In het zweet uw aanschijns zult gij uw brood verdienen

image_pdf

25 november 1966

Bij het begin van deze bijeenkomst moet ik u er allereerst op wijzen dat wij, sprekers van deze groep, in genen dele alwetend of onfeilbaar zijn. Zo nu en dan kunt u dit wel eens constateren.

Het zal ons veel genoegen doen, wanneer u daarop dan ook wilt ingaan. Wat wij u brengen is de waarheid, zover wij deze kunnen overzien, versprekingen en dergelijke voorbehouden. Als onderwerp voor heden zou ik, met uw toestemming, een heel ouderwetse titel willen nemen. Deze titel ontleende ik aan Genesis, waarin wij, naast deze, ook andere waarheden aantreffen: In het zweet uw aanschijns zult gij uw brood verdienen.

Dit klinkt als het begin van een zedenpreek en toch bedoel ik daarmede alles, behalve juist dat. Het volgende zal echter de gerichtheid van mijn betoog duidelijker maken. Misschien heeft u wel eens opgemerkt, dat de voldoening die een taak geeft, direct gelieerd is met de blijvende waarde van het resultaat (het is eenvoudiger je moe te maken door een stukje beeldhouwwerk te verrichten, dan elke dag de vaat te wassen), terwijl daarnaast voor een afmeten van de arbeidsvreugde ook het afmeten van de arbeidsbemoeiing van zeer groot belang is. Anders gezegd, om werkelijke vreugde in de arbeid te vinden is het gewenst, dat men hard werkt en bovendien de resultaten van zijn werk kan zien. In uw dagen schijnt men hierover wat anders te zijn gaan denken. Velen beschouwen de arbeid als een noodzakelijk kwaad, dat nog in de maatschappij bestaat, maar zo snel mogelijk geneutraliseerd kan worden door het inschakelen van machines in grote aantallen. Wat erop neer schijnt te komen, dat de mensen binnenkort vrije tijd te veel zullen hebben en er daarom reeds nu goed aan zouden doen cursussen in vrijetijdsbesteding te gaan nemen. Wat er in Nederland wel eens toe zou kunnen voeren, dat men in de toekomst geen vrije tijd meer krijgt, tenzij men kan aantonen zijn diploma voor beheerste en geleide vrijetijdsbesteding gehaald te hebben…Dit laatste is misschien meer een sneer. Maar het geheel van wat ik hier stel, is toch wel zeer intrigerend van aard. Je zou je met de betekenis van het ‘in het zweet uw aanschijns zult gij uw brood verdienen’ eens wat meer bezig willen houden.

Men doet aan geestelijk werk. Dat gaat ook wel. Het is prettig, is aardig. Maar toch geeft het eigenlijk niet veel zelfvoldoening. Het geleerde is geen bereiking, maar eerder een reden tot zelfverheffing, een punt voor eventuele gesprekken. Want voor velen is het zogenaamde geestelijk werken (wanneer zij tenminste eerlijk genoeg zijn om het toe te geven) niet veel meer dan een vullen van ledige tijd, het aanvullen van tekorten. Toch zou men juist op dit gebied grote voldoening, nieuwe bereikingen enzovoort verwachten. Ik meen dat dit ontbreken van werkelijke voldoening t.m. mede ontstaat door de wat ‘moderne’ instelling van velen, die kennelijk menen dat ook bij het geestelijk werk inspanningen, het eigenlijke zelfwerkzaam zijn, maar bijkomstig is. Dit immers betekent een volkomen verkeerde benadering van zowel eigen innerlijke problemen, als alle geestelijke waarden, die buiten het ik gelegen zijn. Je kunt iets pas dan werkelijk weten, beleven, ervaren, wanneer je het met bloed en tranen gewonnen en ondergaan hebt. Voordien weet je er eigenlijk niets van af, al denk je misschien dat je heel wat weet. Je kunt je misschien geestelijk tot God richten en tot Zijn Wezen doordringen. Maar tenzij je je door de dikke modderbrij hebt heen gewerkt, zodat alle Licht, wat je voor je ziet, een werkelijk beleven van God wordt, blijft het contact met God een vage, ijle zaak, die meer van een droom dan van een bewustwording weg heeft. Je kunt als mens capaciteiten ontwikkelen, die eerder het deel schijnen te zijn van halfgoden. Maar beseffen en beheersen kun je dergelijke gaven eerst, wanneer je in langzame en eenzame worstelingen de angst overwonnen hebt, die in je leeft, het wantrouwen tegenover eigen Ik hebt leren overwinnen, en zelfs de denkbeelden aan persoonlijke resultaten terzijde hebt leren stellen. Ik geloof dan ook dat, wat het geestelijke betreft, gesteld kan worden, dat men voorwaar in het zweet zijns aanschijns zijn brood moet verdienen. Want niets wordt u maar om niet gegeven. Dit ontvangen ‘om niet’ is een paradijselijke toestand, die dan ook alleen onder de levenscondities van een Eden werkzaam kan zijn, invloed kan hebben op het ego. Maar het paradijs is verdwenen op het ogenblik dat de mens voldoende kennis verwierf om zichzelf te zien en te komen tot een oordeel.

Daarmede komen wij tot een motief, dat het gehele leven sindsdien beheerst: hoe minder het werken voor de mens een veeleisende, een geheel zijn leven beheersende taak wordt, hoe minder arbeidsvreugde hij zal kennen. Hoe minder de mens persoonlijk aandeel heeft in hetgeen hij door zijn arbeid helpt produceren, hoe kleiner zijn arbeidsvreugde zal zijn, hoe minder zijn werkzaamheden ook met overgave verricht zullen worden. Het komt op den duur in de mens tot een soort leegheid: het werk wordt wel gedaan. De ambtenaar zal heus wel alle noodzakelijke formulieren invullen en eenieder netjes te woord willen staan. Maar wanneer hij zijn arbeidstijd ziet als geldbron, niet als taakvervulling, zal hij zich verder voor de gevallen op zich weinig of niet interesseren. Zijn houding tegenover de problemen van anderen, waarmede hij in contact komt is: “Ach, wat zou je eraan moeten doen. Wij hebben heus al werk en last genoeg.”

Er zijn echter ook andere mensen. Zij zijn in de ogen van de voor omschreven ‘moderne mensen’ dwazen, die zich doodwerken zonder noodzaak. Mensen, die in elk geval opnieuw, met geheel hun interesse en zelfs wezen induiken, die er het drama, de romantiek van zien.

Het is wel zeker dat deze tweede soort vijfmaal zoveel werk zal moeten verzetten als de eerste soort voor eenzelfde aantal gevallen en bovendien in de ogen van anderen misschien maar weinig resultaten zal zien voor het vele extra werk. Maar als je de beide soorten in de ogen ziet, blijkt het er anders uit te zien. In de ogen van de eersten ligt een zekere haast, een dorst naar het ogenblik, dat de arbeid gedaan en verder werken overbodig zal zijn. In de tweede soort echter spreken de ogen van bewust en intens leven en geven zij ons blijken, die wijzen op het bestaan van een levensvreugde en innerlijke bevrediging, die bij de eerste soort zeker ontbreekt.

Ja, er spreekt zelfs nog meer uit deze mensen. Wie hen enigszins aan kan voelen, zal constateren, dat er bij hen voortdurend sprake is van een herwaardering van het Ik ten aanzien van de wereld, de kosmos, waarin het leeft. Juist over dit laatste, een voortdurend herwaarderen van de relaties tussen eigen Ik en het Al, moogt u niet te gering denken. Alle geestelijke wording en vooruitgang is in wezen immers niets anders dan een voortdurend herwaarderen van je eigen leven en wezen. Juist hierdoor komt de mens ook tot een steeds weer anders en juister waarderen van alles wat buiten hem bestaat. Je moet leren facetten te zien van het leven, die je tot nu toe ontgingen, je moet steeds weer proberen meer te verstaan van de taal van het Al en meer omtrent de zin van het Al en bestaan te begrijpen. Je kunt in theorie het gehele Al kennen en er toch in feite minder van weten, dan een stomme aap, die per ongeluk door mensen werd uitgekozen voor een korte vlucht om de aarde in een ruimtevaartcabine. De aap beseft niet dat, wat hij beleeft en ondergaat, ‘gewichtsloosheid’ en ‘ruimte’ heet. Maar hij ondergaat het en weet wat het is. U kunt er alleen over praten en schrijven. Je kunt over dergelijke dingen studies publiceren, studeren en debatteren, maar de werkelijkheid aan anderen duidelijk maken, is onmogelijk. Want je hebt wel vele theorieën en inzichten, maar beleefd heb je het niet, je kunt de werkelijkheid niet voldoende indringend aan anderen kenbaar maken en zult de consequenties van eigen theorieën niet kunnen beseffen.

