Inspiratieve kunst

 11 november 1957­

Onder inspiratieve kunst plegen we te verstaan kunst, die a.h.w. “aus einem Guss” geschapen wordt. Kunst, die in een soort van bezeten­heid gecreëerd wordt. Een kunst, die ontstaat door het tijdelijk verlie­zen van de persoonlijkheid als zodanig.

Het is niet ‑ uitdrukkelijk niet ‑ kunst, waarbij een geestelijke schrijver, tekenaar, of schilder de arbeid van de kunstenaar a.h.w. overneemt. In dergelijke gevallen krijgen wij te maken met mediamiek ont­vangen kunst. En daar ligt toch wel een verschil. Voorbeelden van inspiratie kan ik u te over noemen. Een musicus droomt voor zich heen, de geluiden van de omgeving vallen plotseling samen in een bepaalde melodie. In zijn gedachten werkt hij verder. Hij kan niets anders meer doen en moet dit noteren. Vervolgens gaat hij naar zijn werkkamer toe, zijn atelier ‑ of wat het is ‑ zet zich aan een klavier of een ander muziekinstrument en begint die melodie uit te werken. Hij begint met contrapunktatie erbij te voegen e.d. Hij gaat daarmee door, totdat hij een beeld heeft verworven van deze melodie. Dit is inspiratief, omdat:

  1. Invloeden van buitenaf, mogelijkerwijze geleid door de geest maar niet noodzakelijkerwijze geleid door de geest, de grondgedachte schep­pen.
  2. Deze grondgedachte a.h.w. bezit neemt van de kunstenaar en­
  3. De kunstenaar niet in staat is zijn eigen visie op het werk te herwinnen, voordat het voltooid is.

Een ander voorbeeld van inspiratieve kunst. Een schilder loopt door een landschap. Hij is misschien helemaal niet van plan om vandaag te gaan schetsen of te gaan schilderen. Hij werpt ‑ plotseling getroffen door een speciaal lichteffect ‑ een paar lijnen op een stukje papier, een kladje desnoods; en hij haast zich huiswaarts om die stemming te behouden en neer te zetten in kleuren en lijnen.

Ook in dit geval weer geen bewust weten, van wat je wilt creëren. Inspiratieve kunst is dus kunst, die ontstaat, doordat men tijdelijk de controle over het eigen scheppingsvermogen a.h.w. verliest. Eerst later is een volledig overzicht mogelijk. ­ Nu we dit voorop hebben gesteld, is het noodzakelijk om ons af te vragen: Welke oorzaken kunnen als inspiratie worden genoemd? In de eerste plaats de mens. Zoals u hier samen bent, kan soms één iemand een enkel woord zeggen dat voor een ander een volledige in­spiratie betekent. Hierin bouwt zich plotseling een heel verhaal, een heel beeld op en misschien vloeit er een hele melodie of een hele filo­sofie uit voort. Dat ene woord is een voldoende stimulans om het be­heerst denkvermogen uit te schakelen en daarvoor in de plaats een schep­pingsproces te doen komen dat niet meer geleid wordt, maar dat zichzelf logisch ontwikkelt.

Wat dat betreft is het misschien aardig om hier te herinneren aan de Parijse romanschrijver Dumas père. Hij was op een avond uitgenodigd zich met enkele kompanen te goed te doen aan goede wijn etc. Een van hen ver­telde een anekdote en onze bon vivant noteerde enkele woorden daarvan. Iets dat tegen zijn normale gewoonte was. Toen hij vier dagen daarna nog niet was komen opduiken ‑ wat voor een liefhebber van het goede des levens als Dumas père ook weer een grote prestatie was ‑ gingen enkele vrienden hem opzoeken en vonden hem voor een schrijftafel temidden van een warwinkel van beschreven papieren. Toen vroegen ze hem wat er was. Hij vertelde: Ja. Hij had een roman en die moest hij afschrijven. Neen, hij had werkelijk geen tijd om te onderbreken. Zij vroegen. “Waarom dan?” Toen zei hij: “Ja, ik ben zelf nieuwsgierig, hoe die roman afloopt en daarom wil ik hem eerst ten einde schrijven.” Zijn figuren waren a.h.w. er met de schrijver vandoor gegaan.

