Incarnatiecycli

image_pdf

uit de cursus ‘Ontwikkeling’ (hoofdstuk 9 ) – juni 1975

Het zal u bekend zijn dat reïncarnatie bestaat. Maar wat de meeste men­sen niet weten, is dat daar bepaalde sequenties in voorkomen.
Men denkt vaak: ik reïncarneer en kom ongeveer op hetzelfde peil uit waarop ik het vorig leven heb geëindigd. Dit is niet helemaal juist. Er bestaat een bekende voorstelling over de wisseling van de standen in India. Dat lijkt wel een beetje op datgene wat wij bij incarnaties opmerken. Er is namelijk een verdeling van alle menselijke belevingsmogelijkheden in verschillende cycli (verschillende afdelingen) en deze worden achtereenvolgens beleefd bij opeenvolgende incarnaties. Ik zal trachten u daarvan een voorbeeld te geven.
Als iemand krijgsman is geweest, dan zal zijn volgende incarnatie kun­nen zijn: priester of koopman. Hij zal niet in de landbouw terecht kunnen komen. Ben je priester geweest, dan kun je in de handel terecht komen of je kunt krijgsman worden. Je kunt dus altijd twee kanten uit, maar je hebt niet de mogelijkheid om alle factoren van indeling te bereiken. Er is al­tijd een deel van het leven gesloten voor je.
Hetzelfde geldt voor de sekse. Wat zal ik zijn: man of vrouw? Als je man bent geweest, dan is de kans man ‑ vrouw ongeveer gelijk. Ben je vrouw geweest, dan is het precies hetzelfde. Maar heb je twee mannelijke incarnaties achtereenvolgens gehad, dan is de kans dat je weer als man incarneert, maar ongeveer 1 op 4. Voor vrouwen geldt weer precies hetzelf­de. Als wij dus een aantal levens hebben doorgebracht in een bepaalde vorm, dan is het bijna zeker dat we die zullen afwisselen met de andere vorm. Als wij in een bepaalde stand hebben geleefd, dan is het zeer onwaarschijn­lijk dat we in een volgend leven in een gelijke stand terecht zullen komen.
U zult misschien willen weten hoe het komt dat je bij die keuze naar twee kanten een bepaalde keuze maakt. Het antwoord is nogal eenvoudig:
Stel dat we wederom iemand hebben die krijgsman is geweest. Hij kan dan de handel ingaan of hij kan priester worden. Nu zal hij als krijgsman belangstelling hebben gehad voor muziek. Dan is de kans dat hij priester wordt aanmerkelijk groter geworden. Heeft hij daarentegen grote belangstel­ling gehad voor ordelijkheid, het opstellen van allerlei dingen, heeft hij veel gevoeld voor formuleren en schriftelijk werk, dan zal hij zeer waar­schijnlijk in de handel gaan. Het is de eigen voorkeur, de eigen liefhebbe­rij die mee bepalend is voor wat je in een volgend leven gaat doen. Maar ook in een incarnatie kun je, wat je liefhebberijen betreft, worden beïnvloed door wat je in een vorig leven hebt gedaan. Ik ken iemand die bouwmeester is geweest in de jaren 1400 ‑ 1500 en die in deze tijd is ge­ïncarneerd. Op het ogenblik maakt hij als liefhebberij kerkjes uit lucifers. Het klinkt een beetje gek, maar die relatie blijft dus ergens wel bestaan.
In ons gehele leven zullen we dus worden beheerst door zowel de voor­gaande incarnatie als ook door onze mogelijkheid voor een volgende incar­natie. Dat klinkt misschien vreemder dan het is, maar er is nu eenmaal een kosmisch ritme. Dat ritme bepaalt evenzeer de incarnaties.
Als wij tot een bepaalde groep behoren, dan is er grote kans dat wij met die groep zullen incarneren, want het is een gelijk bewustzijn en dat wil zeggen dat daardoor een gelijke geestelijke bereiking mogelijk is. Er zijn verschillen van 30 à 40 jaar denkbaar, veel meer niet. De incarna­ties zullen zo plaatsvinden dat men elkaar kan ontmoeten, ook al zullen sommige leden kleine kinderen zijn en anderen al heel oud wanneer deze worden geboren. Maar ze behoren tot dezelfde groep.
Nu is het in deze groepen altijd weer zo dat er gezagsverhoudingen zijn. Iemand die een gezagspositie heeft gehad, zal bijna altijd in een ondergeschikte positie komen. Iemand die een enorme daadkracht heeft gehad en anderen heeft gedreven, zal nu worden gedreven of althans een zekere apathie, een luiheid in het leven vertonen. Een mens die heel veel relaties met anderen heeft gehad, zal waarschijnlijk in een volgende incarnatie wel emotioneel verbondenheden aanvoelen, maar in zijn leven veel meer teruggetrokken zijn. Op deze wijze compenseert zich in de incarnaties alles. En dat is heel belangrijk, want een geest die incar­neert, doet dat ten slotte niet om alleen maar een paar stoffelijke bele­vingen mee te maken, maar vooral om een aanvulling te krijgen van eigen geestelijke inhoud en wel zo evenwichtig mogelijk.
Het zal u duidelijk zijn dat iemand, die alleen koning, generaal of minister-president wordt, een zeer eenzijdige opvoeding en scholing heeft gehad, ook geestelijk gezien. Wanneer daartegenover dan een tijd staat van een leven als misschien boerenknecht of handelaar, dan wordt het evenwicht al groter. Hij wordt bij verschillende aspecten van het leven betrokken, zal daardoor ook verschillende ervaringen opdoen, verschil­lende waarderingen in zichzelf gaan erkennen en zal zo ook geestelijk dus een groter gebied kunnen omvatten en aanvaarden.
De cycli worden vaak in tijd bepaald. Dat is volgens mij nogal moei­lijk. Je kunt zeggen: Als we te maken hebben met groepsincarnaties, dan zijn perioden van 700 jaar en van ongeveer 250 jaar de meest voorkomende. Maar er zijn ook groepsincarnaties die over duizenden jaren lopen. Er zijn zelfs incarnatiegroepen die tussenliggende incarnaties kennen voordat de groep als geheel weer bij elkaar komt. Er is op het ogenblik een incarnatiegroep, die feitelijk behoort tot de vroeg‑Tolteekse beschaving en die een lange tijd afzonderlijk geïncarneerd is. Een deel van hen in India, een ander deel in U.S.A. en weer een ander deel in Europa.
Deze mensen komen nu samen in het Noord-Afrikaanse continent. Dat is heel wonderlijk, maar de groep heeft kennelijk toch voldoende bindingen om weer samen te komen. Alleen, de verhoudingen in die groep zullen, wat stoffe­lijke waardering betreft, volledig veranderd zijn.
Het is misschien voor u een gek idee dat je bij een zeer sterke bin­ding tussen bepaalde persoonlijkheden in de eerste incarnatie b.v. de ou­der bent van het kind en dat je later het kind wordt van degene die in een vorige incarnatie jouw kind is geweest. Ook dat komt veel voor. Hierdoor krijg je een ontwikkeling waarin het ego voortdurend wordt ge­confronteerd met de totaliteit van het bestaan en dat is heel belangrijk.
In alle incarnatiecycli, of ze persoonlijk worden beschouwd ten aan­zien van de groep of als een totale wetmatigheid, mag worden gesteld:

