Iets over filosofie

 SVGZ – 28 oktober 1960

Filosofie is een denksysteem. Hierin zijn verschillende richtingen opgetreden. In de tijd van Plato luidde de vraag: “Wat bedoelt u ermee?” De denker zocht de werkelijke bedoeling in alle dingen te vinden. Daarna kwamen filosofen, die zich voornamelijk op de metafysica wierpen. Zij trachtten verder te gaan dan de zuivere wetenschappen en alles binnen het menselijke leven en de verschijnselen tot enkele eenvoudige wetten te herleiden. Hierop volgden de zogenaamde wetenschappelijke filosofie, die zich geheel baseerde op de vaststaande, wetenschappelijke feiten. Maar dan ook alleen daarop. Ten laatste kwam als de nieuwste vorm de begripsfilosofie. Deze gaat enigszins terug naar de denkwijze van bv. Plato, zonder te definiëren. Ook hier tracht men een begrip duidelijk te maken of te omschrijven. Vooral wordt hierbij de aandacht gewijd aan de relaties, die er bestaan, de verschillende waarden, die binnen het begrip mede verwerkt zijn.

Ik zou u nu vele grote namen kunnen noemen, maar meen dat dit weinig zin heeft. Aan de hand van enkele voorbeelden wil ik u duidelijk maken, op welke wijze de filosofen te werk plegen te gaan. De oudste vorm van filosofie werd vaak in vraag- en antwoordvorm gegeven, bv. “Ik geloof in God”. “Wat bedoel je met: ik geloof?” “Dat ik niet zeker weet, maar aanneem?” “O, juist, maar wat versta je dan onder God?” Hiermee kan men vele dingen duidelijk maken, maar er ontstaan veel moeilijkheden door de onmogelijkheid alle gebruikte woorden geheel juist te definiëren. Vandaar, dat men al gauw ontdekte, dat men met deze wijze van denken op den duur vast moest lopen. Er bestaan nu eenmaal in het menselijke leven en denken vele begrippen, die niet geheel vast te leggen of te omschrijven zijn. Tracht u eens geheel juist dat bekende zinnetje te omschrijven uit de liefdesromans: “Ik houd van jou”. Wat betekent dit in feite? Voor de een zal het betekenen: “Ik houd van je geld”. De tweede houdt van het uiterlijk, de derde van de inborst, het karakter. De vierde zal van een combinatie van deze waarden houden. Sommigen houden van een ander, omdat zij daarin de mogelijkheid menen te zien zichzelf uit te leven.

Zo kunnen wij verder gaan. Een juist bepalen van de betekenis is dan ook haast onmogelijk. De filosofen, die dit beseften, redeneerden toen: “De kern van alle dingen moet toch eenvoudig zijn. Wanneer wij van alle dingen de gemeenschappelijke waarde weten te vinden, zo zullen wij daaruit een regel of wet kunnen vinden. Dank zij de regels en wetten zullen wij zelfs vele dingen kunnen ontdekken en beredeneren, die wetenschappelijk niet vaststaan”. Dit voerde weer tot een zeer grote vaagheid. Voorbeeld. In deze denkmethode kan het noodzakelijk zijn een stoel, een elektron, een auto en een ster onder één noemer, onder één regel van bestaan samen te brengen. Dan kom je tot de conclusie: “Al deze dingen bestaan en zijn materie. Dit hebben zij gemeenschappelijk.” Door deze vaagheid zul je met je gedachten eveneens op den duur vast lopen, daar het niet mogelijk is alle verschijnselen zo scherp te definiëren en zo ver te overzien, dat men tot werkelijk gemeenschappelijke regels kan komen, die een zó scherp overzicht geven, dat zij in de praktijk kunnen worden gebruikt.

De zogenaamde wetenschappelijke filosofie heeft de eigen bedoelingen en betekenissen der dingen weer wat minder vaag gesteld. Men heeft daarin getracht de verschillende weten- schappelijke gebieden onder één noemer samen te brengen. Dan stelt men bv. “Indien ik een regel vind in de warmtetechniek, zo zal deze eveneens tot uiting moeten komen in de elektronica, de atoomfysica en de geneeskunde”. Deze samenhang moet wetenschappelijk vaststelbaar zijn. De ervaring leert, dat wij ofwel op een gebied beperkt blijven, dan wel tot generalisaties komen, die niet meer als wetenschappelijk materiaal bruikbaar zijn. Slechts enkelingen hebben wij met deze wijze van denken en werken grote successen kunnen zien behalen. Einstein kunnen wij als een van de grote filosofen op dit terrein beschouwen. Rond dezelfde tijd vinden wij de meer existentialistische denkers als bv. Heidegger, die ongeveer volgens hetzelfde systeem over het leven hebben gedacht. Voor de meerderheid blijkt op een gegeven ogenblik, dat men geen enkel praktisch resultaat kan boeken met deze wijze van zoeken en denken.

Een filosofie, die geen toepassingsmogelijkheden heeft, die geen werkelijk houvast kan geven aan de mens in leven of onderzoek, komt bedenkelijk dicht bij de wijze van betogen, die de menigte wel “gezwam in de ruimte” pleegt te noemen. Het is natuurlijk mooi een stelling te poneren en een samenhang te bewijzen, maar ergens moet er toch ook een nuttig effect aan verbonden zijn. Wanneer de wereld zich aan het vernieuwen is, zal ook de filosofie zich daaraan niet kunnen onttrekken. Zij zal zich nieuwe vragen moeten gaan stellen, nieuwe wijzen van benadering moeten vinden. Het heeft geen zin meer vast te lopen in een soort existentialisme, een poging het leven te ontleden, dat niet duidelijk genoeg kan zijn, waardoor het verwarringen gaat scheppen. Het is evenmin belangrijk de definitie van bepaalde dingen te vinden. Belangrijker is het te leren begrijpen.

Aan dit streven naar begrip zou ik vandaag wat meer aandacht willen wijden. In deze dagen is de slagzin: “Wij verlangen naar vrijheid”. Maar wat is deze vrijheid? Het concept “vrijheid” kan uit vele verschillende waarden zijn samengevoegd. Het is niet voldoende het begrip “vrijheid” te definiëren. Wij moeten vooral begrijpen, wat anderen onder dit begrip feitelijk verstaan. Je zou iemand, die naar vrijheid streeft, bv. midden in een woestenij kunnen plaatsen, waar hij met niemand rekening hoeft te houden, waar hij eigen koning en desnoods zijn eigen God kan trachten te zijn. Maar deze vrijheid bedoelt hij meestal niet. Men spreekt soms over vrijheid en blijkt daarmee te bedoelen: vrij zijn om een bepaald maatschappelijk bestel te aanvaarden en te beleven. Een ander ziet vrijheid weer in de eerste plaats als de vrijheid om een bepaald geloof uit te oefenen. Er zijn zelfs landen, waarin het woord “vrijheid” in feite staat voor het “recht om te werken”. Meer niet. Wanneer deze mensen onderling het woord “vrijheid” gebruiken, zullen grote begripsverwarringen daarvan het gevolg zijn.

Wij hebben enige tijd geleden al eens aangetoond, dat het woord “democratie” alleen al voor vele verschillende interpretaties vatbaar is, terwijl het verschil in opvatting nog geen onoprechtheid impliceert bij degene, die het woord in eigen zin gebruikt. Wanneer wij uitgaan van een bepaalde definitie om de waarde en betekenis van een begrip of woord te bepalen, zullen er vele moeilijkheden kunnen ontstaan. Voorbeeld op een meer juridisch vlak. Stel, dat het woord “voertuig” wordt gedefinieerd als een middel, waardoor een mens zichzelf – of lasten – kan verplaatsen. Dan is een kinderwagen een voertuig. Voertuigen zijn in de zin van de wet altijd: verkeer. Wanneer dus een kinderwagen een verkeersfout maakt, zich op het trottoir bevindt, of wordt geparkeerd, dan zou men logischerwijze alle verboden enz., die voor andere voertuigen gelden, ook hier toe moeten passen. Het is duidelijk, dat de wetgever met het begrip “voertuig” dit niet heeft bedoeld. Daarom zal de kinderwagen in de zin van de wet niet als “voertuig” worden beschouwd. Uit dit, op zich misschien wat gebrekkig voorbeeld, blijkt nu duidelijk, dat het niet voldoende is een bepaalde waarde vast te stellen, maar dat wij deze moeten interpreteren in verband met de samenhangen binnen de maatschappij enz.