Dat is meermalen voorgekomen. Ook de Geheimrat Goethe geeft toe, dat hij op een bepaald ogenblik zo gegrepen wordt door enkele zinsneden uit de Farbenlehre, dat hij plotseling voortschrijft zonder te weten dat hij hier een groot deel van zijn eigen levensbeschouwing heeft neergelegd. Een enkele zinsnede, een enkele invloed was voldoende.

De inspiratief beïnvloede kunstenaar zal verder natuurlijk ook beïnvloed kunnen worden door het onderbewustzijn. Een aardig voorbeeld daarvan en meer uit de moderne tijd ‑ is Vestdijk. Vestdijk, die innerlijke problemen kent, die in het onderbewuste liggen en niet te allen tijde naar voren kunnen of zullen treden. Op een bepaald ogenblik zal hij in één van zijn werken bevangen worden door zijn innerlijke complexen en tegen elke rede in een inspiratief, haast dreigend, soms cynisch onderstreept gedeelte van zijn werk produceren. Enkele van zijn boeken zijn wat dat betreft zeer interessant.

Thorwaldsen, een grote meester van de beeldende kunst, heeft al evenzeer ogenblikken dat hij geboeid en gevangen wordt niet slechts door zijn onderwerp maar door een gedachte die erachter ligt. Hij weet dan zelf niet precies wat hij creëert. Eerst later wordt hij zich bewust wat de idee is, die hij uitbeeldt. Ik zou verder kunnen gaan met die voorbeelden.

Het onderbewuste speelt daarom inspiratief een zo grote rol, omdat de mens voor zichzelf niet wil toegeven, wat in hem leeft. De kunst echter, de scheppingsdrang, is in staat om de mens tot een gehele persoonlijkheid te maken. Zo vallen begrenzingen en remmingen weg die anders bestaan. Gewoonten, aanvaard omwille van de wereld, houdingen, aangenomen tegenover de omgeving, verzinken in het niet. Aangewende maniërisme gaan teloor en in de plaats daarvan treedt de gehele persoonlijkheid, die ten koste van alles zichzelf wil uitdrukken. Dat dit voor de kunstenaar soms problemen met zich meebrengt is duidelijk.

Een volgende factor bij de inspiratie is het optreden van niet-stoffelijke invloeden. Deze zou ik willen onderverdelen in stemmingen al dan niet door geesten veroorzaakt, impulsen door geesten veroorzaakt, en realisaties uit onstoffelijke werelden.

Een sfeer of een stemming kan u soms zeer sterk beïnvloeden. U voelt de aanwezigheid van krachten. Het is bv. of een kamer plotseling tot een tempel is geworden, of tot een dreigend demonisch hol, waaruit zo dadelijk allerhande gedrochtelijke gestalten op u toe zullen komen. In feite bestaat dit niet. Maar die stemming is er nu eenmaal en die stemming kan de kunstenaar plotseling omvatten. Wanneer hij probeert in een dergelijke omgeving te improviseren, dan zal ongetwijfeld de sfeer van de omgeving in zijn improvisatie duidelijk kenbaar worden. En dat brengt weer met zich mee dat dus iets wordt uitgedrukt, dat niet in de kunstenaar zelf alleen ligt. Het is de uitdrukking van iets, dat de kunstenaar ondergaat, in zich draagt of onbewust a.h.w. buiten zich erkent.

