Innerlijke gaven

Laat mij allereerst stipuleren wat ik onder “gaven” wil verstaan binnen het verband van deze lezing.

Een innerlijke gave is een in de mens bestaande eigenschap die niet behoort tot de eigenschappen welke door hem als normaal worden erkend en door hem normaal kunnen worden ontwikkeld. De mens heeft een aantal lichamelijke eigenschappen welke hij kan beheersen. Daarnaast heeft hij een aantal automatische lichamelijke functies welke hij niet kan beheersen. Nu blijkt dat een mens die zich daarin traint (denkt u aan bepaalde vormen van yoga; begint u met de hatha‑yoga) in staat zal zijn om dergelijke automatische functies bewust te beheersen. Dit is natuurlijk geen innerlijke gave, dat zult u begrijpen.

Maar het zal u misschien duidelijk maken hoe de innerlijke gaven in feite functioneren. Ze zijn een deel van een automatisme en juist daardoor zal de mens er weinig een beroep op doen. Hij zal niet geneigd zijn deze dingen als exceptioneel te zien.

Er zijn natuurlijk wel z.g. “gaven” die men direct kan ontwikkelen. Dat zijn bepaalde vormen van sensitiviteit, helderziendheid, helderhorendheid en telepathie. Maar al deze zaken zijn eigenlijk symptomen; ze zijn geen wezenlijke eigenschappen. Ze zijn doodgewoon factoren van innerlijke waarden die onder beheersing komen, daardoor in de stof bewust kunnen worden gebruikt. De innerlijke gaven van de mens zijn niet gericht op de wereld in de materie rond hem.

De kern van de mens is een aantal krachten. Zij kunnen deze onderscheiden in:

  1. de z.g. goddelijke of oerkracht,
  2. de z.g. geestelijke of bewustzijnskracht,
  3. de z.g. levens‑ of manifestatiekracht.

Nu is de manifestatiekracht een normaal deel van uw bestaan. De goddelijke kracht is eveneens een normaal deel van uw bestaan.

Maar de geestelijke kracht (de bewustzijnskracht) wordt door de doorsneemens en zeker in de materie niet voldoende gebruikt. Veel van hetgeen hij als gave omschrijft, is in wezen een uiting van deze geestelijke kracht die in hem bestaat, waardoor hij ook geestelijk kan functioneren.

Nu stel ik, want alles uit te werken en te bewijzen zou mij te ver voeren:

In de mens bestaat een compleet wereldbeeld. Dit wereldbeeld kan hij beheersen; het is namelijk zijn eigen schepping. De verhoudingen die hij daarin schept, zullen invloed hebben op alle krachten die er in hem bestaan. Dat wil zeggen: door het geestelijk beeld wordt de kenbaarheid van de goddelijke kracht bepaald, daarnaast de functie van die levenskracht. Waar de levenskracht functioneert, werkt zij naar buiten toe en veroorzaakt ze verschijnselen.

Elke mens, elk levend wezen zelfs, draagt in zich een aantal verschillende vormen van bewustzijn. Ik gebruik het woord “vorm” met enige aarzeling omdat er geen sprake is van een lijnbegrenzing, maar slechts van een verschillende geaardheid. Deze verschillende vormen van bewustzijn nu zullen slechts voor een klein gedeelte door de mens in het hersendenken kunnen worden ontvangen. De andere vormen openbaren zich aan hem als emoties of ‑ zoals ook in vele gevallen gebeurt ‑ alleen door de uitwerkingen die zij tot stand brengen.

Indien wij deze inwerkingen van geestelijke aard beschouwen, dan kunnen wij ze zien als innerlijke gaven. Ze zijn de kwaliteiten die ons bestaan kleuren en meestal zelfs mede kunnen bepalen.

De eerste en meest belangrijke gave is overzicht of wijsheid. Deze wijsheid bestaat niet uit kennis. Ze is het vermogen om alle aanwezige krachten in het “ik” te beseffen en de resultaten van dat samentreffen van de krachten te bepalen. Men kent dus de oorzaak, men kent de werking. Hier treedt een zeer belangrijk verschijnsel op. De mens die deze innerlijke wijsheid bezit, is geneigd alle door hem niet gekende of niet in hersendenken kenbare vormen van geestelijk bestaan uit te drukken hetzij in symbolen, hetzij in kleuren, hetzij in visioenen van allerlei aard zodat hij zich in deze symbolen e.d. bewust wordt ‑ niet alleen van zichzelf, maar ook van alle werkingen die ten aanzien van het “ik” ontstaan en van de wijze waarop het “ik” daarop zal antwoorden.

Nu is deze stelling op zichzelf natuurlijk betrekkelijk moeilijk. Voorstelbaar is ze voor de mens zelden helemaal. Maar laat mij proberen dit voor u te verduidelijken.

Wij hebben als mens een aantal begrippen waaronder ook abstracte. Wij zullen deze abstracte begrippen heel vaak beleven als een deel van onszelf. Er bestaat in uw tijd de neiging om een trip naar je binnenste te maken. Als je dit doet ‑ hetzij meditatief hetzij anderszins ‑ zo ontmoet je daar allerlei ruimten. Soms heb je het gevoel in een kerk te zijn, soms in een hel, soms meen je een soort hemel aan te treffen. Wat de meeste mensen zich niet realiseren, is dat deze innerlijke werkelijkheid alleen maar de vertaling is van de invloeden waaraan het “ik” onderworpen is. Het symbool geeft aan welke krachten er op mij inwerken. Mijn emotionele respons daarop maakt duidelijk hoe ik deze krachten tot uiting kan brengen. Maar die wijsheid in mij ‑ al dan niet in symbolen afleesbaar voor de hersenen ‑ betekent dat ik in staat ben om mijn relatie met de wereld te bepalen.

Er zijn verschillende systemen en regels waarin dit nader wordt omschreven. Ik doe een betrekkelijk willekeurige keuze.

“In mij bestaat de erkenning van de wereld. Zo mijn erkenning van de wereld gelijk blijft aan mijn beantwoorden aan de wereld, zal ik het vermogen bezitten om mijn eigen plaats in de wereld voortdurend te beseffen en te wijzigen volgens eigen believen of inzicht.”