Dit brengt moeilijkheden met zich mee, want wij kunnen niet eenvoudig stellen: “zo is het dus!” Elke definitie, die in deze dagen wordt gegeven, is dan ook in de ogen van anderen onjuist. De betekenis van een woord is in zeer sterke mate afhankelijk van de omgeving, waarin het wordt gebruikt en dit wordt verder door het contact, de omringende begrippen, nog verder gevarieerd. De dokter kan worden omschreven als iemand, die de geneeskunde beoefent. Dan is soms ook de pedicure de dokter in vele gevallen; de drogist, die geneesmiddelen aanbeveelt, is daardoor ook dokter. De medicijnman is in deze zin ook dokter. Natuurlijk kan men een dergelijke begripsverwarring niet tolereren. In het gemeenschappelijk spraakgebruik, binnen een beperkt gebied, is er nog wel een algemeen geldende interpretatie van een begrip mogelijk. Maar deze opvatting zal niet door andere gemeenschappen worden gedeeld, ofschoon zij hetzelfde woord misschien gebruiken.

Voorbeeld, de wet Gods. Men zal het over het bestaan eens zijn. christen, mormoon, islamiet, allen zeggen zij: “de wet Gods”. Maar indien je vraagt: “Wat versta je daaronder”, blijken er grote verschillen te zijn. Verder blijkt elke groep nog te verklaren: “Wat de anderen daaronder verstaan, is dwaasheid. Alleen, wat wij daaronder verstaan, is het juiste begrip”. Dit komt voort uit het feit, dat het geloof met dit woord onmiddellijk is verknoopt. Om dit woord op zijn juiste waarde te schatten, zullen wij eerst zeer nauwkeurig het geloof van de gebruiker van het woord moeten kennen.

Deze verwarring van begrippen is onder de mensheid onnoemelijk veel groter dan de doorsnee mens zich voor kan stellen. Niet alleen in de eenvoudige voorbeelden, die ik u geef, komt dit tot uiting. Wij treffen dit zelfde verschijnsel vaak zeer sterk aan in het z.g. vakjargon, de taal van een bepaald beroep, een bepaalde wetenschap. Daarbij blijkt, dat eenzelfde onderdeel bij drie verschillende vakken zeven verschillende benamingen kan hebben. Hierbij is onder meer de apparatuur, waarin het onderdeel gebruikt wordt van belang en zelfs de wijze, waarop het gemonteerd wordt. Op zich is het precies gelijk. Het door mij hier aangehaalde voorbeeld geldt bv. voor een eenvoudig hol glazen buisje. Hierdoor wordt het voor niet-vakgenoten zeer moeilijk met elkaar te spreken en elkaar een behoefte kenbaar te maken.

De filosoof zal zich afvragen, waardoor deze sterk afwijkende vakuitdrukkingen konden ontstaan. Hij zal dan leren, dat men de behoefte had voor zich dit onderscheid te maken, of zelfs het eigen vak geheimzinnig te maken voor leken. Daarbij heeft men geen rekening gehouden met de noodzaak ook wel met anderen dan vakgenoten over zoiets te spreken. Op zich is dit niet zo belangrijk. Wij zouden ons daarmee dan ook niet bezig houden, wanneer de gevolgen van deze manie tot exclusieve benamingen niet zo buitengewoon treurig zouden zijn. Aan de hand van verslagen, die door bepaalde commissies werden uitgebracht en verklaringen op verschil- lende universiteiten afgelegd, blijkt, dat specialisten in het gebruikte vakjargon zoveel van elkaar gaan verschillen, dat zij elkaar niet meer kunnen begrijpen. Door dit gebrek aan een gemeenschappelijke taal, waarin de woorden ook ongeveer gelijke inhoud hebben, blijkt het voor hen moeilijk – zo niet onmogelijk – onmiddellijk van elkaar ideeën over te nemen, die voor beide groepen – of meerdere groepen – belangrijk en bruikbaar zouden zijn. De gevolgen hiervan komen pas zeer laat te voorschijn.

Bijvoorbeeld, een elektronicus vindt een stralingsapparaat uit, dat gebruikt zou kunnen worden om kanker te genezen, of bv. grotere kippen te fokken. Omdat hij zijn uitvinding in zijn eigen vaktaal vastlegt, blijkt het voor anderen zeer moeilijk deze te begrijpen. Zo blijven de werkingen, die werkelijk belangrijk zijn, een lange tijd in de elektronica bruikbaar, terwijl de geneeskunde – of de kippenfokkerij, ongeacht hun behoeften – een lange tijd zonder deze vooruitgang verder moeten gaan, daarbij misschien veel kracht en intellect bestedende aan onderzoekingen, die niet noodzakelijk zijn. Een vertraging in de ontwikkeling van de mensheid wordt hierdoor op het ogenblik reeds veroorzaakt. Stoffelijk gezien is dat al erg, want dit kost tijd en geld, terwijl middelen, die reeds beschikbaar zijn, door deze verwarring niet te juister tijd kunnen worden gebruikt.

Ideologisch is deze verwarring nog veel erger. Wanneer je de mensen begrijpt, zie je, dat zij in feite allen hetzelfde verlangen: wat geluk, wat welvaart, iets om trots op te zijn en iets, waarin zij kunnen geloven. Wanneer de termen, die men gebruikt, meerdere betekenissen hebben, dan kan de verklaring van een Canadees – die zegt, dat hij vrede en geluk begeert – voor een Rus een bedreiging en een aantasting van diens heiligste beginselen betekenen. Beiden bedoelen hetzelfde, maar zeggen het anders. Doordat men aan beide zijden voor één woord elk een bepaalde  definitie aanneemt, begrijpt men elkaar niet. In de politiek zien wij hetzelfde: de ene partij spreekt over de belangen van het volk, de ander over de belangen van de arbeider. Eigenlijk bedoelt men precies hetzelfde. Degene, die over het volk spreekt, meent, dat met arbeiders alleen de handarbeiders zijn bedoeld, terwijl degene, die over de arbeiders spreekt, daarmede een ieder bedoelt, die voor zijn levensonderhoud werkt, ongeacht hoe. In feite staan dergelijke partijen zeer dicht bij elkaar. Zij begrijpen elkaar niet en gaan daardoor elkaar bestrijden. Beide groepen brengen in die strijd offers, die niet noodzakelijk zijn. Verder zullen zij in hun strijd tegen elkaar, het nemen van op zich voor beiden goede maatregelen, eenvoudig onmogelijk maken.

U vraagt zich op het ogenblik misschien af, wat deze filosofie met geestelijk werk te maken heeft. Maar geestelijke vooruitgang is alleen mogelijk, wanneer er werkelijk begrip tussen de mensen ontstaat. Elke mens pleegt te filosoferen op zijn eigen wijze. Waar dit tot het begrip voor anderen voert, wordt er geestelijk en stoffelijk veel gewonnen. Neem een voorbeeld van een niet op wetenschap gebaseerde filosofie, zoals velen die hebben: wij leven in een wereld die verdeeld is. Overal op die wereld doet men uitvindingen en men beschikt over steeds grotere krachten, men heeft steeds grotere vermogens. Indien de mensen i.p.v. uit die krachten en vermogens een dreiging voor elkaar te scheppen, nu eens hun kennis en krachten tezamen zouden voegen, zou de mensheid dan niet meer bereiken? Deze overwegingen kunnen misschien tot een beter denken voeren, maar kunnen ook misverstanden en haat wekken. Op het verloop der dingen hebben deze gedachten geen invloed. De filosofie is betrekkelijk waardeloos, tot zij ook praktische mogelijkheden schept. Vandaar, dat de logische vraag nu wordt: waar ligt het verschilpunt? Hoe kan ik dit zo overdenken, dat ik niet meer begrippen definieer, maar aanvoel, waar het bij beide partijen omgaat en hoe de verschillen uit de weg kunnen worden geruimd? Wanneer men voor beide partijen begrip heeft, zal het mogelijk worden, iets geestelijk of stoffelijk te scheppen of te formuleren, dat voor beide groepen evenzeer bruikbaar is. De toenadering, die daardoor kan ontstaan, is niet alleen van stoffelijk nut, maar bevordert een geestelijke eenheid en vergroot de mogelijkheid tot naastenliefde voor de doorsnee mens.

Ook over gebieden, die buiten het stoffelijke liggen, zal de mens vaak filosoferen. Hij denkt daarbij o.m. veel over God, eeuwig leven, hemelrijk enz. De denker zal op den duur tot de conclusie komen, dat een voortbestaan tevens een continuïteit van de persoonlijkheid zal betekenen. De werelden, waarin hij kan leven, zullen aan die persoonlijkheid aangepast moeten zijn. Zo komt men tot Zomerland, sferen, de vele woningen in het Huis des Vaders. De vaststelling hiervan is niet voldoende, daar het geen enkele geestelijke vooruitgang met zich brengt. Daarom volgt ook hier weer de noodzakelijke vraag: wat heb je er aan, wat kun je er mede doen? Het is mooi over God en sferen te spreken, maar waar is de praktische waarde hiervan?

