Innerlijk bewustzijn en gedrag

uit de cursus ‘Het probleem van vernieuwing en ontwikkeling’ maart 1985

Innerlijk bewustzijn houdt in dat je weet wat je bent, maar ook weet waarom je zo reageert. Heel veel mensen gedragen zich een beetje als apen, ze imiteren elkaar zonder te weten waarom. De imitatiedrang kun je vaak zien in de kleding, in het kapsel, de wijze waarop sommige dames zich opmaken enz.

Anderen gedragen zich meer schaapachtig en lopen dus achter de eerste de beste aan die zich voor een herder uitgeeft. Of hij daarbij nu een staf heeft of het in zijn eentje moet klaren, doet kennelijk niet ter zake. Men heeft iemand nodig om te volgen. Het zijn deze dingen die een groot gedeelte van de wereld vandaag aan de dag bepalen.

Als wij de wereld willen veranderen, als we werkelijk invloed willen krijgen op het gebeuren in de wereld, dan zullen we eerst af moeten van die twee syndromen. In de eerste plaats wij behoeven niemand na te volgen, wij zijn onszelf. In de tweede plaats niemand behoeft ons te leiden, want wij erkennen de waarde van iemand die beter is, maar wij doen datgene wat bij ons past. Ik weet dat dat niet erg populair zal zijn. Er komt binnenkort weer een heel grote herder naar Nederland gevlogen en zal daar ongetwijfeld worden ontvangen door Popie Jopie en de anderen.

Wij hebben in onszelf een weten. Dat is niet alleen het geweten, het is vooral ook het begrip. Door te weten wat je innerlijk bent en je wereld vanuit jezelf te zien, kun je wel eens erg eenzijdig worden. Dat is waar. Maar die eenzijdigheid op zichzelf is niet kwaad zolang je een ander het recht toekent ook eenzijdig te zijn. Dan heffen alle eenzijdigheden elkaar weer op en krijgen wij een praktijk waarin iedereen zichzelf kan zijn en toch gelijktijdig met anderen tezamen kan functioneren.

Voor het geestelijke bewustzijn is het bovendien heel erg goed dat je leert dat het erkennen en aanvaarden van verschillen vaak veel belangrijker is dan het vinden van medestanders of het volgen van een leider.

Het gedrag van de mens wordt door externe factoren voor een zeer groot gedeelte bepaald. Sommige dingen zijn wel netjes, andere niet. Sommige dingen horen wel, andere niet. Dat heeft weinig te maken met je gevoel en met je eigen wereld. Dat is eenvoudig zo gesteld en je hebt je maar daarnaar te voegen. Dat is allemaal redelijk zolang het noodzakelijk is om met elkaar te kunnen samenwerken, om elkaar a.h.w. niet te hinderen. Maar als het verder gaat dan dit, komt er toch een situatie waardoor we geestelijk gezien eveneens benauwd worden. Wij worden ingere­gen in een of ander korset om niet te zeggen geduwd in een maatschappelijke eis van maagd zijn, waardoor van onze eigen persoonlijkheid heel wei­nig overblijft.

In de geest echter moet je jezelf kunnen aanvaarden zoals je bent, en dan nog bereid zijn een ander te aanvaarden inclusief diens anders zijn. Daarop berust de hele wereld van de geest. Dat bepaalt hoe de sfe­ren tot stand komen. Dat is eigenlijk het ervaren van de totaliteit zelfs in de hoogste sferen. Willen wij dus ons gedrag aanpassen dan moeten wij ons eerst afvragen wat het gedrag dient te zijn.

Ten eerste: er zijn dingen die eenvoudig logisch zijn. Als iedereen op de weg rechts houdt, doe je verstandig om dat ook te doen. Niet om­dat dat de juiste manier is, maar wel omdat dat de manier is waarop je het minst de anderen ongemak of ongeluk bezorgt. Zo zal het in de maat­schappij ook heel vaak zijn. Er zijn regels waaraan je je moet houden. Maar dat doe je niet omdat je een mens bent. In ons gedrag zit dus een aantal factoren die eigenlijk alleen maar bestemd zijn om een samenleving mogelijk te maken.

Ten tweede wordt ons gedrag voor een deel bepaald door wat men temperament pleegt te noemen, ofschoon dat over het algemeen een term is die door sommigen wordt beschouwd als een morele temperatuursverhoging.

Wij worden geconfronteerd met een aantal normen. Deze normen zijn normaal, maar ons wezen kan ze niet altijd volledig aanvaarden. Dan is het duidelijk: ons gedrag mag van alle gestelde normen en regels, ook die van de samenleving, afwijken op het ogenblik dat anderen in casu de samenleving of delen daarvan daardoor niet in moeilijkheden worden gebracht. Of wij onszelf daardoor in moeilijkheden brengen telt niet mee, dat moeten we zelf weten.

Dan betekent dit, dat je heel vaak anders bent dan de meeste men­sen graag willen zien. De een is homoseksueel, de ander is vrijzinnig hetero zonder huwelijksbanden. Zo heeft iedereen wel zijn eigen benade­ring van het probleem. Je moet nooit uitgaan van de starre norm. Een wet is alleen een waarlijke wet, als ze in haar toepassing het nood­zakelijke mogelijk maakt en tevens zo weinig mogelijk de vrijheid belemmert. Hoe verder je gaat met een wetgeving die dat niet doet, hoe minder de wet waard is, maar gelijktijdig hoe kunstmatiger althans het uiterlijke leven van de mens wordt. Je moet dus in staat zijn om temperament of ka­rakter wel degelijk te manifesteren het hoort erbij.

