Inwijding (16-2-1970)

16 februari 1970

Wij hebben vanavond een zeer moeilijk onderwerp, tenminste voor mij als inleider. Degene met wie wij vanavond als gast te maken hebben, is iemand, die zich bezighoudt met de inwijding. En wanneer iemand een lange tijd van geestelijk bestaan aan inwijdingen en de inwijdingsgedachte heeft gespendeerd, wordt voor hem uiteraard de inwijding iets bijzonder belangrijk en naar ik vrees ook vaak iets exclusiefs. Nu moet ik daartegenover als een soort advocaat van de duivel vertellen, waarom inwijding niet exclusief is. En ik moet u proberen duidelijk te maken wat inwijding kan betekenen, in de hoop dat u deze spreker juister zult begrijpen en minder uw eigen interpretatie zult verbinden aan dingen die hij zegt uit een achtergrond die u misschien anders niet zou kennen.

Inwijding is een zeer weidse naam, die eigenlijk is voortgekomen uit priesterkasten en scholen. Langzaam maar zeker heeft dit begrip zich uitgebreid en zijn wij terechtgekomen bij de geestelijke inwijding – deze is ongeveer 5000 jaar oud – en die geestelijke inwijding was eigenlijk een begripsvergroting. Wat u verstaat onder inwijding zou eigenlijk betekenen een verhoging in rang. Zo beschouwen de meeste mensen het. In feite is dit niet waar. Het is alleen verruiming van je eigen ervaring en daardoor een verdere ontwikkeling van je persoonlijkheid. Je kunt méér aan. Onze gast vanavond heeft geleefd in een tijd dat bepaalde magische geheimen in de inwijding werden medegedeeld. Dat is al lang niet meer zo. In zijn tijd was het belangrijk dat de mens geconfronteerd werd met wetten, die de mensen nog niet kenden, met geestelijke krachten, die men veelal verkeerd interpreteerde, met de werkelijke betekenis van een godenleer. Met de werkelijke betekenis van een leven na de dood en al wat daaraan verbonden was.

Het is dus begrijpelijk dat een dergelijke spreker niet de inwijding ziet als een continu proces. Hij ziet het niet als de voortdurende groei van de persoonlijkheid, maar eerder als een schoksgewijs ontwaken in een nieuwe wereld en een nieuwe mogelijkheid. Daar komt verder nog bij dat men in zijn tijd inwijdingen in graden verdeelde. Een graad van inwijding is eigenlijk het constitutionaliseren van het inwijdingsbegrip. Je gaat er dus een soort wetmatigheid aan verbinden, je gaat er een hiërarchie in opbouwen en ook dat is niet juist, omdat een inwijding voor de ene mens iets heel anders betekent dan voor de ander. Wanneer u een inwijding ondergaat, dan kan die inwijding liggen op een niveau, waarbij u bv. geestelijke waarden buitengewoon helder en klaar gaat zien, terwijl u met materiële waarden helemaal nog niet uit de voeten kunt. Terwijl een ander met schijnbaar dezelfde inwijding en z.g. eenzelfde graad, een magiër, een chemicus of een geneesheer kan worden, omdat hij een nieuw inzicht krijgt in de materie.

U ziet hoe moeilijk het is om dit graden systeem te hanteren. Je zou op dezelfde manier kunnen gaan zeggen: een ingenieur, een dokter en advocaat behoren tot dezelfde graad van inwijding. Dezelfde sociale staat, maar dat betekent nog niet dat de ingenieur datgene kan doen, wat de advocaat doet of wat de dokter doet.

Daarom gaan wij dus bij het begrip inwijding van iets heel anders uit en wij spreken van geestelijke ontwikkeling en karakterontwikkeling. In deze tijd, de aanlooptijd van Aquarius, is de algemene mogelijkheid tot inwijding aanmerkelijk groter geworden dan tot nu toe het geval was. Men heeft lange tijd gewerkt met overdracht. D.w.z. dat inwijdingen, dus geestelijke scholingen, gegeven werden aan geselecteerde persoonlijkheden. Daarna is men begonnen met genootschappen en groepen, die eigenlijk als een soort selectieveld dienden. Om u een paar voorbeelden te geven: In de vrijmetselarij wordt de mogelijkheid gegeven tot een zekere graad van begrip te komen. Iemand, die die graad bereikt, moet verdergaan. Blijft hij stilstaan in de maçonnerie, dan komt hij niet verder. Blijkt die wil tot verdergaan aanwezig, dan komt hij in contact met bronnen, waardoor zijn eigen denken wordt verruimd. Die verruiming van dat denken betekent een inwijding en zo kan hij op een gegeven ogenblik de geestelijke krachten, die de aarde bewegen, leren kennen. In de Rozenkruisersleer hebben wij ongeveer hetzelfde. Rozenkruisers streven met allerlei lerinkjes en scholinkjes naar een inwijding, naar een graad in hun gemeenschap. Maar pas wanneer zij komen tot een reëel innerlijk beleven, een werkelijk begrip voor wat men de magische inhoud van de wereld zou hunnen noemen, komen ze op het punt, waarop zij moeten gaan beslissen. En dan is het de vraag: blijven ze hangen in het systeem – dan worden zij de pseudo-ingewijden, die veel anderen lering geven – of maken ze zich los en denken ze verder. Willen ze verdergaan, zeggen ze: ik kom hier niet uit, dit gaat mij niet ver genoeg, dan worden er op hun weg nieuwe mogelijkheden gebracht en dan komen ze – zoals dat in Rozenkruiserstaal heet – terecht bij het verborgen priesterrijk, een groepering van mensen, die helemaal geen priesters zijn, maar die weer de contacten met allerlei grotere en kleinere geestelijke krachten tot stand hebben gebracht. En vandaaruit moet je verdergaan.