Dit is een belangrijk punt. Als je weet wat er op je inwerkt, ben je dus in staat om jezelf a.h.w. te veranderen en daarmee je betekenis binnen het geheel te wijzigen. Je wordt niet geleefd door de krachten die je beroeren, maar je leeft door de erkenning van die krachten plus het kiezen van een plaats waarop zij je zo beroeren dat. het resultaat voor jou aanvaardbaar is. In dezelfde leer waaruit ik reeds citeerde, staat dan ook:

“De bewuste zal zijn innerlijke gaven of krachten gebruiken om zichzelf in de wereld voortdurend zo te plaatsen dat hij een zo groot mogelijke vrede ervaart als mens, een zo groot mogelijke bewustwording als geest en een zo groot mogelijke kracht in zich verzamelt uit de goddelijke kracht die in hem leeft.”

Ik gebruik het woord “kracht”. Ook kracht speelt bij innerlijke gaven wel degelijk een rol. De regels die hiervoor gelden zijn vaak wat onduidelijk. Ik wil daarom tevoren stipuleren dat men uitgaat van het standpunt dat de kracht waarover een mens of een geest kan beschikken theoretisch onbegrensd is en slechts kan worden begrensd door het onvermogen die kracht te aanvaarden. In deze zin gelden dan weer de volgende regels:

“Hij, die door innerlijke wijsheid beseft welke krachten hij van node heeft, zal deze krachten ontvangen. Hij zal deze krachten kunnen gebruiken op elke wereld en op elke andere kracht die rond hem bestaat. Hij is meester geworden over het rond hem zijnde en kan slechts onderworpen zijn aan één die bewuster is dan hij en dus grotere krachten in zich draagt dan voor de persoon in kwestie mogelijk is.”

Een tamelijk vrije vertaling. Hieraan zou ik willen vastknopen een denkbeeld dat wij o.m. in de Mahabharata aantreffen maar ook in bepaalde andere Veden:

“Als ge leeft, leeft gij als het centrum van uw eigen wereld. Al wat gij uitzendt in die wereld, zal te enigerlei tijd reflecteren en u weer bereiken. Dat kan direct, dat kan indirect. Gij kunt nooit uzelf bevrijden van hetgeen ge doet of hetgeen ge zijt. Alleen als gij het in uzelf verandert, dan verandert gij uw relatie met de werelden. Zo zullen de krachten die u vanuit de wereld buiten u bereiken, ook veranderen.”

Dit is kosmisch gezien natuurlijk niet geheel zuiver, want er zijn krachten die wij zelf niet kunnen veroorzaken. Er zijn ook krachten die wij kunnen beheersen, maar die behoren niet tot onze wereld en zullen daarin dus ook niet reflecteren. Voor de menselijke praxis is dit voldoen: Alle kracht die je uitzendt, keert tot je terug. Elke daad die je stelt, keert tot je terug. Er is geen mogelijkheid te ontkomen aan dat wat je bent of aan dat wat je doet. Indien u dit begrijpt ‑ en ik neem aan dat het duidelijk genoeg is gesteld ‑ dan wordt ook duidelijk waarom vaak een grote nadruk wordt gelegd op die meest wonderlijke gave die er in de mens bestaat, de gave die men licht noemt.

Dit licht is in feite het vermogen tot kennen. Het is geen wijsheid, maar het is het vermogen om de essentie der dingen te doorproeven. Een wijsgeer heeft eens gezegd:

“Als ik de boom beschouw en met haar de streling van de wind ervaar, als ik met haar de zon en de wolken voorbij voel trekken, zo weet ik eerst wat een boom is. En de boom zal antwoorden, omdat ik spreek als een boom.”

Deze wijsgeer heeft een essentie begrepen: wij zijn niet afhankelijk van de vorm waarin wij op dit ogenblik bestaan. Wij zijn deel van alle vormen die voor ons kenbaar zijn en wij kunnen de emoties en de krachten van alle vormen beleven. Dat houdt in dat wij in de plaats kunnen treden van een ieder en van alles, mits wij ons daarin kunnen projecteren. Die projectie is voor de meeste mensen incidenteel en kan nimmer geheel bewust worden beheerst. Het is echter een innerlijke eigenschap die behoort tot de essentie van uw wezen. Door oefening kan men leren zich a.h.w. te verplaatsen in al het andere.

Als u een medemens ziet en u wilt weten wat zijn problemen zijn, dan behoeft u niet te puzzelen. U laat uw gedachten uitgaan en u bent a.h.w. tijdelijk identiek met die ander. U bent in wezen en vorm aan hem gelijk geworden. In u rijzen nu alle gedachten en problemen die er in de ander bestaan. Op grond daarvan weet u precies wat er in de ander niet in orde en wat er wel in orde is.

Dit geldt natuurlijk niet alleen voor mensen. Een mens, een boom, die stoffelijke dingen behoren zeer zeker voor de mens tot datgene, waarop hij het eerst deze innerlijke gave zou kunnen richten, waarin hij voor het eerst tot de beleving van dit werkelijke licht, deze verenigen­de kracht kan komen. Maar er zijn ook geesten, er zijn sferen, er zijn allerhande krachten rond u. Krachten, die mens zijn geweest of die nooit mens zijn geweest of het nooit zullen worden. Ook in dezen kunt u zich verplaatsen.

Als u een kracht aanvoelt en u wilt weten wat zij is, laat dan uw wezen uitgaan naar die kracht en absorbeer haar wezen. U imiteert haar tot in perfectie met elke emotie, met elke kracht, met elk gevoelen en u wéét nu wat die andere kracht is. Maar u kunt op deze wijze eveneens beschikken over al datgene wat er in die kracht geborgen is. Want hij, die een weten bezit ten aanzien van de kosmische kracht, kan haar richten volgens dit weten. Het is een gave die soms tot uiting komt.

Als wij horen dat wonderdoeners een mens aanraken en hem genezen, dan lijkt dat ons toe alsof zij alleen maar een gebaar behoeven te maken, een wil behoeven te hebben. De kern is echter dat zij op dat ogenblik één zijn met degene die ze beroeren. Het is door die eenheid dat zij met hun hoger inzicht en hun hogere kracht de verandering tot stand brengen, in die medemens. De grote bewusten hebben allen deze kracht leren beheersen. Daardoor zijn zij in staat alles af te lezen wat er in het leven tot hen komt. Zij erkennen de essentie van goed en van kwaad, niet in absolute zin maar ten aanzien van henzelf. Zij zijn in staat elke verandering te bewerkstelligen die in overeenstemming is met hun innerlijke harmonie plus hun erkenning.

