In den beginne…  

  28 september 1956

Mag ik u aan het begin van deze bijeenkomst er op wijzen, dat wij niet alle dingen weten en dientengevolge soms een fout zouden kunnen maken? Wij trachten dit zoveel mogelijk te voorkomen. Maar dat neemt niet weg, dat het zou kunnen gebeuren, ondanks alle zorgen. Wees dus zo goed om na te gaan, om hetgeen wij zeggen, in overeenstemming is met hetgeen gij zoekt: waarden, die gij kunt accepteren, of misschien zelfs controleren. Ofschoon dat laatste misschien wel heel moeilijk is voor het onderwerp, dat u voorgeschoteld krijgt.

“In den beginne was het Woord, het Woord was in God en het Woord was God”. Zo zegt de oude Bijbel ons in het begin van het Scheppingsverhaal. “Het wonderlijk zijn van de grote Kracht, van de Schepper, en wil ons met dit woord aantonen, dat de uiting van Zijn innerlijk Vlezen het begin is van alle scheppende procedé’s.

Wij kunnen dit bevestigen, waar wij ook bij de mens steeds weer zien, dat elke Schepping geboren wordt uit de gedachte. Het is de gedachte, die stimuleert, die origine is: oorzaak, oorsprong. Daarna komt dan het werk.

In die Bijbel lezen wij dan ook, dat God “zes dagen lang werkte, de zevende dag rustte”. Dit is het begin, ook van onze betogen. Ook wij zijn ontstaan in den beginne….. Wij waren deel van het Woord, dat uitging tot de Schepping, deel van de Goddelijke Kracht, die Zich scheppend openbaarde in het hele Al.

Waar wij willen zoeken naar de grondslagen van ons eigen bestaan, moeten wij dus wel beginnen bij het begin.

Wat was er, voordat de aarde werd geschapen? De Bijbel zegt het ons en vele andere oude geschriften bevestigen het ons: “Er waren geesten…. Er waren andere werelden….. Hemel. Een hemel met verschilde heerscharen, met engelen in verschillende functies, rangen en kwaliteiten.

Lezen wij nu i.p.v. kerkelijk gezien: hemel, hemel in onze gedachten, zoals wij dit dagelijks gebruiken, wanneer wij omhoog schouwen van een wereld, dan zien wij aan die hemel een grote hoeveelheid sterren, sterrennevels. Wij zien kortom een geheimzinnig duister, waarin ons vaag uit grote verten het flauwe licht der sterren bereikt.

“God schiep hemel en aarde”. Eerst de hemel! Lang voordat er sprake was van een aarde, van een menselijke ontwikkeling, leefden er reeds bewuste geesten, grote krachten; streefden er reeds op andere planeten, in verre sterren, levende wezens, die gij thans met verwondering, of met afschuw zoudt aanschouwen, maar die  geestelijk gerijpt thans de leiders zijn van deze wereld. Wij kunnen hen noemen engelen, of, wanneer zij het chaotisch principe zijn toegedaan duivelen. Maar wij moeten ook bestaan hebben in die tijd.

Als God schept, dan schept Hij de Oneindigheid. Want Oneindig is Zijn Wezen. Wanneer God Schept, dan schept Hij de Volmaaktheid, want Hij is de Volmaaktheid.

Wij waren aanwezig toen de eerst geest openbloeiende als een bloem, onmiddellijk in het Goddelijke Zicht, niet nog gedoemd om af te dalen en te strijden om bewustzijn, ontwaakte en zich realiseerde:

IK BEN……

Nietig waren wij. Duister. Onbegrepen Zijn, dat uitvloeide, gedragen door de Goddelijke krachtstromen en steeds verder moest doordringen in de materie. Materie, die nog in gloeiende wolken wervelde en eerst langzaam zich scheidde, zodat uit de kern van het Al de verschillende grote ballons der wervelende, nebula weg werden geslingerd en het proces van de vorming der sterren kon beginnen.

Toen waren wij al. Onze oorsprong ligt zover terug, dat zelfs de groten onder ons die weg haast niet geheel terug kunnen gaan. Een enkeling bereikt het en vindt achter alle niet begrijpen, achter alle onverstane levensvormen, plotseling weer. Het Woord: Het Goddelijke.

Deze dingen zijn voor ons belangrijk. Zeker. Maar zij zijn ook troostrijk. Indien wij één waren met al het zijnde op het ogenblik der Schepping, zullen wij één zijn het al het zijnde tot het einde der Schepping.

God kan niet méér worden en niet minder, dan Hij is. Zegt Hij niet van Zichzelf: “Ik ben, Die ben”. Is Hij niet. het eeuwig zijnde, dat onveranderlijk blijft? Maar deze bedachte is niet voldoende.

Wij moeten verder gaan zoeken, wij moeten trachten te begrijpen, waarom in onze bewustzijn tot stand komt? Waarom de geest, die – zoals u hopelijk zult toegeven  een zeer voornaam deel is, ook van de mens, uiteindelijk komt tot een bewustzijn en een waarneming?

Je kunt die dingen technisch zeggen. Dan is het misschien moeilijk.

Je kunt ze esoterisch zeggen. Dan zijn zij onbegrijpelijk. Je kunt ze eenvoudig zeggen.

Ik zal het kort technisch zeggen. Kort esoterisch en dan uitgebreid eenvoudig.

