Invloed van de geest i.v.m. de bewustzijnsfactor

uit de cursus ‘De menselijke psyche’ 1956

Wanneer de geest afdaalt in een menselijk lichaam, vindt zij daar over het algemeen een betrekkelijk gering aantal reacties vastgelegd en zal in de eerste periode van haar éénzijn met dit lichaam nog binnen de moeder een aantal schokken doormaken, die zelfs in neurosen, en psychosen kunnen ontaarden, maar die eigenlijk voor de geest zelf alleen emotioneel enig belang hebben.

Zodra de geest echter in het leven zelf komt te staan, dan valt het ons op dat zij, ondanks al haar pogingen om haar eigen realiteit in het lichaam te uiten, steeds wordt verdrongen door de normale begeerte en angst-tendensen, die in elk kind zo sterk tot uitdrukking komen.

Een kind fantaseert, zeggen de mensen. Maar van geestelijk standpunt gezien is het heel vaak de geest, die tracht in dit kleine lichaam, juist in de eerste periode, tenminste iets van haar eigen streven en ervaren vast te leggen. Zij tracht dit gedurende het gehele leven vol te houden. Maar naarmate de mens stoffelijk intenser gaat leven en de zuiver stoffelijke tendensen de overhand krijgen, ziet de geest zich meer en meer teruggedrongen en moet zij ermee tevreden zijn het eenmaal in het lichaam vastgelegde betreffende haar wezen en reacties te behouden.

De geest ziet het psychotisch verschijnsel in de mens over het algemeen niet als een aantal conflicten, die langzaam als oorzaak en gevolg zijn ontstaan. Integendeel. Zij denkt allesbehalve psychoanalytisch. Zij probeert niet het probleem te ontrafelen en het lichaam in het juiste spoor te brengen, maar zij zal proberen vaak met aanmerkelijke kracht, zekere tendensen van dat lichaam, zekere gedachtegangen te onderdrukken. De hierdoor ontstane strijd kan voor de geest een zeer bezwaarlijke en kracht rovende zijn.

Bij het beschouwen van de werking van de geest op het menselijk lichaam dienen wij eerst te definiëren wat het doel van de geest met dit leven is en hoe zij tot deze instelling komt. Ik zal trachten dit voor u kort te formuleren.

De geest in zich dragend een groot aantal ervaringen en eigenschappen, die zij op aarde of andere werelden heeft verworven ‑ hetzij in de stof of in de geest ‑ komt tot incarnatie. Deze incarnatie is voor haar niet de behoefte om te leven als een stofmens, maar om te voldoen aan bepaalde begeerten en een bepaalde drang die in haar aanwezig is. Zij zal trachten zichzelf zo volledig mogelijk te uiten. Deze uiting echter houdt in – evenals dat ook in het menselijk bestaan zo is ‑ een aantal vooroordelen, gewoonten en vaststaande opvattingen die op vroegere ervaringen zijn gebaseerd. Zij stelt zich deze uiting gewoonlijk voor als een “zelf in de stof leven en deze stof beheersen”. Eerst in vereniging met de stof bemerkt zij hoezeer zij door reeds vastgelegde, vaak genetisch reeds gepredestineerde eigenschappen wordt belemmerd in het volvoeren van hetgeen zij zich heeft voorgenomen. Het lichaam beschouwt zij zuiver als instrument. Het is dan ook begrijpelijk dat zij zich tegenover dit instrument niet altijd vriendelijk gestemd voelt.

Een mens meent meestal dat de geest met volle intensiteit het leven van zijn lichaam mee beleeft en goedkeurt. Niets is minder waar dan dat. Als de geest een mens zou zijn, zou zij ongetwijfeld, zoals de mens wanneer een van zijn werktuigen of instrumenten niet reageert zoals hij verwacht, met een paar onaangename uitdrukkingen aan haar misnoegen uiting geven. Als wij dan ook de geest zien, valt het ons op dat zij soms het lichaam zelfs mishandelt. Dat zij probeert het lichaam destructieve tendensen te inspireren, dat zij probeert om zekere voor het natuur­lijke leven noodzakelijke dingen eenvoudig te verwijderen, te vernieti­gen of te doen voorkomen. Zij is zich dan ook niet bewust (zeker niet in het begin van haar incarnatie of zelfs na vele incarnaties slechts ten dele bewust) van de gevolgen die dit in het menselijk lichaam kan hebben. De geest is de kern van het menselijk lichaam en van het mense­lijk leven. Inderdaad. Maar als dat menselijk lichaam door deze kern op onjuiste wijze wordt behandeld, dan blijkt dat deze kernkracht destruc­tief kan worden. Zij heeft het lichaam niet lief. Zij gebruikt slechts het lichaam. Alleen wanneer het lichaam wordt gemaakt tot een instru­ment, waardoor meer en meer wordt bereikt, zien wij een gevoel van een­heid, van genegenheid of liefde ontstaan tussen dit voertuig en de kracht die zich ervan bedient.