Hier falen de meeste mensen. Over heel de wereld horen wij abstracte begrippen verdedigen, gebruikt men woorden als God, plicht, moraal, recht. Men bouwt zich van al deze dingen voor stellingen, maar houdt geen rekening met de praktische mogelijkheden van deze voorstellingen. In de kosmos moet alles op een of andere manier zin hebben en met al het andere in samenhang staan. Indien een dergelijke voorstelling niet in de praktijk bruikbaar blijft en niet geheel in menselijke daden kan worden omgezet, houdt dit in, dat de voorstelling, die men zich maakt, niet reëel is. Ook in geestelijk opzicht niet reëel. Wanneer ik zeg te handelen volgens de leer van Christus, maar in feite daarvan afwijk, is of mijn geloof niet juist, ofwel is dan mijn voorstelling van Christus vertekend. Meent men, dat de bestaande praktijk de enig goede is, zo zal men of wel zijn geloof, zijn definitie, moeten veranderen, dan wel toch erkennen, dat men onjuist handelt en zijn handelen alsnog aan zijn geloof en voorstellingen aanpassen.

Hoe belangrijk dit is, kunnen wij o.m. zien bij spiritisme en spiritualisme: hier geldt niet alleen de vraag: geloven wij in krachten van de geest en krachten in de mens, maar ook wel degelijk: kunnen wij op aarde met die krachten werken, kunnen wij daardoor iets belangrijks volbrengen? Voor de doorsnee spiritist houdt dit in: men kan door een juist gebruik van de krachten uit de geest het onderling begrip op de wereld aanmerkelijk vergroten, terwijl men tevens door de krachten zelf het bewijs kan leveren voor de dingen, waarin men gelooft.

Ik wil op dit punt nog even verder gaan omdat dit alles niet zo eenvoudig is, als het lijkt. Men gelooft. Waarom gelooft men? In vele gevallen geloof je eigenlijk meer, omdat je behoefte hebt aan een afhankelijk zijn van grotere krachten, of om een troost, een uitvlucht te vinden, dan uit werkelijk innerlijke zekerheid. De dood is zo somber voor de mens en het ogenblik van sterven komt steeds nader. Te geloven aan een voortbestaan in een zonnige wereld, aan wezens en vrienden die je zullen komen halen en helpen, maakt de mens wat blijer, geeft hem meer vreugde in het leven. Op de keper beschouwd, is dit voor de meesten meer een hoop dan een geloof. En dan lopen wij weer vast. Want je handelt niet naar wat je hoopt, wanneer je meent, dat er nog een andere uitweg is. Je zult je steeds beperken tot wat je meent te weten. Het verschil van werkelijk geloof van mens tot mens is te groot om daar in de praktijk werkelijk iets mee te kunnen doen. Ook hiervan dient men van de praktijk uit te gaan en zich af te vragen: wat geldt voor allen, die deze richting zeggen aan te hangen?

In de eerste plaats hebben wij allen behoefte, hetgeen wij zeggen, waar te maken. Het waar maken van wat je predikt of gelooft, betekent een bevestiging van eigen wezen en krachten. Dit is niets anders dan een variant op de drang tot zelfbehoud, die nu eenmaal in elk levende wezen blijkt te bestaan. Zelfs wanneer deze drang schijnbaar teloor gaat – als bij zelfmoord blijkt – zij nog blijkt te blijven bestaan, maar een andere inhoud te hebben verkregen. De zelfmoordenaar zal het eigen leven vaak offeren, omdat hij hoopt door het wegwerpen van het leven, een bepaalde droom te kunnen behouden, waarmee hij zich heeft geïdentificeerd. Overigens komt men van dit offer vaak terug vóór de feitelijke dood intreedt, maar kan men aan het eenmaal gedane niet veel meer veranderen. Neem de drang tot zelfbehoud en zelfbevestiging aan als een steeds weerkerende waarde, dan kan men door zich hierop te baseren, meer bereiken dan door zich op een geloof te beroepen, dat in feite geen werkelijk geloof, maar eerder een hoop, of een vlucht is.

Wanneer u over het leven filosofeert, is nu de vraag, of u van deze dingen – die meestal als de laagste in de mens worden geacht – uit durft gaan. Men pleegt zich daarvoor te schamen en vergeet, dat deze dingen geen modder zijn, maar kenbare waarden, waar een ieder mee moet rekenen, of hij dit nu bewust wil doen of niet. Wie dit beseft, zal zich niet meer bij voorkeur bezig gaan houden met filosofische overwegingen van anderen en de bewijsvoeringen van grote mannen, maar zich ook bij zijn zoeken naar de hoogste geestelijke waarden blijven baseren op hetgeen hij zeker weet – of meent te weten – van de mens.

De punten, vanwaar men uit moet gaan, zijn niet zo vreemd, of niet zo moeilijk te vinden. Ik noem er enkelen. Elke mens wil graag leven. Elke mens wil in zijn leven graag gelukkig zijn, zelfs al stelt hij zich het beste leven, of het hoogste geluk nog anders voor. Elke mens verlangt in feite naar vrede. Daarnaast verlangt hij betekenis te hebben voor anderen en een zeker aanzien te genieten. Wanneer wij iets doen, willen gaan doen, ergens over willen denken, zo kunnen wij ons het veiligste op deze grondslagen baseren. Eerlijk, zonder een beroep op de lagere waarden om zo de hogere te vergeten.

Blijf altijd bij de feiten, tracht altijd nuchter te zijn. Wij willen de wereld verbeteren? Dan zullen wij in de eerste plaats aan moeten tonen door eigen leven en voorbeeld, dat een wereld, waarin naastenliefde en zelfrespect bestaan, ook op basis van de laagste waarden reeds kan bestaan en zelfs op deze basis alleen kan worden uitgedragen. Zodra wij tot een zelfverloochening komen hierbij, die in genoemde waarden niet meer verklaard kan worden, verwijderen wij ons van anderen en verliezen wij het contact met de massa. Wij mogen van anderen niet vergen, dat zij zonder meer zichzelf prijsgeven. Integendeel, wij moeten voor alles anderen steeds helpen om zeker te zijn van zichzelf en kunnen dit alleen door onze eigen zekerheid bevestigen. Wanneer men van edele gedachten uitgaat, zal men voor alles moeten zorg dragen voor een in de praktijk tot uiting komen van deze gedachten. Spreken over de vrede en dan koppensnellen om die vrede te handhaven, brengt de mens niet verder. Wij moeten de mensheid leren de mensheid te vertrouwen. Dat kan alleen, wanneer wij de mensen duidelijk maken, hoever hun eigen belangen met die van anderen samenlopen.

Vanuit ons standpunt is het noodzakelijk de mensheid te leren, dat beheersing noodzakelijk is, maar dat vrijheid in de meest algemene zin alleen kan worden gewonnen, indien beheersing van het Ik dit mogelijk maakt. Wanneer men namelijk de vrijheid zoekt om alles te doen, wat men maar wil, blijkt, dat bij een te veel vrijheid eisen, men eigen materiële en geestelijke zekerheid in het geding gaat brengen. Men neemt dan risico’s, die niet meer verantwoord zijn. Spreek daarom nooit over beheersing als een deugd, maar als een noodzakelijk gevolg van een erkennen van de toestand en de situaties, waarin men leeft.

Voor mij ligt het summum van esoterisch en filosofisch denken nog steeds in de bekende woorden: Ken u zelf! Een “Ken u zelf” heeft in de komende tijd alleen waarde voor ons, indien wij het tot zijn grondbestanddelen durven herleiden. Dan betekent het ook: Weet, wat je wel en wat je niet kunt doen. Besef, wat je werkelijk schaadt en waaruit je het door jou verlangde kunt winnen. Besef, wat ook op langere termijn de waarschijnlijke gevolgen van gedrag en streven zullen zijn. Velen zullen dit te nuchter noemen. Ik weet wel, dat het prozaïsch is, maar het is noodzakelijk. Denkt u, dat een mens in een periode als de huidige zal kunnen volstaan met ijle theorieën? Zou het in deze tijd voldoende zijn alleen innerlijk iets te leren begrijpen en stellingen op te bouwen omtrent de kosmos en een heerlijk niemandsland? Of zou de mens daaronder toch te zwak blijven om werkelijk iets te bereiken? Heeft het in deze dagen nog zin een beeld op te hangen van moraal en zedelijkheid, dat uiterlijk mooi lijkt, maar eerder een façade is, een uiterlijkheid, waaraan een ieder stilletjes tracht te ontkomen? Mag men een schijnwereld rond zich scheppen i.p.v. een werkelijke wereld te aanvaarden? U zult, hoop ik, met mij eens zijn, dat zelfbedrog en schijn in een tijd van overgang als de huidige absoluut niet bruikbaar is. Wij moeten er voor uit durven komen, wie en wat wij werkelijk zijn. Maar evenzeer zullen wij er voor uit moeten komen, wat wij van anderen verlangen en moeten beseffen, in hoeverre wij dit terecht kunnen doen. Wij moeten begrijpen, hoe – in eenheid en samenwerking – voor enkel hetgeen men noodzakelijk weet of verlangt, men het eenvoudigste kan bereiken.

