Invloed van milieu en gewoonten

uit de cursus ‘De menselijke psyche’ 1955

De vorige maal hebben wij gewezen op het trekken naar het paranormale, dat zich als verschijnsel sterk vertoont bij de mens in deze tijd. Het is echter ook belangrijk dat wij een van de meest beheersende factoren hierin niet geheel buiten beschouwing laten. De menselijke psyche nl. wordt voor een groot gedeelte ‑ zoals wij allen hebben opgemerkt ‑ beheerst door gewoonten, ingeroeste gebruiken en opinies, m.a.w. het milieu.

Wat zijn de invloeden, die voor ons van het milieu uitgaan, als wij daar onbewust tegenover staan?

In de eerste plaats zal het milieu ons voortdurend meningen opdringen. Dit brengt met zich mee dat er in de mens vaak een tweeledig begrip van goed en kwaad bestaat. Het brengt ook met zich mee dat een mens zich gedwongen voelt om zich natuurlijk te gedragen en hierdoor vele, in hem belangrijke krachten ongeuit laat.

De mens die streeft naar het geestelijk leven, moet dus goed begrijpen dat de woorden “goed en kwaad” zoals zij door de wereld worden gebruikt, slechts een aanleiding kunnen zijn om de innerlijke waarden daarmee te vergelijken. Maar dat het nooit verantwoord is om zonder meer dat als goed te aanvaarden wat de buitenwereld aanvaardt en dat als kwaad wat de buitenwereld kwaad noemt. Hierdoor wordt een innerlijke strijd vermeden.

Al evenzeer is dat het geval met het uiten van je persoonlijkheid. Een dichter, die wordt geboren in een familie van beroepsmilitairen, zal militair moeten worden, want zo hoort het nu eenmaal. Ook u wordt vaak door de maatschappij gedreven in een richting die u eigenlijk niet wilt gaan. Nu kun je beroepsmilitair én dichter zijn, indien je, je niet door de verplichtingen die de wereld je oplegt, laat ontmoedigen en zo vergeet jezelf te zijn.

In het paranormale zien wij heel vaak als remmende factor optreden, de wereld. Als iemand helderziende is, dan zal hij vaak om godsdienstige redenen of omdat hij het aanzien van zijn medemensen niet wil verliezen, die gave bewust onderdrukken en daardoor nooit volledig zichzelf kunnen zijn. Hij zal daardoor steeds ongelukkig zijn en altijd net iets verkeerd streven. Dat houdt in dat je je leven verprutst, omdat je te veel gelegen laat liggen aan je omgeving.

Kan de mens anderzijds zonder die omgeving? Neen, ook dit is voor de mens niet mogelijk. Het leven is ‑ vanuit geestelijk standpunt gezien – een compromis tussen het eigen wezen en de wereld, waarin men tijdelijk moet vertoeven. Wij moeten ons bewust zijn dat het compromis een noodzaak is. Men kan nooit zoveel verwachtingen koesteren in het leven, of wij zijn teleurgesteld als zij worden vervuld.

Geestelijk is de mens in staat perfectie te begrijpen, te aanschouwen en ernaar te streven. Wij zijn dus altijd weer op zoek naar het volmaakte. Dit volmaakte brengen wij door onze gewoonte over op stoffelijke waarden, op geestelijke aspecten, op menselijke verhoudingen en wat dies meer zij. Als resultaat zijn wij voortdurend ontevreden. Zoveel te meer ontevreden, omdat ons lichaam zelf niet in staat is de gestelde norm van volmaaktheid te bereiken. Zou die norm al bereikt worden, dan blijkt toch dat wij de kracht niet hebben zo blijvend volmaakt te zijn, als het ons wel wenselijk lijkt.

