelijk een beroep op u kunnen doen. Wezens, die invloed op u hebben. U kijkt rond, u let op een ieder. Hier erkent u zorg, daar onzekerheid. Ongevraagd wordt u soms de gelegenheid gegeven met een enkele handreiking te helpen.

Natuurlijk, u zult u eigen zorgen hebben. Maar u weet dan, dat er rond u ook zoveel bestaat aan zorgen en leed. Meer tevreden, bescheiden, vaak haast angstig, gaat u dan door het leven. Soms bent u bevreesd, dat van u teveel zal worden gevraagd. Maar u bent bereid steeds te geven, zoveel als u maar kunt.

Geheel open is dan u wezen. U bent als een zonnebloem in volle pracht, die met haast onmerkbare beweging tracht steeds de volle kracht van het licht in eigen hart te ontvangen. Dan bent u in alle sferen een wezen dat openstaat voor God, open – en één in uzelf – tot aan de kern van het zijn toe. Het begrip dood is dan onbelangrijk geworden. De dood is onbelangrijk, omdat wij werkelijk en ten volle leven. Zelfs indien wij aarzelen te geloven in een voortbestaan, hebben wij nog de idee: “Door wat wij gedaan hebben voor de mensheid, zullen wij in de mensheid voortleven. Dat wat wij zijn, gaat niet teloor”.

In alle sferen, waarvan wij deel uitmaken, vragen wij onszelf niet meer af: “Zullen wij dalen, of stijgen?” In alle delen van ons leven regeert dan maar één enkele gedachte die deel is geworden van ons wezen: om in die wereld het goede en Lichtende dat in ons leeft, uit te dragen. Dan zal elke sfeer – en niet alleen onze eigen wereld – een voortdurend contact betekenen met andere wezens. Misschien met de grote engelen die tronen in zonnen en spelen met werelden. Misschien ook met geesten die volkeren opbouwen en diersoorten brengen tot nieuwe rijpheid, of geesten die spelen in plant en bloem, de geesten die een wereld van schoonheid geven en zo hun versie van God uitdrukken in de werelden. Contact ook met de geesten die zich ontworsteld hebben aan alle stof en vormbesef, de ingewijden die in vrijheid trachten zelf de Goddelijke wil te verwerkelijken. Contacten zeker ook met al degenen die – pas hun werelden verlaten hebbende – nog vormbesef kennen en toch in zich streven naar al wat Licht en goed is.

Al die fasen gelijktijdig zijn in uw wezen uitgedrukt. U zult er open voor staan. Wanneer in uw ziel een roep om kracht uitgaat, zal het geheel antwoorden, omdat die kracht immers voor het geheel gevraagd wordt. Indien u zo leeft, zal de wereld misschien zeggen dat u humanist bent. Maar dan zeg ik, dat u bewust – of onbewust – gehoorzaamt aan de grote wet van de esotericus: uzelf vervullen in het leven, uzelf zijn, om zo de God in u te leren kennen. Toch zal, ondanks deze wijze van leven, de wereld verder gaan en de tijd niet stil staan. U zult hard lopen om u tram te halen, u ergeren aan een verkeersopstopping en u manoeuvreert levensgevaarlijk met uw fiets door het verkeer heen, omdat er iemand op u wacht. U drinkt als ieder ander uw kopje thee en roddelt misschien u roddelpraatje mee, zoals zo velen doen. Oppervlakkig zal het lijken, of u gelijk bent aan de wereld rond u. Door die innerlijke kracht, dit innerlijk zoeken, begint u uzelf te kennen. Dat wil nog niet zeggen dat u uzelf meester bent. Uit het weten: “Dit kan ik doen, zo mag ik zijn te midden van de mensheid” groeit echter ook het begrip: “Zo zal ik zijn”. Meer nog. U erkent de wet en kunt stellen:  Zó wil ik worden….

Dit is de zuivere esoterie, die de weg naar binnen toe zoekt door de wanorde van gevoelens en gedachten heen. Dit is de onweerstaanbare drang die u alles terzijde doet stellen, wat kerk en school u hebben geleerd, om daarvoor in de plaats u af te vragen: Wat is God? Wat is werkelijkheid? En sfeer na sfeer wordt u zich van uzelf bewust. Kan er iets beter zijn? Dit is esoterie, zeker. Maar evenzeer is het de basis van het werkelijk humanisme. Het heeft niets meer te maken met de mooipraterij, waarbij men zich onttrekt aan religieuze banden en een politiek spel mee gaat spelen, omdat het zo prettig is, ook belangrijk te zijn. Daaraan zullen werkelijke humanisten niet denken. Neen, wat ik omschreef, is het perfecte humanisme, het mens-zijn door uzelf te verwerkelijken, ook tegenover anderen. Daarnaast betekent dit natuurlijk een innerlijke groei, waarin God Zich aan u openbaart.

In een wereld die geen hoop meer denkt te kennen, een wereld die tussen ondergang en uiteindelijke overwinning zweeft, kunnen wij niet gaan streven voor de mensheid als geheel. Deze wereld heeft er geen begrip van, wat de doorslag kan geven ter ener, of ter andere zijde. Wij zijn niet in staat dit weten te geven, of om directe invloed op het geheel uit te kunnen oefenen. Daarvoor is het aantal krachten dat op de wereld werkt, te groot. Er zijn pressies van alle zijden, die de mensheid als geheel eenvoudig zouden kunnen beletten het goede te doen.  U kunt niet zeggen: Ik zal opstaan en de wereld verbeteren. Dit is op het ogenblik onmogelijk. U kunt ten hoogste in waarheid zeggen: Ik wil binnen die wereld zo goed zijn, als mij – gezien de omstandigheden – mogelijk is. Dan zal u onwillekeurig verder gaan en uzelf beloven: Ik zal trachten een zo goed mogelijk mens te zijn. Met alle fouten, kwaliteiten en eigenschappen die ik bezit. Of anderen mij misschien bekrompen noemen, wanneer ik leef volgens de kracht in mij, die ik gevoel als een Goddelijke roeping. Ik wil mens zijn, een goed mens. Dit verlang ik boven alles. Want ik weet, dat deze wereld geen andere hoop meer heeft, dan juist het waarlijk mens zijn van de mensen.   Het humanisme, ja, het eenvoudige maar ware humanisme. Godsdiensten kunnen hier niet meer helpen, al zouden zij willen. Zij hebben zich opgebouwd tot grootse organisaties. Zij hebben wapens gezegend voor twee, drie partijen tegelijk. Zij hebben mensen achtervolgd, pressie uitgeoefend, de vrijheid van velen beknot. Zij hebben zich verheven boven de massa en spreken slechts tot ons vanaf hun leergestoelte. Zij hebben het vertrouwen van de mensheid verloren. Iemand die buiten mijn leven en mijn gemeenschap staat, kan mij immers niet werkelijk troosten en helpen, al doet hij nog zozeer zijn best. Hij zal mij niet kunnen begrijpen, ook al beseft hijzelf dit niet. Een priester, een leraar, die boven de menigte staat, kan nooit de waarheid van deze menigte beleven en zien. Dat is onmogelijk. Wanneer hij één weet te zijn met de menigte, dan misschien beseft hij de werkelijkheid van de mensheid. Daarop zijn de godsdiensten niet gebaseerd. Ook de politiek kan dit niet meer. Als draagster van het gezag staat zij evenzeer van de werkelijke mens, als de kerk. Want de politiek heeft haar programma. Zij heeft haar droombeeld van de toekomst, dat ten koste van alles verwerkelijkt moet worden. Zij vraagt zich zelden af – of nooit – of dit droombeeld te realiseren is. Zij wil verwerkelijken. Zij zal trachten de mensen te helpen, maar doet dit met een onvoldoende begrip voor de werkelijke aard van de mensen. Zo zal zij maatregelen treffen, die voor enkelen misschien een zegen, maar gelijktijdig voor velen – of allen – een vloek kunnen zijn. Ook zij staat machteloos tegen de krachten die hun spel met de wereld bedrijven.