Dan is er nog een derde deel dat weleens niet terecht wordt toe­geschreven aan influisterende duivels of engelbewaarders plus het ons door de H. Geest ingelegde geweten. Ik heb nooit geweten dat de H. Geest dol was op interim werk. In ieder geval wij hebben in ons een weten ten aanzien van juist en onjuist. Ik vermijd opzettelijk de woorden goed en kwaad. Wat voor ons juist is, kan voor een ander onjuist zijn. Er is dus geen algemene norm. Maar onze innerlijke norm is een bevestiging van onze belevingsbehoefte. Ze is daarnaast een bevestiging van al datgene wat wij door vele incarnaties zijn geworden. Dit te onderdrukken betekent je ontwikkeling stopzetten. Daarom moeten we zeggen:

Het gedrag in alle drie factoren dient in de eerste plaats gericht te zijn op de uiting van de persoonlijkheid, maar dient in gelijke mate gericht te zijn op het niet hinderen, het belemmeren van anderen.

Ergernis reken ik niet onder de belemmeringen. Als een pastoor zich zoals enige tijd geleden weleens voorkwam, stoot aan gemengd zwemmen, dan is deze ergernis een kwestie van zijn eigen onvolkomenheid ofwel zijn door het karakter bepaalde tegenstuwing t.a.v. het geestelijk als noodzakelijk erkende celibaat. Daar hebben wij niets mee te maken. Het gaat er dus niet om wat de buren ervan denken of zeggen, maar wel om wat wij fei­telijk daarmee zouden kunnen veroorzaken.

Onze geestelijke bewustwording is een groeien. Je zou kunnen zeg­gen: je wereld wordt groter. Maar misschien is het beter om te zeggen de verhoudingen komen anders te liggen.

Als u in een straat bent, dan is het verkeer daar dominerend. Als u op een toren staat en neerkijkt op 50 à 60 straten, dan is het lijnenwerk van die straten weer dominerend met eventueel hier en daar een bouwwerk, terwijl het verkeer alleen maar een soort levendige on­derstreping is van een bestaand patroon.

Hoe meer wij geestelijk afstand kunnen nemen van het dagelijkse ge­beuren, dat kan men heus weleens doen, hoe duidelijker wij gaan besef­fen dat er een aantal vaste lijnen zijn die niet alleen voor ons, maar ook voor anderen bepalend zijn. Wij gaan zelfs begrijpen waar de lijn, die wij volgen misschien wordt gekruist door lijnen die anderen volgen. En dan moeten we uitkijken, anders komen er botsingen. Het is dus het winnen van een overzicht. Hoe groter het overzicht is geworden, des te meer je je bewust wordt van je eigen standpunt.

Als je op straat bent dan word je ook in je standpunt bepaald door het verkeer. Op het ogenblik dat je daar afstand van neemt, word je je bewust van het punt waarop je staat, het punt van waarneming en gelijktijdig van de betekenis die de andere dingen hebben. Dan kun je zeggen: Je moet ook het ware ik erkennen. Ongetwijfeld waar; Hoe beter het beeld is dat je van jezelf hebt, hoe vollediger de be­wustwording zich kan voltrekken. Maar voor ons doel is het belang­rijker dat we te maken hebben met een afstandelijkheid.

Die afstandelijkheid moet je niet doorvoeren in de praxis van je leven zonder meer. Je moet haar bezitten in elke benadering van de wereld waarbij mentale, geestelijke en zelfs soms emotionele kwesties een dominerende rol dreigen te spelen. Dan kun je die zaken overzien. Het zegt verder niets omtrent je benadering en je gedrag, die worden ook door andere factoren bepaald. Maar het zegt wel iets over je be­leving. Hoe meer de beleving voor het ik een harmonische is en begrip van het gebeuren bevat, hoe sneller wij ons kosmisch bewust worden.

Men zegt weleens: een absoluut bewustzijn in de kosmos is de ab­solute afstandelijkheid waardoor het eigen leven en beleven geen in­vloed meer heeft op de erkenning van het geheel. Ik ben geneigd om dat als juist te zien.

Nu zullen heel veel mensen zeggen: Als u het heeft over de ver­andering van de wereld, hoe kan dat hiermee samenhangen? Als je geestelijk bewustzijn groot genoeg is, zal in de eerste plaats je gedrag veel meer aanpassingsmogelijkheden hebben. Je bent minder gefixeerd. In de tweede plaats naarmate je die afstandelijkheid innerlijk hebt ge­wonnen en het overzicht kunt vinden, zul je ook minder worden belaagd door emoties die, verdrongen meestal, later je gedrag toch voor een groot gedeelte bepalen.

Ik zeg niet dat je kunt teruggaan naar de redelijkheid in de zin van absoluut logisch handelen. Dat is niet te doen. Maar je kunt wel terug naar een voor je ik absoluut verantwoord handelen. Daarin kunnen zeker factoren een rol spelen van: als ik het vroeger nu eens anders had gedaan. Dat is een bekend verschijnsel. Het komt bijna bij alle men­sen voor. Ik heb daar ook geen bezwaar tegen. Het is in feite een soort leerproces. Het enige dat ik eraan wil toevoegen is dit: Berouw hebben over het verleden is eigenlijk een ongedekte wissel trekken op de toekomst. Dat kun je je gewoon niet permitteren. Berouw wil zeggen had ik het maar niet gedaan. Terwijl leren betekent zo zal ik het niet meer doen.

Stel je je nu eens voor dat dat in de hele wereld een rol gaat spelen, dat er overal in de wereld steeds meer mensen zijn die zich niet­ meer gaan afvragen: wat zegt mijn leider ervan? Wat hebben mijn vader en moeder gedaan in die gevallen? Maar dat zij zich gewoon gaan afvragen: Hoe zie ik dan de wereld en mijzelf daarin? Hoe kan ik daarin zo goed mogelijk mijn eigen weg gaan zonder gelijktijdig anderen te belemmeren hun weg te gaan? Dan wordt er heel veel conflictstof weggenomen.

