Innerlijke bewustwording

21 mei 1985

De gastspreker van vanavond is een beetje filosofisch aangelegd. Ik weet niet precies waarover hij gaat spreken.

Aan een kant vind ik dat erg prettig, dan kan ik tenminste praten over datgene wat mezelf interesseert.

Je vraagt je zoveel dingen af. Ik weet niet hoe het met u gaat, maar met mij gebeurt het wel, dan denk ik: ja, men praat over God, maar wat is God eigenlijk? Iedereen heeft er zijn mond vol van maar ik geloof dat er niemand verstand van heeft. Dan is men weer bezig over de goddelijke wetten en natuurlijk over de zonde want die hoort erbij. Dan zit ik mij af te vragen mensen, waar zijn jullie eigenlijk mee bezig?

Ik kan God niet kennen, dat is duidelijk; waarom zou ik dan over hem praten? Maar als ik God niet ken, dan weet ik ook niet wat hij wil. Ik kan wel zeggen dat ik denk wat hij wil, maar verder kom ik niet. Dan zeg ik tegen mezelf: als je bezig bent met al die goddelijke wetten dan weet je er ook niets vanaf. Zeker, er zijn een aantal kosmische wetten en we: nemen aan, dat die door de godheid op de een of andere manier in stand worden gehouden. Maar om te zeggen: het zijn goddelijke wetten, dat weet ik ook niet.

En die zonde, oh lieve mensen, als je nu weet dat Adam en Eva in het paradijs zijn begonnen met de zondeval, (ik weet niet wie het eerst gevallen is, maar het gerucht is dat het een appel was) dan zeggen ze: “Daar ben je mee belast, dat is de erfzonde”. Ik heb er ook over gedacht, hoe kun je een zonde erven? Je kunt toch alleen jezelf zijn? Men zegt dan ook nog: “Dan zullen de zonden van de vaderen bezocht worden tot in het zevende geslacht”. Ik denk: dat kan genetisch wel waar zijn, maar als zonde iets is wat uit moet werken in het hiernamaals vind ik het maar dubieus. Want dat betekent dat u naar de hel gaat omdat uw betovergrootvader iets heeft gedaan wat verschrikkelijk was, maar waar de familie nooit iets van heeft geweten.

Voor mij is het een beetje een raadsel dat iedereen zich bezighoudt met al die gekke dingen. Ik zeg altijd tegen mezelf: hoe kan ik nu meer kennen dan ik ben? Laat ik dan eerst maar eens zorgen dat ik weet wat ik ben. Als ik een klein beetje begin te beseffen hoe ik ben, wat ik ben, wat ik kan, dan krijg ik misschien een heel klein beeld van een heel klein stukje van de werkelijkheid waar mee ik te maken heb.

Er zijn ook mensen die zeggen: “Ach, dat is allemaal illusie.” Goed, ik ben het met hen eens, er zullen wel heel wat begoochelingen rondlopen. Maar is het nog een illusie wanneer je zo met je kop tegen de muur loopt en je krijgt een buil. Dan moet je allerlei ingewikkelde rekeningen en berekeningen en filosofieën gaan verzinnen alleen maar om te ontkomen aan het feit dat iets voor jou reëel is; jouw werkelijkheid is.

Ik denk dat de meeste mensen, geesten ook hoor, bang zijn voor de werkelijkheid. Het spijt me dat ik het moet zeggen. Wij willen eenvoudig niet aanvaarden, dat we niet zo belangrijk zijn als we denken, dat al hetgeen we uiteindelijk bereiken van tevoren toch vast staat. We kunnen niet meer worden dan we zijn in het geheel. De enige mogelijkheid die we wel hebben is ons bewust worden van hetgeen we zijn in het geheel – helemaal of voor een stukje – en daardoor de dingen bewust doen die we anders misschien onbewust zouden moeten volbrengen.

De hele esoterie en alles wat er mee samen hangt lijkt mij niet zozeer een kwestie te zijn van vragen beantwoorden maar eerder van beseffen. Gewoon beseffen ervaren, weten. Het is oh zo gemakkelijk om uit te roepen: “Ja, maar er is de geest” en anderen halen er allerlei aartsengelen bij en die doen het. Als die het dan niet doen zijn er altijd nog de heiligen en zijn er nog de derwisjen en wie je nog meer hebt. Overal is de hele wereld bevolkt met geesten die het dan wel even zullen doen.

Maar hoe kan een ander iets doen, wat in mij en voor mij betekenis heeft? Dat klinkt misschien heel gek. Maar als een ander iets doet heb ik de ervaring niet; ik word er dus niet bewuster van. Wanneer een kracht uit een ander komt en ik gebruik ze, dan heb ik wel ervaring. Maar als die kracht direct uit de ander komt en ik ze dus verder niet bewust hanteer, heb ik geen ervaring.

Wanneer de geest tegen mij zegt (een gek voorbeeld): neem nu eens de 8 in de toto of de lotto, dan kan ik dat doen of ik kan het laten. Maar of die uitkomt of niet weet ik ook niet. Die geest kan zich ook wel vergissen.

Ik heb zo het idee dat we erg op onszelf aangewezen zijn. We kunnen elkaar helpen door te proberen een ander bewuster te maken van zichzelf, maar daar blijft het dan ook bij. Je kunt iemand niet werkelijk helpen; je kunt alleen een jezelf helpen door waar te maken wat je voelt dat noodzakelijk is. Daardoor word je je bewuster, je doet ervaringen op, je krijgt innerlijk een juistere afstemming, je komt a.h.w. terecht in een ander vlak van trilling. Maar wat je voor die ander doet, dat weet je niet.