De mogelijkheid om ingewijd te worden, is in deze tijd veel groter, omdat ze los is gaan staan van de organisatie. Voor ons in de Orde is dat erg prettig, omdat we zo’n beetje het gevoel hebben, dat wij gelijk hebben gehad met altijd maar weer te werken naar een algemene erkenning en niet naar een systeem.

Wij hebben natuurlijk ook een systeem, maar dat systeem is niet gericht op het verkondigen van één bepaalde waarheid, maar op het verschaffen van inzicht in de mogelijkheden, die de waarheid zelve heeft, zodat eenieder zijn eigen weg kan vinden. En deze moderne inwijding is dus eigenlijk een reeks van belevingen, die je doormaakt. In het begin weet je meestal zelf niet dat het een beproeving, een inwijding is. Later word je misschien iets handiger en ga je denken: deze reeks van problemen – want het zijn in feite problemen, die je moet oplossen voor jezelf en vanuit jezelf – die zouden weleens een inwijding kunnen zijn. En op die manier kom je stapje voor stapje verder, totdat je je eigen kwaliteiten hebt ontwikkeld op een manier, die kosmisch is, d.w.z. dat ze niet beperkt blijft alleen tot de eigen wereld, maar dat je daarbij geestelijk op aarde werkzaam kunt zijn, contacten kunt maken in de sferen en al wat daarbij komt.

Hoe de uitwerking is, is een zuiver persoonlijke zaak. De ene mens krijgt een nieuw inzicht in de atoomchemie en de ander krijgt een totaal nieuw filosofisch concept van de maatschappij en weer een derde krijgt een grote geestelijke beleving, die hij eigenlijk niet uit kan drukken, maar die door zijn wezen en zijn persoonlijkheid op de aarde gaat afstralen.

Deze inwijdingen zijn op het ogenblik erg belangrijk geworden, want u zit in een wereld, waar bij een toenemende wereldbevolking, een toenemend verschil tussen arm en rijk, de gemeenschap moet groeien naar een nieuw geestelijk concept. Dat concept kun je m.i. niet bereiken wanneer er een paar mensen ingewijd worden volgens een systeem. Je kunt het ook niet bereiken, wanneer je enkelingen inzage geeft van oude waarheden en oude wijsheden. Want die dingen zijn wel belangrijk, maar ze passen niet helemaal meer in het concept van deze wereld.

De inwijding van vandaag omvat dus heel iets anders dan de inwijding van het verleden, omdat de wereld, die de inwijding moet hebben in de gemeenschap, eveneens een andere is. Er komen andere facetten naar voren. En om een weer dingen te noemen: de inwijding, die in deze tijd eigenlijk zonder organisatie bereikbaar is voor de mensen, moet hen brengen tot een werkelijk concept van vrijheid. De meeste mensen zitten een klein beetje opgesloten in hun maatschappelijke hokje, daar moeten zij uitbreken. We moeten groeien naar een andere moraliteit, een nieuw zedelijk besef en dat is ook weer begrijpelijk. Want op het ogenblik is eigenlijk moraal, zedelijkheid, het verlengstuk van wat je de politieke orde zou kunnen noemen. En toch is er behoefte aan eens andere vorm van leven en van denken. Deze andere vormen van leven en van denken moeten volgens mij voortkomen uit de ingewijden.

Het zal u duidelijk zijn dat ik het werk dat onze gastspreker doet, dus wel buitengewoon hoog aansla. Maar daar staat iets tegenover. Ik meen dat hij met zijn benadering uit het systematisch groeien naar een geestelijke orde, ergens de algemeenheid van mogelijkheden over het hoofd ziet. Maar de tijd dat je in tempels samenkwam, dat er verborgen tempels met verborgen boeken waren, is voorbij. De tijd dat een mens, om inwijding te vinden, ergens de eenzaamheid introk; misschien een totaal vreemd werelddeel doorkruiste, totdat hij het ogenblik vond, waarop een meester of een kracht hem verder bracht, is voorbij. Er is op deze wereld niet voldoende stilte meer en zelfs het verdedigen van de vesting van de Witte Broederschap in de Andes vraagt heel wat meer dan u misschien zou denken. Een isolement is niet meer te vinden voor geestelijke zaken. Dit betekent dus dat onze vriend is voortgekomen uit een groep die totaal anders denkt over inwijding, zonder dat men met het begrip inwijding als iets verschillend van onze opvatting zou willen uitdrukken. Over het begrip inwijding zijn wij het uiteindelijk wel eens. En wanneer het gaat om de gedachtegang, ben ik ervan overtuigd dat onze gastspreker het zelfs meer bewust zou kunnen uitdrukken dan ik doe. Maar hij formuleert het uit de oudheid. En de tegenstelling tussen de beperkte, op persoonlijke overleveringen, op overdracht gebaseerde inwijding en de nu vanuit een gemeenschappelijk bewustzijn in de wereld en in de geest op individuen afgedrukte inwijding is zó groot, dat wij dus moeten uitkijken. Want wanneer u gaat aannemen dat wat hij u vertelt over geheime geschriften en geheime tempels of geheime krachten, vandaag nog precies zo geldt als in de tijd dat hij over deze dingen dacht en dat hij er mee werkte, dan maakt u een fout en dan gaat u dingen zien en veronderstellen, die er niet zijn.

