Innerlijke kracht en haar gebruik

13 januari 1967

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Denkt dus zelf na over hetgeen gebracht zal worden. Ons onderwerp voor heden is: Innerlijke kracht en haar gebruik.

Dit onderwerp leent zich voor vele wijzen van behandeling, dit zult u wel begrijpen. Ik wil trachten het zakelijk, bondig en eenvoudig te doen. In de mens bestaan vele reserves, die hij normalerwijze niet aanspreekt. Daaronder zijn zuiver lichamelijke reserves, geestelijke, mentale reserves en daarnaast de minder zichtbare geestelijke reserves, die onmiddellijk stammen uit de eigen persoonlijkheid dan wel uit de krachten en sferen, waarmede men in verbinding staat.

Wij zien dat, normaal gesproken, de mens eerst tot overprestaties komt, een prestatie, die ver boven het voor hem normale ligt dus, wanneer hij onder enorme spanning wordt gezet. Mensen, die in doodsgevaar verkeren, maken sprongen en bereiken vaak snelheden, waarop de kampioenen der atleten jaloers kunnen zijn. Mensen die een probleem moeten doordenken, omdat hiervan voor hen zeer veel afhangt en hun beheersing daarbij niet verliezen, lijken vaak in staat om, in een tijd, die een normaal mens nodig heeft voor een sommetje als 2+2=4, ingewikkelde berekeningen te volvoeren en zelfs redelijk aanvaardbare prognoses te stellen.

Er is dus zeker een reeks innerlijke vermogens. De kern van deze vermogens wordt echter zelden of niet aangeboord. De vraag is dus wel, waarom dit wel pleegt te geschieden, wanneer voor de mens zogenaamde noodsituaties op gaan treden. Ik meen dat de mens, juist wanneer er een noodsituatie optreedt, alles buiten de situatie, waarmede hij geconfronteerd wordt, vergeet. Zolang hij nog aan andere dingen blijft denken, zal hij geen oplossing vinden. Is men tot een dergelijke eenzijdige reactie niet in staat, dan zien wij de mens soms zelfs succomberen omdat zij denken aan mogelijke consequenties. De mens echter, die op één enkele punt gericht en met uitsluiting van al het andere, weet te beleven en te denken, bereikt daarmede dat hij het geheel van zijn innerlijk reserves en krachten in het geding kan brengen. Zijn prestatie komt dan aanmerkelijk boven het als normaal geldende te liggen, terwijl hij daarnaast vaak over vele krachten blijkt te beschikken, die men, achteraf gezien, niet meer redelijk kan verklaren. Men maakt zich daar dan van af door te spreken over instinctieve reacties of toevallige gebeurtenissen en ontwikkelingen. Maar wanneer wij onbevooroordeeld zijn, moeten wij wel toegeven dat de mens tot op zekere hoogte in staat is het toeval te beïnvloeden.

Om dit alles beter te kunnen bezien, moeten wij allereerst nu een antwoord vinden op de vraag wat innerlijke kracht in kan houden buiten de beperkte omschrijving daarvan, die ik reeds heb gegeven. Ik stel dan: De mens is een eenheid, die het totaal van alle sferen bereikt. Hij is niet alleen maar het verschijnsel hier op aarde, maar in feite het geheel van zijn leven, inhoudende alle eventuele vorige bestaansfasen, alle sferen, waarin hij vertoefd heeft of nog vertoeven zal en alles, wat in toekomende tijden nog tot zijn bestaan zal, of kan, behoren. Deze stelling heeft nogal wat consequenties, daarvan ben ik mij bewust. Maar ik meen dat zij toch in het geheel gezien niet onlogisch is, zeker wanneer wij de mens beschouwen als een deel van de eeuwigheid.

Ik stel nu verder: De zogenaamde innerlijke kracht is het totaal van de aanwezige bekwaamheid, kennis, vermogens, geestelijke en andere machten, zover deze in de totale mens schuilgaan. De krachten, vermogens enzovoort, van de mens kunnen op elk ogenblik van levensbesef volledig geuit worden, mits de vorm, waarin men op dat moment zichzelf erkent, vergeten kan worden. Waarmede wel volledig genoeg gezegd is, wat volgens mij innerlijke kracht is. Ik ga nu dus over tot een beschouwen van haar mogelijk gebruik.

U zult wel beseffen, dat het voor een doorsnee mens niet aanvaardbaar is hem in een toestand van wanhoop en ellende te brengen, alleen om hem meer te doen presteren dan hij tot nu toe als normaal heeft gedaan. Maar je kunt een groot deel van de dingen, die in je leven tot nu toe bestonden als waarden, elimineren. Laat ons hier maar weer een bekend voorbeeld nemen. U hebt bijvoorbeeld de behoefte te genezen. U wilt genezen. U hebt altijd gehoord, dat het hiervoor noodzakelijk is, dat u precies weet wat voor kwaal bestreden moet worden, wat voor middelen daarbij gebruikt moeten worden, hoe de genezing dient te verlopen. Verder heeft u gehoord, dat men dit alleen goed zal kunnen doen, wanneer men alle daarvoor noodzakelijke diploma’s heeft enzovoort. Zolang u aan dit alles blijft denken, is het wel duidelijk, dat u met het genezen niet veel zult bereiken, tenzij u aan al de gestelde voorwaarden hebt voldaan. Zelfs dan blijven er nog vele toevalligheden over, die uw pogen kunnen frustreren.

Stel nu, dat u dit alles vergeet en dus geheel open staat tegenover de patiënt. Het resultaat zal zijn, dat u de kwaal – al kunt u die niet deskundig en in de juiste termen omschrijven – wel degelijk aan kunt voelen of eigenlijk constateert, zonder te kunnen omschrijven wat er nu eigenlijk aan de hand is. Wanneer je nu verder nog gelooft, dat je genezen kunt, zo zal men in eigen persoonlijkheid alle krachten wekken, die tot het brengen van genezing geschikt zijn. Dat betekent niet, dat er nu ook van een absolute genezing sprake zal zijn. Mogelijk is dit wel, maar noodzakelijk is het zeker niet. In dit verband is echter hierbij van belang, dat u over krachten en kundigheden blijkt te beschikken, waarvan u het bestaan in uzelf tot nu toe niet had vermoed. In dit beeld openbaart zich een typisch aspect van de innerlijke kracht: zij openbaart zich pas geheel, wanneer wij al het andere weten uit te schakelen. En daarmede bevinden wij ons op een bekend terrein.

Een groot deel van hetgeen u meent te weten van uw wereld, van uzelf en al datgene, wat er rond u is, berust op waan. Het is niet feitelijk waar, maar berust op een conventie, iets, wat u gezamenlijk aanvaardt en die, voor u althans, voorlopig de feiten redelijk aanvaardbaar verklaart. Dit wil nog niet zeggen, dat het gestelde daarom ook juist of geheel juist hoeft te zijn. Zolang de conventie aanvaard wordt door u, zult u in uw mogelijkheden beperkt blijven tot de mogelijkheid, die bij een conventie kan bestaan. Op het ogenblik, dat de conventie op welk terrein ook, tijdelijk of voorgoed, voor u wegvalt, ontstaat voor u een nieuwe situatie en daarmede ook een nieuwe reeks van mogelijkheden. Hoe u daarvan gebruik zult maken, wat daaruit voortkomt en in welke zin de verdere ontwikkelingen zich dan gaan voltrekken, ligt natuurlijk aan uzelf. In wezen is dit dus afhankelijk van uw werkelijke, innerlijke, persoonlijkheid.

Een tweede punt van belang is hier wel, dat de meeste mensen aannemen, dat innerlijke kracht onuitputtelijk is, innerlijke kracht is voor hen iets, wat eenieder heeft en waaraan geen einde komt. U moet goed begrijpen, dat u in de oneindigheid een gevormde persoonlijkheid bent. U wordt maar langzaam, ofschoon zeker, van die werkelijke persoonlijkheid bewust, dat is waar. U wordt langzaam maar zeker bewust van uw feitelijke plaats, functie, taak, binnen de kosmos. Maar dat betekent nog niet, dat u dan ook zonder meer over alle krachten van die kosmos kunt gaan beschikken.