Laten we een heel eenvoudig voorbeeld nemen. U kunt een beetje genezen. Er komt iemand binnen met schele hoofdpijn. U neemt ze weg. Dat is niet zo moeilijk; er zijn er wel meer die dat kunnen. Die ander voelt zich nu zo lekker, die zegt: “Weet je wat: ik ga een boulevardje pikken.” Hij drinkt ook nog wat en bij het naar huis gaan kijkt hij niet uit en wordt doodgereden. Dan is die ander in feite gestorven doordat u zijn hoofdpijn hebt weggenomen. Met andere woorden: wat u wilde, die mens gewoon beter en gelukkiger maken, dat werkte wel voor u. U bent geslaagd, maar niet voor die ander.

U kunt als geest proberen iemand uit het duister los te maken en soms kunt u iemand met heel veel moeite een eind omhoog slepen. Maar wanneer die ander niet wil, gebeurt er niks. Dan kunt u slepen wat u wilt. En wanneer die ander wel wil, dan is het contact dat jij nu toevallig met zo iemand maakt al voldoende om zo iemand te laten stijgen. Dus het is helemaal niet wat jij doet, het is wat er in die ander leeft. Voor jezelf is het ook zo.

Wanneer ik (ik ben heus wel in duistere sferen geweest) in een duistere sfeer kom om daar een bepaalde taak te vervullen dan doe ik dat eigenlijk niet voor die ander, ik doe het omdat het een gevoel is van één zijn met iets anders, dat op deze manier voor mij beter beleefbaar wordt. Dat klinkt ontzettend egoïstisch en egocentrisch, maar hoe kun je anders wanneer je nog een ik hebt, dat je a.h.w. isoleert van de werkelijkheid?

Dan kun je je bezighouden met alle grote vragen en kun je hele spitsvondige antwoorden vinden, maar als je het goed bekijkt kom je eigenlijk geen cent verder. De werkelijkheid ligt in jezelf. Maar als die werkelijkheid in mezelf ligt, dan is dat de enige plaats waar ik iets kan ervaren omtrent God, en wat dat betreft omtrent goddelijke wetten. Niet de totale wetten, maar de wetten zoals ze voor mij op dit moment gelden. Dan kan ik er ook iets vinden desnoods over die zondeval en of ik nu wel of niet zonden geërfd heb. Ofschoon ik het zonde vind van de tijd om daarover te mediteren.

Je bent aangewezen op je innerlijke wereld. Alles wat in je is, bepaalt eigenlijk hoe je de wereld buiten je ziet. In de geest is het een beetje erger natuurlijk. Een geest denkt dat hij duister is, dus ziet hij een duistere wereld of hij denkt dat hij licht is, dus ziet hij een lichtende wereld. Dat is voor ons heel gewoon maar dat is bij u ook zo.

De een kijkt naar buiten en zegt: “Heerlijk, regen, groeizaam weer”, en de ander zegt: “Hè, het miezert alweer, wat een rotdag.” Toch kijken ze naar dezelfde wereld, maar zij beleven hem anders. Waarom is de een nu zo optimistisch en de ander niet? Ja, de een heeft misschien net een meevallertje gehad en de ander net ruzie met zijn baas, dat is ook mogelijk.

M.a.w. onze ervaringen maken uit hoe we onze wereld zien. Dan is die wereld wel een werkelijkheid voor ons. Natuurlijk. Maar het is geen werkelijkheid, die precies bestaat zoals wij hem zien. Dan moet je eigenlijk eerst naar binnen gaan om te zien wat voor filtertjes je gebruikt of wat voor gekleurde glaasjes wanneer je naar buiten kijkt. Dan kun je misschien een klein beetje van dit weghalen uit je ervaring en een beetje dat vergeten en wat dan overblijft dat is meer reëel: Zoals u hier zit zoekt u naar de waarheid. Dat neem ik tenminste aan Maar wat is waar? Wat voor mij waar is, behoeft het niet voor een ander te zijn. Wanneer ik dit zeg, zeg ik iets wat volgens mij absoluut juist en zeer diepzinnig is. Wanneer de paus mij zou horen zou hij “anathema” krijten. En dan moet u heus niet denken aan een thema die u op school hebt gemaakt. Dan ziet hij dat gewoon als iets absoluut vernietigends. We zijn nu toch bezig met de paus. Een hele goede man. Onder ons gezegd en gezwegen. U moet niet denken dat het een rotzak is. Maar die man heeft één visie en dat is de absolute ordening. Wanneer die ordening, zoals hij die ziet volmaakt is komt het koninkrijk Gods op aarde. Dat zijn koninkrijk Gods voor heel veel andere de hel zou betekenen, dat komt gewoon niet in hem op. Dat kan toch niet? Hij heeft toch de waarheid? Maar hij vergeet alleen, dat zijn waarheid een heel klein brokje is van een werkelijkheid en dat er heel veel andere brokjes bestaan die net zo echt zijn.

Wij zijn zo geneigd om onze eigen maatstaven, onze normen, onze denkbeelden aan anderen op te leggen maar hebben we daar eigenlijk wel het recht toe? Dan moet je weer naar binnen kijken. Dan zeg je: “Nee, ik heb niet het recht om het anderen op te leggen, maar in mezelf voel ik wel de verplichting om voor anderen bepaalde mogelijkheden te scheppen. Kijk, daar ligt nu het verschil. Mogelijkheden scheppen is iets dat doe je van uit jezelf, maar de ander neemt de beslissing.

Maar iemand op de juiste weg zetten, dat is een ander beroven van zijn vrijheid om zijn eigen werkelijkheid te beleven. En dat is gewoon onmogelijk. Dan kun je wel prediken op aarde, maar je komt er niet verder mee. Je kunt het in de geest wel proberen maar in plaats dat je wereld ruimer wordt, wordt ze steeds benauwder en steeds enger. Op een gegeven ogenblik is het zo benauwd dat je denkt: dan incarneer ik maar. Dan heb je weer een jaar of 50, 60 de tijd om je te beklagen.