Theoretische kennis kan volmaakt juist zijn, en voor het Ik toch niet geheel waar. Maar als je, als een eenvoudig werkman, desnoods als vloerenveger, dagen en nachten geconcentreerd hebt gewerkt om een raket omhoog te sturen, dan heb je wel iets geleerd, ook al besef je misschien niets van de theorieën. Want zover het jezelf betreft, komt het niet op al die kennis aan, die is alleen maar een werktuig. Belangrijk is, dat je in jezelf de twijfel hebt gevoeld: zal ik, zullen wij wel kunnen slagen? Belangrijker misschien is nog het juist in spanning en vermoeidheid zo overweldigende gevoel dat je geslaagd bent. En gelijktijdig het besef, dat het toch nog anders, nog beter had kunnen zijn. Want juist de drie voornoemde fasen samen bevatten, zowel in geestelijk werelden als in zelfs sociale groepen, is de sleutel tot alle succes.

Onthoudt dat, zo je zelf niet alles in de arbeid kunt geven, de arbeid jou ook niet alles terug kan geven. Wanneer u in uw vrije tijd wat esoterie zit te lezen, zoals een ander leest over Perry Mason of James Bond, maar met in het achterhoofd de gedachte dat men ‘te hoog’ staat voor detectiveboekjes, dat het eigen hoge innerlijke de waarde is waardoor men afleiding kan vinden in het hogere geestelijke, dan geen grote resultaten kunt verwachten. Dergelijke mensen zullen van alles wat zij lezen misschien wel iets begrijpen, verwerken, opsteken. De vraag is echter wat zij vinden. Want dergelijke mensen plegen niet te worstelen met elke zin, niet elke betekenis na te speuren, na te gaan waarom iets juist zo gezegd werd en niet anders.

Want dergelijke mensen werken niet echt. Zij worstelen niet om erachter te komen of iets nu wel geheel juist is, of iets wel geheel begrepen werd. Maar gemakkelijk is het wel. Zij lezen vaak zwaardere esoterische en filosofische werken in enkele dagen uit.

Anders gaat het degene die met die materie wil werken en desnoods worstelen. Het kan dagen of weken duren, voor hij ook maar een enkele bladzijde heeft verwerkt. En wanneer zo iemand eindelijk eens een hele bladzijde heeft verwerkt, heeft hij er waarschijnlijk de eerste tijd meer dan genoeg van. Hij is immers doodmoe geworden door al zijn werken met de gegeven denkbeelden. Maar het eigenaardige is dat als zo iemand al niet zo snel en gemakkelijk de denkbeelden van anderen overneemt, door zijn werken iets in zijn eigen denken is veranderd. Hierdoor zal hij elke soortgelijke redenering en gedachte voortaan herkennen. Elke ontmoeting wordt een herkenning. Hij beheerst het geheel voor altijd. En op de achtergrond ligt dan de bevrediging die bij zo iemand waarschijnlijk wordt uitgedrukt in een: “Dat kan ik dan toch maar”. Een reactie, die geheel anders is dan die van degene die het geheel eerder heeft verslonden als een soort roman. Die komt hoogstens tot een: “Wat hebben zij dat toch mooi gezegd”. Van een werkelijke bereiking, een blijvend begrip en dergelijke zal echter geen sprake zijn.

Het is het werk, dat pas de werkelijke waarde en inhoud aan de dingen geeft. En dat werk, dat kan ik daaraan nog wel toevoegen, is altijd weer vooral praktisch werken, men ziet dit in de moderne tijd over het hoofd door een heersende overschatting voor ‘ideeën en plannen’. Laat mij u dan zeggen, dat het zeker niet zo moeilijk is als men denkt om een programma uit te stippelen volgens hetwelk men in de komende vijf jaren de gehele Nederlandse economie kan redden van alle gevaren. Indien u het wenst, wil ik er onmiddellijk 20 verschillende zo uit mijn mouwen schudden. Het is alleen maar een kwestie van het combineren van denkbeelden, die dan moeten worden in gevat in de juiste woorden, moeten worden aangeboden in de juiste terminologie. Zolang het in dergelijke programma’s gestelde niet al te flagrant verschilt van de werkelijke toestand, zullen dergelijke plannen wel aanvaardbaar mogen heten. Interessant en voor de ervaringen belangrijk wordt het pas, wanneer men ook met de normale praktijk wordt geconfronteerd. Dan eerst beseft men, wat de plannen in feite betekenen. Het is eenvoudig genoeg uit te rekenen hoe de zaken lopen en vervolgens te verklaren: gezien de huidige toestand van onze economie kunnen wij in het komende jaar een prijsstijging van gemiddeld 6% gemakkelijk verwerken. Wie zoiets stelt, zou eigenlijk meteen de praktijk in moeten gaan en met eigen (en enig) huishoudgeld enige tijd moeten leven, waarop het met 6% verminderd wordt en men moet proberen, ondanks dit alles, eruit te komen. Eerst dan kan men beseffen, wat de werkelijke nadelen en moeilijkheden zijn, die aan de vaststelling verbonden zijn. Iemand vertellen hoe hij het moet doen wanneer je zelf geen ervaring hebt, is geen kunst. Wanneer je wel ervaring hebt, is het zelfs gemakkelijk. Trouwens, om anderen iets te vertellen, heb je geen eigen ervaringen nodig. Alles wat je de anderen zou moeten vertellen, kun je immers in een boekje lezen? Anders wordt het, wanneer je een stukje ijzer in handen krijgt en iemand je zegt dat je één van de zijden geheel vlak en recht moet vijlen. Dat blijkt heel moeilijk, zelfs wanneer je de theorie geheel beheerst. Het kost onnoemlijk veel moeite en zweet, voor je voldoende beheersing van de vijl hebt geleerd, om een redelijk recht vlak te vijlen. Maar als je het dan eindelijk een keer goed gedaan hebt, zul je een bevrediging voelen (zelfs al is het stuk ijzer daardoor niets meer waard) dat je de kunst eindelijk te pakken hebt. De waarde ligt niet in bezit, maar in het feit dat het iets van jou, een bereiking van jezelf vertegenwoordigt.

Het brood in de spreuk, die ik als titel stelde voor dit onderwerp is zeker niet alleen maar letterlijk en stoffelijk brood. Ik geloof trouwens niet dat de strijd om het verse kadetje al in Adams tijd is begonnen. Maar waar spreek ik van… In Nederland heeft men immers al lang vergeten dat zoiets als elke dag, zo u wenst, vers brood aan het ontbijt niet mogelijk is om andere dan zuiver praktische redenen. Het woord ‘brood’ stamt dan ook van een begrip, dat in de oude tijd allereerst een voeding aanduidde. De totale voeding wel te verstaan. Als je mens bent, bestaat de totale voor het ego nodige voeding uit tenminste drie afzonderlijke waarden.

Men heeft lichamelijke voeding nodig, plus lichamelijke stimulansen, die via het brein ontstaan (dus mentale voeding) terwijl men verder behoefte heeft aan geestelijke voeding, waardoor men de daadmogelijkheden van eigen leven steeds weer opnieuw kan bezien, beleven, wijzigen en benadrukken.

