Innerlijke gerechtigheid

 10 januari 1983

De gastspreker voor vanavond is een zekere Oman Ben Daoed een wat oosterse heer, wat dichterlijk, wat filosofisch. Hij heeft nog aan sterrenkunde gedaan en houdt zich voornamelijk bezig met zaken als innerlijke gerechtigheid.

Wat het onderwerp zelf betreft, daar kun je weinig commentaar op geven. Hij heeft nogal wat vreemde opvattingen zoals bv. oog om oog en tand om tand. Dit is misschien wel uit de mode maar het zou in uw dagen erg goed zijn. Als u vraagt waarom, dan zegt hij: “Als de één iemand anders een oog uitslaat, hou je die gewoon vast en je slaat bij hem ook een oog uit. Als iemand een andermans auto in elkaar rijdt, dan kijk je of hij ook een auto heeft of iets vergelijkbaars en dat ga je ook in elkaar rijden.”

Hij zegt dat het op deze manier voor iedereen zeer kostbaar wordt om zoiets te doen, dat ze als vanzelf wel hoffelijk worden. Volgens mij is daar misschien iets voor te zeggen, maar het is toch niet erg modern. Dus ik heb hem gevraagd: “Maar hou je dan helemaal geen rekening met het feit dat je in een christelijk land zit?”

Toen zei hij: “Dat zou ik heel graag doen als ik voldoende christenen kon vinden.”

Ik vroeg: “Waarom? Denk je dat die er niet zijn?”

Hij antwoordde: “Iedereen die zich zo noemt en zich niet zo gedraagt is in feite een antichrist.”

Toen heb ik een beetje met mijn geestelijke oogleden gewapperd en gedacht: ja, je hebt misschien wel gelijk. Maar dan is de antichrist al lang op aarde en hij vermenigvuldigt zich ijverig. Ik heb zelfs gevraagd: “Als dat zo is, denk je dat daar een vakbond voor is?”. Hij zei: “Die hebben ze er niet voor nodig want ze zijn zelf brutaal genoeg.” Dus u ziet het: het is een beetje een eigenaardige heer. Ik heb hem ook gevraagd, wat hij dacht van de moderne weelde (volgens hem leeft de moderne mens nogal weelderig).

Toen zei hij: “De weelde is een last die je draagt, waardoor je de schoonheid vergeet, totdat je niet wetend wie je bent, vraagt dat een ander erkent wat je van jezelf droomt.”

Ik vond dat mooi gezegd. Maar hij zei het in een andere taal en dan klinkt het zingender.

Een dergelijke entiteit inleiden is een beetje moeilijk. Ik kan natuurlijk op mijn manier spreken over innerlijke gerechtigheid, maar uiteindelijk heeft de ervaring mij geleerd, dat naarmate je meer bezig bent met die dingen, die een ander zou moeten gaan zeggen, hij daar minder van zal zeggen en dat je dus eigenlijk elke keer weer voor gek komt te staan. Nu is dat iets, wat voor je geestelijke ontwikkeling niet erg schadelijk is. Je leert ervan. Maar ik dacht dat ik mijn lesje wel geleerd had. Daarom zou ik gewoon een paar dingen willen zeggen over esoterie op zich.

Je hebt een innerlijk wereldje. Als je het goed bekijkt, zit er eigenlijk één God op de troon en dat ben je zelf. Je kunt er heel weinig aan doen overigens, want elke mens gaat van zichzelf uit en verbindt aan zichzelf een kosmos vol krachten, vol persoonlijkheden en machten, die hem – al geeft hij dat voor zichzelf niet altijd toe – dienstbaar behoren te zijn.

De werkelijkheid is natuurlijk een klein tikje anders. Want in jezelf bouw je beelden voor jezelf, omdat je jezelf niet wilt zien, Dat is eigenlijk heel vreemd: We zijn heel anders dan we denken te zijn. We zijn ook heel anders dan we voorgeven te zijn. Al die mooie voorstellingen van “dit ben ik en zo hoort het en dat is toch goed”, allemaal uitvluchten omdat we niet willen erkennen wat op de achtergrond meespeelt. Iemand, die goed is omdat hij bang is, is slecht. Iemand die wijsheid van anderen leent en op grond daarvan zichzelf verheft, is iemands die bezig is zich een graf te graven uit de wijsheden van anderen.

Een mens die licht zoekt, de hele kosmos onderzoekt en alle magie gebruikt om dat licht naar zich toe te trekken, is eigenlijk iemand die overbodig werk doet en bovendien een dwaas. Want de kern van alle licht berust ook in jezelf. Wek het in jezelf en de kosmos zal antwoorden.

Voor mij is esoterie dus eigenlijk meer een kwestie van de waarheid zoeken in jezelf, maar dan de echte waarheid. De waarheid zonder excuses, zonder uitvluchten en zonder leefregeltjes die iemand anders heeft uitgedacht. Dan kom je tot de meest ontstellende ontdekkingen.

Sommige mensen zijn uiterlijk progressief, omdat ze innerlijk zo behoudend zijn dat ze bang zijn zichzelf te verliezen wanneer ze de behoudendheid van anderen aanvaarden.