U ziet: ik heb zelfs een soort apologie ingebouwd voor het geval dat anders weer iemand boos op mij zou worden. Maar ondanks die apologie moeten wij begrijpen dat de inwijding in elk deel van de wereld op het ogenblik een andere is. Wanneer ik denk aan Afrika, dan spijt het mij heel erg dat ik die inwijding niet kan zien vanuit de Moslims of het Christendom, of vanuit westerse beschaving of misschien de communistische denkwijze. Deze zijn daar nl. niet geschikt voor. Ik meen dat de werkelijke inwijding voor Afrika weer zal voortkomen uit de groene magie, d.w.z. uit de magische achtergronden, die praktisch alle gekleurde volkeren hebben en die in Afrika nog bijzonder sterk pleegt te leven.

Zo meen ik ook dat in India – Azië de nieuwe inwijding niet voort kan komen uit de bestaande denkbeelden. Er zijn pogingen in die richting gedaan en het resultaat was bv. de Bao Dai, een religieuze richting, die zeker wel dicht bij de waarheid zat, maar die weer een kerkje; een systeem werd. En in de inwijding van deze tijd moeten wij juist het systeem in de kerk verwerpen, omdat deze maatschappelijke machtsmiddelen zijn geworden, die in feite de bewustwording en de ontwikkeling tegengaan. Een kerk is er nu eenmaal om zijn gelovigen dom te houden en zo zijn eigen macht en rijkdom te beschermen. En een andere groepering, een politieke groepering bv., probeert eigenlijk ook zoveel mogelijk mensen mee te krijgen en in feite zo weinig mogelijk te zeggen wat ze doen. Dat weten we allemaal en daarom kunnen wij geen inwijding in een systeem, in een hiërarchie, hebben. Want wanneer een dergelijke hiërarchie ontstaat en er is er maar één bij, die verkeerd gaat, dan wordt naar buiten toe die hiërarchie gebruikt als machtsmiddel. En macht is het meest gevaarlijke wat er op het ogenblik op de wereld bestaat.

De mens heeft de behoefte zichzelf te uiten, te manifesteren, zijn belangrijkheid te bewijzen enz. En zolang dat zuiver menselijke eigenschappen blijven, behoort het geheel tot het menselijke gedragspatroon en behoeven wij er ons niet druk over te maken. Maar op het ogenblik dat het een methode wordt van stand- en massabeheersing, dan kunnen wij het er niet meer mee eens zijn. Dan worden er grenzen doorgetrokken i.p.v. dat ze erdoor verwijderd worden.

En zo moeten wij de moderne inwijding dus zien als een innerlijke groei, een groei, die eigenlijk niet eens van woorden afhankelijk is en waarvan we ook niet al te veel mirakelen moeten verwachten. Het is een erkenning, waardoor de persoonlijkheid zo groot wordt dat ze niet alleen de grenzen van het nu bestaande verwerpt, maar dat ze daarvoor in de plaats een gerichtheid kan stellen, die ook bij het niet aanwezig zijn van grenzen in staat is om de mensen te helpen zichzelf te blijven. Gemakkelijk genoeg om te zeggen: mensen laten wij er maar een potje van maken, gooi alle grenzen maar weg en doe wat je wilt, maar daarmee is de mens niet geholpen, zolang dit “je doet wat je wilt” niet gebaseerd is op een volledige erkenning van geestelijke en materiele wereld.

De achtergronden van de inwijding zijn op dit moment wel totaal veranderd. En ik voorzie zelfs nog verdere veranderingen in dit opzicht. Want nu is deze inwijding nog betrekkelijk beperkt. Ze is mede gebaseerd o.m. op het eventueel geboren worden van een aantal ingewijden. Wij kunnen dat allemaal niet zo heel precies overzien. Wij weten wel wat wij zouden willen, maar wij kunnen het niet helemaal overzien, maar aan de andere kant, wanneer die ingewijden er eenmaal zijn, wanneer er op aarde inderdaad – zoals het plan is – in de komende 50 jaar een stuk of 100 tot 120 meesters werkzaam zijn, waarbij waarschijnlijk verschillende, die gerekend kunnen worden tot de wereldmeesters, al zijn ze gezien de tijd er misschien niet helemaal voor bestemd, dan hebben wij hiermede de mogelijkheid om het totaal van het menselijk bewustzijn een nieuwe inhoud te geven. Het bewustzijn van de mensen bestaat voor een deel – en voor de meeste mensen is dat deel 1/5 – uit invloeden, die uit een gemeenschappelijk bovenbewustzijn voortkomen of om het anders te zeggen: uit de door de menselijke gedachten gevormde uitstraling van de totale mensheid. Wanneer je daarin enkele positieve elementen met grote kracht en voortdurend kunt manifesteren gedurende één à twee generaties, zal een vijfde van elke mens beïnvloed worden in de richting van een nieuw levensconcept en nieuw concept van bestemming, van beleving. En dat kan heel erg belangrijk worden.