Ik probeer op mijn manier na te denken. Ik ben maar een simpele geest, daarom ben ik ook maar inleider. Ik stuntel maar een beetje met mijn eigen gedachte. Maar laat ik proberen om er een beetje een lijn in te brengen, want anders dan zeggen ze: die inleider heeft weer zitten kletsen. Dat is waarschijnlijk waar, zeker vanuit uw standpunt, maar het is eerlijk gemeend vanuit mijn standpunt.

Juist omdat ik zo weinig weet, zo weinig ken van de werkelijkheid, kan ik niet bepalen wat waar en werkelijk is voor een ander. Ik kan alleen maar in mezelf zoeken naar de maatstaven die voor mij op dit ogenblik gelden. Het ene ogenblik zal ik uittrekken met het zwaard om iemand te bevrijden, het volgende ogenblik droom ik alleen maar van een lichtende wolk. Vanuit dat licht schiet een bliksemschicht naar beneden en doet waarschijnlijk veel meer dan ik met al mijn moeite en mijn zwaard.

Soms voel ik mij verbonden met grote geesten. Het is alsof ik eigenlijk meedenk met het denken van een ander en gelijktijdig meevoel met die ander. Maar als ik klaar ben kan ik niet zeggen, dat ik wijzer geworden ben, maar ik ben wel intenser geworden. Gevoelens, die eens een beetje oppervlakkig waren, die hebben nu voor mij een nieuwe en diepere betekenis gekregen. Zaken, waar ik vroeger aan voorbij ging spreken mij nu aan. Dat is mijn manier van leren.

Ik denk dat het voor u precies hetzelfde is. In uw leven veranderen voortdurend allerlei maatstaven, of u het toegeeft of niet. Dan zijn er heel algemene normen, maar die normen zijn er eigenlijk maar omdat je zonder die normen niet zou weten wat een norm is.

Bent u in uw denken, in uw doen, in uw benadering van de werkelijkheid niet veranderd? Het is misschien moeilijk u voor te stel­len hoe u vroeger dacht?

Maar toch kan ik u garanderen: u bent veranderd. Heel veel zelfs. Waarom bent u veranderd? Omdat uw wereld zoveel wijsheid heeft gebracht? Omdat anderen u zoveel hebben gebracht? Welnee, uw wereld heeft u misschien ervaringen gegeven. Maar als u daar niets uit heeft willen, leren zou u er ook niet door veranderen.

Zo is het met alle geestelijke leringen die je krijgt. Je kunt ze krijgen tot ze je de strot uitkomen maar het helpt niet. Maar een enkel woord dat je begrijpt, helpt je wel. Dat maakt in jezelf iets intenser, iets duidelijker, iets beter. Het legt je aandacht misschien toch een beetje anders.

Ik denk zo dat dat nu bewustwording is. Helemaal niet dat ontstellende grote inwijdingsproces zonder meer, het zijn maar vormen. Maar gewoon dat even anders kunnen reageren en denken, iets anders kunnen voelen, iets intenser bezig zijn met de werkelijkheid of een deel ervan.

De grootste ballast die we hebben is natuurlijk ons ik beeld. Geestelijk gezien ‑ en dat is niet op de aanwezige bedoeld hoor – zijn volgens mij de mensen nog in het tijdperk van de oerapen. Wanneer ze werkelijk denken, dat ze moeten laten zien wie ze zijn, trommelen ze op hun borst en vergeten ze helemaal dat het getrommel eigenlijk niets te zeggen heeft, dat het gebaar alleen maar een communicatie is, maar dat ze zelf apen blijven. Een aap denkt: als ik hard genoeg trommel word ik een God.

Nu zijn mensen ook zo hoor. Dus denk niet dat ik het te vergeefs zeg. Ik ken mensen die zozeer op hun borst trommelen om hun eigen, gelijk aan de wereld te verbreiden, dat als je goed kijkt ze alleen maar bezig zijn een ik beeld te handhaven, dat met een klein beetje realiteitszin niet eens zou kunnen bestaan. Wij bouwen een beeld op van onszelf dat zo strak en zo stoer is, dat we op een gegeven ogenblik gewoon vastlopen. We kunnen niet anders meer, zeggen we dan. Wij zijn gedoemd om dit te doen, het is een noodlot dat ons dwingt.

Men heeft het de Duitsers wel verweten, maar na de dood zijn er ook heel veel Nederlanders, die op hun wijze het equivalent uitstoten van “Wir haben es nicht gewollt, wir haben es nicht gewusst,” doodgewoon omdat men kunstmatig blind is geweest. Omdat men bepaalde dingen niet als waar wilde accepteren en omdat men veel te veel bezig was met zichzelf om op de wereld te letten. Dat is ons falen.

Hoe meer wij beseffen, dat we zelf alleen maar deel zijn van een geheel, hoe meer wij proberen te beseffen wat wij zijn in het geheel, hoe veranderlijker onze wereld voor ons wordt. Ons denken en ons voelen varieert voortdurend, maar is altijd verbonden met iets buiten ons. Er is iets anders; iets wat antwoord geeft. Wanneer wij daar druk mee bezig zijn komt er een ogenblik, dat we niet meer denken in termen van ik, ik, ik, dan denken we alleen in termen van een taak, in termen van een eenheid. Of we denken misschien helemaal niet meer en we handelen bijna inspiratief vanuit een gevoel, dat we zelfs niet eens kunnen omschrijven.

De werkelijkheid van de mens is, dat hij deel is van een eeuwigheid; dat hij niet een ik is zonder meer, maar dat hij deel is van vele verschillende werelden en in elk van die werelden een functionerend deel ervan blijft. Wanneer die werkelijkheid tot jou doordringt, ja, dan leef je meer in overeenstemming wat je werkelijk bent.