“Een mens,” zo zegt de leerstelling, “is almachtig indien hij zijn wezen beseft. Slechts, één kracht kan hij niet beheersen, de kracht die hem voortbrengt. Maar hij is meester over alle andere krachten, omdat in hem de vorm van alle krachten mede aanwezig is en daardoor de inhoud van alle krachten door hem kan worden beseft.”

Een innerlijke gave, zoals u begrijpt, maar wel degelijk een eigenschap die iedereen bezit, een eigenschap die door oefening inderdaad kan worden ontwikkeld. Het licht heeft trouwens nog een andere functie die in dit verband belangrijk is. Licht is de uitdrukking van kenbaarheid, maar ook van totaliteit.

“Wie het licht beleeft,” zo zeggen de oude boeken, “ziet niet de voortdurende wervelgang der incarnaties, maar ziet het beeld van zijn wezenlijk “ik” waar omheen dit alles zich ooit afspeelde. Hij weet wat hij is, wat hij is geweest en wat hij zal zijn wanneer hij terugkeert tot de vorm waarin hij normalerwijze zichzelf beleeft.”

Hier wordt gesproken over een heerschappij over de tijd. Een mens zal beseffen dat die heerschappij beperkt is. Je kunt de tijd ten dele beheersen, zelfs t.a.v. je lichaam.

Een menselijk lichaam zou, indien het op de juiste en harmonische wijze wordt geleefd, een levensduur moeten hebben die gemiddeld ligt tussen de 150 en 170 jaar. Een mens die in staat is een volledige harmonie voortdurend aan zijn lichaam te verschaffen, kan leven tot het moment dat zijn vermogen om nieuwe feiten te absorberen in de stof volledig is uitgeput. Dit kan duizenden jaren duren. Overigens mag ik hier misschien zeer aarzelend aan toevoegen, dat uw huidige wereld mij geen aanleiding schijnt te bieden om duizenden jaren te leven, tenzij men daar een zeer bijzondere taak beslist moet volbrengen. De mogelijkheid bestaat echter wel.

Tijd is een element dat althans voor een groot gedeelte mede wordt geschapen door ons besef als mens en soms ook als geest. Als het licht in ons is, zullen wij zien dat dit een functie is van onszelf. Maar een functie kan worden beheerst en veranderd. Slechts een wet buiten ons kunnen we niet veranderen, indien zij waarlijk van goddelijke origine is. Zo zijn wij dus grotendeels meester van onszelf, indien wij beseffen wat wij zijn.

Het licht is één van de gaven, één van de krachten die in ons altijd bestaat. Het gebruik dat wij ervan maken, is over het algemeen zeer beperkt. Wij zijn niet geneigd ons af te vragen wat het geheel van ons bestaan is. Wij vragen ons liever af wat ons bestaan het volgende moment zal brengen. Daardoor maken wij ons gelijktijdig slaven van de tijd en beperken wij onze mogelijkheid en het geheel van de tijd in onszelf tot werking te brengen.

De situatie van een mens is uit de aard der zaak er één van beperkingen. Maar een beperking betekent eigenlijk: onderworpen zijn aan iets. Nu bestaat in elke mens en in elk levend wezen de goddelijke kracht waarvan ik u reeds sprak. Een kracht waaruit onbeperkt geput zou kunnen worden. Maar eveneens een kracht die in vele vormen in verschijning kan treden. Alle verschijnselen ‑ ook die welke door natuurlijke oorzaken tot stand komen zoals zwaartekracht, magnetisme en al dergelijke dingen ‑ behoren nu eenmaal tot een uiting van deze goddelijke kracht die in ons bestaat. Een besef van die kracht in ons maakt het dus mogelijk dergelijke werkingen op te heffen. De bewuste zweeft niet omdat hij een kracht uitstoot die tegen de zwaartekracht, ingaat, maar doordat hij zijn eigen harmonie zo verandert dat hij niet of slechts op een bepaalde wijze onder de zwaartekracht valt. Hij kan de werking van elke kracht ten aanzien van hemzelf veranderen.

Dit is natuurlijk vergaan. En ik geloof onmiddellijk dat als u op deze manier zou leren vliegen er belangengroepen zouden zijn die u dat zouden verbieden, omdat u dan het luchtverkeer teveel zoudt schaden. Maar waarom zouden wij alleen vliegen? Er zijn zoveel krachten die ons beroeren.

Als wij bv. door kosmische krachten worden beroerd: de stralen die uitgaan van ongekende bronnen (soms geestelijke, soms stoffelijke, die het menselijk lichaam kunnen vermoeien, die de mens kunnen prikkelen, die zijn emoties kunnen veranderen, dan is het erkennen van deze krachten voldoende voor de mens om zijn beroep op de goddelijke kracht gelijktijdig te maken tot een uitschakelen van elke niet gewenste invloed.

De mens, die de gaven die in hem berusten volledig kan gebruiken, is meester over de kosmische invloeden voor zover het hemzelf betreft. Want hij zal hun beroering erkennen door zijn innerlijke wijsheid, maar hij zal door zijn innerlijke kracht hun werking op zijn wezen mede kunnen bepalen of teniet kunnen doen.

Dit kan voor menigeen erg belangrijk zijn. Want hoeveel mensen worden er niet voortdurend gestimuleerd door invloeden van buitenaf? Als u zich uw innerlijke kracht realiseert, dan zult u ook zeggen dat het niet zinrijk is u te laten leven, te laten drijven door anderen. Dan zult u besluiten dat het tijd wordt om zelf te bepalen wat u bent en waarheen u gaat, hoe u zich zult voelen en hoe u zult erkennen dat u wilt werken uit de totaliteit, omdat u het licht in u wilt laten werken. Doe dan een beroep op de kracht ! En deze kracht compenseert alles wat u zoudt kunnen aantasten. Deze kracht herstelt elk evenwicht dat van buitenaf misschien verstoord lijkt.

Innerlijke gaven, mijne vrienden, zijn niet alleen maar kleine eigenschappen. Innerlijke gaven zijn de uitingen van uw essentieel wezen, van uw totaal ego. Ze behoren niet alleen tot één bepaalde wereld. Ze behoren tot alle werelden waarin u ooit zult bestaan, tot alle vormen waarin u zich ooit zoudt kunnen manifesteren. Want uw wezen zelf bevat de grote krachten van wijsheid, van licht en van kracht. Met deze drie alleen reeds kunt u alles tot stand brengen. Elke paranormale begaafdheid waarnaar zo vaak wordt gehunkerd, wordt nutteloos en zinloos indien u die innerlijke kracht, die innerlijke gave leert kennen en leert gebruiken.

