Innerlijk en uiterlijk van de mens

image_pdf

9 juli 1965

Bij het begin moet ik u er natuurlijk op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ik heb lang gezocht naar een titel voor mijn onderwerp en meende een ogenblik het architectonisch te moeten stellen, zo in de geest van “gevel en interieur”, maar besloot mij uiteindelijk te beperken tot: Innerlijk en uiterlijk van de mens.

In de Oudheid treffen wij vele methoden aan, waarmede men meende het innerlijk van de mens te kunnen definiëren. Er bestaan tekeningen en kaarten, waarbij bv. de plaats van moedervlekken aangegeven worden en de plaats, waarop deze voorkomen, bepalend worden gesteld voor de eigenschappen en mogelijkheden, die de drager van deze tekenen wel zou bezitten.

Elders heeft men uit de hand gelezen, keek men naar de bouw van de schedel, de vorm van het gezicht enz. Altijd weer waren dit systemen, vaak zeer ingewikkelde, waardoor men de geestelijke waarden zowel als lot en karakter van anderen trachtte te bepalen. Want altijd weer heeft men een verband gezocht tussen het uiterlijk van de mens en zijn karakter of innerlijke waarden. Ik zou op deze avond even uw aandacht willen vragen voor enkele hierbij optredende problemen.

Wij kunnen natuurlijk wel aan gaan nemen, dat het uiterlijk van de mens enige overeenstemming met zijn innerlijk zal bezitten, maar geheel juist is dit niet. Indien wij zien naar de uiterlijke kwaliteiten, zoals een bekende Italiaans geleerde dit deed, en wij dan het uiterlijk van vele moderne staatslieden ontleden, zijn hier wel heel wat Lombrosotypen bij. Deze mensen zouden dus misdadigers moeten zijn en uit misdadige families moeten stammen. Wanneer wij aan de andere kant bv. het museum van madame Tussauds zouden bezoeken en daar het uiterlijk van vele natuurgetrouw afgebeelde misdadigers zouden bezien, zou blijken, dat velen van de gevaarlijkste en meest verdorven misdadigers er juist nogal vriendelijk, onschuldig of goedmoedig uitzien. Velen van hen kan men in geen geval als Lombrosotypen beschrijven. Wat is dus de waarheid hier? Kunnen wij aan de hand van het uiterlijk werkelijk conclusies trekken omtrent de mens zijn karakter en eventueel zijn geestelijke status? In de tweede plaats zullen wij ons af moeten vragen, of wij aan de hand van het uiterlijk van de mens, zijn gelaatstrekken en lichamelijke vormen ook maar enige conclusie kunnen trekken omtrent zijn geestelijk bewustzijn en zijn geestelijke bereikingen.

Hiermede is een vraag gesteld, die wij op zullen moeten lossen. Laat ons beginnen met het eenvoudigste punt. Wij kunnen de mensheid in een aantal typen gaan verdelen. De astrologen verdelen de mensen in twaalf hoofdtypen aan de hand van de sterrenbeelden; de wetenschap prefereert een verdeling in typen aan de hand van lichamelijke kentekenen en komt dan tot termen als: Sanguinische, flegmatische typen enz. Vele andere indelingen bestaan en worden ook binnen de wetenschap van heden nog gebruikt. In de praktijk komt dit alles hierop neer: De indelingen zijn aardig om bepaalde overheersende eigenschappen van lichaam of karakter te schetsen. Waar men te maken heeft met exceptionele typen, blijkt de indeling echter vaak niet juist, terwijl zelfs waar zij in de grote massa wel gehanteerd kunnen worden, maar al te vaak grote verschillen tussen de uiterlijke kentekenen en de feitelijke inhoud van persoonlijkheden kenbaar worden. Er zijn bv. dikke mensen, waarvan men aan zou nemen, dat zij traag en goedmoedig zouden zijn, maar die, wanneer het er op aankomt, je reinste bullebakken blijken, terwijl lange slanke typen, die schijnen te druipen van een haast Engelse flegmatiek, bij nader inzien toch wel zeer hysterisch blijken te zijn.

Welke normen zijn er hier als punt van uitgang? In de eerste plaats zou ik willen stellen: De wijze van geboorte plus erfelijke eigenschappen bepalen voor een zeer groot deel het lichaam en zijn eigenschappen, het uiterlijk inbegrepen. Erfelijke trekken zijn voor bv. de bouw van schedel en beenderstelsel, de vorm van het aangezicht, geheel aansprakelijk. Op grond hiervan kunnen wij geen enkele ware en juiste analyse maken van het karakter en innerlijke waarden of bereikingen van de mens. In de tweede plaats kunnen wij stellen, dat een groot deel van het z.g. menselijke karakter en de overheersende eigenschappen, die tot uiting komen, bepaald zal worden door het evenwicht van de interne secreties. Daar de aard van dit evenwicht niet aan uiterlijke tekenen is af te lezen, evenmin als de labiliteit (gebrek aan evenwicht) daarvan, en de variaties, die in dit evenwicht zelfs regelmatig voor kunnen komen, is het niet mogelijk, het karakter geheel te kennen aan algemene uiterlijke tekenen, en zonder verdere kennis met een bepaalde innerlijke gesteldheid te vereenzelvigen.

Voorbeelden hiervan zijn er te over te geven. In de oude gelaatskunde wordt bv. gesteld dat een mens met dikke lippen – tuitlippen – die voortdurend enigszins openstaan, hooghartig, zinnelijk en dom zal zijn. Wanneer u iemand ziet, die toevallig naar adem staat te hijgen, omdat hij de laatste tram gemist heeft, terwijl zijn lippen door de een of andere oorzaak wat gezwollen zijn, zou men zo iemand dus voor dom enz. moeten houden; hij hoeft dit in wezen niet te zijn. Zelfs, wanneer een dergelijk beeld blijvend wordt getoond, kan hiervoor een organische oorzaak bestaan. Dergelijke tekenen zijn dus, zelfs als slechts in het algemeen geldende regel, niet verantwoord te hanteren. Conclusie: Door het beschouwen van uiterlijk, lichaamsvorm en details van de bouw van een mens is zonder meer niets omtrent diens karakter en innerlijk af te lezen.

In de tweede plaats stel ik: Wanneer een mens leeft, zal hij door dit leven bepaalde eisen aan zijn lichaam gaan stellen. De wijze waarop hij leeft – gezond of ongezond bv. – zal aan het uiterlijk wel af te lezen zijn. Maar ook hier kunnen de uiterlijkheden door andere invloeden ontstaan zijn, of kan de leefwijze zijn opgelegd door oorzaken, die wij niet kunnen overzien.

Dientengevolge kan volgens mij geen vaststaand oordeel over innerlijk, karakter of zelfs maar de werkelijke leefwijze van een mens alleen op grond van deze aanwijzingen worden getrokken.

Anders wordt het, wanneer wij ons bezig gaan houden met de zeer kleine en in het geheel schijnbaar onbelangrijke afwijkingen. Hier gaat het dus niet om inwerkingen, waardoor de gehele lichaams- of gelaatsstructuur wordt beïnvloed of aangetast, maar om kleine, op het eerste gezicht vaak niet eens merkbare tekenen. Wanneer u weet, dat er doctoren zijn, die de iris van het oog bezien, om in de vlekken daarvan afwijkingen en zo ziekten te constateren – vroeger een methode, die vooral door waterkijkers e.d. werd gebruikt, maar tegenwoordig zijn er ook medici, die deze vorm van diagnostiek gebruiken – moeten wij, zelfs wanneer wij de juistheid van deze vorm van diagnostiek onjuist achten vanuit een wetenschappelijk standpunt, toch toegeven dat er kleine en haast onmerkbare tekenen kunnen zijn, die interne moeilijkheden van het lichaam en zelfs van de psyche aanduiden.

Wanneer iemand geestelijke moeilijkheden heeft, blijkt dit namelijk ook zo tot uiting te komen; het uiterlijk blijft vaak geheel gelijk, maar de spanningen, die in zijn wezen optreden, zullen het lichaam, de habitus en vorm daarvan, enigszins wijzigen. Innerlijke spanningen blijken bv. vaak tot uiting te komen in de gelaatsspieren. Wij zeggen dan, dat de ogen een wat starre blik hebben. In feite is er sprake van een kleine 32 spiertjes, die dan ongewoon rigide zijn en zo veel minder uitdrukking en beweeglijkheid aan het gelaat geven, dan normaal is. Het resultaat is bij een langere duur vaak het vormen van zekere plooien en rimpels. Wanneer iemand rimpels heeft, zal het niet ooit zonder meer mogelijk zijn, de redenen van hun ontstaan te kennen. Kraaienpoten bv. zal eenieder op den duur wel krijgen. Maar wanneer in het voorhoofd rimpels op een bepaalde wijze voorkomen, zal dit vaak betekenen, dat de trekking van de huid over de schedel gedurende langere tijd op een en de zelfde wijze heeft plaats gevonden. Daar automatismen hier een grote rol plegen te spelen zijn conclusies hier niet onmogelijk. Ofschoon oude vaak geciteerde stellingen als: Hoog ingeplant haar betekent intellect, laag ingeplant haar betekent zinnelijkheid e.d., onwaar zijn, kan men toch wel zeggen dat verticale plooien boven de neuswortel, gepaard gaande met een of twee horizontale plooien over het gehele voorhoofd duiden een bepaalde denkgewoonte aan. Want dit is haast altijd juist.