Juist daarom is in de komende dagen een zo belangrijke rol toegedacht aan de esotericus, aan de humanist. Zij zijn het, die aan de mensheid het vertrouwen in de mens terug zullen moeten schenken. Zij zijn het, die, in hun schijnbare onbelangrijkheid, de mensheid ertoe moeten brengen weer een bewuste gemeenschap te worden van actieve, zelfstandig denkende en strevende mensen. Zij moeten de wereld bevrijden van de lusteloze en hopeloze menigten zonder interesse, die haast onmerkbaar het grootste deel van de mensheid geworden zijn. Zij kunnen dit niet uit zich bereiken. In deze jaren zijn de invloeden van buitenaf, waarover ik sprak niet alleen, of zelfs maar voornamelijk invloeden van de stof. Geloof mij, noch  Chroesjtsjov, noch Eisenhower kunnen bepalen, of er vrede zal zijn of niet. Zij kunnen niets beslissen, al zouden zij het willen. Die invloeden zijn sterker. Zij liggen verbogen in de gedachte-invloeden van gehele volkeren, zijn verankerd in de astrale sfeer als schillen. Die invloeden gaan uit van demonische krachten, die – haatverzadigd uit het stofleven gescheiden – nog trachten hun haat op deze wereld te koelen. Die invloeden liggen ook in de handen van hen, die – tezamen met de ingewijden van deze aarde – trachten de haat op te heffen en haar om te zetten in mensenliefde en begrip.

De humanist kan geen humanist blijven in deze wereld, wanneer er in hem niet een kracht leeft die groter is dan die van een enkele leeuw. Er is een heilig vuur voor nodig om in deze dagen te durven vertrouwen op de mensheid, een heilig vuur ook om niet onder de voet te worden gelopen door de oppervlakkigheid der massa met haar verlangen naar materiële waarden, haar versuffende ontspanning en haar vaak diep betreurde noodzaak tot werken. Maar dat vuur kunt u alleen krijgen, wanneer u diep in uzelf doordringt. Moeilijke tijden zijn het. Jaren van verandering en overgang. Jaren van grenzeloze onzekerheid en verrassende ontwikkelingen. De mens grijpt naar de sterren. De mens wordt meester van de macrokosmos. De mens kan deze dingen alleen beheersen, wanneer hij mens weet te zijn, i.p.v. slechts een automaat te zijn vol van wetenschap en redelijkheid, maar zonder gevoel. De mens kan in deze tijden alleen blijven bestaan, vrienden, wanneer hij in zich de zekerheid draagt van een Licht en een kracht die verder gaan dan alle aardse wijsheid. Daarom is het noodzakelijk, dat elke mens meer leert te gaan tot de krachten en het Licht die in hem verborgen zijn. Daarom is het noodzakelijk, dat de honger van de menigte naar geestelijk voedsel wordt gestild. Niet met relletjes op de pleinen, loonronden en stakingen, maar met een steeds groter begrip voor het leven en de grote werkelijkheid van het Ik.

Esoterie is een noodzaak van deze dagen. Naarmate de tijd verder gaat, zal alom de belangstelling en de interesse groter worden. Er staan u nog moeilijke jaren te wachten. Ook uw groep – zoals zij hier werkt – zal vele weerstanden hebben te overwinnen. Maar in de esoterie alleen zal de mens uiteindelijk redding kunnen vinden. Doch hij zal voort moeten maken, opdat de redding wordt bereikt, vóór de luchten tot een kokende en golvende vuurzee zijn geworden, die alle leven blust en slechts grauwheid laat, zonder leven. Inzicht, of ondergang, is de moeilijke keuze van de mens van heden.

Hoe zal de mens tot de juiste keuze kunnen komen, wanneer men de mens niet durft vertrouwen? Daarom stel ik aan het einde van mijn betoog: de esotericus die begrip heeft voor zijn eigen betekenis en erkent wat in hem leeft, zal – ook al noemt hij het misschien niet zo – handelen als een humanist. Maar de humanist die werkelijk de mensheid dient uit zijn begrip voor menselijkheid, zal in zich moeten grijpen naar het daar verborgen Licht en de daarin gelegen Kracht, omdat hij alleen zo in deze dagen de moed kan vinden verder te gaan als een waarlijk menswaardig levend mens. Wanneer dit bewustzijn en deze levenshouding bij de mens kan groeien, zal uiteindelijk het woord weer waar worden, dat de leeuw ligt bij het lam en de mens zijn naaste lief kan hebben gelijk zichzelf.

Waar u klaarblijkelijk dit geheel met mij eens bent en dus geen discussie volgt, zal ik nog kort een tweede onderwerp behandelen:

VERANDERINGEN IN DE PSYCHOLOGIE DER MASSA

Bij het beschouwen van de huidige mensheid wordt ons duidelijk dat zij onder vele spanningen lijdt die vroeger niet bestonden. De psychische gesteldheid van de mens van 1850 verschilt heel sterk van die van de mens van 1950. Nog sterker worden de verschillen, wanneer wij verder terug gaan. Bij nader inzien blijken daarbij enkele externe factoren mee te spelen.

In de eerste plaats moeten wij dan wijzen op het steeds toenemende rumoer en het grote gebrek aan stilte, dat thans bestaat. Ook al zal menigeen in deze dagen de stilte niet prettig meer vinden, of zelfs niet meer kunnen verdragen, is zij toch de meest gunstige factor voor het ontspannen van de zenuwen. Bovendien is zij noodzakelijk opdat de mens zich de eigen problemen geheel zou kunnen realiseren. Hoe meer lawaai er komt, hoe minder mogelijkheid de mens krijgt met zichzelf in het reine te komen. Waar de mens vroeger nadacht over zijn verhouding tot God en de mensen, waar hij nadacht over de toekomst, of zich realiseerde, welke fouten hij had gemaakt, klinken op het ogenblik de schetterende klanken van Ray Ventura, een Skymasters-band, of de smeltende violen van een of andere, ongetwijfeld zeer goede orkest- combinatie. Waar vroeger de stilte van het land was, het ruisen van de wind, de zang van de vogels, wordt de mens belaagd door knetterende motoren, jankende autohoorns, huilende straaljagers. De straten zijn een voortdurend gerommel van verkeer, doorbroken door het geroffel van pneumatische boren. Nergens meer een mogelijkheid tot bezinning, nergens meer de mogelijkheid om, in eenzaam denken, een eenheid te vinden met leven en wereld, of zelfs maar een ogenblik in gedachten met jezelf te spreken.