Technisch.

De Goddelijke Kracht deelde Zich in tegenstellingen, waardoor een werveling ontstond in het veld der Goddelijke Krachten.

Hierin werden kleine delen afgezonderd van het Al en bleven binnen zichzelf besloten, reagerend op al, wat buiten tien bestond, dit in zich verwerkend en zich aanpassend, zonder daarom hun eigen wezen en geaardheid verder te kunnen veranderen.

Esoterisch.

De esotericus zegt ons. Toen het bewustzijn “ik” zei, was de geest geboren.

En hoe moeten wij het zeggen? Simpele mensen en simpele geesten.

Op het ogenblik, dat de Goddelijke Kracht beperkt wordt tot één persoonlijkheid, werkt deze Goddelijke Kracht nog door. Het is God Zelf, Die de persoonlijkheid creëert door de tegenstellingen, die Hij hoeft geschapen in Zijn Schepping. Wij zijn het product van Zijn onmiddellijk werken, Zijn onmiddellijke Wil. Wij zijn ontstaan, omdat Hij Zich wilde uiten in een volledige Uiting, die betekent: totaal van tegenstelling, ongeacht wat ervan gerealiseerd, of niet gerealiseerd, wordt door een eenvoudig mens, of door een geest.

God heeft ons tot stand gebracht. Het is de Goddelijke kracht Zelf, die aansprakelijk is voor ons zijn.

Maar toen……Toen was die geest dus een eenvoudig, simpel, afgesloten wezen. Het was begrensd. Had het toen al een “ik” bewustzijn, zoals de esotericus zegt? Neen! Maar het voelde zich gescheiden van het Al en wist, dat er een grens was aan het zijn. Het voelde een tegenstelling t.o.v. de wereld. Naar deze tegenstelling wordt dan de gedachte geboren: “ik”. Het ego ontwaakt. Het weet nog niet precies, wat het is en hoe het is. Dat zal het veel later uit gaan zoeken. Ondertussen drijft het met zijn bewustzijn van “ik”heid in een wereld van materie. Rond ons exploderende nevels, worden soms in minuten grote sterren gevormd, worden in enkele seconden uit het gloeiende gas de toekomstige planeten gereten.

De geest is in dat Al. Zij heeft geen bewustzijn, waardoor zij boven, of onder, de materie kan leven. Zij is nog op hetzelfde plan met deze zich vermomde materie en dus erkent zij zichzelf in deze materie. Zij voelt: “Ik sta hier midden tussen in”. En de materie met haar kenbaarheid, met haar grote verschijnselen, induceert meer en meer indrukken, brengt dus haar eigen indrukken binnen de begrenzing van de geest over, waardoor deze gaat zeggen: “Ziet, hier houd ik op te zijn.” en komt iets anders. De grens wordt erkend.

Sommige geesten gaan dan verder en zeggen: “Dus moet ik handelen t.o.v. de wereld”, maar de meeste kennen dat nog niet. Zij zijn slechts krachten die gedragen door een simpel bewustzijn van persoonlijkheid, voortdrijvend door de eeuwen.

De sterren koelen af. Vreemde, donkere nevels van simpele gassen drijven tussen de sterren door kometen, meteoren zoeken een weg; sterren vergaan en ontstaan. Meer en meer nadert een sterrennevel, Als de uwe, het punt, waarop leven geboren kan worden. Maar nog drijft de geest onbewust, speelt zij mee in de vlammen, daalt zij af in het gloeiende gas van een zon en rijst weer op om te verstarren in de koude van een duisternis in het Al. Zij weet niet. Zij ervaart wel, maar zij erkent haar eigen vermogen niet om zich uit te drukken. Zij heeft nog geen behoefte om te handelen.

Maar in enkele geesten, lang vóór de mensheid was, dit ontwaakte, de behoefte om zelf te kunnen zijn. Maar wat kende die geest? Die geest was, omringd door de fenomena van een materiële wereld. In haar geestelijke zijn was de afgeslotenheid te groot. Een contact met het Goddelijke was nog onbewust in stand gebleven. Maar verder,  van geest tot geest,  kon men niet spreken.

Ze zoeken dan ergens op een planeet, waarin langzaam de wateren tot een lauw warmte zijn afgekoeld enkele geesten een bestaan en worden de eerste, kleine cellen geboren. Nog geen levende cellen, maar cellen, die het leven reeds benaderen. En de kosmos bewust is van wat hier gebeurt, werkt zij mede. Plotseling, plotseling zien wij een cel, die zich voor het eerst gaat bewegen; die zelf naar voedsel zoekt en aan haar gebonden: een geest. Een geest, die nu geleid wordt door middel van deze materie, door middel van deze stof. Terwijl het leven daar verder groeit, komt een andere reeks geesten, die in de buitenste koude vertoevend, ook zoeken naar een uitdrukking van:“ik”, een omschrijving van dat “ik” op zo’n manier, dat zij zichzelf werkelijk kunnen kennen. Tot kristallisatie op iets, wat u op het ogenblik een grote meteoor zoudt noemen. Kristallen tweeledigheid van geestelijke ontwikkeling. Gekristalliseerde materie, waarin sidderend de geest tracht aan het raam der wonderlijk geometrisch opgebouwde lijnen zichzelf te herkennen en daarnaast de jachtende, jagende oercel, voortdurend bezorgd om zich te vermenigvuldigen, zich te voeden, zoekend naar een welbehagen. Daar ligt het begin van alle wereld. Niet hier op aarde, maar ver in het Al. Er zijn geesten, die dan verklaren: “In deze bekrompenheid willen wij niet blijven”. Zij grijpen terug naar die oerkracht. Zij zouden zichzelf willen verheffen tot het Goddelijke.