Een van de meest verbreidde vormen van aflezen van innerlijk en lot via een deel van het lichaam is wel de chiromantie. Nu kan ik natuurlijk stellen, dat in de lijnen van de hand het lot van de mens geschreven staat. Maar dat is maar zeer ten dele waar. Vandaar, dat er zovele verschillende wijzen van duiding bestaan. Om u even te informeren: Sedert 1600 n.Chr. zijn meer dan 70 systemen van duiden gepubliceerd. En zijn onder als deze systemen er nog geen 20 te vinden, die het op alle punten met elkander eens zijn, geheel eens zijn de stellers van die systemen het nooit. Kennelijk was dus geen van deze systemen zodanig feilloos, dat het voortdurend en voor eenieder bruikbaar was. Toch worden in alle systemen verhalen van vaak zeer wonderlijke en juiste duidingen gegeven. Volgens mij zijn deze eerder het product van inspiratie dan van een geheel en volgens alle regels volgen van de “wetenschap” der chiromantie.

Toch verandert de hand gedurende het leven zijn lijnen vaak wel. De wijze, waarop men de hand gebruikt en de manier van leven geven in de lijnen van die hand wel bepaalde indicaties weer. Men zal daarom nog niet precies kunnen zeggen, hoe de levenslijn onderbroken zal worden en wanneer – dit is dwaasheid – maar men kan dus wel zien, dat bepaalde lijnen sterk zijn en dus in het leven van de mens belangrijke invloeden vormen, terwijl andere lijnen zwak zijn en bij een zich op het lot of innerlijk van die mens concentreren wel verwaarloosd kunnen worden. Deze werkwijze geeft dus geen werkelijk inzicht, maar helpt de waarnemers wel een juistere selectie te maken.

Voor u zal de nu oprijzende vraag wel luiden: Hoe kan ik dan iemand bekijken en weten wat ik aan hem heb?

Nu zijn er wel een paar algemene, maar toch belangrijke indicaties aan te geven, die ook voor u direct bruikbaar zijn, wanneer u uw houding tegenover anderen daardoor wilt gaan bepalen.

Wanneer u te maken hebt met iemand die – om een studentikoze term te gebruiken – er uitziet als een vrome sodomieter, mag worden aangenomen, dat hier een kunstmatig uiterlijk aan de wereld wordt getoond. Het uiterlijk en zelfs het uiterlijk getoonde gedrag van deze persoon zal dus nooit de innerlijke lading dekken. Zowel de gedachteprocessen van deze mens als zijn innerlijk en geestelijke gesteldheid zullen dus anders zijn dan uiterlijk wordt getoond, voorzichtigheid en wantrouwen zijn hier dus op hun plaats. Onderzoek alle gegevens, die zo iemand u verstrekt, tot u de werkelijke persoon achter het uiterlijk hebt leren kennen.

Hebben wij te maken met iemand, die veel bravoure toont, zo echt van “toffe jongens”, zoals vele humoristen op verjaarspartijen en zo, zullen wij achter die luidruchtigheid vaak iets geheel anders aantreffen. Hier dienen wij niet op het gedrag zelf, maar op de haast onbewust en vooral vaak tijdens rust tot uiting komende expressie van gelaat en handen moeten letten. Indien hierbij een buitengewone zelfvoldaanheid tot uiting komt, kan worden aangenomen, dat deze berust op een innerlijk gekend maar verdrongen gevoel van onvolwaardigheid, zo iemand zal dus maar zelden van betekenis zijn, wanneer het er werkelijk op aan komt. Vaak heeft zo iemand innerlijk grote moeite zichzelf en zijn ogenblikkelijke positie in het leven te aanvaarden.

Ook geestelijke moeilijkheden zijn achter een dergelijk uiterlijk vaak verborgen, evenals bestrevingen, waaraan men de wereld als geheel geen deel wil laten hebben of kennis van wil geven. Soms blijkt achter de luidruchtigheid een zenuwachtigheid en rusteloosheid te bestaan, die bv. stilte niet kan verdragen. In dit geval mogen wij aannemen, dat de persoon in kwestie in wezen de wereld haat en alles zal doen, om zich te doen gelden, hoe dan ook.

Een volgend type kan het best omschreven worden met de titel van een van de betere werken van Emile Zola: Les Misérables. Dit zijn mensen, bij wie het lijden en leed voortdurend van het gelaat druipt, mensen, die voortdurend zich een aanschijn geven van een geduldig of zelfs blijmoedig gedragen lijden, maar wier werkelijke uiting er een van voortdurend verwelkende neerslachtigheid is. Wanneer u dergelijke mensen ontmoet, zult u wel heel voorzichtig moeten zijn. Kijk vooral goed, of er niet ergens een incongruentie is, waarbij besluitvaardigheid en vaak zelfs enige opdringerigheid door het masker van geduldig gedragen leed heen kenbaar worden.

In vele gevallen hebben wij hier te maken met mensen die eveneens in het leven een rol spelen. Zij hebben het gevoel dat de wereld hen niet geeft, wat hen in wezen toekomt. Hun ellende, zelfs indien deze op lichamelijke werkelijkheid berust, is niet veel meer dan een zonder enig geweten toegepast middel om de wereld af te persen wat zij van het leven verlangen.

Ofschoon deze dingen onmiddellijk bruikbaar zijn, en een rekening houden hiermede u kan behoeden voor menige teleurstelling en schade, zijn zij natuurlijk slechts zeer algemeen gesteld en zijn vele uitzonderingen hierop mogelijk. Hoe zal men echter kunnen weten, of iemand innerlijk “verlicht” is? Ook hier zijn uiterlijkheden natuurlijk niet alles bepalend, maar voor algemeen gebruik kunnen wij toch wel enige regels aanhouden.

Wanneer iemand hoog geestelijk bewust is, zal hij alles, wat hem stoffelijk gebeurt, gelijkmatig verwerken; hij heeft een innerlijk houvast, innerlijke kracht. Hij drukt dientengevolge in het leven haast steeds enige sereniteit uit – geen gelatenheid, want deze is vaak eerder een teken van hulpeloze neerslachtigheid, waardoor men alles dan maar “over zich laat komen” -. Kentekenend zijn het gevoel van bekwaamheid, eenvoud en “de tijd hebben”. Het lijkt vaak, of zo iemand meent de eeuwigheid voor zich te hebben en dit in zijn wat langzame – maar nimmer ondoelmatige – bewegingen en zelfs door een zekere slordigheid, tot uiting brengt. Van zo iemand kan men dus wel aannemen, dat hij een grote en vaak hoge innerlijke achtergrond heeft.

Stel nu, dat in dit innerlijk een erkenning voor de broederschap der mensheid, mensenliefde dus, is ontstaan. U meent misschien, dat zo iemand er dan niet slechts sereen, maar ook goedmoedig uit zal zien. Neen. Niets minder dan dit: goedmoedigheid is nu eenmaal vaak eerder het masker van de duivel dan van een engel. Er is dan wel sprake van een kenbare en zeer bewuste deelname aan het leven; de ogen zijn levendig, beweeglijk. Ook de gelaatsspieren reageren vaak opvallend levendig. Van haast is hier ook zelden sprake, van planning en doelmatig handelen volgens het denken der mensen echter in vele gevallen wel, omdat hier rekening wordt gehouden met vele mensen en hun eigen opvattingen. Ofschoon korte vlagen van woede vaak voorkomen en dan zeer heftig kunnen zijn, is er sprake van een overwegende vriendelijkheid, welke zich van een oordelen onthoudt.

Een bijzonder gemakkelijke maatstaf is hier ook de hand en de bewegingen daarvan. Wanneer iemand met languissante gebaren zijn betoog onderstreept, kan dit nog steeds “mache” (gemaakt, gekunsteld) zijn. Is de hand echter normaal rustig, maar doet zij a.h.w. het gesprokene door gebaren herleven, dan kan men aannemen, dat degene die zo gebaart, een zeker geestelijk peil niet ontbeert. Al meent men vaak, dat gebaren niet zo veelzeggend zijn, zo zal in vele gevallen het harmonische gebaar een soort mantra vormen. Wanneer ik een gebaar maak, kan ik daarmede kracht uitdrukken. Iemand, die een hoger geestelijk bewustzijn heeft, maakt niet slechts bewuste gebaren met de handen – al is dit voor ons vaak de eenvoudigste maatstaf – maar zijn gehele lichamelijke bewegen wordt voortdurend tot een soort mantra.

