Interne kwesties

uit de cursus ‘Kosmische aspecten’ (hoofdstuk 8) – mei 1972

Interne kwesties

Als wij spreken over kosmos en kosmische werkingen, dan denken wij altijd aan iets wat ver weg is en wij vergeten heel vaak dat wij eigenlijk deel zijn van de kosmos en dat die kosmos in ons doorwerkt. Er zijn in de oudheid en ook wel in modernere tijden heel wat geschriften geweest waarin men trachtte de mens iets duidelijk te maken juist van die kosmische werking. De flits van innerlijke verlichting bv. waarover in sommige inwijdingsleren wordt gesproken, de stem Gods die tot ons spreekt en die we in bepaalde godsdiensten vinden. Indien we daaraan een definitieve naam geven, wordt de zaak wat moeilijk want wij gaan ons begrip gebruiken om iets te definiëren dat ver boven ons vermogen uitgaat. Als wij spreken over God in een bepaald verband en wij doen dat om een wezen aan te duiden dat wij menen te kunnen omschrijven, dan zijn wij als de hond die probeert het denken van zijn baas te definiëren. Het is nu eenmaal een ander vlak van bestaan; dat kunnen wij dus niet. Maar de werking op zichzelf blijft desalniettemin bestaan.
Wat ik u vanavond ga voorleggen, zijn vereenvoudigde theorieën (ik kan niet alles wat wij in onze wereld daarvan denken in woorden omzetten) en daarnaast, naar ik hoop, ook enkele meer praktische gegevens.
De mens is deel van de kosmos. Dit deel‑zijn zou kunnen worden uitgedrukt als bestaande uit dezelfde energie waaruit de totaliteit bestaat. De vorm waarin wij bestaan is daarbij misschien een bijkomstigheid, maar ze is desalniettemin opgebouwd uit dezelfde energie waaruit alles bestaat. Het is dus duidelijk dat wij door onze geaardheid, ongeacht onze vorm, een resonantie kunnen vertonen met alles wat er in de kosmos bestaat. Er is een gelijkheid van basis.
Als het ‘ik” in zichzelf verzonken is, dan kan het natuurlijk in zich een z.g. esoterische bewustwording doormaken, waarin het zichzelf beschouwt. Maar er is ook een andere mogelijkheid. Het ‘ik’ kan op een gegeven ogenblik zijn waarneming zover buiten het ‘ik’‑begrip uitstrekken dat een contact wordt gemaakt met een andere wereld, een andere vorm van bestaan als het ware. Deze vorm wordt dan heel vaak toegeschreven aan een bepaalde wereld of sfeer. De voorstellingen die wij in de beleving vinden, kunnen inderdaad tot een wereld of sfeer behoren. De werking op zichzelf echter moet als kosmisch worden beschouwd.
De inwerking op ons kan heel verschillend zijn.  Als wij ons bezighouden met bv. het Tibetaans Dodenboek, dan worden wij geconfronteerd  met de flits van licht na de overgang. De mens sterft. Hij krijgt een ogenblik van algehele verlichting waardoor hij dus de totaliteit van de kosmos een moment ondergaat; Hij kan dat niet helemaal verwerken, komt daardoor tot afwijzing en kan daardoor dus ook in bepaalde hellewerelden komen omdat hij zijn oude gewoonten wil voortzetten zonder daarvoor de benodigde voertuigen te hebben. Zo stelt men dat zeer eenvoudig voor.
Nu zeg ik op mijn beurt: Die omschrijving op zich is niet zo dwaas. Maar waar het mij om gaat, is niet het feit dat wij dat licht een ogenblik zien en dan de moeilijkheid hebben het te accepteren. Het gaat mij om het feit dat dat licht niet kan bestaan buiten ons, maar dat het in ons bestaat. Het is een deel van onze persoonlijkheid waarmee wij worden geconfronteerd, niet een kosmos buiten ons. In deze persoonlijkheid ligt de totale kosmos.
Dan stel ik: Op grond daarvan ben ik verwant met de gehele kosmos en kan ik uit die gehele kosmos voor mijzelf ‑ het voorgaande aannemende als juist ‑ alle gegevens verkrijgen op elk ogenblik. Ik ben daarbij uitdrukkelijk niet afhankelijk van bepaalde zon‑, maan‑ of sterrenstanden. Ik ben daarbij ook niet afhankelijk van bepaalde inwijdingswoorden of riten. De enige afhankelijkheid, die voor mij kan bestaan, is die van mijn eigen persoonlijkheid. Op het ogenblik dat ik t.a.v. mijzelf voldoende objectief ben en daarnaast mijn besef kan uitbreiden zodat het objectief beziene ‘ik’ als deel van een geheel wordt geconcipieerd, ervaar ik uit de kosmos, uit de ruimte, allerlei waarden. Dit klinkt wat verward en wat overdreven maar toch hebben wij dit als basis nodig. Want wat gebeurt er?
Er zijn in uw heelal, als wij het alles bij elkaar rekenen, zo’n 160 sterrennevels. Elke sterrennevel is een soort persoonlijkheid. Ze heeft eigenschappen, ze heeft kwaliteiten. Die sterrennevels wisselen onderling gegevens uit. Dit resulteert dan weer o.m. in vibraties, die in de kern het sterkst zijn, maar die naar buiten toe kenbaar worden als bepaalde stralingen. Kosmische conversatie resulteert in op aarde nog niet helemaal constateerbare straling.