Andere mensen zijn weer zo orthodox, omdat ze bang zijn voor wat ze zouden kunnen doen, wanneer de regels waaraan ze zich nu houden eer ogenblik zouden wegvallen, dat is heel vreemd.

In zichzelf is een mens heel vaak bang voor zichzelf. En wat meer is, die angst ontkent hij of hij buigt hem om tot het een deugd wordt. Hij noemt datgene, wat hij nalaat of doet uit angst, heel vaak moed. Als we kijken wat moed werkelijk is, dan is dat heel vaak gebrek aan inzicht. Want de consequenties van de dingen die wij zijn en die wij doen, overzien wij niet zo goed. We zouden wel willen weten waar we terechtkomen. Natuurlijk. We zouden willen weten waar we vandaan komen. Allemaal tot uw dienst. Maar in wezen doet het er eigenlijk niet zo veel toe. Want de denkbeelden die wij daarover opbouwen, dienen alleen maar om te verhullen wat wij vandaag zijn.

En toch, wat je vandaag bent, en wat je vandaag leeft, dat is een van de meest belangrijke dingen in je hele ontwikkeling.

Want elke keer dat je leeft, dat je een beslissing neemt, dat je even eerlijk bent tegenover jezelf, heb je een knooppunt geschapen waarin de toekomst en het verleden samenvloeien, dan staat voor jou de tijd even stil. Op dat ogenblik heb je contact met wat men de eeuwigheid noemt.

Maar probeer je nu eens voor te stellen, wat je met die innerlijke wereld eigenlijk aan moet. Het is allemaal a.h.w. aankleding. Het zijn de coulissen. Dat wat we zijn, daar kunnen we heel weinig aan doen. Je hebt een karakter en waar de een alleen maar rechtuit de waarheid spreekt, daar is juist de ander weer, die eigenlijk de waarheid nooit kan zeggen. En als hij het probeert te zeggen, liegt hij nog omdat hij ze mooier maakt. Het is ontzettend moeilijk om te zeggen: “dat is je schuld”. Het is voor een deel je aard, a.h.w. je structuur.

Er zijn mensen die ontzettend ongebonden leven. Zij zeggen dan tegen zichzelf: “Ja, maar ik pas niet in de maatschappij”. Ze passen er wel degelijk in, maar ze willen voor zichzelf gewoon niet bij een groter geheel horen. Want zo lang ze alleen zijn kunnen ze zeggen dat ze iets bijzonders zijn. Ze denken dat ze eigenlijk zo normaal zijn, dat ze iets bijzonders nodig hebben om zich af te zetten tegenover de massa.

Dat is natuurlijk onzin. Want of ik deel ben van het geheel of niet, maakt niets uit. Zolang ik mijzelf ben, maak ik in mijzelf alle krachten waar. Er zijn mensen die zeggen: “Ja, maar je moet toch veel leren, je moet veel weten.” Welnu, de dingen die je weet daar heb je weinig aan. Het zijn de dingen die je doet, het zijn de dingen die je vanuit jezelf waar maakt, die eigenlijk betekenis, hebben.

Als je een sprookjesboek schrijft, is dat op zich geen waarheid en geen verdienste. Dat wordt het pas wanneer je het publiceert. Dan krijgt het zijn verdienste door datgene wat het voor anderen betekent.

Zo is het met uw leven ook. U kunt voor uzelf wel een leven schrijven dat verdienstelijk en edel is en wat u nog meer wilt. Maar als het erop aan komt, is het alleen wat je van al die dingen werkelijk hebt gemaakt en hoe je ze hebt waargemaakt, waardoor bepaald wordt wat je bent. Dat je daarbij door allerlei karakteristieken die jou nu eenmaal, zijn ingebouwd, wordt geleid, dat is helemaal niet zo erg. Dat je misschien erg laag staat, dat is ook niet zo erg. Als je denkt dat je hoog staat, moet je wel proberen naar beneden te gaan zodat je met anderen contact krijgt. Want als je dat niet krijgt, is het erg, dan val je heel erg diep.

Voor mij is de innerlijke wereld eigenlijk iets dat aanleiding moet zijn tot leven, niet het leven zelf. Dat is een vergissing die wij nog wel eens maken. We denken: in onszelf is het leven, de werkelijkheid en al het andere komt er niet op aan. Ja, dat is waar als wij dat leven vormgeven. Maar als u nu een heel mooie opmerking in gedachten hebt, hoe vaak zal het u niet overkomen dat u met anderen in gesprek bent dat u later denkt dat had ik moeten zeggen. U hebt het in uw gedachten, maar als u het niet gezegd hebt, heeft het toch niets uitgehaald.

Zo is het nu met ons. In ons zitten allerlei beginselen, daadbegrip, we zijn misschien edelmoedig of we zijn het niet, ieder op zijn wijze. Maar dat moet toch naar buiten komen. Ik kan geen scheiding maken tussen twee werelden.