Zij verkrijgen inderdaad oen bewustzijn, een groot bewustzijn. Zij weten uit het Goddelijke te putten, maar hun persoonlijkheid is op het ogenblik obsederend geworden, want buiten zich kunnen zij niets waarnemen, zij putten alleen uit het Goddelijke. Dan wordt geboren de tegenstelling van wat wij het “licht” noemen. Wij zouden moeten zeggen: het duister, de demonen, of de duivelen.

Ik vind de naam, eerlijk gezegd, kwetsend. Want ook deze geesten streven op hun wijze naar een bereiking en naar het goede, ook al kunnen wij die niet aanvaarden. Zij zijn het, die later in de materie trachten zich voortdurend hernieuwd uit te drukken, die gaarne elke wereld zouden willen maken tot een barre, kille steen, die door de ruimte drijft in zich een krachtlijn, een veld dragend, waarnaar enkele kristallen zich richten en met hun bewustzijn haar sturend door de ruimte, onbewust en ledig. Dat is hun streven. Maar ook cellen zijn er gevormd. Wij zien al meerdere soorten van allen ontstaan op meerder planeten. Hier zien wij een ammoniakatmosfeer ontstaan, elders is het zuurstof-koolstofverhouding, die de vorming van het levend wezen bepalen. Het maakt niets uit.

De geest is dezelfde. Overal streeft zij naar een vorm, die haar in staat zal stellen zelf te zijn, zichzelf volledig te ervaren a.h.w. de wereld haar wil op te leggen en niet slechts de speelbal van wat haar omringt. Deze geesten hebben hun moeizame gang volbracht. Maar toen zij ontwaakten en eindelijk de banden der materie van zich af konden gooien zonder daardoor hun geestelijk bewustzijn te verliezen. Zij leerden zich te bewegen in die lichte werelden van gedachten, van klanken en licht, die gij de sferen noemt. Toen zagen zij onder zich het nieuw ontwakend leven van de geest, die opnieuw poogde op andere sterren, bij andere planeten tot bewustzijn te komen.

Toen is het geweest, dat zij hun gedachten hebben uitgezonden. Gedachten, die op de duur de obsessie bevestigden in elk van deze kleine levensvormen.”Ik wil zijn”zeiden zij. Het antwoord was; Zo ben jij”, puttend”uit hun rijke ervaring gaven de geesten, die later groepsgeesten genoemd werden, een vormvoorstelling aan de levende wezens, die zelf nog niet het bewustzijn bezaten, waardoor zij zichzelf een leven konden bouwen, zelf zich konden richten op hot Oneindigheid. Dat zijn onze engelen. Vanaf dat ogenblik heeft zich het proces der wordende geest afgespeeld. Nu op deze, dan op gene wereld. Planeten, die grote beschavingen droegen, zijn ten onder gegaan. Sommigen in koude, of vuur. Anderen in de langzame vereenzaming van een ras, dat uiteindelijk geen stoffelijk bewustzijn meer zoekt. De steriliteit van werelden, waar het genoegen boven al het andere is gekomen, waar dus geen voortplanting meer plaats vindt. Wanneer gij kijkt naar die hemel, de hemelt waarover ik u sprak, denk dan eens daaraan. Ongezien en ongekend zijn er duizenden werelden, waarop wezens hebben geleefd, gestreefd en geleden, zoals gij. Rond u, misschien in het duister van de ruimte, misschien in een dansende zonnestraal, in een flitsende gedachte, een ogenblik van bezinning, spreekt die geest, die bewuste geest tot u.

Een mens kan niet eenzaam zijn. Hij kan zelfs niets doen, wat onmiddellijk wordt geregistreerd. Wordt waargenomen en mede verwerkt in een beeld ven deze wereld.

Maar gij zijt vrij. Want zoals deze anderen eens voor zichzelf heb ben bevochten de overwinning van de materie en het bewustzijn van de geest, zo moogt ook brij, nu gij bewustzijn bezit, vorder streven. Dit is dan het eerste beeld, wat ik U wil schetsen. Een beeld van de geest, die uit het ogenblik der Schepping ontwakend, geboren uit de Goddelijke Kracht, in de beperking der materie zijn persoonlijkheid vindt Deze persoonlijkheid verhoogt tot een geestelijk bewustzijn, waardoor zij de oorspronkelijke deelgenootschap met het Goddelijke terug kan winnen. Geest, die thans voor u werkzaam is. Zoals gij misschien eens het lot zult leiden van een volk op een gereld, die thans nog niet eens ontstaan, nog niet eens geboren is.

  • U zei zo pas: leiding kunnende geven aan werelden, die nu nog niet geboren zijn. Is dan alles niet gelijktijdig ontstaan in het begin der Schepping?

