Invloeden uit de kosmos

uit de cursus ‘Kosmische filosofie’ oktober 1958

De mens is geneigd om de sterren, de sterrennevels, de ledige ruimten te zien als onbezield, als verschijnsel. Dit is echter niet volledig juist. Elke conglomeratie van stof, onverschillig of dit donkere stofdelen zijn dan wel sterren en hun planeten misschien, is bezield. Er is geen stof waarin geen geestelijke bewustzijnsvorm tevens zijn uitdrukking vindt.

Dit brengt met zich mee dat wij dus te maken hebben met een heelal vol zeer grote en waarschijnlijk ook zeer krachtige persoonlijkheden, die de betrekkelijk kleine zon met hun invloed voortdurend omgeven. Wordt echter de zon beïnvloed, dan zullen deze invloeden ongetwijfeld ook de aarde beroeren. En de aarde zal deze verschijnselen kenbaar maken door het optreden van verschijnselen die onmiddellijk met die invloed in verband staan.

Nu is het zeer moeilijk om alle persoonlijkheden te definiëren. Ik wil u een klein voorbeeld geven van de opbouw die mogelijk is. Uw eigen zon heeft een zgn. goddelijke band. Meestal noemt men deze Adonai, dus de liefdevolle, de scheppende God. Onder deze echter staat de eigen geest (wat wij zouden kunnen zeggen: het geestelijk voertuig van de zon), dat een eigen persoonlijkheid heeft, maar horig is aan de zonnegod of aan Adonai, in dit geval dus de bezieling. Deze heeft weer onder zich de heerser van het geestenrijk. Die is overigens eigenaardig genoeg voor zon en maan gelijk, vanaf deze aarde gezien. Hij wordt wel Arcan genoemd in zijn zonnegedaante en Arcan Rex of Koning Arcan, wanneer wij te maken krijgen met de maan. Onder deze staan vier genii (hoofd‑ genii), die elk voor zich weer een bepaald leger van zonnegeesten regeren, die eigenlijk te vergelijken zijn met de mensen, omdat zij het dichtste voertuig op de zon hebben. Elk van dezen heeft een eigen invloed. Maar de zon (Adonai) is slechts één facet van de goddelijke verschijning die in duizenden andere facetten evenzeer wordt geprojecteerd. Het gevolg is dat de zon ‑ zowel in haar baan, haar snelheid, haar loop, haar straling en innerlijke activiteit als haar werking t.o.v. haar planeten ‑ voortdurend begrensd wordt door de haar omringende persoonlijkheden. Daarnaast behoort zij tot het melkwegstelsel, de nevel. Ook deze nevel is bezield. En ook hier kunnen wij een zekere hiërarchie vaststellen.

Daarnaast kennen wij de zgn. heersers van de uren. Deze worden kabbalistisch meestal genomen als de zeven aartsengelen. In feite ech­ter hebben wij te maken met 36 entiteiten, die kabbalistisch genoemd kunnen worden. En elk dezer entiteiten vertegenwoordigt niet alleen een uur, zoals u misschien zou denken, maar een bepaald momentum, een schoksgewijze beweging, die de illusie tijd vormt. Zij regeren daarnaast andere werelden. Ook in deze werelden zijn zij begrensd door de dáár regerende heersers. Een zeer complex geheel dus.

Ik wil dit niet uitspinnen tot zijn volledige vorm, waar ons dit betrekkelijk ver zou voeren. Het beeld echter dat u hieruit verkrijgt, is een soort honingraatstelsel. Want een raat is begrensd. De raten tezamen vormen de voorraadschuur van het volk. Je zou kunnen zeggen: De stoffelijke aspecten zijn als dergelijke raten. Elk wereld‑effect is één raat in de grote korf kosmos. De ruimte van een wereld echter of wat dat betreft een zonnestelsel kan worden vergeleken met één klein vak, een zeshoekig vak, ín die raat en heeft dus acht begrenzingen. Nietwaar, het is driedimensionaal. Het gevolg is, dat acht invloeden zich kunnen doen gelden. Nu hebben wij in een honingraat alleen met honing te maken of in een broedraat alleen met broed. Maar indien wij ons nu voorstellen, dat verschillende stralende stoffen zouden worden gedeponeerd in een dergelijke raat, dan zou daarbij een onderlinge beïnvloeding optreden, waarbij de eigen geaardheid van de stralende stof maar ook haar reactie t.o.v. de buren zeer eigenaardige effecten kan veroorzaken.

Om hier stoffelijk een voorbeeld te geven: Er bestaan verschillende kwartssoorten en ertssoorten, die onder een bestraling bv. met ultraviolet lichtgevend worden. Hun fluorescentie berust niet alleen op een teruggeven van de ontvangen energie, maar op een in henzelf ontstaan stralingsproces, waardoor zij ook een deel van hun eigen energie uitwerpen en daardoor a.h.w. isotopen van zichzelf worden, actieve werkstoffen van zichzelf. Het resultaat van dergelijke werkingen is chemisch bekend. Het brengt ons verbluffende veranderingen van eigenschap soms, daarnaast echter ook verbluffende structuur‑openbaringen, waarbij de structuur onder dit licht zich geheel anders aan ons toont dan zonder deze bestraling.

Wanneer u deze voorbeelden heeft gevolgd, dan moeten wij nu eens even naar de wereld gaan kijken. Algemeen bekend meen ik te mogen veronderstellen, dat deze wereld aan verschillende cycli onderhevig is. Nu zijn daar cycli bij van enkele dagen, soms van enkele maanden, tot 20 ‑ 30 soms 140 jaar toe. Deze echter staan in onmiddellijk verband met de planeten. Het zijn buur‑beïnvloedingen en hebben als zodanig geen direct kosmische betekenis of werking. Daarnaast echter kennen wij cycli van 722 jaar. We kennen cycli van 21000 jaar. We kennen cycli van 144000 jaar. Deze zijn in het scheppend proces van groot belang. Zij bepalen heel vaak het ontstaan van een ster of het sterven van een ster. Zij brengen novae‑verschijnselen voort en zullen aan de andere kant soms instabiele sterren tot stabiliteit brengen.

