Inwijding

23 september 1962

Ik zou u een kleine les willen geven, welke wel samenhangt met inwijding maar die meteen een verklaring vormt voor heel veel, dat u in deze dagen overal zult horen en misschien ook beleven.

Laten we allereerst beginnen met net standpunt van iemand, die een inwijding ondergaat. Wanneer je in het duister loopt en je komt plotseling in het licht te staan, dan is er een ogenblik van verblinding. In deze verblinding is een juiste waardering van al, wat zich rond je bevindt, praktisch niet mogelijk. Wanneer de weg daarna terugvoert in het duister, volgt een tweede moment van verblinding en zal men de laatste resten van licht, die eventueel tot de duistere weg doordringen, evenmin kunnen gebruiken. Elke wisseling gaat gepaard met verblinding; en dit zal op de levensweg van de mens regelmatig voorkomen. Wanneer hij in zichzelf langs het innerlijk pad naar een andere wereld en een andere sfeer stijgt, zal hij eveneens dit moment ontmoeten, dat hij niet meer kan bevatten, niet meer kan beseffen en eigenlijk automatisch teruggrijpt naar zijn eigen innerlijk wezen. Het resultaat daarvan (een heel begrijpelijk resultaat overigens) is vaak een lusteloosheid, een zich geïsoleerd-voelen van de buitenwereld en in vele gevallen de vraag, of het nu de moeite wel waard is om nog verder te gaan.

Als we in deze dagen te horen krijgen over uitstortingen van licht, over kosmische golven die de aarde beroeren, dan zult u zeer waarschijnlijk in ongeveer dezelfde situatie zijn als iemand, die – uit een labyrint komend – plotseling in een totaal ander licht komt te staan; veel feller, veel helderder, maar daardoor ook juist verblindend. Wanneer je in de betrekkelijke gezapigheid van het dagelijks leven zo langzaam maar zeker je richting meende te zien, dan komt die nieuwe invloed en maakt het je onmogelijk te zien, of je nu wel goed bent gegaan. U zult zich afvragen: Waarom dan dat licht, waarom deze krachten? Wel, in alle oude inwijdingsgeheimen heeft men de gedachte gehad van sterven en herboren worden.

Sterven en herboren worden is iets, dat ook de wereld in zekere zin doet. En wat dat betreft ook menige sfeer, omdat er altijd een ogenblik komt dat het oude moet verdwijnen en het nieuwe, het sterkere a.h.w. het beeld, de vorming overneemt. Uw wereld kent die perioden regelmatig. We kennen daarbij de kleine veranderingen van ongeveer een 2100 jaar, die ons doen denken aan de periode van de mens, die bv. van kind tot puber wordt, van puber tot volwassene en zo bepaalde perioden in het leven a.h.w. begrenst door de inhoud, die hij eraan geeft. Voor de aarde geldt hetzelfde en dus ook voor haar bewoners. Maar dit betekent weer, dat de innerlijke gesteldheid is aangepast aan een bepaalde periode en de daarin geldende waarden. Wie herinnert zich niet hoe trots men soms is om aan het werk te mogen gaan en hoe men gelijktijdig betreurt niet meer te kunnen spelen?

Hetzelfde element vinden we terug in de geestelijke werking. Aan de ene kant hebben we het gevoel: Ja, nu is ons een oplossing of een kracht gegeven, maar aan de andere kant hebben we verzet. Dat oude, dat ons dierbaar is en dat we gewenst en verlangd hebben, valt weg. Hier, heeft u de werking zover ze u betreft. Maar nu de reden van deze periodiciteit en verder waarom behalve deze verandering van fase er soms zelfs een soort dood komt, d.w.z. een absolute verandering van wereldwaarde, gepaard gaande vaak met voor de aarde stoffelijk een totale verandering van rassen.

Wanneer wij terugdenken aan de periode van de vorst Esir (de latere Osiris) elders ook wel weer tot een zonnekoning uitgeroepen, een zonnegod, dan ontdekken we dat de aarde een zeer dichte atmosfeer had en dat een groot gedeelte van de ademhaling van de toenmalige mens (die anders was gevormd dan de huidige) een huidademhaling was. We zien verder dat zelfs nog een beperkt kieuwsysteem aanwezig is. En dan begint het ineens te regenen. Vandaar uw legende van de zondvloed. Daarna is echter de atmosfeer plotseling helder; de zon krijgt regelmatig toegang tot de wereld en alle leven moet zich aanpassen. Vele oude levensvormen vluchten in de wereldzee of gaan teniet, en daaruit ontstaat dan een Atlantisch rijk, waarin de mens zich langzaam aanpast, aanpast, aanpast, totdat wij de ware voorganger is geworden van homo sapiens. Dergelijke perioden van dood komen ongeveer eens per 200.000 jaar voor, het is eigenlijk 220.000 en nog wat. Omdat dergelijke veranderingen moeten worden voorbereid, zullen ook de kleine wijzigingen soms een bijzondere nadruk krijgen. Want als de aarde eenmaal totaal gaat veranderen, moet er een ras zijn dat kan blijven voortbestaan, waarin het bewustzijn op aarde kan blijven voortleven. Het resultaat is dus, dat elke keer wanneer er een verandering van Dierenriemteken plaatsvindt, er dan a.h.w. een overweging is; wat moet in de mens lichamelijk worden veranderd, wat moet er op de wereld aan rassen verdwijnen en wat moet erbij komen, opdat een overgang zo dadelijk aanvaardbaar is, opdat de nieuwe fase van het aardbestaan zelf weer een bewoonde en bezielde wereld zal zien, nu heeft iedereen, die dit van een afstand (soms eerbiedig, zoals wij) gadeslaat, daarbij ook ontdekt dat het heel erg belangrijk is, hoe de geestelijke gesteldheid is.