Er zijn nogal eens wat liefhebbers die zeggen: “Innerlijk leef ik het hoog geestelijk leven, maar helaas, helaas moet ik in deze wereld mij toch bezighouden met al deze regels en wetten, die zo noodzakelijk zijn om de onbewuste zielen te geleiden,” Als ze dat vertellen, vergeet het maar. Dan zit je precies tegen iemand aan te kijken, die niet eens voor zichzelf weet wat hij is. Die nooit iets waarmaakt van hetgeen hij meent te zijne

Neen, voor mij is de esoterie een deel van een werkelijkheid. Een werkelijkheid die alle werelden omvat, dus ook je stoffelijk leven, ook de laagste en de diepste sfeer, evenals het hemelrijk. Of je nu met een cocktailvorkje rond loopt te prikken of, harp zit te spelen, in de eerste plaats ben je jezelf, je bent deel van de kosmos.

Dan zijn er mensen die zeggen “Maar wij willen graag harp spelen.” Dan vraag ik: “Waarom. Dat is toch het uiterlijk?” Het belangrijke is, dat er iets in je zingt en dat je dat zingen naar buiten kunt brengen. Dan kijken ze heel vaak meewarig en zeggen: “Hij heeft de waarheid nog niet gevonden.” Ik geef het eerlijk toe dat ik de waarheid nog niet heb gevonden. Ik heb er een paar stukjes van te pakken gekregen. Natuurlijk.

Maar die heeft u ook. Doch de totale waarheid, al die arcana en kosmische geheimen, daar ken ik wel wat van, maar niet tot in de details precies. Dat geef ik eerlijk toe. Maar met de paar dingen die ik weet, probeer ik iets te doen. Ik denk dat daar het grote ver­schil ligt.

Als je een paar miljoen hebt en je legt ze in een kluis, dan gebeurt er niets mee. Als je diezelfde paar miljoen op een renterekening zet bij een bank kun je er een aardig percentage van krijgen, maar je loopt natuurlijk wel het risico dat die bank van­daag of morgen in moeilijkheden komt. Wil je er werkelijk mee verdienen, dan zal je er handel mee moeten drijven. Je zult er iets mee moeten opbouwen. Of het nu een bedrijf is, een handelsrelatie of iets anders.

Wij hebben onze talenten en die hebben we niet moeizaam en door kennis verworven Die talenten zijn ons gegeven. Het zijn de gegevens van onze persoonlijkheid. Wanneer we in ons zelf kijken weten we dat we bepaalde dingen wel kunnen en dat we voor andere dingen helemaal niet deugen. Dan moeten we ook niet naar buiten kijken en zeggen: “Ja maar waar ik niet voor deug dat levert meer op.”

Je moet proberen waar te maken wat je bent. Dan beleg je de gaven die je hebt zo dat ze rendabel zijn, dat er wat uit voortkomt. Volgens mij heeft esoterie daar erg veel mee te maken.

Je kunt er geen statistieken van opbouwen. Je kunt natuurlijk wel mooie schema’s maken met alle werelden en sferen erin en alle bewustzijnsklanken die erbij behoren, eventueel nog netjes over de bijbehorende chakra verdeeld. Maar ze zeggen niets. Het enige dat iets betekent, is hetgeen je voortbrengt. Als je op aarde kijkt, zie je dat je heel graag ontzettend veel betekend wil hebben voor anderen. En als het kan de erkenning meteen op de koop toe gehad hebben.

Maar wat beteken je in de werkelijkheid? Wie weet dat? In jezelf vind je de enige betekenis, die in die werkelijkheid kan bestaan en die blijft bestaan. Die kun je nooit van buitenaf beleven. Dan blijk heel vaak dat onbenullige en kleine dingen veel meer betekenen dan al die grote dingen.

Neem nu maar doodgewoon een generaal. Een generaal heeft een schitterend uniform aan met ik weet niet hoeveel ridderorden. Alles rinkelt als de man loopt. Hij heeft een waardig gezicht, een pet met goudgalon hij heeft mooie laarzen aan, alles wat u maar wilt. Maar het gekke is, dat hoe ver hij kan lopen en hoe hij loopt, bepaald wordt door de vraag of hij wel of niet een steentje in die laars heeft zitten. Want dan loopt hij op het steentje, daarna loopt hij op de blaren en dan loopt hij rood aan.

Dus wanneer wij van buiten naar al deze dingen kijken en we proberen onze belangrijkheid te bewijzen, dan vergeten we dat de kleinste dingen bepalend kunnen, zijn. Misschien zijn wij in een groot geheel dat ene steentje waardoor de dwaasheid van een ander niet doorgaat. Of misschien zijn wij juist dat ene bananenschilletje waardoor een ander ten val komt. Maar even goed zijn wij misschien die ene tak van een boom, waaraan iemand zich vast kan houden op het ogenblik dat hij bijna zijn nek zou breken.