Een stemming, een sfeer kan van buitengewone, zeer buitengewone invloed zijn. Indien u daar aardige voorbeelden van wilt hebben, zou ik u aanraden om het werk van Israëls eens te bezien. Jozef Israëls was nl. een mens, die voor sfeer zeer sterk vatbaar was. In enkele van zijn zeegezichten bv. komt dat buitengewoon scherp tot uiting. Het lijkt of hier niet alleen het bewegende water zeer vakkundig en kunstzinnig is gevangen in verf, maar of er iets van een geheimzinnige dreiging, of van een lokking, die gelegen is in het totaal der zee, mede wordt uitgedrukt.

Ik zou zo meer kunnen weergeven. De liefdesbrieven bv. door Kloos geschreven aan Jeanette Reyneke van Stuwe brengen ook sommige momenten van taalkundige inspiratie tot uitdrukking. De innigheid, waarmee wordt geschreven, maakt soms plaats voor een ruimer zien. Vooral de tweede periode is hier buitengewoon belangrijk. In dit ruimere zien schijnt een kosmisch concept in de plaats te treden van een liefde, die eigenlijk toch nog niet volledig gerealiseerd wordt. Een zeer opvallende, kunstzinnige uiting.

Indrukken kunnen echter ook ‑ zoals reeds gezegd ‑ worden ver­oorzaakt door waarnemingen of impressies. Waarnemingen en impressies brengen met zich mee dat de kunstenaar iets moet weergeven dat niet van zijn eigen wereld is. Slechts wanneer hij zich verliest in zijn onderwerp, kan hij soms dingen van buitengewoon grote schoonheid schep­pen. Hier komen soms beelden tot stand, die het demonische in zich dragen. Denk aan de panelen van Jeroen  Bosch.

Een ander moment komt hier naast de gezapigheid van de belerende schrijver een enkele keer een ‑ ik zou haast willen zeggen – een voorvoelen van toekomstige omstandigheden naar voren. Wij vinden dit onder de meer moderne schrijvers bv. in enkele werken van Bergerson een Zweed en we kunnen zelfs enige momenten daarvan vinden in het gezapige werk van de bekende Hildebrand. Het is niet zozeer in zijn Camera Obscura als in enkele van zijn minder studentikoze werken, waarin hij dit eigenaardige aanvoelen weergeeft. Eigenaardig is, dat deze praktisch nooit voltooid zijn.

Ik geloof dat ik u voorbeelden te over heb gegeven en dat het niet noodzakelijk is om hier dus verder aan te tonen dat er verschillende invloeden zijn. Laten we trachten ons voor te stellen ‑ het lijkt me voor u het interessantste ‑ hoe de geest kan werken met een mens in de stof. Inspiratief, niet beheersend. Een beheersende geest moet nl. zelf de vakkennis opbrengen, die noodzakelijk is om een bepaald kunstwerk te scheppen. Daarnaast moet hij een praktisch volledige beheersing van zijn sujet hebben en dan bovendien nog op de hoogte zijn van de voorstellingstechnieken die op aarde nog erkend kan worden. Dat is heel moeilijk.

Wanneer we echter een idee hebben en een kunstenaar, dan wordt het anders ‑ vooropstellend dat elke kunstenaar in meer of mindere mate vakman moet zijn. Er is vakkennis nodig om de kunst te uiten. Ook wanneer men zeer modern is in schilderkunst of letterkunde, dan is het nog noodzakelijk om daaronder a.h.w. een oud, gedegen vakmanschap te hebben. Eerst dan is het mogelijk om een volledige uitdrukking te geven aan de idee. Met de weergave hebben we dus eigenlijk weinig te doen.

We hebben nodig een ‑ zo mogelijk vakkundig ‑ kunstenaar. Zij het toon ‑of beeldende kunst of letterkunde, dat maakt niets uit. We hebben de idee. Je bouwt die idee op als een droom; als een vleugje, dat uit de oneindigheid geladen met ideeën binnendringt in de besloten hersenen van die kunstenaar en voortdurend irriterend zich herhaalt. Het herhalen van een vast motief is bij elke inspiratie noodzakelijk. Eerst op grond van dit vaste motief, op deze basis, kan gebouwd worden.