Alles, wat innerlijke kracht genoemd wordt, komt onmiddellijk voort uit het eigen wezen. Nu is er wel een uitweg, wanneer je toch wilt beredeneren dat je over oneindige krachten de beschikking zult hebben, door te zeggen: “Maar ik ben ook deel van God en zal dus via God over alle krachten van de oneindigheid kunnen beschikken.” Maar men vergeet daarbij dan een ding: als leven bent u binnen de Goddelijke werkelijkheid een matrix, een begrensd deel van de oneindigheid. Logischerwijze volgt hieruit, dat er dus grenzen moeten zijn. Wanneer de Goddelijke Kracht sterker wordt dan de grenzen die voor u uw wezen bepalen, zal uw ik in de uitbarsting van krachten vernietigd worden. Indien een soortgelijke matrix herontstaat, zo is deze niet meer identiek met uw ik. Ons gebruik van innerlijke en goddelijke krachten is dus steeds weer een balanceren tussen de uiterste mogelijkheid van de werkelijke persoonlijkheid, superego of hoe u het noemen wilt, zodat dit nog geheel in stand kan blijven, terwijl men gelijktijdig toch voldoende krachten voor zijn doel aan dit ik of de Goddelijke Werkelijkheid kan onttrekken. Indien men werkt met dergelijke krachten, kunnen zij nimmer op een enkele wereld of sfeer gericht zijn. Zij kunnen krachtens hun aard slechts gericht zijn op iets, wat evenzeer deel van de oneindigheid is als zijzelf.

Indien ik terug keer tot mijn voorbeelden en daarbij weer de man neem, die een probleem tracht op te lossen, zo zal ik dus zien, zo hij erin slaagt zijn innerlijke kracht te wekken, dat hij niet alleen zijn specifieke probleem oplost, maar gelijktijdig een oplossing vindt voor de reeks van problemen, waarvan het zijne toevallig een voorbeeld is. Hij vindt een benaderingsmethode, die niet alleen zal gelden voor het ene punt wat hem zelf interesseert, maar vindt  een benadering, die gelijkelijk zal gelden voor alle soortgelijke omstandigheden. Je kunt dus altijd een absolute waarde terugvinden in de uitingen van de juist gebruikte innerlijke kracht. De innerlijke kracht kent, ook in haar toepassingen, geen persoonlijke waarden, doch slechts absolute waarden van grotere of kleinere betekenis.

Daarmede komen wij tot de vraag, hoe men die innerlijke kracht dan wel moet gebruiken. De meeste mensen vinden het gebruiken van die innerlijke krachten namelijk veel belangrijker dan wat die krachten in wezen zijn. Voor hen zou het niets uitmaken, wanneer het in een pakje van dokter Oetker kwam, mits zij het met wat naastenliefde en concentratie zouden kunnen mengen om er een onmiddellijk voor gebruik gereed zijnde pudding van kracht van zouden kunnen maken. Maar tot mijn spijt bestaan dergelijke eenvoudige oplossingen niet. Het gebruik van deze krachten kan in een aantal regels worden vastgelegd, die ik u zo goed mogelijk zal weergeven en waar nodig verklaren.

  1. Innerlijke krachten worden dan actief, wanneer een deel of het geheel van het eigen besefte ik en de eigen ervaren wereld vergeten worden. Het werkelijke en totale ego overheerst dan de beperktheden van het tijdelijk ego dat men is, of meent te zijn,op aarde.
  2. De totale kracht van eigen wezen kan nimmer groter zijn dan de totale verdere kracht van de als reëel geldende wereld rond het ik. Mijn innerlijke kracht is slechts in staat incidenteel op te treden. Zij kan nimmer herscheppend optreden ten aanzien van de verdere wereld of schepping.
  3. Op het ogenblik dat ik mij bewust ben van mijn innerlijke kracht en tracht deze te richten op één punt, zal er reeds een mogelijkheid bestaan resultaten te behalen. De werkelijke resultaten blijven echter afhankelijk van de wijze, waarop ik al het andere terzijde weet te stellen en, zelfs mijzelf vergetende, slechts de kracht vertegenwoordig.
  4. Het gebruiken van innerlijke kracht hoeft niet altijd bewust te geschieden. In zeer vele gevallen kan een beroep op desnoods imaginaire figuren of krachten voldoende zijn om de grenzen van de menselijke opvattingen, conventies en beperkingen te doorbreken, waardoor het werkelijk ik de mogelijkheid krijgt in te grijpen.

Zo. Daar sta je dan. Je kunt met veel moeite leren deze dingen te beheersen en te gebruiken, maar je kunt er nooit zeker van zijn dat iemand, die daarover nooit heeft nagedacht, het niet op een gegeven ogenblik net zo goed of beter zal doen. De innerlijke kracht is dus niet iets, wat u tot de meerdere van een ander kan maken. Ten hoogste kunt u leren er meer en vooral meer bewust gebruik van te maken dan anderen. Maar dat zegt nog niets over het vermogen, dat je kunt ontwikkelen.

Instinctwaarden die in feite deze innerlijke kracht inschakelen, kennen wij allen. Wanneer je iets kwijt bent en je roept een kracht aan om daardoor het verlorene terug te vinden, wat velen doen, zo zal een zekere ontspanning optreden. Hierdoor wordt onder meer het onderbewustzijn gemakkelijker toegankelijk. Ook andere delen van het ik kunnen in die toestand van ontspannen verwachten gemakkelijker optreden als actieve factor in de stof,  onder meer de aura en de astrale waarden van het ik spelen bij dergelijke gevallen vaak een rol, zodat men gemakkelijker kan constateren, waar het verloren voorwerp in kwestie zich bevindt. Ik zeg niet, dat dit de enige mogelijkheid is, maar meen wel te mogen stellen, dat dit een veel voorkomende ontwikkeling is, ook al wordt die dan op rekening van St. Antonius of zo geschreven.

Onder u zijn er velen, die graag met de geest in contact willen treden. Voor de doorsnee mens alweer een moeilijke kwestie, daar hij bij het zoeken naar contact zozeer van zichzelf bewust is, dat hij werkelijke contacten niet kan bereiken. Hetgeen hij dan meent te beleven, zal in de meeste gevallen een vorm van zelfbedrog zijn. Maar indien je die geest niet alleen maar wilt zien of daarmede spreken, maar het wezen en de werkelijkheid van die geest voor een ogenblik wilt aanvaarden, zo vallen de conventies en beperkingen van eigen wereld wederom weg. Je vergt dan niet meer dat het verschijnsel, of de ander, zich zal manifesteren volgens de eisen en normen van jouw wereld, maar bent in staat de acties en reacties van de geest te aanvaarden voor wat zij zijn. Dan blijken communicaties met de geest zeer vaak mogelijk te zijn en ook in de meeste gevallen betrouwbare resultaten op te leveren. Voor degenen, die veel aan spiritisme doen is het misschien goed zich juist het voorgaande steeds weer voor ogen te stellen.

Zoals u hier tezamen bent, hebt u allen ongetwijfeld vaak gebruik gemaakt van de innerlijke kracht, zij het dat dit in de meeste gevallen wel op een wat kinderlijke manier plaats zal hebben gevonden. U hebt bijvoorbeeld wel eens naar de nek van iemand, die voor u zat gekeken, om hem of haar te dwingen om te kijken. En u hebt zeer waarschijnlijk gemeend, dat dit een manifestatie van innerlijke kracht was. Indirect staat het er dan ook mee in verband. Toch is het geheel eerder een speculeren op de gevoeligheid van de mens, die zich buiten eigen lichaam pleegt uit te strekken en uw eigen magnetisme. Want uw persoonlijk magnetisme, dat door u ook wordt gebruikt wanneer u magnetiseert, is geen innerlijke kracht, maar een grotendeels lichamelijke kracht. Pas wanneer innerlijke waarden binnen het zo natuurlijk aanwezige magnetische veld een inhoud van hoger gehalte geven, kan er iets gebeuren wat werkelijk bovennatuurlijk genoemd mag worden, omdat innerlijke waarden daarbij een rol spelen. Overigens vind ik magnetisme maar een vervelende term. Er is immers van magnetisme geen sprake, zodat je beter over een emanatie zou kunnen spreken.

Een ander punt: De mensen menen wel eens, dat je, om gebruik te kunnen maken van het totaal van je wezen en bewustzijn, een hoogstaand mens moet zijn. Geloof mij, ook dit is niet waar. Het bekende gezegd: “Hoe groter geest, hoe groter beest” maakt al duidelijk, dat de mens die de grenzen van het menselijke denken en de menselijke conventie terzijde stelt, dit naar alle zijden zal doen en niet alleen naar de kant, die de andere mensen mooi en goed vinden. Met het terzijde stellen van de menselijke conventies hoeft zo iemand dan ook nog niet eens geestelijke of innerlijke waarden in te passen in zijn werken, om een genie te heten. Hij maakt alleen een volledig gebruik van zijn materiële waarden en perceptie, terwijl anderen door gebruiken en dogma’s daartoe niet komen.