Ontevreden zijn met jezelf is een van de noodlottigste dingen, die er kunnen gebeuren in een menselijk leven. Je mag niet zelfvoldaan zijn op een wijze, waarop je jezelf kritiekloos aanvaardt. In een dergelijk geval leef je in een wereld van waanvoorstellingen, dan zie je de werkelijkheid niet en zul je als zodanig geestelijk ab­normaal zijn. Een zichzelf zien als het criterium voor wat goed en kwaad is, brengt in alle gevallen met zich mee, een aberratie in het menselijk denken, waardoor de geestelijke gesteldheid zowel als de stof­felijke sterk wordt beïnvloed en er niet meer redelijk verantwoord kan worden gehandeld t.a.v. de buitenwereld.

Wij moeten dus begrijpen dat alle genoemde factoren van de menselijke psyche (genoemd in vorige verslagen) moeten samenwerken tot één beeld van wat er in deze wereld voor ons mogelijk is. Deze mogelijkheid behelst zeer veel van hetgeen de mens gewoonlijk bovennatuurlijk of paranormaal noemt. Maar dit is alleen te bereiken, indien wij innerlijk harmonisch kunnen zijn en leven. Het vervullen van de mogelijkheden die wij nu vinden, moet worden gebaseerd op het vervullen van de thans voorkomende waarden. Als men psychisch te ver vooruitloopt in de toekomst of te ver achterblijft in het verleden, zal voortdurend een discrepantie ontstaan tussen het ogenblik (de binnenkomende prikkel) en het beeld dat in de hersenen leeft, het beeld dat in de geest leeft. De emotionele gesteldheid via de geest is dus reeds foutief. Hierdoor is er reeds een valse interpretatie van binnenkomende prikkels, bovendien een vergelijking met herinnerings‑ of toekomstbeelden, die niet meer met de huidige werkelijkheid stroken en daardoor verkeerde interpretaties van al hetgeen in het heden naar voren komt.

Wie op een dergelijke wijze leeft, vermoordt zichzelf psychisch. Die maakt het zich onmogelijk om te leven in deze wereld, om gelukkig te zijn, om een éénklank te vinden met de wereld rond zich.

Het is begrijpelijk dat de mens, beïnvloed als hij wordt door stoffelijke tendensen vanuit zijn lichaam, of door invloeden uit het milieu, een voorstelling moet hebben, die bij de werkelijkheid blijft. Je kunt wel beslissen dat je één stap vooruit zult gaan, maar nooit dat je een sprong van 100 meter zult maken. Toch doet de doorsneemens dit en het wordt hem vaak alweer opgelegd door het milieu.

De wereld rond u beoordeelt u niet, zoals u bent. Integendeel, zij zal u aanslaan naar hetgeen gij schijnt. Dat wat ge schijnt, is meestal het beste van het beste plus een paar aardige onwaarheden, die u de wereld voorspiegelt. Daardoor kunnen wij nooit aan de verwachtingen van de wereld tegemoetkomen. Proberen wij dat toch, dan vernietigen wij onszelf. Wij moeten zelf een doel bepalen.

Nu heeft het milieu ons geloofswaarde meegegeven. Dat wil zeggen: herinneringen omtrent niet‑reële feiten of door ons niet werkelijk beleefde feiten, vastgelegd in ons wezen, die voor ons als waar gelden en gedurende de stoffelijke periode mee ons denken beheersen. Het milieu heeft in ons vastgelegd, een begrip van kennis die gebaseerd is niet op het werkelijke weten, maar alleen op datgene wat de wereld op dat ogenblik als het ware weten beschouwt.

Indien wij ons dogmatisch vastklampen aan dergelijke waarden, maken wij het ons onmogelijk om geestelijk vrij te werken. Maar de geest wil en zal zich volledig uiten door de mens. Het is begrijpelijk dat dit een strijd veroorzaakt tussen de geest en het stoffelijk denken, dat een terugslag heeft op het menselijk lichaam zowel als op het gedrag tegenover de wereld. Ook dit moeten wij trachten te voorkomen.