Hoe bewuster de geest is, hoe sterker zij haar eigen peil en bewustzijn in het bewegen van het lichaam mede tot uitdrukking zal brengen. Daarmede ontstaat gratie en harmonie in de beweging, die vaak een zekere lichtheid wordt, welke met de gestalte strijdig lijkt, maar niets geheimzinnigs heeft. Er zijn mensen met een gestalte als een rinoceros, die zich voortdurend schijnen te vermaken over de vreemde facies van de andere dieren en zich gelijktijdig toch met lichtvoetigheid bewegen en een natuurlijke gratie blijven bewaren in hun bewegen. Van dergelijke personen kunnen wij voorlopig wel aannemen, dat er diepe innerlijke achtergronden bestaan en dat er zeer waarschijnlijk ook sprake zal zijn van een zeer groot innerlijk gevoel van verbonden zijn met het zijnde.

Indien wij te maken hebben met een mens, die innerlijk contact heeft met hogere krachten, maar dezen niet in zich geheel kan verwerken, bv. een profeet, dan zien wij felheid, een soort vertrokken geladenheid optreden. Wanneer ik wil profeteren, maar de ontvangen waarden innerlijk niet kan verwerken, zal ik een gezag aan mij moeten trekken, dat ik innerlijk voel niet te bezitten, zal ik een hoger gezag uit moeten beelden, dat niet waarlijk mijn wezen is, zodat ik werk met onzekerheden, die ik in de wereld echter als grote zekerheid – vaak tegen eigen aard en weten in – uit moet drukken.

Daarom is het gezicht van de ware profeet altijd weer enigszins streng, wat vertrokken, de ogen zijn fel en vaak zelfs stekend in hun blik. Wij zien de ogen meestal diep in de kassen liggen. Elk gebaar is dreigend en geladen. Gelijktijdig treffen wij vaak bij alle uitspraken iets van een onderdrukte woede, alsof de profeet zichzelf verzet tegen zijn profetie.

Wanneer u te maken hebt met waarzeggers en helderzienden, kunt u dit vaak als maatstaf gebruiken: In hoeverre is er sprake van felheid en verzet, vaak zelfs een schijn van haat, tegen al wat naar voren wordt gebracht? Want indien dit het geval is hebben wij inderdaad te maken met iemand, die boodschappen ontvangt en doorgeeft, maar zich daarbij zelf onzeker gevoelt, omdat hij de redenen van de mededelingen enz. niet kan nagaan. Daartegenover wil ik de mensen stellen, die zelf een zekere vorm van precognitie bezitten. Hier erkent het innerlijk van de mens a.h.w. het tijdloze en zijn bewustzijn leest delen van het bestaan uit dit tijdloze meer bewust af.

Voor deze mens is de tijd en alles wat in die tijd gebeurt onbelangrijk. Zo iemand speelt er eigenlijk wat mee. Wanneer zo iemand u iets over de toekomst gaat vertellen, gaat dit meestal schertsender wijze, het is alsof hij een grapje maakt. Soms is de aanleiding om uit het geheel van de tijd iets over een bepaalde persoonlijke toekomst te distilleren ernstig genoeg. De voorspeller past zich daar uiterlijk wel bij aan, maar zelfs dan blijft het geheel speels; het is haast, of het niet geheel gemeend wordt. Zelfs bij het vaststellen van toch ernstige ontwikkelingen en feiten zien wij de voorspeller zelden werkelijk serieus optreden; hij beseft nu eenmaal te veel van het wezen van de tijd, om zelfs dit geheel ernstig te nemen.

Hier zijn dus enkele kenmerken, die u in de praktijk wel kunt gebruiken. Maar daarbij spelen lichamelijke kentekenen dus slechts een zeer beperkte rol. Hoe komt het dan, dat wij toch zo vaak aan de lichamelijke eigenschappen van mensen iets omtrent hun innerlijk menen af te lezen, terwijl een aflezen aan het lichaam van innerlijke waarden – zoals ik geprobeerd heb u duidelijk te maken – niet zo gemakkelijk is en een werkelijk duidelijke indicatie van de innerlijke toestand in het lichaam maar zelden voorkomt?

In de eerste plaats volgt dit uit de innerlijke vibratie van de mens en zijn gedachten. Natuurlijk is dat maar een zeer geringe en tot nu toe onmeetbare kracht. Maar neem nu de zwaartekracht eens. Dit lijkt u misschien een enorme kracht. Maar als wij voor het gehele zonnestelsel de zwaartekracht in energie en vermogen zouden berekenen komen wij ongeveer aan een gemiddeld en voortdurend vermogen van nog geen 35 Pk, uitgedrukt in een trage pulsatie – golfbeweging – die rond 63 minuten per cyclus neemt. Deze zeer belangrijke kracht is dus in feite zo zwak, dat zij niet werkelijk te meten en te ontdekken valt. Vandaar, dat de mensen nog geen raad weten met de zwaartekracht en hun kennis daaromtrent tot speculaties beperkt is gebleven.

Ook de mens genereert, zij het met een veel hogere frequentie, een op zich zeer zwakke energie en zendt deze uit. Door uw lichaam en hersenen wordt deze energie opgevangen en worden, zij het meestal onbewust, de daarin voorkomende varianten geduid. Men ziet dus een medemens niet alleen, maar vangt in de meeste gevallen ook iets van zijn gedachten, zijn innerlijke werkingen op. Deze combinatie van uiterlijk en denkbeeld brengt u dan tot het constateren, dat iemand er eigenlijk toch maar gemeen uitziet e.d. ik schakel nu even de meer conventionele voorstelling uit.

Ik heb hier bv. te maken met een medium, dat voor een redelijk nette heer van middelbare leeftijd door kan gaan. Trek deze mens nu een zwart jack aan, hang een sigaret op zijn onderlip en druk hem in pet in de ogen. U loopt dan vooral in het duister maar liever een straatje om, want deze dingen zijn voor u de kentekenen van gangsterdom, jeugdmisdaad enz. Maar deze uiterlijkheden wil ik buiten beschouwing laten; zij zijn conventies, opinies, die met het ware wezen van de mens weinig of niet te doen hebben. Wanneer u iemand waarneemt, probeer dan in de eerste plaats eens niet te letten op de kleding, zelfs niet naar het gezicht. Stel een meningsvorming aan de hand van uiterlijkheden even uit en probeer allereerst eens een algemene indruk op te vangen. De indruk, die u zo krijgt zult u later wel verklaren aan de hand van het stoffelijk waargenomene, maar in wezen werkt u op een wijze, die men inspiratief kan noemen.

Hier geldt ongeveer hetzelfde, waarop ik u reeds bij het vernoemen van de chiromantie wees: in de lijnen van de hand is het werkelijke leven van de mens niet werkelijk en geheel vermeld.

Eerst wanneer men de eigen uitstraling en daarmede het wezen van die mens, de karakteristiek van de aura en gedachteleven waarneemt, zal men aan de hand van de lijnen een redelijke verklaring kunnen geven over alles wat er gebeurd is en waarschijnlijk nog gebeuren zal in dat leven; doch zeggen de lijnen zelf dit niet. Zij geven misschien bepaalde tendensen en mogelijkheden weer, terwijl zekere delen van het verleden er in vastgelegd kunnen zijn, maar werkelijk algeheel leesbare zekerheden zijn er toch niet in te vinden. De lijnen geven u echter een concentratiemogelijkheid, waardoor de onbewust of bewust erkende waarden van het innerlijk, de karakteristieke eigen uitstraling van de mens, gecombineerd met de waargenomen lijnen, iets gaan zeggen, dat verdacht dicht bij de werkelijkheid komt te liggen.