Er zullen altijd wel mensen zijn die nu eenmaal zo eenzijdig zijn dat ze de hele wereld willen bekeren. Er zijn anarchisten, communisten, christenen, islamieten, hindoes, boeddhisten die een dergelijke eenzij­digheid bezitten. Zij zeggen: Alles is alleen goed, als je toegeeft dat ik gelijk heb en bovendien doet zoals ik. Maar ze zullen toch lang­zaam maar zeker een minderheid vormen. Tegenwoordig wordt een groot gedeelte van het wereldgebeuren niet bepaald door de erkenning van feiten en mogelijkheden maar door emotie.

Als de Amerikanen druk bezig zijn om zich voor te bereiden op een ruimteplatform en alles wat ermee samenhangt (dan laten we even de an­dere beweegredenen buiten beschouwing) dan is dat omdat ze daarmee een soort meerwaardigheid willen manifesteren. Eigenlijk komt het erop neer dat zij niet kunnen of willen toegeven dat een andere vorm van sa­menleving even goed zou kunnen functioneren als de hunne. En daarom bewapenen zij zich. Niet in de eerste plaats wegens de agressie van de andere kant, maar om het gelijk aan de eigen kant te onderstrepen. Dat komt voort uit die emotionele eenzijdigheid.

Als wij kijken naar de geschiedenis Irak, Iran. Dan worden wij ge­confronteerd met een werkelijk bloeddorstige oorlog, compleet met al­lerlei zaken die niet erg vriendelijk meer zijn. Ik denk bv. aan de massaslachtingen zoals die kortgeleden daar in de moerassen hebben plaatsgevonden. Ik denk ook aan aanvallen op neutrale mensen, de bur­gers. Ik denk aan bombardementen op vrouwen en kinderen.

Waar komt dat uit voort? Alleen maar om een oorlogje om een eiland, want daarmee is het eigenlijk begonnen? Wel neen. Aan de ene kant komt het voort uit de absolute behoefte om het eigen geloof als het enige juiste te zien. Want er is een verschil de één houdt het bij de Soenna de ander houdt het bij de Sjia twee richtingen van de Islam.

Persoonlijke factoren spelen bovendien ook een rol. Wanneer men af­stand zou kunnen nemen en zou beseffen dat men met samenwerking niet alleen de welvaart van de landen aanmerkelijk zou kunnen verhogen, maar ook in de ogen van de wereld de betekenis van de godsdienst, dat men heel waarschijnlijk een dergelijke oorlog betrekkelijk snel zou kunnen beëindigen. Men zou begrijpen, dat men op deze manier alleen maar een wig drijft in de islam  maar ook in de machtseenheid die dan toch ge­vormd wordt door de Arabische staten en enkele andere landen door o.m. de olieproductie.

Het is dus krankzinnig dat een dergelijke oorlog wordt gevoerd. Die kan alleen worden gevoerd op grond van eenzijdigheid en het onvermogen van mensen om zich van die eenzijdigheden dermate los te maken dat hun handelen logisch wordt of ten dele logisch. Dit zijn twee voor­beelden. Ik zou er meer kunnen geven.

De wereld veranderen en zo het wereldgebeuren in een nieuwe fase brengen is niet mogelijk alleen door maatregelen van bovenaf. Er zijn men­sen die roepen om een leider. Nu moet ik zeggen de meeste leiders zijn misleiders, al zijn ze niet katholiek.

Zolang een leider mensen achter zich aan krijgt, is dat een combina­tie van emotionele afpersing en materiele omkoping. Daardoor krijg je het geloof in die leider. Besef heel goed dat een leider op zichzelf het heel goed kan bedoelen en misschien zelfs het goed kan weten op sommige punten, maar hij is een mens, hij kan niet vrijelijk reageren. Hij wordt altijd gebonden door zijn aanhang die hij moet behouden.

De jodenvervolging in Duitsland had nooit een dermate grote om­vang aangenomen, een dergelijke onvoorstelbare wreedheid, indien niet in het begin er een vijand nodig was geweest om de, zullen we zeggen, wat minderwaardige positie van Duitsland onder de Weimar republiek te verklaren. Die vijand was niet werkelijk, hij werd gezocht.

Leiders zoeken vijanden om zo hun eigen feilen te kunnen verkla­ren. Hoe belangrijker het leidersprincipe is in de wereld, des te groter de conflicten zullen zijn die gewapenderhand of anderszins op de wereld worden uitgevochten. Wil je dat veranderen dan kun je dat niet van de top af doen, want daarmee breng je weer leiders in een vergelijkbare positie. Je moet het van onderaf doen. En van onderaf kun je dat eigen­lijk alleen doen door je gedrag te veranderen. Door je gedrag worden zo ­veel factoren bepaald dat je eigenlijk niet in staat bent om je gedrag te beheersen, tenzij je eerst een zeker innerlijk bewustzijn gewint en daardoor afstand kunt doen van het gebeuren. Je bewegingsvrijheid wordt groter naarmate je innerlijk besef eveneens toeneemt. Kunnen we dus met de innerlijke bewustwording het gedrag van steeds meer mensen verande­ren dan veranderen indirect de samenhangen op de wereld.

Als je mensen voortdurend confronteert met de belangrijkheid van het materiele, zoals in deze tijd nog steeds gebeurt, dan zal steeds minder de mogelijkheid bestaan om het ideële op de voorgrond te plaat­sen zonder het gelijktijdig bindend te maken.

