Indeling der sferen

image_pdf

8 juli 1966

Allereerst mag ik u er wel op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ons onderwerp van vandaag draagt de titel: Indeling der sferen

Het begrip sfeer en sferen wordt in vele verschillende vormen gebruikt. Wij kennen bv. het begrip sferen in de oudheid, waarbij men allereerst sprak van de zeven sferen, die de bekende planeten omvatten, terwijl men later placht te spreken van de 49 kristallijnen sferen, waarbij in verschillende vlakken de sterren en sterrennevels waren opgenomen. Misschien meent u, dat dit weinig heeft te maken met het begrip sfeer, zoals wij dit in deze kringen plegen te hanteren. Er zijn echter parallellen en overeenkomsten aan te wijzen. De verschillende sferen hebben elk een afzonderlijke eigenschap. In vele gevallen behandelt men deze verschillende bollen of sferen als werelden met afzonderlijke wetten. Daarbij zijn deze sferen aan de aarde verbonden, waar zij zich rond uitbreiden als een soort koepeldak of een deel van de atmosfeer. Het denkbeeld, geestelijke werelden in sferen in te delen, is ongetwijfeld eerst in de dagen van de Grieken ontstaan. Daarvoor werden de waarden, die wij nu sferen noemen, eerder beschreven als delen van een soort landschap, waarbij de geestelijke werelden afzonderlijke namen kregen als: Rivier des doods, de hal met 7 zuilen, de drie gangen, de 7 treden enz.

Men behandelt deze verschillende waarden echter als de kamers van een huis, als de delen van een geheel. Eerst, wanneer men gaat denken over de “sferen van de hemelen”, komt men er toe de geestelijke werelden als van elkander gescheiden sferen te beschouwen. Het ontstaan van het begrip sferen, zoals wij dit hier hanteren, is dus, volgens mij, ontleend aan de gedachten van de Griekse filosofen.

Hun denkbeelden werden allereerst overgenomen door de sterrenkundigen van die dagen, waardoor grote veranderingen in de astronomie en ook de astrologie ontstonden. Nu echter zal  men de wereld, waarin wij, die leven in de geest, wel in de eerste plaats als een “sfeer” aanspreken. Wij in de geest leven in een eigenaardige wereld. Want in werkelijkheid kan deze wereld eigenlijk geheel niet in afzonderlijke sferen verdeeld worden. Als je over de aarde spreekt, spreek je immers mede over het geheel, dus ook alle landen, die zich op de aarde bevinden, hoe verschillend van landschap, bevolking, wetten, deze landen ook mogen zijn. Wanneer men spreekt over “het hiernamaals” zo spreekt men in wezen over het geheel van de werelden na de dood, over alle sferen. Want deze geestelijke werelden zijn allen ergens met elkaar verbonden.

Er zijn tussen deze werelden wel bepaalde grenzen aan te geven, maar dezen doen eerder denken aan natuurlijke grenzen, zoals rivieren of bergen, dan aan werkelijk strenge en niet te overschrijden grenzen. Men kan wel degelijk op dezelfde wijze, waarop men via een smokkelpaadje over de Pyreneeën van Frankrijk naar Spanje kan gaan, ook van de ene sfeer naar de andere gaan, zonder dat daarbij ook maar iemand gezag uit kan oefenen of de hulp van anderen daarbij onvermijdelijk en noodzakelijk zal zijn.

Ofschoon dit beeld wel enige gebreken vertoont, geef ik het u om duidelijk te maken, dat het indelen van de werelden van de geest in nauw begrensde sferen typisch menselijk is. In haar wijze van spreken op aarde zal de geest aan deze voorstelling over het algemeen wel beantwoorden, omdat het alleen zo mogelijk is bij de mensen enig begrip te wekken voor de verschillen van omstandigheden, waaronder men in de geest pleegt te bestaan. Juister is het, wanneer men niet meer spreekt van “werelden”, maar van vlakken van bewustzijn. U kunt zich misschien voorstellen, dat er ergens een straat is, waarin naast elkander een analfabeet, de doctorandus in de letteren, een bootwerker, een ijscoman, een politieagent en een kwekeling wonen. Elk van hen heeft een afzonderlijke persoonlijkheid een eigen wijze van leven, een eigen bewustzijn. Toch hebben zij met elkander enig contact. Alle sferen hebben met elkander wel contact, maar als nu de doctorandus in de letteren tegen de analfabeet over Shakespeare en zijn verdiensten spreekt, zal deze daarvan niet veel begrijpen. Zeker wanneer de geleerde met een boek komt aandragen, zal de eenvoudige daarvan niets meer begrijpen en ook niets kunnen leren. Wanneer er in de sferen verschillen zijn, – hoger niveau – dan zullen de entiteiten van die sfeer in dat niveau vrijelijk kunnen verkeren met alle lagere werelden. Willen zij daar echter werken, dan zullen zij hun vocabulaire en werkwijze moeten aanpassen aan de waarden en mogelijkheden van de lagere sfeer. Daar op een niveau van bewustzijn grote verschillen van bewustzijn tussen de bewoners voor kunnen komen, is het in wezen niet goed mogelijk grenzen aan te duiden, die er werkelijk zouden zijn. Het een gaat over in het andere.

Wanneer ik nu toch enkele indelingen geef, is het vooral om u te doen beseffen, dat vele verschillende zienswijzen en klasseringen hiervan bij de mensen bestaan. Zo treffen wij vaak een indeling van de sferen aan, die gebaseerd is op de in verschillende gebieden volgens de mens regerende krachten. Wij spreken dan over de “vormensfeer of godenwereld”, de “zielensfeer” of “belevingssfeer”, terwijl de derde sfeer in dit geval wordt aangeduid als oerwereld of oersfeer.

Ofschoon dit indelen in drie hoofdgebieden op zich eenvoudig is, komen ook hier vele sferen in het geding, omdat men de drie hoofdgebieden natuurlijk tot in het oneindige kan onderverdelen.

Degenen, die deze systemen gebruiken, zien de mens in zijn eigen wereld als gescheiden van de werelden van de geest. Wanneer die mens geestelijk aan zijn taak beantwoordt, zijn ingelegde taak vervult, zal hij na de dood komen in een wereld van goden – i.e. krachten, die in de ogen van de mensen als zodanig optreden, en kan met hen als een gelijke verkeren.

De godenwereld is echter een wereld van vormen, die slechts in haar mogelijkheden, maar niet zozeer in haar uiterlijk van de wereld der mensen verschilt. Deze wereld nu wordt weer door hogere wezens bezield. Dit betekent, dat men, als men eenmaal tot “god” geworden is, naar deze hogere wereld kan evolueren en zo gelijkwaardig deelgenoot kan worden in de wereld waarin deze bezielende krachten leven. Opvallend is, dat de godenwereld met vele details wordt omschreven, terwijl de omschrijving van deze zielenwereld altijd wat vaag blijft. Daar hier vooral bewustzijn, inzicht, kennis een rol spelen, kan men dit begrip het beste vergelijken met “de boom des levens” of “boek der eeuwige herinnering”, waarvan wij in bepaalde hindoelegenden horen of, indien u deze niet kent, met “de hal der herinnering”, waarover in de Egyptische mythologie en dodenboek gesproken wordt.

Is de kennis, het inzicht, groot genoeg, dan kan men weer verder gaan naar de oerwereld.

Ergers, zo zal men wel gedacht hebben, is een begin van alle dingen. Wat dit begin is, weet – ondanks alle gelijkenissen en verhalen – kennelijk niemand. Het is een wereld van Chronis, de wereld van Brahman, het onbekende. Daarin zal men kunnen binnentreden als gelijkwaardige kracht, wanneer men de kennis van de ziel geheel meester is. Ofschoon deze indeling zeer oud is en in zekere zin primitief genoemd mag worden, vinden wij haar in licht gewijzigde vormen tot op heden terug. Dit denkbeeld b.v. was de basis voor vele stellingen van alchemisten. Ook in de Kabbala treffen wij een indeling van het Al, die sterk aan deze indeling doet denken. Weliswaar wordt de drieheid daarin niet zo nadrukkelijk tot uitdrukking gebracht en spreekt men eerder over 3 zuilen, maar ook in ander opzicht blijkt, dat de gebieden van bewustwording en de gebieden waarin geestelijke krachten regeren, uiteenvallen in drie hoofdgebieden.