Wanneer men echter geestelijke waarden gebruikt, die dus niet tot de stoffelijke wereld of niet geheel tot de stoffelijke wereld behoren, zo moet men er rekening mee houden, dat ook in de geestelijke sferen of werelden, evenals op aarde, de wet van oorzaak en gevolg werkzaam is en dus voor elk werken met deze krachten ook gevolgen op zullen treden. Een kracht die ik onttrek aan mijn hoger ego en projecteer in een lagere wereld, betekent voor mij dat ik in die lagere wereld mijn problemen ook juist en met de waarden van de geest harmonisch op zal moeten lossen om te bereiken dat de door mij gebruikte kracht ook weer tot mijn hoger ego terug zal kunnen keren, zodat dit niet verarmd en krachteloos wordt.

Bij een gebruiken van innerlijke krachten, die zo aan de hogere delen van het wezen, of de meer tijdloze delen van het ik, worden onttrokken, bestaat er geen mogelijkheid de ontnomen krachten onmiddellijk en zonder meer te compenseren. Er zijn mensen, die schijnbaar denken dat God met een soort pompslang klaar staat bij de krachtpomp en altijd maar weer reageert met een: “Daar heeft weer iemand kracht aan het hogere ik ontnomen, even bij tanken…”. Want zo gaat het zeker niet, mijne vrienden. Wat ik gebruik aan geestelijke krachten uit mijn eigen, hogere, persoonlijkheid, wordt op aarde gebruikt en ook wel gebonden. Het moet op aarde dus weer vrijkomen en zijn hogere waarde weer herwinnen, voor het opnieuw een voor mij bruikbaar deel van het hogere ik uit kan gaan maken. Wat betekent, dat het werken met de innerlijke kracht niet alleen voordelen, maar ook nadelen meebrengt. Wanneer ik te veel mijn innerlijke krachten oproep en daarmede werk, zo zou ik wel eens een groot deel van het hogere ego kunnen binden aan de omstandigheden, waarin u nu leeft.

Nu vindt u misschien dat u op het ogenblik best prettig leeft en koestert u daartegen geen bezwaar. In dat geval kunt u rustig uw gang gaan. Maar de meeste mensen kennen op aarde geen werkelijke vrede en rust. Zij zijn steeds weer ontevreden, hebben steeds weer kritiek. De laatste strijdkreet in dit opzicht is, naar ik meen: “Jelle zal wel zien….” Volgens mij is het wel duidelijk dat de meeste mensen iets anders wensen, dan zij hier en nu hebben. Daarom dient men er dan ook voor op te passen niet te veel van de innerlijke krachten in de menselijke wereld van nu te fixeren. En toch zullen wij de geestelijke, de innerlijke krachten en een fixeren daarvan in de stof, zelfs maar tijdelijk, vaak wel nodig hebben.

Wat daar dan aan te doen is? Zelfs wanneer een materiële fixatie in zichzelf doel is en dus tot oplossing komt op het ogenblik dat het doel bereikt is, zal alle daarin geprojecteerde innerlijke kracht als het ware verdampen. Zij neemt een andere vorm aan en reverteert tot haar oorspronkelijke waarde. En daarmede worden alle processen, die in redelijke tijd voltooid kunnen worden, aanvaardbaar en wordt hiervoor de innerlijke kracht zonder meer bruikbaar. Concentreer u op de genezing, die u tot stand wilt brengen of wat u anders met die kracht wilt doen. Zoek contact met de geest, of wat u maar wilt. Uw innerlijke kracht kan u daarbij helpen. Maar wees voorzichtig: stel dit niet belangrijk in het verdere verloop van uw leven. Stel alleen de ogenblikkelijke bereiking als belangrijk. U wilt iemand genezen? Goed. Dan gaat het niet om een bedankje dat je verwacht. Het gaat er zelfs niet om, dat de mens werkelijk beter zal worden. Het gaat er alleen maar om, dat op dit moment de genezende kracht aanwezig zal zijn.

Als het eenmaal zover is, is uw werk volbracht. Dan moet u afscheid nemen van het streven van de zelfopgelegde taak. Later moogt u dan wel eens gaan zien, materieel, hoe het verder is gegaan. Daartegen bestaat geen bezwaar. Maar op het ogenblik zelf moet u dus met de gevolgen niets te doen willen hebben. Het hogere ik moet als het ware geprojecteerd worden op een enkel punt met vergetelheid voor al het andere, zodat de daarin gelegde kracht na de voltooiing van het gestelde ook vrij kan worden. De geestelijke kracht dient in het proces als werktuig en keert na verrichte taak tot het ik terug.

Nu zegt u misschien: “Maar wij hebben toch de goddelijke krachten tot onze beschikking”. In zekere zin is dit geheel waar: de Goddelijke kracht is altijd rond u en u kunt deze ook wel richten en gebruiken. Maar u zult deze kracht nooit kunnen bundelen, richten en gebruiken, tenzij zij harmonisch is met uw eigen wezen. En dat betekent dat de goddelijke kracht voor u de grootste intensiteit van werking eerst kan bereiken in de ogenblikken van zelfvergetelheid. In alle gevallen, waarin je zelfbewust met die kracht probeert te werken, kun je er wel zeker van zijn, dat de zaak wat wazig blijft, terwijl je niet op werkelijke, verrassende en blijvende resultaten hoeft te rekenen.

Ik vraag mij af wat ik u nu verder moet gaan vertellen. U zit hier bijeen, een nogal uiteenlopend gezelschap, en nu moet ik u gaan vertellen wat u moet doen met innerlijke kracht. Laat mij proberen enkele meer algemene tips te geven, die wel voor eenieder op de een of andere wijze bruikbaar zijn.

  1. Onthoudt, dat innerlijke kracht niet opgeroepen kan worden. Zij treedt slechts onder bepaalde omstandigheden in verschijning. Roep dus nooit uw innerlijke krachten aan, want dat helpt toch niet. Probeer liever u zozeer te richten op een bepaalde taak of punt, zodat u uzelf daarbij gewoonweg geheel vergeet.
  2. De innerlijke kracht treedt op op het ogenblik dat ik mijzelf, zoals ik nu ben, meen te zijn, Dit houdt in dat, naarmate ik mijzelf wegcijfer – in werkelijkheid en dus niet in de zin van: “Hé, wat cijfer ik mijzelf weer lekker weg, wat ben ik toch edel -zal mijn gehele wezen meer op de voorgrond treden en daardoor zal mijn innerlijke kracht meer op de voorgrond treden en ook sterker tot uiting komen, bepalend voor haar werking, en is gerichtheid uiteraard daarbij het doel, waarmede ik mijzelf vergeet of wegcijfer.
  3. Met concentratie en contemplatie kan ik mijzelf leren kennen. Ik zal misschien zelfs de krachten die in mij bestaan, hierdoor kunnen leren beseffen. Ik zal echter nooit daardoor deze krachten leren hanteren. Het hanteren van de innerlijke krachten is een praktisch iets en niet, zoals men vaak denkt, iets wat met theorie en veel studie bereikt kan worden.

Heb ik voor mijzelf de eenvoudige aanvaarding van de innerlijke kracht, bewust, of onbewust, dan zal zij voor en in mij werkzaam zijn. Dit geldt even goed voor iemand die niet kan lezen, schrijven, of zelfs redelijk denken, als voor iemand, die alle wijsheid in pacht heeft. In beide gevallen zullen zij, om de innerlijke kracht tot volle gelding te doen komen, zichzelf moeten vergeten. Voor de wijze zal dit meestal zelfs moeilijker zijn. Eigenwaarde is de grootste rem voor het optreden van de innerlijke krachten.

Zo, dat zijn dan enkele aanwijzingen, waarmede u misschien reeds iets kunt doen. Nu echter zal ik proberen een antwoord te geven op de vraag, waarvoor je die innerlijke krachten in het dagelijkse leven dan het best zoudt kunnen gebruiken.