Wat wij zijn, voor de ander weten we niet. Waarom zouden we er ons dan druk over maken? Zeker, je moet je naaste liefhebben. Je moet zorgen voor je medemens. Je moet voortdurend opkomen voor de onderdrukten. Je moet stem geven aan de minderheden (net of die tegenwoordig zelf niet hard genoeg schreeuwen). Maar al die dingen bij elkaar zeggen niets. Daar gaat het helemaal niet om. Zeker niet in de esoterie. In de politiek misschien, economische en sociaal ook nog wel misschien.

Maar als je werkelijk diep naar binnen kijkt weet je toch niet wat je werkelijk doet of wat het uithaalt. Misschien loop je hier te demonstreren en worden er daarom elders mensen afgeslacht in plaats van dat je mensen redt zoals je misschien veronderstelt Dat weet je niet. Dus dan gaat het er niet om of je demonstreert, het gaan erom wat je innerlijk voelt en hoe je dat waarmaakt. Is dat toevallig die demonstratie, dan maak je daardoor je eigen functie meer waar, ook wanneer die anders is dan jij je voorstelt.

Wat je in jezelf hebt aan waarheid gaat met je mee. Niet wat je aan kennis of aan weten hebt, Maar wel wat je hebt aan begrip. Dat gaat wel met je mee.

Geen wonder dat ik eigenlijk in de esoterie niet kijk naar de kwaliteiten zoals die dan op aarde worden gewaardeerd. Maar dat ik gewoon kijk naar de werkelijkheid die overblijft. En de werkelijkheid is de voortdurende wisselwerking tussen de innerlijke wereld, en de innerlijke kracht en de wereld daarbuiten.

Als ik het dus wil omdraaien (want dat kun je ook doen) dan zeg ik: Datgene wat ik in de geest in de werkelijkheid zal zijn, wordt bepaald door de betekenis die ik had voor de wereld buiten mij en wat de buitenwereld mij daardoor heeft gegeven aan ervaring.

U ziet het, nu komt er een Arabisch filosoof, dichter‑astroloog en voor je het weet probeer je aan de leugen te ontkomen en zit je op jezelf te filosoferen.

Nu heb ik één ding gezegd waarop ik nog even wou terugkomen. Ik heb namelijk gezegd: Als je overal licht zoekt, heb je eigenlijk niets. Wanneer je beseft dat het in je leeft, ben je ermee verbonden. Dit heb ik wel met andere woorden gezegd. Het is eigenlijk iets waarmee ik ook zo’n beetje mijn eigen ervaringen heb en waar ik eigenlijk alleen maar een geloof over heb. Ik heb wel ervaringen opgedaan, maar de verklaring is een geloof, dat is geen weten.

Als je beseft dat er in jezelf licht is, moet je proberen te zien hoe daar een gouden schijn in jezelf is. Dan voel je jezelf daardoor zelfs lichamelijk even warm worden. Dan heb je iets te pakken van de werkelijkheid, van de innerlijke werkelijkheid.

Dat licht kan overal doorwerken; je kunt het soms ook voor anderen gebruiken. Maar dat licht op zich is wat je volgens mij de esoterie van het wezen, de esoterie ook van de wezenskracht kunt noemen. Dat is zo’n beetje de kern waaruit je werkt en waaruit je leeft.

Wanneer je die kracht gebruikt, moet je alleen oppassen, dat je niet vastloopt in omschrijvingen van die kracht, zonder dat je de kracht zelf nog voortdurend beleeft. Het is beter in jezelf iets van het licht te beleven, dan een groot licht te schijnen voor vele anderen. Het is moeilijk, maar het is waar.

God heeft altijd te maken met de esoterie, want Hij speelt overal een beetje een rol bij. God is eigenlijk zo onvatbaar. Als men praat over God en je kijkt wat die woorden betekenen, dan is het net of een politicus een verklaring aflegt over zijn behoefte aan vrede en de daardoor ontstane noodzaak tot bewapening; als u begrijpt wat ik bedoel!

Maar God is wel een gevoel in jezelf of je het zo noemt of niet. Dat gevoel heeft te maken met je werkelijke bestaansreden en bestaansoorzaken; met de werkelijkheid die je bent en alles wat er omheen kan bestaan en laat eruit kan voortkomen. Wanneer je van die kern kunt uitgaan, wanneer je die – al is het maar in de vorm van een licht of in een ogenblik van absolute stilte of hoe dan ook – kunt beleven, dan heb je volgens mij ware esoterie bedreven. Maar dat is dan ook niet meer met woorden te zeggen. Daar kun je geen tempels voor bouwen. Daar kun je geen leer zonder meer over verkondigen.

Trouwens, wat dat betreft: verkondig nooit een leer, want er zijn veel priesters die ontdekt hebben, dat het goed riemen snijden is van andermans leer. Laat dat maar liever rusten.

Probeer gewoon maar te zijn. Probeer alles wat in jezelf leeft of je het God noemt of het licht of hoe dan ook, in je wereld waar te maken. Zolang dat leven in en buiten je bestaat, word je je bewust van de werkelijkheid die je bent. Dan zijn de bijkomende kwaliteiten die je stoffelijk hebt of die je door de wereld worden op gedrongen ineens niet belangrijk meer. Dan blijft er iets eeuwigs over, dat zelfs in de tijd voortdurend beproefd kan worden. Dan ontstaat daardoor een besef omtrent jezelf – en dat is wel degelijk ook een van de belangrijke punten in de esoterie – waardoor je steeds meer weet wie en vooral wat je bent. Waardoor je steeds minder wordt belaagd door de behoefte iets te schijnen of iets waar te maken dat eigenlijk niet behoort tot je eigen persoonlijkheid en wezen.