Ik pretendeer niet, dat ik op alle vragen, die hier gesteld kunnen worden een afdoende antwoord kan geven. Wel is het mij opgevallen, dat de nieuwe wereldleraar ook een praktische filosoof is. Hij merkte o.m. op: “Wanneer je alleen het oude tracht te behouden, omdat je vreest in het nieuwe iets te verliezen, zul je jezelf alles, oud en nieuw, moeten ontzeggen. Wie zich het nieuwe niet ontzegt, zal er toe bijdragen, dat het oude vernietigd wordt.” Hij sprak deze woorden in een klein staatje, waarin men tracht zoveel mogelijk de westerse beschaving buiten te houden, maar waar toch de hoger geplaatsten een eigen vliegtuig en hun auto’s hebben, terwijl men ook andere westerse genoegens pleegt binnen te smokkelen. Hij had hierin gelijk. Wat die mensen daar geloven en willen, is op zich niet kwaad. De manier, waarop zij leven, is zeker niet kwaad te noemen. Het zou veel erger kunnen, maar men wilde hem om de nieuwheid van zijn boodschap afwijzen en hoopte de gebruiken van rond 800 n. Chr. te handhaven. Daarom wees hij hen erop, dat zijzelf reeds bezig waren het oude af te breken, terwijl zij al het mogelijke deden, om het oude te behouden.

Deze meester heeft trouwens meer van dergelijke praktische uitspraken gedaan. Hij kwam bij een groep mensen, die de wereld hadden afgezworen. Zij zweefden a.h.w. tussen hemel en aarde. Op zijn vermaan, antwoordden zij: “Meester, wat wij nu doen, is toch goed? Hoe kunnen wij meer zijn voor de wereld dan nu?” Het antwoord was: “Jullie zijn als mensen, die de verhongerde schipbreukeling vanuit een afstand het begeerde voedsel laten zien, zonder ooit tot hem te gaan daarmede en zonder zich ooit af te vragen, of de schipbreukelingen wel de kracht hebben tot hen te komen. Het is beter met minder geestelijke waarden en mogelijkheden tot de mensen te gaan, dan met je volle rijkdom de mens toe te wuiven, zonder dat hij je ooit bereiken kan”. Ik geloof niet, dat dit alles in goede aarde viel.

Elders merkte de nieuwe meester op: “Wanneer wij in een God geloven, zo is dit, omdat wij niet anders kunnen. Indien wij ons geloof verbinden met een beeld van onszelf, zullen wij handelen tegen de God, waarin wij geloven”. Uit een klein oproer kwam de vraag: “Wanneer wij die God niet met onszelf verbinden, waar blijven wij dan?” Het antwoord was: “Degene, die zich persoonlijk met zijn God verbonden acht, zal zich snel God achten. Wie zich God goed acht, beziet het leven alleen uit de verte en de hoogte. Om onder de mensen te kunnen leven volgens de wetten van de God waarin je gelooft, moet je voor alles en altijd mens zijn” Ook dit lokte natuurlijk weer veel protesten uit.

De landen, waarin de nieuwe leraar werkt, zijn op het ogenblik een politieke stormhoek, vol van revoluties, omwentelingen en complotten. Zo gebeurde het eens, dat men hem te hulp riep en sprak: “Meester, gij zijt zo wijs. Zeg ons, voor wie gij zijt ?” Zijn antwoord was: “Ik ben voor mijzelf”. “Dan ben je niet de leraar, waarvoor je je uitgeeft”, riep men hem toe. “Toch”, antwoordde hij, “door voor mijzelf te zijn, blijf ik mijzelf. Jullie zeggen voor andere dingen te zijn, verwerpt enerzijds jezelf, terwijl je anderzijds weigert jezelf prijs te geven. Zo verander je zonder dit te beseffen en ga je te gronde aan het feit, dat je je eigen gebondenheid met de feiten niet voldoende beseft”.

Niet iedereen heeft deze uitspraak kunnen begrijpen. Maar dit brengt ons terug tot de filosofie: “Ik ben”. Wat ik ben, doet er niet veel toe. Of je paus bent, of bankwerker, koningin, of prostituee, maakt in feite zoveel verschil niet uit. In alle gevallen zul je jezelf zijn. Wanneer je gaat doen, alsof je iets anders zou zijn, loop je vast en maak je het jezelf onmogelijk nog langer jezelf te zijn. Een koningin, die steeds wil doen, alsof zij een eenvoudige burgeres is, kan dit misschien doorvoeren, maar zij zal haar invloed als koningin verliezen en zal haar Koninklijke taak niet meer kunnen vervullen op een ogenblik, dat het overwicht van de vorstin noodzakelijk is. Daaraan gaat zij te gronde als vorstin, zonder ooit werkelijk een burgervrouw te kunnen worden. Een paus, die zijn domheid voortdurend toegeeft en openbaar maakt zal – ondanks het geloof – nooit bij zijn gelovigen zijn onfeilbaarheid werkelijk door kunnen zetten, wanneer hij met leergezag – en dus volgens de kerk onfeilbaar – spreekt. Daarom moet je voor jezelf zijn en steeds vanuit jezelf leven, strevende naar eenheid met de God, Die je innerlijk erkent. Elke mens heeft een bepaalde grondeigenschap. Iedereen heeft een eigen wijze van leven. Wanneer je toegeeft, dat je jezelf zo nu en dan heerlijk zit te bedriegen, moet je in ieder geval steeds nog weer weten: “Dat ben ik in werkelijkheid, dat wil ik in feite.” Ga steeds uit van je eigen wezen.

Dit wilde de nieuwe leraar ook duidelijk maken. Zeg niet: “Ik ben voor de wereldvrede”, maar: “Ik ben voor mezelf. In mij is de behoefte aan vrede. Wanneer deze vrede deel van mijn wezen is, zal ik deze ook in de wereld uitdragen”. Ook esoterisch is dit verantwoord: wanneer ik mijn “Ik” steeds verder uitbreid, zodat steeds groter delen van mijn leven en wereld als deel van het “Ik” worden gevoeld, zal ik bv. het lijden van andere mensen niet meer kunnen aanzien. Ik zal dan vanzelf voor die wereld gaan leven en het lijden van anderen bestrijden met al mijn krachten. Maar vooral in deze tijd vol belangrijke veranderingen is het niet mogelijk steeds aan een bepaalde hypothese vast te houden en toch anders te leven. Daaraan ga je te gronde. U zult begrijpen, dat punten als de voorgaande in deze dagen van een steeds toenemend belang worden. De eenheid van streven, het verdwijnen van zelfbedrog, de eerlijkheid, zijn boven alles belangrijk geworden. Daarvoor is begrip van eigen wezen en streven, maar ook begrip voor anderen noodzakelijk.

Daarom vind ik het zo jammer, dat men wel taalkundigen, maar geen taalkundige filosofen gebruikt om redevoeringen van belangrijke staatslieden te vertalen. Het is belangrijk, dat men niet alleen in besloten politieke kringen, maar ook voor alle mensen rekening houdt met de concepten, die in het land van een staatsman bestaan en trachten zijn toespraken niet slechts woordelijk, maar, rekening houdende met het verschil in concepten, weergeeft. Zelfs dit is niet geheel voldoende: wanneer een staatsman tegen een ander volk spreekt, tracht hij niet alleen te handelen en te spreken volgens de normen van eigen land, maar tevens rekening te houden met de begrippen van de anderen. Ongeacht het voldoende zijn van een vertaling volgens de in zijn eigen staat geldende concepten voor de wereld, zou men precies moeten nagaan, in hoeverre hier sprake is van eigen concepten en een pogen zich bij zijn tegenstander en diens concepten aan te passen, voor men tot een voor staatskringen bruikbare vertaling kan komen. Hier lijkt mij de filosoof belangrijk, omdat hij door zijn denken en vergelijken kan komen tot een benadering die bruikbaar en toch juist is. De zuiver taalkundige omzetting kan dit nooit bereiken.