Het begin van een dergelijke inspiratieve weergave is dus een obsessie. Dit mogen we nooit vergeten. Onverschillig of er gewerkt wordt door het projecteren van voorstellingen, door het doen aanvoelen of het mogelijk maken van het aanvoelen van bepaalde buiten de stof bestaande waarden of dat wij misschien een gevormd geestelijk idee in een mens willen geven, noodzakelijk is een obsessie, die op de duur de kunstenaar zozeer beheerst, dat praktisch alle andere waarden uit het zijn van die mens worden verdrongen. In de plaats daarvoor moet een honger komen. Een honger door de obsessie geschapen.

Het is niet mogelijk om inspiratief een volledig beeld te geven.

Het is niet mogelijk om inspiratief een volledige roman te schrijven of een melodie in haar volle schoonheid te laten horen. Wat we nodig hebben is een motief, één enkel motief. Een motief dat langzaam maar ze­ker bezit neemt van een mens. Is dit motief er eenmaal, dan ontstaat de drang tot werken, de honger, zonder een besef wat het verder wor­den moet of hoe het moet gaan. De kunstenaar zet zich tot scheppen.

Eerst begint hij zichzelf te organiseren. Hij wil creëren en moet oorspronkelijk eerst zijn eigen ideeën zetten. Let u maar eens op een geïnspireerd kunstenaar, die bv. aan het schilderen is. Hij zet zijn doek op met lijnen, vult de eerste kleuren in, heeft de onderlagen al afgeschilderd misschien ‑ als hij de oude techniek gebruikt ‑ of al met forse streken zijn beeld neergezet in de meer moderne techniek. Dan gaat hij wat terug staan, staat verzonken in zijn beeld en dan ineens…. dan wijzigt hij het. Hij gooit het door elkaar, hij schept het om en hij weet zelf niet waarom. De zelfverzekerdheid wordt mat. De wetendheid van de creërende kunstenaar is teloorgegaan. Het onderwerp heeft bezit van hem genomen.

Nu gaat hij verder. De één mag ondergaan, hij steekt dan een licht aan. En als het nodig is, doet hij het met het minimum van wat maar noodzakelijk is om zijn kleuren nog te kennen. Hij werkt verder. Wanneer hij het al wegzet, gedwongen door de noodzaak ‑ hij zal terugkeren, als getrokken door een enorme magneet. Hij moet en hij zal uitbeelden. Dat is de obsederende werking. De obsessie, waardoor de mens op een ogenblik open komt te staan voor de vloed van gedachten en ideeën, die worden afgedrukt. De obsessie waardoor een mens verzadigd wordt van de rond hem geschapen sfeer, zozeer dat hij niet anders meer kan dan juist deze uitbeelden.

U zult bemerkt hebben dat ik de inspiratieve kunst allereerst in zijn scheppend aspect heb behandeld. Maar er bestaat een tweede wijze van inspiratieve kunst beleven, inspiratie ondergaan, die vooral op het gebied van de herscheppende kunst voorkomt. Hierbij kan ook sprake zijn van een bezetenheid, een geobsedeerd worden. Wij kunnen daarvoor een paar voorbeelden citeren. Bijvoorbeeld de acteur.

De acteur staat op het toneel en hij spreekt zijn claus. Heel normaal, vakkundig, probeert hij met gebaar de emoties, die de figuur dragen moeten, neer te leggen op een zodanige wijze dat het publiek ze ondergaat. Dan ineens…dan lijkt het hem, of er geen kunstenaar meer staat. Hij is een mens geworden, die leeft in een werkelijke wereld. Geverfde coulissen betekenen niets meer. De gapende zone van het toneel is vervangen door een vage mist, waarin iets leeft van een realiteit. De overlegde gebaren vallen plotseling van hem af. Of het een vrouw of een man is ‑ het hindert niet welke ‑ dan verandert het gebaar. De figuur wordt a.h.w. herschapen steeds sterker en sterker.