Ga je uit van het ideële dan moet je de mensen daaraan binden en je moet bovendien daaraan een materialistische reactie of mogelijk­heid daartoe verbinden. Dat is natuurlijk absoluut onredelijk, onjuist, en onlogisch beschouwd. Het materialisme van een mens neemt echter af naarmate hij de betrekkelijkheid van bezit beter gaat begrijpen. Afstand nemen, begrijpen dat materie maar beperkt belangrijk is, impli­ceert dat je het ideële kunt volgen zonder dat je daaraan gelijktijdig gebonden bent en dat je tevens het materiele kunt gebruiken zonder meteen daarvan de gevangene te worden.

In een veranderende wereld (wij gaan naar ‘t Aquariustijdperk toe) zal het nodig zijn dat een mens zijn menselijke gebondenheden beter gaat begrijpen. Dan gaat het helemaal niet om de alleenrechten van de ene mens en de andere. Dat zijn zuiver persoonlijke zaken. De mens zal moeten begrijpen dat mens-zijn de verplichting om medemens te zijn a.h.w. inhoudt en dat hij daaraan vorm en gestalte moet geven op een manier die bij hem of haar past en niet, op een willekeurige of op een voor­geschreven wijze zonder meer.

De gedachte van broederschap brengt zeker als ze algemeen wordt gesteld een zekere vervreemding teweeg tussen individuen, zo vreemd als het moge klinken. Als we namelijk voortdurend de belangen van velen willen dienen, dan kun je niet meer aan alle wensen en even­tuele eisen tegemoetkomen die de eenling stelt. In zoverre zou de wereld dus armer worden, maar als twee mensen de bewustwording hebben doorgemaakt, waardoor zij beseffen dat die gemeenschappelijkheid, op een zeer vrije basis overigens, het belangrijkst is, dan zal hun onderlinge verhouding daardoor eerder beter dan onpersoonlijker zijn. Het is een begripskwestie.

Ik zie een toekomstwereld waarin deze factoren toch een grote rol moeten gaan spelen. Maar een Aquariustijdperk waarin alle mensen broe­ders zijn en waarin iedereen als een gulle waterman probeert zijn gaven over anderen uit te storten, zie ik zo gauw nog niet komen, als het ge­drag van de mens nog wordt bepaald door factoren die hij zelf nog niet geheel begrijpt, overziet of beheerst. Pas als de normering van het gedrag ongedaan wordt gemaakt en gelijktijdig de gehele gedraging door een innerlijk besef wordt geleid, kan de mens zichzelf zijn en tevens in een dergelijke maatschappij goed functioneren.

De hele wereld is op het ogenblik in verandering. Ik heb hier be­paalde dingen gezegd die zeker in het beging in het aanloopstadium op aarde aanwezig zijn. Maar wij kunnen nog steeds niet af van wat ik een kibboetsmentaliteit zou willen noemen, een onderlinge regeling van onze kleine gemeenschap en gelijktijdig een daardoor afstand nemen van de belangen van anderen. Het is iets dat een rol speelt in bepaalde dorpscommunes, zoals die er op het ogenblik zijn in India, Pakistan. Het beginsel is er dus wel, maar men denkt nog te beperkt. Men is nog niet in staat afstand te doen van het principe. Er moet een leider zijn.

Neen, een leider moet er nooit zijn. Er moet iemand zijn die als centraal punt functioneert. Maar wat hij in zijn functioneren voor het ge­heel uitdrukt, moet door het geheel worden bepaald en niet het func­tioneren van het geheel door deze ene persoon. Ik neem aan, dat in de komende tientallen jaren wij daarvan nog wel het een en ander zullen zien.

Als wij het gedrag van de doorsneemens in de huidige tijd nu eens eerlijk bekijken, dan zien we dat de meeste mensen bezig zijn om hun on­vrede met zichzelf af te reageren op de wereld. Dit is absoluut niet meer aanvaardbaar. Ergens begrijpt men dat ook. Maar als je te maken krijgt met bepaalde algemene vormen van criminaliteit, dan mag je niet uitroepen dat er dan maar meer politie moet komen. Dan moet je uitroepen dat je a) meer mogelijkheden moet hebben om jezelf tegen aantastin­gen van je persoonlijkheid en eventueel je bezit te verdedigen en b) dat de omstandigheden worden gewijzigd waardoor die mensen in die positie van verzet tegen de wereld terecht zijn gekomen. Je moet niet verwachten dat er wat voor je gedaan wordt. Je moet bereid zijn om het zelf te doen. Maar ook mag je nooit zeggen: Het gaat mij goed, laten anderen dat dan ook maar voor zichzelf bereiken. Er blijft een aanspra­kelijkheid bestaan.

Ik kom in dit verband nog even terug op dat straatschema dat ik zo-even heb gegeven. Als wij uitgaan van het standpunt: wij kunnen alles wel regelen, dan zullen we inderdaad een tijdlang alles kunnen krijgen zoals wij het willen. Dat is dat blokje straat waarop geen zijstraat of zelfs enkele niet drukke zijstraten uitkomen. Maar op het ogenblik dat onze verkeersweg de verkeersweg van anderen kruist en wij verder willen gaan zonder na te denken, dan komen er botsingen en gebeuren er ongelukken. Er ontstaat een destructie waardoor al het in een voor­gaande periode bereikte wordt tenietgedaan.

Als je innerlijk genoeg afstand kunt nemen van het heden, van het enkele patroon waarin je je beweegt en leert overzien hoe een totali­teit is, dan kun je dergelijke botsingen voorkomen. Je kunt je aanpas­sen aan patronen die kruisende verkeerswegen heersen. Dan zeg ik niet dat je langzaam moet rijden, maar wel dat je moet uitkijken, voorzichtig moet rijden. Dat is heel wat anders.