Ik denk dat wij over een 50 tot 100 jaar te maken krijgen met massale, spontane inwijdingen, die niet meer door geesten behoeven te worden geleid, maar die eigenlijk een soort autogenesis vanuit het totaal bewustzijn inhouden. Een zichzelf voortbrengen in de mens door zijn deelhebben aan een gemeenschappelijk bewustzijn. En wanneer dat bereikt is, zal de totale tendens van het Aquariustijdperk veel gemakkelijker verwezenlijkt kunnen worden. Dan zullen de stellingen en de denkwijzen van de laatste wereldleraar en wereldmeester een totaal nieuwe betekenis kunnen krijgen, dan worden ze verbreid, niet als een godsdienst, maar doodgewoon als een levensbesef, een levensleer. En dat hebben wij hard nodig.

Onze gast van vanavond is een betrekkelijk oude heer, als ik het zo mag zeggen. Niet in gestalte en uiterlijk, maar toch zeker wel in bewustzijn en ook wat betreft zijn laatste stoffelijk leven. Hij heeft een periode gehad, zo ongeveer een jaar of 70 geleden, dat hij zich materialiseerde en gematerialiseerd manifesteerde, daarna heeft hij zich teruggetrokken. U kunt dus zeggen, dat hij een jaar of 60 alleen vanuit de geest actief is geweest. Vóór die tijd heeft hij deelgehad aan bepaalde Aziatische inwijdingen, hij heeft bv. bijgedragen tot wat wij de Himalaya of Karakorum-inwijdingen noemen. Hij heeft veel te maken gehad met de tempel van Anktar en wanneer wij nog verder teruggaan, vinden wij hem als een leermeester in de vroege Hindoe-periode, waar hij dus ook zeer belangrijk is geweest. Wij kunnen hem natuurlijk wel verder terug volgen, maar dat heeft geen zin. Deze laatste punten bepalen hem.

Hij komt dus voort, in zijn laatste leven op aarde, uit een maatschappij in kleine rijkjes en kleine belangengroepen verdeeld, waar de geestelijke bewustwording eigenlijk buiten de mensheid staat en inwijdingsprocessen, bewustwordingsprocessen zich eigenlijk buiten de menigte voltrekken. De mensen reizen de wildernis in, ontmoeten daar de één of ander, leren ervan en verdwijnen weer; gaan verder. Maken kennis met 4 of 5 verschillende systemen. Ze worden zich tenslotte bewust, ze komen in contact met de echte ingewijden, worden langzaam van adeptus-minor tot adeptus-major en wanneer ze dat zijn, trekken ze zich terug, ze incarneren misschien nog eens een enkele keer in één of ander klooster om daar wat leringen te geven, maar voor de rest houden ze zich bezig op het niveau van geesten, grote beïnvloedende geesten, leidinggevende geesten.

De laatste periode was zeker meer verbonden met de mensheid. Het was de tijd, dat de stoommachine al overal werd gebruikt, dat de eerste auto’s reden, het begin van de technische explosie van de twintigste eeuw. Maar in deze tijd behoort hij nog steeds tot de oude inwijders. D.w.z. dat hij nog steeds hen ontving, die in eenzaamheid via verschillende stations met een voldoende bewustzijn het punt bereikte, waarop hij hen verder kan helpen. In die tijd heeft hij zich zeker op aarde gemanifesteerd, maar hij nam niet volledig deel aan het aardse bestaan. Hij trad soms ook als geest op, projecteerde zich soms. En toen deze inwijdingsweg werd gesloten omdat er een einde moest worden gemaakt aan deze werkwijze, toen heeft hij zich een tijdlang teruggetrokken. Hij heeft geprobeerd om een groot gedeelte van zijn kennis en zijn systeem over te dragen aan anderen, maar dat is volgens mij een tamelijk flagrante mislukking geworden, want hij dacht nog in het systeem van de leermeester en de gehoorzame leerlingen en zo aan de hiërarchie, waaruit de waarheid moet ontstaan. Ongeveer een jaar of 3 à 4 vóór de Eerste Wereldoorlog heeft hij zich weer met de zaken bemoeid, hij is druk bezig geweest, hij heeft veel gewerkt in Engeland en Europa. Daarna is hij weer teruggegaan en heeft hij gewerkt in Irak, Iran, Pakistan, India (oude liefde slijt zelden, ook bij zo’n grote geest) en heeft daar meegewerkt aan de manifestatie van de wereldleraar. Hij heeft daarnaast ook wel deel aan al het andere wat er plaatsvindt.

En nu is het een eer dat hij zich gewoon met de mensen wil bemoeien en dat hij voor ons wil praten. Wanneer hij werkt voor zijn eigen doeleinden, is het niet belangrijk of hij zich manifesteert op aarde of materialiseert, maar dat hij met zo’n ploegje als wij zijn, werkelijk wil meewerken dat moeten wij respecteren. En dat ik hem dan toch enigszins aanval, komt omdat ik bang ben dat u zijn formulering, zijn manier van praten, toch een beetje verkeerd zult uitleggen. Wat hij zegt is waar, maar de manier, waarop hij het zal zeggen, zal afhankelijk zijn van alles wat hij vroeger met ingewijden heeft meegemaakt. Wanneer hij een voorbeeld zal proberen te geven, dan grijpt hij onwillekeurig uit de ervaringen, die hij heeft opgedaan en dat past eigenlijk niet meer in wat er nu aan de hand is. En daarom heb ik hier de rol van de advocaat van de duivel gespeeld, zo goed als ik kon.