De grote cyclus van 144000 jaar is verder wel eens genaamd “de paringstijd der sterren” en wel omdat juist bij het optreden van deze cyclus in een betrekkelijk korte periode een aantal sterren elkaar zeer dicht benaderen. Er treedt een baanverandering op, die niet uit de beweging van het melkwegstelsel zelf kan worden verklaard. Helaas is dit laatste astronomisch nog niet te bewijzen, omdat het eerstvolgende optreden van deze cyclus op het ogenblik nog ongeveer 25000 jaar ver ligt. Dus het ligt te lang in het verleden en te ver in de toekomst. Nu moet u goed begrijpen, dat juist deze grote cycli zeer sterk van buiten het zonnestelsel, ten dele van buiten het melkwegstelsel optreden.

De 722‑jaar‑cyclus kunt u in de geschiedenis terugvinden. Zij ligt niet in een herhaling van menselijke toestanden, maar wel in een herhaling van uiterlijke verschijnselen. De stoffelijke interpretatie en de beleving daarvan is een geheel andere, maar de uiterlijke verschijningsvorm is gelijk. Bijvoorbeeld: Een machtig vorst wordt gekroond. Zoekt u het na, u zult een cyclus vinden, die rond de 700 jaar ligt. Een machtig heerser begint een dictatoriaal tijdperk, grote veldtochten waaraan hij ten onder gaat. Kijkt u het maar eens na; de periode van 1500 jaar komt hier regelmatig voor (1544 om precies te zijn).

Het is duidelijk dat dergelijke ‑ zelfs in de historie terug te vinden ‑ verschijnselen voor ons een betekenis hebben in kosmische zin. Wij kunnen ze niet voorbijgaan met een schouderophalen en de opmerking: Ach, in onze tijd zullen deze verschijnselen wel niet optreden. Want zij beïnvloeden ons leven. De werkingen die dan tot een kenbare uiting komen zijn altijd ‑ zij het meestal indirect ‑ voor ons aanwezig. Zij beheersen verder niet alleen het stoffelijk terrein, maar ook de halfstoffelijke, o.a. astrale gebieden. Daarnaast brengen zij zeer grote reacties van denkvermogen, niet slechts van mensen, van geesten, maar ook van de grote belichaamden, dus de heersers van zonnen, van planeten. Begrijpelijkerwijze moet dat zijn weerslag hebben op de mens.

Nu kunnen wij spreken over het goddelijk schema. Dat is ongetwijfeld zeer schoon en wel zeer juist. Want wanneer een positieve kracht ontstaat aan het ene einde van deze kosmos, zo zal een daartegen gerichte kracht zijn ontwikkeling beginnen aan het andere einde van die kosmos. Maar voor u treedt eerst de een en dan de ander op, omdat ze als een langzame beweging zich voortzetten door de ruimte. Die beweging is overigens geen rechtlijnige maar een cirkelvormige, die uiteindelijk als een spiraal zijn middelpunt vindt ongeveer aan het middelpunt van het thans zgn. vliedend Al.

Hieraan zou ik dan graag de conclusies willen verbinden. In de eerste plaats: Een volmaaktheid is voor de mens niet te realiseren in een uiterlijke vorm. De wereld buiten hem wordt door deze grote, door mij enigszins aangeduide krachten zozeer bewogen, dat de volmaaktheid dáár door het miniem vermogen van de mens nooit gemanifesteerd kan worden. De enige weg tot volmaaktheid ligt in de mens zelf, waar hij alleen in de eigen persoonlijkheid aan dergelijke kosmische beïnvloedingen onttrokken is.

Ten tweede; Alle krachten uit het Al zullen een eigen geaardheid hebben. Indien wij nog niet tot volmaaktheid zijn gekomen, zullen zij door hun afwisselende werking vaak een correctieve invloed hebben. Zij beletten de mens te volmaakt te worden of terug te vallen tot te grote onvolmaaktheid. Zij zullen de mens stimuleren; maar wanneer een maximum aan stimulans bereikt is, zet een tegengerichte fase in ‑ de invloed van een andere persoonlijkheid. Slechts indien de mensheid in staat zou zijn het bereikte van de ene cyclus met zich te nemen als bezit en gelijktijdig de ontwikkeling van een volgende cyclus door te maken, zou de wereld op den duur ‑ althans in menselijke ogen ‑ de volmaaktheid dichterbij kunnen komen. Er zijn ook dan echter nog grenzen gesteld. De evenwichtigheid, die bereikt kan worden door de maximum‑stimulans van alle verschillende krachten echter, brengt een zekere gelijkmatigheid. Deze gelijkmatigheid lijkt mij ‑ althans voor de stoffelijke mens ‑ de hoogst bereikbare.

Ten derde: De grote persoonlijkheden, die rond ons in de kosmos bestaan mogen niet worden gezien als positief of negatief. Zij zijn zich ontwikkelende wezens. De bewoner die leeft in een sterrennevel, is uiteraard zeer krachtig. Hij is een veld, dat ‑ in zich besloten ‑ binnen zich de werveling van materie, hitte, sterren veroorzaakt, gelijktijdig echter naar buiten toe grote hoeveelheden kleinste delen uitstoot. De relatie waarin deze straling staat tot andere materie, die door deze straling beroerd wordt, bepaalt de werking. Dit betekent dat voor de aarde vele in feite goede werkingen kwaad zullen worden genoemd, omdat zij strijdig zijn met de geaardheid van het materiële bestaan, zoals dit aan de hand van de stoffelijke openbaring van de scheppende Wil in deze wereld tot stand kwam.

Het vierde en laatste punt: Indien wij kunnen beseffen welke de invloeden zijn, die ons van uit de kosmos veelal benaderen ‑ zelfs indien dit alleen de invloeden zijn voor dit ogenblik bestaande, dan zullen wij hierin reeds een mogelijkheid vinden om voor onszelf onberoerd te worden, (onberoerd te blijven beter gezegd) in elke straling die niet strookt met ons persoonlijk streven, waar wij in het “ik” kunnen terug vluchten voor elke stimulans die ons niet past. Mijn allereerste pogen zal dus gericht­ zijn op het omschrijven van de invloeden, die thans op deze wereld regeren. Ik zal zo vrij zijn daarbij elke astronomische en richtingaanduiding weg te laten, slechts sprekende over de krachten als de persoonlijkheden, die zij­ zelf zijn.

