Innerlijke belevingen en groei

8 juli 1974

U krijgt vanavond als gastspreker een Grieks filosoof. Als inleiding wil ik graag een en ander verduidelijken.

Filosofie is de kunst van het beschouwen. Daarin was men vroeger erg sterk en een groot gedeelte waarover men filosofeerde, was de achtergrond van het bestaan, van het leven, van de materie en de essentie van de dingen. De filosoof van vanavond is iemand geweest, die zich vooral met twee aspecten van het leven heeft beziggehouden, t.w. met de innerlijke essentie en daarnaast met wat men zou kunnen noemen de innerlijke groei, de bewustwording.

Zijn denken gaat uit van het standpunt: Er is een licht in mij en dat is God.

Zijn tweede standpunt is: Daar het licht in mij is, is het geheel van het proces van bewustwording een gewennen aan het licht dat in mij is, tot ik het kan aanschouwen. Zo eenvoudig is dat en als je alle bijkomstigheden weglaat, dan zeg je: “het is heel simpel gezien” maar in een dergelijke eenvoud zit vaak een grote complexiteit verborgen. Deze denkwijzen zijn voor een groot gedeelte ontwikkeld in een wereld die nog leefde met een veelgodendom, waar natuurkrachten voor een groot gedeelte nog onbekend waren en waar de materie een raadsel was waar je nog niet helemaal over nadacht. Wanneer hij van zijn standpunt uit toch durft te spreken over dat licht in het ik, dan is het wel duidelijk dat dat een innerlijke en eigen beleving is.

Het zullen waarschijnlijk deze innerlijke belevingen zijn die vanavond het hoofdonderwerp gaan uitmaken. Dat maakt het voor mij iets lastiger, want wat kun je zeggen over de innerlijke belevingen van een ander? Toch zie ik er enkele aspecten in die voor mij interessant zijn. Wanneer je b.v. zegt dat het licht dat niet begrepen wordt vuur wordt, dan zit je volgens mij erg dicht bij een kosmische waarheid. Het is één van de uitspraken die deze denker heeft gedaan, zij het na zijn overgang.

Wat hij daarmee zeggen wil is dit: Wanneer wij iets kunnen verdragen, dan is het een hulpmiddel voor ons, dan worden wij er beter van, dan beseffen we beter wie en wat wij zijn. Wanneer wij het niet kunnen verdragen, dan is datzelfde voor ons een kwelling, die ons steeds verder verwijdert van ons begrip voor de wereld en voor onszelf. Dat is naar ik meen een waarheid als een koe.

Wanneer wij leven, dan zullen wij allerlei dingen doormaken. In het ene geval is het prettig, in het andere geval is het niet prettig. Maar wanneer wij het beleven, dan moeten wij trachten daarvan de essentie te pakken te krijgen. Wanneer het aangenaam is, dan is het licht. Maar dan is het niet alleen maar een gevoelskwestie voor mij, dan is het daarnaast voor mij een oriëntatie in de wereld. De vreugde, die in mij bestaat, moet reflecteren in eigenschappen die ik rond mij kan vinden. Ik kan rond mij dan ook het licht vinden dat in mijzelf bestaat. Zit ik in de ellende, dan kan ik natuurlijk wel zeggen: “Die ellende is overal.” Ook die erkenning is mogelijk in de wereld. Maar je kunt ook zeggen: “Die ellende is iets wat ik verdragen kan. Ik sta erboven. Ik ben het meester.” En dit meesterschap over het kwade in je eigen leven en ervaren is dan volgens deze denker het middel om tot het licht te komen.

Opvallend is dat er geen enkele offergedachte in zit. Een offer brengen is allemaal erg mooi. Als kind zult u ook wel gehoord hebben, dat je offertjes moet brengen, maar de vraag is alleen waar ze terechtkomen. Meestal op de verkeerde plaats en als die denker zegt: “Dat offeren is eigenlijk zinloos. Want dat offer heeft alleen zin als het uit mijzelf voortvloeit, uit mijn wezen. Maar als het uit mijn eigen wezen voortvloeit, is het geen offer. Als het iets is, dat tegen mijn wezen ingaat en ik doe het toch, dan ben ik een dwaas. Dan ontken ik wat ik zelf ben en daarmee verwijder ik mij van het licht dat in mij leeft.” Een filosofie waar velen wat op te zeggen zullen hebben.

Interessanter wordt het als zijn definitie van de goddelijke wereld aan de orde komt. “De goddelijke wereld is slechts een besef”, zo zei hij. Dan vraag je: “Hoe kunt u dat verder verklaren?” En zijn stelling was toen als volgt:

De goddelijke wereld bestaat niet. De goddelijke wereld is de werkelijke wereld waarin wij leven. Die is helemaal niet goddelijk, maar wij maken van de wereld waarin wij leven, iets beperkts; iets kleiners. Wanneer wij dit werkelijkheid noemen, dan kunnen wij de rest nog goddelijk noemen, maar daarmede proberen wij te rechtvaardigen dat wat wij zijn, in orde is. En dat moeten wij nu net niet doen, want wat iedereen nu de hemelse wereld noemt, is de werkelijkheid. En die werkelijkheid moeten wij vinden en als wij dat niet kunnen, dan schieten wij te kort.