Nu kunt u even ademhalen in de pauze.

U weet nu dat u te maken krijgt met een voor mij wat wonderlijke entiteit, die een heel hoog licht en een heel hoge sereniteit paart aan voor mij toch wel vaak extreme denkbeelden. Ik denk niet dat hij ze hier zo zal etaleren. U zou ze misschien misverstaan.

Maar ik vond het wel aardig om iets van de achtergrond te laten zien voordat ik aan mijn eigen betoog begon.

Als u vindt dat wat ik gezegd heb misschien niet waar is, of dat je het anders moet bekijken, dan is dat uw zaak. Wat ik heb gedaan is iets van mijn eigen innerlijk geven, iets openbaren van wat in mijn wereld en mijn persoonlijkheid mij voortdurend beïnvloedt, bezig houdt, wat ik in mijzelf erken.

Misschien vinden we elkaar toch in een bepaalde gedachte. En is dat niet zo, dan is de avond niet helemaal verloren, want na de pauze komt de gastspreker

De Gastspreker

Mens‑zijn betekent leven in grenzen. Altijd weer bouwen we aan die grenzen zelf mee. We dromen van een nacht in de woestijn, van de sterren die als lichtstralen neer pieken, van de blauwe droom, van de maan die voorbijtrekt We dromen van een weidsheid waarbij je ziel kan vliegen tot achter de sterren. We ontwaken, we maken regels, we bouwen gezag op en soms, als het niet anders gaat, zoeken wij onze toevlucht.

In ons is een vorm van gerechtigheid van rechtvaardigheid. Wij zijn onderworpen aan het Al waarin wij leven. Wanneer de woestijnwind het zand opdwarrelt kun je alleen nog maar neer knielen, schuilen en hopen dat het voorbij gaat. Maar als de wind voorbij is, ga je kijken wat er over is en je gaat verder op je weg.

Wanneer je in het leven bezig bent als mens vallen de wetten soms over ons heen, erger dan de ergste samoen (hete zandwind). Erger dan de wervelstormpjes die als dansende demonen uit de woestijn komen; de voetstappen verdoezelend tot je meent in een nieuwe wereld te staan. En dan moeten we toch verder. De gerechtigheid in ons is het omhoog zien.

In de woestijn gebeurt het dat je verdwaalt. In het gebergte is het soms zo, dat je niet meer weet welke van de vele kleine kloven en passen de enige juiste doorgang geven. Maar toch, als je naar de sterren kijkt, weet je het weer. Als ik in mijn leven spreek van innerlijke gerechtigheid, dan spreek ik eigenlijk van de sterren in mijzelf, die mij na elke storm weer zeggen hoe ik moet gaan: Wanneer ik spreek over de onbestemdheid der dingen, de machtige wil van God Die alles bepaalt, dan heb ik het over de wereld buiten mij. Die wereld waarvan je als mens de gevangene bent. Die wereld die je probeert te ontvluchten in woorden en dromen.

Wat ben ik nu? Ik ben vele gestalten, vele dromen en ik ben werkelijkheid. Het vreemde is, dat al die gestalten hun zin ontlenen aan de werkelijkheid die ik ben. Dat de zin van alles wat er gebeurd is, van het kleinste woord dat ik ooit heb gesproken tot de grootste daad die ik ooit heb gesteld in al die levens, bepaald werd door dat innerlijke kompas, dat gerechtigheid heet.

Jezus heeft eens gezegd: “Oordeel niet opdat men u niet oordele.” Vele mensen proberen eerlijk en oprecht over anderen geen oordeel uit te spreken, ofschoon het ze zelden zal gelukken. Maar wat ze niet beseffen is dat jij ook over jezelf geen oordeel moogt hebben. Je moet zijn. Zijn is leven, is lachen, huilen. Het is krimpen van de pijn en dan in een vergetelheid en een roes neerschrijven wat als een droom in je opwelt. Of de toekomst tekenen in het zand en het gebeuren zien, dat de dagen voor anderen nog verborgen houden.

Oordeel niet over jezelf, o mens, want je kent jezelf niet.

Oordeel niet over de wereld, o, mens, want je weet niet wat zij waarlijk is.

Oordeel niet over de daden van anderen, o mens, want je kent niet eens de gevolgen van je eigen daden.

Diep in jezelf de rust, de rust zoals midden in een wervelstorm een ogenblik van stilte is. Het is de stilte die de kern vormt van alle beweging. Het is de stilte waarom heen de werveling van het bestaan zich afspeelt. Door niet te oordelen over de wereld of over onszelf, maar te zijn, zal die stilte de zin kunnen bepalen van de beweging daar omheen.