Gaat men uit van de geaardheid en het wezen van de levenskrachten en verschijnselen, dan ontstaat een geheel andere indeling. Ik wees u reeds op de mogelijkheid, de sferen in te delen aan de hand van de vroeger bekende 7 planeten, een systeem met 7 sferen dus. Hierbij kent men de zonnewereld als de hoogste. Zij vertegenwoordigt het hemelrijk en is de bron van alle levende kracht. Zoals in de astrologie elke planeet haar eigen mogelijkheid en eigenschappen heeft, zo zal elke sfeer eveneens eigenschappen bezitten, die een goede overeenkomst vertonen met deze planeetwaarde. De Marssfeer is dan ook een krijgshaftige sfeer, waarin de moed en de strijd hoogtij vieren, een wereld, waarin een Walhalla denkbaar is. De Venussfeer wordt meer zinnelijk voorgesteld en doet denken aan de voorstellingen, die sommige mohammedanen zich van het paradijs maken. Deze voorbeelden maken wel duidelijk, hoe hier de waarderingen liggen.

De mens heeft getracht de eigenschappen, die hij op aarde aan de hemelwaarden toekende, ook op de sferen toe te passen. Ook dit is wel degelijk mogelijk. Want wanneer u een bepaald geloof hebt, een bepaalde leefwijze volgt, nadruk legt op bepaalde hartstochten enz., zo zijn dit waarden, die in het leven – ook na de dood – de afstemming van uw wezen bepalen. In een hiernamaals zal men dan ook in de eerste plaats in contact komen met entiteiten die gelijke eigenschappen bezitten en gelijke waarderingen kennen. Praktisch is een dergelijke indeling wel.

Op aarde zou men een mogelijkheid, zo alle gelijkgestemden samen te brengen, ongetwijfeld op prijs stellen. Denk u eens in: een land, waarin alle provo’s samenkomen en dus elkander verder kunnen provoceren naar hartenlust, terwijl alle misdadigers in een andere sfeer leven en daar elkander kunnen beroven, doden enz., zonder dat verder ook maar iemand er last van heeft.

Bij deze indeling ziet men de sferen dus eigenlijk als een weergave van de eigenschappen van de mens, die worden aangevuld door eigenschappen van gelijke waarde, die in de kosmos bestaan.

Opvallend is hierbij, dat men deze sferen als zeer sterk begrensd beschouwt. Iemand die tot de wereld van Mars behoort, kan dus niet naar een andere sfeer gaan. Men zal de waarden van de Marssfeer geheel moeten beleven en erkennen, om dan van daaruit uiteindelijk over te gaan naar de sfeer van de zon. Hierbij wil ik nog opmerken dat de zonnesfeer en de kracht van de zon, naargelang de wereld, waaruit men komt, verschillende namen en betekenissen heeft, zodat ondanks de erkende eenheid, ergens toch het verschil, zelfs in de hoogste bereiking, gehandhaafd blijft.

Een wat dichter de werkelijkheid benaderend systeem treffen wij aan bij het Chinese boeddhisme, in bepaalde delen van de brahmaanse leer, terwijl een soortgelijke voorstelling ook naar voren komt in het volksgeloof, zoals dit nog wel in Mexico, en in de staten van Midden-Amerika wordt aangetroffen. Hier gelooft men aan werelden van het hiernamaals, die men a.h.w. zo binnen kan treden. De mens kan onder omstandigheden zelfs in de stof naar hogere werelden opklimmen, waaruit hij als mens ook weer naar de aarde terug kan keren. Hoe men tot een dergelijke opvatting komt, is eenvoudig te verklaren. De volkeren, die deze soort indeling kennen, zijn volkeren die uittreding plegen te beoefenen. Sommigen onder hen maken daarbij gebruik van verdovende middelen, terwijl anderen de voorkeur geven aan dansen en incantaties. In al deze landen echter blijkt het gewoon te zijn, dat men gezamenlijk of alleen een zodanige sfeer opbouwt, dat een, vaak gezamenlijke, uittreding en beleving van een andere sfeer daarvan het gevolg is.

Hier blijkt men te beginnen met rond de aarde een wereld van demonen te stellen. Hiervoor zouden wij zeggen: De astrale sfeer. In wezen ligt deze sfeer niet boven of onder de mensenwereld, maar is er in feite mee verweven. Juist boven de wereld van de mens ligt de sfeer der Gulden Begeerten. Wij zouden deze Zomerland noemen. Dit is een wereld, waarin gedachten en verdiensten van de mens de vormen bepalen en de mensen gelukkig zijn volgens eigen begeren en inzicht of lijden door hun eigen angsten en besef. Een denkbeeld, tussen haakjes, dat wij ook bij sommige christensekten aantreffen, vooral in de beginperiode van het christendom, wanneer zij hun denkbeelden omtrent het Koninkrijk der Hemelen geven. Is de omschrijving van deze beide werelden expliciet, een omschrijven van de daarboven gelegen werelden is, volgens deze mensen, kennelijk veel moeilijker. Opmerkelijk is ook, dat volgens een algemeen gangbare opvatting, door de mens op aarde deze werelden alleen via het brengen van offers betreden kunnen worden. Wie deze werelden betreedt, daarover blijkt men het toch wel eens te zijn, gaat binnen in een wereld vol onvoorstelbare pracht en praal. Een dergelijke wereld wordt, ofschoon vaag, vaak aangeduid als een soort paleis, waarin goden wonen. Gaat men nog hoger, dan worden de sferen omschreven als de “Tuinen van de Eeuwigheid”. Boven dit alles ligt een sfeer, waarin sterren, kometen, meteoren enz. als persoonlijkheden worden voorgesteld. Wie hierbinnen treedt, leeft met de sterren en is op een vaste wijze met een godheid verbonden zoals een planeet met de zon, of doolt, als een soort komeet door de ledige ruimte, daarbij zo nu en dan de invloedssfeer van een god bereikende en weer verlatende. Weer boven dit alles ligt dan de wereld van het onbekende, de gapende chaos van het niets a.h.w., waarin de mens kan binnengaan en, zij het daadloos, zichzelf kan blijven, ofschoon men van deze wereld geen verdere omschrijving schijnt te kunnen of willen geven. Wel bestaan er verhalen en overleveringen, waarin de uitwerking van deze sfeer op heiligen en mensen wordt weergegeven.

Het zal u duidelijk zijn, dat niet alleen dergelijke indelingen op beleefde waarden berusten. Wanneer wij met u spreken over de sferen, drukken wij belevingen uit in termen, die u te minste enig begrip geven van de waarden, die in een bepaalde sfeer bestaan. Wij spreken u immers van een zomerland als een vormenwereld, terwijl wij daarnaast een wereld zoeken in de wereld van klanken. Een wereld, waarin klanken en kleuren bestaan, een wereld, waarin alleen kleuren bestaan, en dan werelden van het werkelijk Witte Licht, en daarboven een wereld van het Verblindende Licht.

Daarmede hebben wij niet veel meer gezegd dan voornoemde, volgens westers denken misschien wat primitieve mensen, die hun beeld opbouwen vanuit een monsterwereld, vormen wereld, enz. U heeft van deze dingen ongetwijfeld vaak genoeg horen spreken. De consequenties van dit alles kan men zich als mens op aarde echter maar moeilijk indenken. Je zou de mensen een meer ideële indeling moeten geven, waarin duidelijk blijkt, dat bewustzijn of denkinhoud bepalend zijn voor het karakter van de geestelijke sfeer of wereld, waarin men vertoeft. In dit verband kun je dan zeggen, zolang de mens op aarde leeft, wordt hij gedomineerd door de wetten van die aarde en de eigenschappen van zijn menselijk lichaam. Zodra hij dit lichaam verlaat, zal hij in een wereld komen, waarin zijn bestaan ook uiterlijk gedomineerd wordt door zijn eigen behoeften, begeerten en angsten. Te zeggen, dat een duistere vormenwereld iets anders is dan het Zomerland, zou, wanneer wij over wezen en eigenschappen spreken, dwaas zijn. Het is een andere beleving van dezelfde mogelijkheden.