In de eerste plaats hebben wij op het ogenblik te maken met een zeer sterke invloed uit een thans eerst ontstaande nevel; d.w.z. een nevel die in zich een grote dichtheid en wervelingssnelheid heeft, maar wiens uitbreidingsquotiënt nog betrekkelijk gering is. Dit betekent dat wij te maken hebben met een stormachtige persoonlijkheid. Deze stormachtige persoonlijkheid zal niet alleen de mens beïnvloeden en de wereld, maar zal ook haar invloed wel degelijk doen gelden, op de sterren en zelfs op de stromingen van fijn verdeelde materie, zoals deze zich binnen het melkwegstelsel bewegen. De reactie hiervan is niet ongunstig te noemen, ‑ maar zij dwingt tot een grote verinnerlijking, tot een zich ontdoen a.h.w. van een te materiële beschouwing. Dit betekent dat de nadruk komt te liggen op astrale aspecten. De astrale wereld krijgt op het ogenblik een grotere toevoer van energie, een grotere hoeveelheid van stimulansen, dan de stoffelijke wereld.

Voor de mensheid betekent dit, dat zowel de goede als de kwade entiteiten, die in het astraal gebied bestaan, dus een steeds sterkere in­vloed zullen krijgen op het menselijk leven en dat de mens zich beter zal dienen te wapenen tegen inblazingen juist van dit astrale gebied. Ook zullen de zgn. schillen of schimfiguren ‑ in feite niet bezield en op­gebouwd door menselijke gedachten dan wel achtergelaten door geesten die hun vormbewustzijn op deze wereld verloren en dus a.h.w. overgingen naar een nieuw bestaan. ‑ een veel grotere houdbaarheid en een grotere kracht­reserve krijgen. De goden, die de mensen zich scheppen ‑ ook wanneer deze goden geen God heten, maar bv. systeem of ideaal ‑ krijgen dus een nadruk, die onevenredig is en een werking die de persoonlijke opvatting van de mens absoluut verdringt en overvleugelt. Hier is dus de enige mogelijkheid van de mens niet slechts te zoeken naar een stelling, een systeem of een ideaal, maar voortdurend te zoeken naar een persoonlijke rechtvaardiging. Eerst zo kan hij aan deze vaak zeer dwingende invloed ontkomen.

Wat betreft natuurverschijnselen betekent dit een fluctueren van activiteit van de zon. De zon zal afwisselend en waarschijnlijk met perioden van ongeveer 340 à 350 jaar iets in activiteit afnemen en dan weer in activiteit toenemen. Elke toename van activiteit gaat gepaard met grote explosies aan het zon-oppervlak. Voor de zonnegeesten is dit niet storend, voor de mens echter betekent het een reeks van elektrische en elektromagnetische verschijnselen, die bv. op het weertype, het klimaat een sterke invloed zullen uitoefenen.

Niet alleen met deze nieuwe en bijna chaotische invloed hebben wij echter te maken. Gelijktijdig bevindt zich ongeveer aan de andere zijde van het melkwegstelsel (beide zijn aan elkaar bijna diagonaal tegenovergesteld) een ander betrekkelijk oud nevelstelsel. Hierin is sprake van grotendeels gevormde zonnen en een ontwikkeling, die die van het melkwegstelsel slechts even ‑ maar ook maar zéér even ‑ benadert. Er is dus nog wel wat meer energie, maar hier is sprake van een stabilisatie die zich kenbaar heeft gemaakt in een zich uitbreiden van deze nevel, dus ook van de persoonlijkheid die in deze nevel woont. Zo goed als uw geest zich mee uit­breidt met het lichaam, doet ook een dergelijke geest dit.

Het gevolg is, dat wij van hier een stabiliserende, haast behoudzuchtige invloed krijgen, die op tweeërlei gebied merkbaar is. Op stoffelijk terrein doet zij zich kennen door een poging om alle oude processen ‑ en ik denk hierbij zowel aan levensprocessen als chemische processen met buitengewone vasthoudendheid te handhaven. Dit is stoffelijk gezien zeer gunstig, astraal gezien minder gunstig. Want een dergelijke invloed is niet in staat om astrale schrikbeelden en vormen, bv. door mensen opgebouwd, te vernietigen. Op geestelijk terrein is die stabiliserende invloed ook werkzaam. Zij zoekt naar een haven. Zij doet ons hunkeren naar een geborgenheid, die in deze straling van evenwichtigheid wordt gesuggereerd. Twee tegenstrijdige stromingen die op het ogenblik deze wereld sterk beroeren.

Een derde activiteit begint merkbaar te worden, maar is thans nog niet volledig kenbaar geworden. Deze komt niet voort uit een sterrennevel maar uit een zgn. duistere nevel. Dit duister mag niet worden vergeleken met geestelijke duisternis. Het slaat op de toestand van de materie, die daarin in een betrekkelijk grote dichtheid voorkomt, doch niet lichtend is, geen bolvormige‑ bindingen kent of wervelingen, die met sterren te vergelijken zouden zijn.

De straling die hier vandaan komt, is betrekkelijk hard en kan als zodanig mutatieprocessen veroorzaken op aarde. Genetische mutaties kunnen met betrekkelijk grote snelheid gaan plaatsvinden, zodra deze invloed de aarde meer in zijn ban krijgt. Voor de geestelijke gebieden is deze invloed op het ogenblik nog onbelangrijk, ofschoon hij door beïnvloeding van de voertuigen die belangrijkheid op de duur gewint. Verder zal zij op alle gasvormige lichamen en alle gasvormig wordende lichamen invloed uitoefenen. Dit betekent dat de atmosfeer van de zon (gloeiende gassen) maar ook de atmosfeer van de aarde zullen worden aangetast en veranderingen zullen ondergaan. Hiervan is weinig merkbaar. Toch is dit het begin van een vernieuwingsprincipe, dat zich op aarde uitdrukt. Wie op aarde leeft kan niet ontkomen aan deze beïnvloedingen. Men moet goed begrijpen dat dit een grens is, waarbinnen men zich beweegt. Men kan zich niet aan die invloed onttrekken, tenzij via de innerlijke weg en de innerlijke bewustwording.