Het is duidelijk, dat hierdoor niet alleen een zeer zware belasting van het zenuwstelsel optreedt, doch gelijktijdig ook een steeds grotere opeenhoping van problemen naar het onderbewustzijn verwezen zal worden. Het is begrijpelijk, dat een mens, die steeds meer van zijn problemen naar het onderbewustzijn verdringt, niet meer in staat zal zijn zich te realiseren, waarom het hem/haar in het leven nu werkelijk gaat. Hierdoor zullen de handelingen steeds minder worden overdacht en beheerst. Het gehele gedrag zal steeds minder rationeel worden. Als verschijnsel hiervan noem ik o.m. toenemende misdadigheid, gebrek aan beheersing in het verkeer, bepaalde vormen van jeugdvermaak. Een eerder gevolg is de neiging, zich ofwel te sterk aan de moraal der gemeenschap te binden, dan wel deze geheel terzijde te stellen. Vele extreme uitingen van uw tijd zijn in feite niets anders dan een poging een uitlaat te vinden voor innerlijke spanningen en zich zo van zijn problemen te bevrijden. Het is een mens haast onmogelijk zich van zijn problemen te bevrijden en dezen doelmatig af te reageren, zonder dat hij zich daarvan bewust is. Alles, wat u zich niet gerealiseerd hebt, elke gedachte, die halverwege blijft steken, zal een factor worden, die u via het onderbewustzijn blijft beïnvloeden.

In de massa blijkt dit vaak in overwegende mate het geval te zijn. De vluchtpogingen worden over het algemeen ondernomen op een niet rationeel terrein. Sentimenten spelen een grote rol. Opvallend is hierbij de neiging naar een verheffing boven anderen zonder eigen pogen. Vandaar dat sommige sekten die uitverkiezing van hun leden prediken, zoveel succes hebben. Dit succes zal nog groter zijn indien zij daarbij tevens verkondigen dat deze uitverkiezing ook op aarde reeds kenbaar zal worden. Ook op ander dan godsdienstig gebied ontstaat een neiging alle wat niet in eigen nadeel is, zo letterlijk mogelijk uit te leggen. Politieke systemen hebben vooral succes, wanneer zij op de feitelijke meerderwaardigheid van een bepaalde groep schijnen te berusten. Deze verschijnselen komen voort uit de steeds toenemende spanningen in de mens, meer nog dan uit de spanningen in de wereld. Dergelijke spanningen bevorderen een ongeduld, dat een prikkel is tot sneller handelen. Men meent geen tijd meer te hebben om te wachten op iets.

Een anekdote. Een staatsman stelde groot vertrouwen in astrologie. Hij hield bij elke actie en elke beslissing rekening met gunstige en ongunstige dagen. In de oorlog hield hij zich daar bijzonder streng aan. Alle grote redevoeringen werden dan ook door hem uitgesproken op dagen die voor hem, zowel als voor zijn volk, tot de gunstige behoorden. Dit vergde vaak geduld. Daardoor kon hij grote invloed uitoefenen en veel ten goede richten. Deze man had echter niet het geduld bij kleine dingen te wachten, tot de zaak in orde was. Hij droeg een zeer speciale overall. Hierin waren – behalve bontvoering – twee zakken aangebracht, waarin zijn zeer bijzondere sigarenkokers pasten. Dit kledingstuk werd met een ritssluiting gesloten. Toen de sluiting weigerde op een dag, had hij het geduld niet even te wachten tot zijn persoonlijke bediende aanwezig was om hem te helpen. Hij begon er zelf aan te sjorren. De sluiting ging kapot. De staatsman trok zijn overall uit en hij vatte een, op zijn leeftijd, zeer ernstige verkoudheid, toen hij onverwacht enkele uren in een andere dan zijn eigen schuilkelder door moest brengen. Hij meende op dat ogenblik immers werkelijk geen tijd te hebben. In de vroege Middeleeuwen was dat anders. Daar onderbraken sommige ridders even hun vechten om midden in een slag zich terug te trekken om hun zwaarden en dolken bij te doen slijpen. Wanneer het paard van een dezer heren vermoeid raakte, ging hij eerst even een ander paard ophalen. Daarna was er immers altijd nog tijd genoeg om verder te vechten. Dat gaat in de moderne tijd niet meer. Maar het was de uiting van een zekere mentaliteit. Men hield rekening met het wenselijke, met het mogelijke en nam daarvoor de tijd. Juist hierdoor kwam men tot prestaties, die ver boven het gemiddelde lagen.

Ik denk bv. aan de tocht der kruisvaarders, waar ook Godfried van Bouillon zich had aan- gesloten. Men maakte de reis naar het Heilige Land, grotendeels op strijdpaarden uit Europa. Deze paarden werden gefokt uit de zware rassen, haalden in een korte tijd een grote snelheid, maar raakten bij langere tochten zeer snel vermoeid. Toch geraakten zij via Byzantium tot in het Heilige Land. Dit was alleen mogelijk, doordat men geduld had, steeds de tijd nam om de beste wegen en mogelijkheden te overwegen, alleen zo kon men een dergelijk doel bereiken.

Dit geduld bezit men heden niet meer. Wanneer een regering tracht alles zo goed mogelijk te regelen, maar de aangekondigde belastingverlaging – of loonsverhoging – blijft even uit, dan bestrijdt men dezelfde mensen die men zo-even eerst de verantwoording voor het land opdroeg. Wanneer in een gemeente vele wegen aanmerkelijk worden verbeterd, maar een onbelangrijk stoepje wordt niet snel genoeg gedaan, dan deugt er niets van de gemeentedienst en overweegt men al, hoe men zich tegen deze laksheid kan verzetten. Wanneer een tram om de vijf minuten rijdt, zullen vele mensen liever met levensgevaar door druk verkeer heen stormen, dan even te wachten op de volgende tram. Op de autowegen rijdt men 120 km., ook wanneer daartoe geheel geen reden is en men op zijn bestemming niet weet, wat met de gewonnen tijd te doen. Men heeft haast. Thuis is er geen tijd meer om eens een ingewikkeld gerecht klaar te maken. Men heeft geen tijd. Neem maar een blikje. Waarom dit alles?