Die voorzichtigheid bestaat tegenwoordig in de wereld maar in zeer beperkte mate. Ze moet toenemen, wil deze wereld zich niet ten gronde richten. Dan is de conclusie toch duidelijk: De mens moet geestelijk zo­veel bewustzijn gewinnen dat hij zich enigszins kan losmaken van zijn eenzijdigheden en denkbeelden en ook andere dingen kan gaan beseffen en ver­werken. Daarnaast moet zijn gedrag worden aangepast aan het maatschappe­lijke verkeerspatroon waarin elke mens in zijn leven zich nu eenmaal be­weegt.

Denk niet dat een verandering in uw gedrag op het front van geestelijke bewustwording of anderszins de wereld onmiddellijk verandert. Maar ze schept wel een mogelijkheid voor verdere verandering. Dit is gebeurd en dit zal gebeuren. Daarom meende ik dat dit onderwerp zeer zeker uw aandacht waard was.

  • Als dit zich zal ontwikkelen, zullen dan ziektebeelden ook meer verdwijnen? Ik denk aan kanker.

Dat is binnen het kader van deze cursus niet te beantwoorden. Om heel kort iets daarover te zeggen. Er zijn een aantal ziektebeelden, die mede door de wijze van leven van de mens en het verloop van aller­lei processen in die beleving worden bepaald. Daaronder behoort kanker maar ook een aantal andere ziekteverschijnselen. Als de samenleving naar een norm terugkeert, zal de stress, die daarvoor aansprakelijk is, wegvallen en daarmee zal het endemisch karak­ter van bepaalde ziektebeelden afnemen.

Economie en werkloosheid

Economie is in feite een stelsel van handel die door vraag en aan­bod wordt bepaald, waarbij de productie moet worden aangepast aan de bestaande vraag. In het geheel geldt verder dat de toename van arbeids­kosten in een product gunstig is voor de werkgelegenheid, maar gelijktijdig ongunstig voor de afzetmogelijkheid. Dit zijn factoren die op het ogenblik een heel grote rol spelen.

Iedereen heeft het over een economische crisis. Is er een feitelijke economische crisis? Als je dit zuiver theoretisch beziet, dan is dat niet het geval. Er zijn enkele factoren, die in de huidige tijd een grote rol spelen. Ik kan ze u niet alle uitvoerig gaan noemen, maar ik wil wel en­kele opnoemen.

Een economische ontwikkeling is alleen mogelijk indien bedrijven blijven binnen de twee knikken van de Gauss Kromme, een grafiek die aan­geeft hoe een bedrijf met een bepaald aantal werkkrachten met een bepaal­de ruimte een optimale productiemogelijkheid heeft. Maar zodra ze daaronder blijft of daarboven komt een te grote kostenfactor krijgt of een te grote ruimtefactor.

De meeste bedrijven willen zich voortdurend uitbreiden d.w.z. dat ze vaak te groot worden en daardoor niet meer economisch kunnen werken. Dit geldt ook voor zaken, die niet als industrie worden gezien, zoals de landbouw. Op het ogenblik dat ik in de landbouw meer machines ga gebruiken, heb ik minder personeel nodig. Maar gelijktijdig moet ik hoge investeringen doen. Die investeringen brengen een rentelast met zich mee die op het bedrijf drukt. Dat wil zeggen dat het bedrijf dus veel meer moet verdienen om het mogelijk te maken met minder mensen te werken. Dat is natuurlijk absoluut onmogelijk, tenzij wij te maken heb­ben met machines die in de exploitatie over een lange duur dermate be­trouwbaar zijn dat daardoor een afschrijving over lange termijn mogelijk is. Dit is helaas niet bij alle machines het geval.

Hier staan we dus al direct voor een probleem dat eigenlijk de ge­hele geïndustrialiseerde wereld kenmerkt. Wij hebben daar namelijk te maken met vakbonden.

Een vakbond zou theoretisch gezien moeten zoeken naar het vinden van de optimale werkgelegenheid met de optimale beloning passend bij die werkgelegenheid. In feite echter streeft ze naar een optimale beloning met een beperking van werktijd en tevens een uitbreiding van werkgelegenheid zonder vermindering van arbeidsbeloning. Dit is absoluut onredelijk.

Als u een pakje sigaretten koopt en er zitten normaal 25 in en men gaat dan zeggen: Wij kunnen dat pakje veel beter verkopen, als er 23 in zitten, maar we doen het wel voor dezelfde prijs, dan zegt u: Dat is een prijsverhoging.

Als een arbeider echter 36 uur wil gaan werken in plaats van 40 uur en hetzelfde loon mee naar huis wil nemen, dan zegt men: Dat is sociale rechtvaardigheid. Dat is natuurlijk niet duidelijk. Het is eigen­lijk precies het tegenovergestelde. Dat is een loonsverhoging. En aan­gezien dat ongeveer 10% is van de werkvermindering kun je zeggen dat t.a.v. het oude loon er feitelijk een loonsverhoging plaatsvindt met 10%.

Dit wordt niet algemeen begrepen. Bovendien zijn er vele arbeidsbesparende mogelijkheden zoals bv. de nieuwe generatie van computers. Er zijn er al bij die a.h.w. kunnen zien en horen en die in staat zijn om eventuele fouten nog te herstellen door een feedback systeem.

De vakbonden zijn daar over het algemeen op tegen. Zij zien dat niet graag. Waarom? Omdat dan arbeiders, die nu op een bepaalde plaats werken, op die plaats overbodig worden. Wat ze over het hoofd zien, is dat bij een vereenvoudiging van de productiemethode een feitelijke verlaging van productieprijs mogelijk is en daardoor een uitbreiding van afzetmogelijkheden. Deze betekent dan dat elders die arbeiders wel weer te werk kunnen worden gesteld. Zij het niet bij het bedrijf zelf, dan wel bij toeleveringsbedrijven of bij eventuele caterings of verzorgingsbedrijven. Maar men wil nu eenmaal blijven wat men is.