Boven de wereld van de vormen zullen de emoties een veel grotere rol gaan spelen, dan de in het ik rustende denkbeelden. Hier telt niet meer, wat je kent, denkt of begeert, maar eerder wat je innerlijk beleeft. Het eigen beleven wordt suprême, wanneer het gaat om de wijze, waarop men deze sfeer erkent. Uiting van het Ik is hier niet meer mogelijk dan door een resonantie met anderen. De weerklank, die je vindt bij anderen, is bepalend voor je leven en je wereldbeeld.

Eerst wanneer je dit voldoende bereikt hebt, kan je een niveau bereiken, waarin de innerlijke krachten van de mens een bepalend woord gaan spreken. Tot nu toe zijn het eigenlijk nog werelden, die je je op aarde met enige moeite wel redelijk juist kunt voorstellen.

Ga je echter verder, dan blijkt, dat het denken, het besef van de mens de uitdrukking is van een eeuwigheidsbeleving. Hierbij komen niet de bewuste waarden van het ik, maar vooral de grondeigenschappen daarvan naar voren. Je zou dus – met enige vrijheid – wel kunnen zeggen, dat dit een wereld is, waarin het onderbewustzijn tot uiting komt. Het werkelijke wezen van het ik word in deze sfeer geopenbaard en zal de mogelijkheid moeten vinden zich met anderen en hun waarden of eigenschappen te mengen. In de wereld daaronder is sprake van resonanties: Elk ik blijft afgezonderd, zichzelf. Het contact omvat een wederkerig erkennen van waarden, die in beiden aanwezig zijn. In deze sfeer echter is sprake van een mengen, waardoor ook de waarden, die je zelf niet kent, vanuit een ander beleefbaar worden en omgekeerd.

Bij dit mengen echter blijft het ik nog steeds zijn persoonlijke eigenschappen demonstreren. In een nog hogere wereld tellen de persoonlijke eigenschappen minder. Hier is het godsbesef bepalend. Er moet, om deze wereld te betreden, dus een erkennen van de eeuwigheid, het goddelijke, bestaan. Is dit in feite bereikt, dan vallen de door persoonlijke eigenschappen nog bestaande tegenstellingen tussen de persoonlijkheden weg. Het leven is nu als een som, waarin men zoveel getallen tegen elkaar weg kan strepen, dat steeds duidelijk is, dat de uitkomst één moet zijn. Hier, door het wegvallen van tegenstellingen, is geen sprake meer van een z.g. vermengen.

Eerder gaat elke persoonlijkheid fungeren als een verlengstuk van elke andere persoonlijkheid. Er is een communaal bewustzijn, er is een communale erkenning. Er is wel een erkennen, maar van tegenstellingen is geen sprake, wel van elkander aanvullende waarden.

Gaan wij nog verder, dan zal de persoonlijke beleving van de totaliteit plaats maken voor een ondergaan en uitdrukken van het totaal binnen het eigen ik. Er is hier geen sprake meer van eigen denken of willen, volgens de stoffelijke betekenis van deze woorden. Er is een bewustzijn, waarbij niet eigen wensen en wezen in de totaliteit worden uitgestraald, maar je de intenties, mogelijkheden en werken van de totaliteit in jezelf gaat ervaren.

Deel je de sferen in op deze wijze, uitgaande dus van de wijze, waarop je innerlijk leeft en beleeft, dan kom je mijns inziens het dichtste bij de waarheid. In dit verband is het misschien niet zo dwaas even in te gaan op de vele verhalen over het overgaan, het sterven, die in vele gemeenschappen in omloop zijn. Wij moeten begrijpen, dat, direct naast de stof, gebieden liggen, die qua wezen nog tot de aarde, tot de wereld behoren. De astrale sfeer is bv. geen afzonderlijke wereld, je zou haar met al haar eigenschappen en mogelijkheden beter kunnen beschouwen als een soort uitwaseming van de aarde, een deel van de aura van de materie.

Dergelijke werelden zijn aan hun stoffelijke bron gebonden en worden daardoor ook beperkt, het zijn dus geen kosmische sferen. Hetzelfde kan worden gezegd over ’Zomerland’, dat als een deel van de geestelijke uitstraling van de aarde kan worden gezien en eveneens tot de aarde beperkt blijft voor eenieder, die vanuit deze aarde deze sfeer bereikt. Ook hier is geen sprake van een kosmische sfeer, ofschoon natuurlijk wel gezegd moet worden dat rond alle planeten en andere hemellichamen een dergelijke sfeer voor zal kunnen komen. Pas boven het vlak, waarop de ik-erkenning nog in vormen wordt uitgedrukt, kan men stellen, dat de sferen meer omvatten en meer kosmisch van geaardheid zijn.

Als u spreekt over de overgang van iemand en daarbij hoort, dat hij dit op een bepaalde manier ziet of beleeft, dan kunt u geen oordeel geven omtrent de waarde van de sfeer op grond hiervan.

Iemand, die vertelt, dat hij door lichtende engelenscharen wordt ingehaald en bejubeld, zo kan dit evenzeer uit hemzelf voorkomen als een uitdrukking zijn voor een werkelijk beleven in een andere wereld. Wanneer iemand dit verwacht en meent te kennen, zal hij in de vormenwereld immers zien, wat hij verwacht! De gedachte is in deze sferen vormend, superieur boven alle andere invloeden. Alleen astrale beelden, die door een ander in stand gehouden worden, bezitten in dit geval enige werkelijkheid en kunnen zich dan ook tussen de overgeganen en de producten van zijn eigen verbeelding stellen.

Droomt iemand van duivels en demonen, dan wil dit niet zeggen dat hij verdoemd is. Het betekent alleen, dat zijn eigen angsten op deze wijze tot uiting komen. Want elke mens heeft zo zijn eigen problemen. De een heeft een instelling, waardoor hij niet zo gemakkelijk in contact of resonans met een ander komt – en dus niet zo gemakkelijk een gemeenschappelijke sfeer betreedt, – terwijl een ander zelfs angst kan hebben voor het contact met de ander of het andere en zich, ofschoon contact mogelijk is, al snel geheel terug zal trekken, zo eveneens grote moeilijkheden ervarende bij het betreden op bewuste wijze van een andere sfeer of wereld.

De gangbare denkbeelden over het “afgehaald worden” berusten deels op feiten, deels zijn het sprookjes. U begrijpt wel, dat iemand die in een Lichte wereld leeft, zeg bv. in een Lichtsfeer, niet naar de aarde terug zal komen als een oud lief moedertje compleet met broche en boezelaar of een krijgshaftige opa met een witte snor. Dergelijke gestalten bestaan in de Lichtsfeer niet meer.

Zij zijn een fictief element de menselijke verbeelding, voor de mens vormgevende aan een contact, dat echter op andere wijze wordt ervaren. U zult wel begrepen hebben, dat je sferen niet als begrensde gebieden kunt omschrijven. Eenieder kan zich dus overal kenbaar maken, wanneer dit noodzakelijk of wenselijk lijkt. Maar wel zal men zich alleen kenbaar kunnen maken en kunnen reageren volgens de waarden van de sfeer, waartoe men behoort. Als men zich beperkt in de uiting van de waarden van de eigen sfeer, zal het contact begrijpelijker kunnen worden voor iemand, die tot een lagere sfeer of wereld behoort, maar je kunt nooit jezelf veranderen of terug keren naar iets, wat reeds geweest is en waaraan men ontgroeid is. Wanneer iemand uit een Lichtsfeer dus iemand af komt halen, zo wil dit niet zeggen, dat zo iemand ook a.h.w. lijfelijk of als geestelijke gedaante aanwezig is. Het betekent alleen, dat er een contact tussen de stervende en de figuur uit de Lichtwereld bestaat. Daarmede zal voor degene, die overgaat, een deel van de helper kenbaar, begrijpelijk worden. Alleen binnen deze norm van eigen begrip en aanvaarden zal de entiteit uit de Lichtsfeer dan hulp bij de overgang kunnen verlenen.