Zou de moderne mens misschien zoveel problemen verdrongen hebben, dat hij vreest gek te worden van eigen gedachten, wanneer hij zich een ogenblik rust zou gunnen? Over een zeer groot deel van de wereld heeft bij de gemiddelde mens een zodanige uitputting van het zenuwstelsel plaats gevonden, dat apathie regeert. Dit geeft aan meer veerkrachtige minderheden de mogelijkheid hun eigen ideeën door te zetten, ofschoon hierdoor zowel voor de meerderheid als voor de minderheid het aantal problemen op ontstellende wijze wordt vergroot. Dit kan ontaarden in een soort lemmingtrek: een instinctieve volkszelfmoord om aan de problemen te ontkomen.

De mens, levende in een wereld van techniek, waarvan hij zich niet meester weet, lijdt in toenemende mate aan minderwaardigheidscomplexen. Vakmanschap, beheersing, iets kunnen, en de met deze dingen gepaard gaande moed om ook weloverwogen risico’s te nemen, verdwijnen steeds meer. In de plaats daarvoor komt een angstvallig pogen de illusie van eigen grootheid tegenover anderen te handhaven, eigen superioriteit steeds luider te verkondigen en bij zich, zowel als anderen, een steeds grotere minachting voor anderen te kweken. In plaats van een overzicht en daardoor de mogelijkheid tot het nemen van besluiten, komt bij de menigte, zowel als haar leiders, een steeds grotere neiging tot uiting om te praten, zonder veel te doen. Dit in de hoop, dat een ander het initiatief dan wel zal nemen. Een vlucht voor de verantwoordelijkheid. Deze vindt enerzijds zijn oorsprong in een begrip van eigen onvermogen, anderzijds echter in de angst iets te verliezen. Opvallend is hierbij, dat de innerlijke onzekerheid zich sterk schijnt uit te drukken t.o.v. bezittingen. Dit alles werkt economisch en sociaal zelfbedrog sterk in de hand. Deze verschijnselen bestonden 50 jaar geleden nog niet in deze mate.

Ten laatste wil ik nog even wijzen op de verwoestende invloed die de moderne berichtgeving op de doorsneemens heeft. Vroeger, toen minder materiaal ter beschikking was, sorteerde de mens voor zich nadrukkelijk daar alles uit, wat hem niet, of niet voldoende interesseerde. Men had toen vele mensen die met een werkelijke belangstelling hun kranten, of ‘tijdingen’ lazen. Maar zij lazen met een zeker voorbehoud, kritisch, nadenkend. Daarvoor in de plaats is nu een mensheid gekomen, die klakkeloos de mening van een radiocommentator als de eigene absorbeert, of zich door de hoofdartikelen in de kranten steeds weer laat verleiden de eigen mening geheel prijs te geven. Hierbij is heel vaak sprake van een gebrek aan inzicht en scherp denken. Ik vermoed dat dit ontstaat door de overstelpende hoeveelheid van feitenmateriaal, die elke dag weer op de mensheid wordt afgevuurd. Door die veelheid schijnt de mens niet meer in staat te zijn, op de juiste wijze te selecteren en zo te komen tot een persoonlijke en voor eigen begrip passende verwerking.

Dit brengt ons dan tot mijn laatste punt voor heden: een typische verzwakking van geloofs- inhoud, gepaard gaande met een vergrote geloofsbehoefte. Dit uit zich in de wijze waarop het geloof wordt beleefd. Vroeger meende men: God helpt, wie zichzelf helpt. Tegenwoordig tracht men te geloven dat God een ieder zal helpen die daar maar om vraagt, zodat eigen werken, eigen activiteiten niet meer noodzakelijk zijn. Dit laatste kan men overigens weer herleiden tot de angst voor de aansprakelijkheid, die aan eigen activiteiten nu eenmaal verbonden is. Men vreest misstappen te begaan. Een dergelijk geloof, voortgekomen uit een gebrek aan zelfvertrouwen, veroorzaakt maar al te vaak nalatigheden die in feite ernstiger zijn dan willekeurig welk gevolg van bewust handelen had kunnen zijn. De besten onder de mensen zullen dit aanvoelen, of inzien. Het gevolg is, dat zij naar een nieuwe levenshouding zoeken. Dit betekent dan een zich afkeren van het materialisme en tevens een zich afwenden van de gereglementeerde godsdiensten. Men zoekt naar een semi- of pseudo wetenschappelijke weg, die het Ik weer in contact kan brengen met de Godheid en zo zekerheid kan scheppen. Daarnaast zien wij dat velen de geldende normen van de bekende godsdiensten nog als een soort gewoonte aanvaarden, maar daarin toch niet komen tot een werkelijk contact met hun God. Ook deze veranderingen mogen opzienbarend genoemd worden, vooral wel gezien de korte tijd, binnen welke zich dit alles heeft afgespeeld.

Ik zou een verkeerde indruk vestigen, wanneer ik niet onmiddellijk hierop verklaar, dat de meeste van de verschijnselen in bepaalde perioden van het verleden ook aan te wijzen zijn. Maar daar treden zij niet gelijktijdig op, zoals voor de genoemde en een aantal niet genoemde verschijnselen heden het geval is. Soms kwamen meerdere van deze verschijnselen wel achtereenvolgens voor. Maar dan was er altijd nog een aanmerkelijk verschil in tijd aan te wijzen tussen het toppunt van het ene verschijnsel in de massa en het toppunt van het volgende verschijnsel. Op het ogenblik ziet het er wel naar uit, dat de hoogtepunten van vele ver schillende verschijnselen bijna gelijktijdig op zullen treden. Hierdoor zullen zij elkaar versterken en zo een invloed scheppen die – zover mij bekend – slechts eenmaal tevoren de wereld zo heeft beroerd. Wat het uiteindelijke gevolg hiervan zal zijn, is nu nog niet te zeggen.

Wanneer ik een schatting moet wagen, zou ik zeggen dat velen zullen uitbreken uit de heer- sende massabindingen. Zij zullen dan trachten wederom zelf geheel de verantwoording voor eigen daden te dragen. De eersten die hiertoe komen, zullen naar mijn inzien wel door de menigte worden gemeden en voor dwazen, of erger, worden aangezien. Ik geloof, dat, wanneer de massa eenmaal haar laatste hoop teloor ziet gaan, zij zich juist aan deze mensen vast zal klampen om tenminste nog enige leiding te ontvangen. Gezien het gehalte van degenen die zich thans al vrij beginnen te maken, neem ik aan, dat zij zich hoofdzakelijk zullen baseren op esoterische en zelfs ethisch-magische waarden, doch zich niet aan de verantwoordelijkheid ervan zullen onttrekken.

Daarnaast constateer ik, dat in de psychologie van de massa, de komende jaren een sterk toenemen van bijgeloof te constateren zal vallen. Daarnaast zullen wij te maken krijgen met overdreven sektarisme, zowel binnen als buiten de bestaande geloofssoorten.