U zult nu menen, dat wanneer iemand werkelijk slecht is, dit toch wel naar buiten toe zal moeten blijken. Ja en neen. U moet goed begrijpen, dat iemand werkelijk volledig slecht kan zijn, zo demonisch en zwart als een duivel, en er toch mooi, goed en netjes uit kan zien. Wat in het lichaam van de mens zichtbaar wordt, is niet zijn wezen, maar zijn zwakten. Wanneer je slecht bent, moet je eigenlijk net zo ascetisch leven als een heilige. Men zegt daarom wel eens, dat de beste dienaar van de duivel de asceet is, die slechts zichzelf zoekt. Daar nu, waar de werkelijke en normale regels van het leven verlaten worden en onmatigheden etc. optreden, zullen wij dissipatie en verval zien. Wanneer u iemand ontmoet, die een vervallen uiterlijk heeft, zult u geneigd zijn om te zeggen, dat die mens wel slecht zal leven. Maar zeker of zelfs waarschijnlijk is dat niet. U denkt, dat iemand wallen onder de ogen heeft van zijn financiële en andere bijdragen aan het nachtleven, terwijl hij in wezen steeds door galaanvallen wordt geplaagd. Met zekerheid kunnen wij echter stellen: daar, waar een innerlijke of geestelijke zwakte dan wel een groot hiaat in het mentale leven optreedt, zullen lichamelijke gebreken kenbaar worden. Het is dus niet zo, dat het lichamelijke gebrek à priori op een gebrek of fout van persoonlijkheid en geest wijst. Wel is het zo, dat een bepaalde mentaliteit bestaande gebreken aanmerkelijk zal vergroten, deze uiterlijk meer kenbaar doet worden en dat dus geestelijke en mentale zwakheden mede tot uiting plegen te komen in het uiterlijk.

Is ziekte dus een teken van innerlijk verval, van zondigheid enz., zoals men wel pleegt te stellen? Het antwoord luidt hier neen. Ziekte is een normaal stoffelijk verschijnsel en wordt door schuld of innerlijke onvolmaaktheden niet veroorzaakt. Wanneer deze laatsten echter bestaan en iemand heeft aanleg voor bepaalde kwalen of lijdt aan een ziekte in geringe mate, zal bij innerlijke gebreken de ziekte heviger, en bij het bestaan van innerlijke kracht en harmonie minder snel en hevig optreden. Wanneer iemand misvormd is door geboorte of ongeval, is dit geen bewijs van slechtheid of mentale dan wel geestelijke fouten. Maar wanneer de misvorming ernstiger gaat worden met de gang der tijden, kan men wel aannemen, dat er van binnen toch iets niet geheel in orde is. Zien wij daarentegen, dat de misvorming langzaam minder storend wordt en a.h.w. wat aan het uitgroeien is, dan kunnen wij wel zeggen, dat zo iemand innerlijk vaak veel beter en harmonischer is, dan vele normaal gevormden met kleine kwalen.

Ik begrijp heel goed, dat dit niet hetgeen is, wat u hoopte te horen. U zou willen horen, hoe wij de hersencapaciteiten aan de hand van knobbels op de schedel kunnen ontleden in de geest van: Die heeft een knobbel voor talen, deze heeft een knobbel voor mathematica en gene heeft niets, alleen maar knobbels. De frenologie heeft bewezen, dat wij aan de hand van schedelvorm en inhoud wel iets kunnen zeggen over de aard en de mogelijke vermogens van een mens. Maar aan de hand van deze uiterlijke kentekenen kun je niet zeggen of en hoe hij die mogelijkheden gebruikt. De grote fout, die steeds weer wordt gemaakt, is steeds weer, dat men de uiterlijke kentekenen als beslissend beschouwt voor de innerlijke toestand, en dit is nooit waar. Ten hoogste mag worden gesteld, dat bepaalde uiterlijk kentekenen innerlijke mogelijkheden kunnen weergeven – en niet moeten.

Waarmee voor sommigen onder u, die vooral zo graag hadden willen weten, hoe je de werkelijke aard en geestelijke status van een medemens met een enkele blik kunt leren kennen, het onderwerp faalt. De uiting van een mens wordt natuurlijk door zijn karakter geleid. Maar zelfs dit tot uiting komende karakter zegt weinig omtrent de innerlijke toestand van het menselijk wezen.

Bijvoorbeeld, iemand is lui. Dit kan veroorzaakt worden door zuiver lichamelijke werkingen en dus niets te maken hebben met de werkelijke aard, de gedachten, of geestelijke bereikingen van de luiaard. Interne secreties en erfelijke waarden kunnen hier eenvoudig de lichamelijke mogelijkheden beperken op een wijze, die u als luiheid interpreteert. Wanneer iemand verschrikkelijke driftbuien heeft, kan dit een kwestie zijn van het innerlijk, dat geef ik graag toe. Maar de drift, die mede vaak in de vorm en gestalte van de mens als dreiging kenbaar is, kan evenzeer een kwestie zijn van een afwijking in het lichaam, bv. een abnormaal sterke schildklierafscheiding. Want hierdoor ontstaat niet alleen een verhoogde omzetting in het lichaam, maar ook een gespannenheid van het zenuwstelsel, die voert tot prikkelbaarheid en moeilijkheden met beheersing van eerste reacties.

Begrijp mij goed; wanneer ik spreek over de samenhang tussen het uiterlijk en het innerlijk van de mens, zal ik dit nooit in zekere en beslissende termen kunnen doen. Ik kan zeggen, dat de mogelijkheid bestaat, dat het uiterlijk het innerlijk dekt. Maar de mogelijkheid dat dit niet het geval is, is ten minste even groot.

Waar komt dit alles op neer? Ik meen het als volgt te mogen omschrijven: de mens heeft bepaalde gevoeligheden, die zuiver materieel zijn. Daarnaast bestaan innerlijke processen, die als uitstraling van gedachten e.d. tot uiting komen. De vaststelling van dit laatste is voor u vaak veel zuiverder en juister dan een ontleden van het uiterlijk aan de hand van redelijke processen, theorieën en waarnemingen. De gevoeligheid van de mens voor de uitstraling van anderen helpt hier de uiterlijke tekenen juist te interpreteren, maar zal nooit de mogelijkheid bieden om, zoals men wel schijnt te wensen, aan de hand van intuïtie en waarneming een volledige persoonlijkheidsanalyse te maken.

Men kan de gevoeligheid voor de uitstralingen van anderen zozeer opvoeren, dat men ook zonder die mensen te zien, hun wezen en karakter doorgrondt. In deze gevallen is het vaak mogelijk ook een redelijke gelijkenis, voor anderen herkenbaar van bv. het gelaat, te geven aan de hand van innerlijk ontstane waarden; blinden en ook z.g. helderzienden maken vaak van dergelijke mogelijkheden gebruik, wanneer zij tot beschrijving van personen komen. Dit is dus wel iets geheel anders dan men pleegt te leren: De waarneming voert niet vanuit het uiterlijk tot kennis van het innerlijk, maar met enige beperkingen zal een erkenning van het innerlijk vaak wel tot een mogelijkheid, een niet zintuiglijk erkend uiterlijk toch te kennen. De aan de hand van innerlijke ervaringen ontstane vorm zal in details niet altijd juist zijn, maar steeds een voor anderen kenbare weergave bevatten van het wezen, karakter en de algemene indruk, die een ander veroorzaakt.

Wel bestaan er in de wereld algemene normen voor uiterlijk als weergave van innerlijke waarden, maar dergelijke normen zijn niet te bepalen aan de hand van de vormen van neus, lippen of voorhoofd. Deze dingen zijn bijkomstig en vaak willekeurig tot stand gekomen, indien wij de geest als de maatstaf van de mens nemen. Het is hun onderlinge samenhang, hun harmonie, die beslissend is voor het innerlijk, dat zich via de vormen uit. Iemand, die toevallig lange wimpers heeft, is niet een wat lui en misleidend persoon, ook al staat dit in de oude handboeken. Zo min als iemand met borstelige wenkbrauwen altijd een nors en krijgshaftig iemand hoeft te zijn, ook al wordt dit in vele oudere standaardwerken op dit terrein onophoudelijk beweerd. Maar wanneer de wenkbrauwen, de wimpers, de vorm van de neus, ja, het gehele gezicht een zekere symmetrie, een bepaalde samenhang tonen, zodat daarin een uiterlijk toch wel kenbare verhouding is vastgelegd, kunnen wij zeggen: Hier spreekt de geest in het uiterlijk. Het is niet de reeks der delen afzonderlijk, waaraan wij iets omtrent innerlijk en mogelijkheden iets af kunnen lezen, maar de onderlinge samenhang en zo de algemene indruk, die voor de inhoud van de vorm bepalend pleegt te zijn.

De geest vormt het lichaam niet. Dit geschiedt door de materie, zodat het onderhevig is aan de wetten der materie en de onvolledigheden van het materiële bestaan ervaren kunnen worden, zonder dat de geest daarbij werkelijk door haar aard en peil betrokken is. De wijze, waarop dit alles geschiedt, de wijze, waarop de eenheid van persoonlijkheid en wezen – de eigenschappen van het werkelijk ik dus – binnen het menselijk geheel tot uiting komt, vormt wel een samenhang en deze samenhang is afleesbaar.