Voor zaken kan men zoiets moeilijk gebruiken. Zakendoen is altijd weer op jezelf gericht. Om dus de innerlijke kracht te gebruiken bij zaken doen, zou je die kracht eigenlijk op je huidige Ik moeten richten. En juist dat gaat nu niet. Maar toch zijn er in het dagelijkse bestaan enkele punten, waarbij de innerlijke krachten werkelijk bruikbaar zijn. Allereerst kan men deze kracht gebruiken voor een reinigen van sfeer en omgeving. Door uzelf te vergeten kunt u als het ware de sfeer rond u zuiveren en in de omgeving harmonieën tot stand brengen, die anderen zonder uw hulp niet of niet zo snel gevonden zouden hebben.

Ten tweede kan men de innerlijke kracht richten op en gebruiken voor het genezen van anderen, van zowel geestelijke als lichamelijke kwalen. Inbegrepen hierbij zogenaamde aanhechtingen en alle verschijnselen, die daaraan doen denken, optredende demonische dreigingen en wat men als zodanig ondergaat en dergelijke. Alweer: vergeet hierbij geheel uzelf en denk alleen aan het goede, dat er rond u moet ontstaan. Probeer uw wereld zozeer goed te maken, dat het er niet meer op aan komt of u bestaat of niet. Indien u daarin slaagt, worden resultaten bereikt.

Een andere praktische mogelijkheid is het oplossen van problemen. Indien het probleem alleen uzelf betreft, zal het zeer moeilijk zijn hierbij de innerlijke kracht geheel in te schakelen. U zult immers in het probleem steeds weer uzelf, zoals u uzelf op aarde meent te kennen, terugvinden. In de praktijk kunnen dus in dergelijke gevallen de innerlijke krachten niet worden ingeschakeld. Indien wij echter te maken hebben met een voor ons meer abstract probleem, iets dat dus niets meer direct met ons te maken heeft en dit probleem in het middelpunt van onze belangstelling kunnen plaatsen op een wijze, waardoor alle andere dingen buiten dit probleem vergeten kunnen worden, zo zal hierdoor een reactie uit het geheel van de persoonlijkheid gewekt worden.

Innerlijke krachten en waarden treden daarbij niet alleen op als een soort rekenmachine, die antwoord geeft, maar bovendien zien wij de werking van een kracht, die bijna gelijktijdig met het beseffen van de oplossing ook correctief in het probleem in kan grijpen, wanneer dit noodzakelijk is. Dit geldt overal, desnoods voor verkeersproblemen en dergelijke. U zou dit misschien niet willen geloven, maar het is toch werkelijk waar.

Dan kunnen wij de innerlijke kracht ook gemakkelijk gebruiken om de kosmos beter te begrijpen. Wij zijn immers deel van de kosmos, zodat wij in onze totale persoonlijkheid deze kosmos en haar waarden wel beseffen. Nu kunnen wij als mens deze kosmos niet begrijpen. De mens heeft over het algemeen een zeer theoretische en zeer systematische wijze van denken. Gooi die eerst overboord.  Of u nu kijkt naar een horoscoop, een cijferdiagram of een rebus uit een reclame, u hebt een punt nodig, waarop u zich kunt concentreren en beschouwen als deel van de kosmos. Het gevolg is een vergroting van inzicht in vele dingen.

Men verkrijgt immers niet alleen de oplossing van een dergelijk probleem, maar een groot deel van de fasen van besef, die bij de oplossing een rol speelden, blijven enigszins in de hersenen hangen. Dit is een effect van remanentie, dat wij wel meer zien optreden in het menselijk denken.

Wanneer u dus na de concentratie allereerst uw denken uitschakelt en, zo u daarop prijs stelt, de oplossing die in u opkomt, noteert, om daarna te trachten uzelf te verklaren hoe u tot de oplossing gekomen bent en waarom, dan zult u in uzelf steeds weer nieuwe eigenschappen en mogelijkheden ontdekken. Daarnaast ontdekt men over kennis te beschikken, die, naar men vreesde of meende in feite in het Ik niet aanwezig was. Ook de zelfkennis van de mens kan door een dergelijke wijze van werken in vaak zeer belangrijke mate bevorderd worden. Wat zeker ook in het dagelijks levens onmiddellijk nut heeft. Wie zichzelf kent, bedriegt zich minder snel in eigen handelen en de bedoelingen van anderen.

Ten laatste wel het meest vreemde wat hier als mogelijkheid van innerlijke krachten en hun gebruik naar voren komt: gezondheid. Ik doel nu niet op de gezondheid van anderen. Daaraan iets te doen is, zoals wij reeds bespraken, geen kunst. Maar je kunt in zekere zin ook jezelf genezen. Zolang je in je leven onevenwichtig bent, wat velen uwer aan den lijve ervaren zullen hebben, trekt de mens ziekten en ongevallen naar zich toe. Wij kunnen nu wel niet zeggen, dat elke ziekte en elk ongeval de straf is voor onze zonden, al zijn er mensen, die dit beweren. Maar dan is de reden waarschijnlijk dat zij het geld hopen te ontvangen, waarmede de mensen hun zonden hopen af te kopen. Wel kun je zeggen, dat het optreden van elke kwaal en elke ziekte niet alleen uit lichamelijke oorzaken, maar daarnaast mede uit geestelijke onevenwichtigheden of geestelijke defecten ontstaan zal. Wanneer wij dit beseffen, zo kunnen wij ons in gaan stellen op evenwicht. Hierbij kunnen wij wederom onszelf vergeten, want het gaat ons niet om iets voor onszelf, maar om de erkenning van een toestand van evenwichtigheid, die voor allen even belangrijk is.

Indien wij hierdoor komen tot het ervaren van het gevoel van vrede en evenwichtigheid in onszelf, zoals aan te nemen is, en zelfs indien wij dit maar voor een kort ogenblik bereiken, daarover nadenken, in onszelf tot onze verbazing aanwijzingen vinden hoe wij gezonder en aangenamer kunnen leven. Je kunt langs deze wat indirecte weg dus ook eigen lichamelijke en geestelijke gezondheid wel degelijk bevorderen. Ook hier blijft echter gelden, dat de innerlijke kracht een middel is, dat, beschouwd vanuit menselijk standpunt, onzelfzuchtig en met een vergeten van eigen persoonlijkheid gehanteerd moet worden.

De innerlijke kracht heeft nog een facet, dat vaak over het hoofd wordt gezien. Sommigen zien het wel, maar plegen het toe te schrijven aan hoge geesten of aan werkingen uit de sferen. Uw werkelijke persoonlijkheid heeft toegang tot alle werelden. In praktisch alle werelden zijn bepaalde harmonieën te vinden. Wanneer u zou willen componeren, zou u dus uit elke wereld de melodiek in muzikale problematiek kunnen nemen, die u voor uw werk van node hebt. Je voelt dan aan hoe je eigenlijk zoudt moeten componeren. Iemand die dit kan, zal, vooral wanneer hij vroeg begint, wel de stoffelijke maniërisme aanhouden, die bij zijn tijd en opvoeding verbonden zijn. In dit verband denk ik aan de jonge Mozart, die wel heel erg, zelfs in zijn later leven, aan bepaalde maniërisme gebonden bleef, mede dankzij de dressuur van zijn vader in zijn jeugdjaren. Toch kan zelfs van de jonge Mozart reeds gezegd worden dat hij nieuwe melodische vondsten had. Hij vond en bracht ergens iets nieuws.

Wanneer je jezelf weet te vergeten – zodat het er niet meer om gaat jezelf te zijn of tot uitdrukking te brengen, maar eerder om iets tot stand te brengen of te beseffen – zal de innerlijke kracht, die in ons allen aanwezig is, de gestalte aannemen van een besef. Wij noemen dit dan bij gebrek aan beter: inspiratie. Schrijven wij echter deze inspiraties neer, dan worden zij weer tot een weergave van onze persoonlijke reacties. Dezen blijven echter niet beperkt tot de eigen wereld en mogelijkheden, maar breiden zich uit in alle werelden, waarvan wij deel uitmaken. Dit bemoeilijkt uit de aard der zaak vaak voor anderen het verstaan van het gebruikte idioom. In wezen impliceert dit alles, dat je, zelfs als mens, door de innerlijke kracht alle grenzen van tijd en zelfs van doodgemakkelijk kunt leren overschrijden, zover het bewustzijn hierbij een rol speelt.