We weten niet wie de weg bepaalt, maar we weten wel dat de stilte de kern is van het gebeuren. Het is goed om stil te zijn. Wanneer in de nacht de fluit zingt, smartelijke klacht, liefdeslied en ik verdroom diep in mijzelf dan is het Niet het Al, het Al het Niet. Zo ben ik meer dan ik ooit mijzelf was en ben ik toch het Al.

Vergeef mij dat ik onvolkomen in een vreemde taal mijn gedachten probeer te verwoorden. Woorden zeggen zo weinig. Maar hun betekenis is heel vaak de stilte van de ziel, die voor een ogenblik een item krijgt en in kreten probeert te uiten wat de stilte zelf niet zeggen kan. Zo vergaat het mij.

Leven als mens, als geest is de voortdurende beweging der dingen; het is de steeds voortgaande verandering. Maar leven is ook stil kunnen zijn en in jezelf in de schijnbare daadloosheid de werkelijke kracht vinden, waaruit alle beweging voortkomt. Het is moeilijk om u te verklaren wat ik denk, wat ik weet.

Ik heb eens een smid aan het werk gezien; een zilversmid. Slag na slag, hamer op drevel trok hij lijnen, vormde hij reliëfs en er werd schoonheid geboren. Toen heb ik hem gevraagd. “Hoe doe je dat nu?” Hij keek me aan – ik zag er welvarend uit, dus noemde hij mij heer – “Heer, mijn handen weten. Als ik mijn handen laat werken zal wat ik weet in het metaal zijn gegrift. Maar als ik mijn gedachten in het metaal wil griffen dan weigeren mijn handen”.

Is dat niet het leven? Wat ik wil doen, kan ik meestal niet doen. En als het mij al enigszins gelukt dan wordt het toch anders dan ik mij had voorgesteld. Maar als ik diep in mijzelf de kracht put en ik laat die door mij werken, dan vormen zich de perfecte lijnen die in het leven belangrijk zijn. En er is meer: wanneer je handen als vanzelf werken is het licht werken.

Wie ooit een ervaren smid heeft bezig gezien met het afwerken van zijn producten, die heeft gezien hoe schijnbaar moeiteloos het gaat. In een vast ritme beweegt de hamer zich op en neer en in een even vast ritme met grote zekerheid trekt de hand de drevel verder of verwisselt die zelfs, zonder dat het kloppen ook maar een ogenblik staakt.

In ons ligt de kracht die stuwt. Zoals de smid in wezen door zijn gevoel geleid werd en zo alle kennis die in en rond hem was – misschien kennis van vele geslachten – met elke hamerslag opnieuw gestalte gaf.

Zo zijn wij. Diep vanuit ons wezen komt de kracht, die de juistheid bepaalt van wat wij zijn en van wat we doen. We kunnen dat niet overwegen en overdenken. Je kunt het leven niet in stukjes breken zonder het tot dood te maken. Je kunt de dood niet samenvoegen en tot leven brenger, tenzij het leven in jou al zo sterk is, dat het niet meer belangrijk is of je brokstukken hebt of een geheel.

Er liggen steden achter het zand. U zou ze misschien dorpen noemen. Wat lage witte huizen, een enkele koepel, wat krotten, een tuin, een stad. Als je zo’n stad binnen komt verdooft ze je niet. De mensen kijken naar de vreemdeling en de vreemdeling kijkt naar de mensen en het is of ze voordat het eerste woord gesproken wordt a.h.w. al bepaald hebben hoe ze zullen zijn, wat ze zullen zijn.

Dan ontplooit zich het leven in geven en nemen. Je voelt de hartenklop van die gemeenschap. Je verstaat de ongesproken taal, die in alles is vastgelegd. In de muren die blind naar de zon staren, in de palmen die zich voorzichtig buigen tegen de avondwind, in de vreemde spiegeling van het water in een kleine vijver of een kleine bron.

Binnen gaan in een vreemde stad is geboren worden op aarde. Dan moet je één weten te worden met al die dingen. Maar je bent de reiziger en niet de gebondene. Je bent de heer van een onmetelijke vlakte, niet de slaaf van een bron, van een tuin, van een paar dadelpalmen. Dat mocht je nooit vergeten. Je bent een reiziger. Voor een ogenblik proef je de stad, de gemeenschap. Voor een ogenblik zit je samen met de mensen van de stad, met de mensen van het dorp: Je praat met ze, je drinkt, je rust, je lacht. Morgen zal je verder trekken.

Je werkelijke kracht is niet gelegen in dat zitten, dat spreken, dat lachen, dat handelen misschien. Je kracht ligt in je pad door die woestijn. Je kracht ligt in het pad waarlangs je morgen verder gaat.

Wij allen zijn zwevers. Zwervers van stad tot stad, van leven. Laten we nooit vergeten, dat in ons de weg gegrift is die we hebben afgelegd. Laat ons nooit vergeten, dat – al vergeten wij ze op dit ogenblik even – onze taak, onze bestemming ons zal voortdrijven.