Telekinese is misschien het met veel kracht bepalen hoe een dobbelsteen valt. Maar als u zich bewust bent van de innerlijke kracht, dan valt die dobbelsteen niet dank zij uw manipulatie. Dan stelt u eenvoudig uw relatie tussen uzelf en de dobbelsteen en die zal altijd beantwoorden aan wat voor u juist en noodzakelijk is. En als een dobbelsteen te nietig is, noem dan desnoods een torenflat, want ook die is hieraan gelijkelijk onderworpen.

Waar de innerlijke gave is ontwikkeld, blijft de massa fictief. Massa is alleen maar de representant van energie. Het is een vorm waarin de energie optreedt. Indien in mij de kracht is, dan zal ik een energie kunnen gebruiken groter dan welke kracht ook die in materie is vastgelegd en zal materie beantwoorden aan datgene wat ik noodzakelijk acht. Als ik een steen tot brood wil maken, zo kan ik dit doen. De vraag is, of het nuttig is. Maar ik kan dat doen. Als ik een dode boom opnieuw wil laten bloeien en vrucht dragen, dan behoef ik slechts mijn kracht en mijn wezen uit te stuwen en het zal gebeuren. De bewuste is niets onmogelijk.

Ik heb u de drie grote innerlijke gaven voorgelegd. Vanuit deze kunnen alle andere mogelijkheden voor de mens worden herleid. Ik geloof echter dat het goed zou zijn om in deze inleiding enigszins in te gaan op de wijze waarop die gaven in u erkend kunnen worden en de wijze waarop ze kunnen worden ontwikkeld. Ik kan u hier niet de volledige en ingewikkelde systemen geven. Ik geef u slechts beperkte aanduidingen.

Wijsheid

In u komen voortdurend gedachten en impulsen op die niet redelijk verklaarbaar zijn. Aanvaard deze als toetssteen voor uw redelijke gedachten. U zult u steeds meer bewust worden van uw innerlijk vermogen om dingen aan te voelen. Eerst als u dit hebt bereikt, kunt u proberen u geheel één te gevoelen met een wezen, een voorwerp, een kracht. Deze pogingen zullen vaak niet onmiddellijk slagen. In u ontstaan er dan vreemde denkbeelden, emoties en gevoelens die niet zuiver menselijk meer zijn. Probeer deze dan later in zoverre te begrijpen dat u zegt: Dit moet in het andere bestaan. Reageer daarop en u zult zien dat het andere antwoord geeft. Op deze wijze komt u steeds dichter bij het vermogen één te zijn met het andere. Want eerst als u de werkelijkheid van de schijnbaar onredelijke impulsen en denkbeelden kunt aanvaarden, bent u in staat het andere te aanvaarden. De mens, die dergelijke dingen doet, behoort echter ook zichzelf te kennen. Wie de kosmische wijsheid of kosmische kennis wil ontwikkelen, de eenheid met alle dingen vanuit zich wil beleven, zal moeten uitgaan van een beeld omtrent zichzelf. Dit beeld zal niet altijd geheel juist zijn, maar indien er een ernstige poging wordt gedaan om het “ik” zo ver kenbaar te zien en te begrijpen, dan zal blijken dat juist hierdoor een verscherping van impulsen van buitenaf mogelijk wordt en dat dus sneller en juister deze innerlijke of kosmische wijsheid kan worden ontplooid en daarmede uw vermogen in uw eigen wereld en in andere werelden zuiverder kan worden gemanifesteerd.

Het Licht

Licht is kenvermogen, maar het is meer. Licht is al datgene wat men normaal niet ziet. Een mens zal heel vaak proberen datgene wat hij ontmoet, als het hem vaag beroert, te fixeren zodat hij het kan overbrengen in de richting van stoffelijk zintuiglijke waarneming of stoffelijke beleving. Onthoud dat dit niet kan. Al datgene wat rond u is en wat misschien incidenteel wordt onthuld, kan niet worden gefixeerd met stoffelijke zintuigen. Het kan echter veel sterker en beter worden ontvangen en beseft door u open te stellen, d.w.z. door uw eigen impulsen en waarnemingen tijdelijk naar de achtergrond te dringen, zodat deze ene ervaring sterker in u doorwerkt. In het begin zal dit vooral met factoren van buitenaf verband houden. Maar op den duur zult u zien dat dit licht uw relaties tussen u en de wereld kenbaar maakt. Het maakt u duidelijk in welke krachtsverhoudingen u leeft. Het maakt u duidelijk op welke wijze u voortdurend actief bent en wat dit betekent. Uit deze responsen kunt u dan als vanzelf een beheersing gaan opbouwen.

Kracht, Macht

Beide zijn in dit geval bijna identiek. De kracht die in u bestaat, kunt u alleen ontwikkelen door haar te gebruiken. Een mens die nooit probeert iets met de kracht van zijn gedachten te bereiken, zal nooit tot de ontdekking komen hoe groot zijn vermogens zijn.

Een mens die probeert met gedachtekracht te werken, zal ook ontdekken hoe beperkt hij is, omdat hij uitgaat van de stoffelijke voorstelling. Hij zal dan als vanzelf grijpen naar de essentie. Hij zal gaan werken met zichzelf en de wereld samen en hij zal zien hoe daarin de harmonieën ontstaan en hoe deze harmonieën vanuit hemzelf veranderbaar zijn. Hier is het normale procedé voor de leerling: oefen uzelf door steeds te proberen dat wat u beseft aan te passen aan wat voor u het meest juiste, het meest harmonische is. Op den duur zal de mens op deze wijze beseffen wat hij is ‑ lichamelijk en geestelijk ‑ maar hij zal ook beter weten hoe hij dat moet aanpassen aan de omstandigheden die er rond hem bestaan. Een mate van meesterschap wordt dan bereikt. Dit meesterschap betekent ‑ en dat zal men nooit over het hoofd mogen zien ! ‑ een steeds grotere harmonie met het erkende geheel, want alleen uit die harmonie kan immers voortdurend de vernieuwing van de goddelijke kracht komen. Alleen uit die harmonie kan het steeds zuiverder erkennen van de relatie in het licht ontstaan. Uit dit één‑zijn met het geheel komt alle begrip en zelfs alle kennis voort die men van node heeft.