Vele mensen verkeren in de mening, dat innerlijke krachten altijd gemanifesteerd moeten worden. Ik wil hierop niet al te ver doorgaan. Maar misschien kent u wel de mensen, die met magnetiseren bezig zijn en het daarbij noodzakelijk achten met gefronst voorhoofd en dodelijk ernstige concentratie, te bibberen van overgave en inspanning. Welaan: die hele bibberatie betekent niets, het is ten hoogste een vorm van zelfsuggestie. Het kan dus voor zo iemand wel bijdragen tot een beter vergeten van eigen ik. Maar in 9 van de 10 gevallen is het juist een de aandacht vestigen op de eigen importantie. In dat geval zal de magnetiseur zeker geen innerlijke krachten aan kunnen boren en zal niet werken met geestelijke krachten. Zijn werk, dat overigens vruchtbaar en goed kan zijn, zal een werken met de eigen, in het lichaam als vitaliteit gemanifesteerde krachten zijn. En als dat niet veel is, zal de behandeling ook niet veel uithalen.

Dus alweer: denk na, wanneer je de mensen bezig ziet, die zich met het occulte bezig houden en werkelijk met innerlijke krachten werken of pretenderen dit te doen. Alle uiterlijkheid, die erbij komt, is tenminste overbodig. Slechts zover uiterlijkheden bijdragen tot een losmaken van de mens van zichzelf en zijn conventie werkelijkheden hebben zij nut. Een ritueel kan dus wel degelijk zin hebben. Niet omdat het in zich kracht of waarde activeert, maar alleen omdat het de mens losmaakt van zijn logisch concept van eigen wereld, hem even de conventies, waarin hij gebonden zit, doet vergeten en zo hem als het ware in staat stelt zich bewust te worden van eigen werkelijk wezen en de werkelijke wereld, zoals deze buiten de begoocheling bestaat. Maar in alle andere gevallen kunnen wij toch wel zeggen: uiterlijkheden zijn overbodig. Indien u werken wilt met innerlijke kracht, zult u, zowel voor uzelf als voor anderen, er goed aan doen al het overbodige te elimineren. Hoe meer de nadruk wordt gelegd op bijkomstigheden, bijvoorbeeld hoe u zich instelt, hoe groter ook de kans is, dat u er niet in zult slagen tot een integratie met uw totale persoonlijkheid te komen.

Probeer alles eenvoudig te houden. Probeer niet vast gebruik te maken van de innerlijke kracht op vastgestelde tijden. Er zijn mensen die menen, dat er ook op dit gebied voordeel schuilt in gewoontevorming. Ik kan u alleen maar zeggen dat elke gewoonte op zich een soort ingeboren conventie dreigt te worden, die dan op haar beurt weer het bereiken van de totaliteit en het besef van de onvervalste werkelijkheid zal belemmeren. Innerlijke kracht is iets wat je alleen gebruiken moet, wanneer je het werkelijk nodig hebt. U loopt toch ook niet elke dag een uur hard, omdat u vreest eens in uw leven achterna gezeten te worden door iemand die sterker is dan u? U loopt hard, omdat daarvoor een reden is. Indien u traint, zo doet u dit, omdat in uw normale bestaan de nadruk valt op een bepaalde bekwaamheid.

Wanneer je innerlijke kracht gebruikt, zul je dit dus niet doen, omdat je méént later die innerlijke kracht eens van node te hebben. U gebruikt de innerlijke kracht altijd en kunt in de praktijk de innerlijke kracht ook alleen gebruiken, omdat daarvoor een dringende reden aanwezig is. Een reden die zo dringend is, dat het u daardoor alleen reeds mogelijk wordt voor een ogenblik de rest van uw persoonlijkheid en belangrijkheid te vergeten. Indien u van dit alles uitgaat, kunt u zeer veel tot stand brengen. En daarmede heb ik het voornaamste gezegd. Maar met uw goedvinden voeg ik hieraan toch nog enkele verdere beschouwingen toe.

Ik wil dan beginnen met op te merken, dat wij het heelal en de kosmos plegen te verdelen in een groot aantal sferen, zoals wij de tijd in een groot aantal momenten plegen te verdelen. Wij vergeten daarbij dat deze verdeling van ons uit is geschapen. Feitelijk is er geen verdeling. Er is een continuïteit en dat kan eigenaardige gevolgen hebben voor de menselijke verwachtingen en opvattingen.

Indien ik eens heb leren zwaardvechten (al was dat in de tijd van Spartacus en de gladiatoren) en ik zal nu genoopt worden met een zwaard te vechten, zo bezit ik qua bewustzijn alle bekwaamheden, die daarvoor van node zijn. Zolang ik maar vergeten kan wie en wat ik volgens mijzelf in de huidige situatie ben, zal de oude persoonlijkheid over kunnen nemen en het zwaard voor mij kunnen hanteren met een veel grotere bekwaamheid, dan van het huidige stoffelijk ik verwacht zou kunnen worden. Zeker, er zal het een en ander aan lichamelijke

training ontbreken. Maar als instinctief kent men alle trucjes, je weet wat je van de tegenstander verwachten kunt en wat men zelf met een zwaard zou kunnen doen. Het resultaat is voor buitenstaanders vaak verbluffend. Of, om een-minder-gewelddadig voorbeeld te geven: Indien ik nog nooit een instrument bespeeld heb, maar dit in het verleden – een vorig leven bijvoorbeeld – wel heb gedaan, dan kan ik, alleen door mijzelf zozeer te vergeten dat ik niet meer zelfbewust ben, ertoe komen in zéér korte tijd het instrument weer juist te hanteren en wel met alle hebbelijkheden daarbij, die ik in een vorig bestaan reeds kende.

Dit werkt echter niet alleen naar het verleden toe. Het is zeer wel mogelijk dat ik nu geen enkel technisch vernuft heb en zelfs theoretisch niets van een bepaalde techniek afweet, maar in de toekomst zal ik met deze techniek wel kennis maken, dit is deel van de mogelijkheden, die ik eens zal moeten realiseren. De vaardigheid en handigheid, de kennis ook, die ik in de toekomst zal verwerven, maken reeds nu deel uit van de totale persoonlijkheid. Indien ik nu dus onverwachts voor een technisch probleem kom te staan, zal ik, mits ik daarbij mijzelf als het ware vergeet, dit op kunnen lossen, een reparatie uit kunnen voeren etcetera, zonder te weten hoe ik het eigenlijk heb gedaan. Wanneer men eigen bekwaamheden in het heden vergeet en ook op andere punten niet te zelfbewust is, zal men dus toekomstige bekwaamheden over kunnen nemen en verrichten, wat het huidige Ik eigenlijk niet zou kunnen doen. De toekomstige delen van het ik , gezien vanuit de huidige mens dan, nemen eenvoudig voor korte tijd over. Ook hier zal gebrek aan training en ervaring een rol spelen, zodat lichamelijke en stoffelijke moeilijkheden een volledig weergeven van een toekomstige bekwaamheid haast onmogelijk maken.

Meen nu niet dat dit betekent dat de toekomst voor u vaststaat. U hebt in de toekomst zeer vele vrije mogelijkheden. Welk leven het zal zijn, waarin u bijvoorbeeld de technische bekwaamheid zult verwerven, is geheel uw zaak, dat kan direct zijn of over 100.000 jaren. Maar wel staat vast, dat een fase van technische ontwikkeling en streven tot de noodzaken voor u behoort, daar u zonder dit niet geheel en bewust het wezen zou kunnen zijn, dat u in feite reeds bent in de eeuwigheid. In alle levens zult u dus een beroep kunnen doen, wanneer de noodzaak rijst en men zichzelf vergeet, op de invloed van deze voor u noodzakelijke fase van ontwikkeling.

Dit was een betrekkelijk stoffelijk voorbeeld. Het lijkt iets op een spelen met incarnaties. Maar wat ik hier stel voor stoffelijke bekwaamheden en ontwikkelingen, zal ook gelden voor meer geestelijke waarden. Een mens die eens in een duistere wereld geleefd heeft, zal altijd weer die duistere wereld terug kunnen vinden, hij is er immers deel van. Een mens, die eens een hogere wereld van Licht betreden heeft, kent dit Licht altijd, wanneer hij het heden maar voor een kort ogenblik kan vergeten. Alles wat wij ooit geweest zijn, alles wat wij ooit zullen zijn, staat dus ook in het heden tot onze beschikking.