Vóór u gaat pauzeren, wil ik nog wat zeggen. Wij als O.D.V. spelen een rol bij deze inwijding. Maar dat is de rol van een acoliet bij een altaar. Wij helpen, wij geven aan, wij bewijzen diensten. Maar wij zijn nog niet zo ver, dat wij deze inwijding volledig en persoonlijk kunnen gaan geven. Dat valt niet in het kader van onze bemoeiingen en onze bezigheden op het ogenblik. Er zijn in de Orde een aantal hoge entiteiten, die dit inderdaad kunnen doen, maar er is een taakverdeling en die taakverdeling binnen de Witte Broederschap legt ons op het ogenblik verplichtingen op, die wat dichter bij de aarde liggen en die betrekkelijk weinig te maken hebben met de persoonlijke bewustwording van de mensen. Het is onderricht, hulp, inspiratie. Toch zijn wij buitengewoon geïnteresseerd bij alles wat die verdere bewustwordingsmogelijkheid op aarde voor de mens als eenling gaat scheppen.

Dat betekent dat wij heus wel al onze krachten inzetten. Dat wij proberen om het zo goed mogelijk te doen. Dat betekent dat wij eenieder bijstaan, die probeert een inwijdingsmogelijkheid op aarde op dit moment te creëren Alleen: wij weten hoe sterk wij daarbij afhankelijk zijn van mensen. Het is niet moeilijk een mens in te wijden, wanneer je een hersenspoeling techniek toepast. Eenvoudig voortdurend doorgaan met dezelfde projecties, met dezelfde visioenen, dromen, de waarheden, tot die persoon niet anders meer weet. Maar erg geoorloofd is dat niet. U moet niet vergeten dat mensen een vrije wil hebben en wij moeten juist bereiken, dat die mensen door hun vrije wil en hun eigen besef komen tot die belevingen, waaruit ze een grotere wereld gaan zien.

Het is zo belangrijk dat de mensen leren om de beperkingen van het menselijk leven, juist wat die inwijding betreft, eens een keer overboord te zetten. Die beperkingen zijn er niet. Die beperkingen kunnen in een menselijk bestaan een ogenblik aanwezig, zijn, maar in de totale reeks van het werkelijke bestaan is een incarnatie een vliegenpoepje op de spiegel, meer niet. En het gaat ons om de spiegel en het beeld dat daarin ontstaat, niet om zo’n enkel punt. Wanneer een mens vrijwillig vanuit zijn overtuiging en vanuit zijn eigen wil, een nieuw inzicht bereikt en wanneer hij daaruit voor zich dan nieuwe contacten met de kosmos puurt, dan is er iets gebeurd dat overweldigend is. Maar zolang dat niet uit vrije wil gaat, mag je dat niet forceren.

Vroeger was dat een beetje anders, dan kon je zeggen in zo’n broederschap: en nu ga je mee en nu doe je zo en zo, want anders zetten we je naar buiten, dan word je maar priester van het een of ander of schrijver van de één of andere vorst of filosoof en je zoekt een eigen school op, maar in die inwijding kun je niet verder. Dat kun je nu niet meer doen. Je kunt niet eisen stellen, omdat het een algemene inwijding betreft. En wij van de O.D.V. doen al wat wij kunnen om de zaak te bevorderen; daarvan kunt u zeker zijn. Maar wij weten ook waar onze beperkingen liggen en onze beperkingen liggen daar, waar de mens uit zijn eigen besef en eigen weten niet verder kan gaan, om welke reden dan ook. Je kunt niemand dwingen om in te gaan in deze tijd. Je kunt alleen maar hopen dat de mensen ontwaken. En wat dat betreft ben ik ervan overtuigd dat bij dat ontwaken ook onze gastspreker van vanavond zeker een belangrijke rol zal spelen en zal blijven spelen. Daarom hoop ik dat u met bijzondere aandacht naar hem zult luisteren. Vraagt u zich nu s.v.p. niet af wie het is, dat is niet belangrijk.

Belangrijk voor u is, dat u een begrip krijgt van wat inwijding betekent, dat u voor uzelf misschien aanvoelt in hoeverre u affiniteit hebt met de inwijdingsmogelijkheden van deze periode en dat u zich vooral niet laat verleiden om te denken dat er een inwijdingssysteem bestaat dat onfeilbare en voorspelbare resultaten tot stand brengt. Als ik dat met mijn inleiding bereikt heb, kan ik de rest gevoeglijk aan onze gastspreker overlaten, die, wanneer het erop aankomt, waarschijnlijk veel méér ter zake kundig is dan ik ben, maar die, ik herhaal, spreekt vanuit een ervaring en een denken dat naar ik meen aan de moderne tijd ietwat vreemd is.

De gastspreker

 

Men heeft mij gevraagd met u te spreken en ik spreek natuurlijk over die dingen, die mij het meest aan het hart liggen: de inwijding, de krachten van de bewustwording. Nu zijn er in de wereld altijd mensen geweest, die in staat waren iets méér te zien, iets méér te horen, iets méér te begrijpen dan anderen. En deze mensen hebben hun wijsheid samengebracht en zij hebben getracht die over te leveren aan anderen. En zo is er vanaf het begin der mensheid een keten gevormd van degenen, die méér wisten en méér begrepen; van ingewijden. Maar eenieder, die méér begrijpt en méér weet, draagt ook veel méér verantwoordelijkheid, want wij worden gebonden door ons weten aan de daden die wij stellen. Door de wijsheid die ons bezielt, worden wij gedwongen onze wereld te zien en naarmate wij ons zelf beter kennen en verder doordringen in de ware betekenis van de wereld, waarin wij leven, voelen wij ons ook meer gedrongen om in die wereld op de juiste wijze te bestaan. En zo is het streven door alle tijden geweest om juister te bestaan.

