Ik ben niet gekomen om U de vrede te brengen, maar het zwaard

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 40

11 november 1956

Deze morgen zou ik niet direct met U willen praten over het leven van Jezus, maar over een uitspraak, die hij heeft gedaan of gedaan zou hebben. Jezus heeft n.l. in een gesprek gezegd:  “Ik ben niet gekomen om U de vrede te brengen, maar het zwaard.”

Het lijkt mij, dat dit op het ogenblik voor de wereld wel zeer toe.passelijk is. Niet de vrede, maar het zwaard. En toch de weg naar bewustwording.

Wat Jezus bracht, was zeer zeker voor zijn tijd en ook nog voor ons een mogelijkheid, om ons te verheffen boven het normaal stoffelijke, te komen tot een nieuwe realisatie, een nieuwe bewustwording, vooral een nieuwe aanvaarding van de grootkosmisch krachten.

Dat deze dingen op zichzelf misschien niet zo belangrijk zijn in Uw ogen, zou ik mij kunnen voorstellen. Elke mens moet zijn eigen weg gaan, elke mens moet op zijn eigen manier God zoeken. En ieder dient ook God op zijn eigen wijze. Er is geen mogelijkheid om daarin grote verschillen te maken en te zeggen: deze ene weg is nu de beste.

Maar op elke weg bestaan bepaalde grondslagen. Grondslagen van bewustwording, grondslagen, die noodzakelijk zijn, wil je een zekere trap van ontwikkeling verlaten en een volgende betreden. Jezus heeft ons zijn begrip van licht, van een liefdevolle God, van naastenliefde gegeven als een middel om de trap van het normaal menselijke volgens de huidige verhoudingen te verlaten.

Men zou nu verwachten, dat een dergelijke weg vrede betekent. Wanneer je je naaste wilt dienen, wanneer je de mensheid wilt helpen, wanneer je in volledige en oprechte naastenliefde een ieder wilt geven, wat je geven kunt, dan neem je toch aan, dat daaruit vrede voortvloeit. Maar Jezus zelf verklaart ons reeds, dat dit onmogelijk is. Want de krachten der vernieuwing zijn nu eenmaal krachten die overal verzet wekken, weerstand. Vandaar het zwaard, de strijd.

Het is niet zo, dat de nieuwe bewustwording strijden zal tegen de oude. Ook al heeft men getracht er dat van te maken. Het is zo, dat het oude, behoudzuchtige, zich in eigen veiligheid, in eigen bestaan bedreigd ziet en tracht elke vernieuwing met vuur en zwaard uit te roeien. Op de wereld hebben we dat steeds weer gezien.

Er waren eens christenen, die tezamen kwamen in het huis van een schoenmaker, in een klein dorpje in Frankrijk. Daar werden o.a, de volgende woorden gesproken: “Wat een priester mij zegt, klinkt mij zo leeg. Vooral omdat de priester zelve zich niet houdt aan de leer, die hij verkondigt.” Iets wat in die dagen waar was. “Ik geloof, dat wij moeten trachten te leven naar het Evangelie, zoals ons dit is overgeleverd; dat wij Jezus’ leer voor onszelf moeten verwerkelijken.”

Het was de taal van eenvoudige mensen, zonder veel theologisch inzicht, zonder buitengewoon veel visie zelfs op kerk en kerkelijke zaken. En toch is dat het begin geweest van een religieuze omwenteling, die een groot gedeelte van Zuid-Frankrijk in bloed en tranen zou hullen.

Want degenen, die begonnen te leven volgens Jezus’ wet, die kenden geen eigendom meer. Toetredend tot de gemeente, gaven zij alles aan de armen. De armen, waartoe zij dan ook zelf behoorden, zodat er een communale gemeenschap ontstond, waarbij niemand iets bezat, zelfs niet de kleren, die hij droeg. Wat men nodig had, kreeg men van de gemeenschap en gebruikte men. Verder had men niets.