Indien wij het begrip God hierbij al willen hanteren, zo dienen wij te beseffen dat Hij eerder het wezen is, dat ons in stand houdt, in dit geval, dan een Kracht die ingrijpt, ondanks ons eigen wezen. De mensen denken altijd, dat Gods wonderen tot stand worden gebracht, ondanks de mens en zijn wezen. Dat is verkeerd. De wonderen worden juist tot stand gebracht middels hetgeen God reeds geschapen heeft. Niet ondanks hetgeen Hij geschapen heeft. Hij gebruikt zijn macht, maar gaat daarbij niet in tegen de wetten, die Hij in het begin tot stand heeft gebracht, maar hanteert daarbij juist de wetten, die Hij tot stand heeft gebracht. Wij zullen in ons leven steeds meer wonderen kunnen ontmoeten, wanneer wij bereid zijn de onbelangrijkheid van het heden toe te geven, wanneer wij toe willen geven dat op elk moment, dat in het heden werkelijk van belang is, wij moeten vergeten wie en wat wij in eigen ogen zijn en daarvoor de door God geschapen persoonlijkheid in de plaats moeten stellen. Pas wanneer wij dit geheel geleerd hebben, worden voor ons de wetten van Goddelijke Harmonie werkzaam op een andere wijze. Vergeet niet dat de totale persoonlijkheid deel is van de Goddelijke Volmaaktheid. Die moet zo zijn, die kan niet anders zijn. De wijze, waarop ik de verschillende delen daarvan voor mijzelf realiseer, is mijn eigen zaak.

De volgende vergelijking kan hier dienen. Je hebt een landgoed gekregen. Hoe je de verschillende paden gaat aflopen en op welke wijze je onderzoekt wat er al zo wordt geteeld, is je eigen zaak, maar eerst wanneer je het goed helemaal hebt leren kennen, kun je werkelijk als eigenaar van het landgoed optreden. Dan zul je ook beseffen, dat je tezamen met omringende landgoederen een natie uitmaakt, het Koninkrijk Gods misschien. Door te beseffen dat ik in mijzelf kan dolen en dwalen, daarbij steeds nieuwe dingen ontdekkende, zonder daarbij lotsgebonden te zijn, maar dat ik aan de totaliteit van mijn mogelijkheden gebonden ben en op de reserves daarvan voor elk deel daarvan steeds een beroep kan doen, ben ik reeds verder gekomen. Ik leer immers dan het geheel van mijn vermogens, ook de geestelijke, ook de innerlijke kracht, te gebruiken waar dit noodzakelijk of zelfs maar nuttig kan zijn.

Verder kun je leren, om in het oude beeld nog even verder te gaan, dat, waar de grenzen van eigen landgoed liggen, andere landgoederen beginnen, zodat daar vaak gemeenschappelijke belangen zullen bestaan en vaak samenwerking noodzakelijk en zelfs onvermijdelijk is. Er is echter een verschil: de samenwerking tussen landgoederen komt voort uit de vrije wil van de eigenaars plus de buiten hun controle liggende omstandigheden. Bij ons echter is de noodzaak tot samenwerking en de mogelijkheid daartoe reeds in het begin van de schepping vastgelegd door de Vorst van het Rijk. Het is dan ook niet mogelijk voor de buren om een dergelijke samenwerking te weigeren. Zij is eenvoudig deel van hun wezen. Voor het Ik betekent dit, dat men onder omstandigheden een beroep kan doen op vele krachten, eigenschappen en mogelijkheden die in wezen niet tot het eigen Ik behoren. Of, om het anders te zeggen: ik kan steeds weer mijn tekorten aan bewustzijn, kracht enzovoort aanvullen, wanneer ik maar bereid ben te aanvaarden, dat ik niet het enig belangrijke in de schepping ben. Daarom is het goed steeds toch weer een beroep te doen op God, op de Goddelijke Kracht, op de Goddelijke Liefde. Want van daaruit vinden wij de juiste instellingen en krijgen wij dus ook de mogelijkheid om, waar eigen ik tekort zou schieten, de buren te hulp te roepen.

De totaliteit, waarvan wij deel uitmaken, is en blijft dan ook, vanuit menselijk standpunt zeker, ergens God, daar het Zijn enige voor ons kenbare uiting omvat. Toch is het voor ons van belang, dat wij onze grenzen leren kennen en beseffen, wat er aan de andere zijde van die grenzen te vinden is. Want waar buren zijn, kunnen wij op hulp rekenen. Maar hoe zal het zijn, wanneer één van de grenzen toevallig door een oceaan of door hoge, onvruchtbare bergen wordt gevormd? Terug naar normale termen. Zelfkennis is dus wel zeer belangrijk. Voor u, op dit ogenblik is echter het belangrijkste, dat u niet voortdurend zonder het gebruik van die reserves leeft, die u in feite wel bezit. Wanneer u werkelijk iets wilt doen, zo moet u zich, zo het van werkelijk belang is, niet bezighouden met de vraag hoe het in het vat te gieten en op welke wijze dit het beste te doen zou zijn. Men zou zich eenvoudig op de erkende noodzaak moeten concentreren en daarbij geheel vergeten hoe men ervoor staat, in hoever men er zelf bij betrokken is, enzovoort. Dan werkt de totaliteit, die een veel beter antwoord kan geven, dan het verstand alleen. Dan werkt de innerlijke kracht, die niet alleen denkbeelden geeft, maar ook de kracht biedt om ze tot uitvoering te brengen.

U kunt veel meer presteren, dan u doet. Uw innerlijke kracht maakt het u mogelijk veel juister, veel intenser, veel succesvoller ook, ergens te leven dan u doet. Maar dan moet u zich de moeite geven om, wanneer iets volgens u belangrijk is, bij de beschouwing daarvan u zelf uit te schakelen en het geheel van uw wezen als het ware in te laten werken op uw probleem. Wanneer iets bereikt moet worden, is het niet belangrijk dat u het bereikt. Desnoods doet iets of iemand anders het. Wanneer het maar gebeurt. Zo moet je denken. Op deze wijze moet je denken over je leven en werken. Dan kun je veel meer en doe je veel meer dan je ooit dacht te kunnen doen.

Juist waar je meent, dat anderen in zouden moeten grijpen of anderen verantwoordelijk zijn, waar bepaalde conventies bestaan, of u meent dat bepaalde door mensen gestelde regels toch wel een absolute waarheid inhouden, word je geremd in je mogelijkheden en bereikingen. Daar kom je niet verder. Leer om niet in het dagelijkse leven, maar daar, waar voor u belangrijke punten in het geding komen, alles uit te schakelen, zelfs uw eigen wezen en alleen het probleem te zien. U zult ontdekken, dat uw innerlijke krachten, mits goed gebruikt, u in staat zullen stellen meer te zijn, meer te doen, meer tot stand te brengen en hierdoor een voller, prettiger, juister en ook gelukkiger leven kennen. 

  • Het terugkeren van de kracht tot het ego is mij niet duidelijk. Als je een patiënt  kracht geeft, verliest die deze dan weer. Wat heeft dit voor zin?

U hebt een patiënt. U moet daarbij bijvoorbeeld iets in de bloedsomloop corrigeren. Hiervoor is een zekere kracht nodig. Indien de correctie eenmaal is volbracht, zal het lichaam van de patiënt de toestand zelf verder in stand kunnen houden. Met de innerlijke kracht hebt u dus in feite de patiënt niet iets gegeven maar u hebt met die kracht in de patiënt iets tot stand gebracht. De kracht van de totale persoonlijkheid is dus een werktuig. De vraag is alleen maar of wij het werktuig, overbodig, laten slingeren waar wij het gebruikt hebben, dan wel het terugbrengen tot de plaats, waar het behoort.

U denkt, dat u iemand kracht kunt geven. Dit is niet waar. U kunt iemand tijdelijk enige energie geven, waardoor hij zijn eigen vermogen tot bijvoorbeeld het genereren van krachten herstellen kan. Uw kracht wordt daarbij eigenlijk niet verbruikt, maar deel na deel afgestoten, tot de eigen kracht van de patiënt weer voldoende is. Het denkbeeld, dat u iemand gezondheid of kracht kunt geven is dus onjuist. U kunt alleen een ander de mogelijkheid geven eigen gezondheid of kracht te hervinden. Overigens neem ik u deze misvatting niet kwalijk, zij is algemeen.

  • Men denkt immers ook, dat een dokter een zieke geneest?