Al het voorgaande zou ik ook graag zien toegepast bij de grote geestelijke scholen op deze wereld. Het is ongetwijfeld goed, wanneer wij ons met mystiek bezig houden. Het is wonderlijk mooi poort na poort te doorschrijden, steeds verder door te dringen in de grote geheimen en uiteindelijk de volle openbaring van een inwijding te ondervinden. Wanneer deze dingen niet onmiddellijk met de bestaande werkelijkheid, met de waarneembare feiten gelieerd zijn, zal de ingewijde té ver van de wereld afstaan om daarvoor iets te kunnen betekenen. Ook zal men elkaar moeten kunnen begrijpen, ongeacht de weg van inwijding, die wordt gevolgd, ongeacht de verschillen van woordgebruik en riten. Volgens mijn geloof zijn wij, mensen en geesten, delen van één geheel en zullen wij altijd voor elkaar op moeten komen. Wij kunnen niet zeggen, laat deze of gene dit nu maar eens doen. Ook dit wordt wel eens vergeten, maar in de evangeliën en in de leringen van de nieuwe Meester vernemen wij steeds hetzelfde. Jezus stelt: “al, wat gij aan de minste dezer doet, dat hebt gij voor Mij gedaan”. Hij spreekt daar vanuit het Goddelijk bewustzijn. De nieuwe Meester zegt: “Al, wat men anderen geeft, elke dienst, die men anderen bewijst, vergroot het Licht, de weerstand tegen waan en vergroot het weten in geheel de mensheid”.

Met andere woorden heeft hij m.i. hier precies hetzelfde gezegd als Jezus. De nieuwe Meester wijst overigens niet zo direct op God. Hij stelt: “God is er, maar wij hebben niet het recht ons steeds maar te beroepen op die grote, verre God. Wij moeten werken met wat wij hebben en wat wij zijn. In wat wij zijn, moeten wij ons de grote God waardig trachten te tonen”. Dit trekt mij meer aan dan stellingen, die teveel op de grote Godheid een beroep doen en daarbij ons eigen wezen en onze eigen taak op de achtergrond stellen. Voor mij geldt: Weet, wat je bent, weet, wat je kunt… . Je gelooft in iets groots. Of dit nu God wordt genoemd of mensheid, belangrijk is, dat je, wetende, wie je bent en wat je werkelijk kunt, aan allen zo veel mogelijk goed doet ter wille van dat Grote. Dit geldt voor mij, voor de geest, die naar de stof gaat – of afdaalt naar een duistere sfeer – evengoed als voor u op aarde. Het gaat er zelfs niet om, hoeveel wij in vergelijking met anderen doen. Het gaat er m.i. vooral om, dat wij tenminste iets doen.

Ik meen dan ook, dat wij juist de filosofie, die ons zo vaak tot het abstracte denken voert, moeten leren herleiden tot een bruikbare wetenschap, waarin boven alles de ene belangrijke vraag geldt: Wat komt hieruit voort? Wat kan men daarmee doen? De definitie mag u dan voor mij vergeten. Wanneer de mens deze vraag steeds weer weet te stellen, vooral waar het zijn geestelijke en innerlijk leven betreft, zal hij m.i. niet alleen de komende dagen van verandering en spanningen gerust tegemoet kunnen zien, maar ook zeer snel de waarden van zijn tijd leren gebruiken en de krachten van deze tijd tot de zijne weten te maken, harmonisch zijnde met alle kosmische krachten en gebeurtenissen, omdat hij de juiste weg voor zich heeft gevonden.

* Zou u iets naders willen zeggen over de nieuwe leraar?

Wat dit punt betreft, is ons een reeks van beperkingen opgelegd. Deze nieuwe meester is reeds enige tijd geleden geboren. Hij heeft een westerse studie volbracht en mag zich ingenieur noemen. Hij spreekt meerdere talen en keerde terug tot de wijze van leven der inboorlingen. Hij maakt bij zijn werk zonder aarzelen van de modernste middelen gebruik, wanneer dit wenselijk is. Hij heeft een aantal leerlingen rond zich vergaard. Hij probeert op het ogenblik een nieuw Licht te brengen in de gebieden, die, door de tegenstelling van oud geloof en denken en het nieuwere materialisme, in grote verwarring verkeren. Hij is een ‘Gezondene des Lichts’. Zo u wilt, een nieuwe profeet of meester. Hij is het, die de komende periode inluidt. Hiermede heb ik alles gezegd, wat mij geoorloofd is.

INNERLIJKE VERANTWOORDELIJKHEID

Verantwoordelijkheid houdt in, dat men zowel ten opzichte van zichzelf, als t.o.v. anderen de consequenties van eigen handelingen tracht te kennen en draagt.

Innerlijke verantwoordelijkheid houdt in, dat wij niet slechts beseffen, wat de mogelijke stof- felijke gevolgen zullen zijn, maar tevens rekening houdt met alle dingen, die op een ander vlak, in verband met innerlijk weten of eigen geloof daarmee verbonden kunnen zijn. Het resultaat van een dergelijk verantwoordingsbewustzijn is meestal het leven volgens vaste regels, terwijl voortdurend gestreefd wordt naar een zo volledig mogelijk besef omtrent de mogelijkheden, die men heeft, én de plaats, die men inneemt in de wereld.

Iemand, die zich innerlijk van zijn totale verantwoordelijkheid bewust is, zal, dankzij dit weten, een buitengewoon grote handelingsvrijheid hebben. Deze handelingsvrijheid impliceert tevens, dat hij krachtens zijn bewustzijn de mogelijkheden daarvan alleen ten bate van anderen zal gebruiken en slechts zijdelings ook voor zichzelf. Hoe verder wij doordringen in het innerlijke leven van de mensen, hoe verder wij trachten te komen in het begrijpen van de mensheid rond ons, hoe groter ook de verantwoordelijkheid zal worden, die wij tegenover anderen te dragen hebben. Indien men weet, dat één enkele daad grote veranderingen kunnen betekenen in het wereldgebeuren en geheel andere levenscondities voor ontelbare wezens kunnen betekenen, houdt dit in, dat men, naarmate men bewuster wordt, ook voorzichtiger zal worden in het stellen van daden. Deze daden zal men dan ook eerst stellen, indien men volgens alle ter beschikking staande gegevens en innerlijke overtuiging deze daden als gerechtvaardigd erkent.

Impulsiviteit is dan ook een van de grootste vijanden van een mens, die een innerlijk verant- woordelijkheidsbewustzijn bezit. Toegeven aan impulsen kan heel goed zijn, wanneer wij half bewust leven. Zodra sprake is van een pogen om geheel bewust te leven, mogen wij niet meer op impulsen afgaan, waar wij op het ogenblik, dat de impuls rust, niet in staat zijn na te gaan, vanwaar deze impuls rijst. Deze kan immers het gevolg zijn van onderbewuste angsten of verlangens, van wensdromen en zelfs van bepaalde geestelijke – verstandelijke – afwijkingen van de norm. Evenzeer kan de impuls het gevolg zijn van een niet bewust erkend eigenbelang. Het zonder meer toegeven aan impulsen is dan ook voor mensen, die zo bewust en verantwoord mogelijk willen handelen altijd uit den boze. Men mag zijn impulsen zeker nooit volgen, indien er sprake is van belangrijke beslissingen. Zelfs waar kleinere belangen op het spel schijnen te staan, is het belangrijk, over elke beslissing en handeling even na te denken. Hoe sterker wij ons van onze verantwoordelijkheid bewust zijn, hoe meer wij ons ook bewust zullen worden van de vrijheid, die wij daardoor gewinnen.

Dit laatste houdt in, dat wij niet zo sterk meer aan in de wereld geldende wetten of regels zijn gebonden, maar ook, dat wij nauwkeuriger zullen moeten vaststellen, hoe wij tegenover die wereld eigenlijk staan. Want wij kunnen in die wereld nu eenmaal niet alle dingen tegelijk doen, niet alles tegelijk zijn. Vandaar, dat de mens, die zich van innerlijke en uiterlijke verantwoordelijkheid geheel bewust is, zichzelf steeds een bepaalde en nauw omschreven taak kiest. Deze taak is niet het totaal van de ontwikkelingen op aarde, of in de geest, voor deze mens. Zij is de uiting, die hij geeft aan alles, wat in hem leeft, de uiting, die voor hem op dit ogenblik het belangrijkste is en waaraan hij al zijn krachten zal spenderen. Deze taak zal, door een zich geheel daaraan wijden en een voortdurend verrichten van die taak, door deze mens dan beter beheerst en verricht worden, dan voor anderen mogelijk is. Het is belangrijk in je leven tenminste op één bepaald punt wat beter te zijn dan de meeste anderen, op tenminste één bepaald punt precies te weten, wat je doet en wat je wilt.