Nu is het natuurlijk erg gemakkelijk te praten over de volmaaktheid enz., maar is er wel een mogelijkheid – en dat vraag ik mij dan af als ik zo’n stelling hoor – om als mens en zelfs als geest de werkelijke wereld te beseffen? De wereld die ik besef, is volgens mij, mijn werkelijkheid. Punt uit. De werkelijkheid is de wereld die ik kan beseffen. Punt. Ik heb daar één en ander tegenover gezet – en dan vat ik het gesprek dat ik had met de gastspreker, als volgt samen:

Alle dingen zijn werkelijk en onwerkelijk tegelijk. De werkelijkheid is datgene, wat wij altijd zijn en altijd zullen blijven. Maar er is ook een onwerkelijkheid en die onwerkelijkheid is eigenlijk gelegen in het onvermogen om die hele werkelijkheid te beseffen.

De situatie waarin een ego verkeert, wordt bepaald door de wijze waarop dat ego zich instelt t.a.v. zichzelf. Er is licht in mij en wanneer ik dat licht zonder meer aanvaard, dan zal het zich manifesteren in elke sfeer en elke wereld, waarin ik leef. Maar op het ogenblik dat ik mijzelf stel als een soort tegenstelling tot het licht – dit ben ik en dat ben ik nog niet – dan heb ik een soort botte bijl gebruikt om een verbinding tussen de werkelijkheid en wat ik nu als mijn leven zie a.h.w. te verbreken.

Dit verbreken van verbindingen is één van de fouten die de mensen het meest maken. Zij gaan daarbij voornamelijk uit van hun voorstelling van iets wat ze zouden willen zijn, of iets wat zo zou moeten zijn en vergelijken dat dan met de werkelijkheid, zeggende: “Ziet, zo zijn wij tekortgeschoten en daarom moeten wij dit beperkte doel waarmaken.” Maar een beperkt doel – volgens onze vriend – kun je nooit waarmaken. Omdat hetgeen je tracht te bereiken niet door jou zelf bepaalbaar is. Je kunt n.l. alleen datgene zijn wat je bent. Dat laatste had ik vaker gehoord en ik heb over het één en ander eens nagedacht.

“De werkelijkheid” dat zullen wij met elkaar eens zijn, is iets anders dan hetgeen wat wij denken over de werkelijkheid. Wij nemen ons oordeel aan als bepaling van de werkelijkheid. In feite denken wij in tegenstellingen, terwijl wij leven in iets wat een geheel is. Maar kun je je aard veranderen? Volgens mij niet. Dan is het enige wat overblijft: aanvaarding. Aanvaarding, onthechting – het zijn woorden die allemaal ongeveer hetzelfde betekenen – maken duidelijk, dat je je voorstellingen niet meer als bepalend moet beschouwen en dat je geen behoefte-elementen bij jezelf moet scheppen, waar ze niet zijn. Voor de rest leef je gewoon jezelf, je doet wat je wilt – allemaal niet belangrijk – maar je bent er niet aan gebonden.

De situatie van een hemelse wereld en een ik dat altijd reëel is, is mentaal niet te verwezenlijken. Zolang wij denken, doen wij dat in tegenstellingen, zolang wij in tegenstellingen denken, kunnen wij de eenheid niet accepteren. Dan blijft die eenheid over als een soort achtergrond, een achtergrond van waaruit wij die tegenstellingen moeten beleven.

Ik had niet al te veel verweer tegen deze spreker die een tamelijk hoge is. De vrienden die wij zo overal hebben, kun je dan bij elkaar halen en ik heb eens geïnformeerd bij iemand die hoofdzakelijk “verlichtingswerk” doet in zomerland. Iemand die behoort tot de lichtende zuilen of gestalten, die daar onderricht geven en hem gevraagd wat hij ervan dacht. Het antwoord was: “Het is allemaal waar wat er wordt gezegd. Maar voor een mens of een geest is waarheid niet voldoende. Waarheid is datgene, wat wij niet kunnen aanvaarden. Wij zijn slechts in staat om een beperkte waarheid te accepteren. Te proberen zoveel mogelijk de waarheid te accepteren is goed. Eenvoudig ons leven opzij te zetten voor een absolute waarheid is ondoenlijk, vernietigt ons en is dus verkeerd.”