Dan vind je in jezelf de kracht om waarlijk te gaan door onbekende streken en verten, zoals Omar heeft gedaan, toen hij een mens was. Dan vind je de kracht om verder te gaan wanneer het leven tot dood wordt en dood wordt tot leven. Dan voel je in jezelf die ene werkelijke kracht, dat ene werkelijke bestaan.

In de zadeltassen draagt de zwerver, de reiziger, de schatten van vreemde oorden met zich. De mens, die geboren wordt op aarde, draagt met zich de schatten van vele sferen, van vele tijden, van vele levens. Handel daarmee, want zo hoort het. Maar wees bereid verder te gaan want dat is je bestemming. Luister niet naar hen, die zeggen dat het goed is om neer te zitten en te luisteren naar de wind in de palmen; een ogenblik je te laven aan het koele water uit de bron en te luisteren naar het gerinkel van bellen als vrouwen dansen; te luisteren naar het gerumoer van de stemmen wanneer de gewone gebeurtenissen van de dag plotseling worden omgevormd tot een strijd tegen monsters en draken.

Vergeet niet dat je verder gaat. De stem, die je altijd weer verder doet gaan, anders zou je geen reiziger zijn, die is het die je kracht vormt. Zij maakt je anders. Zij doet je voortgaan. De mens is een reiziger door vele werelden. Ik weet het, want Omar was een mens.

Er zullen tijden zijn dat je denkt: nu is het einde gekomen, deze weg kan ik niet verdergaan. Maar je gaat altijd verder. Moeizaam, soms, bitter, met achterlating van veel. Maar je gaat verder, want dat is je noodlot.

Er zullen ogenblikken komen dat anderen zeggen: “Ik ben zwak, ik kan niet verder gaan en dat je weet: we moeten verder gaan; dat je hen meeneemt en dat je hen draagt. Dat je hen het rijdier geeft terwijl je zelf te voet voortgaat. Niet omdat je edel bent, maar omdat je bent, omdat je niet anders kunt. Het is de kracht in je wezen waardoor je een reiziger bent. Het is de kracht van je ziel waardoor je een mens bent. Vergeet dat nooit.

In jezelf ligt de rechtvaardigheid, niet van één leven en niet van tien levens, maar van een weg die gegaan wordt vol moed, dapper voortgaande ondanks alles. In je is die vreemde bron van kracht, die je toch op doet staan en verder gaan als je meent dat je niet meer kunt. In je is die vreemde kracht, die je in staat stelt anderen de moed te geven om voort te gaan, wanneer allen, maar ook jij meent, dat het niet meer mogelijk is. Dat is uw grote schat: de rechtvaardigheid en de macht van de rechtvaardigheid die in u woont.

Het oordeel van de eeuwigheid wordt tot een onverzettelijk vermogen in hem, die verder trekt door schijnbaar woeste en onbekende oorden. Niets kan u tegenhouden, kinderen van de Eeuwige, wanneer u maar niet denkt dat de stad uw einde is, dat je hier zult blijven rusten. Wanneer je bereid bent altijd weer innerlijk voort te gaan, wanneer je altijd weer bereid bent tot het uiterste van je krachten te gaan, wanneer je altijd weer het spel speelt van de handel, maar gelijktijdig ook van de overwinning van de verte, dan bereik je de eeuwigheid.

Die kracht is je gegeven om je gezellen te steunen als ze niet verder kunnen. Die kracht is je gegeven om uit hetgeen je meebrengt een schat te maken, uit hetgeen je koopt opnieuw schatten te vormen. Traag is de weg. Moeizaam en mul het pad. De uren versijpelen met het zand onder je voeten. Het is de wil die je voortjaagt. Het is een vreemde kracht die je zegt: “Al verdorst ik, daar is water.”

Dat is uw kracht. Dat is de kracht van alle mensen. Ik zeg dit niet ten onrechte, want vele malen was Omar een mens. Niemand kan u geven wat het uwe is. Het uwe is de kracht die in u woont. Neem die kracht en beroep u er op. Weest sterk en doe het onmogelijke. Want dat is uw recht. Als ge faalt ten aanzien van die kracht in uzelf, dan zult ge in een schijn van krachteloosheid lijden, wat niet noodzakelijk is. Want dat is de rechtvaardigheid die u beheerst.

Het is om Gods wil dat ik spreek. Want ik ben het niet, die bepaalt wat in mij leeft. In een ver begin, dat ik niet ken, was ik voor het eerst. Misschien in een ver verschiet, dat ik nog niet besef, zal ik voor het laatst zijn wat ik ben. Maar nu ben ik. Nu besta ik.

Nu trek ik alle legenden rond mij samen. Door de kracht die in mij leeft, maak ik ze tot meer dan een harnas dat mij beschermt. Ik weet niet wat mijn begin is en wat het einde zal zijn van wat ik ben, maar nu heb ik een kracht in mij, die ik gebruiken kan als een wapen wanneer het noodzakelijk is. Die ik gebruiken zal als een licht wanneer het duister mij belaagt. Want dit is mijn recht. Dit is mijn wezen. En u bent niet minder.