Iemand die meent dat alle andere voeding dan de zuiver geestelijke eigenlijk van minder belang is, vergeet wat hij in wezen is en van node heeft. Hij zou met evenveel recht kunnen zeggen dat een mens in deze moderne tijd voornamelijk zijn hersens dient te gebruiken (al zijn er weinigen, die dit werkelijk doen) zodat de nieuwe mens kan volstaan met een groot hoofd. De rest is niet noodzakelijk en kan zelfs gemist worden. Want, zo zegt een dergelijk genie dan, het hoofd kan denken en communiceren. Als de rest al ontbreekt, is dit niet zo belangrijk. In het ergste geval maken wij een soort kraag van een rubber ringetje, zodat het hoofd ergens op de schoorsteenmantel kan staan. Te zeggen dat het denken alleen in het bestaan van de mens belangrijk is, betekent dat men over het hoofd ziet, dat de gedachte eerst werkelijk zin krijgt, wanneer zij kan worden getoetst aan de praktijk en men dan dus ook tot uitvoering wordt gebracht. Degene die meent, dat alles wel in orde komt wanneer er maar voldoende lichamelijke voeding aanwezig is, vergeet dat de voeding alleen zin heeft, wanneer zij een middel vormt tot het verzamelen en uiten van kracht. Doet men dit niet, dan rijst het beeld van een soort dikke dame op een stoel, die niet eens op kan staan, zonder van een soort takel gebruik te maken en niet kan leven zonder de hulp (meestal een mengsel van leiding en exploitatie) door anderen van de wereld rond haar.

Er zijn vele dergelijke slogans. Men meent bijvoorbeeld dat het kennen van een doel, het bezitten van een innerlijke drang in een bepaalde richting, het leven volgens een innerlijke erkenning, niet zo belangrijk is al daadkracht. Ik weet niet of u wel eens mensen hebt gadegeslagen die gedreven werden door een tomeloze energie, zonder dat zij in feite een vast doel voor ogen hadden. Dergelijke mensen (zo zou u dan kunnen constateren) belemmeren door hun drukte anderen om iets constructiefs te doen. Ze beginnen aan vele taken en bereiken slechts dat zij steeds een enorme rommel achterlaten. Vreemd genoeg is die energie zelden groot genoeg om ook de noodzaak tot opruimen te overleven. Deze mensen zelf zijn ook niet gelukkig. Zij voelen zich moe, maken misschien wel vele mooie plannen, maar hebben innerlijk het gevoel dat er veel meer had moeten gebeuren. Het bereikte (zo al aanwezig) stelt teleur en geeft geen werkelijke vrede: het is niet genoeg. Je hebt dan ook de drie genoemde zaken allen evenzeer nodig. Wij moeten ons dagelijkse brood hebben, geestelijk, lichamelijke voeding, daadkracht, innerlijk besef dat tot stimulans wordt. Tezamen zijn zij voor een gelukkig zijn en bereiken juist genoeg. Zonder één van die dingen bereikt men echter niets van blijvend belang.

Hoe je die voeding moet gebruiken, wanneer je ze eenmaal gevonden hebt? Wel, je moet er mee werken, tot je meent onder de arbeid te bezwijken. Dat klinkt natuurlijk niet aangenaam. Menigeen zal hier voor zich redeneren: “Waarom zou ik mij zo moe maken. Je weet immers alleen dat je je een hoop last op de hals haalt en je weet nooit of het naar verhouding ook redelijk oplevert?” Vanuit het moderne menselijke standpunt heeft u gelijk. Een dergelijke wijze van werken en leven levert niet veel op. Maar werkelijk opgaan in het leven en de taken, die in het leven naar voren komen, zelfs wanneer het erom gaat kleine Chinezen rond te leiden, kleine Japannertjes op te voeden, of vlooien te vangen voor een vlooiencircus. Je moet leren in elke taak, die je als nodig hebt erkend, geheel op te gaan, je daaraan geheel over te geven, geen zorgen maken dus voor morgen, maar steeds weer het maximum van zorg, inspanning, zorg geven. Want dan zul je steeds weer, zelfs wanneer de werkelijk kenbare resultaten niet zo goed schijnen te zijn, de bevrediging kennen van een taak, die naar beste kunnen en weten werd volbracht. Deze bevrediging betekent (om eens in de termen van voeding te spreken) dat u zelfs bij een kwantitatieve en kwalitatief mindere voeding, u daaruit toch meer voor het ik bruikbaar voedsel zal kunnen halen. Lichamelijk gezien kan men stellen, dat de stofwisseling beter zal functioneren enzovoort. Geestelijk gezien komt het erop neer, dat de intensiteit waarmede men een taak aanvaardt en volbrengt, bepalend is voor de ideeën en mogelijkheden, die men daaruit zal leren kennen. De keuze wordt dus steeds groter.

Eén van de grootste mogelijkheden die men op deze wijze vindt, is het vermogen in te zien wanneer het beter is te rusten, zich te ontspannen, zich te onthouden. Hierdoor blijft alle energie voor de werkelijk belangrijke dingen in het leven bewaard. Een ander voordeel is, dat men anderen en hun leven gemakkelijker zal kunnen begrijpen en zelfs gemakkelijker in de gedachtewereld van anderen zal door kunnen dringen. Dit gaat zover, dat niet alleen sprake is van het ‘lezen van gedachten’, maar van een ‘aflezen van het gemeenschappelijk bovenbewustzijn’, en een door sympathie mede bepaald aflezen van de meest verborgen innerlijke en geestelijke processen van een medemens.

Ik besef zeer wel, dat ik met dit alles de letterlijke en daarmede, volgens sommige gelovigen, enig ware interpretatie van Genesis, schromelijk achterwege laat. Maar naar ik meen, is mijn voorstelling juister dan die van de ‘letterlijke’. Bovendien, door letterlijk en alleen letterlijk interpreteren maakt men van God wel een zeer eigenaardig wezen. Zeg het eens in gewone woorden en opeens blijkt de letterlijke uitleg ofwel antireclame tegen God, dan wel een kennelijke verklaring dat God zozeer onredelijk is, dat je je als mens maar liever niet met Hem moet bemoeien en, moogt hopen, dat ook Hij zich niet met u zal bemoeien. Volgens de ‘noordelijke versie’ eet Adam van de verboden vrucht (een appel) die Eva hem aanbiedt, maar een heel klein stukje. Ofschoon Adam van de prins geen kwaad weet, gooit God onmiddellijk de gordijnen dicht voor al zijn goede bedoelingen. Einde van het paradijs. Terwijl Adam en Eva, verscholen in de struiken, verlegen met hun vijgenblaadje friemelen, komt God voorbij en roept ze. Alsof het ondeugende kinderen zijn. Maar de straf is groot genoeg. Deze mensen, die niets weten van een ander leven, worden eenvoudig uit het paradijs gezet.

Het vergaat hen als mensen die tegen de wil van b. en w. clandestien een woning betrokken hebben: Hun inboedel wordt op straat gegooid en voor de deur komt een agent (engel met brandend zwaard) te staan om te zorgen, dat zij vooral niet meer binnenkomen. Dat is alles al erg genoeg. Maar God is wraakzuchtig als een klerk, die net van zijn baas op de kop heeft gehad en verkondigt dat Eva voortaan in pijnen zal baren, terwijl de mensen voortaan hun brood in het zweet huns aanschijns zullen moeten verdienen. En dat alles dan om een kleinigheid, om een ‘proef’, die God de mens stelt, terwijl Hij (als Alwetende) toch moet beseffen, wat het resultaat van deze beproeving zal zijn. Hoe onredelijk, hoe onlogisch, hoe negatief menselijk handelt hier dit wezen, dat men ‘God’ noemt. Het is een karikatuur van de Vader, die Zijn schepping liefheeft. Geen hemelse vader treed je bij letterlijke aanvaarding tegemoet. Eerder iets dat lijkt op een kruising tussen superman en Adamson.