Maar als ik kosmisch ben, dan ben ik ergens ook deel van het wezen van die sterrennevel. Op menselijk niveau sta ik daar tegenover als een stofje dat in het zonlicht dwarrelt, gedreven door de lichtdruk, maar dan tegenover de grootste zon die wij ons maar kunnen voorstellen. Op het ogenblik echter dat wij gaan kijken naar de geestelijke, de innerlijke waarden, dan blijkt dat zodra er een reëel ‘ik’ is geconcipieerd en dit ‘ik’ objectief wordt gezien als deel van de totaliteit, dit ‘ik’ op voet van gelijkheid staat met een dergelijke entiteit. Het zou zelfs denkbaar zijn dat wij t.a.v. de kosmos op gelijke voet zouden staan, ofschoon wij wat dat betreft bij ons geen ervaring hebben. Wij kunnen dan de taal, die wordt gesproken, niet verstaan maar ze werkt op ons in door in onszelf associaties op te roepen, dus zoiets als bij telepathie.
Als dat kan t.a.v. een hele sterrennevel ‑ of wij nu daartoe behoren met onze stoffelijke woonplaats of niet ‑ dan moet dat ook mogelijk zijn t.a.v. sterren en van zwervende krachtvelden. Dan moet dit zelfs mogelijk zijn t.a.v. bepaalde ruimtelijke situaties. Het is allemaal deel van dezelfde kracht. Zolang daarin een besef, een weten aanwezig is, hoe dan ook, kunnen wij er deel aan hebben.
Dit zijn stellingen. Maar wij moeten ons nu toch gaan afvragen of wij de kosmische stralingen, die wij onderscheiden in rode, witte, blauwe en gele straling en die wij zo ijverig nagaan, stoffelijk ondergaan. Wij kunnen geestelijk daarmee harmonisch zijn. Deze harmonie zal in haar betekenis voor een deel worden bepaald door de straal waartoe wij behoren. Die harmonie is voor eenieder mogelijk. Ik kan dus de taal verstaan van elke kracht, die uit de kosmos op de aarde inwerkt. Maar ik heb een bepaald aantal grondbegrippen en ik behoor tot een bepaalde straal.
Ik zal dan de boodschap van die entiteit vertalen met mijn eigen woorden en daarbij de nadruk leggen volgens mijn eigen oriëntatie. Wij zitten dan heel dicht bij magische begrippen. Wat doet een magiër? Een magiër gebruikt zijn wetenschap omtrent het onzienlijke om zichzelf in harmonie te brengen met dat onzienlijke en om van daaruit krachten te stimuleren of ook, in vele gevallen, werkingen te voorzien, die hij dan voorspelt en aan zichzelf toeschrijft.
Wij hebben het echter over alle kosmische werkingen, alle kosmische stromingen die er zijn. Als wij nu denken aan de Witte Broederschap, dan zijn we geneigd te zeggen: Die Witte Broederschap kan ons beïnvloeden. Ja, natuurlijk! Maar zij is deel van dezelfde kosmos waarvan ook wij deel zijn. Je kunt er dus ook aan deel hebben. Je kunt de essentie van het willen, zelfs van de taal van de Broederschap in jezelf terugvinden. Je zult erop reageren volgens je eigen wezen, maar je kunt het geheel begrijpen.
Dat zou overigens wel eens belangwekkend kunnen worden want wat ik zo heb gehoord, zijn de krachten wel van buitengewoon wonderlijke en tweeledige aard geweest. We moeten dus wel aannemen dat er na de Wessac een groot aantal tegenstrijdigheden tot uiting zullen komen. Welke balans daarvoor wordt gevonden, weet ik nog niet, maar het ziet er naar uit dat die balans voorlopig zal worden gezocht op psychologisch vlak.
Ik wilde met het voorgaande hoofdzakelijk duidelijk maken dat u niet tot die Orde behoeft te behoren om daarvan toch deel te zijn. Er is een groot verschil tussen het bewust deel hebben aan het streven van deze groep en het kennen van al datgene wat er in die groep leeft. Dat is een kwestie van harmonie. Deze dichtbij liggende kosmische invloed kan in u volledig beseft, begrepen en verwerkt worden, zonder dat u ook maar op enigerlei wijze meewerkt aan die groep of zelfs maar weet hoe ze precies is.
Datzelfde geldt voor vele inwijdingen. Als wij horen over het Verborgen Priesterrijk, dan worden wij geconfronteerd met een soort inwijding en met een aantal hoogste ingewijden. En dan denk je: Ach, wat sta ik daar eigenlijk klein naast. Dat is waar zolang ik uitga van mijzelf als afzonderlijk staand van al het andere. Maar zodra ik mijzelf beschouw als een functionerend deel van het geheel, werkend op dezelfde basis, voortkomend uit dezelfde kracht, dan is het voor mij mogelijk om op elk moment deel te hebben aan de kracht en het weten van de hoogste ingewijde. Een beetje wonderlijk en voor velen ongeloofwaardig, maar waar.
Er zijn enorm veel krachten die inwerken. Op het ogenblik zijn wij ons aan het voorbereiden op een paar crisismomenten op deze wereld, waarbij zich allerlei vreemde verschijnselen zullen voordoen. Heel in de verte bestaat er misschien zelfs de mogelijkheid dat er binnenkort enkele wonderlijke vormen van massahysterie zullen optreden. Ik vermoed dat dat over een maand of twee is. Dat zou tot allerlei visioenen aanleiding kunnen geven.
Maar wij zijn meer dan alleen maar het slachtoffer van de krachten. Deze krachten bepalen ons milieu, dat is waar. Maar wij zijn daardoor nog niet beperkt in onze vrije wil. Wij worden niet gedomineerd door wat er uit de kosmos op ons komt afstuiven. Wij zijn één met die kracht. Wij kunnen die kracht in onszelf volwaardig erkennen, verwerken en, wetend wat er zich ontwikkelt, daarop reageren. Wij zijn niet afhankelijk van de veranderingen in ons milieu omdat wij die veranderingen erkennende en voorziende, daarop kunnen reageren voordat ze een feit zijn en zo de uitwerking ervan voor onszelf kunnen wijzigen. Dit is en blijft theorie want om zover te komen moet je eerst weer naar dat moment van innerlijke verlichting terug.