Uit het voorgaande blijkt ons dus dat wij ‑ als wij geestelijke eigen­schappen in de menselijke psyche willen onderzoeken ‑ verstandiger doen uit te gaan van de geest willen wij een waar inzicht krijgen van hetgeen er zich buiten de stoffelijke factoren en normen binnen deze mens afspeelt.

Een mens heeft, zoals wij reeds in de vorige lezingen meermalen hebben verteld, een aantal zgn. paranormale eigenschappen. Deze betreffen over het algemeen kwaliteiten, die lichaam en geest gemeenschappelijk kunnen bezitten. Maar de geest heeft meestal geen behoefte aan deze eigenschappen in het lichaam, zolang dit lichaam zich niet voegt naar de geest. Hieruit volgt dat ‑ als in het lichaam de buitenzintuigelijke waarnemingen scherp zijn (bv. door erfelijkheid) ‑ de geest hieruit meestal conflictwaarden schept met het lichaam. Er is een verschil in opvatting. Dit innerlijk oproer bevestigt a.h.w. de innerlijke strijd door emotionele toestanden, die kunnen leiden tot waanzin.

De geest ziet haar eigen wereld. Zij kan onder omstandigheden het lichaam zo ver brengen dat het deze dingen ook waarneemt, verstandelijk en bewust. Maar in vele gevallen is zij in haar instelling zelf zo onharmonisch tegenover het lichaam, dat ‑ als er wordt waargenomen ‑ eerder het onware, het onaangename, het demonische wordt gezien dan de realiteit van een vredige, bewuste geest. Het is dus wel noodzakelijk dat er tussen geest en stof een zekere binding bestaat. Hoe sterker deze wordt, hoe gezonder de mens lichamelijk is en hoe gelukkiger hij gelijktijdig lichamelijk en geestelijk zal leven.

Vanuit het verstandelijke vlak, waarop de mens leeft, lijkt het dikwijls zeer moeilijk te komen tot een besef van wat de geest wil, te komen tot deze eenheid, die anderzijds toch zozeer voor al het bestaande noodzakelijk is. Welnu, de stof kan de geest alleen benaderen, indien zij zich passief of zo passief mogelijk op de eigen geest instelt en deze via onderbewustzijn en de tussengelegen trappen sterk op zich laat inwerken. Menige neurose, menige geestelijke afwijking, menige denkfout zou op deze wijze kunnen worden opgelost, misschien niet tegenover de wereld, maar wel in een eenheid binnen het eigen wezen. Hoe wij daarbij te werk moeten gaan, hoop ik een volgende keer uiteen te zetten.

Dan dienen wij nog het volgende te begrijpen: als de geest incarneert of in de stofwereld afdaalt, dan doet zij dit niet volledig. Elke geest blijft, zij het in geringere mate naargelang zij meer en intenser in de stof leeft, een werkzame, waarnemende factor in haar eigen sfeer of wereld, van waaruit zij tot het stoffelijk bestaan kwam. Dit geeft ons de verklaring voor de duistere verschijnselen, die sommige mensen onweerstaanbaar naar het demonische schijnen te trekken. Deze mensen, die duisternis met zich meebrengen als zij een kamer binnenkomen. Mensen, die voor hun medemensen afstotend zijn, ofschoon daarvoor geen uiterlijke reden of zelfs een reden in het gedrag te vinden is. Want een geest, die bevrijd uit de duisternis onmiddellijk tot incarnatie op deze wereld komt, brengt met zich mee een contact, waardoor zij de t.a.v. deze wereld nog steeds lagere sferen in haar beleven opneemt en de ervaringen daaruit ook in het lichaam afdrukt, voor zover dit haar mogelijk is. In een dergelijk geval kan geen behandeling door een psychotherapeut helpen. Je kunt zo’n mens in zo’n geval alleen helpen langs de wegen die juist voor de geest het meest toegankelijk zijn.

Welke wegen zijn dat? De wegen van het emotioneel ervaren dat op innerlijke zekerheid berust. Met andere woorden: voor dergelijke typen kan alleen een verlicht geloof of beter nog: een van onderaf beginnend en de geest steeds verder opvoerend esoterische scholing helpen. Meestal is de geest niet geneigd daaraan onmiddellijk gehoor te geven en verwerpt zij deze dingen. Toch zijn dat ‑ vanuit geestelijk standpunt ‑ de enige wegen, die door het verheffen van de geest mogelijkheden bieden, zodat zij reeds tijdens het stoffelijk leven hogere sferen leert begrijpen, beroeren en betreden.

Dan is, vanuit het standpunt van de geest, ook altijd zeer belangrijk de wijze waarop men lichamelijk ervaart. Dat wat het lichaam meemaakt heeft over het algemeen ‑ tenzij het sterke emotionele invloeden tot stand brengt ‑ voor de geest weinig te zeggen. De geest maakt er zich niet druk over wat voor werk u doet. Zij vraagt zich niet af in welke stoffelijke omstandigheden u leeft. Wel vraagt zij zich af, hoe u zelf hierop reageert en met welke intenties u zich ook lichamelijk tot de buitenwereld wendt. Want juist deze dingen zijn voor haar praktisch volledig te begrijpen en te verwerken. Juist hieruit kan zij de ervaring putten die nodig is. Juist hierdoor kan zij komen tot een uiten van zichzelf. Zo dienen wij ‑ indien wij de menselijke psyche, vanuit de geest willen beschouwen ‑ altijd te onthouden dat het hoe voor de geest minder belangrijk is dan het waarom, dat het beleven op zichzelf belangrijker is dan de beleving.