Ofschoon ik besef, dat ik hier mij van mijn onderwerp verwijder, moet het mij even van het hart. Een dergelijke God is onvoorstelbaar, onaanvaardbaar, moreel onverantwoord. Wel kan ik mij een God voorstellen, die zegt: Je hebt kennis? Ik haal je niet uit je paradijs, maar je kunt er zelf niet meer tevreden mee zijn. Want je bent een mens: Wanneer je iets weet, wil je meer weten. Wanneer je iets meent te kunnen, wil je je krachten op de proef stellen. Daarom zul je niet meer harmonisch en natuurlijk kunnen leven. Je bestaan wordt een krampachtig proces. Juist dit gespannen zijn, dit onnatuurlijk zijn in denken, eisen en leven, zal er de oorzaak van zijn, dat je voortaan zult baren onder spanningen, in pijnen, ontevreden met dat, wat is; je in het zweet zult werken, voor wat je beschouwt als je dagelijkse brood. Als uitvloeisel van oorzaak en gevolg, werkende in de mens, is de uitspraak opeens helderder. God is aanvaardbaarder.

Een dergelijke uitspraak heeft ook geen betrekking op één of twee bijzondere mensen (die dan dankzij die onrechtvaardige God de ene zonde gedaan, waarvoor eenieder, schuldig of niet, voortaan maar heeft te boeten) maar past evenzeer voor een mensheid of groep mensen, die zich aan de animale instinctieve gedrevenheid zover weet te ontworstelen, dat men komt tot een meer eigen ritme van leven, handelen en denken. En in de geschiedenis is weinig of niets van een letterlijk ‘paradijs’ te vinden, maar het laatste wordt ons wel degelijk, zelfs heden nog, steeds weer kenbaar gemaakt, wanneer volkeren overgaan naar een gecompliceerdere trap van beschaving.

Wanneer wij echter aannemen dat dit laatst gestelde waar is of een deel van de waarheid bevat, zo moet ook worden aangenomen dat alles wat nu nog moeiteloos door de mens verkregen kan worden, voor hem van geen werkelijk betekenis en waarde is. Ik wil hiermede niet stellen, dat je voor alles altijd de uiterste moeite zult moeten doen. Het kan ook wel eens wat gemakkelijker gaan. Maar als je werkelijk aan een bereiking wilt toekomen, moet je bereid zijn werkelijk tot de uiterste grens te gaan, het uiterste zo nodig te geven. Want alleen op die manier kun je werkelijk leven. Alleen met die instelling en op geen enkele andere wijze krijg je de beleving, de vreugde aan de arbeid en de erkenning, die zo noodzakelijk zijn voor een algehele en integrale ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid.

Zo bezien staat het er in de wereld nogal droef bij op het ogenblik. Wij zien overal jongelieden, die met nieuwe denkbeelden spelen. Op zich kan dat nuttig zijn. Maar denk nu eens aan de provo’s. Zij verzetten zich tegen de uitbuiting van de eenling in de hedendaagse maatschappij Zij vinden het verschrikkelijk dat zovele mensen het ‘klootjesvolk’ uitzuigen. Deze laatste term stamt niet van mij. Het schijnt zoiets te betekenen als de gehele burgerkliek of, zoals men in mijn dagen zei: De bourgoisie. Nu acht ik, gezien de heersende toestanden, deze denkbeelden wel degelijk aanvaardbaar en zelfs belangrijk. Maar dezelfde provo’s blijken een verschil te maken tussen theorie en praktijk. Aan de ene kant blijken zij zich te verzetten tegen alle ‘uitbuiting’ en aan de andere kant zelf te parasiteren op diezelfde burgers. Hun denkbeelden zijn, ik zeg het nogmaals, vaak op verfrissende wijze gezond. Maar wanneer zij hieraan het recht willen ontlenen om te leven ten koste van en buiten de regels van de maatschappij, die zij afwijzen, zo meen ik op mijn beurt, degenen, die zo handelen, af te mogen wijzen. Ik heb in deze gevallen ook geen medelijden wanneer zo iemand zegt (en meent) te bezwijken aan de ledigheid van het hedendaagse leven. Want deze (zelfgewilde) verschillen tussen stellingen (besef) en handelingen, scheppen strijd en ontevredenheid in de mens en maken zijn dagen, ondanks alle schijn van beleven, dor en droog als zaagsel. Hoe vaak zie je in deze dagen niet, dat iemand zichzelf afvraagt: “Wat is er in het leven nu nog voor mij, wat van belang kan zijn”, waarop men met de gekste dingen begint te experimenteren en vaak niet uit het experiment, maar uit het ‘anders zijn dan anderen’ nog enige voldoening tracht te putten.

Volgens mij komen ook deze verschijnselen, zoals zovele andere minder aangename ontwikkelingen in deze dagen, voort uit de geheel verkeerde opvatting dat alles gemakkelijk moet gaan. Men vergeet eenvoudig dat de dingen die werkelijk de moeite waard zijn, dit alleen zijn, omdat zij moeite kosten. Zelfs de provo’s hebben dit wel beseft. Er is een tijd geweest, dat men werkelijk en bewust provoceerde, ten koste van zichzelf. Misschien meent u dat zij dit alleen maar ten koste van anderen konden doen. Maar dan vergeet u dat zij daarbij hun eigen gezondheid, geluk, bestaan in de waagschaal stelden. Zij zochten daarin avontuur en vonden daardoor meer vrede met het leven. Het is logisch, deze dingen gaven immers eerst uiting aan hun theorieën, deze dingen gaven eerst betekenis aan hun bestaan en denken. Maar hetgeen daarvan overbleef, kan voor de meesten worden samengevat als verdienen ten koste van anderen en zonder moeite algehele ontbinding veroorzaken en leven in algehele ongebondenheid.

Misschien vindt u dat de provo een uitzonderingsgeval is. Laat ons dus eens zien naar de ‘nette mensen’ van heden, de Jansens, Pieterzoons en Klaassens. In de meeste gevallen blijken hun meest ernstige gedachten van vandaag zich bezig te houden met de vraag hoe men morgen minder zou kunnen doen, zonder ook minder te verdienen. Vaak krijg je dan te horen, dat een slagen in het Iets-voor-Niets spel toch wel grote voldoening geeft. In dat geval is mijn antwoord: dan moet u er heel wat tijd aan besteed hebben, veel hebben gewerkt, gedacht, in de hoop daardoor iets voor niets te kunnen krijgen. Belachelijk? Een voorbeeld dan. Een werkelijk goede brandkastenkraker, werkende als slotenmaker eerste klasse voor een fabriek van sluitwerken (een kennis en kunde die zo iemand, gezien zijn beroep, dient te bezitten) zal, omgeslagen over dezelfde tijd, meer op deze wijze kunnen verdienen dan door het zetten van kraakjes. Ik spreek hier van de ‘verdienste schoon’. Bij nader onderzoek blijkt dat vaak meer tijd besteed wordt aan het voorbereiden van een ‘kraak’, terwijl men daarbij verder onder hogere spanning en met hogere risico’s werkt dan in een geldelijk gelijk voordeel opleverende vaste betrekking zou op moeten brengen. Natuurlijk. Zo denken de jongens van de vlakte er niet over, maar zo is het toch maar. In de politiek hetzelfde. Velen willen wel een plaatsje bij het bestuur, als minister of zo. Dat is, zo menen zij, een heerlijk rustig en moeiteloos leven.

Want, zo zegt men, de voornaamste taak van een politicus is zo nu en dan te kletsen. Nu zal ik dit laatste niet ontkennen. De politicus kletst inderdaad vaak. Maar achter dit parlementaire kletsen zit heel wat verborgen. Men mag geen fouten maken. Wil men dus de opzienbarende speeches geven, waaraan zo iemand zijn reputatie en belang ontleent, dan zal men elk afzonderlijk terrein moeten bestuderen. Eén enkele gevatte opmerking, die even een klein succes geeft, is vaak alleen mogelijk, omdat daaraan weken van intense studie vooraf zijn gegaan. Want je moet kennis hebben van vele theorieën, om in staat te zijn ook te begrijpen, wat je moet zeggen. Denk hierover eens na. Laat de rest dan maar buiten beschouwing. Een goed politicus zijn betekent vaak een zware taak. Ofschoon ik het nut van de volvoering der taak wel eens betwijfel.