Dat is eigenlijk helemaal niet waar. De dokter helpt de zieke die toestand te bereiken, waarin hij zelf weer genezen kan. En als de zieke dit zelf niet kan, dan is alle werk, al zou men hier een uitzondering kunnen maken voor de chirurgie, voor niets. De medicijnen die u krijgt, zijn in feite niet bestemd om u beter te maken maar om u in staat te stellen uw normale functies te hervatten. Daarna worden de medicijnen eenvoudig door het lichaam, al dan niet omgezet, uitgescheiden. Zelfs bij hormoonbehandelingen zien wij iets dergelijks. De behandeling met hormonen kan bepaalde processen stimuleren, het ingebrachte hormoon is daarna echter overbodig en wordt door het lichaam al dan niet afgebroken en verwerkt, om dan afgescheiden te worden. Zo is het nu ook met de geestelijke krachten die wij bij genezing gebruiken. Hij geven die kracht in feite maar in bruikleen. Zij kan nooit tot de eigen kracht van de patiënt worden. Daarna vervluchtigt zij of keert zij tot haar bron terug. In feite kun je eigenlijk aan niemand iets werkelijk geven, je kunt iemand alleen maar iets in gebruik geven. Het verdwijnt immers weer, het gaat teniet. Dan is er geen sprake van een blijvend bezit. En in deze zin gebruikte u in de vraag het begrip geven van kracht, nietwaar?

  • Indien de kracht tot zijn bron terugkeert, wat is dan de materiële fixatie?

 In dat geval is de kracht niet meer een eenheid, maar zijn de delen daarvan elk voor zich gebonden met andere krachten of waarden. Uiteindelijk zullen ook dan uw krachten wel weer terugkeren, maar dat kan wel eens heel erg lang duren. Dit betekent dat het ego, het ware ego dan, gedurende die tijd minder kan doen, beseffen, werken enzovoort. Daarom moeten wij daarvoor oppassen. De moeilijkheid hierbij is wel het feit, dat de kracht, die wij geven, door ons gebonden wordt aan een bestemming. Eerst wanneer die bestemming bereikt is, keert de kracht tot ons terug. Indien wij nu kracht besteden aan iets, wat voor ons geen doel in zichzelf is, zal de kracht verdere bindingen, bijvoorbeeld met de stof, blijven aangaan, tot het werkelijke doel, dat wij hadden met het zenden van de kracht, geheel vervuld is. Daar sommige bestemmingen in wezen neerkomen op menselijke illusies, die niet voor het einde der tijden vervulbaar zijn, kunt u begrijpen dat delen van de kracht, van het ik dus, wel zeer lange tijdgebonden kunnen blijven. Daarbij zal de binding plaats vinden met datgene, waarop wij de kracht allereerst gericht hebben. Dus is het eerste doel materieel, dan blijft de kracht in de materie gefixeerd. Was het doel een bepaalde geestelijke wereld of sfeer, dan zal de kracht daar gebonden blijven.

  • Heeft het dan tot doel een patiënt kracht te geven?

U geeft uw patiënt kracht, waarover hij tijdelijk kan beschikken. Nu een voorbeeld. Een zakenman staat voor een faillissement door gebrek aan contanten. U leent hem dit geld. Hij kan hierdoor zijn zaken weer in orde brengen en betaalt hij u uw geld terug, terwijl de zaak zichzelf weer bedruipen kan. Heeft dit zin of niet?

  • Betekent jezelf geheel vergeten ook niet het probleem vergeten? Is niet de voornaamste eis voor het vergeten van het zelf begeerteloos worden? Is dus het doel  niet onze interesse in probleem en oplossing mede te verliezen?

Dit is theorie. Ik zal u een voorbeeld van zelfvergetelheid geven, waaruit mijn bedoelingen misschien iets duidelijker tot u kunnen spreken. Er woedt een brand op een bovenhuis. Een kind bevindt zich nog in het brandende pand. Zonder nadenken, dus zonder aan zichzelf te denken en aan de risico’s enzovoort, gaat iemand erop af om het kind eruit te halen. Hij vraagt zich niet eens meer af of hij een kans heeft of niet. Het kind is een probleem. Degene, die alleen nog het probleem ziet en voor wie eigen ik niet meer telt of beseft, is degene, die het gaat redden. Met begeerteloosheid heeft dit dus niet veel te maken. Dat is overigens een boeddhistisch concept. Begeerteloosheid kan ons helpen, omdat wij daardoor de ander beter leren beseffen. Maar ook in het boeddhisme is begeerteloosheid waardeloos, tenzij wij daarin ook het mededogen kennen. Dat moogt u niet vergeten.

  • Dat is wel erg materieel.

Inderdaad. Maar een goed beeld, omdat wij daarbij te maken krijgen met zelfvergetelheid en de daaruit voortkomende overprestatie. Het zal u wel bekend zijn, dat mensen onder dergelijke omstandigheden meer doen, meer verdragen, sneller besluiten en handelen, dan voor hen normaal denkbaar is. Waarbij nog komt, dat deze mensen juist dan veel meer riskeren dan men zou vermoeden dat zij zouden durven wagen, gezien hun normaal bestaan. Ik geef echter toe dat ik een extreem voorbeeld koos, om zo de zaak zo duidelijk mogelijk te stellen. Ik zal het eenvoudiger benaderen. U wilt een ander uit zijn mistroostigheid halen. Zolang u de ander duidelijk probeert te maken dat u het niet zo erg vindt, dat u in zijn leven nog iets goeds ziet, wordt hij alleen maar nijdiger en mistroostiger. Langs deze weg kan men nooit de benadering vinden, waardoor de ander blijer zal worden. Vergeet nu eens uzelf. Ga op in hetgeen de ander is en denkt. Deel eerst de mistroostigheid en probeer nu in uzelf deze mistroostigheid te veranderen. U hebt dan uw eigen bestaan even vergeten. Daardoor kunt u aan de ander alles wat zich in u afspeelt, duidelijker maken, u kunt die ander daarin zelfs doen delen. Bovendien krijgt u nu, door het feit dat het Ik buiten beschouwing blijft, de beschikking over de innerlijke kracht, de gevoeligheid, het besef, dat u in staat zal stellen inderdaad de meest juiste benadering te vinden, maar ook het probleem van de ander zo goed mogelijk op te lossen.

  • Om dit te kunnen, moet je geestelijk wel erg gegroeid zijn.  

Dat geloof ik niet. Het menselijke bestaan houdt reeds à priori in dat deze mogelijkheid aanwezig is. Sterker nog, wij weten dat zeer primitieve en normaal zeer zelfzuchtige mensen, ja, zelfs dieren, dit punt van samenwerking, onder veronachtzaming van het eigen ik, weten te bereiken. En zo zelfs dieren die, volgens de mensen tenminste, niet redelijk kunnen denken dit al bereiken, moeten wij toch wel toegeven, dat dit geen kwestie van geestelijke hoogheid of leren is. Het is essentieel deel van het ik. Men kan het. Maar de tijdelijke uitschakeling van het eigen ik is noodzakelijk. Naarmate de mens beschaafder is en dus omtrent zichzelf meer illusies koestert, zou dit wel eens zwaarder kunnen vallen. Ik meen dan ook dat men, om dit alles mogelijk te maken, niet geestelijk zeer hoog moet staan, maar dat men eenvoudig voldoende bewogen moet zijn door de wereld buiten eigen wezen.

  • Lost u in de sferen uw problemen op met innerlijke krachten? Heeft u de vrije beschikking over die kracht? Verliest u die kracht in meerdere of mindere mate, wanneer u incarneert?

Dit lijkt mij een nogal persoonlijke vraag. Ik zal er een antwoord op geven, zover dit voor u te volgen is. Want helemaal juist is het toch niet uit te leggen, zonder dat men zelf eerst het leven in de sferen kent. Een deel van hetgeen u nog innerlijke kracht noemt, is voor ons al tot wereld geworden. Alles wat wij beseffen, alles wat wij doen, alle problemen die wij oplossen, hebben dus, vanuit uw standpunt, te maken met innerlijke kracht. Voor ons ligt in dit alles echter weer de noodzaak tot het erkennen van een hogere wereld, die voor u wel zeer abstract is, en een besef dat wij de waarden van anderen zowel als van hogere werelden moeten leren aanvaarden, zonder allereerst onze eigen inhoud, onze waarden en maatstaven dus, aan de anderen of het andere op te leggen. Dit betekent dan weer een integratie met hogere fasen van ons wezen, waarvan wij dus ook in onze wereld gebruik kunnen maken, zonder dat wij dit echter altijd ook zullen doen.