Leven omvat zeer veel. Er zijn ongetelde werelden in de kosmos, er zijn ongetelde werelden in de sterren. Men noemt ze sferen, men noemt ze hemelwerelden, men noemt ze hellewerelden. Maar om die werelden te betreden, behoef je alleen maar te leven. Eerst op het ogenblik dat je die werelden wilt begrijpen en ze niet slechts ondergaan, heb je méér nodig. Dan zijn er de sleutels van leven, die telkens weer door de wijzen aan de mensheid zijn gegeven. Dan zijn er ook de fluisteringen van innerlijk weten, die van leermeester op leerling zijn overgegaan totdat de mens eindelijk in staat is niet slechts een geestelijke wereld te betreden, maar te weten wie en wat hij is in die wereld. Ja, wat méér is, te weten wat de krachten zijn en de mogelijkheden van de wereld, waarin hij vertoeft.

De ouden hebben al wat zij ontdekt hebben, neergelegd in geschriften en overlevering. Eerst was er het woord, dat onveranderd door vele geslachten werd overgegeven. Daarna kwamen de meer complexe leringen, vaak in gedichten en gelijkenissen, die op den duur werden vastgelegd in het eerste schrijven dat de mens geleerd had.

En nu nog bestaan die boeken, nu nog zijn die wijsheden bewaard. Zij zijn niet een openbaring die eenieder kan lezen. Ze zijn eerder een versluierd en versleuteld verhaal, waarin de mens, die iets méér begrijpt van het leven, aanduidingen vindt omtrent zichzelf en omtrent de kosmos, waarin hij moet bestaan. En zo is men gekomen tot de inwijdingen, die een lange tijd hebben plaatsgevonden in kleine besloten dorpen, die hebben plaatsgevonden in kleine en vergeten tempels, of die plaatsvonden in grote gedenktekens, waarvan de betekenis verloren is gegaan.

Met al deze inwijdingen ben ik verbonden geweest vanaf het ogenblik dat ik leerde begrijpen wat leven is. Leven is het samenvoegen van alle dingen en alle tijden tot één geheel dat alle werelden omvat.

De mens, die leeft in zijn wereld alleen, is een arme mens, want hij ziet de rijkdom en de kleurenschat niet. Hij ziet niet de wonderen, die ook buiten de stoffelijke natuur hem omringen. Maar wie in die wonderen doordringt, hij begint te beseffen, hoezeer hij verwant is met alle dingen. Als leerling gaf men mij een blad van een boom. Men zei mij: leer dit beseffen. En ik was één met het blad. Ik voelde, hoe het is om aan de boom te ontgroeien. Om in de ruisende regen gewiegd te worden en om afgescheurd te worden door de scherpe wind. Daardoor leerde ik planten begrijpen. Ik heb dieren leren begrijpen, tot de slang mijn vriend was en mij behoedzaam groette, wanneer mijn voeten hun weg zochten vlak langs zijn rustplaats. Ik heb tempels gezien vol van grootheid. Ik heb gelopen op de binnenplaatsen van de heilige steden van de Khmers. Ik ben gegaan door de vele rijken, die mijn vaderland tenslotte vormde. De wereld was groot. Maar omdat ik één was met de planten, spraken de planten mij van wat er gebeurde in de nachten in de aarde. Omdat ik de dieren kende, spraken zij mij van de gestalten, die mij omringden en vertelden mij de geheimen van mensen en van hemelen.

En zo leerde ik de onzichtbaren zien. De onzichtbaren werden mijn gezellen en in de eenzaamheid heb ik geleerd met hen te spreken en één te zijn met hen, tot er een ogenblik kwam, waarin ik wist: ik ben één met al deze dingen. En dan komt er een mens en die mens zie ik van verre en hij is deel van mij. En dan gaat die mens verder en ik toon hem, zonder dat hij het beseft misschien, waar hij moest verpozen. Hij luistert en hij leert en hij wordt gevoelig. En tenslotte kan ik hem laten zien, hoezeer wij één zijn en ik druk mijn wezen voor hem uit en hij herkent zichzelf in mij. En dan is hij één met de planten en de dieren, al is het voor een kort ogenblik. Dan voelt hij plotseling de waarde van de geesten, die er zijn en hij ziet de vele hemel- en hellewerelden samensmelten tot één grote werkelijkheid.

Wanneer hij dit voor een korte wijle kan beseffen, zo heb ik hem de boeken van de ouden getoond. Ik heb hem gebracht in de verborgen tempels en ik heb hem overgelaten aan zijnsgelijken, maar hij is deel geweest van mij, ik blijf deel van hem. En zo heb ik ze ingewijd, mannen en vrouwen. Ik heb getracht hen het leven te doen zien. Want is leven? Leven is een reeks van erkenningen. Niet wat gij erkent, is belangrijk, maar dat ge erkent. Leven is een reeks van mogelijkheden, die je waar maakt. Het is niet belangrijk welke mogelijkheid je waarmaakt maar wel dat je haar beseft vóór je haar waarmaakt.