Een mens is een wezen dat te zeer met uiterlijkheden bezig is om het geheel van zijn innerlijke vermogens te begrijpen. Daarvoor is hij nu eenmaal mens. Maar als je ‑ ook als mens ‑ voelt dat de beperkingen van je leven niet geheel aanvaardbaar zijn, dan moet je niet grijpen naar de één of andere specifieke begaafdheid. Dan moet je zoeken naar de innerlijke gaven die je één‑maken met de kosmos en die je daarin de kans geven, ja, zelfs het recht geven om jezelf te openbaren volgens je beste erkenning en in de gehele wereld een respons te vinden op datgene wat in jezelf bestaat.

****************************************************

*  Houdt het uiten van de mogelijkheden die u zo-even heeft genoemd, in dat er een grotere geluksbelevenis is?

Wat is geluk? Geluk is een tevredenheid waardoor je de wereld buiten je gaat beleven als een vererenswaard deel van jezelf. In deze zin is dat ongetwijfeld waar. Veel van wat de mensen geluk noemen, is niets anders dan een voorbij vliegende emotie die over het algemeen gevolgd wordt door een mannelijk deel van het poezengeslacht (kater). Deze geluksbeleving die de mens zoekt, is namelijk altijd weer gebonden aan korte ogenblikken. Het is een tijdelijk bevredigd zijn en een tijdelijk gelukkig zijn. Maar juist dat is eigenlijk geen geluk. Geluk is het verbonden zijn met al het levende. Het is de harmonie in jezelf waardoor je je eenzaamheid doorbreekt en tegelijkertijd de kosmos a.h.w. beleeft als een deel van jezelf. Wie zijn innerlijke gaven gebruikt, komt daartoe. Ik zou dit graag nog wat verder willen uitwerken. Als een mens zegt: “Ik ben ongelukkig”, dan bedoelt deze mens: “ik ben ontevreden met mijzelf”. Hij schrijf het toe aan andere dingen: zijn levensomstandigheden. Hij schrijft dit toe aan wat anderen doen en wat anderen zijn. Maar in feite is bij alleen ongelukkig, omdat hij geen vrede heeft met zichzelf. Een mens die vrede heeft met zichzelf, trekt zich van de wereld buiten hem niet zo erg veel aan. Integendeel, hij probeert van de harmonie die hij in zich heeft aan de wereld te geven. En hoe beter hij daarin slaagt, des te groter wordt zijn harmonie. Het zal u duidelijk zijn dat ongelukkig zijn eigenlijk een tekort is in je persoonlijk bestaan, in je persoonlijk begrip. Indien je nu een beroep doet op de wijsheid (deze ingebouwde gave van alle leven), dan kom je als vanzelf tot een verbondenheid. Je hebt harmonie omdat je weet hoe je disharmonie kunt vermijden. Je weet ook dat die harmonie al het levende en al het bestaande rond je mede betreft, zodat je overal het antwoord krijgt dat je verlangt. Niet in de zin van een bevestigen van je begeerten of je voorstellingen, maar door begrip ervoor waardoor je er één mee kunt zijn. Wie zover komt dat hij die harmonie in zich heeft, zal dan ook als vanzelf het licht activeren. Maar het licht maakt ook kenbaar. Hij zal dus alle dingen zuiverder zien. Hij voorkomt de eenzijdigheid die voor vele mensen ongeluk veroorzaakt of die door sommigen per vergissing “geluk” wordt genoemd. Want menig mens is gelukkig, omdat hij niet weet wat er aan de hand is. Maar als je weet wat er aan de hand is en je bent harmonisch, dan ben je nog veel gelukkiger omdat er geen mogelijkheid is dat die harmonie wordt verbroken door de teleurstelling, door het onverwachte. En als je nu ook nog de kracht in jezelf kunt activeren, dan is het duidelijk dat je die harmonie a.h.w. overdraagt. Je bent dus niet alleen gelukkig, neen, je geluk omvat juist het steeds meer harmonisch worden met alles rond je. Ik mag hier citeren. Een oude ingewijde zei eens:

“Nu ik een leerling heb gevonden aan wie ik al kan geven wat ik mij verworven heb, voel ik eerst hoe onvolledig mijn harmonie was vóór ik kon geven wat ik bezat.”

Misschien ligt daarin wel het antwoord op de vraag.

Veel mensen denken dat gelukkig zijn betekent, bezit hebben. Sta mij toe een vergelijking te maken: Mensen denken: Ik zal gelukkig zijn als ik maar eerst een auto heb. De benzine wordt duurder. Zij worden ongelukkig. Zij denken: ik zal gelukkig zijn als ik kleurentelevisie heb. Maar het toestel valt uit juist bij een voetbalwedstrijd ‑ het hele gezin is ongelukkig. Met andere woorden: vele mensen wensen iets te verwerven omdat zij een voorstelling van de verwerving hebben, die niet strookt met de feiten. Een mens die in bezit zijn geluk zoekt, is iemand die altijd teleurstelling naar zich toehaalt. Maar een mens die eerst harmonie zoekt en die het geluk als een bijkomstigheid noemt (geluk zoals men dat ziet: het bezit), hij zal niet gestoord worden. Want als de benzine hem te duur wordt, zegt hij: Hoe goed dat ik niet teveel in die auto rijd, nu heb ik tenminste lichaamsbeweging. Als de televisie uitvalt, zegt hij: Ach, wat gelukkig voor het gezin dat ze niet met mij naar deze wedstrijd behoeven te kijken. Laat ons maar “mens‑erger‑je-niet” gaan spelen. Met deze voorbeelden tracht ik duidelijk te maken: bezit is geen geluk. Geluk is de wijze waarop je het leven tot je laat komen en antwoordt op wat er in dat leven bestaat. De mens die niet het inzicht, niet de kracht heeft, die niet voldoende beseft wat er rond hem en in hem bestaat, die zal dat geluk maar heel moeizaam en voor een kort ogenblik bereiken. Maar de mens die deze innerlijke gave kan gebruiken, daarmee leert werken, leert om die te activeren zoals een mens zijn automatische lichaamsfuncties kan leren beheersen, die heeft op den duur volgens mij het grootste geluk dat er kan bestaan, een leven zonder teleurstellingen, een leven waarin hij zichzelf kan zijn, een leven waarin hij de wereld rond hem kan begrijpen. Wat is beter dan dit?