Een totaalindruk kan daarom vaak van veel meer belang zijn dan een ontleding in details. U kunt iemand bv. ontleden aan de hand van de vingers (steekt hand op). De vingers hier bv. zijn lang, maar niet geheel afgerond, volgens de oude boeken zou dit betekenen: deze mens is redelijk zakelijk van aanleg, heeft artistieke belangstelling. Gezien de verhouding vingers tot handpalm bestaat er mogelijk een neiging tot het extroverte, dit en meer kan men aflezen. Maar zo deze mogelijkheden al bestaan, blijft de vraag, hoe zij tot uiting komen en hoe zij zijn samengevoegd. Ik kan bv. de oren nemen en zeggen: Zij zijn niet geheel perfect. Gelukkig zijn zij niet naar boven toe spits, want dan zou het duivelse daarin tot uiting komen. Jammer genoeg is de lel niet vastgegroeid, want dit zou een van de perfecte schoonheden zijn, een uiting van een volmaakte ontvankelijkheid.

Dit alles is oud, oude leer. Maar zelfs daarin zal de meer ingewijde steeds weer erkennen, dat het niet de waarde van de uiterlijke tekenen alleen is, maar vooral hun samenhang, die voor een juiste duiding van hun betekenis bepalend zal zijn. Wanneer Simeon in de tempel staat en het kind Jezus onderzoekt kijkt hij naar deze uiterlijke tekenen, waarvan de betekenis door vele eeuwen is overgeleverd. Want deze kennis is ouder dan de Chaldeeën. Vóór Abraham Ur verliet, was deze kennis reeds bij de priesters aanwezig. Simeon kijkt naar de oorlellen, naar de handen, naar de verhoudingen en vorm van het schedeltje, de stand van de ogen en spreekt: “Waarlijk, nu laat uw dienaar in vrede heengaan, want mijn ogen hebben het heil aanschouwd.” Mooi, maar als Simeon werkelijk een wijze was, heeft hij niet naar al die tekenen afzonderlijk gekeken. Hij wist dan, dat deze tekenen alleen zin hadden, omdat zij gezamenlijk een vaste inhoud meer dan een vaste vorm uitdrukten.

Ik vergelijk: Men kan 10 lijnen zetten, elk met een eigen karakteristiek. Zij betekenen niets. Wanneer ik die lijnen echter op een bepaalde wijze samenvoeg, worden daardoor letters gevormd en drukken zij een denkbeeld uit. Zo moet men de mens ook “lezen”. De mens is een letter, een letter, die gevormd wordt uit vele details, die het geheel van zijn lichaam vormen; daarnaast kunnen er niet verbonden lijnen voortkomen, die niets te zeggen hebben. De letters, die tot uiting komen, en niet de lijnen op zich, vormen de weergave van het innerlijk leven. Het is namelijk niet op alle details, dat de geest haar invloed doet gelden. Het is vooral de samenhang, waarin de innerlijke werkelijkheid altijd weer sterk tot uiting komt. Al het andere is daarom als bijzaak te beschouwen.

Bedenk dus, dat je aan het uiterlijk niet alles kunt aflezen. Wanneer u bv. de apostelen gezien zou hebben, zou u bv. Johannes gezien hebben, verfijnd, subtiel op een wijze, die een Hagenaar er toe zou brengen hem met een “hó, zus” aan te spreken. Want hij zag er wat verwijfd uit, helemaal niet het type van de lieveling leerling van Jezus, de grote mysticus, door het ontbreken van de sterk mannelijke indruk, die men van een dergelijke leerling toch wenst. De reden van dit uiterlijk is wel de wijze, waarop de levende Johannes tot een perfecte mantra was geworden, die de innerlijke verbondenheid met het goddelijke weergaf. Hierdoor was hij in uiterlijk een hermafrodiet – niet seksueel, maar uiterlijk – voor zijn aanvaarding van het geheel van het goddelijke en de schepping had hij iets, dat gelijktijdig zowel de man als de vrouw vreemd was en toch ergens met de aan hen toegeschreven uiterlijkheden verwant was.

Als tegenstelling kunnen wij Judas Iskariot nemen, de verrader, die de koorden van Jezus beurs hield. Om te zien was hij heel wat meer het beeld van de leerling dan Johannes: Een slanke jongeling, donker, fel, krijgshaftig, statig, edel van uiterlijk. Wie hem zag, kreeg onmiddellijk de indruk: Hier staat werkelijk een edel mens. De gebogen neus, de felle lippen, de geladenheid maakten hem tot het evenbeeld van de geboren profeet. Maar bezie hem nog eens, nu met meer aandacht voor het geheel en vooral de kleine tegenstrijdigheden daarin. De ogen liegen, zij staan niet juist. Het gelaat zegt niet, wat de mond zegt. Kijk eens naar de vreemde, knoopachtige spierzetting van de hals. Ook dit past niet bij het geheel. Let eens op de onzekerheid in het bewegen van de handen, het te spits klauwen van de vingers, wanneer zij iets pakken. Dan begrijpt u, dat de eerste indruk op grond van uiterlijkheden niet juist was, er is geen voldoende harmonie. De symmetrie, die in grote lijnen zo mooi tot uiting komt, is in de details verstoord. Kennelijk is deze Iskariot niet de held, die hij schijnt te zijn. In wezen is hij een onzeker mens, die innerlijk tegen zichzelf verdeeld is. Dat blijkt zelfs reeds uit het uiterlijk.

En bezie Petrus nu eens: groot, gebaard, grof gelaat, verwarde haren en biceps, die eerder bij een zwaardvechter behoren dan bij een leerling van Jezus, de prediker van liefde en vrede. Zo op het eerste gezicht niet iemand, die u graag in een donkere straat tegen zou komen. Maar kijk nu nog eens: De ogen zijn trouwhartig en doen wat denken aan een hond. De mond, ofschoon ferm, is toch ook wat vol. Ondanks de uiterlijke felheid, die soms zelfs somber aandoet, spreekt het geheel van een goedhartigheid, waarbij de niet erg fraaie, maar wat gewrongen en gebogen zetting van de schouders geheel past. Deze Petrus is een mens, die van alle dingen zeker is, behalve van zichzelf, iemand die door trouw aan hetgeen hij erkent als hoger dan het ik, wel degelijk fouten zal maken en een zekere sluwheid niet zal ontberen, maar uiteindelijk toch harmonisch is, omdat hij ergens zijn God gevonden heeft. Bij nader beschouwen spreekt de eindindruk dan ook eerder van zekere rust, dan van besluitvaardigheid en strijdlust.

Ik zou verder kunnen gaan en alle apostelen ontleden. Maar elk van hen is een mens. Er is nooit een vreemder verzameling van mensen geweest, dan er met Jezus door het land heeft getrokken.

Elk van hen deed denken aan iets anders, voor een buitenstaander is het een wat eigenaardige gemeenschap, een soort bende, die echter een volgend ogenblik door een innerlijke werking het aanschijn kan vertonen van een stoet van edelen. Wanneer men de leden van deze groep echter elk afzonderlijk beziet, ontdekt men eenlingen, bij wie het innerlijk uitschijnt door de mantel van uiterlijkheden. En juist dit is iets, wat ik u in deze tijd graag duidelijk zou willen maken. Waar er sprake is van innerlijke waarden, zal dit innerlijk door alle uiterlijke kentekenen heendringen.

Een mens kan knap zijn en symmetrisch van vorm, schoon in de klassieke zin van het woord, en toch bij nader beschouwen kleine incongruenties vertonen, waardoor je uiteindelijk zegt: het is net alsof uit dit lichaam het een slang is, die mij aanziet. Er is in dit alles iets giftigs, iets gemeens en toch kan ik dit uiterlijk niet vastleggen. Het uiterlijk van de mens is zijn gewaad. Dit gewaad is het. De drager van dit gewaad kan daaraan een noblesse geven, die het op zich niet bezit, maar kan ook het beste gewaad tot een kreukelig minderwaardig geheel vormen.

Sommige mensen kunnen naar de duurste kleermakers of couturiers stappen en zien er in hun kostbaar gewaad toch uit, zo zij zojuist uit een voddenbaal ontsnapt zijn. Anderen kopen het goedkoopste confectiepakje of een jurkje van fl. 8.75 – als die tenminste nog bestaan – en zien er uit, of zij zo uit een modeblad zijn gestapt. Dat ligt aan de manier, waarop de mens zich beweegt, past bij zijn gewaad, en daarmede een geheel vormt.

De geest, het innerlijk van de mens, is voor de mentaliteit van de mens grotendeels bepalend.

De problemen, die die mentaliteit zal erkennen en zal trachten op te lossen, komen voort uit de wereld; de wijze, waarop die problemen binnen het ik verwerkt worden, opgelost en tot evenwichtigheid gebracht, is een zaak van de geest. Zo zien wij, en door de mentaliteit, en door het uiterlijk, voortdurend het Licht van de Geest stralen. Het is de geest, die bepaalt, wat de waarde is.