Ook zijn er op aarde ongetelde zomerlandverhalen. Van deze sfeer wordt verteld, dat er mooie tuinen zijn, bloemen, beelden, huizen, zangkoren, neerdalende lichtzuilen enz. Die dingen bestaan wel degelijk, maar niet als onveranderlijke werkelijkheid, maar als een voorstelling, die bestaat in degenen, die daar leven. Er is dus geen sprake van, dat er concreet huizen zijn in die sfeer. Wanneer u op aarde huizen zou kunnen bouwen op de wijze, waarop zij in de zomerlandsfeer ontstaan, dan zou u geen huisvestingsproblemen meer kennen. Want dan zou gelden: Denk je een huis, stel het je zo gedetailleerd mogelijk voor, en het is er al. Als u dus ooit in Zomerland komt en daar bv. een dorp meent te zien, ziet u in feite alleen maar een gedachte – meestal van uzelf – die geheel of ten dele door anderen gedeeld kan worden. Daardoor zal men er over kunnen spreken en wordt het schijnbaar tot realiteit. Wanneer men elders spreekt over de lotusvijvers, waar de zich aan de materie ontworstelende zielen een hiernamaals bereiken door gezeten in een lotusknop te midden van de vijver te ontwaken wanneer de bloem zich ontplooit, is er alleen maar sprake van symbolen, van denkbeelden. Zelfs als een entiteit u vertelt, dat hij of zij dit zelf heeft meegemaakt, blijft het een gedachte, een voorstelling en is het geen onomstotelijke en voor allen gelijkelijk kenbare werkelijkheid.

Wat het natuurlijk wel erg moeilijk maakt een enigszins juist beeld van het bestaan in de sferen te geven, dat voor u op aarde nog begrijpelijk en aanvaardbaar is. Moeilijker nog is het een indeling van de sferen te geven, die men op aarde zonder meer kan hanteren, zonder dat hieruit zelfmisleiding voortkomt. Hetzelfde geldt voor de contacten tussen de andere werelden, de sferen en u. U weet nooit, of de kracht, die u beroert, nu werkelijk een spotgeest is of niet. Misschien bezit deze geest ook vele positieve waarden, maar maakt u hem door uw instelling in verhouding tot u wel tot een spotgeest. Zoals het mogelijk is, dat door de wijze, waarop u denkt en ingesteld bent, een geest, die in wezen grotendeels ten kwade is gericht, a.h.w. gedwongen wordt, slechts de goede kanten van eigen ik te tonen en zo, misschien tegen eigen intentie in, voor u ten goede te werken. Want in deze contacten zijn het de harmonische waarden van wezen en bewustzijn, die domineren.

Nu zeggen verschillende kerken en leringen wel, dat alle sferen, waarvan gesproken wordt, niet veel meer zijn dan afdelingen van de hel, tekenen van stofgebondenheid e.d., terwijl alle geesten, die met de aarde in contact komen, arme verdoolde zielen zijn, gebonden aan de aarde, of zelfs verdoemden. Hierdoor bepaalt men niet alleen de mogelijkheden, die voor dergelijke mensen in een contact met de sferen gelegen is, maar ook de wijze, waarop men later zelf dezen zal ondergaan. De vraag rijst mij in dergelijke gevallen dan ook wel eens, in wat voor een wereld dergelijk mensen na hun dood zullen denken te leven. Want wanneer dergelijke mensen in Zomerland komen, zo zien zij daarin een hel of een vagevuur, een ijzige grot waarin je gelijktijdig door koude wordt gekweld en door vuur wordt verbrand b.v. Jammer, want ook dit alles maakt de mens door zijn eigen verwachtingen, angsten en interpretaties zelf.

Wanneer je dus de verschillende mogelijkheden van Zomerland en de voorstellingen, die in bepaalde sferen kunnen bestaan, zou willen rubriceren, zou men alleen maar een voorstelling kunnen maken van de dwaasheden, die in het menselijke denken bestaan. Slechts indien men uitgaat van de innerlijke status, de toestand en het bewustzijn van het Ik, zal men nog iets zinvols kunnen zeggen over geestelijke werelden. Waarmede wel duidelijk is, dat de werelden van de geest, de sferen, niet in één te overzien aantal van wereldbeelden te vangen is. De mogelijkheden zijn oneindig – en bestaan ook in de zon, – dat elke mens voor zich een wereld schept in de geest en elke harmonie tussen twee mensen voor hen weer een gezamenlijke wereld creëert, die van het persoonlijke afwijkt. Men zal nooit alle mogelijke combinaties kunnen opsommen, maar zal moeten volstaan met de erkenning, dat het aantal mogelijkheden om geestelijk te leven en te ervaren, oneindig gevarieerd is. Maar de mogelijkheden zijn voor ons niet zo belangrijk.

Al te veel probeert men de wereld van de geest te zien als een wereld, waarvan je moet weten, hoe zij er uitziet. Het zou veel verstandiger zijn haar te beschouwen als een toestand, die, mits zij bereikt kan worden, in het ik wijzigingen veroorzaakt. Misschien hebt u wel eens een “helder ogenblik” meegemaakt, waarin u opeens en zonder kenbare redenen, de schellen van de ogen schenen te vallen, zodat u de wereld en uw problemen opeens met andere ogen scheen te zien.

Iets dergelijks is de overgang naar een sfeer: het verschil is niet gelegen in het bestaan, maar in de wijze, waarop men het ziet. In theorie althans kunnen wij stellen, dat de kracht op aarde gelijk is aan alle krachten in elke sfeer, zover het haar wezen en haar potentie betreft. Maar hoe hoger de sfeer is, hoe meer de kracht gebaseerd zal zijn op een eenheid van wezen en denken, op een harmonie. Zij zal dus gemakkelijker in haar geheel gewekt en uitgestraald kunnen worden.

Men kan daarom ook nog wel een indeling geven van de sferen naar de energie, waarover zij schijnen te beschikken. Ofschoon het energiequotiënt – de aanwezige kracht per bepaald punt – gelijk is, zal zij in meer eenheden per poging tot uiting komen, naarmate de sfeer hoger is. Stelt men de aarde op 1, dan is de mogelijkheid van de astrale sfeer 2, zomerland 4, de klankwereld bevat twee waarden of trappen, 8 en 16; de wereld, waarin ook ” kleuren” al een rol spelen, brengt ons reeds 32 en 64 maal de aardse mogelijkheid tot het afgeven van gerichte energie, terwijl de wereld van de zuivere kleuren reeds mogelijkheden biedt, die per poging 126 en 256 maal de aardse mogelijkheid omvatten.

Dit betekent, dat een poging, die op aarde als kracht de waarde één voortbrengt, mits zij in de kleurenwereld werkt, al 256 maal zo sterk is. Als een mens op aarde werkt met gedachtekrachten, zal hij voor zich alleen de waarde één kunnen voortbrengen. Is hij daarbij echter in harmonie met een bewoner van een kleursfeer, dan beschikt hij al over 256 maal zoveel kracht. Is hij met de gehele sfeer in harmonie, dan beschikt hij in feite over een kracht, die bijna oneindig is en wel nooit uitgeput zal raken. Zolang men harmonisch is en in de kracht gelooft, zal de kracht blijven stromen en ook via u tot uiting kunnen worden gebracht. Dit beeld benadert de werkelijkheid, ofschoon de voorstelling uit de aard der zaak wel wat te veel vereenvoudigd werd.

Begrip voor deze verhoudingen maakt het mogelijk, een indeling van de sferen te geven, die voor een mens op aarde onaantastbaar juist is. Naarmate wij een wereld vinden, waarin het Ik minder telt en de plaats van dit Ik in de gemeenschap een grotere waarde heeft, zullen wij zien, dat daarin grotere krachten bestaan, die in elke wereld – in ieder geval elke wereld, die lager is dan de betrokken sfeer – kan worden geuit. Wanneer wij dus een bepaalde methode van denken, leven, een voorstellingen kunnen vinden, waaruit wij grote krachten kunnen putten, zullen wij ons niet om het al dan niet redelijk zijn van onze voorstellingen mogen bekommeren, maar zullen wij moeten proberen de stroom van krachten en dus ook eigen instelling, zo lang mogelijk ongewijzigd te handhaven. Juiste instelling betekent contact met een sfeer. De sfeer betekent dus een juiste voorstellingswereld of een bewustzijnstoestand. Voor u wordt dit tot een kracht, die uitbaar is.

Als derde waarde ontstaat hierbij nog bewustzijn. Iemand, die in rapport, in resonans is met vele andere entiteiten, zal niet slechts delen in hun kracht, maar ook hun waarnemingen en kennis in zich ervaren. Wat de anderen geven, blijft meestal wel een persoonlijk gezichtspunt, maar geven toch de mogelijkheid een veel omvattende kennis en een groot overzicht te verwerven. Geheel juist zullen kennis en overzicht in kosmische zin natuurlijk niet zijn, daar zij persoonlijke inzichten en meningen blijft omvatten, maar zij betekent toch een aanzienlijke verrijking van het menselijke begripsvermogen.