Daarom is het misschien bijna een paradox dat je de mens toe moet roepen: Wees jezelf, wees altijd jezelf. Niet omdat die mens zijn ik beeld moet uitdragen, maar omdat wat hij in zichzelf beleeft, in zichzelf beseft, voor hem de enige manier is om in verbinding te komen met totaliteit.

Daarom bestaan er ook geen vaste wegen. Er zijn geen vaste procedures. Ieder maakt het op zijn eigen manier mee. Ieder op zijn eigen wijze ondergaat de veranderingen die langzaam maar zeker voeren tot het aanvoelen van het grotere verband. Daarom denk ik dat mensen die vragen: “Wat is God?” eigenlijk dwazen zijn. Dat de mensen die voortdurend praten over God en de wil van God niet weten waar over zij het hebben.

Maar ik denk dat de mensen die uit zichzelf de verbondenheid proberen te voelen met alle dingen en vanuit wat zij zijn, proberen voor anderen het beste te zijn, dat die heel dicht bij die waarden liggen die onomschrijfbaar blijven. Mensen, die in hun leven werken om naar de hemel te gaan, ach, die krijgen alleen maar een teleurstellende ervaring in de geest. En de mensen, die denken naar de hel te gaan, moeten beseffen dat ze niet naar een hel komen, maar dat ze misschien slaaf blijven van door hen zelf geschapen waanbeelden.

Er zijn geen absolute waarden in de menselijke zin van het woord. Zeker, er zijn dingen die zijn ons milieu, daar leven we in. God is ons milieu en gelijktijdig onze bezieling. Maar het zijn geen dingen die je kunt omschrijven, die je kunt hanteren. Daar om is mijn denkbeeld altijd maar: De esotericus is een eenvoudige. Een eenvoudige die niet probeert aan het ik te verklaren hoe het in elkaar zit, maar die het ik erkent zoals het in hem bestaat en vanuit zichzelf dat ik probeert gestalte te geven.

De grootste bewustwording is misschien wel deze: geen kennis en geen bereiking kan mij verheffen; maar al wat ik innerlijk ben, bepaalt de zin van al hetgeen ik ben, doe en denk. Het is dit innerlijk bestaan dat mij kan los maken van vele beperkingen, waaraan mens en geest zolang nog gebonden blijven.

Het zijn mijn gedachten maar, simpele gedachten. Daar moet je het gewoon maar mee doen. Dan kan ik zo langzaam maar zeker en heel voorzichtig onze “doctor in de filosofie”, zo zou ik hem haast willen noemen, een tip gaan geven dat hij over korte tijd moet door komen. Op het ogenblik dat ik besef: ik heb gedaan wat ik kon, ga ik gewoon weg. Maar het feit dat ik ophoud met deze actie is voor een ander, die weet dat zijn actie komen moet bepalend. Dus het is gewoon een resonantieverschijnsel

Wat die ander gaat brengen? Ik heb het al vaak gezien, het wordt voor een groot gedeelte mede door u zelf bepaald. Niet alleen wat ik heb gezegd, nee, datgene wat er op het ogenblik in u leeft. Want niemand kan tot u spreken behalve in die termen, die voor u iets te zeggen hebben.

Ik hoop alleen maar dat ik een paar dingen heb gezegd, die u ook wat te zeggen hebben. Wat doet u innerlijk? Babbelt u met uzelf over uzelf of beleeft u gewoon wat u bent? Als u dat laatste doet, dan zult u ontdekken dat er heel veel contacten bestaan en ook heel veel werelden, waarvan mensen geen weet hebben. Omdat het vaak hele vreugdige werelden zijn, gun ik ze u van harte, maar u zult wel zelf de sleutel moeten zoeken. Ik dank u voor uw aandacht.

De Gastspreker

Als gast spreken voor een gezelschap, dat je nog nooit volledig hebt kunnen ontleden, is altijd moeilijk maar wij hebben allen een ding gemeen: Wij denken. Ons denken is een poging om onze gevoelens met logische gegevens te omringen. Ons denken is selectief. Wanneer wij denken zijn wij geneigd uit alle gegevens steeds die gegevens te ontlenen, die passen in het kader van de gedachtegangen, die wij op dat ogenblik gebruiken. Het is daardoor vaak heel erg moeilijk om te begrijpen wat een mens beweegt, waardoor een mens geleid wordt en wat voor die mens een bestemming is. We vergissen ons altijd weer, want wij zien de dingen vertekend.

Het verschil tussen bv. een stoffelijke wereld en een geestelijke wereld doet mij altijd denken aan een waterspiegel. Steek een stok door de waterspiegel en je ziet, dat ze ineens een andere hoek schijnt te raken; ze is niet recht meer; ze lijkt gebroken. Op dezelfde wijze schijnen lotslijnen die geestelijk gezien lijnrecht zouden moeten doorgaan in de materie, afgebogen te worden.

Krachten, die in de stof ontstaan, hebben stoffelijk en verstandelijk gezien een vaste betekenis, een rechtlijnigheid. Kijk je echter wat ze in de geest betekenen, dan blijkt weer dat er een afwijking ontstaat.

Het zijn deze punten die mij tot vele bespiegelingen hebben bewogen. Wanneer ik u daar ‑ al ben ik dan een vreemdeling in uw midden ‑ probeer deel aan te laten hebben, dan moet u het gewoon zien, als iemand, die probeert zijn eigen ervaringen aan zichzelf te verklaren.

Lot bestaat niet, laat staan noodlot. Wat bestaat is een reeks condities, die moeilijk te doorbreken zijn. Wanneer wij de weg van de minste weerstand volgen, ja, dan bestaat er een lot en dan zijn bepaalde noodlottigheden in ons leven onvermijdelijk; in de stof tenminste. Op het ogenblik echter, dat wij bewust streven naar één bepaalde bereiking ontstaat er een afbuiging, een ervaring, die niet past in een rechtlijnige ontwikkeling. Op dat ogenblik zullen wij dus het noodlot en het lot getart hebben en daardoor tot een nieuwe reeks mogelijkheden en belevingen komen.