In die innerlijke verlichting word je geconfronteerd met een zijn in iets wat niets lijkt: Dit klinkt krankzinnig: “iets wat niets lijkt”. Een bestaan, kort en goed, waarin de gedachte als zodanig eigenlijk geen betekenis heeft en schijnbaar geen echo heeft. Een vorm van zijn, waarin je volledig onderworpen bent aan absolute stilte, waarin de kenbaarheid van alle dingen groot is maar gelijktijdig het onderscheid tussen alle dingen schijnt uitgeblust te zijn. Dit te verdragen is heel erg moeilijk. Misschien kunnen we een vergelijking maken.
U kent allen wel dat oude beeld van de oude man in de grot. Wij zien niet de werkelijke verschijnselen maar slechts de schaduw, die zij werpen, door het vuur van het leven waar voor zij een ogenblik treden. Wij zien echter slechts de wand en de schaduwen die daarop spelen. Zo zou je ook kunnen zeggen: Wij worden zelf voor een ogenblik degene, die voor de blanke wand staat. Er is het licht, wij zijn er zelf en verder is er niets. Nu kiezen wij uit die totaliteit door ons bewustzijn en ons voorstellingsvermogen de vorm, die zal ontstaan. En op dat ogenblik zijn wij creatief geworden.
Denkt u niet dat dat iets krankzinnigs is. Er is een tijd geweest, ongeveer 800.000 jaar geleden, dat er mensen waren bij wie het derde oog ontwikkeld was. Deze mensen leefden in de wereld als helderzienden. Voor hèn waren allerlei verschijnselen normaal. Nu kunnen wij uitleggen hoe dat zo tot stand is gekomen. Die mensen leefden in een wereld met een dichte atmosfeer. Ze hadden dus een waarnemingsvermogen nodig dat onder meer voor rood, infra‑rood en bepaalde violettinten bijzonder gevoelig was. Maar daarmee was het ook gevoelig voor gebieden waarin astrale openbaringen mogelijk zijn, waarin geesten zich laten zien. Kortom, ze hadden een organisme dat normaal waarnam wat tegenwoordig alleen helderziend of visionair kan worden waargenomen. Ik zie niet in waarom de mens dat niet zal terugkrijgen.
Je zou het misschien bijbels kunnen zeggen: Adam wandelde met God. Dan moet hij Hem dus hebben gezien. Op dezelfde manier zouden wij kunnen zeggen: Wij kunnen wandelen met God of met de werkelijkheid of met de kracht of hoe u het verder noemen wilt, op het ogenblik dat wij innerlijk ontwaken voor al datgene wat zich openbaart. En dan scheppen wij zelf. Wij zijn degenen, die benoemen, die namen geven. Wij zijn degenen, die alle fasen samenvoegen tot één geheel. Wij zijn het, die de betekenis van de getallen opnieuw vaststellen en daardoor het gezicht van de schepping voor onszelf bepalen. Wij zijn dan niet machteloos meer. Zo groot zijn wij natuurlijk zelden. En wanneer wij die grootheid hebben bereikt, dan is het de vraag hoelang wij dat volhouden.
Ik heb daarnet het Tibetaanse Dodenboek aangehaald. Dat zegt: die periode loopt van een oogopslag (een tiende seconde) tot ongeveer 45 dagen. Probeer dat eens in tijd te formuleren. Ik zou dat niet zo exact durven zeggen, maar ik weet dat wij dat niet permanent kunnen volhouden. Dat is ook niet nodig, want indien wij de innerlijke verlichting hebben, dan is de harmonie met de kosmos voor ons ook een uitdrukken van feitenmateriaal. Een groot gedeelte daarvan is niet rationeel uit te drukken, maar het is wel aan te voelen. Het wordt dan een gevoelskwestie, een kwestie van instinct. En die instinctieve waarde bepaalt ook onze reactie en maakt het ons mogelijk ons uit te drukken.
De conclusie is eenvoudig genoeg. Al zal de mens niet een volledig scheppende kracht kunnen zijn, doordat hij werkelijk het lege vlak geheel vult met wat er in hem leeft, hij kan toch voldoende van het licht en de mogelijkheden daarvan concipiëren om althans kleine fragmenten werkelijkheid te kunnen veranderen.
De mens is niet gebonden. Hij heeft, indien hij dat niveau weet te bereiken, een vrije wil want hij is meester over de omstandigheden. Maar hij kan dit alleen zijn op grond van datgene wat er in de kosmos bestaat.
Nu moet u uitgaan van het volgende standpunt:

  1. Er kan geen kosmische invloed of werking voor mij bestaan waaraan ik niet deel heb omdat de essentie van deze werking en de essentie van mijn wezen identiek zijn en ik dus deze kracht te allen tijde zal moeten erkennen als deel van mijzelf.
  2. De bewuste erkenning of ontkenning van deze kracht doet niet ter zake. Alleen zal de bewuste erkenning van de kracht kunnen inhouden dat ik daardoor de werking van de kracht, voor zover het mij betreft, ten dele kan bepalen en voor zover ik haar niet geheel kan bepalen, kan wijzigen of althans mijn eigen houding daartegenover op de juiste wijze kan stellen.
  3. Alle kosmische invloeden zijn vergelijkbaar met de invloeden, die in mijn eigen wezen bestaan. Dit is een waarde voor mijzelf, dus niet van kosmische aard. Voor mijzelf geldt deze regel.