Ook in deze dagen, deze dagen van het mens‑zijn, schijnbaar kleine machteloze gevangenen van de stad, zijt gij allen reizigers die verder zullen trekken. Wees dan trots op wat er in u leeft.

Aarzel niet de kracht te gebruiken die in u bestaat. Laat vanuit uw wezen de kracht voortvloeien, opdat u schatten kunt achterlaten en met rijkdom verder kunt gaan.

Als je niet weet waar de weg je moet voeren, kijk naar de sterren, want in de taal van de sterren staat je bestemming en je richting geschreven. Als het duister je belaagt, denk aan de maan en wacht op haar. In de koelte van de nacht zal ze met haar blauwe lijnen je weg tekenen van schaduw tot schaduw, zodat je verder kunt gaan tot op het ogenblik dat de zon te warm wordt en dat niet alleen de mens, maar zelfs de ziel een wijle moet rusten.

Woorden zijn onvolkomen. Onvolkomen is de taal die ik nog niet voldoende beheers. Ik kan het magische zingen van de klanken nog niet voortbrengen dat noodzakelijk zou zijn om een melodie te vormen, die achter alle reden ligt in elke mens. Kan ik het u duidelijk maken? Misschien niet. Ik weet te goed dat dat kan gebeuren, want waarlijk, eens was ik Omar, een mens.

Voel diep in jezelf. Probeer eens een keer te vergeten wat de zorgen, de problemen en de verantwoordelijkheden zijn van dit korte, kleine ogenblik. Probeer voor één keer te vergeten wat je scheidt van anderen. Probeer voor één keer te voelen hoe in jou de kracht is van het verdergaan. De kracht die zon en maan samen maakt tot bakens op je weg, waarbij je meester bent van de weg die je gaat, al weet je niet waarheen ze zal voeren.

Niet hulpeloos, niet machteloos ben je. Want in je is de kracht en met je gaat je God. Waarom dan zorgen? Waarom dan raadsels? Als het proviand bijna op is, knort de maag en krijgt een enkele bete toegeworpen. Morgen wacht weer de overvloed. Maar je moet verder gaan.

Wanneer het lichaam dodelijk vermoeid ineen wil zakken, dan weet je: als ik neerval ga ik niet verder. Grijp dan naar de kracht in jezelf. Bid tot de God die je niet kent. Klamp je vast aan al wat je kan steunen en ga voort. Voor je het weet rust je uit en zit je met anderen tezamen Je drinkt de gezoete thee, je drinkt de koffie, je praat. Misschien zing je een lied. Je rust uit in de koelte van de avond en beschut je voor je rust tegen de koude van de nacht.

Je kunt altijd verder gaan, mens. Ik weet het, want ik was een mens. Je kunt altijd sterker zijn dan je mogelijk acht, want in je is meer kracht, meer licht en meer waarheid dan je ooit in deze vorm beseffen zult. Ik weet het want ik ben mens geweest.

Aarzel dan niet en ga verder. Als het tijd is om te rusten, rust en lach, luister en spreek. Maar weet, dat dit niet het doel is, doch slechts het korte ogenblik van rusten. En wanneer u aarzelt, kijk diep in uzelf. In uzelf is de rechtvaardigheid die gelijktijdig uw doel en uw bestemming bepaalt.

Als u niet rusten kunt omdat uw gedachten voortrazen als een komende stormwind, zie naar de stilte in uzelf en de stormen rond u kunnen u niet meer meeslepen, en u zult rusten. Als het tijd is om voort te gaan, neem geen afscheid met leed en tranen, maar kijk vooruit op de weg en wuif een ogenblik naar hen die nog blijven vertoeven in het dorp terwijl vóór u weer de weidsheid openligt; de oneindige wereld die steeds nieuw beleven en ervaren geeft, die u steeds opnieuw leert uw krachten beter en juister te gebruiken. Die u leert in uzelf uw bestemming te beseffen.

Dan zult u weten zoals ik: ik ben een reiziger door een tijd, die ik niet kan overzien. Ik ben een zwerver door een Schepping, die ik pas langzaam enigszins leer kennen. Maar ik ben ook een kracht, die gestalte geeft aan al wat om mij heen is. Ik ben een kracht, die de weg bepaalt die ik bijna ondanks mijzelf ga. Ik ben het, die samen met de onbekende God en alle levende krachten daaruit voortgekomen, bepaal wat leven is en zo de waarheid vind, die eerst gestalte krijgt door alle leven.

Meer woorden zouden dwaasheid zijn. Misschien sprak ik al te veel woorden. Ik kan u alleen dit ene meegeven:

Waarlijk groter dan allen is God. In allen is de God die groter is dan al wat kenbaar is. Leef uit de kracht die u bezielt en ge zult één zijn met Hem, Die Al heeft voortgebracht. Aarzel niet, want uw kracht is groter dan u denkt. Denk niet te veel, want ge zou grenzen stellen in de werkelijkheid van uw eigen wezen.

Moge de Voortbrenger van alle dingen, de Kracht, die leeft in al en Al geleidt, in u zijn.

Moge het besef van Zijn Wezen voor u bepalend zijn voor de weg die u zult gaan.