Inderdaad. Ik zou het zo willen zeggen. Vanuit het Goddelijke bestaat alles ten allen tijde, gelijktijdig en onveranderlijk. Maar voor ons bewustzijn gaan werelden ten onder en worden werelden geboren, tot ons bewustzijn ze verwerkt en ze niet meer erkent, of zich bewust wordt van hun bestaan door het richten van eigen belangstelling. Voor ons moeten die werelden geboren worden, ook wanneer zij voor God de flits van Zijn Uiting zijn, die voor Hem misschien 1/1000ste van één seconde is. Als ik tenminste over God in tijd mag spreken. Maar die voor ons een oneindig aantal ionen van jaren telt. Is daarmede de zaak duidelijk?

  • Wanneer zou het zo zijn, dat de mensheid zich bewust wordt in zijn geheel van de hulp der geesten op andere planeten?

Dat zal nog wel enige tijd duren, ja ik zou daarop liever niet nader ingaan voor het ogenblik. Deze dingen gebeuren slechts dan, wanneer de mensheid daarvoor rijp is, niet: eerder. Kijk om u heen en trek uw eigen conclusie.

Als er geen vragen meer zijn, dan zal ik het woord over geven aan de tweede spreker.

~~~~~~~~~~~~~~

Na dit eerste gedeelte, zou ik thans gaarne aandacht willen vragen voor mijn misschien wat diepgaande beschouwing op esoterisch gebied.

Er is een zin, die past bij hetgeen de eerste spreker heeft behandeld. N.l. het bekende: “Tat tvam asi”, `’Dit zijt Gij”.

“Dit zijt Gij”, betekent voor ons de zelfkennis, maar ook de spiegeling in alle dingen, want of gij opziet naar de sterren, of ziet naar een bloem, of naar een medemens, gij kunt tot u zelf zeggen: “Ziet, dit zijt gij”. Al wat een mens waar neemt en wat in een mens leeft, al wat in de wereld buiten hem leeft, is in henzelf.

Er is geen enkele grens. Gij kunt niet zeggen: “Dit ligt buiten mij”. Wat gij kent, wat gij beleeft, dit alles zijt gij.

Er zijn ongetwijfeld zeer vele beschouwingen over dit onderwerp gegeven. Men heeft daarover zeer veel gesproken. Toch moeten wij voor onszelf proberen te benaderen de grote werkelijkheid van het alzijnde voor onszelf. Wij zijn alles, omdat wij slechts datgene kunnen erkennen, wat in ons leeft. Wij zijn al wat buiten ons bestaat aan haat, aan ziekte. Wij zijn ook al datgene, wat buiten ons bestaat, als lijden, als dood, of ondergang. Wij zijn de vreugde. Wij zijn de dood.

Begrijpelijk, want wanneer ik leef en ik schouw buiten mij naar een door mij erkende zon, dan moet ik weten, wat zon is. En de zon moet een beeld zijn in mij. Wanneer ik een bloem zie openbloeien en ik kan mij indenken, hoezeer zij dorstig omhoog gijpt naar het licht, dat haar thans volledig zal verzadigen, dat voor haar rijkdom en rijpheid betekent, dan moet ik in mijzelf dit oproeien naar het licht eerst ervaren hebben.

Wanneer ik het duister gereld buiten mij zie en een strijd, die ik goedkeur, ondanks al haar wreedheid, dan moet ik zelf vreemd zijn en deze strijd zelf begeren. Ook wanneer ik de moed niet heb om haar te uiten. Elkaar kennen beteken; “zij zijn”.

Nu heeft men hierover veel geschreven en veel gedacht, ook in de zin vang “Hoe kan ik met dit, wat ik ben iets bereiken?” Wij vinden daar o.a. de beschouwingen omtrent de leer des levens. Wijsheid daarvan kunt u neergelegd vinden bij Chinese wijsgeren, maar gij kunt ze evengoed vinden bij christelijke en andere grote denkers der tijden.

Iedere mens worstelt altijd met zichzelf om de wereld aan te kunnen passen aan zijn eigen wezen. Kort gezegd;

Zoals ik mij gedraag, zoals ik leef en streef, zo maak ik de wereld. Wat ik in mij vorm aan gedachten en voorstellingen, scherp gevormd, scherp gedefinieerd, dan zend ik uit in de wereld en schep ik buiten mij. Ik ben niet eenzaam, ik ben niet afgesloten van die wereld. Wanneer ik in hijzelf droefheid kweek, de wereld zal mij droefheid geven.Wanneer ik in mijzelf krachten zamel en ik dwing een ander tot overgave in mijn gedachten, zo zal hij zich overgeven in werkelijkheid. Ik kan van mijn gedachten een zwaard maken of misschien een helpende hand, of een troostende arm.

Doch nu moeten wij voorzichtig zijn, wanneer wij het wapen der gedachten gaan hanteren. Want wie het zwaard gebruikt, zal het zwaard tegen zichzelf gewend zien. Wij kunnen niet iets in de wereld geven, dat niet tot ons terugkeert. Altijd zijn wij weer gebonden aan het eeuwige Pad des Levens. Dit betekent, dat elk punt, dat wij thans verlaten om dus een ander tot slachtoffer te laten worden door onszelf weer bereikt zal worden, en dat mijzelf zullen ondergaan, wat wij eens meenden een ander aan te doen. Het betekent echter nog meer.