Dit schijnt in alle geest en niet alleen in de stof een rol te spelen. Zolang wij blijven bij vaste sjablonen, vaste beelden zijn we wel lotsverbonden. Je zou met enig voorbehoud zelfs van een absolute voorbestemdheid kunnen spreken.

Op het ogenblik echter, dat die sjablonen doorbroken worden, hoe dan ook en op welk onbelangrijk punt dan ook, dan blijkt ineens daardoor de gehele samenhang te veranderen. Er is dan weer een rechtlijnig lot langs de weg van de minste weerstand te volgen, natuurlijk. En wij kunnen ons wederom door onze denkbeelden, onze begeerten of onze voorstellingen laten leiden zodat dat nieuwe lot wederom noodlottigheden gaat bevatten.

Maar wanneer wij er voor waken in vaste patronen te vervallen, dan zal ons dat niet zo snel gebeuren. De geest is vrij. Dit betekent dat de mens grotendeels vrij is. Grotendeels, omdat hij een gebondenheid kent aan de materie en aan bepaalde zaken die daarin nu eenmaal onvermijdelijk zijn.

Wanneer de geest echter vrij is kan er geen absolute voorbestemming zijn, er kan geen noodlot zijn; er kan geen kracht zijn die wij aansprakelijk kunnen stellen voor hetgeen onszelf overkomt. Het is menselijk gezien en voor een bepaald deel van de geest iets verschrikkelijks, dat je anderen niet aansprakelijk kunt stellen en toch is dat, dacht ik, de waarheid. Laat mij u voorbeelden geven.

Een mens denkt intens in één bepaalde richting. Die heeft weinig te maken met de logica en datgene, wat algemeen aanvaardbaar wordt geacht. Het blijkt dan, dat de mens in die richting inderdaad vooruitgang boekt. Wanneer hij gelooft in zijn geluk zal dat geluk a.h.w. hem volgen. Of hij dat geluk nu toeschrijft aan zichzelf of aan een voorwerp maakt ook niets uit Het is de instelling.

Een mens, die daarentegen gelooft aan rampen, aan onheil aan een voortdurend onrecht dat hem zal worden, aangedaan, die zal deze dingen ervaren. Een geest, die gelooft in een schuld tegenover het geheel, zal niet gemakkelijk dit geheel beleven. Hij leeft in een kleine, duistere, afgesloten wereld. Een geest, die gelooft in de zinrijkheid van zijn bestaan en al hetgeen hij heeft verricht, leeft in een grote ruime wereld en vindt daarin mogelijkheden om geestelijk zijn besef en zijn mogelijkheden uit te breiden.

Dat betekent dat wij zelf voor een deel onze wereld scheppen. We kunnen niets scheppen wat niet behoort tot onszelf, dat is duidelijk. Maar ons scheppend vermogen ligt in de kans om mogelijkheden, die voor ons aanwezig zijn te realiseren. Waar een mogelijkheid voor ons bestaat, kunnen wij die waarmaken of wij kunnen die terzijde schuiven. Daarmee is niet gezegd dat die mogelijkheid bij vervulling aan al onze verwachtingen zal beantwoorden. Het tegendeel is vaak eerder waar.

Maar daardoor zijn wij losgebroken uit een vast schema. Dan hebben we nieuwe ervaringen opgedaan en kunnen wij daardoor onze wereld op een andere wijze gaan beleven. Wij zijn de scheppers en meesters van ons geestelijk noodlot, als u het zo wilt formuleren.

In al mijn benaderingen van andere werelden heb ik nooit een alomvattend beginsel aangetroffen. Dat wil niet zeggen dat het niet bestaat. Het wil alleen zeggen, dat het voor mij niet bestaat op dit ogenblik. Wanneer ik het toch aanneem is dit dus niet voortgekomen uit denken, uit beseffen, maar het is een gevoelskwestie en dan is het de vraag of die gevoelens in zichzelf juist zijn.

Wanneer u aanvoelt en uw gevoel niet probeert vorm te geven, maar het puur, onveranderd in uzelf beseft, dan zult u ontdekken dat dat gevoel in de eerste plaats altijd uw relatie met uw eigen wereld of omgeving van het ogenblik betreft. Wanneer u onrust gevoelt dan is er reden voor onrust. Maar de redenen die u daarvoor geeft zijn niet noodzakelijkerwijze juist. Wanneer u vreugde gevoelt, dan zal dit niet noodzakelijkerwijze op dit moment een reden vinden in uw eigen wereld. Maar uw vreugdigheid is wel degelijk het aanvoelen van een mogelijkheid van iets. Dit aanvoelen, heb ik aangetroffen tot in de hoogste werelden toe die ik heb betreden en dat wil zeggen bepaalde werelden van het witte licht.

Kennelijk gaat het hier om iets wat veel meer waard is dan je oppervlakkig zou denken. Het is een verborgen drijfveer waarvan we de oorzaak niet kennen. Het zou te gemakkelijk zijn om te zeggen, dat het God is die in ons spreekt want dan gaan we alles weer formuleren naar een eenheid, die we niet kunnen beseffen en dat is dwaas.

Maar we kunnen wel zeggen: wanneer in alle sferen en werelden die ik ken deze gevoelens voorkomen, dan moeten die gevoelens in al die werelden een mate van geldigheid bezitten. Het blijkt dat de gevoelens zich oriënteren op een onbekende pool, zoals een magneetnaald zich op de Noordpool oriënteert.