*  Moet dat begrijpen worden verstaan als “aanvaarden”?

Begrijpen is aanvaarden. Wat een mens niet kan aanvaarden, is datgene wat hij niet begrijpt. Laat mij u dit zeggen: Als u weet hoe een mens denkt die iets doet en waarom hij het doet n waaruit het voortkomt, dan kunt u het gevolg onaanvaardbaar vinden, maar u zult die mens met zijn daad niet meer verwerpen omdat u haar begrijpt. Als u ziet hoe de samenhangen zijn in de natuur, dan kunt u nog steeds zeggen: Ik vind het niet prettig dat er een naga of een ratelslang is, maar u zult begrijpen waarom het dier is zoals het is, welke functie het heeft in het geheel en u zult ook begrijpen waardoor het dier gaat aanvallen. Daardoor gedraagt u zich zodanig (u straalt als het ware uit) dat het dier niet aanvalt. U kunt het dier aanvaarden, zelfs als u denkt: het is toch eigenlijk jammer van alle slachtoffers die zo’n dier maakt. Wijsheid betekent dus al direct aanvaarding. Indien die aanvaarding er is, zult u ook met uw ingrijpen ‑ en dat is erg belangrijk ‑ niet tegen de aard van mensen, dieren e.d., ingaan. U zult uitgaan van hun aard, van hun denken, van hun patroon van leven, van hun bewustzijn en daardoor altijd worden begrepen. Als je begrijpt en wordt begrepen, is er zelfs een wederkerige aanvaarding.

*  Kunt u nader ingaan op de wijze van ontwikkeling van de innerlijke gaven?

Ik heb getracht deze schematisch weer te geven. Er zijn vele verschillende methoden en wegen waardoor men die innerlijke krachten kan ontwikkelen. Als ik u een voorbeeld mag geven: U kent in uw omgeving waarschijnlijk Rozenkruisers en verschillende Logesystemen. In al deze systemen gaat men uit van een leer, maar ook van een zekere bezonkenheid, een zekere contemplatie. Indien u zo’n weg volgt en u daarbij niet richt op de uiterlijkheden, maar op datgene wat in uzelf ontstaat, dan is die ontwikkeling vanzelf al aan de gang. U kunt innerlijke gaven niet ontplooien door een geforceerd systeem. Innerlijke gaven kunt u ontplooien door te beseffen dat ze er zijn. En als u beseft dat ze er zijn, zult u de vele zonderlinge dingen die in u gebeuren en in u opkomen niet meer terzijde schuiven; u zult ze aanvaarden als deel van uw leven. Op het ogenblik dat u het schijnbaar onlogische, het onverklaarbare gaat beschouwen als deel van uw bestaan, heeft u die gaven a.h.w. reeds ontwikkeld. Het is als een onvoldoende ontwikkelde spier, die omdat ze een enkele keer samentrekt door u nog een keer tot samentrekking wordt gebracht. Op den duur zegt u: Dit is een spier, ik moet die kunnen gebruiken. Dit heeft u in een lichaam dat onvoldoende ontwikkeld is. In mijn vroeger leven hadden wij een regel: “Wanneer het lichaam uitgeput is, strek u uit op de aarde onder de ruisende bomen en de aarde zal u vervullen met kracht. Wie zijn kracht zoekt, verliest haar. Maar wie zich ontspant en aanvaardt wat er rond hem is, hij vindt de kracht die hij nodig heeft.” Langs de wegen zag je in mijn tijd (dat was nog de tijd van de ossewagens en de palankijns die worden gedragen) vaak iemand liggen onder een boom; een uitgeputte reiziger. Na een uur of anderhalf uur van rust zag je hem verder gaan, alsof hij pas aan de weg begon, ofschoon hij misschien reeds vele honderden kilometers had afgelegd. Ik meen dat dit het juiste antwoord is op uw vraag. Wat je nodig hebt is natuurlijk een vorm van belangstelling voor de innerlijke krachten, een belangstelling voor de kosmos. Maar je hebt de mystieke verklaring ervan niet nodig. De mysticus is degene die beleeft en gelijktijdig zoekt te verklaren wat hij beleeft. Wat je nodig hebt, is eenvoudig het in je laten doordringen van de totaliteit en het beseffen dat je daarop zelf antwoord geeft. Want als je begrijpt dat je antwoord geeft, dan weet je ook dat je wat kunt zeggen.

*  Is het niet zo dat je door de juiste levenshouding je gaat aanpassen aan iedere inwijding van een esoterische school?

Elke werkelijk esoterische school, ook als ze door velen niet als zodanig wordt gebruikt, houdt in de innerlijke ontwikkeling. Ze bevat een aantal, meestal niet geheel juiste systemen waarin de eigen relatie met de kosmos wordt uitgedrukt. Als u die volgt, dan kunt u alle inwijdingen als vanzelf ondergaan, mits u wat in u is meer laat spreken dan datgene wat men buiten u leert. Als iemand tot u komt en zegt: Er is geen jacobsladder (het lievelingsbeeld van velen om aan te geven hoe hoog de hemel is), er is geen kringloop van zielen, er is alleen naar één rechte weg en die is zo en zo, en voelt innerlijk: er is een jacobsladder, laat die ander zijn weg gaan en klimt u de ladder op. Mensen begrijpen niet dat gebondenheid aan menselijk denken, aan menselijk systeem, zelfs aan menselijke openbaring of aan de oudste wijsheden die er bestaan, vaak betekent dat men zich bindt aan iets wat men niet beheerst, waarvoor men geen mogelijkheden heeft. U verwacht toch niet van een man met één been dat hij meedoet aan een hordenloop? U verwacht niet van een man zonder armen dat hij tamboer wordt. Maar iedereen verwacht dat hij zoals hij is in de huidige ontwikkelingen in elk systeem iets kan bereiken. U moet datgene zoeken waarin u iets betekenen kan. De man met het ene been kan misschien een heel goede boogschutter zijn, maar geen goede hardloper. Dan moet hij geen training volgen voor hardloper. Hij moet zich richten op boogschieten; hij moet boogschutter worden. U heeft allen bepaalde capaciteiten die al ontwikkeld zijn, andere die nog niet ontwikkeld zijn. Elk systeem gaat uit van een bestaand aantal mogelijkheden. Als u die niet precies zo bezit dan kunt u daarmee niets beginnen en bereiken, dan heeft u alleen maar teleurstelling. Als u dan zegt: Dit is de enige waarheid, dan gaat u ten onder aan uw onbegrip voor uzelf en voor de kosmos. Daarom zeg ik u: Elk systeem, elke reeks inwijdingen kan goed zijn. Maar elke ware esoterische inwijding is een inwijding in de richting van kosmisch besef en innerlijke harmonie en daarmede een verbeterd functioneren van de innerlijke gaven, die elk schepsel meekrijgt bij zijn ontstaan.