Uiterlijke kentekenen daarvan vinden wij te over, maar zij zijn alleen in verband met het geheel te interpreteren. Wanneer wij bv. een foto van Stalin bezien uit zijn glorietijd, zo zien wij in de schijn van goedmoedigheid ergens een discrepantie. De snor verbergt het enigszins, maar de lip is wat opgetrokken en doet soms wat denken aan de hyena. De ogen staan ondanks het goedmoedig uiterlijk, juist wat te fel, wat te hard. Deze man huichelt. Hij is anders, dan hij zich voordoet. Kijk nu nog eens naar de kin en de oren. Het is duidelijk: deze man is zelfzuchtig, hard. Deze man werkt en denkt niet voor en aan mensen, hij heeft zichzelf aan een idee verknoopt, waarin hij zichzelf ziet. Hier is sprake van een fanaticus, die zichzelf maakt tot de enige representant van God of het goede in de wereld.

Neem een tweede, u eveneens bekend gezicht, dat van Adolf Hitler. De eerste indruk is er een van geladenheid, kracht en goedmoedigheid. Maar let nu even op de kleinigheden. Hoe eigenaardig is het haar over het voorhoofd getrokken, het verhult de werkelijke vorm van het voorhoofd. De wenkbrauwen staan iets uit het lood. De ogen zijn wat geknepen. Het ziet er wel aardig uit. Maar wij behoeven niet eens te zien naar het borstelsnorretje, dat accent geeft aan de lippen en een onevenredige nadruk legt op de neus, om tot de conclusie te komen, dat er te veel strijdigheden zijn in dit uiterlijk. Hier hebben wij kennelijk te maken met iemand, die niet zeker is van zichzelf. Deze onzekerheid is het meest typische, dat bij een analyse van Hitlers uiterlijk naar voren komt. Zie nu nog even naar de zetting van de kaak, de oren en houdt rekening met die eigenaardige lippen, die doen denken aan iemand, die zinnelijk dikke lippen heeft, maar deze strak samen knijpt in bv. een toestand van woede. Er zijn de duidelijke kentekenen van een schizoïde persoonlijkheid, een mens die tegen zichzelf verdeeld is en met zich, zowel als met zijn problemen geen werkelijk raad weet, maar krampachtig probeert dit te verhullen achter een schijn van grote zekerheid.

Ik neem nog een ander bekend voorbeeld in de hoop u met deze voorbeelden in staat te stellen ook zelf eens dergelijke studies en vergelijkingen te maken. John Kennedy. Het gelaat doet op het eerste gezicht jongensachtig aan. Maar het voorhoofd geeft aan, dat er sprake is van besluitvaardigheid, goed denkvermogen, wat door de lijn van de kaak nog versterkt wordt tot een vaak bijna redeloos doorzettingsvermogen. De wijze, waarop de ogen staan, doet op het eerste gezicht denken aan goedmoedigheid en vriendelijkheid. Wij mogen dan ook wel aannemen, dat iemand, die er zo uitziet en ergens in gelooft, daarvoor alles zal doen en zo harmonisch mogelijk zal streven. Er is echter ook iets, waarvoor ik het best een Duits woord kan gebruiken: Rücksichtsloos. Deze man kan veel ten goede of ten kwade betekenen, maar zal altijd de rechte weg willen kiezen, zich daarbij niet afvragende, wat daarbij vernietigd wordt, zelfs hijzelf of zijn geliefden, maar alleen maar uitgaat van het standpunt: dit is de kortste weg langs welke het erkende doel bereikt kan worden. Wij kunnen nu zeggen, dat hij een groot en goed mens was, dat zijn goedheid alles overstraalde. Maar ligt daar het werkelijke karakter van Kennedy? Hard, rechtlijnig en niet zonder zinnelijkheid, die echter beperkt wordt door gevoelens van verbondenheid met een geloof, een ideaal, een gestelde taak of doel.

Vergelijk nu de drie gezichten. Er is een overeenstemming van trekken tussen Kennedy en Stalin. De harmonie in het gezicht van Kennedy is kennelijk groter, maar van beiden zien wij iets, dat ik zou willen vertalen als een “ik regeer met mijn clan, ik dien mijn goed, god, doel of ideaal, want dit ben ik.” Vergelijk nu Kennedy met Hitler. Typisch, de kleine onregelmatigheden, die wij in beide gezichten zien geven zowel overeenkomsten aan als een aanduiding van de punten, waarop deze beide persoonlijkheden afwijken; beiden hadden gelijke mogelijkheden en zelfs een gelijk doorzettingsvermogen en gelijke moed, wanneer het er op aan kwam, maar de zekerheid of het zelfbewustzijn, de innerlijke zekerheid ontbreekt bij de een, terwijl de ander deze duidelijk bezit.

Je kunt op deze wijze alle mensen gaan ontleden. Alleen reeds aan het gezicht, de bouw, verhoudingen en vooral de kleine disharmonische factoren van het gelaat kun je de mens kennen, die daarachter schuil gaat. Het is vooral het al dan niet harmonisch samenvallen van de op zich onbelangrijke en kleine tekenen in het gelaat, dat ons een oordeel mogelijk maakt – vooral wanneer wij allereerst afgaan op de innerlijke waarde, het contact met de geest van de ander – en ons waarschuwt voor gevaren en mogelijkheden. Waar wij bv. onharmonisch geheel vinden met een opvallende – hoewel mogelijk zeer kleine afwijking – kunnen wij wel zeggen: Hier deugt iets niet. Juist die ene opvallende afwijking van het geheel zegt ons: Dit is ergens onbetrouwbaar, hier is een onzekerheid.

U zou waarschijnlijk graag weten, op welk terrein die afwijking van de norm, van het uiterlijk, in wezen plaats zal vinden. Maar juist dit is moeilijk te zeggen. Er zijn mensen, waarvan volgens het uiterlijk, de afwijkingen vooral in een tweepersoonsbed plaats zouden moeten vinden, terwijl de werkelijke afwijking ligt in een bijna sadistisch blijven achtervolgen van anderen wanneer zij schuld hebben of niet aanvaard worden. Begrippen als seksualiteit kunnen wij nu eenmaal niet uitdrukken in een daadpatroon, maar ten hoogste als een patroon van stimuli. Volgens de uiterlijke tekenen kan iemand een rechtvaardige zijn, iemand die steeds recht door zee gaat. Maar dat hoeft nog niet te betekenen, dat zo iemand nu ook een goed mens is. Want men kan deze rechtlijnigheid evenzeer ten kwade als ten goede gebruiken; men kan deze rechtvaardigheid zowel als innerlijke waarde hanteren als in de vorm van een letterknechterij, die tot onrecht voert achter de schijn van recht.

Wij kunnen ons dus geen werkelijk oordeel vormen over de uitingen. Wij kunnen met behulp van het uiterlijk alleen, de een mens beheersende stimuli vaststellen. Door middel van de innerlijke waarde kunnen wij de gerichtheid daarvan aanvoelen, maar kenbaar is deze uiterlijk niet. Het normale gedrag van een mens kan door gewoonte binnen een bepaald patroon vastgelegd zijn. Maar de werkelijke kracht van het ik, de werking van het ego en daarmede de tendens van de reacties van een persoon kunnen wij alleen voorzien en begrijpen, wanneer wij het innerlijk van de mens, zijn geestelijk achtergrond a.h.w. kunnen aanvoelen. De vrijheid van wil kan, van vandaag op morgen, geheel veranderen en zijn reactie op tijdelijke, zowel als eeuwige waarden geheel doen omslaan, zonder dat zijn uiterlijk deze wijziging onmiddellijk volgt.

Daarom is mijn eindconclusie en raad voor u: Wat uw relaties met anderen betreft, is het goed af te gaan op de impulsen, die u ontvangt, de wijze, waarop u het innerlijk leven en gedachteleven van de ander op het eerste ogenblik van ontmoeten aanvoelt. Neem dit steeds als punt van uitgang en ga nooit alleen op uiterlijkheden af.

Wanneer u in een mens, misschien krachtens verworven kennis, bepaalde eigenschappen of karaktertrekken vermoedt of erkent, mag u nimmer aannemen, dat dezen positief of negatief gericht zullen zijn. Een nadere bepaling van de wijze, waarop de mogelijkheden van een mens tot uiting zullen komen, zal alleen mogelijk zijn door een aanvoelen van diens innerlijke toestand. De gevoeligheid van iemand voor het innerlijk van anderen maakt het uiterlijk – van die anderen – tot een redelijke weergave van de mogelijkheden, die in deze anderen schuilen en het werkelijke wezen, dat achter de uiterlijkheden schuilgaat.