  4. De wijze waarop ik mijn wil, mijn besef uitdruk, is niet van belang. Wel is van belang dat ik in mijzelf het beeld concipieer dat noodzakelijk is en harmonisch met de kracht, die ik erken.

Als ik, terwijl ik een invloed aanvoel, in mijzelf een juist denkbeeld koester, dan zal ik dit denkbeeld haast magisch verwezenlijken; althans de mogelijkheid van een gebeuren veel dichterbij brengen alleen door die gedachte. Het is niet nodig dat ik daarvoor een rite ken of dat ik daarmee bewust alles omschrijf. Het is voldoende dat ik het aanvoel en daarop reageer. Als ik één keer zo’n schijnbaar magische procedure heb volbracht, dan zal het de tweede keer misschien niet gaan want ik zal mij altijd moeten aanpassen aan de kosmische werking, die optreedt. De beïnvloeding, die u tijdens een rood‑periode kunt gebruiken, is dus niet de beïnvloeding die werkzaam is wanneer er een blauw- of een wit‑periode optreedt. De resultaten zijn dan anders. Ik moet mij instellen op de omgeving, op de kosmos zoals ik die aanvoel. Ik kan nooit uit de kosmos zoveel gegevens verkrijgen die menselijk logisch, rationeel verwerkbaar zijn dat ik daarmee iets concreets kan opbouwen. Maar ik kan wel uit de totaliteit een andere kracht putten, namelijk het synthetisch vermogen. Het vermogen tot samenvoeging, tot coördinatie van de verschillende schijnbaar onsamenhangende gaven, vormen van kennis en besef, die wij bezitten. Het is dan ook heel erg belangrijk dat u begrijpt: wij kunnen niet zonder meer uit de kosmos nieuwe kennis halen maar wij kunnen een kosmisch patroon gebruiken om in ons het totaal van de aanwezige en voor ons bereikbare kennis zodanig te groeperen, dat er een eenheid ontstaat en de tegenstrijdigheden, die in ons redelijk en vaak ook emotioneel bestaan, worden opgelost. Het laatste tijdelijk of blijvend.
Nu zult u zich afvragen: Hoe weten wij dan wanneer er een kracht optreedt? Hoe weten wij nu dat er rood, blauw of wit licht is? Hoe weet ik welke engelen inwerken? Hoe weet ik wat de Witte Broederschap nu met mij wil doen? Het antwoord op al die vragen is veel eenvoudiger dan u denkt. U behoeft dit niet eens bewust te weten! Indien u zich verlaat op wat men wel intuïtie of aanvoelen noemt (sommigen noemen het instinct), dan zult u uw harmonie, die u niet geheel vermijden kunt gezien dezelfde basiskracht voor u en voor alle optredende krachten, omzetten in een juiste oriëntatie. Het is niet belangrijk dat u weet welke kracht optreedt. Het is belangrijk dat u in harmonie bent met die kracht en door die harmonie in u de nodige groepering van besef, maar ook de nodige groepering van krachten tot stand brengt. Als een mens gelóóft, dan weet hij niets. En wat hij gelooft, is onzin. Maar de onzinnigheid van zijn geloof dient als voertuig voor de niet‑redelijke invloeden, die hij in zich ondergaat. Ze worden daardoor voor hem acceptabel en niet meer onderworpen aan de kritiek der rede. Zodra dit gebeurt, is de mens dus a.h.w. ingesteld op de heersende kracht en werking. Geloof doet wonderen. Maar alleen, indien uw geloof en de instelling daaruit voortvloeiende, overeenstemt met de heersende kracht.
Het voorgaande is, zoals u zult begrijpen, deels theorie en voor een groot gedeelte ervaringen zoals wij die in onze sferen hebben opgedaan en die zijn weergegeven in de beperkte termen, waarin het volgens ons nog net begrijpelijk is. Maar laten we nu eens trachten de zaak heel reëel te zien.
In het verleden hebben er onnoemelijk veel rassen op deze wereld bestaan. Er zijn rassen bij geweest die helemaal niet mensachtig waren volgens uw conceptie van mens-zijn. Toch hadden zij geestelijke eigenschappen en kwaliteiten, die ergens overeenstemden met wat er in u leeft. Het is heel waarschijnlijk dat u op de een of andere manier aan deze fase van bestaan herinneringen draagt. Een deel daarvan misschien in de formatie van uw lichaam, een ander deel echter in de oriëntatie van uw geest. U bent op het ogenblik de samenvatting van een onnoemelijk lange reeks voorouders. Niet al die voorouders hebben in het menselijk ras geleefd, want uw geest kan ook in andere vormen hebben geleefd. Het heden drukt dus het hele verleden uit. Toch kent u dit verleden niet maar u wordt daardoor wel beïnvloed. Een groot gedeelte van uw conditionering komt daaruit voort.
Als wij ons realiseren dat er al magie is bedreven in een tijd dat er volgens de geleerden nog geen mensen waren (dat is wel honderd miljoen jaren geleden), dan kunt u zich ook realiseren dat de binding met geestelijke krachten iets is wat voor dat gehele voorgeslacht van de mensheid een bijzonder belangrijke rol heeft gespeeld. En dan hebben we het niet over het geloof en het bijgeloof als zodanig maar eerder over de verwantschap met de wereld en met de natuur. Het is uit die verwantschap met de omgeving, met de natuur en ook door de waarnemingen, die men vroeger wel heeft gedaan van delen van de natuur waarvoor u tegenwoordig blind bent, dat uw wezen, uw mogelijkheden en instelling is gegroeid. Is het dan niet logisch aan te nemen, zoals u instinctief een oog dicht doet als er een stofje komt aanwaaien, dat u niet eens bewust ziet, u evenzeer instinctief zult reageren als er een kosmische straling op u afkomt, een kosmische invloed u nadert, ja, zelfs een geest probeert u te beïnvloeden? Al deze dingen zijn in het verleden gekend en die indrukken zijn voor uw geest bekend. Ze zijn vaak eveneens voor uw lichaam bekend. Ze liggen ergens ver achter in de genetische achtergronden verscholen maar spelen ook in het heden een rol mee. Zouden wij daarop niet in de eerste plaats kunnen vertrouwen?