De innerlijke waarden zijn voor de geest belangrijk. Indien de innerlijke waarden in overeenstemming zijn met haar eigen wezen en drijven, is zij de grootste kracht die er voor een lichaam kan bestaan. Dan geeft zij sterkte, gezondheid, harmonie (ook lichamelijk), weerstandsvermogen en een veerkracht die praktisch onovertroffen zijn. Is de geest echter niet in staat zich neer te leggen bij hetgeen men stoffelijk vaak via verstandelijke redenering en besluiten van de omgeving doet, dan zien wij dat dezelfde geest met een haast vernietigende woede zich op bepaalde dingen in uw bestaan kan werpen. Het is dus noodzakelijk voor de mens om met de geest in zeer sterke mate rekening te houden. Ja, zo mogelijk de geest te maken tot de leidende factor in het leven. Bij de voorgaande beschouwing zal ongetwijfeld in u de vraag zijn gerezen: Wat is dan mijn ware “ik”? Ik meen om de volgende reden te mogen stellen, dat de geest vanuit geestelijk én stoffelijk standpunt als het ware ego moet worden gezien.

Alle problemen die zuiver stoffelijk ontstaan, leiden niet tot mentale afwijkingen noch tot neurotische verschijnselen, tenzij de geest (dus meer dan het bewustzijn op zich en zelfs het onderbewuste) mee gemoeid is in het probleem. Hieruit zou dus blijken dat t.o.v. het al of niet redelijk denken, de geest tenslotte de beslissende factor is.

Dan het lichaam zelf. Ook als dit nog zo harmonisch leeft, kan het worden vernietigd, doordat de geest op dit lichaam inwerkt en bij ideale stoffelijke verhoudingen desondanks een accepteren daarvan onmogelijk maakt. Het lichaam is echter niet in staat iets dergelijks t.o.v. de geest te doen. Het kan de geest belemmeren, hinderen, zelfs tijdelijk omlaaghalen, maar het kan haar niet ziek maken of vernietigen, zoals de geest dat met het lichaam kan doen. De geest is dus weer de sterkere.

Ten aanzien van bewuste en onbewuste reacties op de wereld kunnen wij zeggen dat ‑ ofschoon in de rede de stoffelijke ervaring plus de achtergrond ervan en enkele erfelijke factoren de reactie en de mentaliteit bepalen ‑ het de geest is, die in staat is elk stoffelijk schema te wijzigen. Dat komt vaak kenbaar naar voren, wanneer de mens lichamelijk onder zo’n hoge spanning moet werken, dat hij niet meer in staat is zijn besluiten verstandelijk te overwegen. Zijn reacties zijn dan niet panisch, maar volkomen redelijk en overlegd, alleen volgens een heel ander schema en een geheel andere gedachtegang dan normalerwijze het geval zou zijn.

Een laatste woord ten voordele van de geest kan worden gevonden in de beschouwing dat ‑ waar een stoffelijk lichaam sterfelijk en vergankelijk is in zijn vorm en bij het vernietigen van de vorm het stoffelijk bewustzijn teloor ziet gaan ‑ de geest aan een dergelijke beperking niet onderworpen is.

De door mij aangehaalde punten zullen m.i. voor elk weldenkend mens het bewijs vormen dat de geest moet worden gezien als het WARE IK. Daaruit moet dan ook de logische conclusie niet slechts worden getrokken, maar ook in elk leven worden verwerkt. Het is in het menselijk leven belangrijker de geest volledig te bevredigen op de juiste wijze dan een verdeling te maken tussen lichaam en geest of zelfs de geest ten achter te stellen bij het volkomen begrepen en omschreven redelijk denken.

Het redelijk denken plus onze stoffelijke gevoelswereld mogen wij indien wij op aarde vertoeven, slechts beschouwen als middelen die wij kunnen gebruiken in die omstandigheden en toestanden waar onze geest (vaak kenbaar als innerlijke stem) geen andere reacties en handelingen voorschrijft.

Naarmate de mens meer tracht stoffelijk één te zijn met de geest, zullen wij zien dat in deze groeiende eenheid ‑ stoffelijk zowel als geestelijk ‑ grotere welvaart en bloei optreden. Wij zullen echter ook zien dat een gedeelte van de stoffelijke reacties vaak strijdig is met hetgeen algemeen in de wereld als normaal wordt aanvaard. Deze abnormaliteiten of kleine afwijkingen die bij de geniaal denkenden misschien voor verstrooidheid of excentriciteit doorgaan, bij de minder begaafden vaak voor tekenen van lichtelijke geestelijke minderwaardig worden aangezien, zijn in werkelijkheid slechts de varianten op het stoffelijk bestaan die de geest zichzelf schept om zo vanuit het stoffelijk leven een voor haar belangrijk en geschikt ervaringsleven tot zich te kunnen nemen.