Een held worden in de ogen van anderen is niet zo heel erg moeilijk. Het zijn vaak eerder de omstandigheden, die je tot held maken, dan eigen daden. Volkomen waar. Maar dan moet je toch ook de training hebben, waardoor je in die omstandigheden zo kunt reageren. Misschien is het het beste om hier eens te denken aan bijvoorbeeld een Walter Shirah of hoe heet de man, die met een raket in de richting van de maan gaat. Schijnbaar is daarvoor alleen wat moed en enige kennis nodig. Maar als je alles nagaat, blijkt wel dat zo iemand zijn gehele leven geleerd heeft en de laatste 10 jaren van zijn leven voortdurend getraind heeft, om wat meer dan 24 uren met een raket door de ruimte te kunnen zweven. Alle bereiking die vreugde biedt, die de moeite werkelijk waard is, komt tot stand “in het zweet uws’ aanschijns”. En het is juist in deze noodzaak, dat de doorsnee mens van heden niet meer wenst te geloven.

Betreurenswaardig is daarbij dat men vooral wanneer het meer geestelijke zaken betreft, men wel heel snel iets overbodige moeite vindt.

Het blijft misschien te begrijpen. Van vele geestelijke bereikingen ziet niemand (behalve misschien jijzelf) het resultaat. Je kunt jezelf volgens eigen denken evengoed en gemakkelijker tevredenstellen met een illusie dan met een moeizaam verworven, maar op aarde niet bruikbaar deel van de werkelijkheid. En toch, wanneer u werkelijk een compleet mens wilt zijn, werkelijk wilt doordringen tot de kern van eigen bestaan (niet alleen maar een geestelijk licht, maar ook de realiteit van uw eigen wezen) zult u er heel hard aan moeten werken. Zonder harde arbeid geen (voor het ik bevredigende en ware) mogelijkheid door te dringen in de kern van je lichamelijke, geestelijke en mentale mogelijkheden, eigenschappen en gebondenheden.

Juist omdat naar buiten toe hiervan zo weinig onmiddellijk kenbaar wordt en het weinig kenbare natuurlijk en moeiteloos pleegt te verlopen, vergeet men al te vaak, dat zelfs een dergelijke opgave het resultaat is van vele jaren van hard werken, zoeken en streven. Dit wilde ik vandaag nu eens duidelijk zeggen. Misschien is het niet zo veel, maar de conclusie is misschien toch wel belangrijk, ook voor u!

De dingen zijn pas de moeite waard, wanneer zij moeite kosten.

Je kunt je iets pas werkelijk eigen maken, wanneer je ook bereid bent de volle prijs ervoor neer te tellen. Alles, wat je op een koopje denkt te kunnen krijgen, blijkt minderwaardig of beschadigd te zijn, vooral geestelijk.

En ten laatste, maar zeker niet ten leste: De grootste rijkdom en vreugde komt vaker voort uit het zaaien dan uit het oogsten.

Misschien lijkt die laatste uitspraak u wat vreemd. Maar denkt u niet, dat die laatste landbouwers (waarvan Adam er ongetwijfeld ook een is geweest) niet vreugdiger hebben  gekeken naar het gewas dat zo goed op kwam, dan later naar het vele koren, dat zij hadden kunnen opslaan?

En wat uzelf betreft, is het niet veel vreugdiger een nieuwe weg te vinden, een nieuwe mogelijkheid bij jezelf te constateren, dan de vreugde over alle bereikte waarden en het volvoeren van alle reeds beheerste taken tezamen?

Dit laatste zou je het oogsten kunnen noemen. In het menselijke leven kom je praktisch aan dit verwerken, dit oogsten, nog niet geheel toe. In een mensenleven ziet men misschien iets uitgroeien van een zaadkorrel, een mogelijkheid, tot een rijpe aar, een bijna voldongen feit. En dat is al heel wat. Je komt met moeite, zweet, nood, pijn en armoede op een gegeven ogenblik zover, dat je iets begint te begrijpen van het leven. Wat dit begrip dan nog worden kan, weet je niet. Maar elke dag brengt nieuwe mogelijkheden. En alles wat je vandaag zaait met geheel je wezen, met het geheel van je kunnen en wil (zelfs al lachen anderen er om) of blijkt het later niet juist, vormt tezamen het zaaien van het geestelijk zaad. Wat hieruit aan erkenning en ervaring voortkomt is later het voedsel van de geest.

Die wereld van de geest lijkt in vele opzichten overigens wel wat op het paradijs van het oude verhaal: Er is geen honger, geen schaamte of noodzaak tot kleding. Er zijn geen ‘wilde’ dieren, daar alles harmonisch zal zijn voor jou, wanneer je zelf maar harmonisch bent. Ja. De wereld van de geest is in feite het paradijs, herschapen. Maar het is een paradijs, waarin je alleen leven kunt wanneer je de vruchten die je voeden, zelf hebt helpen voortkomen met het zweet, dat je van het gelaat is gedropen, met de pijnen van je lichaam, met de kramp van het denken. Want het paradijs van de geest is alleen te betreden, wanneer ie innerlijk alles wat er in je leeft reeds hebt waargemaakt, wanneer je het in dit leven hebt verdiend. Wij moeten ons voeden door streven, om later gevoed te worden door de vruchten, die wij voortbrengen. Dat is de hele zaak.

Wij zitten hier nu met enkele mensen bijeen. Het loopt tegen Sinterklaas en zo dadelijk viert men weer de Kerst. En zelfs in deze feestdagen geldt op aarde, dat je niet zomaar iets voor niets kunt krijgen. Daar surprises rond deze tijd van het jaar ‘in’ zijn, wil ook ik u er enkele geven. Het zijn puzzels, dingen, die kunnen helpen bij een poging om werkelijk en bewust geestelijk te streven. Denk over de volgende punten eens na, en, wanneer u er niet voldoende uit kunt komen, vraag in de toekomst eens onze mening over deze onderwerpen.

De eerste vraag luidt dan: Kan er een werkelijk hiernamaals bestaan? En nu niet zeggen dat dit wel zo zal zijn, omdat eenieder het beweert of omdat wij zeggen uit deze wereld te zijn. Kan er een werkelijk hiernamaals zijn? Probeer hier eens voor uzelf een zo rationeel mogelijke oplossing te vinden.

De tweede vraag lijkt nog eenvoudiger en is nog moeilijker. Wat is eigenlijk geluk? Als mens zoekt men immers zo graag naar geluk. Denk er dan allereerst eens over na wat eigenlijk geluk is. Ga bij de beantwoording niet uit van een mogelijkheid of toestand in de wereld buiten u, maar beschrijf eenvoudig wat er, volgens u, innerlijk bij u moet aanwezig zijn om gelukkig te kunnen zijn. Het zal u moeilijk vallen. Daarvan ben ik zeker. Maar het zou u ook tot enkele zeer interessante conclusies omtrent eigen wezen kunnen voeren.

En voor de liefhebbers: Degenen, die met de komende feestdagen misschien wat extra tijd overhouden, volgt hier nog een heel aardige. Is het belangrijk of er nu wel of niet een God bestaat? Denk ook hierover eens na.