In deze tijd is men geneigd te specialiseren. Als je gaat kijken naar een dokter, dan moet je eerst bij de gewone dokter zeggen welke teen b.v. pijn doet; dan zendt hij je door naar de specialist voor de kleine teen, de grote teen of de tussenliggende tenen. Overdreven, maar niet helemaal onjuist. En als je bij de man van de kleine teen komt, dan bemoeit hij zich niet met de grote teen. Daardoor ontstaan er blinde vlekken op elk terrein. Toch heeft elke arts voldoende kennis om zich ook indien nodig met uw hart, uw hersenen, longen of spieren bezig te houden. Door de specialisatie komt hij er niet toe die kundigheden te gebruiken.
U bent iemand die een kosmische opleiding heeft ontvangen, anders zou u niet als mens bestaan. In deze kosmische opleiding zit ook de harmonie met de kosmos opgesloten en de mogelijkheid de verschillende werkingen niet te zien als afzonderlijk optredende krachten maar als functies van een geheel. Zodra wij het geheel kennen en de functie daarvan, is het optreden van de krachten een beredeneerbaar en een berekenbaar verschijnsel geworden. Dat kunt u niet mentaal doen, maar u kunt het wel doen met het totaal van de persoonlijkheid. Naarmate u zich meer specialiseert (geestelijk of anderszins) zult u minder kunnen begrijpen van wat er rond u gebeurt en zult u minder juist reageren op hetgeen er rond u aanwezig is.
Indien we dus met kosmische werkingen en invloeden te maken hebben, dan hebben we te maken met dingen die wij kennen als een geheel. De uitwerkingen moeten wij weliswaar afzonderlijk vaststellen, zo goed als je kunt zeggen: “ik gebruik nu mijn handen en dan mijn voeten” maar wij begrijpen dat ze deel zijn van één lichaam. Wij weten dat het gehele lichaam de mogelijkheden van een hand of een voet mee bepaalt. Op deze manier moeten wij staan tegenover de kosmos en de kosmische invloeden. Dan namelijk zijn wij niet meer gespecialiseerd en dus niet meer blind. Specialisatie impliceert een toenemende blindheid voor alle aspecten die niet tot het eigen specialisme behoren. Allround mens zijn, allround geest zijn, als wij dat bereiken, wordt het ook duidelijk waarom de door mij genoemde kosmische invloeden met kleuren worden aangeduid en in een bepaald schema elkaar opvolgen en soms doorkruisen.
Er is een actie aan de gang. Als wij die actie voor uw aarde willen beschrijven, dan zeggen wij: Het is in de eerste plaats ‘Aquarius’ maar het is in de tweede plaats ‑ en dat is toch ook wel belangrijk – de z.g, hergeboorte, de omwenteling van een ras. Het betekent, menselijk gezien, een totale ommekeer in moraliteit, in maatschappelijkheid, een grote verandering in waarden als geloof, samenleving en samenlevingsverhoudingen. Het is dit basispatroon dat de wisseling bepaalt. Je zou kunnen zeggen: Er zit de een of andere kosmische kracht te breien. Wat wij zien, zijn de afzonderlijke bewegingen van de naalden, maar dan in een traag tempo zodat we ze steeds van richting zien veranderen. Elke richting geven wij een andere naam maar het geheel is een complete beweging waarbij steeds een steek wordt gemaakt. Ik wil niet zeggen dat er in de kosmos geen steken kunnen vallen, maar ik heb het nog niet meegemaakt.
Nu kunnen we op grond hiervan een eenvoudige regel geven voor het optreden van die krachten. Dan geldt:
Overal waar wij te maken hebben met een aanloop voor verandering, zal er een rode kracht of rood licht optreden.
Overal waar wij te maken hebben met het omslaan, het vastleggen van de verandering zodat zij een invloed wordt in de mens, hebben wij te maken met wit licht.
Op het ogenblik dat een functie is voltooid, hebben wij te maken met blauw licht.
Als de gehele functie beseft en voltooid is, als een cyclus dus beëindigd is, dan hebben wij te maken met geel licht. Dit is de hoofdcyclus, die zich voortdurend herhaalt: rood ‑ wit – blauw ‑ geel.
Deze vier kleuren kunnen voorkomen in positieve en negatieve zin. Nu geldt over het algemeen: indien de eerste kleur vanuit menselijk standpunt positief is, zal de inwerking van de tweede kleur negatief zijn. Er is dus een voortdurende wisseling van positief en negatief.
Heeft u de hoofdtendens (wij zijn op het ogenblik aan het overgaan naar een wit‑periode), dan kunt u van daaruit de verdere volgorde kennen als ik erbij zeg dat dit witte licht op het ogenblik positief is. De lengte waarin elke periode optreedt, is echter niet geheel gelijk. Om die tijdsduur te kunnen bepalen, zullen wij een eenvoudige vuistregel moeten gebruiken. Die vuistregel klopt niet helemaal maar voor degenen, die ongeveer willen weten wat er aan de hand is, is ze zeer bruikbaar.
Elke volgende periode wordt gerekend te zijn van gelijke duur aan de voorgaande tenzij daarin een z.g. resonanskleur voorkomt. Is dit niet het geval, dan tellen wij in de cyclus als volgt, gaande van rood:
Indien rood 7 dagen duurt, dan duurt wit 2 dagen, blauw duurt 3 dagen en geel duurt over het algemeen 4 dagen. De gemiddelde periodeduur moet dus in deze verhouding worden berekend.