Een werkelijk bewust mens, uitgaande van de waarde die hij in de menselijke psyche kent, redeneert als volgt: al datgene wat de wereld mij heeft geleerd, neem ik aan als juist. Zolang niet door eigen ervaring en denken of door mededeling van degenen, die ik hoger schat dan het weten van de wereld, blijk wordt gegeven van andere dingen en waarden. Verder zal deze mens zich altijd voor ogen houden: het is niet mijn taak om aan de verwachtingen van de mensheid tegemoet te komen. Het is mijn taak om eerst mijzelf te zijn. Om mijzelf te zijn moet ik mij zoveel mogelijk tegenover de wereld uiten zoals ik ben. Indien ik mij uit valse schaamte of uit lust tot zelfverheffing daaraan onttrek, dan stel ik mij in een zeer valse positie, die voor mij voortdurend problemen schept, welke op den duur tot complexen worden. Complexen die de werkelijkheid ver van mij houden en het mij onmogelijk maken om reëel en werkelijk te leven.

Zo denkende kan ik dan als bewuste mens eindelijk een compromis bereiken, dat voor mij redelijk is. Voor elke mens zal dit iets anders liggen. Ik zal trachten een voorbeeld te geven waaruit eenieder voor zich de nodige lering kan distilleren.

Ik tracht in de eerste plaats mijzelf te zijn. Maar ik weet, dat ik niet mijzelf kan zijn tegenover de wereld. Dientengevolge zoek ik die tendensen in de wereld, die verwant zijn aan mijn streven en pas mij zoveel mogelijk daaraan aan. Hierdoor heb ik de mogelijkheid gekregen om althans enigszins mijzelf te zijn.

Nu ga ik zoeken naar mijn maximale prestatiemogelijkheid. Ik zoek in de wereld wederom die toestand, positie of gelegenheid, waarin ik die kan uiten. Ik ontdek dan dat die uiting nooit volledig wordt aanvaard, maar slechts voor ongeveer 1/3 tot de helft. Dat mag mij niet hinderen, want als ik een gedeelte van mij uit, dan weet ik dat de rest te gelegener tijd zal worden geuit. Ik heb dus vrede. Ik heb iets tot stand gebracht. Dit tot stand brengen vanuit je eigen wezen, dit scheppend proces, is het enig belangrijke, al het andere telt minder.

De hele wereld is opgebouwd door mensen, die op een dergelijke wijze hun doel hebben nagestreefd, die hebben gezocht naar hun eigen werkelijkheid en waarde. Elke mens kan meehelpen de wereld verder op te bouwen, indien hij afstand doet van de waanbegrippen (hem opgelegd door de omgeving), maar daarom niet de omgeving plotseling trotseert of van zich afstoot. Integendeel, als hij tracht in de omgeving, in het milieu, in de leerstellingen dat ene naar voren te brengen dat voor hem, persoonlijk het meest belangrijke is.

Heb ik eenmaal mijn plaats in de wereld gevonden, heb ik voor mij de weg tot leven eenmaal veroverd, dan kan ik voor mij het volgende vaststellen:

Door de uiting van hetgeen als geestelijke drang in mij ligt, wordt mij ook de beheersing van het stoffelijke eenvoudiger. Anderzijds kom ik gemakkelijker tot stoffelijke uitingen die mij geestelijk niet onmiddellijk tegenstaan en niet in strijd zijn met mijn streven op aarde.

In mijn denkvermogen worden de waarden, die zowel geestelijk als door beleving, voor mij belangrijk zijn, in een zelf‑uiting steeds weer naar voren gebracht, ik ben dus mijzelf. Ik ken geen conflict tussen mij en de wereld, omdat ik de wereld en mijzelf, mijn milieu en mijn persoonlijkheid als gescheiden waarden zie, die ik naast elkaar, maar nooit als congruente waarden wens te beschouwen. Hierdoor kan ik elk complex, elke dwanggedachte in mij leren verwijderen. Om dit te doen moet ik trachten te ontkomen aan de indrukken, die de wereld mij geeft t.a.v. het wensleven. Mijn wensen en dromen worden beïnvloed door wat de wereld mooi en goed vindt.