Binnen de kloosters was dit reeds lang een aanvaarde regel geworden. De kerk had ook deze leer wel erkend, maar ze wilde haar niet erkend zien door eenvoudige leken, door mensen, die hun eigen leven volgen, hun eigen beroep hebben, kortom die zich van verdere regelen der kerk en wetten der kerk weinig aantrekken. Vandaar dat onmiddellijk de propaganda begon.

Priesters, die beter wisten, maar wier vuige gedachten in staat waren tonelen van grote tuchteloosheid naar voren te brengen, predikten overal van de kansel: “Houdt U verre van dezen. Want hun gemeenschap ontaardt in orgieën, waar zij een ieder als gemeenschappelijk bezit beschouwen.” Het mocht niet helpen. De eenvoudige weg van menselijkheid hield een kuisheid en een reinheid in, die groter was dan de invloed van de kansel zelve.

Toen heeft men grote theologen naar voren gebracht, redenaars, die met een donderende stem gehele kathedralen wisten te vullen. Men heeft ze gesteld tegenover de sprekers van deze kleine groep.

“Op U zal ik mijn kerk bouwen,” zo donderde de redenaar. “Zegt U dit niet, dat Jezus zelve aan de heilige kerk van Rome en aan de Paus het opperst gezag heeft gegeven?”

Er stonden tegenover hen geen theologen. Degene, die debatteerde, was een betrekkelijk schriel mannetje met een onverwacht zware stem. En zijn antwoord was: “Indien Petrus al de steenrots was, zo zijt gij het zand. Want in U erken ik vastheid noch beginsel.” Hij had gelijk.

De prediker nam dat niet en vele theologische argumenten slingerde hij hem tegemoet: “Het gezag van Rome mag niet geschonden worden, opdat Jezus leer op aarde niet verloren ga.” En het antwoord van hetzelfde schriele mannetje: “Zolang gij, priesters, eerst zoekt naar de macht en dan naar God, zo zeg ik U, is Jezus’ leer verloren behalve in ons, die zijn leer zonder bijbedoelingen in de praktijk brengen.”

Dat antwoord was teveel. De beroemde redenaar sprak een banvloek uit op pauselijk gezag en trok zich terug. Een week later vielen plunderende en brandstichtende benden de kleine dorpen aan in deze primitieve Christengemeenschap. En na een strijd, die bijna vier jaren duurde, ging deze gemeenschap ten onder. Ook hier had Jezus’ woord het zwaard gebracht.

Alle waarheid brengt het zwaard, ook alle onzelfzuchtig begeren. En wat meer is, de onzelfzuchtigheid van het streven naar leven baart een strijd, die grotere offers vergt:dan elke andere. Want wie zichzelf gaarne wil offeren, of het nu is voor een godsdienst, een ideaal, een bewustzijnstoestand of iets van meer politieke aard, die kent geen ogenblik van overgave. Hij kan slechts zichzelf zijn. En daardoor is hij ook degene, die blijmoedig sterft.

Dat hebben de christenen de arena’s van Rome, het keizerrijk Rome, bewezen. Dat hebben sedertdien vele groepen van mensen over de wereld bewezen. Dat bewijzen ook nu weer groepen van mensen. En degenen, die daarbij hun reinheid van denken en van initiatief weten te bewaren, zijn gelukkig te prijzen. Want immers, wie alles geeft ommentwille des Vaders Jezus zelf heeft dat gezegd zal de Vader die niet ruimschoots vergoeden, wat hij om Zijnentwille heeft gegeven?

Daar ligt dan het probleem van deze tijd. Het probleem zelfs van deze uren, waarin nog steeds onze eigen groepen trachten om bewustzijn te geven aan degenen, die niet onberoerd konden blijven door hartstocht, die zich niet bevrijden konden van de haat. Jezus zelve heeft in zijn leven daarover een keer gesproken met de z.g, Maccabeën.

Deze Maccabeën waren in de tijd van Jezus’ leven en ook al daarvoor en tot ongeveer 70 jaren na diens geboorte, een verzetsorganisatie, die ons doen denken aan de Maquis, aan de Partizanen, zoals die in Frankrijk bestonden. Groepen, die zich terugtrekken in het gebergte, in wouden eventueel, en van daaruit met bliksemsnelle: aanvallen voortdurend de vijand blijven bewijzen, dat ze zijn overheersing niet aanvaarden.