Gij kunt niets veranderen in het leven van anderen, ook al denkt dat gij dit kunt doen, misschien door uw liefde, misschien door uw haat. Gij kunt het wezen van anderen niet veranderen. Gij kunt slechts die anderen een beeld tonen van eigenschappen, die in hem leven, Hij kan slechts meer beseffen, dat, wat hij is, door u te beloven en te aanschouwen, maar nooit zult gij het binnenste kunnen beroeren. “Dat zijt Gij”. Er is oorlog in de wereld, dat is verschrikkelijk. Ik hoop maar dat die partij wint. De wreedheid van die oorlog, het onrecht, dat erin gepleegd wordt: “Dat zijt Gij”.

Er wordt een mens gevangen genomen en hij lijdt onrechtvaardig. Wanneer gij meent, dat beter één onrechtvaardig lijdt, dan dat het eigen leven onzeker en bedreigd wordt, bedenk, degene, die daar lijdt, dat zijt ook gij. Men spreekt van karma, fatum en noodlot, naar allen zijn slechts termen, die hetzelfde uitdrukken. Gij zijt uw eigen wereld en niets anders.

Nu moeten wij zoeken naar een weg om te ontkomen. Deze weg heeft het christendom neergelegd in de naastenliefde. De lijn van het gedrag is door de grote Kun Fu Tzé uitgewerkt en gegeven als de perfecte leidraad, waardoor men zich in het leven geheel zelf kan realiseren op de juiste wijze temidden van de wereld.

Men spreekt van goden en demonen, van engelen en duivels. Dit alles zijt gij en niets anders. Wanneer gij droomt, dat er een engel rondgaat, die de slechtheid op deze wereld zal wreken in zijn hel, dan zijt gij zelf die hel, dan zijt gij zelf die duivel, gij zijt zelf het slachtoffer.

Laat dit goed in u doordringen. Besef deze dingen wel. Elke voorstelling, die jij in u draagt van een wrekende God, Die het onrecht, door u geleden, of door anderen geleden, zal wreken, betekent, dat elk onrecht, ook aan uzelf zal gewroken worden, als slechts één uitweg. Weten, wat gij zijt en niet oordelen over anderen. Gij hebt niets te maken met wat een andere mens doet, wat een andere wereld betekent. Voor u geldt slechts één waarheid: “Dit is mijn ideaal, dit is mijn denken. Zo geloof ik, zo zult gij leven”. Nooit verloochenen, wat in u leeft. Nooit trachten een omweg te zoeken, altijd een ander respecterende, hard zijnde voor uzelf.

De mens, die hard is tegen zichzelf, zodat hij zich dwingt tot het juiste te gaan, dwingt met zich geheel zijn wereld, geheel zijn ervaring.

Dit is een principe, dat niet alleen esoterisch, maar ook magisch verwerkbaar is.

Gij kunt en dit is bekend uit de parapsychologie, zowel als uit het geloof van vele volkeren,  door middel van een beeld, dus een voor stelling, uitreiken naar anderen. Hoe vaak heeft men niet voor zwarte magie een beeldje gemaakt met of zonder een deel van kleding, of lichaam, dit doorboord met naalden en zo, een mens doen sterven. Hoe vaak heeft men niet schuw u geweigerd een foto te nemen in een primitief land, omdat men weet, beter dan gij, dat een beeltenis u onderwerpt aan de invloed van allen.

Dit beeld wordt door gedachten beïnvloed en naarmate men u beter kent, zult jij onderdanig zijn eraan.

Waarom denkt gij, dat zovele staatslieden een moeilijk leven hebben? Waarom denkt gij, dat juist de groten der aarde zo vaak lijden? Zij zijn bekend. Hun beeld wordt gepubliceerd. Er is een denken aan hen. De gedachten worden weerspiegeld. Indien de mens zichzelf is en niet meer dan dat, dan is hij veilig. Niets kan hem beroeren, want degene, die zich bewust is van zijn eigen krachten en zijn eigen weg weet te gaan, is onaantastbaar voor alle kwaad, voor alle denken van andere werelden. Hij is immers zichzelf en zijn eigen gereld tegelijk.

Maar zodra gij deel hebt aan de wereld van anderen en gij meent van hen afhankelijk te zijn; zodra gij meent, dat de mening van anderen belangrijker is dan uw eigen streven, zodra gij meent, dat gij t.o.v, anderen handelen moet anders dan tegenover uzelf, dan maakt gij uzelf kwetsbaar.

Hoe gaat dit met de groten der wereld? Hoe gaat het ook met de degenen, die streven naar hun eigen weg. Zij trachten in de wereld te werken, en werken in zichzelf.

Een staatsman berust in al zijn denken en streven op zijn publiek, zijn kiezers. De priester wordt gedragen door zijn gemeente. Wanneer dit het geval is dan zijn zij deel van hun gemeente en van hun publiek en kunnen niet meer zonder hen. Alle gedachten daaruit zullen hem beïnvloeden, bemerken. Zij zijn niet meer zichzelf. Zij en, of zij het weten, of niet, een chaotisch strijdtoneel, waarin de gedachten en wensen van velen een voortdurende veldslag leveren.

Gij kunt voor uzelf dit noodlot voorkomen. Weet, dat alle wereld deel is van uzelf. Weet, dat alle kracht deel is van uzelf. Zelfs, wanneer gij zegt: God, en gij stelt u een beeld, of een kracht voor, dan zeg ik u: dit zijt gij en niet meer en niet minder. Het beeld dat in u leeft, is deel van uzelf. Dat er buiten hogere krachten bestaan, is mogelijk. Wij kunnen dit zelfs niet betwijfelen, wanneer wij verder komen op het pad van geestelijke ontwikkeling. Maar wat wij goden noemen, zijn de creaturen van ons eigen denken.