Als ik arm ben, streef ik naar rijkdom. Als ik dom ben, zou ik wijs willen zijn. Als ik lelijk ben, wil ik schoon zijn. Als ik echter rijk, schoon en wijs ben, dan is er weer iets anders dat ik verlang. Ik moet begrijpen dat wat de wereld mij als begerenswaardig voorspiegelt nooit voor mij bereikbaar kan zijn. Het blijft een luchtspiegeling, een fata morgana. Wat ik echter wel kan bereiken, is een toestand waarin ik tevreden ben en innerlijk vrede ken met mijzelf en de wereld. Heb ik deze toestand, dan ben ik volledig gezond, anders niet.

Ik ben echter alleen tevreden met dit ogenblik van mijn wereld. Want zo dadelijk verandert de wereld buiten mij en ik moet mee veranderen.

Het gehele proces, dat zich psychisch gedurende het leven van de mens afspeelt, is dus een zich voortdurend aanpassen, volgens eigen persoonlijkheid en geestelijk streven, aan de omstandigheden die buiten ons optreden. Kunnen wij dit op de juiste wijze doen, dan zullen wij altijd een doel hebben waarnaar wij streven: namelijk de aanpassing aan wat wij thans reeds als waarden in de wereld zien. Dit doel ligt nooit ver weg. De bewuste streeft nooit ver. Hij streeft altijd naar hetgeen zo dicht mogelijk bij hem ligt en tracht dit volledig te verwezenlijken.

Men spreekt over de consequenties van bepaalde handelingen en daden. Vele mensen worden beheerst door een angst, omdat ze niet precies weten wat de consequentie is van hun handelen. Ik zou er echter op willen wijzen dat dit ook niet belangrijk is.

De mens, die zichzelf openbaart volgens zijn geestelijk streven (zoveel mogelijk in harmonie met de wereld en al wat hij daarin als waarde kent), zal nooit een consequentie ontmoeten, die sterker is dan hijzelf. Dat houdt in dat wij ook nooit bang hoeven te zijn voor wat er morgen gebeurt, als wij vandaag het juiste doen. Wij kunnen ons dus alleen bezighouden met wat er vandaag gebeurt. Doen wij dat, dan zijn wij ook in staat het morgen te regeren en te beheersen.

Verder heeft ook de wijze van leven (wat men weleens noemt “van dag tot dag”) grote voordelen voor onze stoffelijke hersenen en ons denkvermogen. Het ons intens bezighouden met actuele waarden, vergroot dat deel van het leven dat geheel bewust wordt doorgemaakt. Het onderbewustzijn wordt dan een reservoir van herinnering in plaats van een reservoir van fantasieën en dromen. Hierdoor komen wij dichter bij de werkelijkheid te staan en krijgen wij steeds meer de beschikking over een steeds groter deel van ons denkvermogen. Wij kunnen op die manier het onderbewuste terugdringen naar een zeer klein deel van ons actuele denken en leven. Hoe bewuster wij reageren, des te meer zijn wij ons bewust van de redenen waarom wij iets doen en des te meer hebben wij het leven ook zelf in de hand. Degene, die weet hoe deze waarde in de menselijke psyche uit te buiten, kan meester worden van het leven en zal nooit slaaf daarvan behoeven te zijn.

Degene, die zich een slaaf voelt in dit leven, dient zich te realiseren dat dit zijn eigen schuld is. Het leven is geen slavendrijver, die u voortjaagt. Wat u voortdrijft, is het onbegrip voor uw eigen wezen. Doordringen in de kern van de psyche, het begrijpen van de geschillen tussen u en de wereld, het vergelijken van de invloeden van het milieu en uw eigen begrippen omtrent het juiste, zijn de middelen om te komen tot een absolute realisatie van het “ik” op de juiste wijze, waardoor de grootst mogelijke bewustzijnswaarde in de stof reeds nu kan worden bereikt.