Ge zult U afvragen waarom Jezus met hen in contact kwam. Ach, dat is eigenlijk heel simpel. Van Jezus zegde men immers, dat hij de Messias was. En de Joden, die vochten, vochten juist tegen de degradatie, niet in de eerste plaats van de Joodse staat, maar van het Joodse geloof. Een Messias zou voor hen een bevrijding kunnen betekenen. Dat was de goddelijke kracht, een nieuw geboren Gideon, die een kleine schare zegevierend zou kunnen voeren door alle rijken, die bezet waren door Rome, die met een enkel woord alle legioenen zou kunnen verslaan. Is het een wonder, dat deze mensen hem vroegen tot hen te komen? Dat zij aanboden hem te dienen met alle middelen, die hun ter beschikking stonden? Neen, nietwaar. Het is logisch en begrijpelijk. Wat voor hen minder begrijpelijk was is Jezus’ houding geweest. Want hij zei tot hen en ik vertaal dit nu zo letterlijk mogelijk: “Ik zeg U, indien gij zoekt de vrede te gewinnen door het zwaard, zo zal het zwaard niet slechts U doch ook de vrede doden. Slechts zij, die kunnen ondergaan zonder verzet, vinden de kracht in zichzelf om zichzelf gelijk te blijven. Zichzelf gelijkblijvende vinden ze in zich de sterkte van hun God, de vrede van een mens, die weet, dat hij goed heeft gehandeld. Ga terug tot Uwe haardsteden, leg neer Uw zwaard, zweer af Uw gedachten van moord. Want voorwaar, in de kracht mijns Vaders bestaat er geen haat, die niet ondergang en duister betekent. In het huis mijns Vaders rust er geen, die geweld heeft gepleegd zelfs in Zijnen naam en daarbij Zijn liefdekracht niet heeft beacht.”

Dit was natuurlijk een erge teleurstelling. Een heel grote teleurstelling. En toch heeft Jezus zeker verstandiger gehandeld dan sommige groeperingen in Uw eigen tijd, die dan voor de vrijheid, en de vrede heten te vechten. Want Jezus zegde tot hen: “Weest vrij in Uzelf.” dat was hetgeen hij hun leerde. Wees vrij in jezelf. Indien de wereld je te veel bindt, aanvaard datgene, wat je als dienst aanvaarden kunt ommentwille van de naaste en minacht het andere. Verzet je er niet tegen. Ervaar het eenvoudig niet. Dat is heel wat moeilijker dan het klinkt, natuurlijk.

In deze tijd heeft men geroepen: “Verzet U toch. Gij verlangt naar vrijheid, zo neem U die vrijheid. We zullen U alles geven aan wapens, aan voedsel, aan alles, wat ge nodig hebt.” En deze belofte is niet vervuld. Maar de belofte, die Jezus heeft gedaan aan degenen, die terug zouden gaan tot hunne haardsteden, is wel vervuld.

O, zeker, er zijn er gestorven, soms in geweld. Gevangenen van Rome. Ze zijn gestorven in de kerkers, die in de sombere burcht boven Jeruzalem een noodlot betekenden en een voortdurende bedreiging voor het hele volk der Joden. Maar de vrede, die zij gevonden hebben, hebben ze nooit verloren.

Ik geloof, dat dit de belangrijkste les is, die juist in deze tijd getrokken kan worden uit Jezus’ leven. Voor ons althans. Draag de vrede in jezelf. Aanvaard in de wereld buiten je al datgene, wat je aanvaarden kunt. Doe terwille van je medemensen alles, wat je volbrengen kunt. Maar laat je nooit leiden tot haat, tot hartstocht, tot verwerping. Datgene, wat je veroordeelt, negeer dat. Of bestrijd het door zelve zo goed te zijn, dat het kwaad daartegen geen invloed meer heeft.