Een westerling schreef eens; “In elke mens huizen vele persoonlijkheden en nu eens grijpt de één, dan de ander het stuur, zodat de baan onbeheerst wordt”. Ik zou zeggen; “In elke mens leeft een hele wereld. Een wereld met alle dingen. Met een zee, met land en met bergen. Met weiden en vee, met tuinen en bloemen, met mensen, vijanden en vrienden. Al deze uit gij, of gij u ervan berust zijt, of niet.

  • Als je zegt dat iedereen, wanneer je dat hoort, zou je niemand kunnen helpen?

Ieder kan zijn eigen wereld beter maken.

  • Maar wie kan je dan helpen?

Wanneer ik mijn eigen wereld beter maak, dan voldoe ik aan mijn verplichting tegenover de wereld. Dat is het beste, wat ik voor die wereld kan doen. Want in de gedachte, die ik zo dadelijk voor u zal ontwikkelen, zal ik u trachten duidelijk te maken, hoe alle wereld, waarin wij leven, één is met ons, ook op andere wijze. Wat wijzelf van onszelf maken, belangrijker dan wat wij werkelijk voor een ander doen; wat wij zijn, betekent wat de wereld morgen zal schijnen, niet slechts voor ons, maar ook voor al het zijnde. Wordt het u duidelijk, dat wij wel iets voor anderen kunnen doen, maar niet op de wijze, waarop men dit gebruikelijk meent tegenwoordig.

  • Kan dit alles niet worden teruggebracht tot de wet van harmonie en disharmonie, dus: alles, wat je in jezelf tot disharmonie hebt gebracht, moet verwerkt worden tot de harmonie hersteld is.

Dit is een wijze van uitdrukken en zij is niet onjuist in haar werking. Wanneer wij nu verder gaan, dan moeten wij vaststellen, dat het voor ons niet mogelijk is de realiteit in onze wereld te beschouwen te erkennen en te doorleven. Wij doorleven slechts ons eigen deel daarvan. Maar gelijktijdig bezitten wij bepaalde factoren gelijktijdig met al degenen, die rond ons zijn. Of wij ook een werkelijkheid van een ander daarmede bereiken, is een vraag, die beantwoord word door een oude Hindoe leraar.

Hij zei: “In een ieder leeft Brahman. Wie Brahman in zichzelf realiseert, versterkt Brahman in allen. Het levende vuur, waaruit alle bestaan wordt geboren, leeft in u. Naarmate gij dit bewuster in uzelf stelt, terwijl gij hoort in een wereld, leeft in een wereld, werkt in een wereld, zult gij dus het totaal aan bewust geuite en aanvaarde kracht in die wereld vergroten. Er kan dan een totale waanwereld rond u zijn. Maya – begoocheling wil niet zeggen; een totale onwerkelijkheid ven al het zijnde, maar een onwerkelijkheid van alle beleven van het zijnde. Brahman echter – Levende Kracht – kan niet verkeerd beleven, want hij is kern van alle dingen”.

Naarmate wij in onszelf nu deze kracht vergeten en dus dichter komen tot wat men noemt het Goddelijke, zal het Goddelijke niet alleen tot ons nader komen, maar tot de werkelijkheid, die achter ons beeld van de wereld verscholen is.

Wij kunnen evenzeer kwade en goede krachten dus in die wereld scheppen. Want er zijn twee mogelijkheden ontkenning van Brahman, dus vermindering van de levende kracht. in de wereld en erkenning van Brahman. De erkenning van Brahman betekent harmonisch zijn met al het levende. Hier hebben wij dus de wet der harmonie. De disharmonie is de ontkenning van Brahman, waardoor het zelfzuchtige zijn een beperking betekent van alle levende krachten.

Zijn wij disharmonisch, dan moeten wij voor ons zelf natuurlijk dit probleem oplossen. Want wij kunnen niet bestaan zonder Brahman en zullen ter gegevener tijd, wanneer zelfs misschien ons hele wezen verbleekt is terug moeten streven tot deze lichtende kracht.

Nu zou ik u willen voorstellen te denken aan deze disharmonie als een levensontkenning. Te denken aan harmonie als een levensbeaming.

Wanneer ik de moed heb “ja” te zeggen tegen het leven op de juiste wijze, dus het leven, zoals het leven volgens mij moet zijn, volgens mijn beste weten en kunnen, dan bevestig ik in mijzelf elke Goddelijke Kracht, die in mij geuit wordt.

Men spreekt bij de psychiaters en psychologen en verdere doktoren en wonderdokters heel vaak over het bovenbewustzijn. Men spreekt over de gedeelde geest, die de gehele mensheid geen heeft. Stellen wij hiervoor dat dit een menselijke uitdrukking is, het totaal menselijk bewustzijn van de levende kracht, dan kunnen wij hieruit voor onszelf leren, dat wij, door het erkennen van deze levende kracht, het totaal vergrotende in elke mens, in elk wezen, dat wij erkennen als deel van onze wereld, dit leven en dit Goddelijke vergroten.