Toen ben ik eens nagegaan hoe het gaat in de sferen. En dat kwam hierop neer: Wanneer wij iemand hebben die in zomerland leeft, dan leeft hij eigenlijk voor een groot gedeelte in waan. De vormen die hij projecteert, ziet hij wel als een werkelijkheid, maar ze zijn het niet. De situaties die hij creëert, zijn niet werkelijk en soms besef je dat wel ten dele, maar hij kan er zich niet van losmaken. Je zou kunnen zeggen dat iemand die in zomerland leeft, nog verslaafd is aan vorm. Wanneer je zo iemand nu alle vorm afneemt, dan weet hij niet meer wie en wat hij is. Dan kan hij niet meer reageren. Wat moet je dus doen? Je moet de vorm niet wegnemen, maar je moet aan die vorm een nieuwe inhoud geven. Die inhoud vergroot je met elke lering, zo vertelde mijn vriend en na een groot aantal contacten kom je dan zo ver, dat die vorm bijzaak is geworden. Het is niet meer het ik, maar het is alleen maar een uitingsmogelijkheid. En heb je ze eenmaal op dat punt, dan kunnen ze gemakkelijker naar een sfeer overgaan, waarin geen vormen meer bestaan.

Zo lijkt mij dat voor een mens precies eender. Er zijn heel veel dingen waarvan je kunt zeggen: daarvoor ben ik te oud, of niet oud genoeg. Te dom of te verstandig. Wanneer wij leren om de feiten te aanvaarden zoals ze zijn, dan is dat in het begin ook een beetje afstand nemen van onszelf. Zien wat wij wel zijn en wat niet, wat wij kunnen en wat wij niet kunnen. Pas op die manier gaan wij het belangrijke zien. Het belangrijke is n.l. de inhoud der dingen en niet de vorm of de uiterlijkheid ervan. Ga je werken met de inhoud van de dingen, met de essentie, dan zal je als vanzelf ook nieuwe contacten creëren. Een nieuwe aanvaarding, een nieuwe relatie met je wereld. Op die manier kom je los uit het nauwe kringetje, waarin je je pleegt te bewegen.

De situatie wordt dan m.i. stoffelijk ongeveer als volgt: Ik denk nog zoals ik gedacht heb. Ik handel nog zoals ik altijd deed, maar mijn denken is sterk voorwaardelijk geworden en ook mijn handelen is niet meer bindend. Mijn handelen is alleen maar gestalte geven aan iets wat in mij leeft en ik weet dat elke handeling onvolledig is. Daardoor zal ik steeds minder de handeling zien als uiterst belangrijk. Ik zal steeds meer teruggrijpen op de inhoud, de diepere betekenis die in mij ligt. Daardoor onthecht je je niet alleen, maar je komt vooral tot een andere vorm van gehechtheid naar ik meen. Je komt tot een harmonie met zielen i.p.v. een contact met mensen. Daarbij zijn harmonieën en disharmonieën wel denkbaar, maar de disharmonie kan dan zonder meer afgewezen worden. De disharmonie kan je dan zonder meer terzijde stellen en zeggen: dat past mij niet, ik ben afgesloten; maar waar er harmonie is, daar kan ik reageren. Dan krijg ik natuurlijk een beperkt bewustzijn, maar die bewustwording gaat dan over het wezen der dingen en is dan niet alleen maar op veronderstellingen daaromtrent gebaseerd.

Zo wordt mijn wereld zo groot, dat de tegenstellingen gaan afnemen. Want ik zie dat veel wat ik eens als disharmonie heb afgewezen, wel harmonisch is met mij, maar op een andere manier dan ik dacht te moeten zien. Zo kom ik dan als vanzelf tot een steeds groter wordende harmonische wereld, waarin de tegenstelling niet bepalend is, maar alleen de existentie.

Als je die visie hebt opgebouwd, vraag je je af of je het wel zo goed weet en dan ga je ook nog eens bij een ander langs. Zo kwam ik bij Theodotus. Theodotus is edel, buigzaam, maar onwrikbaar en één van de autoriteiten van de O.D.V. Ik heb hem gevraagd wat hij over deze existentiefilosofie dacht. Hij gaf mij deze uitspraak: “Wij leven zoals wij moeten leven. Want wanneer wij anders leven dan wij moeten leven, dan ontstaat er een disharmonie, waardoor wij niet anders meer kunnen, dan leven zoals wij moeten leven, alleen dan tegen wil en dank. Daarom is dit allemaal mooi wanneer je het van binnenuit bekijkt, maar de mens bekijkt de dingen niet van binnenuit. Hij kijkt naar de buitenkant en op grond van de uiterlijkheden bepaalt hij zijn oordeel. En daar zal je je ook als filosoof bij moeten neerleggen.”

Van Theodotus ben ik naar het pastoortje gegaan. Want als ik nu twee figuren wil hebben met een tegengestelde benadering en gelijk hoge waarde, dan zijn het deze twee. Het pastoortje zei dit: “Ach, als je liefhebt, dan zijn er weinig tegenstellingen. De tegenstelling komt pas wanneer je te veel van jezelf houdt. Daarom zou je eigenlijk moeten zeggen: de mens moet leren niet zoveel van zichzelf te houden, maar van het leven. Want wanneer hij dat doet, dan gaat hij vanzelf beseffen wat de waarde van het leven is en dat is de waarheid.”