Indien ik u vertel dat de komende wit‑periode (die om het heel precies te zeggen voor uw land begint op de 6e mei omstreeks 7 uur ’s morgens) een looptijd heeft van ongeveer 14 dagen, dan kunt u aan de hand daarvan de volgende perioden berekenen. Houdt u er rekening mee dat dit als een algemene regel kan worden gebruikt om te zien hoe, ongeveer, de hoofdwerking is.
Nu de z.g. resonanskleuren.
Een resonanskleur betekent niets anders dan dat een invloed op een gegeven ogenblik elders bezig is en dan in de kosmos een zodanige reactie wekt dat de aarde dit ondergaat. Wij spreken dan van b.v. een rood‑periode met een wit‑invloed van 2 of 3 dagen. Een wit‑periode kan nooit een extra wit‑invloed hebben, dat kunnen de drie andere kleuren ‑ positief of negatief ‑ wel hebben. Nu behoeven we dat niet helemaal te bepalen. Wij weten echter dat gemiddeld per 5 (?) perioden gesproken kan worden van een resonanswaarde, die ongeveer een derde van de looptijd eist. Is er sprake van een periode van 15 dagen, dan hebben wij dus een resonansfase van 5 dagen en gemakshalve situeren wij die dan maar in het midden van de periodes, wat niet helemaal juist is, maar voor een vuistregel weer voldoende. Dan zeggen wij: Daarom zal deze periode alleen dan 15 dagen duren indien de voorgaande periode ook 15 dagen heeft geduurd. Het waarom zou ons te ver voeren op dit moment.
U beweegt zich a.h.w. in een kosmische carrousel. Daarin zitten spiegels. Nu komt er een ogenblik dat een lichtstraal, die niet op uw karretje in de carrousel staat, op een spiegel zodanig valt dat ze precies op u weerkaatst (dat is dan die z.g. extra‑invloed), terwijl u normaal direct in het licht van de schijnwerper staat. Dan moet u zich verder realiseren:
Bij elke z.g. resonanswaarde blijft de hoofdtendens bepaald door de optredende kracht. Dus: als er een rood‑periode is en er komt een blauwtendens, dan zeggen wij: De hele geschiedenis verloopt in levenskracht of strijdlust (is het negatief, dan is het ruzieachtig, hartstocht en drift; en komt de blauwtendens erin, dan zal door die blauwtendens een beter besef van de toestand kunnen ontstaan, zonder dat daardoor de ontwikkeling der dingen plotseling wordt onderbroken. Je zult je de zaak alleen beter realiseren.
De laatste vuistregel. Deze is misschien wel de eenvoudigste:
Wanneer van onze kant een invloed wordt genoemd, dan kunt u eerst eens narekenen of het wel klopt. U luistert of daarbij een duur ongeveer wordt aangegeven. Die duur is dan mee bepalend voor de daaropvolgende periode. Elke cyclus bestaat uit tenminste 4 kleuren, 4 hoofdtendensen. Als een cyclus opnieuw begint en daarin geen variant van een tusseninvloed is geweest, dan zijn alle perioden even lang en is ook de nieuwe cyclus even lang.
Er is een vaste verhouding tussen de kleuren. Indien daarin echter een secundaire invloed is opgetreden, dan is de duur van een kleur gelijk aan die van de voorgaande kleur. Op grond daarvan treedt er een verschuiving op. Wij nemen echter aan dat de verhouding nog steeds wordt bepaald volgens het oorspronkelijke schema. Zeg ik dus A = 5 en B = 2, dan kan wat 5 is, 10 worden en dan wordt de volgende periode 4. De verhouding blijft gehandhaafd. Hierdoor ontstaan de variaties in duur en ook de variaties in tijd bij het optreden van bepaalde invloeden.
Ik hoop, dat u hiermee praktisch iets zult kunnen doen. Vindt u het moeilijk, dan laat u het rustig liggen. U heeft in u voldoende vermogen om, indien u zich werkelijk daarop instelt, die krachten toch wel aan te voelen. Maar dan moet u van uw intuïtie uitgaan.

NOOT.
Ik wil hier nog bijvoegen waarom die invloeden, zo optreden.
De aarde beweegt zich met de zon in een bepaalde baan ten aanzien van het centrum van uw sterrennevel. Hierdoor ontstaan: interrupties, die worden bepaald door de omlooptijden en de eigen beweging van bepaalde grote sterrenmassa’s. Soms bestaan die uit vele sterren. Hierdoor ontstaat er een intermitterend licht uit de zeer dicht bezette kern van uw Melkwegstelsel, Daar dit ritme zich wel wijzigt,maar over het algemeen eerst na jaren, kan er ’n vuistregel worden gegeven, die voor de mens bruikbaar is voor minstens 5 à 6 jaar, voordat enige variatie merkbaar is. En als vuistregel zou men het ‑ enige onnauwkeurigheden daarbij niet meegerekend ‑ misschien nog wel een eeuw kunnen gebruiken. Daarna verandert de situatie. Wij hebben hier te maken met krachten, die mede worden bepaald door stoffelijke effecten en die geestelijk worden gebruikt. Er zijn altijd wel geestelijke krachten, die daarop inhaken. Maar als wij het grondpatroon kennen, dan weten wij ook wat die geestelijke kracht doet.