Ik ben typograaf. Ik heb een bepaald specialisme en daar blijf ik bij. Wanneer er nieuwe machines komen, dan kan ik met mijn ervaring met de linotype niet meer verdienen, zegt men dan. Dat is waar in zekere zin. Maar gelijktijdig betekent dat wel dat het bedrijf kan blijven ­produceren, terwijl het met de oude productiemethode tot veel te hoge kosten zou zijn gekomen en daarmee op een prijspeil dat de afzet steeds zou verminderen. Dat ziet men gewoon over het hoofd.

Als ik dat allemaal zo stel, dan klinkt het een beetje erg nuchter en erg politiek. Maar er zijn meer factoren. Als u kijkt naar de lasten die overal op drukken, dan komt u tot een ontstellende ontdekking. Als u een huis kunt kopen met een hypotheek tegen nominaal 8 over een periode van 30 jaar, dan heeft u in feite niet 22 maal bijna de prijs van uw huis aan rente opgebracht, maar boven­dien nog kosten betaald. Als u deze kosten meerekent dan betaalt u 3 keer de prijs van het huis over 30 jaar.

Datzelfde geldt bij afbetaling. U koopt bij een postorderbedrijf een artikel dat normaal fl. 20. kost. Daar komen nog allerlei kosten bij zo­als administratiekosten enz; Als u het dan goed uitrekent, heeft u voordat u heeft afbetaald binnen 12 maanden eigenlijk al minstens 20, maar waarschijnlijk eerder 30 tot 33 % meer betaald dan de nomina­le prijs van het artikel.

Ditzelfde principe speelt nu ook bij staten een rol. De Nederland­se staat heeft zoveel geleend dat bijna een derde van het volksinkomen direct of indirect opgaat aan rentelasten.

Als wij kijken naar het bankwezen op het ogenblik, dan valt op dat ook in het bankwezen allerlei moeilijkheden aan het optreden zijn. Aan de ene kant breidt men steeds uit, men wil er steeds grotere kapi­talen in zien omgaan via eigen apparaat. Maar aan de andere kant wor­den de lasten daarvan steeds hoger. Dit betekent dat men tenslotte de mensen voor de diensten die men verleent iets in rekening zal moeten brengen. Maar juist daardoor wordt het storten van je salaris op de bank eigenlijk minder attractief.

De staten hebben alle tezamen enorme schuldenlasten. Dat komt voort uit een zgn. deficitfinanciering. In de oude tijd deed men dat ook, maar dan maakte men er bankbiljetten bij. Daardoor werd de feite­lijke waarde van de munteenheid wel lager, maar men zat met een schulden­last. Tegenwoordig doet men dit door middel van leningen. Dat is de laatste 50 jaar al zeer in de mode. Daardoor ontstaat eigenlijk een toe­nemende belasting van de totale kosten van de staat. Wil je dan toch de instanties en de sociale diensten behouden zoals ze zijn, dan moet de staat dus steeds meer van zijn burgers trekken, of als u dat liever hebt, plukken, want daar lijkt het soms op.

Wij staan dus eigenlijk in deze economische crisis niet voor het feit dat de economie niet goed werkt, maar we staan voor het feit dat, door de bijkomende kosten en rentekosten een rendabele productie steeds minder mogelijk wordt, terwijl door de toenemende belastingheffing voor de staat (dus aantasting van het vrij besteedbare inkomen) gelijktijdig de koopkracht afneemt, ook al zegt men officieel vaak dat ze gelijk zal blijven. Wat zou men daartegen moeten doen?

In een maatschappij die werkelijk solidair is, zeg je niet: Wij be­talen de werklozen wel iets opdat ze toch kunnen leven. Dan zeg je: Wij scheppen voor iedereen arbeid. En als dat gewoon niet kan, dan doen we dat door arbeid en inkomen te delen. Zolang je geen inkomen wilt delen, kan er van een feitelijke arbeidsdeling met enig voordeel voor de gemeenschap geen sprake zijn. Daar zit nu het kwaaltje van deze tijd.

Men kent wat men noemt een welvaart. Nu is me dat een vaartje wel, want het is een vaart naar de afgrond.

Welvaart nu, kan er alleen dan zijn indien je veel meer hebt dan je in feite nodig hebt. Maar hoe meer je hebt, hoe meer je denkt nodig te hebben. Dat wil zeggen dat het verbruikspatroon en de ver­bruikseis altijd vooruitloopt op de feitelijke inkomensmogelijkheden. U moet zelf maar eens in de huishoudkas kijken. Er zijn nog steeds dames die thuiskomen met een uiensnijder, die ze helemaal niet nodig hebben, omdat die voor f 9.75 geprijsd staat, terwijl die ander f 23.95 is. Dan zeggen ze Nu heb ik toch mooi f 15. bespaard.

Deze redenering wordt door vakbonden, bedrijven en gouvernementen toegepast. Wij doen dingen die eigenlijk niet nodig zijn, omdat wij ze nu goedkoper kunnen doen dan ze later misschien zullen zijn waarbij we ons niet afvragen of wij ze werkelijk nodig hebben. Dat is de welvaart, dat is de luxe.

Ga je terug naar het werkelijke niveau waarop je zou moeten le­ven, dan vallen vele problemen weg. Om een voorbeeld te geven Als het inkomen in Nederland weer zou zijn aangepast aan het feitelijke volksinkomen, dan zou het aantal personenauto’s op de Nederlandse we­gen worden verminderd met ongeveer 65 %. Ze zouden onbetaalbaar zijn geworden. Dan zou gelijktijdig het openbare vervoer toenemen, maar ook meer rendabel zijn en daardoor goedkoper kunnen functioneren. Dat zou ook het milieu ten goede komen. Dan zit je in een situatie waarin iedereen zegt: Vroeger namen we de auto om even uit te gaan en nu moe­ten we of met de bus, de tram of de trein daar naartoe gaan. Dat is wel waar, maar het is een luxe als je met een auto kunt gaan. Wat de meeste mensen trouwens wel beseffen.