Dat brengt natuurlijk de nodige consequenties met zich mee. Die consequenties liggen zeker in het vlak van het christelijke. Niet het christelijke, zoals gij dat op het ogenblik kent in kerken, maar het waarlijk christelijke: de gedachte van eenheid.

Het is ons moeilijk gevallen een spreker te vinden, die uit eigen ervaring dit voor U kan belichten. Dat wij daar toch in geslaagd zijn, danken wij aan het feit, dat iemand, die normalerwijze ook in een ander taalgebied werkt, bereid werd gevonden een deel van de voor hem toch nodige rust op te offeren om de verbinding, die tussen U en ons bestaat, op de beste wijze in stand te helpen houden. Hij is nog niet zo lang geleden overgegaan een jaar of twaalf, veertien en heeft zijn eigen ervaringen, die hij U ongetwijfeld zal voorleggen. Ik hoop dat U, zelfs wanneer U vindt, dat dit niet past in het kader van de reeks lezingen, zoals ze op de Zondagochtenden worden gegeven, hem toch met dankbaarheid zult willen aanvaarden, waar hij om Uwentwille zeker ook een offer brengt.

p-o-o-o-o

Mij is gevraagd om voor U een kort ogenblik te spreken over de inhoud van de werkelijke strijd en de christelijke betekenis, die daaraan is verbonden. Ik ben zelf wat U noemt, verzetsstrijder geweest. Ik heb ongeveer drie jaar lang voortdurend deel genomen aan aanslagen in de laatste wereldoorlog. Ik heb deel uitgemaakt van rooftochten. Uiteindelijk weet ik, dat ze niets anders waren dan dat. En ik heb het leven van heel veel mensen op mijn geweten gehad. Het feit, dat ik toch tot U kan spreken, heb ik dan ook in de allereerste plaats te danken aan een bewustzijn, dat men mij heeft gegeven, omdat ik gestorven ben zonder haat.

Wanneer men zonder haat sterft, dan krijgt men de gelegenheid om in ieder geval contact op te nemen met alle anderen, die rond U zijn. En dat geeft dan een inzicht omtrent de fouten, die men heeft gemaakt.

Ik heb de volgende lessen geleerd: Zolang je strijdt tegen een ander, is dat op zichzelf onvermijdelijk. Men kan niet zonder meer zeggen: “Ik geef mij over aan alle wereld en alle geweld.” Degene die dat doet, begaat een grote dwaasheid. Hij geeft zich over aan een wereld, waar hij zichzelf nog niet buiten kan stellen.

En eerst wanneer men zich daarbuiten stelt, dan is het mogelijk voor een mens om werkelijk te komen tot de innerlijke vrede, die noodzakelijk is voor een volledige aanvaarding van al wat gebeurt. Zonder strijd leven gaat niet. Dit kan men nu eenmaal niet volbrengen. Daarom moet men zoeken om in zijn strijd in ieder geval alle haat en alle zuiver persoonlijke belangen opzij te zetten. Hierin ligt voor ons een noodzaak, die ik zou willen illustreren door een ervaring, die ik kort na eigen overgang heb doorgemaakt.

Zoekende naar een licht in een wereld, die voor mij nog duister was, ben ik gekomen tot een plotseling aanvaarden van eigen toestand. Ik wist toen nog niet, dat ik hiervoor dankbaar moest zijn aan geestelijke vrienden, die rond mij waren. Ik kon hen niet erkennen, zolang ik verzonken was in mijzelf. En toen heeft deze gedachte: “Ik moet dan mijn lot maar aanvaarden, het heeft geen nut mij te verzetten,” mij de mogelijkheid gegeven deze anderen te accepteren, te zien. Neen….niet te zien. Mijzelf door hun wezen, vragen en gedachten te laten doordringen. Hieruit volgde voor mij de volgende realisation: “Ik moet voor mijzelf volledig aanvaarden al wat de wereld mij brengt. Ik mag niet meer zijn een strijder zonder meer. Integendeel, ik moet leren begrijpen, dat de volledige aanvaarding van al wat op aarde is gebeurd, mij niet mag maken tot een vijand van een Duitser…..of een andere nationaliteit. “Elke natie, ieder mens, die op aarde leeft, heeft gelijke rechten op mijn eigen genegenheid, mijn eigen hulp.”