Twee strata van bewustzijn

De mens heeft twee strata van bewustzijn. Het eerste is datgene wat hij zijn bewustzijn pleegt te noemen; kortom, de verwarring van waaruit hij pleegt te denken. Het tweede is het geestelijk bewustzijn, dat voor de mens maar zelden volledig toegankelijk is en waarin zijn besef van de werkelijkheid, waarin hij leeft, in grotere mate wordt gerepresenteerd en waaruit hij voor zich het totaal van kosmische krachten kan wekken.
Om te begrijpen hoe het mogelijk is dat er twee strata van bewustzijn bestaan, welke bij de mens slechts zelden tot één geheel samenvloeien, zullen wij een ogenblik de mens zelf aan een beschouwing moeten onderwerpen.
De mens leeft geconditioneerd door zijn milieu. Hij is in zijn denken geschoold tot een drie‑dimensionale zintuiglijkheid, waarbij hij het vierdimensionale begrip ‘tijd’ slechts ten dele pleegt te verwerken en alle andere dimensionale verhoudingen, die aanwezig zijn, eenvoudig negeert. Omdat hij daardoor in zijn verstandelijk denken al datgene wat werkelijkheid is en niet past bij de in hem bestaande concepten terzijde schuift, zal hij elke invloed uit het tweede stratum van bewustzijn eenvoudig afwijzen daar het niet past in het kader van zijn normale manier van bewust denken. Toch zullen bij de mens beide strata van bewustzijn een rol moeten spelen. Nu blijkt dat in vele gevallen het z.g. directe bewustzijn of waakbewustzijn bij de mens wel aansprakelijk is voor de registratie van feiten maar geen invloed heeft op de ontwikkeling van de feiten. Ik zal proberen u dit kort te demonstreren.
Een mens zegt dat hij ten koste van alles vrede op aarde wenst; en als iemand het niet met hem eens is, slaat hij deze een blauw oog. Zijn bewustzijn, zoals hij dit hanteert, maakt vrede voor hem een noodzakelijkheid, een begeerlijkheid. Zijn tweede stratum van bewustzijn echter zoekt naar zelferkenning en niet naar vrede en doet hem een blauw oog slaan; wat hij later ongetwijfeld theoretisch zal betreuren, maar waarover hij zich innerlijk verkneukelt. Dergelijke voorbeelden zijn te over te geven. Je doet niet wat je zegt te willen en je wilt niet altijd wat je denkt te willen.
Het innerlijk bewustzijn echter omvat de werkelijk wil van de mens. Dit is het z.g. tweede stratum. Hier wordt bepaald wat je werkelijk wilt omdat hierin het totaal van het bewustzijn, niet belemmerd door afwijzingen, een rol speelt. De reactie op de omgeving, zoals deze waakbewust wordt geregistreerd, wordt in de meeste gevallen gedicteerd door het tweede stratum van bewustzijn, hetwelk meer omvat dan het onderbewustzijn alleen.
Het tweede stratum van bewustzijn zal de erkenning van de kosmos bevatten, zoals deze geestelijk bestaat en daarnaast het totaal van waarnemingen en herinneringen, die op aarde of in vorige levens zijn vergaard; te weten: een aantal associatieve mogelijkheden, die het totaal van het ‘ik’ en het totaal van het bestaan bevatten.
Daar de reacties van het ‘ik’ (al is het alleen maar voor het zelfbehoud ervan) gebaseerd moeten zijn op de totaliteit van het wezen, zal elke door het waakbewustzijn gedicteerde wil terzijde worden geschoven op het moment dat het totaal‑bewustzijn (tweede stratum) en hiermee de eigen ontwikkeling en de instandhouding van de geestelijke totaliteit wordt bedreigd. Dit zal u kunnen helpen te begrijpen waarom u altijd weer datgene doet wat u eigenlijk niet wilde; en waarom u datgene wat u wel wilde, voortdurend nalaat.
Het is voor u niet belangrijk dat u beantwoordt aan de redelijke norm, die u zelf in uw leven pleegt te gebruiken. Het is belangrijk dat u voortdurend geestelijke stimuli ervaart waardoor het geheel van uw wezen, geestelijk zowel als stoffelijk en omvattend het totaal van uw werkelijk bewustzijn, een harmonisatie en een uitbreiding ondergaat.
Voor degenen, die zich hier afvragen of het niet mogelijk is het directe bewustzijn één te maken met dit tweede stratum, kan ik alleen antwoorden: Deze mogelijkheid bestaat kennelijk wel omdat er mensen zijn geweest op aarde die dit tot stand hebben gebracht. Zij worden dan veelal ingewijden genoemd, ofschoon zij in feite alleen mensen zijn die leven als een totaliteit, zonder een innerlijke verdeeldheid al dan niet als gevolg van een opgedrongen bewustzijn. Maar aangezien zij zelden voorkomen, mogen wij voor de gemiddelde mens stellen dat hij  twee strata van bewustzijn heeft.
Als wij het tweede of hoogste stratum bezien, dan weten wij hoe de mens zal reageren. Als wij zijn redelijk denken bezien en de daarbij voorkomende associaties, dan weten wij alleen hoe hij zich zal gedragen in een wereld, die beantwoordt aan de voorstellingen die hij in zich koestert.
Dit is misschien voor u ook wel belangrijk om te weten: Indien u ‑ hetzij impulsief, intuïtief of op welke andere wijze dan ook ‑ uit het hoogste bewustzijn (het tweede stratum) put, dan beschikt u over alle mogelijkheden, alle capaciteiten en ervaringen van uw totale wezen, bevattende alle bewuste geestelijke waarden plus alle herinneringen omtrent vroegere stoffelijke levens. Daardoor kunt u vaak intuïtief, inspiratief of spontaan reageren en veel beter handelen dan als u dat bewust of beredeneerd doet. Daaraan zou ik dan enkele conclusies willen verbinden.