Ik weet dat men dat op het ogenblik ook technisch probeert te doen. Er bestaan verschillende academies, waarin men probeert dit zich verplaatsen in een ander wezen te doen aanvoelen. Maar zelfs dan blijft er nog altijd een persoonlijkheid over. Zelfs al moge een toneelspeler een caleidoscoop van menselijke mogelijkheden zijn, toch blijft de persoonlijkheid.

Inspiratie is meer dan dat. Zij tilt de vertoning uit het milieu van voorstellingen en brengt haar op het niveau van beleving. Zo iemand is gejaagd en gedreven. De woorden, die de schrijver angstvallig heeft neergelegd, desnoods zelfs met aanduiding van gebaar en expressie ‑ door de regisseur aangevuld met beweging en uitgedrukt in het schema, dat hij zijn acteurs heeft voorgelegd ‑ gaan teloor. In de plaats daarvoor komt de mens, die gedreven is, gejaagd. 0, de woorden zijn er nog wel. Het wachtje valt nog precies op tijd, maar het is net of het een ander timbre heeft gekregen, een andere klank. Soms wordt de zetting van de woorden een klein beetje veranderd. Het gebaar en de beweging worden natuurlijk, gejaagd, a.h.w. demonisch. Dan kan zo’n bezeten acteur op zo’n ogenblik ‑ misschien slechts één of tweemaal in zijn leven ‑ niet slechts een zaal ketenen door zijn kunstenaarschap, maar ook een zaal binden. Binden tot een beleving, die niemand meer vergeet.

Een dergelijke inspiratie is over het algemeen te danken aan gees­telijke invloeden, hoe vreemd dit moge klinken. Geestelijke invloeden, die gebruikmakend van het onderbewustzijn, maar vooral van de geschapen toneelfiguren, zichzelf, hun leringen en problemen trachten te verwerke­lijken in deze mens. Zozeer wordt ‑ als een obsessie ‑ de figuur zelf afgedrukt in het geestelijk ontvangen beeld, dat het “ik” wordt vergeten.

Dan is er iets gecreëerd.

Of een musicus misschien. Het begint heel eenvoudig. Daar zitten ze, het kwartet: eerste viool, tweede viool, altviool, violoncel. En ze beginnen het stuk. Tonen dansen, de violen knikken elkaar eens tot dat het best gaat, en er is eigenlijk een gemoedelijk musiceren. Maar langzaam maar zeker krijgt de melodie vat op één van hen. De streek van de viool wordt zekerder. De diepte, de zingende klank van de violoncel komt plotseling veel sterker naar voren. Er wordt iets melodisch gebouwd, dat niet meer slechts een weergave is. Een weergave van wat eens een componist heeft neergeschreven. Vier mensen vergeten in die ene melodie, dat ze afzonderlijke wezens zijn met bekwaamheid. Ze vergeten soms zelfs hun blad om te slaan. De noten staan voor hun ogen geëtst in de lucht.

Ze jagen voort, voort, voort. Ze spelen alsof de componist zelf droomt en voor het eerst zijn schepping hoort. Waarom?

Alle melodieën, die de aarde kende, bestaan nog. En soms komt een begenadigd musicus of een zanger, soms komt een ogenblik ook een componist in aanraking met die klank en erkent er iets in. Gevangen in een droom van muzikaliteit verwerkelijkt hij plotseling meer dan het stoffelijke.