Wanneer u een tijdlang met deze vragen gewerkt hebt en zo ontdekte dat het doodeenvoudig lijkt in het begin om een antwoord te geven, maar dat er innerlijk een zo grote warboel bestaat wanneer je ook achter de façade van de in het leven gangbare verklaringen verder zoekt, dan komt u misschien ook dicht bij de essentiële waarden van het leven. En als u eenmaal, voortgaande op die weg, het essentiële in uw bestaan zelf gevonden hebt, dan zult u (waarschijnlijk in het zweet uws’ aanschijns, maar volgens mij zeer zeker) uw brood in geestelijke en andere zin, verdiend hebben.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Vragen

  • Ik herinner mij dat vriend Henri in een cursus van het voorgaande jaar zei: “Je moet je talenten activeren. Wanneer je dingen gaat doen die eigenlijk niet met je innerlijk accorderen, kost het je veel teveel moeite en je bereikt er toch niets mee”. Maar wat je via je talenten doet, kost je, naar ik meen, niet “het zweet uws aanschijns”

Een aardige vraag, een aardige stelling. Rembrandt van Rijn was als tekenaar en schilder ook een groot natuurtalent. Dus heeft geen enkel van zijn stukken hem dan ook maar één druppel zweet gekost? Einstein was een genie op het gebied van de mathematica. Het zou hem dus geen moeite gekost hebben al die problemen te formuleren en op te lossen. Hij gebruikte immers zijn talent? Zo zegt u het in wezen. Ik niet. Volgens mij is het zelfs precies omgekeerd: Zolang je je bezighoudt met dingen, die niet een deel van jezelf, eigen wezen en vermogens zijn, kost het daarmede bezig zijn je moeite, maar meer niet. Want je kunt jezelf daarin niet geheel geven. Je ziel blijft erbuiten. Op het ogenblik dat je aan iets begint, waarin je werkelijk op kunt gaan, iets waarin je werkelijk leeft, waarin je werkelijk gelooft en waarin je dus ook perfectie wilt bereiken, zal het je veel zweetdruppels en moeite kosten. Voor iemand met enige vakkennis is het maken van een schilderij niet zo moeilijk. Laat ons zeggen, voor een routinier die in serie werkt 1uur werkelijke werktijd in een reeks Italiaanse landschappen. Zoiets kost geen moeite, geen zweet. Je maakt iets, zonder zelf daarbij betrokken te zijn. Maar probeer nu eens een enkele boom, bijvoorbeeld op het Voorhout, precies weer te geven, niet alleen met lijnen, maar met alle indrukken die je zelf daarvan ontvangt. Wanneer je werkelijk talent hebt en door het onderwerp gegrepen bent, verniel je jezelf, om uit hetgeen je in jezelf als het ware kapot maakt, de boom te herscheppen. Dat kost geen uren, maar dagen en misschien weken. Dat kost wanhoop, zweet, uitputting. Je bent als gedreven. Maar het eindresultaat leeft.

Jullie schijnen altijd weer te denken dat je bepaalde dingen als voor niets krijgt, wanneer je een gave bezit. Dat is fout. Indien je een gave hebt en daarin op kunt gaan, zul je meer bereiken en het bereikte zal een meer blijvende waarde bezitten. Dat is waar. Maar het kost je ook meer, omdat je met geheel je wezen erin opgaat, ja, moet gaan. Ik wil nog een eenvoudig voorbeeld geven. Noemt u maar een gave…

  • Welsprekendheid.

Goed. U hebt deze gave. U staat hier voor vele mensen en u moet een toespraak houden. U zegt alles, wat u u voornam te zeggen in perfecte dictie, zonder ooit de tekst kwijt te raken.

Op de achtergrond ligt echter de gedachte aan een afspraak, die u hebt gemaakt, om zo dadelijk te gaan borrelen. De mensen voor u interesseren u niet. U handelt het onderwerp af, omdat het nu eenmaal zo is afgesproken, omdat het moet…. Dat gaat. Alles loopt mooi, precies op tijd. Er is niets aan de hand. De mensen vinden uw toespraak mooi of geestig en praten er misschien eens over na als over iets, wat zij ergens in de etalage hebben gezien.

Neem nu een tweede spreker. Zijn talent van welsprekendheid is misschien minder dan dat van de ander. Ook hij staat voor de zaal vol mensen. Maar nu is er ergens iets, wat hem in de ziel brandt. De spreker vergeet alles, behalve het onderwerp. Hij boetseert met woorden, wijkt van de tekst af en zegt bijvoorbeeld: “Mens, in jezelf verlaten zijn, in jezelf niet meer weten wat waar en wat niet waar is, leven met dromen, waarbij je vandaag meent een hemeling te worden, morgen de hel vreest en overmorgen denkt: Wat leeft, leeft, wat dood is, blijft dood. Wat wil je dan nog in die verwarring. Wat wil je nog bereiken? Zoek in jezelf, mens. Zoek in jezelf naar wat je hebt en houdt het vast, want dat is van belang…..”

Nu zal het gehoor niet zeggen hoe mooi het was, maar het zal geroerd zijn door de woorden. De gevoelens van de spreker drongen ook door in de anderen. Want de tweede spreker heeft zijn gave van welsprekendheid gebruikt op de wijze, waarop zij gebruikt behoort te worden. De spreker is na de toespraak leeg. Hij heeft geen zin om te gaan borrelen. Hij moet gewoon op adem komen. Want hij heeft in het gebruik van zijn gave zichzelf gelegd. Werkt men zo, zo heeft men het talent der welsprekendheid gebruikt om iets vanuit eigen wezen te scheppen.

Dan hebt u niet alleen de theorie gehanteerd, maar daar de praktijk van eigen denken en krachten aan toegevoegd. Dan hebt u de mensen niet iets aardig gezegd, maar u hebt getracht alles wat u werkelijk meende, voor de anderen begrijpelijk te maken, het niet alleen voor hen te zeggen, maar het vooral ook tot hen door te laten dringen.

Geen wonder dat dit inspannend is, dat men hier moe van wordt. Indien je met deze welsprekendheid ook nog je dagelijks brood verdient, kun je met reden zeggen, dat je je brood weer in het zweet uws aanschijns verdiend hebt, geloof mij. Met moeite en vermoeidheid heb je betaald voor je werk. Maar ook eerst dan kun je volgens mij zeggen, dat je werkelijk welsprekend bent geweest. Want niet degenen, die woorden aaneen weet te rijgen als fraaie kralen is werkelijk welsprekend, doch hij, die achter de klank van de woorden het denken kan omvormen tot een beeld, dat ontstaat in de luisteraar. Wie dit tot stand brengt, is waarlijk welsprekend en zal vaak welsprekender zijn in zijn stamelen, dan anderen in de gedragen oratorische schoonheid van hun woorden. U maakt van het zweet des aanschijns heel iets anders dan de meesten. Die stellen dit voor als een straf, een vervloeking. Volgens mij is het noch vervloeking noch straf. Ik meen dat dit alles het noodzakelijk resultaat is van elk scheppingsproces. Werken is, wanneer je zelf denkt en enig onderscheid bezit, in feite een onvolmaakte vorm van scheppen.

Wat leren wij hierover uit Genesis? God werkte 6 dagen lang aan zijn Schepping. En wat deed Hij de zevende dag? De zevende dag sprak Hij tot zich: “Wat een job. Maar het is af en goed.”

En daarom rustte Hij de zevende dag uit. Zo gaat het ook de mens. Wanneer hij werkelijk gebruik maakt van zijn vermogen om te beheersen, te scheppen, zelfs indien dit slechts tot uiting komt in de vorm, die wij ‘werken’ noemen, doch die in feite een aanpassen van de wereld en haar middelen aan de wensen van de mens omvat, worden wij moe. Indien wij met inzet van al ons kunnen geconcentreerd werken, dan zal zelfs zogenaamde geestelijke arbeid iets veroorzaken, wat de Hagenaar, geloof ik, bij voorkeur transpireren noemt. Juist daarom beschouw ik deze uitspraak niet zozeer als een zegen of vloek, maar zie haar eerder als en aanduiding van de voor de mens nu openliggende mogelijkheid, om bewust en wetend Gods beeld en gelijkenis te zijn.

Zelfs van God zegt men niet, dat Hij moeiteloos schept. Dat nemen alleen de dwazen aan. God schept uit zijn kracht en wil. Indien Hij deze dingen heeft gegeven in het scheppen, is hij ze ook ergens ‘kwijt’. Zo gaat het ons. Daarom nogmaals: Het zweet uws aanschijns is geen loon en geen vloek, geen zegen en geen straf. Ik meen eerder dat het een soort embleem is van de werkelijkheid die wij bereiken, wanneer wij als denkende, wetende, bewuste wezens, God erkennen, en zoeken iets van hem waar te maken. Want volgens mij is dit het ware voedsel, de bron, die ons alle dingen geeft.

  • U droeg ons op onszelf de vraag te stellen of er wel een hiernamaals kan bestaan. Maar wij zouden niet hier zijn, wanneer wij daarvan niet overtuigd waren. Ik zou zo zeggen, dat wij dat wel weten en daarover dus niet meer hoeven na te denken.