Waar het vaak onmogelijk is het geheel van je leven onmiddellijk onder te brengen in een schema en zo een overwicht te winnen over de innerlijke en uiterlijke consequenties daarvan, dient de mens te beginnen met een bepaald doel van zijn leven, desnoods een zeer nauw omschreven doel van zijn leven te nemen en hierin niet meer te handelen in onverschilligheid, onder impuls of onder pressie van anderen. Stel voor uzelf: op dit terrein zal ik voortaan alleen zuiver overlegd en bewust handelen, terwijl ik mij op dit terrein bij elke handeling en zelfs bij elke gedachte af zal vragen: is dit in overeenstemming met hetgeen ik innerlijk als juist of waardevol ervaar.

Pas wanneer je op deze wijze leert te leven, kun je de innerlijke verantwoordelijkheden goed dragen. Wanneer wij eenmaal op een terrein een redelijke beheersing en een redelijk inzicht hebben verkregen, zodat wij daar niet te veel meer van het gewenste patroon afwijken, of ons door opwellingen laten afleiden, kunnen wij, door het gebied dat wij trachten te beheersen langzaam uit te breiden, komen tot een redelijke beheersing van eigen wezen, een kennis van eigen vermogens en een wijze van leven, die in overeenstemming is met eigen innerlijk leven en de beschikbare innerlijke krachten. Zo bereikt men een groter innerlijke eenheid en rust, maar tevens een grotere harmonie met de wereld en alle stoffelijke of geestelijke aspecten daarvan.

* Dit is moeilijk in de praktijk te brengen.

Dit is niet zo moeilijk. Er zijn vele mensen, die doen, of zij dit niet kunnen, dat ben ik met u eens. Praktisch elke mens heeft een bepaald terrein, waarop hij zich van verantwoordelijkheden wel degelijk bewust is en zich daarnaar ook gedraagt. Dezelfde lummel, die met een scherp geslepen mes in de zak, bij een cafetaria een relletje staat te schoppen, kan zeer bezorgd zijn voor zijn kleine broertje/zusje en daar wel degelijk blijk geven van een verantwoordelijkheidsgevoel. Er zijn in de mens vele vreemde tegenstrijdigheden. In uzelf zult u ongetwijfeld vaak ontdekt hebben, dat u vaak geneigd bent verantwoordelijkheden van u af te wentelen, terwijl u juist innerlijk aanvoelt, dat dit niet goed is. U kunt dit niet altijd beheersen.

Ik stelde: begin bij één enkel en bepaald punt. Dat kan heel weinig zijn. Voor een huisvrouw kan dit reeds het voornemen zijn: ik zal er voortaan voor zorgen, dat alle kamers elke dag werkelijk stofschoon zijn. Over het vuil, dat er elke dag weer komt, zal ik niet mopperen…. Het lijkt heel weinig, het kost echter moeite. Bovendien is het een begin en voert langzaam aan tot beheersen van het Ik, een overwegen van alles, wat wel en niet mogelijk is. Deze gewoonte in het kleine laat zich in het grotere dan ook reeds meer en meer gelden.

Tracht nooit deze werkelijke en uit het geestelijke bewustzijn voortkomende beheersing op geheel uw leven opeens toe te passen. Dat kunt u toch niet. Ergens in het leven vindt u een taak, die voor u belangrijk is. Ergens hebt u in uzelf het gevoel, dat u iets voor uw medemensen kunt doen, of kunt zijn. Beheerst u daar. Wees daar de vrede, de beheersing en de daadkracht in eigen persoon. Overweeg steeds of u rekening houdende met anderen maar ook met hetgeen u innerlijk als aanvaardbaar hebt erkend, zult moeten doen, of zult moeten laten. Daar hebt u een begin, dat voor uitbreiding vatbaar is. De mens zal niet onmiddellijk in staat zijn steeds zware gewichten te heffen. Wanneer hij zich er aan went steeds zwaardere gewichten te heffen, zal hij tot prestaties in staat blijken die in het begin onmogelijk leken. Training maakt de atleet. Training maakt de probaat, de debater zelfs. Waarom zou training dan niet de mens beter en meer beheerst kunnen maken? Daarom zeg ik: wanneer je een goed en betekenend mens wilt worden in de menselijke maatschappij en de kosmos, begin je te oefenen. Begin te oefenen met kleine dingen. Dat is zo moeilijk niet. Breid dan je streven langzaam uit tot grotere zaken, u zult zien, dat dit mogelijk is en heus niet zo moeilijk, als het wel lijkt. Wanneer u maar niet te trots bent om klein te beginnen.

ESOTERISCHE BESCHOUWING

Onze esoterische beschouwing zou ik vandaag eens wat eenvoudiger willen stellen. U kent allen wel de sprookjes, waarin een kat opeens een prinses wordt, het monster een prins blijkt te zijn. U heeft u waarschijnlijk nooit afgevraagd, hoe men tot deze transformaties is gekomen. Voor u is het nu eenmaal een sprookje, maar in feite zit hier toch wel meer achter. Wanneer je het sprookje neemt van de Kikkerkoning, die de bal van het prinsesje redt, maar daarvoor wil eten van haar bordje en wil slapen in haar bedje, lijkt het verhaal werkelijk kinderlijk. Voor het prinsesje is eten en slapen met een kikker iets afschrikwekkends. Het kost haar veel zelfoverwinning en zelfs een bevel van haar vader om haar belofte te houden, maar de kikker verandert in een stralende, knappe prins en beiden leven voortaan lang en gelukkig.

Wanneer u in uw leven soms lelijke dingen tegenkomt, schijnbaar monsterlijke gebeurtenissen ondergaat, zal het u ongeveer gaan als in die sprookjes. U wilt daaruit nog wel enig voordeel trekken, enige waarden aanvaarden. Maar door te zetten en bewust met het lelijke, het monsterlijke verder gaan, dat durft u niet. Slechts indien de omstandigheden u dwingen, zult u voortgaan. Hoe vaak komt u dan niet tot de conclusie, dat het, evenals in het sprookje, een betovering geldt? Want het schijnbaar lelijke of monsterlijke brengt later wonderlijk mooie en prettige resultaten. Zo’n sprookje is eigenlijk zuivere esoterie. De mens heeft in zijn leven vele dingen, die hem monsterlijk schijnen. Hij bergt gevoelens in zich, die hij niet kan of durft verklaren, gevoelens, waarvoor hij zich eigenlijk schaamt. De mens komt soms in omstandig- heden, waarvoor hij zich doodgeneert. Vooral, wanneer je in jezelf naar het hogere aan het zoeken bent, komt je vaak voor bepaalde beelden en gedachten te staan, waarvoor je zó schrikt, dat je ervoor weg zou willen lopen. Vraag u af, of die dingen wel zo zijn, als zij schijnen.

De praktijk leert, dat alle dingen uit God komen. Wanneer wij beginnen iets te aanvaarden, onverschillig wat, dat in zijn oorzaken iets lelijks bergt, dan houdt dit ook in, dat aan dit aanvaarden bepaalde consequenties verbonden zijn. Innerlijk werken deze gevolgen veel sterker dan buiten ons. Je zou daarom die consequenties graag ontlopen. Indien wij, vaak alleen door bittere noodzaak gedwongen, de gevolgen aanvaarden, zo blijken zij opeens wel Licht, wel schoonheid te bezitten. Wij ontdekken, dat waaraan wij wilden ontkomen of willen verwerpen, voor ons in feite een deel van het Goddelijke Licht betekent en ons voert tot een grotere en inniger innerlijk leven.

Er bestaat veel schijn in de wereld. Door opvoeding en gewoonten misleid, kunnen wij de ware verhoudingen lang niet altijd zien. Deze toestand bestaat helaas voor de mens ook innerlijk. Daardoor weet hij met zijn dromen en gedachten soms geen raad en schrikt hij voor verschijnselen in het leven, die niet zijn wat zij op het eerste gezicht schijnen te zijn. Nu kan men dit buiten beschouwing laten en gewoon verder gaan, zoals men gewend is. Maar dan loopt men in zijn geestelijk streven vast door de innerlijke tegenstrijdigheden, die zo ontstaan. Aan de ene kant wil men het goede van een bepaalde mogelijkheid wel aanvaarden, maar anderzijds wenst men de daarmee verknoopt zijnde ervaringen of belevingen af te wijzen. Dit brengt innerlijke verwarringen teweeg, waarvan de uitwerking eerst levens later geheel overzien kan worden.

Indien wij in het leven bewust willen worden, zullen wij zeker de gevolgen van alles wat wij zijn en alles wat wij doen, bewust moeten aanvaarden. Wanneer wij dit op de juiste wijze doen, daarbij uitgaande van de taak, die wij in het leven op ons hebben genomen, het geloof, van waaruit wij handelen, zo zal blijken, dat het consequent verder gaan, innerlijk Licht schept en grotere zelfkennis mogelijk maakt. Wij staan immers steeds weer in een wereld, waarin de ervaring het belangrijkste is? Het gaat niet om wat je in de ogen van anderen bent, maar om wat je innerlijk bereikt.