En hoewel er wel een beetje lijn in zit, is het de vraag hoe je het bij elkaar moet brengen.

Ik heb toen nog een autoriteit gevraagd. Ik ben naar Henri gegaan: Henri zei: “Wanneer de mens beseft, wat hij werkelijk is, dan beseft hij, dat hij voor aap staat. En omdat de mens, zelfs ondanks Darwin, pleegt te verwerpen dat hij van een aap afstamt, wil hij zijn voorouderlijke bezwaren niet erkennen. Daarom kunnen wij zeggen dat de mens de illusie nodig heeft om de werkelijkheid te ontsnappen, daar hij in de werkelijkheid vreest te verliezen; wat hij toch niet is.”

Daarna ben ik nog wat gaan rondreizen, denkende dat wanneer je er zelf niet al te veel van weet, je toch moet trachten iets gedegens op tafel te brengen. En wat is de eindconclusie waartoe ik ben gekomen?

Wanneer je dit vrij worden met je gedachten moet doen, dan zal je het over het algemeen niet doen, want je moet te veel prijsgeven van wat voor jou waarde heeft. Ik dacht dat de benadering van het pastoortje de meest juiste was. Ik meen dat wanneer wij leren het leven zelf lief te hebben met al zijn verschijnselen, dat we dan ook veel sneller zullen zien dat al die verschijnselen samen toch wel één bindende factor hebben. Dat er één geheel is of een essentie die verdergaat dan alle uiterlijke vorm. Ik geloof ook dat je met diezelfde liefde gaat zien dat je niet onvervangbaar bent, wat voor veel mensen erg moeilijk te verwerken is. Te weten dat je niet onvervangbaar bent. Elke dag gaan er mensen dood. Staat de wereld stil? Welnee, ze loopt nog veel harder.

Ik ben wel een deel van het geheel, maar dat geheel is niet van mij afhankelijk. Dat geheel is er, hoe ik ook besta. En als ik wegval op de ene manier, dan ben ik toch weer belangrijk op een andere manier. Mijn voornemens, mijn inspiraties zijn allemaal gebaseerd op tijdelijke feiten. Die tijdelijke feiten zijn alleen maar mogelijkheden. Ze zijn geen werkelijkheid. Maar wat erachter ligt, dat is de werkelijkheid. Misschien kan ik het dan zo formuleren:

Banden die bestaan, die werkelijk bestaan, zijn eeuwige banden. Ze zijn niet gebonden aan tijd, ruimte. Ze zijn gewoon: eenheid; een licht, dat niet uitgewist kan worden. Wanneer ik vanuit die eenheid beleef, dan zijn de verschijnselen daarbij niet relevant. De verschijnselen zijn alleen maar de dingen die voortkomen uit allerlei zaken die ik nog niet begrijp of die ik nog niet beheers. Maar het wezenlijke blijft bestaan, of je elkaars geliefde bent of elkaars vijand. Wanneer er een band bestaat die een wederkerige erkenning inhoudt, dan zal die erkenning blijven voortbestaan. De vorm, waarin ze tot uitdrukking komt, verdwijnt.

De relatie in de kosmos kun je ook niet bepalen tot één wereld alleen. (Veel mensen denken: we hebben elkaar op aarde ontmoet, dus moeten wij elkaar later weer ontmoeten). Wanneer er een band bestaat, dan bestaat die eeuwig, dus tijdloos. Een bestaande band zal altijd op de één of andere manier functioneren, in welke wereld je ook verkeert. Ook wanneer de één in de hoogste sfeer zit en de ander in de laagste. Wanneer de één in de stof is en de ander in de geest, dan blijft die band bestaan.

Deze band lijkt mij de werkelijkheid van het leven te zijn. Ik dacht dat je zonder deze band heel weinig kon bereiken. Het zijn de banden die de verbinding scheppen met de totaliteit. En die banden komen tot uiting in gevoelens, in inspiraties, in stoffelijke en geestelijke contacten. Maar altijd weer betekenen ze “het leven”. Dat is het waarvan wij deel zijn. Onze beleving daarmee is minder belangrijk, maar ons verbonden zijn is belangrijk.

Daarmede krijg je dan als vanzelf – en dat is dan meteen mijn eindconclusie – dat wanneer er een eenheid bestaat ergens buiten de grenzen van het kenbare, ik het niet weet. Wanneer men mij zegt dat het bestaat, dan wil ik dat graag aannemen. Maar het belangrijke is dat ik contact heb met een groot aantal entiteiten, met een groot aantal mensen. Dat ik a.h.w. verbonden ben met wat u ziet als lagere wezens hier en daar op de wereld. Dat ik verbonden kan zijn met lagere sferen en dat ik toch in mijn eigen licht en mijn eigen recht leef.