Het uiterlijk van de mens is dus nimmer een onfeilbare en zonder meer als juist te beschouwen aanwijzing voor de innerlijke waarden, die hij bezit en het innerlijke peil, dat hij bereikt heeft. Ik kan niet voldoende de nadruk leggen op dit laatste.

Ik wil mijn inleidend betoog afsluiten met de volgende vraag: bent u innerlijk eigenlijk niet blij, dat het zo is, dat niet alles, wat u innerlijk bent en denkt, voortdurend in uw uiterlijk voor eenieder, die de tekenen van buiten heeft geleerd, zichtbaar is? Neem dan ook niet aan, dat er een kennis of wetenschap zou bestaan, waardoor dit aflezen bij anderen mogelijk wordt. Zij bestaat niet. Alle leringen op dit terrein zijn slechts de middelen, om langs minder zintuigelijke weg ontvangen impulsen en gedane waarnemingen een stoffelijke vorm te verschaffen en een formulering eenvoudiger te maken. En indien u over alle noodzakelijke eigenschappen en kennis zou beschikken moet u zich bovendien nog realiseren, dat een zonder redenen gebruik maken van dit middel, om het werkelijke wezen van anderen te doorgronden, een soort voyeur spelen is, dat voor uw innerlijke en geestelijke bewustwording zowel als voor uw leven en werken op aarde alleen maar nadelige gevolgen kan hebben.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen

  • U zegt, dat het uiterlijk niet de weerspiegeling is van het innerlijk. Hoe zit dit dan bij z.g. mongooltjes? Aan hun uiterlijk kan men toch ook wel de innerlijke gesteldheid raden.

Eigenlijk hoef ik hierop al geen antwoord meer te geven, want ieder in de zaal roept “neen”. Ik zou dan ook het volgende op willen merken. Bij de z.g. mongooltjes kunnen wij een ziektebeeld erkennen in het uiterlijk, dat mede op de ontwikkeling en reactiemogelijkheid in de gehele hersenen invloed heeft. Overigens mag ik hierbij wel opmerken, dat er op het ogenblik een geneeswijze wordt ontwikkeld, waardoor het mogelijk zal zijn, vooral in de eerste maanden van het leven van een mongooltje en uiteindelijk waarschijnlijk tot het tweede levensjaar toe een genezing tot stand te brengen. Men heeft een methode gevonden om zowel de deformiteit en onregelmatige ontwikkeling, als ook de gevolgen voor levensduur en reactiemogelijkheid van de kwaal, aanmerkelijk te beperken. Waaruit dan wel blijkt, dat men een mongooltje door injecties en therapie toch niet opeens een ander innerlijk zal kunnen geven, zodat gesteld is, dat het uiterlijk hier niet de uitdrukking van het innerlijk zal kunnen zijn.

Ik zou haast het tegenovergestelde willen beweren en stellen: Het innerlijk van een mongooltje is voor de doorsnee mens in deze wereld niet benaderbaar, omdat deze mens niet over de middelen en mogelijkheden beschikt door te dringen in het wezen en denken van een geest, die zeer weinig met het normale menselijke leven gemeen heeft en, zo hij al iets opvangt, niet in staat zal zijn de juiste betekenis daarvan te erkennen. Het feitelijke isolement kan geen bepaling van geestelijke waarden inhouden, omdat het uiterlijk nimmer geheel het innerlijk weerspiegelt, terwijl het innerlijk in dit geval weinig of niet door de beperkingen van het uiterlijk heen kan dringen.

  • Is het niet zo, dat de ogen van de mens de spiegel van de ziel zijn, zodat wij zijn innerlijk hieraan onfeilbaar kunnen peilen?

Wanneer wij het oog bezien zonder zijn omgeving, dus de oogleden en omringende gelaatsspieren, heeft het absoluut geen uitdrukking. Het lezen in de ogen als de spiegel van de ziel, is dus in feite een illusie. De betekenis van het oog en al, wat wij als uitdrukking in het oog menen te lezen, wordt dus niet bepaald door de oogappel zelf, de reacties van de iris etc., maar door de vertrekking van de spieren rond het oog, die klein, maar betrekkelijk groot in aantal zijn. Hieruit alleen blijkt wel, dat een oog niet de werkelijke spiegel van de ziel kan zijn. Iets anders is het volgende: Omdat het aantal spiertjes rond de ogen groot is en de trekking daarvan door de meeste mensen weinig of geheel niet bewust beheerst kan worden, zal de omgeving van het oog vaak een juiste uitdrukking geven aan de innerlijke reactie, stemming, of verborgen gedachten van een mens, maar ook dan zullen wij die gedachten zeer goed moeten aanvoelen, om een juiste interpretatie te geven van de “uitdrukking in de ogen” van degene, die men gadeslaat.

  • Bent u niet van mening, dat de stem als zodanig zegt, wat de mens is?

U stelt het juist. Ik ben inderdaad niet van mening, dat de stem zegt, wat de mens werkelijk is. Met enige training en beheersing zal men de wijze, waarop de stem gebruikt wordt, kunnen beheersen en zo anderen het karakter voorspiegelen, dat anderen met een dergelijk geluid vereenzelvigen, zonder dat het innerlijk daarom enige verandering ondergaat. Ik kan natuurlijk nu met verschillende stemmen en verschillende stemvormingen gaan spreken. Dat zou acteren zijn en daarom door u als bewijs verworpen mogen worden, maar zo toch uw idee omtrent mij en de waarde van mijn woorden kunnen wijzigen. Niet omdat ik opeens innerlijk anders ben geworden, of de betekenis van mijn woorden een andere is geworden, maar omdat u eenvoudig niet let – en vaak niet eens letten kunt – op de enkele kentekenen van het ik, die ook in de stem verborgen kunnen zijn, maar u laat beïnvloeden door het timbre van de stem, de sonoriteit en de wijze, waarop dit geluid u bereikt.

Slechts indien de stem geheel onbeheerst gebruikt wordt, kan zij iets van het innerlijk verraden en dan niet door haar timbre, maar door het al of niet harmonisch zijn van de factoren in deze stem, waardoor bepaalde klanken dus uitzonderlijk schril kunnen worden enz.

  • Als u acteert, gebruikt u uw stem niet eerlijk, niet oprecht; maar iemand, die zijn stem op normale wijze gebruikt, drukt zijn wezen daarmede toch wel uit?

Er zijn vele mensen, die hun stem op voor hen normale wijze gebruiken en daarbij in wezen toch acteren. Denk bv. aan het Haagse accent, waarmee menigeen een standsbewustzijn weergeeft, iets wat een aanwensel genoemd kan worden. Deze wijze van spreken kan voor een mens normaal zijn en zal toch zijn innerlijk niet werkelijk weergeven. Het is en blijft een aanwensel, een vorm van naar gewoonte acteren. Misschien ziet u dit als een teken van gemaaktheid, maar dat is lang niet zeker. Iemand kan opgroeien in een milieu, waar een bepaalde uitspraak van woorden en een bepaalde stemvorming en stemgebruik nu eenmaal de aanvaarde wijze van spreken inhouden. Met het stemgebruik past de mens zich aan de werkelijke of vermeende eisen van zijn omgeving aan, zonder dat hij daarbij iets van zijn werkelijke persoonlijkheid of innerlijk wezen prijsgeeft of tot uiting brengt.

U ziet over het hoofd, dat het spraakgebruik en stemvorming grotendeels door bewuste of onbewuste imitatie bepaald worden. Ik gebruikte uit de aard der zaak de bewuste imitatie. De behoefte in het milieu op te gaan, zal in de meeste gevallen voeren tot een overnemen van de algemeen gangbare stemvorming en woordvorming. De stem is dus niet in de eerste plaats te zien als een uitdrukking van het innerlijk, maar als een uitdrukking van het gebruikelijke contact met de omgeving, verder gekleurd door eigen pogen, om de eenheid met de omgeving in spraak en spraakgebruik, evenals in stemvorming en toonvorming, tot uiting te brengen. Wel kunnen stembuigingen – ongeacht accent enz. – de eigen emotie tot uiting brengen en zo iets van het innerlijk verraden. In die gevallen wordt echter, volgen mij, niet het geheel van het ware ik prijsgegeven, maar zal de stem slechts iets verraden over de ogenblikkelijke innerlijke toestand.

Ik ben dan ook van mening, dat het werkelijke Ik in het geluid van de stem bij normaal spraakgebruik niet tot uiting zal kunnen komen, al is het alleen maar, omdat het werkelijke ik berust op waarden en harmonieën, die de stem eenvoudig niet weer kan geven, zelfs niet de in dit ware ik voorkomende hiaten en dissonanten.

  • Kunt u nog iets zeggen omtrent vervalsingen van het oordeel over anderen in het geval, dat een persoon sterk zichzelf in anderen projecteert, bv. als gevolg van egocentriciteit? Vertelt u ook nog iets over de ontwikkelingshoogte van de persoon, afleesbaar in zijn uiterlijk en zo aanduidende, welke punt van innerlijke beschaving, cultuur enz. bereikt werd.