Wij zouden verder nog eens kunnen nagaan wat er aan besparingen daardoor zouden ontstaan.

Realiseert u zich dat de aantasting van de deviezenvoorraad van de Nederlandse staat dan toch zeker met 25 % zou worden verminderd. Dat zijn ongeveer de kosten van import van auto’s plus benzine. Dan men zou zuiniger, leven. Met andere woorden, je hebt minder van buitenaf nodig en daardoor kun je binnen gemakkelijker uitkomen met wat je hebt.

In de periode die gaat aanbreken, zullen steeds meer van die dingen kenbaar worden. Het is eenvoudig niet meer te handhaven zoals het nu is. Men zal langzaam maar zeker moeten afzien van het stand­punt Wij moeten onze instantie, ons bedrijf, onze afzet zonder meer handhaven en verder uitbreiden.

Als we kijken naar de regeringsinstanties; ik neem als voorbeeld Nederland, in België is de mogelijkheid zelfs iets groter, dan zou het­zelfde bestuur kunnen worden uitgevoerd met een vermindering van ad­ministratief personeel van 70%. Gelijktijdig zou een uitbreiding van actief dienstverlenend personeel nodig zijn met ongeveer 14%. Dat be­tekent een enorme lastenbesparing in salarissen en dergelijke. Daardoor zouden zeer veel mensen vrij omen voor dienstverlenende be­roepen. Terwijl de dienstverlening nu in Nederland en ook in andere landen steeds meer te wensen overlaat. En dan bedoel ik niet slaafs­heid, maar dienstvaardigheid en deskundigheid.

Als je dan verder gaat kijken, zeg je: In Nederland wordt een aantal uitgaven gedaan die niets te maken hebben met de feitelijke no­den en behoeften van de mensen. Ze zijn eigenlijk prestige uitgaven. Dergelijke prestige uitgaven, die toch altijd nog per jaar zo rond de 5 à 7 miljard guldens belopen, alles bij elkaar gerekend, zouden achter­wege kunnen blijven en door doelmatiger projecten kunnen worden vervan­gen. De werkgelegenheid zal gelijk blijven, maar de feitelijke besparing die zou worden bereikt, zal tussen de 3 à 4 miljard gulden liggen. Ik spreek nu alleen voor Nederland. Er zijn landen waar het nog veel erger is. We kunnen denken aan België, Frankrijk en Italië.

Een ander punt dat ook erg interessant is in de moderne wereld, is het bestaan van de zgn. zwartgeldcircuits. Oorspronkelijk bestonden die alleen voor de onderwereld. De Maffiosi bv. hadden al in 1923 een systeem om illegaal verkregen gelden volledig wit te wassen. Op het ogen­blik heeft de combinatie, die men dan nog wel Maffia noemt, in de Ver. Staten nog steeds de beschikking over een 20-tal banken die tezamen met hun vestigingen zwart geld wit maken, met andere woorden normaal be­steedbaar.

In Nederland is na de schandalen die de laatste tijd hebben plaatsge­vonden nog altijd een 5-tal bankbedrijven die meewerken aan dit witwassen van zwart geld. Een deel daarvan wordt bovendien via Liechtenstein en Zwitserland gewassen. Dit eigenlijk een beetje terzijde.

Een zwartgeldcircuit dat alleen voor misdadigers bestaat, zal nooit een zo algemene omvang aannemen als het systeem tegenwoordig heeft. Dat is ook begrijpelijk, want als een gewone burger niet overmatig wordt belast, dan zal hij eenvoudig het risico niet wil­len lopen om met zwart geld te werken. Maar op het ogenblik dat de staat soms 50 % opeist van hetgeen hij heeft verdiend, dan wordt het wel interessant, zeker als het over redelijke bedragen gaat. Laat mij een eenvoudig voorbeeld geven

Als u in Nederland f 10.000 zou verdienen, niet door een loterij, anders is het tarief ongeveer 15 % maar gewoon. En u zou dat dan normaal aangeven, dan zou afhankelijk van uw inkomstenklasse daarvan f 5.000 in enkele gevallen f 3.000, maar dan moet u arm zijn, in sommi­ge gevallen zelfs f 7.000 aan de staat moeten worden afgedragen.

Het is duidelijk, als u f 10.000 heeft, dan moet u die niet offi­cieel aangeven anders houdt u daar niets van over. Dat is een mentali­teit die wordt aangekweekt.

Het zwartgeldcircuit in Nederland beloopt op het ogenblik tussen de 3 en 7 miljard gulden. Dat is van jaar tot jaar nogal verschillend. Daarbij wordt een groot gedeelte van dat kapitaal bovendien later nog in het buitenland geplaatst. Renterekeningen in België zijn een tijdje in de mode geweest, op het ogenblik niet. Tegenwoordig gaat er zeer veel naar de Ver. Staten en naar de Arabische banken. Een hoog rente­percentage. Dat speelt allemaal een rol.

Als je daar rekening mee houdt, dan zeg je: zo’n zwartgeldcircuit maakt duidelijk dat er economisch iets helemaal fout zit. Ik kan u wel zeggen: Ik ben tegen zwart geld. Maar je kunt niet tegen zwart geld zijn als de aantasting van de persoonlijke verdiensten en mogelijkheden van een burger zo hoog oploopt dat je dat bij ieder ander woeker of zelfs diefstal zou noemen. Dit is in vele landen tegenwoordig de feitelijke situatie.