Het is een eigenschap van ons wezen. Wij richten ons kennelijk op krachten die niet zichtbaar zijn, die niet kenbaar zijn en die toch ergens bestaan. Dan vloeit daaruit voort, dat gevoelens nimmer voor ons de richting van ons streven zullen aangeven, maar dat zij ons een oriëntatiemogelijkheid geven te midden van de ontwikkelingen en de mogelijkheden die voor ons op het ogenblik bestaan.

Ik hoop, dat ik u enigszins kan boeien met dit betoog en dat ik begrijpelijk blijf. Wie hardop denkt vergeet vaak dat denken datgene is waarin de grootste verschillen voorkomen. Na lang onderzoek en vele overpeinzingen en wat dat betreft zelfs meerdere malen een wisseling van werelden, ben ik tot het voor mij geldige bewijs gekomen, dat gevoelens voor ons een aanduiding zijn aan de hand waarvan wij ons streven, onze daden, maar ook onze innerlijke belevingen kunnen richten. Het geeft ons de mogelijkheid om onze vrijheid in grote mate te gebruiken.

Juist de zeevaarder die een kompas heeft, kan zich oriënteren zelfs wanneer er geen zon, maan of sterren zijn aan de hand waarvan hij misschien zijn richting en koers kan vastleggen. Zo is er in ons dit oriëntatiemiddel. Maar je kunt terwijl het kompas naar het noorden wijst ook naar het zuiden zeilen. Dan is de koers weliswaar mede door het kompas bepaald, maar niet het einddoel en zelfs niet richting of bestemming. Deze liggen geheel in jezelf.

Nu zijn er heel veel krachten en werelden, die voor een mens mijns inziens erg belangrijk moeten zijn. Wanneer u spreekt van kracht gebeurt er niets. Wanneer u gelooft aan kracht gebeurt er iets. Wanneer u een kracht aanvoelt en u niet door de kracht laat richten, maar de kracht vanuit uzelf richt, gebeurt er veel. Waar ligt de bron van die kracht? Voor zover ik na kan gaan schuilt ze in de mens zelf. Ze is deel van de geest, ze is deel van de ziel. En zo haar oneindigheid ons in vele gevallen kan overbluffen, zo moeten wij er rekening mee houden dat we onszelf en ons wezen niet voldoende kennen om uit te maken, dat hier sprake is van een zuiver externe kracht.

Wanneer ik bid (oh ja, vergis u niet, ook ik bid) ben ik niet bezig met een dialoog met een onbekende persoonlijkheid; ik ben bezig met een aanvaarding van wat ik zelf ben en wat ik beschouw als mijn wereld. Dit bidden is in zekere zin, volgens uw termen, een Gods erkenning. Maar het is eerder een erkenning van actie, van kracht, van mogelijkheid, dan een bepaling van een invloed die mij kan leiden.

Beseffend hoe onbelangrijk een ego is in het geheel, waarvan het op grond van welke regel dan ook deel uitmaakt, zo moeten wij beseffen dat onze wereld door ons wordt gemaakt. De wereld is zoals wij haar zien, maar ze is meer. Ze is datgene, wat wij haar ontnemen en wat wij haar geven.

Er is een voortdurende wisselwerking tussen alle, dingen. Deze wisselwerking zal in de mens vele geestelijke werelden kunnen omvatten, maar daarnaast in zijn eigen wereld is het een samenspel van geven en nemen. Dat hierbij niet de uiterlijkheden maar de inhoud, de essentie bepalend zijn voert er toe, dat wij de samenhangen stoffelijk gezien vaak over het hoofd zien of niet erkennen.

Je kunt niet zeggen: je bent ziek en het is jouw schuld. Je kunt wel zeggen: je bent ziek en zelf voor de ziekte mede oorzakelijk. Je kunt niet zeggen: je leeft in een waanwereld. Maar je kunt wel zeggen: je leeft in een werkelijkheid die je niet kunt hanteren, omdat je een deel van je eigen werkelijkheid niet wenst te erkennen.

Altijd weer, in welke sfeer dan ook, vind ik deze verschijnselen. Een geest kan ook ziek zijn in die zin, dat zij in een deel of in het geheel van haar uitingen beperkt of belemmerd is, dat zij op bepaalde punten geen harmonie kan ervaren en geen communicatie kan opbouwen. Ook een geest kan datgene wat hij ontvangt verkeerd interpreteren en zo leven in een schizoïde wereld waarin uiteindelijk voortdurende tegenstellingen en achtervolgende krachten voor hem een hoofdrol spelen. In een hogere wereld komt dit minder voor omdat het aantal verschillen, dat in die hogere wereld bestaat, kleiner is en daardoor een algemene beleving en aanvaarding eenvoudiger wordt.

Wij kunnen ons zelf nooit beschouwen als wezens die hoe dan ook bepaald worden. Wij bepalen onszelf. Maar dat houdt in, dat onze verplichting ten aanzien van het geheel is opgebouwd uit datgene, wat we zelf zijn. Wanneer wij denken aan krachten die in ons leven en wij willen die krachten delen met de wereld dan ontstaat er een kracht, die die gehele wereld kan omvatten.

Wanneer wij geloven in onszelf, wanneer wij geloven in datgene dat wij volbrengen en volbrengen moeten, dan geven wij daarmede de wereld iets, wat voor die wereld van betekenis is. Maar wanneer wij aarzelen dan is de betekenis weggevallen, dan faalt de kracht, dan blijft alleen de illusie over, de waan of het conflict.

Het is verwonderlijk hoe incarnatiecycli verbonden schijnen te zijn met de wijze waarop geestelijke sferen worden beleefd. Want de geestelijke wereld met haar mogelijkheden verandert niet. Maar een geest ontzegt zich bepaalde mogelijkheden, durft niet, kan niet aanvaarden dat het beeld, dat hij zich van zichzelf en de wereld heeft gemaakt, op een of andere wijze aan een voortdurende verandering onderhevig is. Hij vreest de chaos en beseft niet, dat de werkelijke chaos is opgebouwd uit verstarring. Daardoor wordt die mens teruggedwongen naar leven op aarde in de stof; daardoor keert die mens steeds weer terug. Daardoor leeft de ene mens in werelden van de geest, al beseft hij deze niet altijd geheel juist, terwijl de andere alleen maar gebonden is aan zijn stoffelijk bestaan en zelfs daarin geen vrede en geen mogelijkheden tot ontplooiing vindt.