Ik geloof dat dat het meest sprekende is. En wat ik ben, ben ik alleen door de verbindingen die ik heb. Als ik niet op aarde zou kunnen spreken, dan zou ik mijzelf niet kunnen zijn, dan zou er iets anders bestaan. De verbinding maakt mij tot wat ik ben. Ik kan niet bestaan zonder u en het contact met u. Ik kan niet bestaan zonder de contacten met Henri, Theodotus, het pastoortje enz. Deze dingen samen zijn de werkelijkheid. Wanneer ik er één ding van wegneem dan besta ik niet meer zoals ik ben. Dan is er iets wat op mij lijkt, maar ik ben het niet meer.

Voor mij is dus de eindconclusie: een ego is in feite een knooppunt van verbindingen, waardoor een erkenning en een uiting in de wereld bepaald wordt en waaruit je, erkennende en levende in een wereld of sfeer, met het geheel van het Al verbonden blijft, daarbij steeds meer contacten en harmonieën opnemende zodat het overzicht van het geheel in jezelf groeit.

Wanneer iemand wil spreken over zijn eigen ontwikkeling en zijn eigen bewustwording – of dat nu in hypothetische termen gebeurt of in een concrete ik-vorm – dan lijkt mij dat toch wel één van de grotere dingen. Want alleen iemand die zo groot is om te beseffen, wat hij is en wat hij niet is, kan zich de moeite getroosten en ook een beetje de brutaliteit hebben, om precies te zeggen hoe hij geworden is en wat hij is. Volgens mij pleit dit voor de grootheid van de filosoof, die na de pauze tot u zal spreken.

De sleutel tot waarheid en werkelijkheid

Wanneer men mij vraagt om iets te zeggen over bewustwording, dan kan ik alleen maar teruggrijpen naar mijn eigen bestaan. Ik heb ervaren, dat het licht in mij woont. Het is een verstilling waarin het lijkt alsof je het antwoord op al je vragen gevonden hebt. Zodra het antwoord doorklinkt, keer je terug en dan blijkt dat je vergeten hebt waar het om gaat. Het licht woont in ons, maar wij zijn blind voor dat licht en wij moeten het leren kennen. Een groot gedeelte – ook op aarde – heb ik besteed aan het terugvinden van dat licht. Maar het wonderlijke was dat, telkenmale wanneer ik het licht in mijzelf vond en het bewustzijn daarvan meende te bezitten, ik het verloor wanneer ik terugkeerde. Dat zal ook u gebeuren.

Ga nu echter verder dan dit. Wie diep in zichzelf zoekt, heeft in zichzelf een gewoonte tot zoeken geschapen. De dingen die je diep in jezelf draagt, worden langzaam maar zeker een baan waarlangs je je voortbeweegt met alle geestelijke middelen, terwijl je gelijktijdig stoffelijk daardoor gestimuleerd wordt. Zo kwam ik na de overgang in een rijk, waarin vreugde, gelach, fluitspel, kortom alles was wat een mens begeren kan. Maar ik vroeg mij af waar de stilte in mijzelf was. En wanneer ik de stilte kon ervaren, was alles rond mij weg. Over was slechts de vaagheid van een bijna gevoeld erkennen dat niet volledig werkelijk werd.

Ook hier heb ik vele malen moeten trachten die stilte in mijzelf te vinden en ook hier heb ik moeten zoeken totdat de werkelijkheid en de wereld waarin ik leefde, langzaam maar zeker over elkaar kwamen te liggen. Het was alsof deze innerlijke stilte bevruchtend werkte op de wereld waarin ik leefde. Het kreeg andere kleuren, haar vormen vervaagden, maar de stilte was er nog steeds niet. Ik streefde naar de stilte, omdat dit voor mij het belangrijkste geworden was. Er kwam een ogenblik dat ik die stilte bereikte en ik toch iets bleef zien van de wereld waartoe ik behoorde. Een wereld waarin vele wezens leven in een vorm, leven in een droom van geluk, in hun voortdurend spel met de beperktheid van een herinnering.

Ik zag hoe de herinneringen van wat ik op aarde was geweest één geheel vormden; hoe de wereld waarmee ik verbonden was, één geheel vormde met mijn wezen. Hoe de stilte in die wereld was en ikzelf in die wereld toch de stilte kon zijn. Alles bleek plotseling te verwisselen en te verruilen. Toen die verwisselbaarheid ontdekt werd, zag ik voor het eerst de weg naar de werkelijkheid. Waarheid is een naam. Waarheid bestaat niet. Er is zijn en illusie van zijn. Illusie van zijn is geen onwaarheid, want een onwaarheid existeert niet werkelijk. Maar alles wat ik zie, alles wat ik ben en doe en gedaan heb, het is allemaal werkelijk. Maar het is slechts een klein deel van de waarheid. Een klein deel van dat, wat ik ben wanneer ik besta in vol besef van mijn vermogens.