Dit besef bracht mij in contact met grotere geesten en ik heb daar leringen mogen ontvangen, die ik zal proberen in een paar woorden voor U weer te geven.

“Leven is het ondergaan van grote krachten, die in de wereld buiten je om werkzaam zijn. Dat leven verwerk je door uit jezelf de kleine veranderingen daarin aan te brengen, die mogelijk zijn door verandering van eigen instelling tegenover dit leven. Deze veranderingen zijn op zichzelf zo onbelangrijk, dat zij niet oorzaak mogen zijn van een aanvaarding of verwerping van al, wat rond U bestaat. Men kan slechts zichzelf aanvaarden of verwerpen in dit leven.”

Dit begrijpende wat mij lange tijd heeft gekost vermocht ik een volgende lering te begrijpen: “Strijden is het noodzakelijk resultaat van iemand, die zijn wereld buiten hem niet begrijpt. Want zolang men niet begrijpt, waar de overeenstemming ligt tussen Uzelf en de wereld rond U, blijft U voortdurend gebonden aan een verzet tegen al, wat U daarin niet erkent als deel van Uzelf. Dit verzet, deze controverse, is een noodzaak voor een ieder, om te komen tot een besef van zijn buitenwereld.”

Zo treur nooit, wanneer U gestreden heeft of strijden zult. Treur alleen, wanneer Uw strijd niet gericht werd tot een deel van die wereld buiten U, en dus niet een poging was om een deel van die wereld buiten U mee te betrekken in Uzelf, maar alleen een zelfzuchtig streven naar een overheersing van de wereld buiten U. Hierin ligt het grote verschil.

Dit is het verschil, dat Jezus Christus heeft gepredikt. Dit is zijn werkelijke leer ook voor ons geweest, die wij praktisch kunnen aanvaarden. Wij moeten zo nodig strijden met de wereld. Maar wij mogen nooit strijden om die wereld aan te passen aan ons denken, aan ons begeren, aan ons verlangen. Wanneer wij strijden, moet onze strijd gericht zijn op het bevorderen van wat wij zien in de wereld zelve als goed. Wanneer wij het goede in de wereld steeds sterker bevorderen, dan zal hierdoor tussen ons wezen en de wereld buiten ons een band van begrip groeien.

Deze band van begrip heb ik uiteindelijk gevonden. En ik weet, dat een ieder die ook vinden kan. Er is geen onmogelijkheid, want niets wordt U veroordeeld. Er is geen veroordeling mogelijk van een daad, die wordt gesteld. Geen enkele daad, die men op aarde, stelt, kan nadelig zijn voor de bewustwording, wanneer men niet deze bewustwording zelf uitdrukt in een tegenstelling tot de wereld en in een pogen de wereld te overheersen.

Een van Uw eigen vrienden helpt mij op het ogenblik om mijn woorden door te geven. Ik zal zo dadelijk ook het woord en het medium aan hem overlaten.

Om mijn rede kort te beëindigen voor U: Geloof met mij, vrienden, in de noodzaak om altijd zonder oordeel in de wereld te leven. Dit leven in de wereld brengt met zich mede, dat men door niet te oordelen, door zelf te aanvaarden, kan komen tot een werkelijk en groot bewustzijn. Het strijden voor de wereld is de bewustwording van de wereld. en zo de realisatie van al datgene, wat Jezus ons heeft gegeven, toen hij zegde: “Heb Uw naaste lief gelijk, Uzelf.” Want ge strijdt voor Uzelf en voor Uzelf strijdende, strijdt gij voor de wereld evenzeer. Geen strijd die wegvalt, geen vrede die komt. Maar een innerlijke vrede, die ontstaat door de eenheid tussen U en de wereld, waarbij de strijd het middel wordt tot groter begrip en groter eenheid.

o-o-o-o-o

Ja, vrienden, wanneer de mogelijkheid voor mij bestaat om tot U te komen, dan gebruik ik deze gaarne en ik had op dit ogenblik de gelegenheid om toch nog aanwezig te zijn.