De conclusie die wij hieraan kunnen verbinden, luidt bijna gelijk aan die wij zo-even reeds getrokken hebben, sterk beïnvloed door de grote persoonlijkheden die in de kosmos leven, in de wereld der mensen althans in grote lijnen gebonden aan vaste ontwikkelingen. Zij kan daaraan niet ontkomen. Slechts indien de Melkweg zich zou gaan verzetten tegen een dergelijke beïnvloeding, zou ook op aarde een grotere vrijheid ontstaan. Maar die vrijheid zou tevens resulteren in een chaotische toestand qua stofbinding, omdat een dergelijke energie een groot gedeelte van de bindende krachten van het molecule ‑ misschien zelfs van het atoom ‑ zou moeten richten op andere stralingen. Een dergelijke strijd is echter niet te verwachten. Wij mogen dus als enige weg voor de mens om te ontkomen aan deze beïnvloeding nogmaals uitdrukkelijk‑ noemen‑ de inkeer tot het “ik”.

Dit doet voor ons echter de vraag rijzen: Waarom is dat “ik” dan onaantastbaar voor dergelijke grote kosmische wezens? Het antwoord, hoe simpel het ook moge schijnen, heeft grote consequenties. Omdat wat de mens “ik” of ego noemt, ontdaan van zijn bekledingen en voertuiglijkheid, niet verwant is aan het heelal, waarin deze persoonlijkheden zich manifesteren en hun invloed uitoefenen.

Dit punt is zeer belangrijk. Ik heb hier letterlijk gezegd zij het met andere woorden dat de mens in zijn persoonlijkheid niet behoort tot dit heelal. Elke kosmische beïnvloeding is en blijft een uiterlijke beïnvloeding. De engelen en demonen, ja, de kleine goden en heersers die optreden, zijn uiterlijke invloeden. Er bestaan gezien vanuit een aards standpunt geen kosmische invloeden, die de persoonlijkheid in haar kern en wezen kunnen aantasten.

Het “ik” moet omschreven worden als een volkomen tijdloos weten. Tijdloos betekent: niet in feite onderworpen aan tijd. Nu hebben wij in de eerste les reeds aangestipt dat tijd niet kan worden gezien als een ononderbroken lijn. Zou men er een grafische voorstelling van willen maken, dan stelt men zich een stippellijn voor, waarbinnen met een andere kleur een tweede, een derde, misschien zelfs een vierde stippellijn zou kunnen worden getekend op het gelijke vlak, zonder dat de punten elkaar dekken. Wanneer wij niet behoren tot de tijd, dan behoren wij niet tot het verschijnsel. Het “ik” zelf, ontdaan van zijn realisatie van tijd, is een eeuwige, evenwichtige en harmonische kracht. Alle ervaren van deze harmonische kracht binnen de tijd wordt niet beheerst door de kern van het “ik” maar door de gebondenheid aan het verschijnsel tijd in enigerlei vorm,

Nu spreken wij wel eens over de band die bestaat tussen de kern van het menselijk wezen en God. Onmiddellijk stellen wij dan in dit feit: God is alle tijd. Alle tijd echter in alle in‑tijd‑bestaande werelden, die naast elkaar leven, heft zichzelf op, zodat de totale reeks van kosmische beïnvloedingen en verschijnselen in dit, uw heelal, onmiddellijk wordt opgeheven en tenietgedaan door werkingen van een ander heelal. Kunnen wij de werkingen van beide heelallen in onze persoonlijkheid ervaren, dan blussen zij elkander uit en zijn als niet‑bestaand. Zijn wij echter aan de werkingen van één heelal of van een ander heelal onderdanig, dan leven wij in een stoffelijke of geestelijke wereld, dan leven wij in een sfeer, dan is er een toestand van bewustzijn.

Nu blijkt echter dat het mogelijk is ‑ ook voor de mens ‑ om deze tijdsfactoren ten dele gezamenlijk te beleven. Een tweeledigheid van bestaan is mogelijk, zo nodig zelfs in de eigen wereld. Denkt u aan de zgn. doppelgänger, de tweeledige gestalte, opgebouwd uit een astraal voertuig met een bijna tot stoffelijke perfectie doorgevoerde verdichting. Wanneer dit mogelijk is alleen al op de eigen wereld (die verschijnselen zijn omschreven o.a. in onderzoekingen van de verschillende verenigingen tot parapsychologisch onderzoek), dan mogen wij hieruit wel concluderen, dat wat op aarde mogelijk is voor de geest zeker ook in andere werelden mogelijk is. De verveelvoudiging van eigen wezen is een verveelvoudiging van beleving. Maar juist deze verdeling en verveelvoudiging kunnen betekenen, een opheffing van de beleving der verschijnselen. Men kan een actieve en werkzame factor zijn in één of meer tijdswerelden, één of meer reeksen van kosmische krachten en beïnvloedingen, zonder daar zelf bij betrokken te zijn. Het is dit uiterst belangrijke punt dat ik uw aandacht met nadruk aanbeveel.

Wanneer wij verder spreken over kosmische beïnvloedingen, mogen we toch ook van uit menselijk standpunt de verschillende planeten niet verwaarlozen. Nu is door de astrologie reeds voldoende geschreven over die invloeden en het lijkt mij niet noodzakelijk hierover te veel uit te weiden. Het zij genoeg te zeggen dat elke planeet als reeds vooromschreven (dus ettelijke persoonlijkheden dragend), onderdanig is echter aan één “geest”, die deze gehele planeet met alle daarop bestaande entiteiten als een soort godheid regeert.

De in dit zonnestelsel bestaande persoonlijkheden zijn allen aan de zon onderdanig. De zon is de machtigste. Daarnaast hebben zij allen een eigen geaardheid, die loopt van de sombere Saturnusgeest van de blijmoedig zakelijke, kansspel‑bevorderende geest van Mercurius tot de vreemde in zich verdeelde geest van Aarde. De uitwisseling van invloed tussen deze persoonlijkheden is natuurlijk merkbaar in betrekkelijk kleine cycli. Maar wij hebben hier niet meer te maken met overweldigende krachten. Er kan hier wel sprake zijn van een dirigeren, waarbij dus een kracht gebruikt kan worden om een doel te bereiken. Er kan echter nooit sprake zijn van een absolute overheersing van planetaire krachten, indien men zich met geheel zijn wezen tegen deze invloeden en krachten zou verzetten.