Voor een mens is er altijd weer het zoeken naar de gedachte. Die ene gedachte die je doet doordringen tot iets wat waar en werkelijk is en daardoor de zin van je leven en de vormen en het bestaan wat beter doet inzien.

Je denkt dat je bent, maar ben je werkelijk? De vraag of het bestaan echt is of alleen een illusie, heeft mij lange tijd achtervolgd. Zelfs nu nog, levende vaak in een grote stilte die mij verbindt met alle dingen, vraag ik mij af wat werkelijk is. Gedachten krijgen vormen, vormen bouwen normen. Normen worden tot wetten. Wetten scheppen werelden. Werelden worden bewoond door wezens, die onderworpen zijn aan die wetten. En die wezens in zichzelf scheppen dan weer hun eigen wetten en verbondenheden, hun eigen vormen. Ze bouwen een eigen wereld. Maar ze zijn niet werkelijk. De onwerkelijkheid van de vormen van Zijn moet erkend worden, om de werkelijkheid van het Zijn te kunnen ervaren.

Hopelijk ga ik niet te ver wanneer ik u deze dingen zo zeg. Maar ik heb gedacht: ik ben man. Maar ik ben man en vrouw en elke vorm die bestaat. Ik ben plant, wolk, ster en toch ben ik niets. Elke vorm is voor mij mogelijk, want ik ben. Wanneer je dat voor het eerst beseft, wil je alles zijn. Je bent te midden van de koelte, die de gloed van een ster is voor de mensen. Je bent te midden van een leegte die mensen zien als ledig, maar die vol is van krachten, stralen en werkingen, een voortdurend spel van allerhande krachten. Je daalt af in een plant, je wilt een ogenblik wuiven met het blad van een varen, een ogenblik ritselen ergens aan de top van een boom. Je wilt boom zijn en bloem. En het blijkt dat je al die dingen bent en toch niet bent. Ik ben deze dingen omdat ik één kan zijn met wat hun leven is. Ik ben deze dingen niet, omdat ik niet gebonden ben aan deze ene vorm, dit ene bestaan.

Wanneer je leeft in de wereld, begrijp je dat niet. Je hebt jezelf vast omschreven. Je hebt gezegd: zo en dit ben ik. Dit heb ik gedaan en dat zal ik doen. En toch: een huisslaaf die een ogenblik vrijheid heeft, is vrijer dan een mens die denkt dat hij vrij is. Vrijheid kan namelijk alleen beleefd worden wanneer ze eerst beseft wordt. Een mens die in de stof leeft, beseft zijn vrijheid niet en denkt daarom vrij te zijn, terwijl hij gebonden is aan vormen die niet door zijn wezen bepaald worden, maar die gewoon uit een vormenwereld voortkomen.

Innerlijk licht, innerlijke bewustwording en innerlijke kracht zijn mooie woorden. Bestaan ze werkelijk? Wie zal zeggen wat de werkelijkheid is? Ik ben. Ik besta. En ik kan in dat bestaan één zijn met elke vorm van bestaan die ik kan concipiëren en toch ben ik mijzelf. Maar ik kan mijzelf niet losmaken van mijzelf. Wat ben ik? Ben ik misschien één punt in een lijn, die door een ander is geschreven? Ben ik één stip in een tekening? Het zijn beelden die vaak worden gebruikt.

Ik geloof, dat ik veel meer en gelijktijdig veel minder ben. Ik ben één trilling, één rimpeling van water in een oceaan. Maar of ik verzink of niet, dat wat ik ben, blijft bestaan. Alleen de vorm die ik aannam, vergaat of herrijst elders. Het is dit besef: wat ik ben is niet permanent, wat ik denk te zijn verandert elk ogenblik, maar wat ik ben blijft gelijk, waaruit je als mens troost kunt putten.

Mensen tellen de dagen en de uren. En waarlijk, ik heb ze geteld. Maar een eeuw en een seconde zijn gelijk. Er is geen verschil. Slechts het bewustzijn maakt het verschil uit. Wat ik denk dat tijd is, is niets anders dan een mijzelf zien in een voortdurend andere situatie. En hoe meer situaties ik schep waarin ik kan verkeren, hoe meer tijd ik doormaak en hoe meer ik beleef. Maar daarmee is het nog geen tijd. Ik ben het die door mijn beleven tijd registreer. Op aarde merk je dat niet; als geest dwingt dit zich onontkoombaar aan je op.