Vele scholen die inwijding geven – of pretenderen te geven – op gebied van magie en esoterie zullen uit de grond oprijzen. Dit gaat gepaard met een langzame rijping van meerdere persoon- lijkheden, die elk voor zich weer een eigen richting in zullen slaan en eigen volgelingen zullen kweken. Uit de veelheid van deze zeer kleine groepen, zal zich – naar ik meen – een zo grote hoeveelheid van verschillende inzichten vormen, dat de ban, waarin de massa nu gevangen is, verbroken zal kunnen worden en het individueel bewustzijn zal vragen om de rust, waarin het zichzelf zal kunnen herwinnen. Komt dit tot stand, dan zal psychisch – ook volgens het huidige psychologisch inzicht – een heropbouw van de mensheid kunnen plaats hebben.

* Staan de moeilijkheden van de jeugd hiermee in verband?

Ja. Ook hier is het probleem innerlijke onzekerheid en opeenhoping van verdrongen problemen, welke men door uitbundigheid, opstandigheid en lawaai tracht te verdrijven. Ook het nozemprobleem – wat ik deze avond niet verder wil bespreken – is uit deze door mij geschetste ontwikkelingen af te leiden Het blijkt – juist bij de jeugd – dat de individualisten hier nog wel kleine en uniforme groepen vormen, maar door de afstand die zij t.o.v. de massa zo winnen, onder moeten gaan, dan wel een meer zelfstandige ontwikkelingsmogelijkheid vinden. Dit houdt in dat de leiders, waarover ik sprak, ongetwijfeld voor een groot deel uit die heden- daagse jeugd voort zullen komen.

*Slechts eenmaal in de mensheid zou een dergelijke toestand hebben bestaan.  Wanneer?

Vanaf heden gerekend ongeveer 9.000 jaar geleden. Atlantis. Het is misschien wel aardig om hierbij nog het volgende te vermelden Er zijn tijden dat aan de hemelen tekenen zichtbaar werden. De planeten zullen – astrologisch gezien – opeens een groot aantal samen- vallende, of onmiddellijk op elkaar volgende positieve, of negatieve, werkingen gaan vertonen. Gelijktijdig zien wij bv. een piek in de bevolkingsaanwas. In dezelfde tijd zien wij dan een top- ontwikkeling van de techniek. Een hoogtepunt in het telen en oogsten van bepaalde gewassen. Een top in het verbruik van bepaalde genotmiddelen, een top in de oorlogsconjunctuur. Een top in arbeidscrisis enz. Normalerwijze wordt elk hoogtepunt vergezeld van een ten overstaan daarvan negatieve curve.

Nu kunnen er door geheel de geschiedenis van de mensheid een 14-tal dergelijke lijnen worden getrokken, die dus bepaalde tendensen en de daarmede verknoopte gebeurtenissen aangeven. Nu geldt, dat, indien meer dan 7 van deze pieken onmiddellijk naast elkaar vallen – gelijk vallen – er een omwenteling op komst is. Vallen er tien of meer op deze wijze samen, dan moet worden gerekend op een zeer snelle en vaak catastrofale ommekeer, waarbij gehele beschavingen in zeer korte tijd veranderen, of te niet gaan. Nu blijkt, dat – zover dit te overzien is – in de komende jaren negen toppen ongeveer zullen samen vallen. Het is dus een kritieke zaak. De resterende curven zouden nog kunnen corrigeren. Hun huidig verloop is overigens niet geheel regelmatig. Wanneer de ontwikkelingen zich afspelen zoals dit nu aan te zien is, zal er geen tweede Atlantis, geen tweede wereldondergang hoeven te komen. Toch kan met zekerheid worden gezegd, dat, gezien het verloop, een zeer grote verandering noodzakelijk zal blijken.

Dit is zo veel te meer aanvaardbaar omdat een grote onzekerheid in de massa blijkt te bestaan. Wij nemen aan dat deze reeks van pieken zal vallen tussen de jaren 1960 en 1963. Een geluk is hier echter wel dat bij de lijn voor geestelijke herleving en ontwikkeling zich een gestadige opgang vertoont, die duren zal tot ruim oktober 1962. Dit zal gedurende de kritieke jaren zeker van een stabiliserende invloed zijn. Zoiets geeft hoop.

ESOTERIE

Kort geleden gebeurde het volgende: Op een fruitkwekerij in Californië was men sedert jaren bezig het uiterlijk van het fruit te verfraaien. Op een zeker ogenblik kwamen er steeds meer klachten over de afgeleverde peren. Zij waren smakeloos, vaak rot en beurs, ondanks uiterlijke gaafheid. Niemand wist hoe dat mogelijk was. Totdat er een oude boer bij kwam. De boer bekeek deskundig de besproeiingsmiddelen en andere voorzorgen. Daarna merkte hij op: “Dit ras deugt niet meer. Jullie hebben te veel op de buitenkant gelet en helemaal vergeten, dat het toch gaat om wat er onder de schil zit. Als je alleen maar op een gave schil let, moet het op een gegeven ogenblik wel verkeerd gaan”. Dit illustreert weer de noodzaak van een esoterische denkwijze. Al knap je je op met alle bekende schoonheidsmiddelen, al is je uiterlijk dat van een Adonis, of een Helena van Troje gelijk, je zult nooit werkelijk iets kunnen betekenen, wanneer er achter dit schoons verder niets schuil gaat. Als je alleen maar geleerdheid bezit, maar geen wijsheid, geldt hetzelfde.

Het raadsel: “Wat leeft er in mij?” wordt op veel verschillende manieren uitgebeeld. Onder meer kennen wij het verhaal van de jungle in de mens en het dierenrijk. Maar er zijn ook dingen die je in jezelf niet zou zoeken.

Er was eens een man die zich bedronken had. Zwaar onder de indruk van zijn zonde ging hij ter kerke, om daarna zijn roes uit te slapen. De vreemde menging van alcohol en vroomheid bracht de geest van die mens er toe zich van het bewustzijn los te maken. Verward door de eigenaardige toestand dwaalde zij – i.p.v. naar een andere sfeer te gaan – het bewustzijn van zijn eigen lichaam binnen. De man beleefde dit alles als een droom.

Allereerst kwam hij bij een kannibalen kookpot, waar een aantal wezens die precies op hem leken, een ander wezen, dat ook als een druppel water op hem leek, voor consumptie te bereiden. Daarna vielen zij op het ongelukkige wezen in de pot aan. Zij begonnen het uiteen te rukken om het te verteren. Dit walgde hem. Onmiddellijk vormde zich een ander beeld. Hij bevond zich in een grote zaal, waarin vele mensen dobbelden om grote sommen. Maar ieder die verloor, had het gezicht dat de dromer als zijn eigen herkende. Dit maakte hem bang.

Zo ontstond het derde beeld. Hij bevond zich in een grote lege zaal. Zo groot was de ruimte, dat het einde ervan niet te zien was. Hij vroeg zich af, waarom de ruimte zo somber en leeg was. De geest, zijn vergissing bemerkend hebbende, trad nu werkelijk uit. Ook dit beleefde de man als een droom. Hij stond tegenover een engelbewaarder, een engel met wondermooie vleugels en aan de andere kant Joosje Pek, die zich bezig hield met vuurspuwen tot het ogenblik dat hij weer als verleider moest optreden.