Wat de benadering van uw wereld betreft: het is altijd een gevoel, dat de geest daartoe drijft. Ofwel is het de vlucht voor de werkelijkheid van eigen wezen en leven, angst voor het bestaan, dan wel een erkennen van eenheid en gelijkheid, waarbij men beseft dat je door het afwijzen van een wereld of het afschuiven van de aansprakelijkheden, die men ten aanzien van een wereld of delen daarvan kan hebben, eigenlijk delen van eigen wezen en vermogen ontkent. Zodra wij weer incarneren, zo daartoe noodzaak aanwezig is, wordt alles wat eens onze wereld was, weer tot innerlijke kracht of geestelijke kracht. Ik zou dus zeggen, dat je niets verliest, maar de innerlijke waarden wel op een andere wijze in de stof moet gebruiken – misschien wel met meer mogelijkheden zelfs dan in de geest het geval is.

  • U zegt dat de innerlijke kracht alleen optreedt wanneer zij niet gericht is op het ik. U gaf echter als voorbeeld, de prestatie van iemand die in doodsnood verkeert.

U vergist zich. Ik sprak over de reserves die in de mens aanwezig zijn en probeerde met het aangehaalde voorbeeld aan te tonen, dat de mens dus meer kan dan hij vermeent te kunnen. Als algemeen bekend bewijs hiervoor stelde ik dus, dat de mens onder deze omstandigheden prestaties volbrengt, snelheden bereikt enzovoort, die normaal voor hem niet denkbaar zijn. Maar dat had nog niets te maken met de innerlijke kracht als geheel, doch doelde ik op een zeer klein deel daarvan: uw lichamelijke reserves, waarvan u pleegt te vergeten dat u ze hebt.

  • Wij kunnen toch wel meewerken, ons trainen, zodat wij in zo min mogelijk  levens over zoveel mogelijk innerlijke kracht kunnen beschikken.

Voor delen van die kracht zal dit misschien,en dan nog beperkt, gelden. U moet echter niet vergeten dat, wanneer wij ons gaan trainen volgens de opvatting die men als mens daarover gemeenlijk heeft, wij zelf het doel van de training worden. Wij veranderen daardoor onze conventies misschien wel, maar in feite handhaven wij onze begrenzingen en versterken die zelfs misschien. Wel kunt u zeggen: naarmate wij meer aan het gebruik van de innerlijke kracht gewend raken, zullen wij deze beter en vollediger leren gebruiken, mits wij onszelf steeds weer volledig weten uit te schakelen. Wij kunnen natuurlijk over dat deel van de innerlijke kracht steeds beschikken, dat valt binnen ons besef en vermogen, als het ware, zoals wij ons nu zelf kennen. Maar dit is meestal veel te weinig, om er veel aandacht aan te besteden.

  • Ik stond op het punt gepakt (en daarna waarschijnlijk gedood) te worden. Opeens gevoelde ik de kracht in mij om nog kilometers ver te lopen. Wat is de  verklaring?

U kon het feit: ik zal moeten sterven, niet aanvaarden. Dit betekende dat u niet meer aan uzelf dacht, maar alleen aan de noodzaken, die voor u bestonden. Uw projectie lag niet meer in verband met uzelf maar was alleen nog verbonden met een actie. Het gevolg was dat de remmen, die meestal de menselijke mogelijkheden belemmeren, wegvielen. U overlegde ook niet meer redelijk wat te doen. U reageerde instinctief. Een groot deel van de werkelijke beheersing werd door enkele grondpatronen in de grote hersenen plus de kleine hersenen overgenomen. De spierweefsels werkten dus, zonder dat uw bewustzijn dit registreerde. U was toeschouwer en meende daarom haast te zweven. De werkelijkheid was, dat de bewegingen zo automatisch plaats vonden dat, toen u ze bemerkte, u zich van de processen daarbij niet bewust was. U kwam tot een stoffelijke overprestatie. Hierbij komt, dat zelfs de niet gelovige mens op een dergelijk ogenblik bidt. Men doet een beroep op de hogere krachten. Men komt zo tot een verwerpen van de feitelijke omstandigheden en leeft in een geheel eigen werkelijkheid. Dit betekent dat de reacties niet meer gebaseerd zullen zijn op de normale patronen, maar op de werkelijke feiten reageren. Verder is mogelijk, dat een beroep wordt gedaan op alle harmonische krachten in de omgeving, waardoor hetgeen uw vijand zou doen struikelen, voor u slechts een versnellen van uw pas betekent. Zolang deze toestand duurt, is de mens in staat tot prestaties die, menselijk gezien, onmogelijk lijken. Daarna treedt wel een toestand van uitputting in, maar deze zal lang niet altijd in overeenstemmen zijn met de geleverde prestatie en de daardoor verbruikte energie. Uw verklaring bewijst dus reeds het door mij gestelde, dat een overprestatie mogelijk is, wanneer het persoonlijk bewustzijn geheel of gedeeltelijk wordt uitgeschakeld. Natuurlijk kunnen in een dergelijk geval ook geestelijke krachten en entiteiten een rol spelen, maar het door mij gestelde blijft toch altijd primair.

En nu wil ik nog in kort besluiten. Ik heb vele dingen gezegd en sommige daarvan klinken u misschien niet al te aangenaam of te vriendelijk in de oren. Maar vleien heeft weinig nut, zeker niet wanneer wij staan in een wereld vol verwarringen, waarin geen concrete denkbeelden meer mogelijk schijnen te zijn, juist wanneer het gaat omtrent geestelijke waarden en krachten. Wij moeten daarom teruggrijpen naar de dingen die resultaten geven en zo zichzelf bewijzen. Ik heb u geen theorieën verkondigd, ik heb u feiten voorgehouden. Ik heb alles niet onder voorbehoud, maar voluit en definitief gezegd. Ik deed dit in de hoop dat er ergens iemand is, die aan dit alles iets heeft.

In deze tijd met abstracties en wonderlijke idealen, met denkbeelden over naastenliefde, die in feite niet veel meer zijn dan een zachtzinnige vorm van krankzinnigheid, een tijd, waarin men zo zeer de morele aansprakelijkheid voor anderen denkt te voelen, zodat het uitloopt op niet veel minder dan een morele moord op die anderen, is het belangrijk terug te keren tot de feiten. Wij kunnen spreken over de feiten van de politiek of de economie, maar daaraan kunnen wij maar weinig doen. Wij kunnen spreken over de feiten van eigen wezen en leven. Daarmee kunnen wij iets doen. U hebt innerlijke kracht en u kunt die gebruiken. Ik heb u duidelijk gemaakt, hoe dat in elkander zit. U kunt er voor uzelf mee experimenteren, u kunt de bewijzen voor mijn stellingen rond u zien, keer op keer. U hoeft mij niet te geloven. Nu u dit weet, zegt elk geschiedenisboek en elke courant: de innerlijke kracht werkt voor de mens.

Waarom zou u deze kracht dan niet bewust gebruiken in een wereld, die er zo slecht aan toe schijnt te zijn? Waarom zou u deze kracht niet gebruiken om een weg te zoeken in al die problemen, die zo negatief lijken, waarmee u geen weg weet? Laat ze niet tot gevaarlijke tegenstellingen uitgroeien. Zoek een synthese. Je hebt de mogelijkheid in je die te vinden.

Waarom zou je in je persoonlijk leven niet proberen al die complexen en verdrongenheden op te lossen, om zo je eigen werkelijke problemen onder ogen te zien en op te lossen? Dan kun je in de wereld tenminste je volle betekenis en je volle nut hebben.

Waarom zou u het manteltje van burgerlijkheid, status en standing niet eens een keer afwerpen en als een werkelijk mens in de wereld staan en trachten die wereld te begrijpen? Er is in deze dagen heus geen tekort aan deftige mensen, die hoge baantjes ambiëren, maar er is wel gebrek aan mensen, die hun innerlijke kracht laten werken en zo de oplossing voor de problemen vanuit zich in de wereld kenbaar maken.

Weerstand en ellende zal men daarvan wel hebben. Men zal u gevaarlijk of asociaal noemen. Maar u hebt een wereld om te bouwen, een wereld van materie en geest. Het is zaaks, jezelf in die werelden uit te drukken, daarin iets te bereiken. U hebt de kracht, u beschikt over de reserves. Waarom dan niet aan het werk? U zult meer kunnen doen, dan u nu mogelijk acht.