  1. De eigen geestelijke bereikingsmogelijkheid is mee bepalend voor de tijd die er zal liggen tussen twee opeenvolgende incarnaties.
  2. Stoffelijke incarnaties hebben altijd ten doel datgene te beleven en voor het ‘ik’ mogelijk te maken wat in een voorgaand bestaan niet mogelijk is geweest. (Dus als u in een vorig leven heel mooi bent geweest, heeft u kans dat u in dit leven er maar een beetje miezerig uitziet.)

Het is belangrijk dat u leert alles van verschillende kanten te be­leven. Want uw gehele emotionele bestaan dat voor de geest erg belang­rijk is, wordt mee bepaald door datgene wat u in de wereld denkt te zijn. En door u in steeds verschillende maatschappelijke posities, zo goed als in verschillende gemeenschappen te doen incarneren, is het mogelijk u een volledige opvoeding te geven waarin u alle aspecten van het leven leert kennen en zo vele verschillende soorten van harmonie leert besef­fen. Juist door de vele verschillende harmonische mogelijkheden die u be­zit, zult u in de geest op den duur alle factoren kunnen ontvangen, die deel uitmaken van de kosmos. Heeft u dat bereikt, dan is een verdere in­carnatie niet meer mogelijk. U gaat gewoon verder in een totaal nieuwe verhouding waarin u zich nog wel met de materie kunt bezighouden, maar niet meer geïncarneerd als een mens.
Ik hoop u hiermee een klein inzicht te hebben gegeven in de samen­hangen die in uw leven en de ontwikkelingen daarin bestaan. Het is zo ge­makkelijk te zeggen: Ik ontmoet bepaalde mensen en dat is karma, dat is mijn noodlot. U kunt eerder zeggen: Wanneer ik mensen ontmoet, dan is dat omdat er relaties zijn geweest waardoor een werkelijke band ontstond, die nu op een totaal nieuwe en andere wijze moet worden uitgedrukt. Het is niet: wat ik de ander heb aangedaan, zal de ander mij nu aandoen. Maar het is wel: de handicap waaronder de ander eens heeft geleefd en gewerkt, zal ik nu aan den lijve ervaren. Ik zal op mijn eigen wijze moeten trachten daarin toch een zekere harmonische existentie te vinden. Ik hoop dat dit korte betoog u in staat zal stellen om uw eigen hui­dige incarnatie in een wat objectiever licht te bezien. Niet meer als iets wat onherstelbaar en onrechtvaardig is, maar gewoon als iets wat voor u mee noodzakelijk is, omdat u al zoveel andere dingen hebt gekend en hebt gehad en juist deze ervaring u kan helpen daar meer van te maken.

image_pdf