Het is wel eens voorgekomen in de Opera van Milaan, tijdens een opvoering van een betrekkelijk eenvoudige opera, dat een tenor plotseling zijn melodie anders zong juist in de grote aria, die hij zo met zorg had bestudeerd. Het was alsof de hele toonzetting veranderd was, of het hele karakter van de zanger, het karakter ook van de held, van het drakerige stuk, dat de ondergrond was, een andere werd. Niemand heeft begrepen hoe en waarom. Het begeleiden orkest, dat wanhopig door wilde, spelen, werd gevangen en bemerkte, dat het de oude melodie en het oude ritme kon handhaven, en dat die stem daarboven uitging als een klaroen. Een begenadigd kunstenaar, die op dat ogenblik iets beleefde, dat niets meer met de opera en haar schijn‑dramatiek te maken had. Een kunstenaar, die gevangen was in een vloed van gevoelens, die moesten worden geopenbaard en die niet geopenbaard konden worden in de geschreven melodie. Onbewust en onwetend week hij ervan af en creëerde een variant, die nog heden ten dage door zeer goede tenoren gebruikt wordt.

U zult zeggen: Wat is dat eigenlijk voor een verzameling van anekdoten. Het is de geschiedenis van de inspiratieve kunst. Inspiratieve kunst, die een beleven is, een doorleven. Inspiratie is iets dat iedereen gegeven wordt. Soms ‑ al klinkt het misschien vreemd ‑ wanneer je staat te koken, dan is het de huisvrouw, die ineens grijpt naar een snuifje van dit en een snuifje van dat en iets creëert dat ondanks de lange tijd van bereiding en de vele moeite in één ogenblik van verrukking aan tafel verdwenen is, terwijl iedereen naar meer vraagt, wat er niet is en wat er ook nooit meer komt. Dat moeten we goed begrijpen.

Inspiratie is een soort één-worden met de dingen. En een inspiratief creëren, een inspiratief scheppen of zelfs een inspiratief weergeven, betekent opgaan in de dingen. Dat opgaan kan gemakkelijk geïllustreerd worden. Een voorbeeld:

De nog niet zo lang geleden overgegane Kathleen Perrier. Ze zong over het algemeen ook graag volksliederen. En op velen heeft ze juist daarmee een grote indruk gemaakt. Zij zong op een geven ogenblik een Iers liedje dat eigenlijk voor een dergelijke stem onbetekenend was. Het was een opname voor een grammofoonplaat en het beviel haar zelf niet, zodat zij driemaal een retake verzocht, een hernieuwde opname. Toen zag ze een paar kinderen, die heel voorzichtig ‑ het was een opnamestudio met glazen ramen ‑ stonden te kijken. Ook daarvan werden opnamen gemaakt. Die kinderen bezielden haar plotseling en er kwam in dat eenvoudige liedje een teerheid van klank, die ze zelden heeft kunnen evenaren in haar toch zeer grootse en belangrijke loopbaan. Het kan een kleinigheid zijn, die u bezielt ‑ en ze obsedeert u. De geschiedenis van de inspiratieve kunst is tevens de geschiedenis van de obsessie, die de kunstenaar verbindt met zijn schepping. Het is de geschiedenis van een band, die onbewust wordt gevlochten met andere werelden, met andere wezens, met andere toestanden.

Nu heb ik u beloofd dat ik ook nog een paar punten naar voren zou brengen, waarmee u misschien het helemaal niet eens is. Inspiratieve kunst komt soms tot stand op een zeer eigenaardige wijze. Heeft u wel eens meegemaakt dat iemand door zijn zelfvertrouwen faalde? Het komt vaak voor, zelfoverschatting, die tot een nederlaag leidt. Evenzeer is het het bewust of onbewust zichzelf te laag aanslaan, dat tot aanleiding kan worden van een grootse inspiratieve werking. U zou dus ook kunnen zeggen dat heel veel van de grootste kunststukken, van de beste weergaven, geboren worden uit een gevoel van minderwaardigheid. Dat is begrijpelijk. Wanneer je staat voor een opgave zo groot, dat je jezelf verwerpt, dat je jezelf voorpraat, dat je het niet kunt, dan is dat “ik” zo klein geworden dat elke andere invloed werkzaam kan worden in je brein.