Ik zeg u dat het gevoel, dat in het diepst van uw wezen schuilt en niet de vorm, die u daaraan verstandelijk of redelijk probeert te geven, bepalend is voor al datgene, wat ge kunt zijn en kunt doen. Wanneer ik tot u zeg: er is licht, dan is er licht. Want voor mij bestaat dit licht. Voor mij is dit licht waar. Als u denkt: ja, hij kan gelijk hebben, er is licht of er is misschien licht, dan ontstaat er voor u ook licht. Maar het is niet mijn licht wat u ziet. Het is uw eigen licht, want het is uw visie op het licht.

Wij kennen geen van allen het fenomeen waaruit het voortkomt, al vermoed ik, dat de kern van ons eigen wezen daarbij betrokken is, maar wat wij zien in een schijnbare gemeenschappelijkheid vloeit voort uit elk van ons afzonderlijk.

Wanneer ik tot u zeg: u bent veel meer dan u denkt te zijn dan maakt u zich een beeld van wat u zou willen zijn, maar dat bent u niet. Het beeld dat je maakt heeft geen leven. Je kunt geen standbeelden opbouwen voor jezelf vol van edelheid en sierlijkheid en zeggen: “dat ben ik” en het dan zien leven. Je kunt alleen maar zonder een beeld te maken van jezelf bestaan en in de aanvaarding van je bestaan een betekenis uitdrukken, die buiten alle tijd werkelijk is en die dan alles omvat van kracht, van licht, van wijsheid of welke term u ook wilt gebruiken tot de schoonheid en de liefde toe, die u eraan geven wilt.

De meesten onder u kennen het diagram dat men wel de levensboom noemt. Het gaat uit van de chaos, het loopt op naar de kroon en kent 3 rechte hoofdwegen of bijna rechte hoofdwegen. Daartussen echter zijn die verbindingen, waardoor het punt op de ene weg verbonden is met het punt op de andere. De betekenis ervan wordt veel te weinig beseft: Er is niet één weg die je moet gaan, er zijn wegen die je volgen kunt.

Maar elke weg wordt bepaald daar wat jezelf bent. Als je aarzelt tussen de schoonheid en de liefde, 2 krachten die worden weergegeven, of de wijsheid en de liefde, of de wijsheid en de schoonheid, dan kun je niet meer die weg volgen maar dan ontstaat een convergerende lijn, die uiteindelijk uitkomt bij die weg die voor jou tijdelijk de overhand heeft.

Geen vaste rituelen, geen vaste beschermengelen en symbolen; dat zijn maar menselijke zaken, maar het feit dat de geneigdheid van ons wezen en de instelling van ons wezen voortdurend weer bepaalt op welke wijze wij het dichtst bij de waarheid leven.

Dicht bij de waarheid leven. Misschien heeft Sartre een vergissing gemaakt toen hij zei: “l’enfer, ce sont les autres”. Hij zou moeten zeggen:” l’enfer c’est vous même.” De hel dat ben jezelf. Maar dat zou hij ook over de hemel kunnen zeggen.

Wij bepalen een groot gedeelte van onze weg. Hoe meer wij ons laten leiden door datgene wat we niet zijn, hoe groter de conflicten die wij ervaren. Laat mij nog iets zeggen over een fenomeen, dat in alle lichtende sferen een belangrijke rol speelt. Men noemt het meestal harmonie; men zou het ook uitwisseling kunnen noemen. Harmonie is niet: opgaan in het andere het is jezelf toevoegen aan het andere. Het wil niet zeggen dat je het uiteindelijke effect volledig beleeft of kent.

Wanneer je speelt in een orkest hoor je je eigen instrument het beste. Al de anderen zijn a.h.w. begeleiding. Zo is het ook in harmonie, ik ben nog steeds datgene, wat ik het beste begrijp en versta. Maar de anderen geven mij een achtergrond, waardoor ik a.h.w. toch boven mijn eigen zijn en kunnen deels verheven word,

Deze harmonie blijkt niet beperkt te zijn tot een bepaalde wereld, niet beperkt te zijn tot een bepaalde hoeveelheid entiteiten van een bepaalde soort daarvan. De harmonie ontstaat altijd weer met het geheel. Soms kunnen groepen uit het geheel tijdelijk overheersen. Maar altijd weer speelt het geheel een rol en zijn, zelfs wanneer je een bepaalde groep of klasse op dit moment als harmonisch ervaart, die anderen aanwezig en zij bepalen een achtergrond, zelfs door hun tijdelijk zwijgen zover het jou betreft; want zij vormen het momentum waardoor het geheel betekenis krijgt.

Deze harmonie kan niet ontstaan door een zelfverloochening zonder meer. Ze kan alleen ontstaan door de afstemming van het ik op de anderen. Het is de wisselwerking tussen jezelf en die anderen. Het is niet het oordeel dat je uitspreekt, het is niet de zegen die je anderen wilt geven. Het is eenvoudig de hoeveelheid aanvaarding of begrip die je vindt voor de ander en datgene, wat van jezelf naar die andere uitgaat en jouw erva­ring en oordeel mede inhoudt.

Men zegt: alle werelden van de geest zijn opgebouwd uit gemeenschappelijke gedachten, Ik zou zeggen: alle werelden van de geest zijn opgebouwd uit één en dezelfde kracht al ken ik haar niet volledig. Maar zij manifesteert zich voortdurend in overeenstemming met het gebeuren in een bepaalde wereld een uitwisseling van begrip en gedachten. Wat geldt voor andere werelden moet gelden voor de wereld van de mensen.