Ook in kleurenwerelden zal ondanks menging en gevoel van eenheid, een soort emotionele gebondenheid bestaan, die niet geheel juist is, daar de eigen gevoelswereld selectief werkt t.a.v. de anderen, wier kennis en inzichten men deelt. In de hoogste werelden, als die van het Witte Licht, is al sprake van een algehele eenheid van bestaan. Is hiermede een harmonie bereikt, al betreft het maar één wezen, één punt in deze sfeer, dan zal via dit punt van beroering de totaliteit van kracht en kennis van die sfeer tot uiting komen. Zover de mens begrijpen en verdragen kan, zal hij dan uit deze totaliteit kunnen putten. Het is duidelijk, dat dit alles impliceert, dat ook de mens op aarde, die een dergelijke harmonie, zelfs voor korte tijd, bereikt, daaruit dus kracht en kennis zal putten.

Men stelt dergelijke waarden vaak voor als een straal. Hierbij stel ik: Elke straal kan uit elke sfeer komen. Elke straal omvat een kracht, die representatief is voor de hoogste werelden. Zij zal echter haar uiting daarvan beperken volgens de mogelijkheden van de wereld, waarin zij voor ons haar kenbare oorsprong vindt. Ik vereenvoudig. U kent de 7 stralen? Dit zijn in feite 2×3 stralen, die in wezen per kleur gelijk, doch in niveau verschillend zijn plus een straal, die beide stralenreeksen in zich volkomen omvat. De straal is er altijd. Door op haar in te stellen – mentaliteit plus kracht – kan zij gericht worden. Vanuit Zomerland bv. Daar kan men zich echter de kracht en de werking van de straal maar op een bepaalde wijze voorstellen. Daardoor zal de werking van die straal gelimiteerd worden. Hoe hoger de wereld, hoe groter het bewustzijn is, van waaruit de straal gericht wordt, hoe geringer de beperkingen zijn, die door degene die haar richt, aan de kracht zelf zullen worden opgelegd. In de hoogste sfeer zal de beperking alleen bestaan in de eigenschappen, die de straal zelf bezit. Vanuit de goddelijke werkelijkheid echter kan men stellen: In elke straal, ongeacht haar niveau, kan de scheppende kracht in haar geheel worden uitgedrukt, zij het dat de verschijningsvorm van de straal altijd zodanig zal zijn dat de eigenschappen van de straal – haar kleur – daarin als achtergrond mede tot uiting komen.

Misschien vraagt u zich af, of dit nu ook praktisch voor u enige waarde kan hebben. Een inleiding is niet direct geschikt om daaraan een onderricht zonder meer te verbinden. Toch wil ik u op het volgende wijzen: Datgene, wat u werkelijk gelooft, is voor u een band met andere werelden en sferen. Naarmate uw innerlijke zekerheid groter is zullen de grenzen tussen u en die andere wereld gemakkelijker overschreden kunnen worden. Is er een volmaakt geloof, dan is er geen begrenzing tussen de sfeer, waarin uw geloofswaarde tot uitdrukking kwam, en uw eigen wereld. Ga dus eens na, wat u eigenlijk gelooft. Denkt u over het leven na de dood, dat het misschien wel zou kunnen bestaan, dan zal uw contact met andere werelden waarschijnlijk nooit verder komen dan de astrale wereld.

Gelooft u in een koninkrijk der hemelen of een Zomerland, dan komt u al in contact met een geestelijke vormenwereld, – meestal dus Zomerland. Een mens, die in God kan geloven als de absolute liefde, staat al zeer dicht bij het Witte Licht – of het Gouden Licht – en zal dus hogere contacten hebben, hogere werelden kunnen betreden en rond zich hogere krachten tot uiting zien komen.

Om iets te bereiken in dit opzicht is het dus niet belangrijk, dat u een bepaalde vorm van geloof kent, maar dat u, hoe dan ook aan een wisselwerking tussen u en God gelooft. De voorstelling, die men heeft van deze wisselwerking, is niet slechts bepalend voor wat je op aarde kunt doen, maar ook voor de werelden van de geest, die je zult kunnen betreden. Dit ingaan tot andere sferen vindt meestal plaats in de vorm van uittreding. Tijdens het uitgetreden zijn zal de mens, die sferen kunnen betreden, waarmee hij harmonisch is, zij het door voorstelling, voelen of aanvaarding. Een uittreding naar een wereld, die je niet volgens een van deze waarden kunt aanvaarden, is onmogelijk. Als men alleen kan denken in vorm-wereldbeelden, dan zal elk contact met de geest, zelfs de hoogste geesten, slechts in de Zomerlandsfeer tot stand kunnen komen. Overigens, zoals ik al zei, is Zomerland nog deel van de uitstraling van uw eigen wereld.

Voor de doorsnee mens zullen de mogelijkheden tot uittreden naar Zomerland, naar een astrale sfeer en op eigen wereld gelijk zijn. Elk overschrijden van deze begrenzing vergt echter een zo grote geestelijke kracht en een zo juiste instelling, dat zij bijna nooit onmiddellijk bereikt kan worden. De meest bewusten op aarde kunnen tot het Hoogste Licht stijgen, maar zullen daarbij allereerst een geestelijke vormwereld moeten bereiken, waarin zij hun besef van het vormloze als een emotie kunnen uitdrukken. Zo stijgen zij langzaam maar zeker, om te komen tot een contact met de totaliteit.

Wanneer u dus al eens bewust uittreedt, geeft dit u nog geen rechten u eens op de borst te kloppen. Het betekent zeker niet, dat u in de hemel kunt binnen kijken, terwijl anderen dit niet kunnen. Bovendien is alles, wat u daar het voornaamste pleegt te vinden, meestal niet veel meer dan een marionettenspel, dat u voor uzelf opvoert. Want het zijn uw denkbeelden, die die wereld en de verschijnselen daarin voor u bepalen. De andere krachten, die zich in een dergelijke wereld aan u openbaren, zullen dit altijd nog doen binnen het kader van uw wezen en uw voorstellingen.

Zij kunnen er dus wel werkelijk zijn, maar zijn er dan toch zeker niet precies, zoals u ze ziet.

Het is goed je dit te realiseren, omdat je anders u zich er op gaat beroemen met Jezus of de apostel Petrus gesproken te hebben, terwijl deze vormen niets anders waren dan de vorm, waarin u het contact met een andere entiteit hebt gegoten. Wat niet uitsluit, dat in een dergelijk contact een overdracht van kracht of wijsheid uit de Zomerlandsfeer of hogere sferen voorkomt.

Begrijp dus, dat je het wezen van de bereikte werelden zelf helpt bepalen. Contacten met mensen tijdens de uittreding – anderen die op aarde leven en uitgetreden zijn dus – zijn over het algemeen veel concreter, veel reëler, dan alle contacten met de geest. Wat begrijpelijk is, omdat mensen dezelfde werelddelen en dus nolens volens gelijksoortige ideeën en voorstellingen zullen kennen.

Ook wanneer men elkander in een sfeer ontmoet, zal deze ergens minder werkelijk schijnen dan met de medemens, zodat men met elkander toch een zeer sterk contact heeft.

U hebt verder waarschijnlijk wel gehoord van mensen, die “in de duistere sferen werken” en Lichtende geesten, die afdalen tot onderwerelden, waar verloren zielen gebonden liggen in het web van eigen onbegrip en verslonden dreigen te worden door de modder der chaos. U zult dan ook gehoord hebben over de Lichtende geesten en degenen, die hen daarbij helpen, dergelijke zielen tot een nieuw en hoger bewustzijn zoeken te wekken. Het klinkt zo mooi: Lichtende geesten, die afdalen tot de diepste diepten. Maar in wezen zijn de Lichtende en de duistere werelden niet ver van elkander verwijderd. Zij zijn hetzelfde. Indien men leeft in de Lichtende wereld, maar beseft, dat iemand anders een geheel tegengestelde interpretatie en beleving van die wereld kent, kan de “duistere wereld worden betreden”. Alleen is het onmogelijk, daarbij eigen voorstellingswereld, eigen lichtsfeer dus, werkelijk te verlaten. Op deze wijze wordt aan de “minder bewusten” dus hulpverleend. Om het de mensen begrijpelijk te maken, wordt het omschreven in de termen van een vormenwereld. Men aanvaardt dit over het algemeen als een feitelijke beschrijving, omdat elke manifestatie van de wereld, ongeacht uit welke sfeer, beperkt is door het vormbesef van de mens en opgebouwd is uit details, die die mens kent. Voorbeeld: U neemt een geest waar, die u nog nooit gezien hebt. Ontleedt u echter het beeld, dan komt u tot de conclusie, dat zo iemand uit gekende delen bestaat en bv. de neus van oom Toon, de mond van tante Sien, de oren van Pareltje, de wangen van Wimpie heeft enz. Bekende delen worden zo samengevoegd, dat zij tot een weergave van het onbekende schijnen te worden.