Wanneer wij spreken over de planeetgeesten, dan moeten wij ook beseffen, dat zo goed als de aardgeest zijn volk, de mensheid, heeft voortgebracht, ook de andere Elohim in staat zijn geweest hun volk te scheppen. Wanneer deze ook misschien niet gelijktijdig ‑ volgens uw tijdsverschijnsel op de planeten bestaan, zo zal elke planeetgeest, die een zekere graad van ontwikkeling heeft, uit zich leven baren en dit leven passen in een schema dat uitdrukking geeft aan eigen geaardheid.

Belangwekkend is hierbij te zien, hoe de harmonische gesteldheid van geesten, die zich met de kosmos één gevoelen, een volkomen paradijswereld kunnen scheppen. Duidelijk is het voor de aardmens, dat bij hem het paradijs niet bestaat. Hieruit volgt dat er sprake moet zijn van een voortdurend conflict tussen de aardgeest en één of meer van zijn broeders en zusters binnen het zonnestelsel. Deze conflicten veroorzaken enerzijds de grote strijd, de ongelijkmatigheid van gebeuren in het menselijk leven. Anderzijds geven zij ons echter een grote mogelijkheid. De stofmens kan handelen als een klein kind, ook in dit opzicht. Want indien hij, zoals het kind, de verschillende ouders, ooms, tantes, opa’s en oma’s met een zekere diplomatie tegen elkaar aanspoelt en uitspeelt om zo te komen tot een verwerkelijking van het verlangde, zo kan ook de stofmens dit doen. Wordt dit juist gedaan en is het doel, een geestelijk doel, dan kan een gedeeltelijke onttrekking aan het tijdselement hiervan het gevolg zijn. Voordat ik deze lezing ga besluiten is er nog een laatste punt dat ik uw aandacht wil aanbevelen. Evenwichtigheid of een voortdurend zoeken naar evenwicht is noodzakelijk voor de Schepping als geheel en voor elk deel der schepping afzonderlijk. (Zie noot.) Hieruit volgt dat de grote kosmische invloeden op zekere punten in de kosmos elkaar opheffen en harmonisch zijn. Dit zijn kleine eilanden van stilte die door de ocea­nen der ruimte dwalen en soms een wereld beroeren. Het zijn juist deze ogenblikken die een bijzondere bezinning mogelijk maken. Zij worden ken­baar in een opbloei van filosofie, in een vrijheid van godsdienstige con­cepten, een veel grotere vrijheid ook in interpretatie van het stoffelijk aanvaardbare. Dergelijke tijden komen op de wereld niet met regelmaat te­rug, doch er kan gezegd worden dat gemiddeld per periode van 900 tot 1200 jaren een dergelijk rustpunt althans delen van de wereld beroert.

Niemand kan zeggen wanneer zo’n rustpunt u zal beroeren. De waar­schijnlijkheid is dat het westen en een deel van Azië, door een dergelijke rust zullen worden beroerd in de komende 10 jaren. Zou dit gebeuren, dan is er sprake van een nieuwe bloei voor de stoffelijke beschaving; voor de geestelijke beschaving in meer stoffelijke interpretatie. Gelijktijdig bete­kent een rustpunt echter voor de mens de mogelijkheid zich te ontworste­len aan de stoffelijke beperking en juist dankzij deze windstilte in de stormen van tijd en beïnvloeding uit de kosmos zich een ogenblik van zijn feitelijke en wezenlijke toestand bewust te worden.

Alle beïnvloedingen uit de kosmos behoren tot de waan. Zij zijn niet blijvend. Zij nemen slechts een zeer gering deel van ons aller bestaan in. Door ons dit te realiseren, ons de opbouw van de kosmos te realiseren als bestaande uit persoonlijkheden en te zoeken naar een punt, waar de invloed van deze persoonlijkheden zo gering is, dat wij ‑ ontsnappend uit de waan ‑ iets van de werkelijkheid ons kunnen realiseren, zullen wij als mens en geest iets kunnen beseffen van deze innerlijke wereld, die tijd­loos en evenwichtig is. Het absorberen van het harmonisch aspect, dat de kern van eigen wezen uitmaakt, betekent dan een verdere bevrijding van al wat menselijke waan betekenen kan.

Noot

Wanneer wij spreken over evenwicht, dan kan worden gesteld dat volledige harmonie gelijk is aan volledig evenwicht. Volledige harmonie is rust. Volledig evenwicht evenzeer. Wanneer de mens een volledig even­wicht bereikt, is dat een geestelijke onberoerdheid. Wanneer de kosmos een volledige harmonie, een volledig evenwicht bereikt, is dit het ophouden van elk verschijnsel.

Nu is bekend dat in de oude Hindoeleer wordt gesproken over de dag en de nacht van Brahma. De dag wordt gesteld te zijn de beweging van de wil, waardoor in een verstoring van evenwicht de schepping ontstaat. Daarnaast wordt gesteld dat de nacht van Brahma een zodanige bewustwording is, een zodanige evenwichtigheid, dat het verschijnsel ‑ ongeacht de kleine onevenwichtigheden ‑ versmelt in de grote harmonische kracht, die een kosmisch evenwicht tot stand brengt. Als zodanig mag dus de perfecte harmonie van de kosmos misschien vanuit God bestaan, maar in haar uiting kan zij alleen bestaan door de voortdurende onevenwichtigheid van het Zijnde, waarin een voortdurende correctie toch een volmaakt gemiddelde‑ gevende reeks van verschijnselen veroorzaakt, waarin God Zijn volmaaktheid behoudt, terwijl rond het volmaakt Goddelijke, de onevenwichtigheid van licht en duister een voortdurende aanvulling vormt. Hierbij denk ik o.m. aan het principe Yang en Yin, die beide als gestalte onevenwichtig zijnde tezamen de kosmische cirkel vormen, waarin het absolute evenwicht en de volmaaktheid kan worden uitgedrukt.