*  Dus inwijding kan ook zijn een wijding ontvangen in jezelf?

Inwijding is niets anders dan nieuw leren beseffen. Wijding is niets anders dan een menselijke farce waarbij de ene mens pretendeert de ander iets te kunnen geven wat die ander alleen kan ontvangen door zijn innerlijke kracht en waarde. Een wijding is dus hoogstens een suggestieve uiting waardoor een mens tot een grotere innerlijke ontvankelijkheid kan worden gebracht, maar ze kan nooit een feitelijke overdracht van waarden zijn. Dan moet ik verder zeggen: Inwijding is in wezen iets wat niet bestaat. Inwijding is een woord dat wij gebruiken om aan te duiden dat iemand anders heeft leren beseffen. Meer dan dit gebeurt er niet.

*  Je kunt door wijding toch je ontvankelijkheid vergroten. Gebeurt er dan helemaal niets?

Geachte vriendin, er waren eens drie doktoren bijeen aan het bed van een zeer voornaam handelsman. Deze sprak tot hen: “Ik kan niet meer goed slapen. Laat mij slapen.” De eerste dokter gaf hem pillen. De man sliep door die pillen. De tweede dokter gaf hem een drank uit kruiden getrokken. De man sliep door die drank uit kruiden. Toen zei hij tegen de derde dokter: “Gij kunt het dus niet?” Deze antwoordde hem: “Kijk mij goed in de ogen. Vanaf dit ogenblik zult u slapen wanneer u dat wilt. Als u zich neerlegt, zult u zeggen: “Zo laat wil ik ontwaken” en gij zult zo laat ontwaken, uitgerust en volledig versterkt.” Toen lachten de twee andere geneesheren. De koopman zei: “Nu, dan wil ik wel een uurtje slapen”, en hij viel prompt in slaap. Later werd hij verfrist wakker, precies een uur nadat hij was ingeslapen. Toen sprak hij: “Deze geneesheer is groter.” Maar toen zei de derde dokter: “Heer, gij hebt u zelf in slaap gebracht en gij hebt u zelf doen ontwaken. Ik heb u er slechts van bewust gemaakt dat ge het kunt doen.” Begrijpt u wat ik hiermee wil zeggen? U kunt met een wijding niemand iets geven wat hij niet reeds heeft. Maar u kunt hem soms door uiterlijkheden van iets bewust maken wat innerlijk mogelijk is. Maar die mogelijkheid zal hij altijd zelf moeten realiseren. Als de koopman had gezegd: “Ik geloof er niet aan, ik wil niet slapen op die manier,” dan was hij op dit moment nog een zeer gewaardeerd pillenconsument geweest.

*  Zoudt u nog iets willen laten doordringen van de kracht die achter uw woorden verborgen ligt?

Als ik die kracht afzonderlijk moet laten doordringen, dan is ze niet werkelijk aanwezig in mijn woorden. Is ze in mijn woorden aanwezig, zo zal een ieder die daarvoor ontvankelijk is deze ervaren. En zij die geen harmonie daarmee kunnen vinden, zullen mijn woorden ervaren als het voorbij vlieden van een windvlaagje. Waarom moet je kracht manifesteren? Ze is er. Waarom moet ik mijn kracht manifesteren of de kracht achter mijn woorden, als in u diezelfde kracht leeft? Indien u wilt, kunt u de krachten van de harmonie uit uzelf verbreiden zo ver als u maar wilt. Wie vraagt dan van mij dat ik dat nog een keer extra doe. Het is hetzelfde als tegen iemand die uren heeft gelopen, te zeggen: “Waarde vriend, ik heb gehoord dat je kunt lopen. Wil je nog even twee stappen doen?”

*  Ik bedoelde de krachten die u nu heeft uitgestraald.

Ik heb geen krachten nú uitgestraald, maar ik heb wel de gehele avond getracht datgene wat in mij leeft middels het medium, middels uw wereld uit te dragen. En als dat in u een kracht wekt, dan is dat úw kracht. En zo u die kracht ervaart, is dat het bewijs dat u een kracht heeft waarmee u meer kunt doen. Zo u vindt dat er wijsheid in mijn woorden is, dan is dat alleen maar een bewijs dat u iets aanvoelt van een totaliteit. Laat dan die totaliteit meer op u inwerken, want die wijsheid schuilt in u, niet in mij. Harmonie is een weerklank ook voor u. Misschien ben ik verwaand, maar het is niets anders dan de innerlijke gave: de grondeigenschap van het uit de kosmos geboren leven. Als deze waarden een ogenblik in u resoneren, dan denkt u dat de kracht van buiten komt, maar ze komt uit u. Als u daardoor plotseling iets beseft, dan is het niet iets nieuws wat u wordt gezegd. Dan is het een plotseling begrijpen van iets wat in u bestaat. En als u plotseling dingen in een ander licht ziet, dan is dat niet omdat ik ze u laat zien, maar omdat u ineens ontdekt dat er licht genoeg is in u om ze te zien.

BESLUIT

De grootste kwaal die een mens kent, noemt hij onvermogen: het niet kunnen. Toch zal een mens krachtens wat er in hem bestaat alles kunnen. De mens echter verdooft zichzelf voor deze werkelijkheid, want alles kunnen betekent ook: voor alles aansprakelijk zijn. Alles kunnen betekent dat al wat er rond je gebeurt mede een deel is van je leven en van je verantwoordelijkheid. Het betekent dat je je niet kunt terugtrekken zeggend: Ik ben onmachtig, ik ben arm, ik heb daar geen tijd voor, of: ik kan dit niet, ik kan dat niet. Wat u wilt dat kunt u indien u een beroep doet op uw innerlijke gaven en krachten. En juist daardoor zeggen zoveel mensen: ik kan niet. Gelijktijdig hebben ze echter het gevoel dat ze tekortschieten en daarom beklagen zij zich dat ze niet in staat zijn dat te volbrengen wat zij zouden kunnen volbrengen, indien zij zichzelf niet zouden voorhouden dat ze het niet kunnen volbrengen.