Nogmaals dus: Besef, dat de sferen niet zo zijn, als u ze meent te zien, zoals men ze u beschrijft.

Uw eigen inzicht, uw eigen geestelijke achtergronden alleen kunnen bepalen, wat de sferen voor u betekenen; gebruik dus elk systeem, dat u goed lijkt. Er is uiteindelijk maar weinig voor het ene of het andere systeem van indeling en omschrijving te zeggen, allen zijn niet meer dan een poging om voor de mens de verschillende waarden te omschrijven. De werkelijkheid zal echter alleen door het innerlijk en het eigen begrip bepaald worden. Bemoei u dus meer om het verhogen van eigen geestelijke inhoud dan om het omschrijven van andere sferen en werelden.

Als u dit doet, zult u tijdens uittredingen en na de overgang niet zo vaak de mooie werelden uit allerhande verhalen ontmoeten. Maar u zult wel meer kracht kennen, meer harmonie en geluk, en ook zult u ontdekken, dat het eigen leven hierdoor veel meer verrijkt wordt dan ooit mogelijk is, dan wanneer men zich beperkt tot sightseeing in de tuinen en parken van Zomerland.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen.
  • Komen de sprekers van de Orde uit de spiegelsfeer?

Wat verstaat u onder spiegelsfeer? Deze spiegelsfeer is namelijk de algemene omschrijving voor alles, wat zich rond de z.g. maagd of begrenzing van de goddelijke werkelijkheid bevindt. Allereerst vindt men dan in die spiegelsfeer de wereld van de oervormen,

terwijl hieruit dan weer de soorten enz. voortkomen. Als u het in deze zin bedoelt, leven wij allen in, zijn wij allen uit de spiegelsfeer. Als u echter spiegelsfeer gebruikt in de betekenis van een sfeer, waarin het aardse leven gespiegeld wordt – dus een astrale sfeer – dan kan ik antwoorden: Neen. Daar komen wij niet vandaan. Mij beroepende op de omschrijvingen, die ik in de inleiding gegeven heb, kan ik zeggen, dat de meesten onder ons stammen uit de sferen, die omschreven werden met klank of resonantie, en de sferen, die vallen onder het begrip kleur of de vermenging mogelijkheid van persoonlijkheden.

  • Is het mogelijk, dat men uittreedt zonder een herinnering hieraan te hebben?

Dit is niet slechts mogelijk, maar zelfs de meest voorkomende vorm van uittreding.

Uittreding is namelijk een geestelijke beleving, waaraan het lichaam slechts zeer beperkt deel heeft. De opgedane impulsen worden daardoor over het algemeen niet of slechts ten dele in de hersenen vastgelegd. In het laatste geval zijn zij meestal zo zwak vastgelegd, dat de eerste impulsen en belevingen na het ontwaken worden verdrongen. Uittreden doet meer dan 90% van de mensheid betrekkelijk regelmatig. Slechts 1/10% van de mensen op aarde zijn tijdens hun stofbestaan nooit uitgetreden. Bewuste uittredingen zijn daarentegen slechts mogelijk voor 3 tot 4% van de wereldbevolking – wat nog een aardig aantal is. Van deze laatsten maakt bewust en gericht van de uittredingsmogelijkheden rond 2 promille gebruik. U kunt het zelf wel narekenen.

  • Is het juist dat men de sferen kan beschouwen als functie van het bewustzijn, daarbij functie genomen in de wiskundige betekenis? Zo ja, dan zijn dus de delen van bewustzijn, die men achtereenvolgens door de 9 poorten kan betreden – zoals in een vorige voordracht uiteen werd gezet, identiek met begripssferen, zoals hedenavond behandeld.

Wij kunnen de sfeer beschouwen als een functie van het bewustzijn, – functie in de meetkundige betekenis van het woord – wanneer wij uitgaan van de kosmische of totale persoonlijkheid, het werkelijke Ik. Het geldt dus niet, wanneer wij uitgaan van het Ik, dat stoffelijk in de wereld der mensen gemanifesteerd is. In de stofmens leeft maar een deel van het werkelijke ego. Er blijven dus altijd bepaalde functies en mogelijkheden over, die in het stoffelijke ego niet tot uiting kunnen komen. Vanuit een zuiver stof-menselijk standpunt mogen wij dus beweren, dat het helemaal niet juist gesteld werd, dat een sfeer een functie van het eigen bewustzijn is. Vanuit het stoffelijke standpunt moet men m.i. zeggen, dat sferen ervaringen zijn, die optreden naarmate het ik zich bevrijdt van zijn beperkingen. Gaat men echter van het totale ik uit, zoals dit in de eeuwigheid bestaat en geschapen is, dan geldt: Daar alle sferen, die wij ooit zullen kennen, deel zijn van onze persoonlijkheid en de sfeer voor ons kenbaar wordt door ons bewustzijn, mogen alle sferen, die wij erkennen kunnen, door ons beschouwd worden als functies van ons totale bewustzijn.

  • Als men gebruik wil maken van de verschillende krachten uit de sferen, bv. genezing beogende, zonder daarbij uit te treden, zal men zich daarbij moeten kunnen instellen. Kunt u ons hierover iets mededelen? (bv. instellen op kleuren?)

Ja. Instellen is natuurlijk en persoonlijke zaak. Er is dan ook geen enkele methode te geven, die voor eenieder onfeilbaar werkt. Je kunt alleen zeggen: Een contact met een sfeer wordt bereikt, wanneer het ik daarmede in harmonie is. Een redelijk bewustzijn van de sfeer is menselijk gezien daarvoor niet noodzakelijk. Eerder is er sprake van een ontvankelijkheid en een emotionele instelling, die dezelfde grondwaarden moet omvatten als de sfeer, die je bereiken wilt.

Dit kan men op vele verschillende wijzen bereiken. Diegenen, die zelf kleurgevoelig zijn en dus emoties aan kleuren verbinden, kunnen de begeerde werking vaak bereiken door zich de gewenste kracht voor te stellen als een stralenbundel van bepaalde kleur. Het richten van deze kracht geschiedt dan door – in eigen denken natuurlijk – het object, dat je wilt bereiken in de stralenbundel te plaatsen. Door niet aan jezelf, doch slechts aan de stralenbundel te denken, kun je er dan a.h.w. deel van worden. Het is in wezen een contemplatief proces – niet meditatief – dus waarmee inderdaad veel kracht uit sferen kenbaar gemaakt kunnen worden. Er zijn mensen die deze methode niet kunnen volgen, omdat zij voor kleuren niet werkelijk gevoelig zijn. Maar voor hen kan weer gelden dat een bepaalde melodie gevoelens wekt en zo een gevoel van Gods nabijheid kan scheppen. Zij kunnen met het luisteren naar een grammofoonplaat of het spelen van een melodie hetzelfde bereiken. Het is alleen maar een middel, waardoor u zich instelt. Er zijn mensen, die dit bereiken door te bidden, door een stukje uit de bijbel te lezen, door een wijsgerige beschouwing te lezen, of een bepaalde spreuk te citeren.