Ons streven naar harmonie is een zoeken naar evenwicht. Maar ook de kosmos streeft naar harmonie, want zij kent een voortdurende ontwikkeling en een voortdurende correctie. Hieruit kan worden geconcludeerd, enerzijds dat de mens in de algemene zin (met inbegrip dus ook tevens van geest en ziel) en de kosmos als directe uiting van het Goddelijke, beide streven naar een volledige harmonie en een volledige evenwichtigheid, waarbij de band met God onmiddellijk gerealiseerd is; terwijl anderzijds mag worden gesteld, dat ‑ zo dit punt bereikt is ‑ geen leven meer bestaat.

Van waarneming tot gedachte

Op het ogenblik, dat wij waarnemen, gebeurt er iets. Ergens van buitenaf bereikt ons een trilling, een straling die door onze zintuigen wordt opgevangen. Die zintuigen zetten dit om.

Neem bv. het oog. Hot oog wordt getroffen door een trilling van betrekkelijk hoge frequentie. Deze trilling wordt van het oogvocht omgezet, gecentraliseerd en gedirigeerd naar de oogzenuw. De oogzenuw zet haar om in een micro‑elektrische impuls die van een bepaalde zenuw­streng naar een zeker deel van de hersenen gaat. Daar worden door deze trilling ‑ deze stroom mogen wij beter zeggen ‑ een aantal cellen “ge­wekt”. Want zij hadden reeds soortgelijke indrukken. De waarneming wordt a.h.w. geschapen door vergelijking dan wel door ervaring.

De ervaring speelt een heel grote rol in het denken. Want wanneer wij komen voor een onbekend feit, een onbekende waarneming, waarvoor wij geen vergelijkingsmateriaal in onze hersenen bezitten, staan wij even perplex. Maar nu kan het mogelijk zijn dat meer indrukken gelijktijdig komen met deze nieuwe impuls. Bijvoorbeeld: Een kind ziet een verduistering van het oogvlak, hoort gelijktijdig een stem (dus geluid), wordt opgenomen (de tastzin) en krijgt de mogelijkheid om zich bv. te voeden. Het resultaat is een gevoel van tevredenheid en geborgenheid. Dit wordt dan met al de­ze indrukken geassocieerd. En daarbij spelen dan de sterkste rol de auditieve indruk, daaropvolgend de visuele indruk, daaropvolgend de tastzin. Hier is sprake van een automatisch spel. Het zijn de zenuwen die het doen, de impulsen komen in de hersenen, zij worden vastgelegd in eiwitcellen en wanneer er eenmaal vastgelegde impulsen zijn, vindt er een vergelijking plaats van de reeds aanwezige impulsen met de nieuwe impuls.

Maar daarmee zijn wij nog niet aan het denken. Want het denken is niet alleen maar automatisch. Wij kunnen heel goed de ogen sluiten en ons toch een beeld voor ogen stellen. Zo nauwkeurig zelfs, dat wanneer het oog het zou waarnemen, het niet juister zou zijn weergegeven. Mogen wij nu zeggen dat dit een kwestie is van intern mechanisch werken, dan blijft de vraag: Waar komt de oorspronkelijke impuls vandaan? Waar komt het punt vandaan dat de gedachte (dat is de samenhang) origineert?

Stoffelijk gezien is daarop geen antwoord te geven. Men kan hoogstens zeggen, wat men dan ook wel gedaan heeft: Aan de hand van verschillende drijfveren ontstaat een zekere interne spanning, die zich ontlaadt via het centraal‑zenuwstelsel op de hersenen en daar de meest gelijke hersencellen wekt, waardoor een reeks van prikkels ontstaat, die elk een eigen circuit aflopen (dus een aantal cellen achtereenvolgens beroeren) en zo een realisatie of een denkbeeld teweegbrengen. Maar dan zouden alle gedachten met het lichamelijke in verband moeten worden gebracht. Dat brengt ons dan in de buurt van de Freudiaanse theorieën die helaas niet allemaal juist zijn. Om te komen tot een verklaring van de gedachte, heb ik nog iets anders nodig.

Ik kan gaan spreken over het gevoelsleven. Nu is gevoelsleven eigenaardig genoeg niet alleen maar een kwestie van zintuiglijke prikkeling, noch van voorstelling. Het is een reactie op ongeziene waarden. Mijn gevoelsleven kan mij ertoe brengen om zuiver zintuiglijke prikkels eenvoudig te verloochenen of zodanig om te vormen, dat mijn gedachte slechts indirect nog samenhang vertoont met de werkelijk ontvangen prikkel. Het grote bezwaar is dus wel, dat wij voor het gevoel een verklaring moeten vinden en dat dit gevoel niet alleen uit het lichamelijke verklaarbaar is. Wij moeten daarom andere waarden daarbij gaan betrekken. En dan grijpen wij onwillekeurig ineens naar de geest of naar de ziel.

Indien wij aannemen dat de geest bestaat als een bewustzijn, dan moet echter ook daarvoor precies hetzelfde gelden als voor de hersenen. Want ook hier worden herinneringen als impulsen opgeslagen en vergeleken bij nieuwe impulsen, zodat op de duur een groter aantal variaties van impuls mogelijk is, een nauwkeuriger onderscheid en dus een beter kennen. Maar verder gaat het niet. De geest alleen kunnen wij niet aansprakelijk stellen voor het totaal van denkreacties die plaatsvinden. Dan blijft ons alleen de ziel.

Wat is de ziel? Een kracht. Ja, daarmee zeggen wij niet veel. Wat voor een kracht? Wij zeggen: een goddelijke kracht. Dan weten wij nog niets. Maar als ik nu eens aanneem, dat deze goddelijke kracht vergeleken kan worden met bv. een piano met heel veel snaren, dan zal elke snaar, aangeslagen, alles wat gelijk is afgestemd, doen meetrillen.