Wanneer u mij vragen zou – wat u ongetwijfeld niet zult doen -wat de ware innerlijke weg is, kan ik u alleen zeggen: er is geen weg. Er is geen innerlijk pad. Dat is een illusie. Er is het zijn en verder niet. Het zijn zelve drukt zich uit in alle denkbare vormen. Wanneer je een pad gaat naar het innerlijk toe, dan kun je elk pad nemen. Dan heeft de eerste de beste vis in de zee evenveel kans om dat pad te gaan als u als mens. Het onderscheid dat je maakt is niet echt. De weg die je gaat is niet belangrijk. Belangrijk is hoe je je één kunt voelen met wat er is. De vis wordt verslonden, de verslinder wordt gevangen, de gevangene wordt gegeten en hij die gegeten heeft, sterft. De vormen zijn veranderd, maar het ik is gelijk gebleven.

Theorieën en belevingen laten zich gemakkelijk uitleggen en bespreken. Raadgevingen – zoals men mij gevraagd heeft – zijn moeilijk te geven. Want er is geen richting. Of ik u zeg: ga links of ga rechts, het is uw bewustzijn dat bepaalt hoe ge gaat. Niet mijn woorden. Ik kan u zeggen: “In u is de stilte,” maar zo ge ze ervaren hebt en vergeet, zoals het mij gebeurd is op de wereld, wat hebt ge dan in die stilte gevonden? Het is hoogstens goed te weten dat ze bestaat.

Ik kan u spreken over het licht in u, waarin alle dingen helder zichtbaar zijn, maar het licht dooft weer. Waarom zou ik u zeggen: “Zoek dit licht en ge zult gelukkig zijn?” Ik weet, dat ge het zult verliezen.

Als ik een mens een raad moet geven, dan is het een zeer eenvoudige: Leef in vrede met wat je bent voor zover je kunt. Verzet je niet tegen het onontkoombare; aanvaard het met waardigheid. Leef in vreugde wanneer vreugde mogelijk is, maar ween niet om jezelf, wanneer de vreugde vergaat. Wees niet bang voor pijn en smart, ze gaan voorbij. Verheug u niet in bezit. U verliest het weldra. Maar zie mensen en begrijp mensen. Zie naar de bergen en begrijp de bergen. Zie naar de zee en begrijp de zee. Het begrip, dat je in je hebt, is belangrijker dan geluk of ongeluk.

Er is een kracht, waaruit je kunt leven. Het is de waardigheid, waarmee je alle dingen werkelijk kunt verdragen tot het laatste toe. Wanneer je verbonden bent met alles rond je, doordat je het begrijpt, doordat je het ziet. Doordat je weet, dat het bestaat en hoe het bestaat, ben je zelfs als mens meester van de illusie. Niet zonder illusie, maar meester daarvan.

Wat moet ik u zeggen over geloof? Geloof is de in frase ondergebrachte onzekerheid van een mens. Geloof is goed wanneer je niets anders hebt, zoals de droge graankorrel beter is dan niets. Maar wie begeert niet een feestelijk maal met rijpe vruchten? Geloof is alleen maar graan, droog. De werkelijkheid van je eigen wezen stelt naast dat geloof een weten, een verbondenheid. Een verbondenheid met mensen, met plaatsen, met sterren, met sferen. Aanvaard die en laat het geloof wat terzijde gaan.

Welk verschil maakt het indien ge weet waar de goden wonen? Wat voor verschil maakt het in uw leven wanneer de schone jageres u zegent of vervolgt? Geen. Zoals men nu denkt in uw wereld, wat voor verschil maakt het of God naast u staat of de duivel? Ge zijt uzelf. In uzelf, daar alleen, kunt ge licht vinden. In uzelf alleen is God. En in uzelf alleen is datgene, wat ge vreest als duivel. Ban de angst uit die in u woont en ge hebt geen geloof nodig. Maar dat wil nog niet zeggen, dat u dan alleen gebonden bent aan de feiten der materie, want in de mens is meer dan materie.

Beroep u niet op wetenschap, want wat is wetenschap anders dan een reeks van grote woorden voor veel dingen, die men nog niet begrijpt? In jezelf aanvoelen is belangrijker dan formules opdreunen. In jezelf is een weten, waardoor alle dingen kenbaar kunnen worden. De wetenschap is hoogstens de stift waarmee je voor anderen kenbaar neerschrijft wat er in je bestaat. Zoek geen steun bij de wetenschap. Zoek steun bij jezelf. In je is het lichtende en dat is het enige ware dat er voor je bestaat in deze wereld van waan.

Eens toen ik met mijn leerlingen had gesproken en we de berg afdaalden naar de stad, ontmoette ik een vrouw. Ze sprak mij aan en zei: “Heer, wilt ge mij zeggen hoe ik de godin ertoe kan brengen de onvruchtbaarheid van mijn schoot te doen veranderen?” Ik heb haar niet het ware antwoord gegeven dat in mij oprees. Ik heb haar slechts gezegd: “Vrouw, indien de godin u kan veranderen, zo kunt ge het zelf. Uw offer is alleen een poging om bewust te worden van wat ge zelf kunt.” Ik had ook kunnen zeggen: “De onvruchtbaarheid van uw schoot is niet alleen een eigenschap, die u als vloek is opgelegd. Het kan meer zijn.”