Daar er zovele mogelijkheden en vormen bestaan, is het mij niet mogelijk, voor iedereen bruikbare aanwijzingen te geven. Wel kan ik enkele punten geven, die praktisch algemeen van kracht blijken te zijn. Wanneer je een contact maakt met een sfeer, dan voel je dit in jezelf. Er ontstaat in het ik een spanning, die, naargelang de hoogte van de sfeer die wordt bereikt, kenbaar wordt als een spanning of druk rond een van de chakra’s. Stel dat wij de wereld van het Witte Licht benaderen: De spanning zal dan ontstaan rond het kruinchakra. Benadert men een sfeer van zuivere en hoge kleur, dan zal de druk optreden rond het voorhoofdschakra … Wanneer wij weten, dat wij contact hebben en de spanning voor ons voelbaar ontstaat – en niet voordien – kunnen wij de kracht uitzenden door te beseffen dat zij van ons uitgaat. Dit berust op het vormen van een voorstelling. De gedachte, die de kracht erkent en haar op een bepaald doel richt – dat dus in het ik gekend word – brengt een verbinding tussen de kracht van de sfeer en het object tot stand. Dit zijn wel vaste regels, waaraan je dan nog verder kunt toevoegen: Over het algemeen is het goed om een bepaald concentratiepunt in materiële vorm te hebben, al is het maar een symbool of een tekening, dat men met het object, i.c. de patiënt, kan vereenzelvigen, om zo zonder moeite een beeld in jezelf te doen ontstaan, waarop je de kracht richt.

  • Kan die spanning ook boven op het hoofd gevoeld worden?

Ja. De inwerking vindt dan plaats op het kruin of topchakra, wat betekent, dat men werkt met krachten van of nabij het Witte Licht. Maar indien de kracht zeer sterk is, zal zij zich ongeacht haar oorsprong, ook nog manifesteren als een koude tocht langs de vloer, dus langs de voeten tot op kniehoogte. Is de kracht nog sterker dan zal naast dit verschijnsel een gevoel van warmte, zelfs van hitte, in de tors gevoeld worden en wel vooral in de buurt van de schouders.

Deze kentekenen zeggen echter alleen, dat er een sterke kracht aanwezig is en verder niets. Wat voor kracht er aanwezig is, kunnen wij dus alleen constateren aan de hand van het chakra, dat actief wordt, zodat wij daar druk of prikkelingen voelen.

  • Is het bekende woord “Aum” ook een afstemmiddel?

Het woord Aum is een klank. Het woord heeft een speciale achtergrond: het omvat de gehele klankscala, die met de mond wordt gevormd. Nu is elke klank een trilling. Als je die zelf uitstoot, is het een trilling, die ook binnenlangs op de schedel inwerkt. Spreekt men Aum op de juiste wijze uit, dan ontstaat een beïnvloeding van het stoffelijk ik, vooral de hersenen en het zenuwstelsel, waardoor een openstaan bereikt kan worden. Door de associaties, die aan het woord verbonden worden, geeft het verder de mogelijkheid eigen concentratie te verhogen en zo meer gerichte krachten te gebruiken. Ik voeg hieraan echter nadrukkelijk toe, dat dit alles alleen geldt, wanneer men het woord, volledig, goed en hardop, uitspreekt. Men moet de klank dus werkelijk vormen. Het alleen denken van het woord heeft in dit geval weinig zin, daar het woord op zich geen grotere waarde heeft dan enig ander woord met hogere associaties als bv. het woord “god”. In de gedachten gaat het om de associatie. Verder is elk woord hetzelfde. Als je de klank echter laat werken, wekt zij een materiële resonans in het ik – en ook in de omgeving – zodat hierdoor gemakkelijker en meer bewust een openstaan voor en een richten van kracht bereikt kan worden. Probeert u het maar eens. Zeg het, hardop, maar voor uzelf: “a a u u m m m m..”

Voelt u, nu ik het zeg, een zekere vibratie, die u beroert? Ja? Dan weet u ook, wat ik heb willen zeggen.

  • Binnen de mantra “om mani padme hum” kunnen wij “Aum” toch begrijpen als de Godskracht. Heeft zij dan niet de waarde, die kenbaar wordt, nu u het woord juist uitspreekt?

Als de uitspraak niet juist is, niet. In de mantra staat het woord associatief voor het godsbegrip, zoals zich dit uit in de boeddha of in een Bodhisattva. Het brengt dus wel een zekere afstemming van het gedachteleven tot stand. Dit is echter iets anders dan de klankinwerking, die ik u overigens op beperkte wijze, zo even demonstreerde. De klank heeft dus materiële betekenis, die niets met de begripsinhoud van de klank te maken heeft. Wanneer een krijtje krast over een schoolbord, rilt menigeen ervan. Waarom? Omdat deze klank nu eenmaal inwerkt op uw zenuwstelsel, zodat zelfs, wanneer er voldoende hard wordt gekrast, u kippenvel krijgt en uw haren te bergen kunnen rijzen. Toch heeft het gekras geen betekenis, een goddelijke of zelfs menselijke waarde schuilt er niet in. De klank heeft geen zin, maar wel invloed op uw gestel. Aum geeft dus een bepaalde invloed op het stoffelijke wezen, maar deze wordt alleen bereikt, wanneer het woord geheel juist gevormd wordt, daar alleen dan alle betrokken delen van het zenuwstelsel plus delen van het astraal voertuig op de juiste wijze bereikt en beïnvloed worden. U vergelijkt dus eigenlijk twee, geheel verschillende dingen.

  • Is er een ontmoeting mogelijk tussen mensen, die zijn overgegaan en op aarde verbonden waren? Is er eventueel een samengaan door de sferen? Of berust ook dit op persoonlijke beleving?

Dit samengaan door de sferen, zoals het vaak sentimenteel en mooi wordt omschreven, is natuurlijk kolder. De mensen, die daarover spreken en schrijven, vergeten één ding: Dat de geesten elkaar niet hoeven op te zoeken, elkaar niet hoeven te ontmoeten in de sfeer. Geestelijk bestaat een begrenzing tussen de persoonlijkheden, zeker wanneer een van hen verkeert in een sfeer boven het Zomerland, in feite niet meer. Er is een contact indien u een mens kent en in u zelf draagt, ook al is hij of zij reeds lang geleden overgegaan, dan bent u met die mens verbonden. De “ontmoeting in de sferen” is dus in wezen niets anders dan een erkennen, – door u bv. – van een toestand, die in wezen reeds lang bestond; is er in het leven geen verbinding geweest, dan ontstaat die “ontmoeting” dus ook niet. Om het nog enigszins romantisch uit te drukken: De kracht, waardoor men met elkander gebonden is, zal liefde of haat zijn. Alle andere relaties en gevoelens zijn maar zwakke banden en verzekeren geen voortdurend contact. Maar deze twee zijn het, die met zekerheid de ontmoeting, – de erkenning van een gebondenheid of saamhorigheid – bepalen. Waar dus een werkelijke liefde heeft bestaan, zal men elkander steeds erkennen. Ik spreek niet van ontmoeten, omdat er volgens mij geen sprake kan zijn van een ontmoeting, wanneer je in wezen voortduren met elkander verbonden bent.

Overigens is dit troostrijk: Stel u eens voor, dat u alle mensen waarmede u in het leven banden had, ofschoon u hen niet direct liefhad of haatte, zou moeten ontmoeten. Dat zou een hiernamaals zeer onaangenaam maken, nietwaar? Van eeuwige zaligheid zou dan voor de meeste geesten geen sprake meer zijn. Hoogstens van een eeuwige ergernis en kwelling. Het is dus maar goed, dat de ontmoeting, waarover u spreekt, niets anders is dan een realisatie van een steeds bestaande band, die dan weer kenbaar wordt. In deze zin kun je zeggen: Zolang dit besef bestaat, is er een samengaan, onafhankelijk van de sferen, waarin men vertoeft. Dit geldt dus ook, wanneer beiden in geheel verschillende sfeer vertoeven of zelfs de een geïncarneerd is en de ander in de geest leeft. De band blijft bestaan en in het laatste geval is het zelfs waarschijnlijk, dat degene die in de geest blijft, optreedt als geleidegeest voor degene, die in de stof leeft. Een tijdslimiet voor het bestaan van een dergelijke verbondenheid bestaat niet. Er is niets, buiten de innerlijke erkenning van de samenhorigheden, die daarop invloed kan hebben.

  • Waar leeft onze wereld naar toe?

Uw wereld leeft nergens naar toe. Om het eenvoudig te zeggen: De materiële wereld is een chaos, die onder de schijn van gerichtheid en zelfbewustheid, zichzelf vergroot. De wereld gaat dus nergens naar toe. Degene, die in die wereld leeft, ervaart echter. Hij breidt zo zijn vermogen tot erkenning van de werkelijkheid uit. Zo de wereld op zich dus nergens naar toe gaat, zo vormt zij toch het middel tot zelferkenning voor allen, die met die wereld gebonden zijn.