U moet mij niet kwalijk nemen, dat ik onze Franse vriend geholpen heb, maar voor hem was de woordkeus en het werken met dit medium aanmerkelijk moeilijker dan voor mij. En zo kunnen wij dan misschien wat kleine ogenblikken winnen, opdat ik U nog iets van mijn eigen gedachten kan mededelen. Want voor ons is dit gebeuren op aarde natuurlijk ook een grote leerschool.

Het is eigenaardig, hoe een mens voor zijn idealen, voor zijn geloof, alles achterlaat. Wat ik nooit voor mogelijk had gehouden, heb ik bevestigd gezien in deze laatste dagen op deze wereld. Ook nu nog zijn er mensen, die vrouw en kind, vader en moeder achterlaten, om het licht te volgen, dat zij zien. Om hun God te volgen. En dan maakt het weinig verschil uit, of die God vrijheid wordt genoemd, of Vader of Jezus Christus. Welke naam men aan de Vader geeft, aan God, maakt weinig uit. En een mens, die dit alles doet ommentwille van een vrijheid, die hij niet alleen voor zich begeert, maar die hij wil geven aan iedereen, die doet daarmede eigenlijk wat Jezus heeft opgedragen.

Naast de jammerlijke aspecten van mensen, die wij haast niet kunnen wekken uit hun haat, heb ik wonderbaarlijke gebeurtenissen gezien. Ik heb geesten gezien van mensen, die op aarde dom heetten, die met een ongekende woede, met een grote kracht hebben gevochten tegen indringers van hun land, in andere gevallen tegen politie. En het eigenaardige is, dat zolang deze woede slechts was een trachten voor anderen iets te verwerven, hun overgang zo schoon is geweest.

Wij hebben enkele dagen is het alweer geleden, geloof ik een groep van bijna 120 man overgekregen in een periode van ongeveer 3½ uur. Al deze mensen waren gestorven, omdat zij voor anderen een weg tot vrijheid wilden openhouden.

Nu is dat op zichzelf strategie en politiek en niet belangrijk. Belangrijk was, dat van deze mensen er slechts 16 waren, die vochten uit haat. De anderen hebben gestreden uit liefde. Uit liefde. Uit liefde voor hun ideaal, maar ook uit liefde voor de mensen, die zij wilden onttrekken aan wat zij zagen als een ondraaglijk juk.

Het licht, dat hen omgaf op het ogenblik, dat zij overgingen, heeft mij bewezen, hoe klein ikzelf nog kan zijn. Want voor mij is de weg naar de lichte sfeer lang geweest; en dezen zie ik plotseling rusten in een grote wonderlijke vrede.

Ik heb die ervaring horen delen door anderen. Eén van onze eigen broeders heeft mij dat ook nog medegedeeld over iemand, meer uit Uw eigen omgeving. Ook hier, zei hij, was het verwonderlijke: de aanvaarding, het verwerpen van alle strijd ommentwille van het ik gelijk aan een zee van licht en klank en kleur. Een wonderbaarlijk schouwspel. Zelfs wanneer de ziel zelve dit nog niet geheel beseft, wordt zij er toch reeds door gedragen en zij ontwaakt in een lichte sfeer, waar zij haar geluk en haar vrede ook inderdaad vindt.

Weet U, voor mij bestaat er geen groter, geen zuiverder uitdrukking van Gods liefde. Voor mij bestaat er geen juister beeld van het werkelijk doel van het leven. Men heeft geen van dezen gevraagd: “Hebt gij verkeerdelijk lief gehad? Hebt gij verkeerdelijk begeerd? Hebt gij gestreden of onrecht gedaan?” Men heeft hun gevraagd: “Hebt gij alles willen offeren voor anderen?” En hun antwoord “Ja” stond gelijk aan de volledige aanvaarding van Gods wil voor anderen. Het betekende een verwerpen van al het kleine, dat onbelangrijk werd hierbij.