Dit zijn twee grote opdrachten. De eerste vraag draagt zijn antwoord in zich: Hoe sterker mijn egocentrisch denken, hoe meer de wereld voor mij de weerkaatsing zal worden van mijn eigen dromen en wensen of angsten. Hoe minder men dus van de realiteit van die wereld bewust zal kunnen waarnemen. Dit ligt in de vraag reeds opgesloten. Waaruit volgt, dat egocentriciteit te allen tijde vervormend zal werken t.a.v. beoordeling en waarneming van de buitenwereld, zodat dit ook geldt wanneer men aan de hand van uiterlijkheden inzicht wil verkrijgen in het innerlijk van andere personen. Een absolute objectiviteit kan niet bereikt worden. Als maatstaf kan men daarom het best het in het ik bestaande gevoel van harmonie nemen en nagaan, in hoeverre een dergelijke harmonie – of een disharmonie – in de ander kenbaar wordt. Het oordeel zal juister worden, naarmate men in de ander niet zoekt naar harmonie met eigen innerlijk, maar slechts zoekt naar innerlijke harmonie in het wezen zonder meer. Want men kan heel goed met uw wezen en denken geheel harmonisch zijn en toch gelijktijdig innerlijk verdeeld en disharmonisch zijn.

Hiermede lijkt mij de eerste vraag voldoende beantwoord en ga ik tot het tweede punt over. Het uiterlijk als maatstaf voor innerlijke waarde kan niet gehanteerd worden, wanneer wij daarbij van de vorm uit willen gaan zonder meer. Voorbeeld: Een negergezicht kan een groot aantal vanuit westelijk standpunt negatieve kenmerken hebben als zultlippen, platgedrukte neus enz. en toch in zich zo harmonisch zijn, dat het daardoor een noblesse bezit. Wanneer men bij een beoordeling alleen van het eigen type uitgaat, zal men de ander steeds onderkennen en nimmer diens juiste waarde door het uiterlijk heen kunnen erkennen. Gaat men uit van het al of niet harmonisch zijn van de ander als geheel, dan zal echter wel een redelijk juist oordeel gegeven kunnen worden omtrent de aangevoelde innerlijke waarden. Daar innerlijke waarden niet te meten zijn met culturele of beschavingsmaatstaven – sta mij toe hier op te merken, dat de cultuur meestal het vernis is, dat men over eigen oer-menszijn uitstrijkt, terwijl beschaving slechts een groot woord is, dat men pleegt te gebruiken voor eigen wijze van leven en daarmede verwante waarden – kunnen nooit het peil van de beschaving, noch de vorm van de cultuur als bepalend of beslissend voor de waarde van het ego worden beschouwd. Het behoren tot een bepaalde beschaving of cultuur kan kentekenend zijn voor het streven van het werkelijke ik, maar zal nimmer voldoende uitsluitsel kunnen geven omtrent de werkelijke waarde en innerlijke bereikingen daarvan.

Ten laatste, het is onmogelijk de beschaving en de cultuur van iemand zonder meer uit zijn uiterlijk af te lezen. Juist omdat hierbij sprake is van uiterlijkheden, die gemakkelijk geïmiteerd kunnen worden, terwijl de innerlijke waarden en de innerlijke associatie met de waarden van cultuur of beschaving langs uiterlijke weg niet te bepalen zijn, zal men aan de hand van uiterlijke tekenen slechts de aanpassing aan uiterlijkheden kunnen aflezen, maar niet de werkelijke aard.

Gaat men uit van aangevoelde innerlijke waarden, zo is geen oordeel omtrent cultuur en beschaving mogelijk, wel omtrent de eerlijkheid, het harmonisch zijn van de geest, waardoor het karakter mede bepaald wordt van alle uitingen van de mens binnen het niveau van beschaving en cultuur, waarin hij normaal leeft.

  • Kunt u iets omtrent de evolutie mededelen en de kentekenen daarvan?

In wezen is alle evolutie een illusie. Alleen binnen het beleven van de tijd is een evolutie voorstelbaar en kan zij gedefinieerd worden. In uw dagen beseft men reeds, dat de tijd zijn werkelijke betekenis verliest voor de dingen, die werkelijk meetellen en alleen in uiterlijkheden voor de mens steeds belangrijker zal worden, zodat juist oppervlakkigheid en het belang van tijd samen schijnen te gaan. Vanuit menselijk standpunt is evolutie een groeiproces, zodat voor de menselijke waarnemer ieder en alles zich in een voortdurende staat van evolutie of revolutie bevindt. Er is een voortdurende verandering, ontwikkeling en groei van uiterlijke waarden. De geestelijke groei is echter niet te meten of vast te stellen aan de hand van uiterlijkheden, zodat wij alleen kunnen zeggen: De geest zal ook via het uiterlijk eigen kenteken en standpunt wel duidelijk maken, maar slechts binnen het kader van stoffelijk bepaalde en plaatsvindende veranderingen of evoluties. Men kan dus a.h.w. de lichtsterkte van de aanwezige lamp niet bepalen, maar alleen zien, hoe zij door de aanwezige lampenkap doorschijnt.

Geestelijk gezien zou een evolutie in een ander waar te nemen zijn, zolang deze ander zich niet op een gelijk of hoger punt van de evolutionaire schaal bevindt. Hoe hoger de ander boven u staat, hoe lager u hem meestal zult waarderen, omdat u een groot deel van zijn wezen niet begrijpt en hiaten aanneemt in de ander, omdat u de samenhangen en harmonieën die in de ander bestaan, eenvoudig niet kunt erkennen. Daarom stel ik: Stoffelijke uiterlijkheden zijn nimmer een bepalend kenteken voor de innerlijke evolutie van de persoon, ofschoon het vaak – maar niet altijd – mogelijk zal zijn door een beschouwen en erkennen van de gehele persoon, wel een oordeel te vormen over diens ogenblikkelijke innerlijke bereikingen. Daarbij zal men echter rekening moeten houden met het feit, dat eigen bereikte bewustzijn en innerlijke waarde tevens het limiet vormt van het eigen vermogen tot juist oordelen.

  • Mag ik daaruit concluderen, dat zo Jezus in deze dagen op aarde rond zou lopen, het merendeel van ons hem niet zou herkennen?

Daarvan kunt zeker zijn. Van herkennen en erkennen zou geen sprake zijn om de doodeenvoudige reden dat de Jezus, die nu nog leeft en eens op aarde geleefd heeft, in zijn wezen tegengericht is aan alles, wat u in deze dagen beschaving en cultuur pleegt te noemen. Jezus stelt vrijheid, waar u gebondenheid en samenhang belangrijk acht. Jezus zegt, dat de persoonlijke uiting belangrijk is, waar u het gemiddelde als maatstaf wilt hanteren. Jezus zegt niet te oordelen, waar uw cultuur op oordelen is opgebouwd, en op vooroordelen. Jezus zegt, dat alle geweld vermeden moet worden, dat alle pressie en geweld vermeden moeten worden, ongeacht de kosten. U baseert uw beschaving en cultuur op vele vormen van geweld, drang en pressie. Alleen daarom zou u Jezus, zo hij weer op aarde zou komen, verwerpen als een half krankzinnige revolutionair of anarchist, vol dwaze denkbeelden met een groot gebrek aan beschaving en geen begrip voor cultuur.

  • Wij hebben vaststaande opvattingen over het uiterlijk van Jezus. Hoe zag hij er uit?

Betrekkelijk klein van gestalte, rond 1 m.68. Haarkleur: zwart met blauwige gloed. Baard donker, ronde vorm, vaak wat onverzorgd. Ogen: diepliggend, blauwgroen. Neus: smalle haviksneus. Mond: Vol en klein. Onderlip strak, bovenlip licht puilend. Kin wat vierkant van vorm. Schouders breed, middel tenger, benen goed ontwikkeld, armen onderontwikkeld. Huidskleur: Olijfkleurig. Dat is het signalement. En tevens het einde van mijn betoog.

Ik hoop duidelijk te hebben gemaakt, dat wij zelf uit de wereld feiten en vormen selecteren, maar dat de geestelijke waarden bepaald worden door het al dan niet harmonisch zijn. Wanneer wij ons steeds op de harmonische waarden richten, zal de wereld voor ons schoner zijn, zullen er minder storende invloeden voor ons optreden en door de sereniteit, waarmede wij het goede uit de wereld lezen, zullen de goede geestelijke krachten tot eenheid komen met ons wezen.

Uiterlijk zal dit slechts kenbaar worden in de harmonie, niet in de vorm op zich, van ons stoffelijk voertuig.

image_pdf