  • Is er dan geen mogelijkheid, dat de wereld langzaam evolueert?

De wereld evolueert niet, dat doet de mensheid. De wereld is in wezen ook een entiteit – denk aan de wereldziel. Deze evolueert wel, maar op dezelfde wijze, als u dit in uw lichaam doet: U wordt ouder, er komt een ogenblik, dat u alles gedaan hebt, wat u doen kunt en sterft.

Een wereld wordt dan tot een dode klomp, die misschien in de zon zal vallen, of door de ruimte doolt. Zo er al iets blijft, is het niet meer waard dan de resten van een mens, die je begraaft, of naar een crematieplaats brengt. De wereld zal dus geestelijk wel evolueren, maar de mensen, die erop leven, zijn alleen deel van het stoffelijke bestanddeel van de wereld en leven binnen de aura van de wereld. Hun geest is echter niet van de wereld afhankelijk. Zou de wereld “overgaan”, dus geen leven meer kunnen dragen, terwijl een deel van de mensheid nog niet voldoende bewustzijn vergaard heeft om in de geest alleen voort te bestaan, zo zou de mensheid een wereld zoeken, die ongeveer op gelijk peil of zelfs iets lager staat, in de daar levende vormen incarneren, tot ook zij in staat zouden zijn, zich van de stof vrij te maken. De zaak ligt dus eigenlijk zo: De materie is de chaos, die een vorm aanneemt door het onvolledig erkennen van het goddelijke, zoals dit ook in chaos aanwezig is. Hierdoor ontstaat de vorm en in de confrontatie van de vorm met de vorm ontstaat de erkenning van de goddelijke waarheid. Is dit bereikt, dan zal de geest de volmaaktheid van alle dingen erkennen en de chaos aanvaarden als de bouwstenen, waaruit alles gebouwd kan worden, maar aan vaste vormen geen behoefte meer hebben.

Nu kom ik aan het slotwoord toe. Ik heb technisch u verteld, wat sferen zo ongeveer kunnen zijn, terwijl ik aan de andere kant steeds weer moest zeggen, dat een sfeer geen vorm is, maar eerder een emotie. Misschien aanvaardt u het dan ook, wanneer ik u nu een aantal beschrijvingen geef, die geen betrekking hebben op de werkelijke waarde of toestand, maar die eerder een evocatie zijn van de stemming, de emotie, die kenmerkend is voor bepaalde sferen. Indien u belooft mijn woorden niet als een feitelijke omschrijving te beschouwen, zal ik trachten u de stemmingen van enkele sferen weer te geven.

De Astrale wereld: Een land vol van nevel met kolkende wolken, die vormen krijgen, spookachtig drijvend en verdwijnend. Soms het schimmige licht van een enkele lantaarn en een enkele maal misschien een voorbijgaande straal van een bleke maan, die voorbijgaat langs een hemel, die nooit wordt aanschouwd. Vormen dreigen als jeneverbesstruiken in de nacht, die rovers lijken of draken. Zoekend tussen de schimmen weet je niet, wat werkelijkheid is en wat schijn. Toch ben je jezelf en ga je voort in een eenzaamheid, waarin het doffe klinken van je eigen voetstappen het enige teken van leven is. Dit is de astrale sfeer: Dreigend, levenloos, sinister met vormen, die soms schoon, soms onbegrijpelijk, soms dreigend zijn. Een wereld, waarin je eigen verbeelding vorm en gestalte geeft aan alle dingen en het meest onschuldige kan maken tot een monster, dat je dreigt te verslinden.

Zomerland: Ik droom van lang vergane zomers, van zinderende hitte boven een wuivend korenveld. Ik droom van blauwe hemel, een prieel en een mensenstem. Ik droom van vlinders en in mijn droom hebben zij een schoonheid als van levende juwelen. En terwijl ik droom, schouw ik rond mij en zie, wat ik droom. En in de droom zijn de stemmen, waarmede ik spreek, werkelijk voor mij. Ik erken mensen en tezamen gaan wij door de tuinen, die de droom heeft gebouwd. Ik ken een hunkering, hunkering naar een woord, een uitleg, een begrip en velen hunkeren met mij. Onze gezamenlijke hunkering wordt tot een antwoord, een stem, een persoonlijkheid, een tempel, een school, een Licht. Van daaruit spreekt een stem tot mij in woorden, die ik kan verstaan, doch die ik nog niet kan begrijpen. Tot ik mijzelf vergeet en de droom sterft als een zomer, die tot assen wordt, wanneer de gloed van de zon voorbijgaat en de vuurrode brand van de herfst het groen heeft gedoofd. Dan klinkt in mij de hoop op een rijpe oogst en een komend voorjaar. In de verstilde rust droom ik van en nieuwe, vage wereld, die al stemmen kent. Zomerland is 1000 werelden, gebouwd uit de liefste herinneringen, de grootste vreugden van mensen, tezamen gevoegd tot een onderling fonkelen, en schitterend geheel, een voortdurende beweging, een vibratie die toch rust geeft, een melodie zonder einde. Daarin zoek en vind je ergens jezelf.

De wereld, waarin je elkaar kent: Als de dromen gestorven zijn, ben ik alleen in een ledige ruimte. Onder mij suist met daverend geweld de stroom van de tijd. Ik sta op een rots in de eeuwigheid en weet niet, wie ik ben. Zie ik rond mij, zoekend, zo meen ik alleen te zijn, tot mij stemmen klinken en ik mijzelf zie staan op 1000 rotsen en 1000 malen een stem, die mijn eigene kan zijn, mij zegt: Je bent niet meer alleen. Al wat ik was, wat ik droom, wat ik worden zal, wordt tot een lied, weerkaatst door 1000 echo’s, die tezamen een melodie vormen, waarin ik opnieuw mijzelf beleef, mijzelf geef aan een onbegrepen veelheid. In die veelheid hervind ik mijzelf, aan mijzelf omschreven, als nooit te voren. Eenzaamheid enerzijds, anderzijds de voortdurende beantwoording uit alle leven, waarin je jezelf herkent als in ongetelde spiegels. Dan het vreemde van een samenvoegen van dit ik, alsof alle facetten opnieuw worden gevormd, tot het wezen een grotere eenheid en een grotere volmaaktheid heeft in een nog niet geheel beseft verband met anderen.

De wereld, waarin de tijd is gestorven: Er is geen tijd. Maar ik zie, ik weet niet met hoeveel ogen. Ik zie naar alle kanten gelijk zie alle dingen 100 malen uit verschillende hoeken en toch is het slechts één beeld, dat in mij ontstaat, een veelzijdig beeld, dat waar is. Elk paar ogen laat mij de kleuren anders zien en geeft een andere nadruk aan de vormen. Ikzelf zie en weet, dat de door mijzelf geziene beelden uitgaan naar anderen. Mijn verlangen, hoop, erkennen, verweven zich met hoop, verlangen, kennen van anderen. In het vervlochten zijn weet ik soms niet meer: Ben ik zelf of ben ik niet. Maar er is een rijkdom, van alle beelden, alle tijden, van alle verlangen en alle vervulling. In de totaliteit wordt het mij, of ik drijf als een wolk boven een stralend blauwe hemel, onder mij het Al. Ik ben rustig en bijna daadloos, een enkele maal slechts wakker schrikkende in de verrukking van het veel zijn in één. Dan spreek ik tot de werelden beneden mij en mijn woorden zijn als een zachte regen, die neerdaalt op dorstige aarde. Dan spreek ik en het is als een bliksemflits, die verwoestend neerslaat in lagere werelden. Ik spreek, maar weet niet, of ik het zelf ben, die spreekt. Want het is de veelheid in mij, die spreekt. En als ik spreek, weet ik dat het goed is te spreken, omdat de veelheid spreekt in mij. Ik ken een geluk, omdat ik nimmer meer alleen zal zijn, omdat ik niet meer beperkt ben en al levende en werkende mijzelf vervul.

Dit zijn dan enkele sferen, weergegeven als stemmingen. Moge dit bijdragen tot uw begrip voor dat, wat men op aarde de sferen noemt.

image_pdf