Zo verbaasd was de man over de vorige beelden, dat hij zonder na te denken vroeg: “Waar ben ik eigenlijk geweest?”

De duivel slikte vlug zijn vlammen in en antwoordde: “Op het beste terrein dat er is: bij jezelf”.

“Die kookpot beviel mij helemaal niet”.

“Wanneer je altijd maar weer teert op de krachten en het weten dat je hebt, ben je eigenlijk niets anders dan een geestelijke kannibaal”, merkte de engel bedroefd op. “Je verteert immers je zelf.”   “Maar het smaakt goed” zei de duivel en blies een paar mooie vuurringetjes.

“Ik voel mij toch niet op mijn gemak. Maar zeg eens, hoe zat het met dat dobbelen” vroeg de man.

“Ach, een gokje moet je op zijn tijd durven wagen. Je hebt in dit leven veel verloren, dat is waar, maar als je doorspeelt, kun je toch nog wel winnen”, zei de duivel.

“Luister!” zei de engel. “Wanneer je dobbelt met geestelijke waarden als inzet, moet je altijd verliezen. Geestelijke waarden verdwijnen, als je er zelf niet steeds naar blijft streven”.

“Ik voel mij helemaal niet behaaglijk. Maar hoe zat het nu met de lege zaal?”

“O, daar komen later vast allerhande schatten in”, zei de duivel.

“Kijk liever maar uit”, zei de engel. “Die lege zaal was niets anders dan dat verstand, waar je altijd zo trots op bent. Geestelijk zit daar niets in.”

“Asjemenou”, zei de man en werd wakker.

Hoevelen onder ons zijn niet als kannibalen, steeds in zich verterende wat zij aan geestelijk goed bezitten? Hoevelen dobbelen niet om hun geestelijk leven? Zeker, er zijn er wel die denken te winnen. Maar hoe meer zij het erop wagen, dat zij gelijk hebben, hoe minder zij streven naar verdere uitbreiding van weten en bewustzijn. Zo blijft er in feite steeds minder verdienste van het leven voor hun werkelijk wezen over. Hun leven wordt tot een soort schaal, die geen verdere betekenis meer heeft.  Een ander soort dobbelaar redeneert zo: “Moeite doen voor geestelijk licht? Jaren en jaren studeren en streven? Misschien kunnen wij het ergens anders goedkoper krijgen”. Zij dwalen van de ene kerk naar de andere, van de ene vereniging naar de andere. “Wat? Mag ik bij deze geestelijke school geen vlees eten? Neen. De biefstuk is mij te lief. Dan ga ik het wel ergens anders proberen.” Zij lopen van hot naar haar en van haar naar hot. Wat houden zij over? Niets. Niets dan een stijgende waan of een warboel van stellingen, waar zij zelf niet meer uit kunnen komen. Er zijn ook mensen die zo zeer zeker zijn, dat zij alles weten, dat zij geen moeite meer doen iets anders te beschouwen. Zo blijft dan de grote ruimte in het leven, die voor bewustwording bestemd is, bij hen leeg.

Trek uw conclusies, vrienden. Wanneer je leeft, heeft dat leven natuurlijk een doel. Ook al ken je het niet. Maar een deel van het doel moet toch altijd wel zijn meer te worden dan je bent. Geen volwassene zal er aan denken zich steeds te blijven gedragen als een kind van vijf jaar. Dat is immers dwaas. Toch schijnen veel mensen een dergelijk iets geestelijk wel aanvaardbaar te vinden. Leven wij dan niet om steeds wijzer te worden? Om steeds meer te begrijpen? Wanneer wij daaraan niet denken, daaraan niet werken, blijft er van de betekenis van het leven niet veel over. Het is niet altijd noodzakelijk veel te doen in het leven. Als je, wat je doet, dan ook maar goed doet.

Toen luie Jan geboren werd, was hij al zo lui, dat hij het vertikte te schreeuwen, hoe hard de vroedvrouw ook sloeg. “Want”, zo dacht hij, “waarom zou ik schreeuwen? Het deugt nergens voor en kost alleen maar kracht.” Jan werd tien jaar, maar nog had hij geen woord gezegd. Hij kon wel spreken, maar niets was nog gewichtig genoeg geweest om hem tot een dergelijke inspanning te verleiden. Iedereen dacht dan ook, dat Jan idioot was. Maar Jan dacht: “Praten jullie maar. Wanneer ik zeg, dat ik niet gek ben, moet ik veel meer doen, dan ik nu doe”.

Er kwam oorlog in het land. Op een dag kwamen er enkele vluchtende ridders voorbij. Zij zagen Jan langs de weg liggen, wat hij vaak deed, en vroegen hem, of hij hen niet kon verbergen voor de vijand die hen achtervolgde. Jan antwoordde niets. Met zijn voet – dat was gemakkelijker dan met zijn hand – wees hij hen een hoop hout. De ridders keken wel wat raar, maar verborgen zich toch daarin. Jan gooide met een steentje – kreunend om de inspanning die het hem kostte – naar de paarden, die op hol sloegen. Even later kwam de vijand langs.

“Jongeman, heb je ridders gezien?” Jan haalde alleen maar zijn schouders op, alsof hij wilde zeggen “Moet je dat nu aan mij vragen?” De vijanden dreigden hem: “Wij zullen je ophangen”. Jan haalde zijn schouders op. Daarna gaven zij hem een pak slaag. Hij schreeuwde niet. Waarom ook? Of hij nu schreeuwde of niet, slaag kreeg hij in ieder geval. De vijanden dachten dat hij gek, of doofstom moest zijn. Jan was noch gek, of doofstom. Toen de vijanden in de buurt van de houtstapel kwamen, begon hij te stamelen en te wijzen op de sporen van de paarden. Op die manier redde luie Jan het leven van zeven ridders. Als beloning mocht hij op het kasteel komen wonen. Jan hield het daar niet lang uit, want hij moest te veel doen naar zijn zin. Uiteindelijk ging hij in de leer bij een heremiet die ergens in de bossen zijn kluis had. Daar vond hij zijn bestemming. Hij hoefde nooit iets te zeggen, want dat verwachtte men van hem niet. Wanneer hij al eens knielde, was hij te lui om op te staan. Zo lang knielde hij, dat het gehele land sprak over zijn vroomheid en hij een voorbeeld werd voor het land.