U begaat hiermede de gebruikelijke fout. U stelt: Ik ben ervan overtuigd, dus is het voor mij onaantastbaar. Neen. Zo ik u het overwegen van een dergelijke vraag voorstel, gaat het er niet om te bewijzen of een hiernamaals niet of wel bestaat. Indien je bij deze vraag namelijk wat verder door durft denken, vraag je allereerst: Waarom? Waarom een hiernamaals? Waarom geloof ik erin, wat zijn de bewijzen, die ik voor het bestaan ervan bezit?

Waarom aanvaard ik dezen als bewijs… enzovoort?

Uiteindelijk komt men dan tot een conclusie. Ik wil op de mogelijkheden hiervan niet te ver vooruitlopen, daar ik u anders te veel van uw huiswerk zou ontnemen. Maar indien ik een mens zou zijn, zou ik uiteindelijk waarschijnlijk stellen, dat het hiernamaals een projectie is van mijn wezen, dat ik niet durf beseffen gedurende het stof gebonden zijn. Er is geen hiernamaals in de zin van volgend op het leven. Er is slechts een periode, waarin je bepaalde contacten niet erkennen en aanvaarden kunt in hun ware gestalte, terwijl er andere perioden zijn (voor u na de dood) waarin men dit deel van eigen werkelijkheid wel aanvaarden kan. De werelden van de geest…..het hiernamaals is geen kwestie van plaats, maar van een verandering in eigen wezen.

Alle sferen, tot de eeuwigheid toe, kunnen zich dan ook afspelen in hetzelfde ogenblik, binnen het kader van dezelfde plaats en dezelfde tijd. Uiteindelijk hebt u geen ‘bewijzen’. U kunt niet eens bewijzen dat u werkelijk leeft, zoals u denkt te leven. Misschien droomt u dit maar. Je kunt niet bewijzen, dat uw leven hier een concreet gebeuren is en niet slechts een illusie, gekoesterd door een bewustzijn, slapende in een geheel andere wereld. U kunt slechts bewijzen, dat dit leven voor u als werkelijkheid geldt en voor u van belang is.

Je dringt dieper door in eigen werkelijkheid en leert het te stellen zonder algemeen geldende zekerheden, om zoveel te zuiverder eigen zekerheden en noodzaken te beseffen. Dit is ook de achtergrond van een vraag als: Is het belangrijk dat er werkelijk een God is of niet?

Het antwoord zal moeten luiden dat het al dan niet werkelijk bestaan van een God voor ons niet zo belangrijk is, daar God voor ons toch slechts een voorstelling is. Hieruit volgt dan weer het feit dat eigen leven en bestaan (echt of illusie) voor het eigen Ik al belangrijk is, zodat het al dan niet bestaan van een werkelijke God en een werkelijk leven alleen binnen het kader van mijn eigen zijn voor mij van werkelijk belang is. Ten laatste zal men zich realiseren dat, zo er een God bestaat, deze God voor het ik alleen in eigen wezen en bestaan kenbaar geuit zal kunnen zijn. Wanneer ik mijzelf maar voldoende leer kennen, zo luidt dan één van de mogelijke conclusies: Het is niet zo belangrijk of er volgens anderen nu wel of niet een God bestaat. Ook hier geef ik slechts een enkele van de vele mogelijke realisaties die het overwegen van dergelijke vragen voor het ik mogelijk kan maken.

Ik wil hierbij nog het volgende opmerken. Meent ook u niet, dat een veel te groot deel van het menselijke denken, geloof en leven bestaat uit het uiterlijk als waar aannemen en hanteren van bepaalde dingen, waar men innerlijk in feite niet mee verbonden is? Geloven in een hiernamaals of in God heeft uiteindelijk weinig te zeggen. Met jezelf worstelen om contact met dit hiernamaals of met God te vinden, uit te vinden wat er voor het Ik dan wel bestaat, indien het gestelde niet waar zou zijn, maakt de mens pas tot een waarlijk bewust levend wezen. Ook vele van uw zogenaamde wetenschappen gaan mank aan dit euvel. Het is bijvoorbeeld vreemd dat juist de beste economen voor een staat alles menen te kunnen voorzien en voorzeggen, maar met eigen huishoudboekje en kosten meestal niet overweg kunnen. Zij weten kennelijk veel van de theorie, maar falen zelfs in eenvoudige dingen, waarbij dit sneller tot uiting komt en moeilijker weggepraat kan worden met nieuwe theorieën, zodra zij iets praktisch moeten doen. Uw wereld is vol van knappe ontwerpers. Zij zijn de genieën van deze tijd. Maar zij zouden niets bereiken zonder de stille raadgevers aan hun zijde, die hen steeds weer moeten wijzen op de delen van hun plannen, die niet of nu nog niet te realiseren zijn. Waar deze laatsten ontbreken, zien wij een chaos ontstaan door de poging, vele op zich goede ontwerpen waar te maken, voor men over de noodzakelijke middelen kan beschikken.

Dat zegt toch wel iets! Je kunt niet alleen met de buitenkant werken, je kunt je niet alleen met denkbeelden bezighouden. Wat de mens zich in het leven op bouwt moet meer dan een façade zijn, een mooie schutting, die maar al te vaak rond een mestvaalt staat en soms ook de schoonste paleizen pleegt te verbergen, die er in een menselijk wezen gebouwd kunnen worden. De kern beseffen en dan volgens de mogelijkheden van de praktijk tot uiting brengen, dat is pas werken met een idee. Pas dan worden denkbeelden werkelijk bruikbaar. Het beproeven van denkbeelden kost vaak bloed, zweet en tranen. Maar alleen zo leert men op den duur wat wel kan en niet kan. Dan leert men zijn eigen stukje leven recht te vijlen. En wie dit heeft geleerd en in de praktijk weet te werken, zal uit de boeken en denkbeelden van anderen veel kunnen halen wat voor het ego praktisch bruikbaar is. Maar wanneer men niet eerst het beheren en richten van eigen leven geleerd heeft, baat alle wijsheid van anderen niet. Men kan daarmede misschien de façade wat verfraaien, maar niet waarlijk leven.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterie: Uw eigen innerlijke taal.

Ook heden moeten wij weer wat zeggen over esoterie. Ik wil dit doen door mij allereerst af te vragen wat (altijd volgens mij dan) de kenmerken zijn van deze esoterie.

Allereerst is voor het werken met esoterie een voorstellingswereld nodig. Indien wij ons de zaak niet in kunnen denken, kunnen wij er misschien nog wel over redeneren, maar de zaak zelf zegt ons niets. Het is dus van het grootste belang voor ons dat wij alles in onszelf weten te formuleren. Daarom zou ik willen zeggen: eenieder, die werkelijk esoterisch een bewustwordingsproces doormaakt, kent een hem geheel eigen innerlijke taal. Deze taal kan van de ‘taal’ van anderen zeer sterk verschillen, is over het algemeen emotioneel gebaseerd en kan slechts ten dele in woorden worden uitgedrukt.

Wie over esoterie wil praten, staat dus eigenlijk nog steeds in Babylon, het is dan ook uiterst verwarrend in het pogen. Om de innerlijke wereld beter te begrijpen en/of uit te drukken, begint de mens de wereld buiten hem af te schilderen. Men beseft niet, dat hiermede het werkelijke doel niet bereikt wordt. En toch zal eenieder met mij eens zijn, dat een mens, die wil weten hoe een schaap er aan de binnenkant uitziet, er niet mee kan volstaan de wol af te scheren.

Het is het zoeken naar parallellen met de uiterlijke werelden, waardoor de mens komt tot beelden als de kringloop der ziel, de elkander kruisende werelden van micro en macrokosmos. Hetzelfde geldt voor elke weergave van geestelijke sferen, de indeling van de mens in geestelijke en niet geestelijke delen, terwijl ook de voorstelling van de chakra als organen die verbonden zijn met verschillende geestelijke heersers van het zonnestelsel niet op feiten berust, maar via een analogie iets van de innerlijke wereld tracht uit te drukken. Men hecht aan dergelijke voorstellingen in de esoterie vaak een enorm groot belang, terwijl men in feite zich eerder af zou moeten vragen of dit wel een juiste uitbeelding is van de innerlijk bestaande toestand. Dergelijke stellingen hebben als leerstuk weinig of geen waarde, daar de vraag niet luidt, hoe het al in elkander zit, maar hoe men de innerlijke wereld voor zich zonder meer kan uitdrukken en erkennen.