De wereld heeft ons in deze dagen zeer veel arbeid bezorgd, zeer veel moeilijkheden. Maar zij heeft ons ook laten zien, welk een grootheid er kan schuilen in een mens, die nog onbewust leeft, maar die van binnenuit probeert in de wereld wat goeds te doen.

Ik hoop, dat U mij niet kwalijk neemt, dat ik over deze dingen spreek, maar het vult op het ogenblik praktisch al onze tijd. En het is slechts een toeval, dat ik in Uw nabijheid kon zijn, dat het verlangen om tot U te spreken mij een ogenblik hier naar binnen heeft gebracht. Deze dingen zijn voor ons zo belangrijk, maar ook zo groots. Het samenklinken van zielen zelfs haast onbewust doet hen zo ontwaken in een schone sfeer. Er is geen wraak meer.

U zult mij misschien niet geloven, maar ik heb ze gezamenlijk zien opgaan, Russen en Roemenen en Hongaren. Ik heb ze gezamenlijk het licht zien bereiken, de Egyptenaren en de Israëliërs, naast elkaar gevallen. En dit is voor mij het wonderlijke. Dat de mensen van deze tijd nog zo in staat zijn hun ideaal te erkennen als belangrijker dan een persoonlijke haat. Dat zij in staat zijn zich soms op te offeren voor anderen, zonder daarom degene, die het offer noodzakelijk maakt, te haten.

Ik heb niet veel tijd meer, ik moet van U heen gaan. Mag ik zeggen, dat het geestelijk peil van velen op deze wereld voor mij een vreugdige verrassing is geweest? Ik heb meer hoop en vertrouwen in de ontwikkeling van de mensheid in deze wereld door al dit onrecht, dat is gebeurd en de resultaten, die ik daarvan in de sferen heb gezien, dan ik durfde te hebben, toen mijn enig werk was spreken tot U en waarnemen zonder meer.

Daarom zou ik U willen zeggen, vrienden, vertrouw op Uw God, maar vertrouw ook op de mensheid. Want haar kern is edeler dan zelfs wij hadden vermoed.

IN VREDE DIENEN

God dienen is een zware taak, door menigeen aanvaard zonder begrip der werkelijkheid, dat toch op deze aard’ men dient niet God maar ‘t eigen “ik”, gehuld in godenschijn. Vandaar de ban, de ondergang vaak van het stoffelijk zijn.

Maar leert men dienen ‘t ware licht, te streven volgens plicht, die men op aarde heeft aanvaard, naar vrede in het eigen “ik”, een vrede, die bewaard blijft in het leven ook van anderen, dan ziet men plots der aarde schijn tot werkelijkheid veranderen.

Er keert een licht, dat zacht eerst gloeit en groeit en groeit tot zonnekracht en toont ook ‘t stoffelijk bestaan in goddelijke wonderpracht.

Want niet is stof alleen maar waan. Wie ‘t ware wezen daar begrijpt, ziet dan, hoe God der zielen “zijn” in stof en zonlicht rijpt. Tezamen zijn met Hem, te horen naar Zijn stem, te aanvaarden Zijn decreet nog sterker dan de rede, dat leert de mens te dienen, te dienen steeds in Vrede. Een vrede van hart. Een vrede van denken. Een vrede in d’ aanvaarding van leed en van pijn. Vrede door anderen vrede te schenken. Vrede door zelf in God reeds te zijn. Dan dient men in vrede en ziet men de wereld herleven tot Goddelijke werkelijkheid, waarin lijden en pijn dan zijn verdreven en overblijft: Gods heerlijkheid.

Dienen in vrede is aanvaarden, wat het leven je oplegt. Het is aanvaarden van elke mogelijkheid om anderen te dienen, anderen vreugde te geven. Dienen in vrede is: de vrede, die je in jezelf kent, trachten te vinden in de wereld rond je, opdat de vrede in U en de vrede in de wereld een eenheid vormen, waardoor gij Gods openbaring in Uw wezen en in de wereld ziet als de uiting van Zijn tweeheid en drieheid in alle werelden.