Er was eens een ziel, die in de ogen der mensen zondig was. Ook was zijzelf onevenwichtig en zondig in eigen ogen. Daarom werd zij door Petrus naar een andere afdeling verwezen. Na meerdere honderden van jaren in een meer dan tropisch klimaat doorgebracht te hebben, mocht zij naar de aarde terugkeren. Nu meende die ziel verstandig te zijn. Daar zij boven alles vreesde te zondigen en daardoor weer in het super warm geestelijk klimaat te moeten vertoeven, besloot zij geen enkele daad meer zelf te stellen. De ziel werd als mens geboren. Het kind weigerde te leren of te bewegen, het lag of zat maar. Zelfs toen het kind een volwassen mens werd, bleef de ziel in haar voornemen volharden. Zijzelf deed niets, want zij wenste geen verantwoordelijkheid meer op aarde te nemen. Zo braaf en gedegen meende zij te zijn, dat zij het hemelrijk al het hare achtte.

Weer werd zij door Petrus teruggewezen. De ziel bracht de zaak voor het hemels gerecht. Enkele overgegane psychiaters toonden aan, dat de ziel krachtens haar vorige belevingen zelfs tot daadloosheid genoopt was geweest en niet anders had kunnen doen. De rechter sprak: “Wanneer een ziel in haar leven niets beleeft, is dit leven ongeldig en zal het zijn, alsof zij geheel niet geleefd had. Gehoord de getuigen en gezien alle voorgebrachte bewijsstukken, besluit het Hof: Na 100 jaren in haar warme geestelijke sfeer te hebben doorgebracht, zal deze ziel naar de aarde teruggaan en trachten te leven”. Het Hof merkt hierbij op, dat volgens de Goddelijke wetten, het doel van alle leven is: ervaring, bewustwording en wijsheid. Dit is misschien raadselachtig voor mensen, die wensen, dat alle zonden worden bestraft. Vergeet niet, dat Jezus tegen de moordenaar zei: “Nog heden zult gij met Mij zijn in het paradijs”. Een raadsel? Ja, maar wij komen voor meer van dergelijke raadsels te staan.

Daar was een mens die in zijn leven een beul was geweest en toch heel rustig de Lichte werelden binnen kon gaan. Men vraagt zich wel af: Hoe zit dat dan? Wel, er was een ziel, die op aarde in haar leven veel kwaad had gedaan. Zij was geboren in een buurt, waarin zelfs de kleinste jongetjes al moeten vechten, als zij iets willen betekenen en niet alleen maar klappen krijgen. Vandaar gradueerde deze ziel naar het leven van de volwassenen, waarin men onopvallender, maar vaak veel feller moet vechten om zijn plaats te behouden. De ziel slaagde er wel in haar plaats in de wereld te veroveren. Daarbij had zij zoveel mensen leed gedaan, zovele mensen gekwetst, dat zij uiteindelijk reeds vóór de overgang zich minder prettig begon te gevoelen. Daarom begon zij op haar manier goed te doen om door vele goede daden zich alsnog een klein plaatsje in het hemelse Jeruzalem te kopen. Overigens is het niet mogelijk met de menselijke middelen als geld een plaatsje in de eeuwige zaligheid te kopen.

Toen de ziel angstig en mismoedig bij de hemelpoort kwam en zonder meer werd binnengelaten, sprak zij tot zichzelf: “Wat is het goed, dat ik aan die dingen een deel van mijn geld besteed heb”. Terwijl zij dit nog dacht, kwam er reeds een orde-engel naast haar en nam haar mee naar het hemelse politie bureau. “Want”, zo sprak de engel: “wij hebben u een paar dingen mee te delen”. De engel-orde commissaris bood de ziel al snel een stoel en een sigaar aan en vroeg: “u bent nu wel in de hemel binnen gelaten, maar wij vrezen dat u toch nog een verkeerde voorstelling van zaken hebt. Zou u mij mee kunnen delen, waarom u, naar uw mening, hier hebt mogen binnen komen?” “Ik heb zoveel gelden aan kerken gegeven en zoveel aan weeshuizen en nog zoveel voor onderontwikkelde gebieden….”

“Dacht u, dat dit ook maar enige invloed heeft? Wanneer u dat werkelijk denkt, zouden wij u uit moeten wijzen. In feite bent u hier binnen gekomen, omdat u, al hebt u veel kwaad in de wereld gedaan, tenminste consequent geweest bent. U hebt steeds doorgezet, maar nooit iemand onnodig leed berokkend. Dit sprak voor u. Bij nader onderzoek bleek ons, dat u vriendelijk geweest bent tegen alle armere mensen, wanneer dit niet met uw eigen belangen in strijd scheen te zijn. Bovendien hebt u, al nam u het met de wet wel eens een loopje, niet alleen voor uzelf gevochten, maar ook voor anderen. Veel van wat u op het ogenblik als schuld in uzelf voelt, is toch tevens een ervaring geweest, die u voor dit Koninkrijk der Hemelen rijp maakte. Onthoud dit: u bent nu wel in een zeer Lichte wereld, maar wanneer u het bewustzijn, dat u in dit leven verworven hebt, niet omzet in de praktijk, is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat u opeens toch in een andere wereld zou belanden. Daarvoor kan geen engel van de ordedienst u behoeden. Probeer uit uw vroegere leven alle ervaring te puren die maar mogelijk is. Dan zult u handelen in overeenstemming met de hemelse wetten en in deze sfeer van Licht mogen leven tot u rijper en gezonder van geest in de stof zult mogen gaan herstellen, wat u daar dan nog als fout beseft.”

Dit was een van die verhaaltjes, waar vele mensen nijdig over plegen te worden. Ik kan mij voorstellen, dat iemand, die zo spreekt over de zondige mensheid en de toorn Gods, bij het horen van een dergelijke gelijkenis, onmiddellijk op zijn achterste benen gaat staan, of hierin een duivelse list van de boze zou zien. Hoe zijn de feiten? Wanneer je leeft, zul je vele dingen doen, die volgens je ogenblikkelijk besef kwaad zijn. Je weet niet, of dit kwaad wel te vermijden was. Misschien is het kwaad, dat u hebt gedaan, voor een ander goed geweest, en heeft het die andere geholpen tot hoger bewustzijn. Daarom is “kwaad” niet altijd te overzien. Wat onvergefelijk blijkt, is nodeloos kwaad doen. Nodeloos anderen kwellen. Nodeloos kwaad doen, betekent altijd: in jezelf duister scheppen. Het is onmogelijk aan de hand van menselijke wetten en opvattingen alleen, te bepalen, wat in het leven Licht en duister is. Zo kan het voorkomen, dat een ziel, die volgens menselijk inzicht slecht heeft geleefd, meer Licht in zich draagt bij de overgang, dan een mens die zich steeds vroom heeft voorgedaan, maar in deze vroomheid niet consequent was.

Dit is een pijnlijke les. Waar blijf je nu met je goede daden? De mens hangt, ook in zijn innerlijk bewustzijn, veel te veel aan de idee van straf en beloning. Men meent meestal: wanneer ik nu maar goed doe, krijg ik vanzelf mijn loon. Dit is niet waar. Met evenveel aplomb vermeldt men: wanneer je kwaad doet, word je gestraft. Dit is niet waar. Het meest zal de mens, ook later in de geest, te lijden hebben onder eigen onevenwichtigheden. Wat wij in het leven nodig hebben, is niet het zoetelijk gehoorzamen aan alle menselijke en andere wetten, maar een doen, wat je goed acht, en dit volbrengen, zo goed als je kunt. Daarnaast is het belangrijk te beseffen, zelfs al geschiedt dit op het laatste ogenblik van het stoffelijk bestaan, of bij het binnengaan van een andere sfeer: door anderen naar mijn wil te dwingen, of te gebruiken, heb ik verkeerd gedaan…

Het is voldoende om aan anderen op aarde Licht en vreugde te geven. Uit deze relatie vloeit een bewustwording voort, die dan voldoende is voor een binnengaan in de Lichte sferen. De kennis, die men stoffelijk heeft bereikt, is niet zo belangrijk als men denkt.