Het is om te lachen, nietwaar? Maar één vraag moet u dan toch eerst even beantwoorden. Hoe vaak maakt u zich druk over dingen, waaraan u toch niets kunt doen? Want maar al te veel mensen hebben de gewoonte onherstelbare gebeurtenissen als een last op de schouders te nemen, steeds weer, tot zij er onder bezwijken. Men maakt zich zorgen en problemen. Maar aan de dingen die de moeite waard zijn, denkt men niet. Men heeft immers teveel zorgen? In het leven gebeurt het vaak dat opeens een paar gedachten opkomen. Flitsen van Goddelijk Licht, gedachten van waarheid misschien. Het is, alsof zij ons vragen: neem ons toch goed in je op, anders gaan wij teloor. Wij hoeven over deze dingen niet eerst lang te praten. Wij hebben ze alleen maar in ons op te nemen en ze te verdedigen tegen het materialisme in ons, dat maar al te graag met alles van geestelijke oorsprong af zou rekenen. Wanneer je zo waarheid gewonnen hebt, zorg dat je ze nooit verloochent. Wij hoeven niet veel te praten. Zwijg desnoods liever. Alleen wanneer anderen de waarheid die in je woont, met leugens aan zouden willen tasten, moet je ze op hun eigen fouten wijzen. Maar ook dan niet meer dan noodzakelijk is. Je kunt vaak de traagheid die je in je hebt, gebruiken om het goede in je te behouden. Juist in de ogenblikken van ontspanning kun je geestelijk vaak heel veel verwerken, wat je in de drukte van het leven niet kunt bevatten. Wanneer je trouw blijft aan je waarheid, zal zij je vanzelf op de juiste plaats brengen.

Laat de waarheid spreken. Tracht niet op je eigen houtje alles te veranderen. Anders gaat het je net als de man, die vond dat zijn dorp te lelijk was. Hij vond zijn dorp zo haveloos en lelijk, dat hij besloot het op eigen kosten op te knappen. In de stad kocht hij – bij een uitverkoop – grote hoeveelheden borstels, kwasten en verf. Daarmee begon hij zijn zelf opgelegde taak. Eerst verfde hij het huis van de burgemeester: wit met groene blinden. De school kreeg een mooi kleurtje en leuke ruitjes. Huis na huis trok hij na en verfde, verfde, tot hij uiteindelijk het hele dorp had opgeknapt, behalve zijn eigen huis. Hij was zo moe, dat hij – thuisgekomen – meteen ging zitten en zich voorlopig niet verroerde. Weet u, wat er toen gebeurde? Het hele dorp keek minachtend naar hem en zijn huis en allen spraken er schande van. “Het huis van die vent past eigenlijk niet bij ons”.

Hoeveel mensen doen eigenlijk niet precies hetzelfde in geestelijk opzicht? Zij verbeteren iedereen en alles. Alles knappen zij op en brengen zij in het reine, behalve dan misschien zichzelf en hun eigen zaken. Daarmee kom je niet verder. De kern van de esoterie is eigenlijk: begin direct, maar begin vooral bij jezelf. Geestelijke wijsheid kunt u te over krijgen in de wereld, wanneer zij u maar past. Maar het kan pas werkelijk wijsheid voor u worden, wanneer u er zelf naar leeft. Al verkondigt u ook de grootste waarheden aan de hele wereld, wanneer u ze niet in u draagt, zult u ze nooit bezitten. Zij kunnen u dan niet tot verdere bewustwording brengen. Laat ons vooral bij onszelf beginnen. Ons voorbeeld is voor onszelf als voor de anderen meer waard, dan alle moeite die wij ons zouden getroosten om hen de juistheid van onze stellingen te bewijzen.

Dat doet mij er aan denken, dat de Nederlandse zindelijkheid – naar men zegt – op de volgende manier is ontstaan Toen de Lekdijk nog lek was, kwamen er in vele dorpen regelmatig grote overstromingen voor. Het moet wel lang geleden zijn, want in die dagen waren er nog rovers zonder publiekrechtelijke organisatie en in de bossen liepen nog everzwijnen. In een van die dorpen woonde in die dagen een vrouw, van wie iedereen zei dat zij niet deugde. Er was net een overstroming geweest, die allerlei dingen had achtergelaten: slijk op de muren en vloeren, boomtakken in de modderpoelen die als straten dienden. De vrouw, die niet deugde – naar men zei – ergerde zich daar erg aan. Het ergste vond zij nog, dat het stoepje van zwerfstenen, dat zij, evenals de andere dorpelingen, voor haar “huizinghe” had gemaakt, helemaal niet meer te zien was. U begrijpt, dat iedereen zijn best deed om zijn woning zo snel mogelijk op orde te brengen.

Dat ging zo. De mannen sneden riet. De vrouwen gooiden dat op de moddervloeren. De kinderen liepen er over heen en de zaak was klaar! Zo deed een ieder. Behalve dan de vrouw van wie men zei, dat zijn niet deugde. Misschien had zij wel tijd over, want zij had geen man meer. Hoe het ook zij, zij begon alle modder van de vloeren en muren te spoelen. Toen alles binnen schoon was, stak de buitenkant lelijk af. Haar stoepje zat ook onder de modder. Zo spoelde zij haar gevel met vele emmers water en maakte haar stoepje schoon. Wat er toen gebeurde? De mannen kwamen langs het huisje, zagen dit en zeiden tot hun gaden: “Nu beweer je wel, dat die vrouw niet deugt, maar je moet maar eens gaan kijken, hoe haar huis er uit ziet”.

De vrouwen werden jaloers en begonnen op hun beurt hun straatje te schrobben. Reizigers zagen hoe zindelijk het dorp er uitzag en vertelden het in de andere dorpen. Omdat niemand in Nederland voor een viespoets door wilde gaan, schrobde toen overal iedereen zijn straatje. Zo zijn de Nederlanders een zindelijk volk geworden. Die zindelijkheid bleef bewaard, tot de eerste patat-frites kramen in Nederland werden gevestigd, want toen gooide iedereen de vettige zakjes gewoon op straat. Daarmee was in de Nederlandse zindelijkheid een lelijk lek geslagen.

Komen – geestelijk gezien – dergelijke overstromingen niet voor in ieders leven. Denk bv. eens aan de oorlogen. Dan liggen overal de drabbige restanten van haat. Dan vinden wij overal de lelijke aanslag van egoïsme. Wanneer je dan meent dat het voldoende is te zeggen dat je zo kwaad niet bent, word je leven een grote korst van aangebakken emoties en geestelijk vuil. Zo vuil, dat je vaak met jezelf geen raad meer weet. Als je verstandig bent, zul je elke keer dat zoiets is gebeurd, je hele wezen schoonmaken. Zorg, dat je van binnen alle ressentimenten, alle haat, alle afgunst kwijt raakt. Het is niet zo gemakkelijk. Het is vaak eenvoudiger de debris te bedekken met een paar goedkope ideaaltjes. Maar alleen wanneer je de zaak opruimt, kun je het Licht dat je van God hebt gekregen mooi, helder en zuiver behouden.