Wat is nu hetgeen in de ziel een bepaalde snaar beroert? Dat is de eigen relatie t.o.v. de kosmos. Er is maar één werkelijk denkende en actieve kracht ‑ zo vreemd als het klinkt ‑ en dat is God. God is de feitelijke bron van de gedachte. Wij staan tot God in een bepaalde ver­houding, een bepaalde relatie. Deze relatie wordt uitgedrukt door het aantal impulsen, dat wij in de ziel opvangen en tevens uitdrukken in on­ze lagere voertuigen.

Nu ontvang ik uit God natuurlijk speciaal die impulsen, waarvoor ik gepredisponeerd ben; m.a.w. waarvoor ik de grootste mogelijkheden heb. Alles wat in de kosmos is, beweegt voortdurend in de kern van mijn wezen. Het totaal Goddelijke wordt in mijn ziel voortdurend geuit, maar mijn ervaring stelt mij niet in staat al deze waarden op te vangen. Wanneer ik echter zo ver ben gekomen in mijn onderscheiden van deze trillingen, dat het bewustzijn kan meetrillen in de geest, dan ontstaat in de geest een soort van beeld, invloed.

Nu is de geest in zichzelf een in zichzelf besloten veld, waarin varianten van kracht mogelijk zijn en t.o.v. een voortdurende flux veroorzaken, zodat uit deze flux een reeks van afzonderlijke impulsen zich voordoen, die door het geheel weer kunnen worden onderscheiden waar zij de evenwichtigheid van het geheel beïnvloeden. (Dat spreukje moet u nog maar eens overwegen).

Wanneer ik die verstoring op de juiste wijze teweegbreng, krijg ik een reactie. Deze reactie wordt via de verbinding met de stof ook op de stof afgedrukt. Een groot gedeelte van die impulsen, die wel in de geest ontvangen worden, kunnen in de stof niet worden uitgedrukt. Wij hebben dan niet gedachten maar … onbestemde gevoelens. Maar soms hebben wij, wat wij kunnen noemen: bestemde of bepaalde gevoelens. Er is iets in ons, dat zegt: “Dat is goed, dat is aanvaardbaar.” Toch hangt het niet samen met stoffelijke of lichamelijke zaken. Sommige mensen noemen dat geweten, anderen noemen het misschien het ego. Wanneer dit ego nu eenmaal de ontvangen impulsen in het lichaam begint te reguleren, wordt hierdoor het aantal mogelijke combinaties in de hersenen beperkt en bepaald.

Stel u een schakelbord voor. Een oneindig groot schakelbord met honderdduizenden combinatiemogelijkheden, dat echter per groep van bv. 1000, beheerst wordt door een schakelaar. Dan is deze schakelaar die van de geest. Daarboven zit weer een groepering, die elke 10 groepen van duizend beheerst, dat is de ziel. Wanneer de impuls nog niet aanwezig is beneden, kan men daarboven wel schakelen, maar men krijgt beneden geen werking. Het relais functioneert niet. Is echter de totale verbinding in orde, dan krijgen wij dit: Boven wordt een groep van 10 opengegooid. Deze groep van 10 is afgestemd: d.w.z. dat niet elk relais op dezelfde trilling of intensiteit reageert. Zij zijn selectief. Daardoor wordt een bepaalde groepering ingeschakeld van het lichaam. Nu zijn er dus 100.000 mogelijkheden in het lichaam, maar slechts.10.000 reageren op dit ogenblik. Deze 10.000 beperken alle ervarings‑ en herinneringsmogelijkheden.

Wanneer nu een visuele indruk komt, opgebouwd uit laten wij zeggen ongeveer 5 tot 10.000 aparte waarnemingen, die gezamenlijk een beeld kunnen projecteren, dan komen die terecht bij de hersencellen. Die hersencellen zouden elke trilling kunnen herkennen. Maar er is een gedeelte kortgesloten. Die schakelaar staat niet in. Dan blijft dus deze impuls in het openstaande gedeelte circuleren en veroorzaakt daarin één denken, d.w.z. een reactie van vergelijkingen, waardoor een innerlijk beeld kan worden opgebouwd. Dit innerlijk beeld is in feite een herbeleven van vroegere waarden, dan wel het beleven van een combinatie van waarden, die voor het “ik” een lichamelijke of zuivere zielsbetekenis hebben. Geen geestelijke en geen mentale. Ik bouw dus in mijzelf a.h.w. beelden na.

Wat u een gedachte noemt, zult u meestal in woorden proberen uit te drukken. Dat komt, omdat u gewend bent door spreken en luisteren mee te delen en redelijk van mening te wisselen met anderen. Maar wat u opbouwt is niet alleen het beeld van een woord. U bouwt een hele wereld op. Elke gedachte is in de hersenen een totale reproductie. Wanneer u zich een zonsondergang herinnert en zegt: “Deze is minder mooi,” dan bouwt u dus twee beelden op of twee negatieven, u schuift ze over elkaar en u constateert bovendien de verschillen.

Het denken is dus het bouwen van een wereldbeeld. Dit wereldbeeld bestaat uit elektronische of elektrische werkingen. Zeer minuscule stromen met ontzettend veel bijverschijnselen, die eerder magnetisch zijn dan elektrisch, alles tot uw dienst, maar het zijn beelden. Deze beelden zijn selectief volgens de groepen.

Van elk beeld wordt de reactie naar boven toe gestuurd. Wanneer die reactie de ziel bereikt, betekent dit, dat die ziel daarmee gepredisponeerd is voor de ontvangst van bepaalde trillingen uit het kosmische, uit het Goddelijke. Zo speelt zich de gedachtewerking.

Nu zult u zeggen: “Hoe komt het dan, dat ik bv. luisterend uit vele verschillende trillingen een woord maak?” Dat komt, omdat deze reeks van trillingen door gewoonte, let wel ‑ door gewenning dus – geïdentificeerd wordt met een beeld. Elk woord is voor u een beeld, een bepaalde begripsinhoud. Van die begripsinhoud heeft u een voorstelling. Ook de absoluut abstracte woorden als geloof, hoop en liefde bv. geven­ voor u een beeld. Vaak is dit beeld zelfs een totale wereldvoorstelling. Een heel leven. U realiseert zich dat niet. Maar aan de hand van deze voorstelling reageert u en deze reactie bepaalt uw stoffelijk denken.