Ter verduidelijking: er was eens een mens die zijn hele leven had gewijd aan het erkennen van God. Hij was vroom geweest, had gestudeerd in filosofie en theologie; hij had met de mystici de ziel opgezonden tot andere werelden en volgens de leer van yoga gewerkt aan de vrijmaking van het “Ik” uit de stoffelijke wereld. Toen deze mens overging, meende hij: “Nu kom ik pas op de plaats van mijn bestemming”, en zie, deze mens werd als op engelenvleugels voortgedreven naar de hemelpoort, die reeds open zwenkte, toen hij pas naderde. Jubelend heette men deze ziel welkom. Zoals een ieder, die in het Vaderhuis binnenkomt, voerde ook zijn weg hem allereerst tot de Vader. Toen hij de liefdevolle glans van het Goddelijke aanschouwde, sprak hij: “Zou dat God moeten zijn? Dat kan niet. Ik weet beter. Er deugt hier ergens iets niet”. Hij vluchtte de hemel uit en zoekt sindsdien naar een God, die op zijn God lijkt. Hij zoekt naar een God, die handelt volgens de wetten, die hij voor die God na veel studie heeft opgesteld. Maar vinden zal hij die God nooit.

Dit is een verhaaltje. Toch zullen wij even de consequenties ervan nagaan. Wij kunnen in onszelf naar God zoeken. Wij mogen nooit voor onszelf bepalen, wat God nu wel en wat God niet is. Wij zoeken Gods wil te volbrengen, maar zullen nooit met zekerheid kunnen zeggen, wat Gods wil is voor ons, voor de wereld, of voor andere sferen. Wij kunnen in onszelf ongetwijfeld voortdurend uit het Goddelijke Licht putten, maar wij zullen nooit in staat zijn aan te tonen, dat dit Licht op een andere wijze niet te verkrijgen is. Op het ogenblik dat de mens met een zekere verwaandheid in zichzelf begint met te zeggen: “ik heb de waarheid dan toch maar gevonden, ik weet, wie en wat God is”, bevindt hij zich op het pad naar het duister, niet naar het Licht. Ieder, die de innerlijke weg wil gaan, moet goed beseffen, dat het niet alleen uw innerlijke ontwikkeling en erkenning is, die bepalen zal, hoe u God zult kennen en zien. Het is niet het beeld, dat u zich vormt, of de voorstelling, die u zich maakt, die bepalend is voor de uiteindelijke bereiking. Die wordt alleen bepaald door de innerlijke harmonie, die u met de kosmos hebt kunnen bereiken.

De esoterische weg is een weg van harmonie. Een weg van eenheid en gezamenlijk streven, van een je aanpassen. Ook de aanpassing, die schijnbaar onnodig is, blijkt belangrijker te zijn, dan een voorstelling van God, of een vast geloof. De harmonie met het zijnde, die je innerlijk kunt ervaren, bepaalt in hoeverre je deel van de kosmos bent. Bereik je een grote innerlijke harmonie, dan word je hierdoor deel van alle dingen en zul je daardoor de werkelijkheid over de Schepping kunnen beseffen. Ook wanneer je daaraan geen uitdrukking kunt geven in leerstukken e.d. Het is betrekkelijk gemakkelijk God en diens werk met een schema vast te leggen en voor de mensen uit te tekenen. Vele mensen zijn geneigd om met een bord en een paar krijtjes een schema te tekenen en dan te zeggen: “Dáár zit God, dáár ligt de onderwereld, zó leeft de mens en dáár vinden wij de sferen”. Maar is dat dan ook werkelijk zo? Ongetwijfeld kan het voor velen zo zijn. Maar het hoeft niet zo te zijn voor allen. Niets kan ons een voorrecht geven boven anderen, niets kan de mens wijzer maken dan anderen, wanneer het God en de kosmos betreft. Ten hoogste kan men meer leren kennen van zichzelf.

Vandaar de moordenaar, die in het Koninkrijk der Hemelen binnen kan gaan ondanks zijn schuld. Door de erkenning: “Zo heb ik geleefd”, had hij tevens iets van zichzelf erkend en enig evenwicht met de kosmos geschapen. Men legt onder de mensen de nadruk op de daden als maatstaf voor bereiking en mogelijk ingaan in de Lichte werelden, terwijl in feite de innerlijke erkenning, de toestand van de ziel zelf daarvoor alleen bepalend kan zijn.

Eens in de 100 jaren pleegt de duivel binnen te treden in de troonkamer van God. Als het even kan, probeert hij een weddingschap af te sluiten, of probeert hij een handeltje te maken. Denk maar eens aan Job. Op een keer sprak de duivel dan:

“Heer, geef mij een mens. Ik zal hem alles geven, wat hij verlangt en hij zal zich even gelukkig voelen, als in Uw hemel “.

“Een mens geven wat hij verlangt, niet meer en niet minder, is even wreed als de straffen van de diepste hel”, zei God.

“Geef mij de vroomste der vromen en ik zal het bewijzen”.

“Goed. Deze proef kun je nemen. Maar er is één voorwaarde bij: deze mens zal altijd het recht hebben tot Mij te roepen en Ik zal hem dan verhoren”.

Zo gezegd, zo gedaan. De duivel zocht iemand uit, die steeds maar weer droomde van de hemel: een gouden stad vol met kristallen huizen, waarin engelen en zalige zielen pap eten met gouden lepeltjes. Daarop vermomde de duivel zich als een engel en sprak tot de vrome:

“Het is de wil des Heren, dat u – zo u wilt – in uw hemelrijk mag binnengaan”.  De mens dacht niet verder na over dat “uw” hemelrijk, maar voelde zich al een beetje aandeelhouder en sprak alleen maar: “Graag”.

Daarop zat de man in de hemel. Tien jaar lang. Pap met gouden lepeltjes.  20 jaar….. pap, 30 jaar….. pap. Toen kon de vrome ziel het niet meer harden. De pap werd haar te veel en zo riep zij: “Mijn God, is dat dan Uw hemel? Als je bestaat  geef mij dan mijn leven terug”. Even rommelde het. De kristallen stad, viel in elkaar. Alles verdween.  “Zit niet te suffen”, sprak zijn vrouw. En daar stond hij in het leven, precies daar, waar hij het meende te verlaten, toen een engel hem het hemelrijk aanbood. Zo leefde de man zijn bestemde leven uit. Hij bleef ook vroom, maar nooit dacht hij meer aan de hemel als een kristallen stad met gouden straten. Pap kon hij niet meer zien. Eén ding was opvallend. Nu droomde deze mens niet meer van een loon in de hemel, naar toch wilde hij goed zijn. Alle tijd, die hij vroeger had besteed aan het dromen over God, hemel en eeuwigheid, gebruikte hij nu om zijn medemensen te helpen, zodat de duivel met bittere spijt over zijn weddenschap uiteindelijk deze ziel vrij in de Lichtende sferen zag binnengaan.

Hoe gaat het met u? U wilt toch ook Lichtere en hogere werelden kennen? U denkt daar voortdurend aan. Vergeet u niet, dat gedachten aan onze zijde van het leven vormen, én werelden kunnen vormen? Als u bij ons komt en u denkt u een hemel, dan is deze er. U zult dan deze dingen eerst moeten verwerpen, voor u verder kunt gaan. Als u in uzelf een godsdienst opbouwt, compleet met altaar en regels, maar dit is geen werkelijk zoeken naar Licht, maar het winnen van betekenis voor wereld en geest, dan… pap. Verveling, leugenwerelden en zelfbedrog.

Alleen de eenheid met de kosmos zelf, met de grootse Schepping en uiteindelijk met de Schepper daarvan, kan voor ons allen een werkelijk en blijvend geluk betekenen. Onze zelf- kennis kan alleen waardevol zijn, wanneer zij voortvloeit uit een steeds juister beseffen, hoe, waarom en waar wij in de Schepping bestaan, wat onze rol is in het tal van het geschapene. Dit is het enig belangrijke.

Hoe het leven soms ook lijkt, het is altijd een reden om blij te zijn. Wees blijmoedig en zo vrolijk in het leven, als je maar kunt, want niets in het leven is zinloos. Alles, wat je bent, wat je kunt en mag doen, is eeuwig, ook al ervaar je dit eeuwige nu nog niet. Weest niet mistroostig, omdat iets teloor is gegaan. Niets, wat je bereikt hebt in waar contact met jezelf en een eerlijk contact met de kosmos kan ooit teloor gaan. Wees blij in het leven en tracht in het Licht van de innerlijke blijdschap jezelf te leren begrijpen. Zoek met het Licht van de innerlijke blijdschap steeds meer zin in het bestaan te ontdekken, en steeds meer voor anderen te betekenen. Dan zul je zonder verwondering, de openbaring van je werkelijke plaats in de kosmos kunnen aanvaarden en haar zien als een vreugdige voortzetting van het Zijn. Dan zul je niet in het duister van ongeloof een tweede dood sterven, maar zeggen: “God, Uw wegen zijn goed, want Gij hebt mij het geluk geschonken, dat buiten alle mate is”.

Dit is voor mij de grootste waarheid van het leven.