Denk niet dat u hier, zoals u bij elkaar zit, zo maar eventjes inspiratief iets kunt gaan doen, noch spreken, noch iets anders. Stel u niet voor dat het u gegeven wordt om zo maar zonder meer iets te brengen. Inspiratieve kunst vraagt allereerst een eigen inhoud. Maar die eigen inhoud moet ter beschikking komen van de omstandigheden, van de krachten buiten je, rond je en in je, door de twijfel aan eigen persoonlijkheid. Het is a.h.w. een zenuwspanning, een geladen zijn, waarbij je jezelf niet meer weet te bergen. Een ziekte, die in je vreet en die op het ogenblik van het scheppen je daardoor teloor doet gaan.

Die scheppingen kunnen we in het verleden vinden zowel als in het heden. We kunnen ze vinden bij een demonische Paganini, maar ook bij een ietwat mollige Judy Garland. De tegenstelling is sprekend zowel in genres, in uiterlijk, in sekse als in tijd. Toch kunnen ze allebei soms iets krijgen van dit vreemde heilige vuur, omdat ze vergeten zichzelf te zijn.

Paganini, de virtuoos, die soms zijn virtuositeit vergat voor melodische gedachten, die soms zijn publiek, dat hij minachtte, vergat en die zich een ogenblik niet meer bekommerde om de ietwat angstige aanbidding van alle ogen en die dan ‑ met zijn viool tot één versmolten ‑ plotse­ling iets creëerde, wat niet meer vast te leggen was. Enkele van zijn eigen composities zijn pogingen om iets daarvan op te vangen, om iets terug te vinden uit zo’n ogenblik van improvisatie, zo’n ogenblik van scheppende beleving.

De ander, Judy Garland. Och, ik hoef er niet veel over te vertellen. Wat er over haar te zeggen is, hebben de filmblaadjes en de schandaalblaadjes u ongetwijfeld allang verteld. Maar één ding is zeker: wanneer ze angstig, haast huilend van angst, opkomt voor een grote zaal en haast een beroep wil doen op het medelijden van de mensen, dan heeft ze een sentiment te pakken, wat ze dan maar uitdrukt in het eerste het beste, omdat ze niet anders kan, omdat dat haar manie is om haar publiek te pakken. En dan komt ze heel vaak tot een creatie, die heel wat verdergaat dan lichte muze; iets wat werkelijk geïnspireerde kunst geheten kan worden. De mens met al zijn complexen, die ineens teloorgaat in een melodie of een paar woorden. En die ze daardoor veel meer doen zeggen, dan ze in hun oppervlakkige dwaasheid ooit zouden schijnen te betekenen. Weet u, dat is grote kunst.

Kunst, dat vinden we bij sommige redenaars, voordrachtskunstenaars, die bv. een nauwkeurig uitgedacht solo‑toneelstuk brengen en ineens door één van de figuren bezeten worden, waarop dan het wisselen plotseling sneller, feller gaat dan ooit tevoren, waar de overdachte gebaren ineens plaats gaan maken voor andere. Later proberen ze zo’n ogenblik van begeestering weer terug te vinden, maar dat gaat moeilijk. En het vreemde is, dat het juist dan gebeurt, wanneer ze niet van hun eigen kunnen overtuigd zijn. Het is het ogenblik van aarzeling, het ogenblik, waarop het vakmanschap niet meer voldoende schijnt, dat de band knoopt met andere waarden.

Nu moet u één ding niet vergeten: Rond deze wereld van u, rond deze sfeer van gedachten, door mensen geschapen in alle eeuwen heen, leven heel veel wezens. Wezens zoals ik er een ben, zoals u er een zult zijn. Wezens soms uit licht geboren, levend in licht, soms grijze schaduwen of duistere dreigingen uit het onbekende. En elk van hen heeft iets te zeggen. Te zeggen, niet aan u, geloof dat niet! Het gaat er niet om u wat te zeggen. Het gaat erom zichzelf uit te drukken, zichzelf iets te zeggen, zichzelf in een storm van uitingen plotseling te openbaren aan zichzelf.