U zult vragen: “Hoe komen we dan aan logica, aan rede?” In de eerste plaats: Het in de geest reeds aanwezige ervaren bepaalt mede de se­lectie. Het in de geest aanwezige ervaren bepaalt verder de wisselwer­king die bestaat tussen stof en geest en ziel ‑ en wederkerig. Het we­ten in de geest – gevormd van den beginne af ‑ geeft een zo rijke onder­scheidingsmogelijkheid, dat hiermee elke cel desnoods afzonderlijk ge­controleerd zou kunnen worden. Wanneer ik spreek over “groepen” dan doe ik dit om het beeld te vereenvoudigen.

Elke stimulans die een beeld vormt, wekt in de geest een reeks van ervaringen (dus vergelijkingen) plus ‑ voor de meesten ‑ een afstem­ming op bepaalde waarden in de kosmos. Deze waarde uit de kosmos komt terug, bepaalt a.h.w. het antwoord van de geest, dus welke mogelijkhe­den zij volgen kan; gelijktijdig zal de ervaring van de geest bepalen, op welke wijze de vergelijking van waarden in de hersenen kan plaatsvinden. Het resultaat is, dat geen enkel redelijk denken werkelijk redelijk is, maar dat elk redelijk denken voor tenminste 40 à 50% door zgn. gevoels­waarden ofwel geestelijke impulsen wordt bepaald; terwijl de logica in feite een beperking is van de gevoelswereld, zoals die door het denken tot stand is gekomen.

Wanneer dan een impuls ons bereikt (een prikkeling) en wij moeten hem tot gedachte maken, dan kunnen wij het ons het best zo voorstellen: Elke prikkel, die ons van buitenaf bereikt en elke reeks van prikkels, wekt in ons een beeld. In ons ontstaat een wereld. De variaties van die wereld zijn reeds vastgelegd. Wij beschouwen dus wat van buiten komt te­gen iets wat wij van binnen reeds hebben en wat wij nu naar voren halen. Ongeveer alsof u een foto zou willen nemen en nu een beeld van de wer­kelijkheid bv. op de televisie neemt en daar een negatief van de foto oplegt en dan zegt: Waar ligt het verschil?” Dit erkennen van verschil­len is de gedachtestroom die de geest krijgt.

Het kennen van deze verschillen maakt een vergelijking mogelijk met andere waarden, waarin gelijksoortige verschillen optreden. Je kunt bv. zeggen dat drie min twee een is. Maar zes min vijf is ook een, enz. Wanneer wij nu komen op de impuls drie en de ervaring zegt: Maar dit gelijkt op twee, één is de uitkomst, dan wordt daarmee gewekt elke andere aanwezige combinatie van impulsen, dus van naast elkaar gelegen impulsen, die dezelfde uitkomst geven. Zo ontstaat de associatie.

De associatie vormt het beeld, het beeld wordt beperkt in zijn mo­gelijkheden van vorming door de kracht van de geest, die een deel van het gevormde beeld eenvoudig uitschakelt (dus de werking daarvan absor­beert), zodat wat overblijft in het stoffelijk denken blijft voortgaan en de uiteindelijke stoffelijke reactie of de redelijke werkingen bepaalt. En daarmee heb ik dan geprobeerd kort een klein beetje hierover iets te vertellen. Ik ben mij ervan bewust, dat het natuurlijk niet geheel volledig is. Commentaar?

Het lijkt me een heel interessante uiteenzetting, maar als ik het goed begrijp, is voor deze hele werking kortweg gezegd een verbinding met de ziel nodig.

Inderdaad. Maar wij kunnen dit nog gemakkelijker zeggen: Er is geen leven zonder ziel mogelijk. Met andere woorden: de ziel is de levenskracht en wel de kern, die de levenskracht bijeenhoudt. De levenskracht is rond ons verdeeld. Maar je hebt een nucleus nodig, een kern. Onze vriend zou zeggen: Het is als de nucleus van een atoom, waar rondom de levenskracht zich kan verzamelen en zo de nodige spanningen kan geven, die voor de groei van een cel e.d. nodig zijn. Want ook celdeling kan slechts gaan, niet alleen bij een vergroting van massa, maar ook bij een vergroting van energie. Eerst daardoor is celdeling mogelijk; dan kan pas een multiplicatie plaatsvinden, enz. enz. Dus ziel is noodzakelijk.

Geest is een beperking van het totaal der waarden die in de ziel kunnen worden gewekt of voortdurend zijn gewekt door het Goddelijke. De beperking van de geest bepaalt weer welke limiteringen aan de stoffelijke reacties worden opgelegd en daardoor wordt het stoffelijk denken a.h.w. grotendeels geestelijk bepaald.

De omgeving en de ervaringen uit de omgeving dwingen de mens echter om zich voor dit voorbijgaan van het totaal der mogelijkheden blind te houden. Hij ziet het eenvoudig niet. Deze blindheid kan natuurlijk verder gaan dan normaal en dan krijgen wij wat wij aberraties noemen, als woordblindheid e.d. Maar de doorsneemens is voor een bepaald deel van zijn leven en zijn ervaringen (de ontvangen prikkels van buitenaf) absoluut blind.

Wanneer hij over een zekere beheersing van zijn denkvermogen beschikt, meestal doordat hij de geestelijke kracht daarin sterker dan normaal laat werken volgens impulsen uit de stof eerst aan de geest gegeven, kan hij zelfs heel veel uitschakelen. Hij kan zich ongevoelig maken voor pijn; het uitschakelen van een groot gedeelte van de tast­zin dus. Hij kan zich doof maken; dat doen heel veel mensen wanneer zij bv. lezen. Door concentratie schakelen zij het gehoor uit. U kunt uzelf tijdelijk blind maken, zodat u wel beelden krijgt op het netvlies, maar niet reageert op hetgeen die beelden eigenlijk aan de hersenen zouden willen vertellen. U kunt werkelijk hele delen van uw zintuigen uitschakelen. Daarvoor is nodig een zekere innerlijke spanning.

Deze innerlijke spanning kan alleen ontstaan, wanneer een zodanige gebondenheid met een bepaalde geestelijke waarde plaatsvindt, dat hier door een kortsluiting van een deel van de hersenen automatisch volgt.