Wanneer je van binnen zuiver bent, dan knapt de buitenkant haast vanzelf op. Dames, dit is goedkoper dan een salon de beauté. Probeer dus alle lelijke dingen van binnen zo gauw mogelijk kwijt te raken, wanneer je die hebt. Ook u, heren, kunt zo een nieuwe charme verwerven. Wanneer Gods Licht in je zuiver brandt, dan straalt het van je uit en spreekt tot de mensen. Wanneer u opruiming houdt, zullen de anderen in uw omgeving zich schamen. De een zal misschien wat beter opruimen, de ander wat minder, maar opruimen doen zij. Wanneer wij zelf Gods Licht in ons aan het woord laten, vinden wij niet alleen een vrede voor onszelf, wij scheppen juist daardoor ook Goddelijk Licht rond ons. Niet alleen dat de wereld zo beter zal worden, maar je zult ook meer begrip ontmoeten en zo met anderen gezamenlijk op kunnen gaan tot een steeds intensere eenheid met het kosmische.

Onszelf hoeven wij niet te overschatten. Maar als wij maar één enkele goede eigenschap hebben dan heeft die nog betekenis, wanneer wij er maar trouw aan zijn. Dat is dan een straal Goddelijk Licht in ons leven. Dan mogen wij fouten maken, dan mogen wij ons steeds weer vergissen, zolang wij dit Licht bij ons dragen en daar trouw aan zijn, zullen wij altijd geestelijk verder kunnen gaan. Wij zullen dan nooit in een duistere sfeer terecht komen. Wat meer is, wij zullen nooit in verblindheid menen dat wij goed zijn, want met het Goddelijke Licht zullen wij ook altijd iets van de waarheid in ons bezitten.

Met al je goede bedoelingen kan het dan toch nog wel eens noodzakelijk worden, dat je naar een lagere sfeer gaat, of in je stofleven dingen doormaakt, waarvan je zegt. “Ja maar, mijn God, waaraan heb ik dit nu verdiend? Waarom moet ik zo lijden? Waarom moet ik die ziekte krijgen? Waarom moet juist nu mij alles genomen worden?” Zeker, je zult je beproevingen door moeten maken. Zolang je je vasthoudt aan dat ene straaltje Licht, dat in je is, zal je daarmee nog altijd het volle Licht kunnen bereiken. Ergens nu hebt u een eigenschap, een gevoel, dat u altijd bij blijft. Baseert u dan daarop, vrienden, want daardoor kun je het Goddelijke Licht in je vinden. En vind je het Licht, zeg dan niet: “wat zal ik nu eens gaan doen? zal ik mijn geest uitsturen naar hogere sferen?” Als dat nodig is voor u, komt dat vanzelf. Als je Licht hebt, krijg je de rest, wanneer je er behoefte aan hebt. Wanneer het nodig is, zult u kunnen genezen, zult u de woorden vinden die nodig zijn. Zeg niet: “Als ik maar dit of dat zou kunnen, of, wanneer dit of dat eens gebeurde.” Wanneer het Licht in u is, komt alles vanzelf, wanneer het noodzakelijk is.

Dat brengt mij meteen tot mijn laatste verhaaltje: Er was eens een jonge mens die de oudste zoon van een vorst was. Hij was er dan ook vast van overtuigd dat hij – wanneer zijn vader stierf – koning zou worden. Maar toen de vorst overleed en zijn testament werd voorgelezen, bleek, dat een jongere broer koning zou worden. De oudste zoon kreeg niets, buiten een enkele kleine sleutel die nergens op scheen te passen. De oudste zoon werd zo boos, dat hij uitriep: “Dit is onrecht”. In zijn woede wilde hij het sleuteltje al weggooien. Hij bedacht zich en sprak: “Het is uiteindelijk het enige dat ik van mijn vader heb gekregen. Ik zal het bewaren”.

In zijn boosheid liep hij weg. Dagen en nachten dwaalde hij. Uitgeput van honger en dorst viel hij langs de weg neer en meende te zullen sterven. In aanvaarding van het onvermijdelijke speelde hij met het sleuteltje, legde het op de grond en…… “tafeltje dek je” was er niets bij: dranken, het heerlijkste fruit, alles stond opeens voor hem. Hij at en dronk naar believen. Toen hij opstond om verder te gaan, verdween alles weer. Hij trok voort. Een enkele vraag kwelde hem: “Waarom had zijn vader zijn nalatenschap zo verdeeld?” In gedachten leunde hij tegen een boom aan. Opeens dacht hij aan het wonderlijke maal en hij hield zijn sleutel tegen de boom. De boom begon te spreken: “Het kleine is vaak het belangrijkste. Daarin kunnen alle dingen behouden zijn.” Hij begreep nu, dat zijn vader veel van hem gehouden moest hebben en hij trok opgewekt verder.

Op zekere dag kwam hij voorbij een slot, dat bewaakt werd door draken en demonen. Men vertelde hem, dat daarin de schoonste prinses ter wereld gevangen was. Maar niemand kon een weg vinden door de muren die het kasteel omringden. De prins hield zijn sleutel tegen de muur. Daar opende zich een kleine deur en voor de draken en demonen hem hadden gezien, drong hij al door tot de kern van het slot. Daar, in een kooi, zat de prinses. De prins hield de sleutel tegen de tralies aan. De tralies verdwenen, de kooi viel uit elkaar en de prinses was vrij. Op dat ogenblik galmde een donderslag door het kasteel. Muren kraakten en in de plaats van het sombere slot lag daar een lusthof zó schoon, als nog nooit in de wereld gezien werd. Daarin wandelde hij nu tezamen met zijn bruid. Uiteindelijk vroeg hij haar: “Wat is hier eigenlijk gebeurd?” Zij wilde hem geen antwoord geven. Hij wilde haar dwingen met de sleutel, maar die was verdwenen. Toen wendde hij zich af en riep naar de hemel: “Vader, je hebt mij dit alles gegeven. Zeg mij nu, waarom?” Misschien was het een stem uit de hemel die antwoordde, misschien was het alleen maar de wind. De prins hoorde een stem zeggen: “Omdat, mijn kind, ik je een sleutel gaf, die je goed hebt gebruikt. Met de sleutel heb je nu de plaats gevonden, waar je in deze wereld behoort. Wees gelukkig en weet, dat dit mijn zegen is.” Een geel licht trok een ogenblik over de tuinen heen. Toen was alles, zoals het was. Het verhaal zwijgt verder. De prins en prinses zullen wel lang en gelukkig geleefd hebben, denk ik. Het belangrijke is, dat de prins zijn plaats vond, dank zij die ene kleine sleutel.

Ook wij zijn vorstenkinderen, kinderen Gods. Ook wij hebben in onszelf die ene kleine sleutel gekregen. Het is misschien een enkel woord, een enkele gedachte, een geloof, of zelfs maar een onbeduidende gewoonte. Wij denken er niet aan als iets kostbaars. Toch is, wanneer wij iets bereiken willen, dat het middel, dat de bereiking mogelijk maakt, wanneer wij in de hoogste nood nooit vergeten een beroep te doen op deze sleutel in ons, dan zal ons niets ontzegd worden. Wat wij behoeven, zal ons gegeven worden. Wanneer wij komen te staan voor het grote en ondoordringbare geheim van de Schepping, zal deze kleine sleutel ons in staat stellen