Mensen komen tot je. Pas overgeganen komen tot je en ze zeggen soms je zelfs meester noemend, de dwazen: “Hoe kan ik mij bewust worden van het eeuwige licht?” Hoe kan een vis zich bewust worden van de zee of de oceaan waarin ze zwemt? Door te zwemmen! Hoe kan een mens zich bewust worden van het licht waarin hij leeft? Door eenvoudig te putten uit het licht en te leven in dat licht! Zegen willen de mensen hebben. Zegen die van elders komt, terwijl het voldoende is om iets van de grenzen van je eigen wezen weg te gooien en te leven in het licht. De verbondenheid te zien, die bestaat met de gehele wereld en alle dingen, die maar kenbaar en denkbaar zijn.

“Open uzelf” is beter dan “ken uzelf.” “Ken uzelf” is een illusie, maar “open uzelf” is aanvaarding van een werkelijkheid die geen gedachten en beredenering vergt. Jezelf kennen wil zeggen: beseffen hoe je één bent met alle dingen. Wie denkt dat hij één is met alle dingen, wanneer hij nauwkeurig probeert te omschrijven wat hij is? Maar wie open is voor die eenheid en ze wil beleven, ze laat stromen door zijn eigen wezen, niet meer zeggend: “Hier is een grens of daar moet ik zegenen en genade van anderen, ontvangen,” maar wetend: in verbondenheid met het geheel leef ik het geheel en put ik uit het geheel, behoeft niet te weten hoe hij er nu uitziet. Hij is, doordat hij leeft, essentie van leven. Hij is eeuwigheid, omdat hij de werkelijkheid doet spreken in de schijnvorm van een ogenblik. Hij is tijdloos, omdat de tijd niet meer telt en het beleven zich opstapelt met een steeds grotere eenheid met alle dingen.

Je kunt spelen met woorden. Je kunt schermutselen en duidelijk maken waarom grote goden altijd gestrenge vrouwen hebben, die ze steeds ontvluchten. Ik heb het gedaan. Ik heb eens gezegd: “Geen god wordt oppergod indien achter hem geen boosaardige echtgenote stapt, die hem dwingt zich tot de wereld te wenden.” Het is waar onder mensen en het zou waar zijn onder goden, indien ze zouden bestaan. Ik probeer altijd om uit het spel van woorden, het spel van vormen en gedachten, de essentie te vinden. De werkelijke kracht. Het werkelijke licht, datgene wat onveranderlijk blijft in de voortdurende verandering. Dat is eenvoudig. Het is alles zijn wat je wilt, maar niet alles willen zijn wat je ziet. D.w.z. alles durven denken, maar slechts een gedachte uiten wanneer je gehele wezen ermee weergalmt. De meeste mensen galmen wel.

Ik heb ze gekend, de orators, de redenaars. Hun woorden waren schoon en het ritme van hun woorden was verblindend. Maar wanneer je hen vroeg iets te zeggen wat werkelijk was, dan kwamen ze slechts met drogredenen. Alleen zeggen wat in je leeft, dat is waarheid zoeken. Alleen de kracht zijn, die in alle dingen is, dat is waarheid leven. En in alle dingen die je bent, alleen de eenheid erkennen met het licht dat in je leeft. Dat is de sleutel tot de werkelijkheid, waartoe wij allen behoren.

Wat zal ik u meer zeggen? Moet ik u vertellen hoe vaak ik gefaald heb? De illusie van het falen is er één, die ons het meest achtervolgt in ons bestaan. Want dat wat ik falen noemde, was alleen maar een andere vorm van leren.

Moet ik u zeggen hoe dicht de bereiking is bij elke mens? De bereiking ligt in je, maar als je haar niet beseft, wat kom je er dan verder mee? Streef niet naar bereiking. Wees het licht dat je bent. Ik zou u misschien moeten opwekken vooral vreugdig, vrij en sterk te leven. Maar als die vreugde niet in u is, hoe wilt u ze dan vinden? Of wilt u zich achter de grimas van een schijnlach, de tranen van een voortdurende wereldverwerping verbergen?

Wees u zelf, maar zie wat er rond u is, wat er in u is en erken de eenheid ermee. Vind zo die eenheid en vrede, die een beetje verdergaat dan de beweeglijkheid van de mens, die denkt, dat hij nog moet opstijgen tot de bergen van de goden. Dat is mijn beschouwing.

Ik dank u, dat u hebt geluisterd. Ik dank u omdat u soms niet hebt geprobeerd te begrijpen, maar iets hebt aangevoeld. Want dat aanvoelen is de eenheid van het werkelijke licht dat ons bindt. In die band zullen wij elkaar ontmoeten; van de uiterlijkheden moeten wij scheiden.