Zo ontstaat de meeste inspiratieve kunst, vrienden. De noodzaak tot zelfuiting, verborgen in de mens, verborgen in de geest, op een ogenblik plotseling overrompelend meester wordend over talenten en gedachten, neerwerpend de waarheid in de meest veelkleurige moderne schilderijen of in de oude geborgenheid van een Clair‑obscure. Weergegeven in de felheid van een jazz melodie, of de oude melodie van een sonate. Het ligt overal. Het ligt in het oude, breedsprakige proza met zijn volle beschrijvingen en de felle, haast journalistieke zinnigheden door een ander neergelegd. Inspiratie is een kracht, die geboren wordt uit velen. Maar altijd uit het onbewust, altijd uit die wereld, die u redelijk niet kent. Een redelijke inspiratie bestaat niet.

De meeste mensen kennen wel een voortdurende mogelijkheid tot het ontvangen van inspiraties, maar dat is geen bezetenheid. Dan is er een gedachte. En je moet die gedachte voor jezelf uitwerken en opbouwen. Dan kost zelfs het beperkt – ja, het misvormd weergeven van dat ene beeld en die ene gedachte veel zweetdroppels, veel kracht, veel leed soms. Maar wanneer de werkelijke inspiratie komt, overrompelt ze je. Ze is een stortvloed, een bandjir, die alles meesleept op zijn weg, stromend ergens naar de zee van de volmaakte uiting. Een stroom van emotie en gevoelens, van gedachten en ideeën, die je wegslepen uit je eigen wereld, je losrukken van alles, je plaatsend in een volheid van uiting, die je nooit had vermoed in jezelf of een ander. Dat is inspiratieve kunst.

Men heeft ervan willen maken dat de geest die schoonheid wil baren op de wereld. Neen. Dan worden het inspiratieve “kunstjes”, zoals bv. ons “Schone Woord”. Aardig, maar niet of slechts zelden geladen met een goddelijke kracht, die alles overdondert, die alles meesleept.

Werkelijke inspiratieve kunst kan ik u niet demonstreren, omdat de inspiratie zelf het vreemde is, dat je alles moet doen om je voor haar te verliezen. Alles, begrip van je omgeving, van jezelf en van hetgeen je wilt. Het is een gave van een ogenblik. Het is een gave, waarmee je niet op de voorgrond kunt treden en zeggen: “Ik zal het even laten zien.” Maar ik hoop toch dat ‑ al kan ik u dan niet de inspiratieve kunst demonstreren ‑ ik u met deze woorden een kleine indruk heb gegeven van wat zij betekent en wat zij inhoudt. En wat meer is, ik hoop ook dat ik hier voor u bepaalde punten van overdenking heb geschapen, die u misschien iets meer zullen doen begrijpen van de inspiratieve kunstenaar en zijn werk, die u een indruk zullen geven van het feit dat de gedachten van men­sen voor de geïnspireerde, niet belangrijk zijn. Inspiratieve kunst vindt haar vervulling in zichzelf. Niet in de waardering, die zij ervaart, niet in de reacties van uw wereld. Zij is zelfexpressie van het “ik” of van andere werelden, ongeacht de resultaten.

Inspiratie

Vuur, dat leeft in mijn gedachten, weten uit onwetendheid, uitdrukking van eenheid met de mensen, met de geest buiten tijd en ruimte.

Een weten zonder grenzen.

Inspiratie, vuur dat jaagt, voort doet gaan in volle daden. Kracht, uit anderen geboren, mij geworden als genade, dragend mij door het bestaan.

Inspiratie, vuur der waarheid, snel verterend, ’t deel der waan.