Als u spontaan zegt dat iets niet in orde is, dan blijkt dat dit redelijk bezien niet zo zal zijn. Houdt u er rekening mee dat dat toch wel het geval is. Het redelijk element in de wereld wordt altijd door een hogere waarde van besef overvleugeld. U weet vaak veel beter wat er in een mens leeft dan u zich zou toegeven. U weet vaak veel beter wat er in u bestaat dan u dat ooit in gedachten voor uzelf zou durven omzetten. Het is dit innerlijk weten dat uw wil uitmaakt.
Dus, mijn vrienden, u wilt allen het goede. Dat is beredeneerd. Maar wat doet u? Wat is regelmatig weer uw falen ten aanzien van uw voornemens? Als u dat weet, dan weet u ook een klein beetje wat voor u belangrijk is.
Veel mensen denken dat alles wat niet in bewuste gedachten kan worden omgezet, nutteloos is. Op dezelfde wijze zou je kunnen zeggen dat de fles belangrijker is dan de drank die erin zit. Want wat wij redelijk bezitten, gebruiken wij alleen maar om in onze redenatie en ten aanzien van onszelf het door ons niet besefte aanvaardbaar te houden. Onze verklaringen en verontschuldigingen zijn niet een erkenning van fouten. Ze zijn een poging om het beeld van onszelf in de wereld te kunnen handhaven, terwijl wij gelijktijdig ons innerlijk beeld leven. Hierdoor heeft u vele dingen gedaan, die waarschijnlijk in de ogen van uw medemensen onaanvaardbaar of verwerpelijk zijn. U heeft waarschijnlijk heel wat dingen nagelaten die u volgens anderen had moeten doen. En u heeft vooral heel wat dingen willen doen waarvan nooit iets terecht is gekomen. Dat laatste zult u zich misschien nog het best herinneren. Realiseer u dan wel:
Deze nalatigheden komen voort uit mijn werkelijke persoonlijkheid.
Ik kan dit niet compenseren door in mijn dag‑ en waakbewustzijn sterk iets te willen. Ik kan het slechts doen door mijn eigen instelling zo te veranderen dat de fout, die ik heb gemaakt, overbodig wordt; niet beredeneerd, maar voor mijn eigen gevoel.
Dan wil ik dit betoog beëindigen met de volgende opmerkingen:
Omdat u twee strata van bewustzijn heeft, die ook stoffelijk in u voortdurend actief zijn, zult u over het algemeen uzelf niet helemaal begrijpen. Indien u begrijpt dat dit wanbegrip voortkomt uit een onvolledige realisatie van uw persoonlijke inhoud, zult u er vrede mee kunnen hebben. Indien u vrede heeft met uzelf, kunt u komen tot een zodanige harmonie, dat het tweede stratum van bewustzijn als een directe intuïtieve invloed steeds meer duidelijk maakt omtrent uw werkelijke behoeften en noodzaken. Is dit het geval, dan zult u tot uw verbazing zien dat u ook over de noodzakelijke bekwaamheden beschikt.

Dwanggedachte

Een waanbeeld, dat ons voortdurend achtervolgt. Een voorstelling, waaraan wij ons niet kunnen onttrekken. Anders gezegd, een denkbeeld dat wij voortdurend nodig hebben omdat wij alleen daardoor de situatie waarin wij leven nog kunnen aanvaarden. Het is het projecteren van al datgene, wat er in ons leeft en onaanvaardbaar is naar anderen. Zolang wij ons achtervolgd voelen door eigen fouten, zullen wij die achtervolging zien in anderen. Indien wij zelf voelen dat wij niet meer helemaal deugen, zullen wij aannemen dat geen enkele mens deugt behalve wij. Het is een omkering van waarden.
Indien u dus door een dwanggedachte wordt geregeerd, zou ik u de raad willen geven om in de eerste plaats te zeggen: Dit ligt niet in de wereld, dit ligt in mij. In de tweede plaats niet te zeggen: Hoe kom ik er af? Maar: Hoe leef ik ermee? Een dwanggedachte houdt op te bestaan op het ogenblik dat wij haar hebben aanvaard als zijnde uit onszelf voortkomend en een deel van onszelf omschrijvend. Daarmee is namelijk de projectienoodzaak vervallen en zal de wereld ons weer normaal voorkomen. Wij kunnen dan uit die wereld weer indrukken krijgen, die belangrijker zijn dan de waanbeelden, die wij enige tijd als een soort zelfhandhaving hebben gebruikt.
Er zijn vele waandenkbeelden en vele dwanggedachten op deze wereld. Er is soms de dwanggedachte: God is voortdurend met mij. Zolang u zich daarvan bewust bent, stelt u zich tegenover God. Als u gewoon leeft, is God wel bij u maar dan behoeft u er niet over te praten of te denken. Dat is een feit dat je voortdurend waar maakt door te leven.
Indien u meent dat u een grote zondaar bent, heeft u waarschijnlijk groot gelijk. Indien u zich daardoor achtervolgd voelt, maakt u een fout. Het is niet belangrijk dat u een zondaar bent, het is belangrijk dat u steeds minder zondigt volgens uw eigen gevoel. De theorieën van anderen hoeft u daarbij niet als belangrijk te zien.
Als u bang bent voor uw leven of voor het einde daarvan, dan beseft u niet voldoende hoe onbelangrijk datgene wat u bent en doet in wezen is. Belangrijk is uw existentie zonder meer. Deze existentie kan niet teniet worden gedaan. Iemand, die zijn lichaam verliest, verliest een voertuig om daarvoor in de plaats een grotere vrijheid van beweging te herwinnen.
Ik hoop dat dit voor degenen die door dwanggedachten ten aanzien van dood en lijden worden achtervolgd, een troostrijk woord is geweest.