In de ver. Staten zal iemand, die een inkomen heeft van 50.000 heel voorzichtig moeten zijn dat hij niet te veel verdient of hij moet zwart verdienen. Pas boven de 500.000 per jaar zijn er belastingtech­nisch mogelijkheden om de bijdrage die de staat eist aanmerkelijk te ver­minderen. Heb je een eenmalige meevaller dan moet je die uitsmeren over tenminste 3 jaar, want dan betaal je een redelijk percentage, an­ders ben je meer dan de helft kwijt.

U vindt dit misschien niet leuk om te horen, maar het is toch zo. U wordt geplukt waar u zelf bij zit. De moeilijkheid is nu dat steeds meer regeringen bezig waren die de kip die de gouden eieren legt maar even te plukken. Dat heeft invloed gehad op de leg. Het beest legt alleen nog ergens waar de baas het ei niet kan vinden.

Men zegt: De werkloosheid is een blijvend iets. Ik zeg u: Het is geen blijvend iets. Op het ogenblik dat we versatiliteit (bereidheid tot veranderen en bereidheid tot verplaatsing) bij de arbeider kunnen vinden, is het mogelijk om dat probleem binnen een 50-tal jaren volle­dig op te lossen, ongeacht de nu nog voortdurend loskomende aanwas van de arbeidsmarkt. Dit geldt voor Nederland, Duitsland, België, in minde­re mate voor Frankrijk.

Wij kunnen verder zeggen; Dankzij de zwartgeldcircuits is er in fei­te meer werkgelegenheid dan er anders zou zijn. Met andere woorden: Het zwart geld, zelfs dat van de misdadigers in de U.S.A. maakt het mogelijk dat een aantal mensen tegen het voor hen redelijk geacht loon aan het werk kunnen blijven, terwijl ze anders werkloos zouden worden. Wie al deze dingen bij elkaar vat, zal de volgende conclusies misschien eveneens kunnen onderschrijven

  1. Op het ogenblik dat een belastingniveau voor het gevoel van de burger immoreel hoog wordt, zal er gelijktijdig een aantasting plaatsvinden van een staatsinkomen, voerende tot verdere belasting­sverhogingen en dus versterkte ontduiking, terwijl tevens de werkgelegenheid, althans in de openlijk geregistreerde sectoren, gaat zakken en gelijktijdig zwarte arbeid toeneemt. Hierdoor wordt het gehele economische systeem ontwricht.
  2. Op het ogenblik, dat men gaat begrijpen dat een staat niet meer kan uitgeven dan zij redelijk gezien kan onttrekken aan haar burgers, zal ook het zwartgeldcircuit verdwijnen, althans veel minder sterk worden, zal de werkloosheid in sterke mate terug­lopen en zal tevens de rentabiliteit van bedrijven toenemen.
  3. Als de mensen weer vertrouwen krijgen in de samenleving waarvan zij deel uitmaken, zal hun betrokkenheid daarbij groter worden en zal de belangenbetrokkenheid, zoals die op het ogenblik be­staat, steeds verder afnemen. Dit houdt in dat de mensen bewuster deel worden van de ge­meenschap en daardoor ook hun rol in de gemeenschap meer gaan spelen in overeenstemming met de werkelijke belangen daarvan. Wanneer dit gebeurt, voorzie ik dat geestelijke bewustwording gemakkelijker bereikbaar wordt, dat enige afstandelijkheid bij velen toeneemt en dat daardoor een meer harmonische samenlevings­vorm ontstaat met minder geweld, minder bedreiging van de rech­ten van de burger en ook minder aantasting van de regels en re­glementen zoals die maatschappelijk onvermijdelijk zijn.

Leest u het eens na, denkt u erover na, dan zult u misschien met enige verbazing ontdekken dat ik wel degelijk essentiële punten, zij het summier, heb aangesneden die in uw tijd een grote rol spelen en dat ik dus daarmee tevens heb gewezen op de mogelijkheid om ze op te lossen en de wijze waarop die oplossing denkbaar zou zijn.

Vrijheid

Hoe kan ik vrij zijn, als ik besef hoezeer ik gebonden ben? Ik ben niet in staat om waar te maken wat ik denk, omdat ik denk in de termen van mijn wereld, mijn mogelijkheden, mijn wezen. Ik ben niet in staat om waarlijk vrij te zijn, als ik al mijn denkbeelden kan waarmaken, want ik zal gebonden zijn aan mijn denkbeelden.

Werkelijke vrijheid is het vermogen om zover afstand te nemen van jezelf van al datgene wat je bent en wat je omringt, dat je daardoor alle dingen gemakkelijker kunt aanvaarden zoals ze zijn en gelijktijdig je eigen vermogen en mogelijkheden in elke situatie opnieuw kunt vinden.

Wil je werkelijk vrij zijn, dan moet je leren dat gisteren voltooide tijd is, dat morgen nog onontplooide tijd is, maar dat het heden de onvoltooide tijd is waarin je kunt leven op het ogenblik van heden. Vrij zijn betekent aanvaarden wat is en dan van daaruit vertrekkende proberen beter te zijn of het beter te maken.

Ware vrijheid is niet onderwerping. Maar het is de erkenning van de onvermijdelijkheid die voortvloeit uit het feit dat iemand die vrij is dit alleen wezenlijk kan zijn indien hij anderen die vrijheid ook wil laten.

Geestelijk zul je pas vrij zijn op het ogenblik dat je denkbeelden je niet meer ketenen in beperkingen die niet tot het werkelijke wezen behoren.

Vrij zijn is opgaan in een geheel en leren beseffen dat de wetmatigheden daarvan overeenstemmen met al wat je zelf bent, wat je wilt en wat je bewustzijn is.

Geen wereld zonder wet kan vrijheid geven, maar wel een wereld waarin de wet de uitdrukking is van de vrijheid die je ervaart omdat de wet een deel is van datgene wat je zelf bent en wilt zijn.