Leven is het versmelten van alle werelden. Het is niet belangrijk in welke wereld je voor het eerst ontwaakt, wanneer je haar maar beseft als deel van een groter geheel. Dit is inwijding. Weten hoe te leven. Inwijding is het geheim, dat gefluisterd wordt in de nacht. Maar het is vooral het besef dat je de dag anders doet zien. Inwijding is de grootheid van vorsten kennen en beleven, maar ook de nederigheid der kleinen. En deze verenigen in jezelf, totdat er geen grootheid en geen kleinheid meer is, maar slechts de verbondenheid met al wat bestaat.

Zo heb ik mijn weg gezocht en de tijden zijn voorbijgegaan. Ik heb ze gevoerd tot de passen van de hoge bergen, ik heb met hen gesproken, wij hebben gewoond, ook ik tijdelijk in stoffelijke vorm, in kleine gemeenschappen en de maaltijd van broederschap gebruikt als erkenning van de eenheid van alle dingen. De tijd ging verder en de poorten moesten gesloten worden. De weg moest worden uitgewist Ze zijn gekomen, de wijzen en ze hebben de tempels beroofd, zodat ze ledig stonden als een skelet, dat slechts nog de aanduiding is van een vroeger leven en een vroegere schoonheid. Ze zijn gekomen, de rumoerige, heersende mensen en ze hebben de oude centra van wijsheid verstoord en ze hebben de kloosters gemaakt tot een verlaten woestenij zonder geestelijke inhoud. Maar ik kan dit leven niet verwerpen, het is deel van mij. Ik kan mij niet terugtrekken uit deze tijd en deze wereld naar betere oorden, want er zijn geen betere oorden. Het hoogste licht betekent niets zonder deze wereld. Deze wereld betekent niets zonder het leven dat haar vult, het leven dat het enig werkelijke en eeuwige is, dat bestaat, een voortdurende warreling van schijn.

En zo ben ik teruggekeerd tot de sferen en de rumoerige mensen drongen verder op. Zij droomden van rijken en vergankelijkheden En ik ben teruggegaan. Want mensen moeten de eenheid beseffen der dingen. Zij moeten uit vrije wil en eigen besef toetreden tot de gemeenschap, die heelal heet. En zoals het Al niet zonder hen volledig is, zo ben ik niet volledig zonder hen. Ik kan niet dromen in tuinen van volmaaktheid, zolang er nog pijn is bij hen, die afgezonderd leven. En zo heb ik mij nieuwe taken gesteld. Ik heb de kracht van de waarheid uitgezonden en geesten zijn ontwaakt en grote lichtende sterren zijn gekomen uit ongekende sferen en ik wist: ik ben deel van u, maar gij zijt méér dan ik. Ik ben met hen neergedaald en ik ben op uw wereld gekomen en ik heb mijn geest doen spreken tot eenieder die wilde horen.

De tijd is voorbijgegaan. En nu is uw wereld een warreling, een chaos. Uw wereld is zo verdeeld als het eerste begin van de tijd. Alleen de geest kan eenheid smeden uit deze wereld. Eenheid, die niet voortkomt uit een streven, maar uit een besef. Eenheid die niet berust op gezag, maar op erkenning van eenheid. Ik heb mijn krachten hiertoe gewijd. Soms ben ik nederiger dan de geringste der dienaren, die de plaats, waarop de dieren der koningen spelen, een ogenblik reinigt. Soms ben ik nederiger dan de uitgeworpene die niets kan doen dan de schaduw der anderen vermijden. Toch ben ik één met alle dingen. Want de tijd gaat voorbij en de tijd betekent niets, zolang de chaos niet overwint.

Inwijding is besef. Besef is de basis van leven en van daadstelling. Inwijding is noodzakelijk. Ik zou de oude boeken willen openleggen voor hen, die zoeken in deze dagen. Maar de boeken moeten nog gesloten blijven. Maar de geest kan eenheid proeven met de geest, verwantschappen kunnen ongetelde incarnaties overbruggen. Verbondenheden kunnen niet worden uitgewist en daarin spreekt nog steeds dezelfde waarheid. Zo vlecht ik aan het web van waarheid, dat aan uw chaos inhoud moet geven en gij zult dat inwijding noemen. Toch, wat ben ik méér dan gij? Meester heeft men mij genoemd en daardoor tot dienaar mij gemaakt. Groot heeft men mij genoemd en mij zo mijn kleinheid bewezen. Want hij die groot is, is klein. Hij die meester wordt genoemd, moet dienen. En ik dien met al mijn krachten.

Men noemt mij een ingewijde. Welnu, dat wat ik ben, is inwijding. Het is het groeien in een wereld, waarin de afzonderlijkheden niet meer van elkaar gescheiden zijn. Het is het samengroeien in een begrip dat alle dingen samenvoegt en waarin je dit begrip sterker en sterker maakt en beleeft tegelijk. Het is de openbaring in je wezen openbaren aan anderen, opdat jou geopenbaard worde, wat je nog niet bent. Dat is inwijding.

Er zijn mensen, die denken, dat wanneer je jezelf kent, je ingewijd bent. Wie één korrel zand kent, kan niet de bergen en oceanen omschrijven. Wie één druppel water kent, kan de koele bronnen, verscheurende rivieren die rotsen breken, niet beseffen. Wie zichzelf kent, kent nog niets, maar wie de wereld kent, leert kennen, waarvan hij deel is. En wie zich als deel beseft van het gekende, hij wordt ingewijd, opdat hij verder komt. Opdat hij meer één wordt met werkelijkheid.