Naarmate het Goddelijke meer geuit wordt in onze wereld rond ons, verhoogt zich onze sfeer. Verhoging van bewustzijn gaat gepaard met verhoging van vermogen, van kracht.

Wanneer iemand de doden tot leven opwekt, dan wil dit alleen zeggen, dat hij meerdere sferen gelijktijdig omvat, de Goddelijke Kracht in deze sferen voor zichzelf zo sterk aanvaardt, dat hij ze kan weerkaatsen in de minder bewuste die deze kracht aanvaardende, voor zichzelf een leven begint, dat niet verder beïnvloedbaar is, dan juist door deze kracht hier werd geprojecteerd.

Wanneer wij zelfs verder gaan dan dat, kunnen wij vaststellen dat naarmate de Goddelijke Kracht in ons groter wordt ons bewustzijn ons plaatst in een wereld, waarin het Goddelijke sterker wordt en dus ook de waarheid meer geopenbaard.

De waarheid en de werkelijkheid der dingen kunnen wij wel in delen erkennen, wanneer wij leven in onze wereld van waan. Wat wij niet kunnen, is deze delen van kennis samenvoegen tot een werkelijk en harmonisch geheel, dat zij in de realiteit van het groot-werkelijke: Brahman, betekenen.

Er is een wereld. Er is naast de wereld, die wij wijn, een werkelijke wereld waarvan wij deel zijn. Ik zou deze wereld ter onderscheiding willen noemen de grote wereld, en onze eigen wereld. de kleine. Dan kunnen wij vaststellen, dat de grote wereld weliswaar gevormd wordt uit vele kleine werelden, maar dat zij bovendien compenserende waarden bevat, waardoor alle kleine werelden tot één homogeen geheel worden gemaakt.

Juist het realiseren van deze aanvulling van onze persoonlijkheid maakt het ons mogelijk steeds meer waarheid te zien. Deze waarheid kan nooit berusten op een eenzijdig beleven van een bepaalde toestand der sferen.

Naarmate wij dichter komen bij de werkelijkheid zal meer van alle werelden, van alle sferen, voor ons werkelijk worden binnen deze ene bewustzijnswereld, onze ene kleine wereld, die wij steeds meer gelijk zien worden aan de grote.

Op het ogenblik, dat de grote en kleine wereld zich met elkaar gaan verenigen, kan het “ik” niet meer bestaan, zoals het thans op deze wereld bestaat. Het “ik” gaat niet ten onder, maar het “ik” is één met Brahman, een met de levende dracht in alle dingen en in alle dingen levende, geeft het zijn eigen leven aan al wat leeft en zal dus, zijnde zelf één grote wereld en één met de grote wereld, leven in vele kleine werelden, leiding gevend en volvoeren tot ook dezelfde eenheid hebben gevonden en alles is vereend in één werkelijkheid, die bevat stof en geest, duister en lichts kortom, elke tegenstelling, die bestaat, elke wereld, die denkbaar is.

In deze volmaaktheid echter komt de rust. Wanneer de rust komt, verbleekt het licht van Brahman. De dag is ten einde en de nacht breekt aan.

Wanneer een wereld afgewerkt is, behoeft zij niet meer werkelijk te bestaan, in haar volmaaktheid blijft zij volmaakt geuit en ongeuit. Zo wordt zij tot het niet-geuite. Maar in het niet-geuite zal de éénheid met het Groot-Zijnde, de levende Geest, een deel van deze geest omvatten de gehele kracht van deze geest opnieuw wekken. Zo zal een nieuw Al ontstaan en een nieuwe schepping plaats vinden. Dan zal opnieuw de grote Volheid aarden geuit en zullen de delen, die nog onbewust waren van deze grote éénheid, hernieuwd – geprojecteerd worden in deze wereld, zoekende naar éénwording, niet begrijpende nog, dat zij dit zijn, wat is, maar begrijpen zij ook dit en hoeft geen deel van de schepping meer een onbewust, een niet begrepen harmonisch zijn. Dan zal in de bewuste harmonie voor het laatst de lichten opvlammen en doven.

Dan blijft het grote bewustzijn in zichzelf. Dan komt de dag, die nacht is en dag tegelijk. Dan komt het Oneindige, die gelijktijdig het Niets is. Uit het Niets wordt de Oneindigheid geboren. De Oneindigheid en Niets zijn één. Er is geen positief en ook geen negatief meer. Er is een wereld en geen geest meer. Maar één ding zal altijd zijn: de Kracht, die leven kan op het ogenblik, dat in haar eigen wezen een verlangen bestaat tot de directe eenheid met al haar delen, die zij nu wel onbewust, naar niet bewust ervaart.

Dit is het laatste, dat ik u wil brengen. Eenheid heeft de mens ook met zijn lichaam en toch is zij zich niet van elke vezel en elke cel bewust. De mens kan niet uitgrijpen en elk van deze cellen apart beleven. Wel kan hij de delen daarvan beheersen, maar hij zal de altijd denken en van buitenaf beheersen. Eerst wanneer de cel de mens begrijpt en de gedachte meebeleven om staat een volledige eenheid, waarbij de cel volledig beheerst is, waar zij in zichzelf denkt als het leven, waaruit zij is voort gekomen. Zo vindt God Zijn volmaakte uiting niet op het ogenblik, dat Hij schept, maar op het ogenblik, dat de Schepping maar Hem terug valt, terwijl alle delen der schepping en bewust ervarend en zo bewust Zijn gehele Wil uit drukken in een volmaakte schepping, in volmaakte harmonie. In deze volmaaktheid draagt Hij het beeld van Zichzelf. Dat op zich voldoende is voor alle eeuwen, die dan misschien niet meer bestaan, behalve in het bewustzijn van ons, die het tijdloze nog niet kunnen bevatten.