Gedachten vormen de wereld, gedachten trekken gelijksoortige entiteiten aan. Krachten die worden uitgezonden wekken soortgelijke krachten op. De gehele kosmos is een voortdurende echo op datgene wat wij in die kosmos zijn, beleven en denken. Maar dan is het belangrijk dat wij die kosmos aanvaarden zoals zij is, dat wij deze kosmos beleven niet in een bepaald beeld of in een bepaalde dwang of een richting, maar als een geheel, dat in zichzelf onbegrepen toch zinrijk is. Als wij die zinrijkheid aanvaarden klinkt de echo van die zinrijkheid uit de hele kosmos tot ons.

U kunt in uw wereld, zelfs in uw wereld, veel van hetgeen u denkt en voelt te zijn gestalte geven in anderen. U kunt antwoord krijgen op datgene wat u waarlijk voelt en denkt. U kunt tot stand brengen wat waarlijk in u leeft en daardoor van u uitstroomt. Er zijn geen grenzen.

De grenzen bouwen wij zelf.

Iemand uit de doden opwekken is geen onmogelijkheid, het is alleen in de meeste gevallen een onnadenkende daad. Zieken genezen is geen wonder; het is alleen een overeenstemming bereiken met datgene wat in jou leeft en in een ander leeft. Daaruit komt alles voort, inclusief de procedure. Inclusief de eventuele wijze van benaderen, de werking, ja zelfs de omgeving en al wat erbij behoort.

Wanneer ik u, mijne dames en heren, op deze avond iets van mijn eigen denken mag voorleggen, zo moet u mij toestaan conclusies te trekken, die vanuit mijn standpunt voor u geldig zijn. Door de weg te gaan, die je innerlijk als waar aanvoelt, schep je toenemende waarheid in en voor jezelf. Maar waar waarheid ontstaat, wordt zij onaantastbaar voor het zelfbedrog dat in anderen zou kunnen leven.

Daar, waar u uw eigen weg kiest, moet u die weg kiezen als deel van een geheel. Niet om uzelf daaraan op te offeren af daaraan onder te gaan, maar omdat alleen het antwoord wat de wereld u geeft voor u een erkenning kan betekenen van hetgeen waarlijk in u bestaat. Ik meen, dat zelfs de mens moet gaan beseffen, dat de omstandigheden van zijn wereld niet zo belangrijk zijn als de omstandigheden die in hemzelf leven.

Wanneer u ondergang vreest en in uw gevoel daartegen strijdt wekt u strijd op. U kunt eraan ten onder gaan. Maar wanneer vrede in u leeft en toch uw verbondenheid met anderen waar blijft, dan ontstaat de werkelijke eenheid en geeft zelfs uw eigen wereld antwoord aan al wat in u bestaat.

Houdt u niet te veel bezig met de werelden van de geest tenzij u ze kunt betreden. Roepen naar andere werelden heeft weinig betekenis wanneer ze niet waarlijk beleefbaar zijn. Maar uw eigen wereld is waarlijk beleefbaar. Daarin moet u waar zijn, daarin moet u waarmaken en daarin kunt u het innerlijk gevoel, de waarden voortdurend zo kenbaar maken dat u weet wat zij feitelijk betekenen.

Wanneer men u een duizend jarig rijk of een vrederijk van uitverkiezing belooft, dan houdt men u een wortel voor, waar u als een hongerige ezel achteraan kunt draven zonder ooit het begeerde te bereiken. Maar wanneer u beseft, dat de kracht, dat dit duizendjarig rijk, dat die eeuwigheid of uitverkiezing nu waar is en niet morgen af later, maar een feit is, dan zult u daardoor in uzelf de mogelijkheid vinden om delen van dat feit uit te drukken.

Ik zeg tot u: (en ik heb vele werelden gekend, beleefd, bezocht) Uw wereld moet beleefd worden volgens de normen van die wereld. En slechts wanneer uw geest vrij is en kan uit gaan naar andere werelden kunt u beseffen wat vanuit een andere wereld belangrijk is. Zonder dit bereikt en beseft u niets.

Als u waarheid bezit in uzelf moet u haar kunnen waarmaken zelfs als dit voor de wereld een wonder is. Als u geen wonder kunt doen is in u op dit punt geen waarheid. Stel uzelf op de proef, leer uzelf kennen. Leer uzelf beleven. Gebruik uw gedachten niet als een scherm voor wat er in u bestaat.

Laat uw angsten niet geformuleerd in u bestaan en richt ze naar de wereld, opdat u een antwoord krijgt dat de angst overbodig maakt. Wanneer in u een verlangen en een begeren is, geef het geen vorm maar zend het uit. Ontdek dat het in uw wereld eveneens bestaat. Wanneer u God in u meent te gevoelen, omschrijf niet, verhef u daarop niet, maar laat die God van u uitgaan en in de wereld zult ge iets zien wat u duidelijk maakt wat uw God is.

Wij moeten leven naar de waarheid. We moeten in ons streven naar de waarheid niet onszelf zoeken, noch de onveranderlijke waarheid die als een juk kan worden opgelegd.

We moeten de waarheid in ons beleven. Door haar te beleven vinden wij in de wereld het antwoord waaruit wij leren. Wie in zichzelf leert geloven en vertrouwen zal daardoor en alleen daardoor in zijn God kunnen geloven en vertrouwen. En eerst wie deze dingen bereikt kan werelden beleven, die meer omvatten dan het menselijk vormspel, omgeven door de zelfmisleiding van een wezen dat deels zichzelf verwerpt. Ik dank u voor uw gehoor. Ik dank het medium voor de mij gebonden mogelijkheid en zal het thans vrijgeven.