Beseft men dit, dan zal men nog steeds een beeld van de wereld buiten nemen. Maar nu zal men er een persoonlijke betekenis, een het ik eigen gevoelswaarde aan verbinden. Wat mij voert tot een tweede conclusie: alle esoterisch denken en streven is in feite ritueel, daar door het gebruik van symbolische taal, symboolbeelden en vervangende procedures de in het Ik bestaande, maar niet uitdrukbare waarden tracht weer te geven en uiteindelijk de werkelijke betekenis daarvan voor zich wil constateren. Men mag ook niet verwachten dat men met de esoterie ooit een definitief einde bereiken zal.

Bij even nadenken zal u dit begrijpelijk worden. Wie een taal gebruikt, streeft aan de ene kant naar vereenvoudiging, aan de andere zijde ontdekt hij steeds weer de noodzaak nieuwe woorden in de woordenschat op te nemen, om nieuw erkende waarden uit te drukken. Laten wij de nieuwe woorden en houden wij ons bij de noodzaak tot vereenvoudiging.

Wanneer u ooit een wetboek hebt gelezen, zult u misschien bewondering hebben voor de compleetheid, waarmede de verschillende wetten worden omschreven. U zult u echter ook af vragen of dit, desnoods iets minder volledig, maar dan ook meer begrijpelijk, menselijk en eenvoudig zou kunnen worden uitgedrukt.

In de esoterie streef je in het begin ook naar volledigheid. Je probeert tot in de kleinste details jezelf, je godsvoorstelling en bestrevingen te omschrijven.

Wanneer je echter iets wijzer begint te worden, besef je dat het alles veel te ingewikkeld is en de vraag rijst hoe de dingen meer omvattend, begrijpelijker en eenvoudiger te stellen.

Vandaar dat men wel zegt dat een esoterische bewustwording niet zozeer tot uiting zal komen in een vergroting van het aantal beelden waarover men beschikt, maar eerder in het vermogen dezelfde denkbeelden steeds meeromvattend en eenvoudiger tot uitdrukking te brengen, waardoor zij in essentie voor steeds meer personen geldig kunnen zijn.

Men begint dus met een zuiver persoonlijke taal, maar werkt op den duur naar een vereenvoudiging toe, waardoor men op een gegeven ogenblik gaat beschikken over een praktisch universele taal. De grootste vereenvoudiging van de waarden, die ik in mijzelf vind, is het wel uitdrukken daarvan op zodanige wijze, dat zij voor eenieder met gelijk bewustzijn en misschien ook gelijksoortige achtergronden gelijkelijk begrijpelijk en geldend is.

Misschien meent u dat wij wat te veel aanmerkingen maken op de vele plechtige termen, die mensen plegen te gebruiken. Toch waag ik het erop u in dit verband eens te wijzen op het grote verschil tussen de God der Joden, zoals deze uit het oude Testament tot ons komt, en de Vader, zoals Jezus ons deze doet kennen. Er is hier niet alleen sprake van een andere term of een ander godsbeeld. Er is bovenal sprake van een totale verandering van de afstand tussen mens en God. De toornige, wraakzuchtige God is ergens ook wel de vader en beschermer van Zijn uitverkoren volk, maar Hij staat in de verte, daarboven. Elke mens kan zich die God op eigen wijze voorstellen, men kan die God zien als iemand, wiens macht men op aarde kan gebruiken, zonder dat Hij daarom nu ook steeds bij en met de mens leeft. ‘Vader’ geeft een ander beeld. Dit is een beeld, dat iedere mens op aarde wel kent. De vader is iets, is iemand, die zeer dicht bij de mens staat. Er wordt niet zozeer een andere voorstelling van God in gegeven als wel een andere verhouding tot God. Het verschil, zoals het in de aanduiding kenbaar wordt is er één van mentaliteit. Men wijzigt zijn verhouding tot God door van vrees en geheimzinnigheid over te gaan tot vertrouwelijkheid.

Dat deze betekenis van het woord ‘Vader’ bij vele mensen binnen en buiten de esoterie niet zo aansloeg, is niet te verwonderen. Mensen die hun waarde aan hun God menen te ontlenen zullen geneigd zijn, die God op een afstand te houden, zijn er op belust die God op een voetstuk te stellen. ‘Vader’ wordt al snel plechtig ‘Den Vader’ of liever nog, ‘De Here’. Men bouwt zijn systeem op de hoogheid van God. Nu wil ik gaarne aanvaarden dat God zeer hoog is. Maar wat heb ik daar nu persoonlijk mee te maken? God is de Kracht waaruit ik leef, de Kracht die met mij is, de Kracht die mij beschermt. Dit moet ik beseffen van God (ook in de esoterie). Ik meen dat deze benadering, die uitgaat van de vraag: “Wat is God voor mij”, en niet van de vraag “Wat is God?”, mij inniger met de goddelijke kracht in contact zal brengen dan alle eerbied en angst. En daarom is dit voor mij de meest interessante en voor allen gelijkelijk geldende vereenvoudiging van de hogere esoterische en godsdienstige stellingen.

Het enige voordeel, dat verbonden kan zijn aan het scheppen van een grote afstand tussen het ik en God is misschien dat men dan kan redeneren: Ik ben zo klein vergeleken bij God, dat Hij mij wel niet voortdurend op de vingers zal kijken.

Vaak spreekt men over het objectiveren van bepaalde stellingen, als bijvoorbeeld de kringloop der ziel. Onjuist naar ik meen. Zolang ik weet, is dat iets, wat zich in mij afspeelt, à la bonheur. Indien ik het echter ga bezien als iets, waarbij anderen betrokken zijn, zal ik al snel (zelfs indien ik beter weet) het gevoel krijgen dat het voor mij niet helemaal geldt. Ik zie niet meer wat zich in mij afspeelt, maar alleen welke fouten anderen maken. Toch zou men zo graag wetenschappelijk, onpartijdig, het leven en zijn raadselen ook wat de geest betreft, willen observeren en determineren. Dit juist maakt het alles zo moeilijk. Men wil immers niet zonder ‘enige objectiviteit’ de innerlijke waarheid beseffen?

Ik wil hier geen verdere bezwaren opperen, maar alleen opmerken dat, zo wij al ten aanzien van de innerlijke wereld algemenere beelden willen gebruiken, wij toch allereerst er zorg voor moeten dragen, dat de taal die wij gebruiken, past binnen onze innerlijke erkenning. Het heeft weinig zin een innerlijke taal voor het gehele Al te willen ontwerpen, die voor allen zou moeten gelden, wanneer allen zouden denken, zoals wij gedacht zouden moeten hebben, wanneer wij innerlijk geweten hadden, wat wij nu alleen uiterlijk en ‘objectief’ menen te weten.

Daarom stel ik: Ga uit van eigen innerlijk. Vereenvoudig zoveel u kunt, maar blijf ook dan steeds alleen van eigen ik uitgaan. U zoekt uw ware ik. Wees dan eerlijk tegenover uzelf en aanvaardt het beeld van uzelf, zoals u dit ontvangt. Ziet u in dit ik bepaalde hiaten optreden, zoek dezen dan door ervaring en meditatie aan te vullen.

Stel: Ik ben een eeuwig wezen. Ik heb tekortkomingen. Welke zijn dit in volgorde van belangrijkheid, zoals ik dit nu zie. Tracht eventuele tekorten op te heffen, ga eerst verder, wanneer u op dit terrein nu niets meer te doen vindt. Herhaal de procedure regelmatig.

Ten laatste: Bindt u niet aan systemen. Vraag u af, waarom u bepaalde dingen in de wereld afkeurt en vaak bij u zelf niet, of minder. Waarom zeg je “nee” of “ja” tegen bepaalde dingen… Pas u in gedrag en denken aan bij het erkende.

image_pdf