  • Als ik u goed begrijp, raadt u dus aan, als het ware tot zon te worden om zo door ons uitstralen de mens te helpen?

Sta mij toe dit concreter uit te drukken. Ik probeer de mensheid aan te moedigen in zich de volmaaktheid te zoeken en deze volmaaktheid met achting van de persoonlijkheden rond hem zo uit te drukken, dat in zijn hele leven dit kenbaar wordt. Hierdoor zal hij in zichzelf volmaaktheid bereikende, de volmaaktheid van zijn wereld vergroten, zijn werkelijke wereld, zijn grote wereld. Wanneer de kleine wereld der anderen dit niet bemerkt, doet dit niet ter zake. Het is de grote wereld, die de enige werkelijkheid is.

  • Maar wat is dan de praktijk? Wat moet je dan voor de wereld doen?

Indien dit uw vraag is, zal ik trachten mij zuiver westers uit te drukken “Mens, verbeur jezelf. Laat de wereld met rust, streef naar innerlijke vrede en streef naar een volmaakte in al, wat je je plicht acht. Dat is voldoende”.

  • Dus: werk maar alleen aan jezelf?

Inderdaad.

  • Verbeter de wereld, begin bij je zelf. Is dat het?

Ook dit zit hierin opgesloten, Maar ik wil dit “verbeter de wereld” eraf laten. Want indien gij uzelf verbetert, verbetert gij de wereld. Maar wanneer men zich voorstelt eerst zichzelf te verbeteren en dan de wereld, dan maakt men een scheiding tussen zichzelf als goed en de wereld als kwaad. En dit betekent voor mij weer een vermindering van de eenheid met de wereld, een vermindering van levenskracht en grote eenheid in het kosmische.

  • Het is anders een grote opgave. Alle mensen zijn immer verschillend?

Wanneer de mens zich zou bepalen tot het beste te doen op dit ogenblik, wat hij kan, niet treurende over de fouten, die hij maakt, naar zich voorneemt deze niet te herhalen, waar zij thans in zijn bewustzijn als fout zijn geregistreerd, dan zal deze mens, ongeacht zijn karakter, ongeacht zijn verschil t.o.v, de wereld, zijn andere denkwijze, opvoeding, omgeving enz. de volmaaktheid in zichzelf kunnen bereiken en daarmede is het doel gediend, wat ik u heb betracht te schetsen.

  • Dat is dan toch tamelijk hard. Vindt u ook niet? 

Weekheid tegenover de mensheid houdt in zich, dat men nog weker is tegenover zichzelf. Indien men hard is tegenover de mensheid, is dit niet erg, mits men harder is tegenover zichzelf. Want de mens, die hard is tegenover zichzelf zal het recht trachten te doen zegevieren, zal de liefde, die hij voor zichzelf kent, evenzeer erkennen als zijn redde wereld rond hem en als een rechtvaardige handelen. Dan zal hij misschien hard en wreed zijn volgens de gedachten van zijn medemensen, maar dit doet minder terzake. Het is, wat gij zelf beleeft. Op het ogenblik, naar gij uzelf verloochent, in de verkeerde zin, voor de mensheid, dus een deel van uw eigen prijsgeeft, doet jij die mensen onrecht aan, maar indien gij uzelf bent, zo goed en zo volledig als jij maar kunt, dan zult gij misschien eens komen tot een opoffering voor de mensheid, omdat uw eigen wezen dit vraagt en dan eerst zult gij door uw offer de mensheid kunnen verrijken.

  • Wanneer men streeft naar hetgeen u ons daar voor houdt, kun je de massa tegen je krijgen.

De massa is van u afhankelijk, wanneer gij zo leeft en niet gij van de massa. Wat heeft die massa u te zeggen, wanneer gij terwille, van die massa uzelf prijs geeft? Bedenk wel, dat geen groten der wereld, zelfs niet de grootste liefdefiguren, die bestaan hebben, een Boeddha, een Jezus Christus, een Odin, een Ashtar, dat dezen nooit zichzelf hebben verloochend. Zij zijn liever ten onder gegaan aan de waarheid van hun leven, zo de mensheid bewustzijn gevende. Zij zijn gehoond en uitgelachen door die massa, maar zichzelf blijvende voortgegaan, dat zij één jota van hun werkelijk bewustzijn van goed hebben geofferd aan die mensheid. Maar het goede, dat in hen leefde, viel aan de wereld ten deel, als recht van die wereld, omdat zij die wereld zagen als deel van zichzelf. Ik ben met u eens, dat deze regelen misschien zwaar lijken, maar naarmate men verder leert te streven op deze wijze, zonder zichzelf goed te achten en de wereld slecht, of zichzelf wijs en de wereld dwaas, zal men ontdekken, dat dit de weg is tot grote vrede, tot grote bereiking en vooral tot, wat u noemt, grote bewustwording.