In een oud boek staat geschreven: “Eén was alles, tot verdeeldheid kwam. En wie verdeeldheid verlaat voor eeuwigheid en eenheid, hij vindt de sleutel, die de tijd doet stilstaan; de herinneringen tot één leven maakt; de waarheid openbaart van het Zijn.” Zo staat er geschreven: “In goud telt gij uw waarde uit, maar in daden bewijst gij uw waarde, doch slechts in besef vindt gij uw waarde.”

Dat is inwijding. Besef uw waarde. Gij zijt meester van uw wezen. Gij zijt meester van de tijd. Gij zijt meester van alle krachten, zo gij u één kunt voelen met deze dingen. Waar ge uzelf begrenst door te zeggen: “Dit ben ik niet”, maakt gij uzelf kleiner en hulpelozer. Waar ge uzelf erkent door te zeggen: “Ook dit ben ik”, maakt ge uzelf groter en machtiger. Maar weet wel wat gij in u draagt als deel van uzelf, daarvoor zijt ge verantwoordelijk. Want ge kunt niet zeggen: “Dit ben ik” en uws weegs verdergaan en deel van uzelve overlaten aan de ondergang.

Dit is de doem en de heerlijkheid van inwijding. Het is het ondergaan van de smarten van een wereld en de vreugden van een wereld. Het is leven met de dwaasheid en de wijsheid van de wereld, wetend dat er geen grens is gesteld tussen u en dit andere. En waar ge eenheid vindt met het andere, daar brengt ge voort nieuwe eenheid en groter besef. Gij zult eens ingaan in een enkele wereld. Een enkele sfeer zult ge kennen. En u zult zeggen: zo ver ben ik gekomen. En dan zult ge beseffen: ik ben niet verder gekomen. Ik heb slechts mijn punt van beschouwing veranderd. Ik ben vanuit het dal de berg opgegaan en van de berg neergedaald in een nieuw dal. En dan misschien zult ge beseffen: wanneer ik één ben met de lucht, de bergen en de aarde, kan ik vliegen als een vogel en ik zal zien de dalen en de bergen bijeen, een machtig landschap en ik zal weten: hier ben ik. En ge zult weten. De bergen antwoorden op de kreet van de vogel tot de dalen weergalmen met de echo van uw kreet. En dan zult ge weten wat het is, te leven

Ik kan niet spreken over andere dingen dan de inwijding, omdat de inwijding mijn leven is. Gij vindt op uw eigen wijze misschien uw beperkte inwijding. Uw begrip van verbondenheid en eenheid dat niet afhankelijk is van daden en gedachten, maar dat verankerd ligt in uw wezen. En uit deze beperking zult ge zien hoe steeds méér zich voegt bij al wat gij al kent. Hoe u groeit als een kruid, dat water en zon heeft, en een hemel om naar toe te streven.

Groeien zult ge uit uzelf. Naarmate gij groeit, zal er méér tot u spreken en zult ge méér weten en begrijpen. Zo zult ge groeien tot ge eens zover groeit dat deze hele aarde, die zo groot lijkt, voor u is een gedachte die ge kent. Tot de sterren samen zijn gesmolten tot een vuur, waarbij ge het boek van het leven leest. Ge zult groeien tot de vele sferen en werelden van de geest geen grenzen meer kennen en ge ze overziet als de fasen van uw eigen bestaan. En dan waarlijk zult ge de inwijding bereiken, wetend: ik ben één met Al en toch zal ik mij uiten in het ene, daar waar ik mij uiten kan, omdat ik verbonden ben met al, ook dit ene.

Misschien zijn mijn woorden verkeerd gekozen. Misschien kunt ge de gevoelens niet weerkaatsen, die ik u tracht toe te zenden. Maar er zijn geen grenzen dan de grenzen, die wij maken. Er is geen wijsheid en geen dwaasheid buiten de wijsheid en de dwaasheid, die wij maken. Maar er is een eenheid, die alle dingen omvaamt. Die, al omvamend de enige werkelijke waarde geeft aan ons bestaan. Wij leven, omdat wij deelzijn van alle dingen; omdat wij deel zijn van alle dingen, leven wij. Zoals de dingen voortgaan in eindeloze rij, zo gaat ons leven voort, steeds rijker, steeds groter.

En niets is schoner, dan in die veelheid te dienen zo je kunt. Want in dit begrip van eenheid, hoe beperkt het ook moge zijn, te dienen en te zijn. Besef, dat zich voortplant tot het antwoord krijgt uit het leven dat al omvat.

Inwijding is de zwaarste last die je kunt aanvaarden. Het is de hoogste vreugde, die je kunt bereiken. Inwijding is de kracht die alle dingen waarde geeft en gelijktijdig alle verschijnselen waardeloos maakt.

De stem van inwijding roept tot de mensen en vaag komt het antwoord. Aarzelend en stap na stap gaan zij verder in aanvaarding van het geheel. En zo is het goed. Want ik ben één met u in uw lijden en in uw vreugde. Ik ben één met u in uw bereiking en in uw falen, omdat de enige wijze van werkelijk leven is: eenheid met alle dingen en dienstbaarheid aan al wat je bereiken kunt. Meer kan ik u niet zeggen.