Misschien zou een mens de moed moeten bezitten om als een held telkenmale uit te trekken naar het slagveld dat “Leven” heet” zelfs als hij beseft dat hij daar zou moeten sneuvelen.

Een mens moet steeds weer trachten het schijnbaar onmogelijke mogelijk te maken. Hij moet steeds weer trachten zijn krachten tot het uiterste op de proef te stellen. Heeft hij deze moed, dan overschrijdt hij grenzen die hij zichzelf heeft gesteld, dan overschrijdt hij de grenzen die het leven hem schijnbaar heeft gesteld; dan wordt hij zich bewust van wat hij is en van wat hij kan.

Vele mensen spreken woorden, woorden, woorden. Indien al het goede dat de mensen op deze wereld verkondigen waar zou worden, voorwaar, gij zoudt niet meer vragen naar inwijding en wijding, want een ieder zou leven als een ingewijde.

De mensen spreken, maar vrezen datgene wat zij spreken waar te maken.

De mensen denken, maar zij zijn soms bevreesd om hun gedachten uit te spreken, laat staan hun gedachten te testen aan een werkelijkheid. Een mens maakt zichzelf machteloos.

Er zijn vreemde heiligen die zolang hun hand in één houding houden totdat deze verdort en verdroogt. Dan zeggen ze: Ziet, dit is het teken van mijn heiligheid. Maar hoe kan iemand heilig zijn die zich verminkt?

Er zijn mensen die grote woorden preken en gelijktijdig zeggen: Maar het is onmogelijk om dit of dat nu te doen. Dat blijven zij herhalen totdat zij geheel geatrofieerd zijn; totdat zij zich niet meer kunnen bewegen en dan zeggen ze: Ziet, ik heb het steeds gezegd, het is onmogelijk. Dit is het teken van mijn goedheid, van mijn heiligheid.

De vreemde fakirs die zichzelf maken tot één schouwspel, door allerlei zonderlinge beperkingen, zijn dwazen die niet willen aanvaarden dat je gewoon jezelf moet zijn om je kosmisch “ik” te kunnen vinden en beleven. De gehele wereld waarin u leeft, is opgebouwd uit gedachten. Mijn vrienden zullen het u wel hebben verteld, achter de gedachten, achter de begoocheling ligt de werkelijkheid. Maar die werkelijkheid is er één van uzelf en de kosmos, niet slechts uw voorstelling omtrent één wereld.

De minnezangers zongen tot hun geliefden: “Ik zal de sterren voor u plukken.” Maar niemand gelooft dat het waar is. Men zingt in de heldenliederen: “Ik zal uitgaan en de dood niet vrezen.” Maar de zanger beschadigt klappertandend zijn gebit op het ogenblik dat het geringste gevaar opdoemt. Ziedaar, de dwaasheid van woorden. Ik heb geen andere middelen dan woorden, dat is erg genoeg. Maar achter alle woorden ligt een wereld van mogelijkheden, zoals achter elk denkbeeld een stukje werkelijkheid schuilgaat.

Als je jezelf wilt zijn, als je de krachten, het licht, de wijsheid in je wilt activeren, dan zul je een beroep moeten doen op deze zaken, juist omwille van de denkbeelden die waar moeten worden, omwille van de woorden die geen lege klanken moeten zijn, maar een weergave van een kosmisch gebeuren. Dit alles heb ik u gezegd in een onderwerp dat u zelf ter discussie heeft gesteld. Wij hebben getracht te begrijpen wat er in u bestaat. Laat mij dit als slot nog één keer eenvoudig zeggen:

In u zijn krachten. In u is het besef en het licht aanwezig. Wij moeten de dingen alleen maar een kans geven. Als u wonderen wilt doen, behoeft u niet eerst als een dansende derwish met stuiptrekkingen rond te draaien. Als u beseft dat het kan en u wilt het, dan gebeurt het. Als u denkt onwetend of dwaas te zijn, dan belet u uzelf te ervaren. Zeg niet: Ik ben wijs of: ik ben dwaas, maar zeg: in mij spreekt iets en luister. Begrijp, dat wat in u spreekt ook deel van u is en deel van de kosmos. U zult dan vanzelf wijs worden. Wat meer is, u zult meer weten dan u vroeger voor mogelijk heeft gehouden. Een mens maakt zijn eigen beperkingen in geestelijk opzicht. Stoffelijke beperkingen kunnen er ook zijn. Zij zijn het gevolg van de wisselingen van incarnaties, uitdrukking van een karmisch bepaalde keuze. Maar geestelijk bestaat die beperking niet. Een mens moet geestelijk de vrijheid vinden om al wat er in hem bestaat te aanvaarden, om het stil en niet stoffelijk argumenterend in zich te laten doorwerken, om het vanuit zich te doen gaan niet met een stoffelijk bepaalde redelijkheid, maar met het gevoel van verbondenheid dat uitdrukking is van uw kosmische werkelijkheid.

Wanneer eens de aarde vergaat en de sterren doven, wanneer de laatste stem tot zichzelf zegt “God kan ik zijn”, dan zal de bewuste zeggen: “Maar waarom zou ik stralen, want ik ben één met al. En verzwolgen in Brahma’s nacht ben ik Brahma’s kracht. Ik ben niet te scheiden van de werkelijkheid, of ze geuit is of voor een ogenblik schijnt te slapen. Ik ben werkelijkheid, totaliteit. In mij is de wijsheid om dit te beseffen. In mij is het licht dat zelfs in het duister mij de harmonie doet erkennen. In mij is de macht en de kracht waarmee ik misschien zou kunnen scheppen, maar waarmee ik vooral gestalte wil geven aan mijn eenheid met al het zijnde.”

Dat is de juiste weg. En dit is, mijne vrienden, het einde van mijn betoog. Sta mij toe op te merken dat er bij velen van u schichten van harmonie zijn gekomen. Dat in velen wat licht is ontwaakt. Het leeft dus in u. Laat het dan voortbestaan, want uiterlijkheden en stellingen zijn niet bepalend voor de gaven die in u leven.