Niet elke geest kan een dergelijke overgangsperiode meemaken, en bovenal is er grote behoefte aan geesten, die a.h.w. vooruit zijn, zodat zij de vormende werking uit de kosmos kunnen helpen door hun eigen instelling, door een zekere vorm van harmonie en een harmonische beleving. Wanneer er nu sprake is van een uitstorting van kracht, dan kunnen we dat uit een menselijk standpunt beschouwen en zeggen we: Ja, er zijn grote geesten, grote machten, die ons willen helpen, die ons willen inwijden, opdat we iets nieuws van de wereld zien. Maar als we het bekijken uit een kosmisch standpunt, dan ziet het er toch een klein beetje anders uit. Dan moeten we zeggen: Kijk, hier heeft de kosmische kracht eigenlijk een lancet van licht gebruikt om een zekere operatie te volvoeren, om de aarde zelf en de mensheid voor te bereiden op weer een volgende fase van leven, en daarbij heeft men bepaalde, niet gewenste delen van het bestaan eenvoudig weggesneden; andere heeft men a.h.w. getransplanteerd naar een andere plaats. Voor de mens is dat natuurlijk een periode van verwarring.

Maar als je nu zelf die kracht gaat beseffen, dan is er toch ook weer de mogelijkheid om daar een zekere inwijding, een zekere harmonie, een zeker leven uit te winnen. Hoe zich dat alles afspeelt? Op het ogenblik hebben wij allereerst te maken met een kosmische verandering. Je zou kunnen zeggen: We zijn binnengetreden in een andere kamer van het labyrint, waardoorheen de grote persoonlijkheid van de aarde, evenals elke mens, haar eindbereiking zoekt. Daarin zijn de kracht en lichtverhoudingen anders, vandaar dat we zeggen: Aquarius is rijzende. Gelijktijdig bevinden zich in die kamer een aantal Persoonlijkheden, die de taak hebben om de aarde weer voor te bereiden op de volgende fase, zoals menigeen die wordt ingewijd ná of vóór een beproeving aan zijn zijde een paar helpers, een paar beschermers vindt, die hem voorbereiden op wat er gaat gebeuren, die hem vertellen hoe hij moet proberen dat door te zetten en die hem ook verzekeren, dat – wanneer dit voorbij is wanneer hij de juiste antwoorden heeft gevonden op het leven – ze weer bij hem zullen zijn, zodat hij niet onverwachts weer een nieuwe fase ingaat. Die persoonlijkheden zouden we dan de grote Meesters van een era kunnen noemen. Dat zijn zeker ook figuren als bv. Jezus; maar daarnaast heel veel lichtende krachten, waarvan u op aarde nooit zult horen. Zij zijn de beheersers, de manipulators van het gezamenlijk bewustzijn, het bovenbewustzijn van de mens. Zij helpen om de geest zodanig te richten, dat ze op aarde in de stof kan incarneren en daar iets nuttigs prepareert. Zij beheersen tot op zekere hoogte de afzondering van sommige sferen om te voorkomen, dat men met een te veelzijdig doel op aarde komt. Want je kunt niet alle dingen tegelijk doen, als je in de stof komt, en daarom is het wel nodig dat de geest zodanig wordt onderricht, dat ze zich althans enigszins van een vaste richting, een vaste bedoeling in het leven bewust wordt. Dergelijke grote krachten zullen echter op een gegeven ogenblik ook op aarde werkzaam moeten worden. Om dat te doen in de openbaringsvorm van de profeet, de grote leraar die rondgaat, is lang niet altijd nuttig. De mens heeft nl. voor zichzelf zijn wereldje opgebouwd.

Dat wereldje is star en dat wereldje moet veranderen. Het is, of je zegt: Het oude gewaad moet uit, er moet een nieuw kleed worden aangetrokken. En dat kun je niet altijd doen door eenvoudig de mens te overtuigen. Je kunt het veel beter doen door de omstandigheden te wijzigen. Het gebeurt heel vaak, dat – als je een mens een spiegel voorhoudt – hij zelf ontdekt dat zijn toilet niet in orde is en dat hij het gauw gaat herstellen. Dat is veel gunstiger en het brengt een veel bewustere reactie teweeg dan die mens eenvoudig een ander kleed te geven tegen wil en dank en te zeggen: Zo en nu ga je verder.

Uit deze verandering, die noodzakelijk wordt, wordt voor de hogere geest de behoefte geschapen om actief te worden en op aarde haar eigen wezen en kracht te manifesteren. Daarbij is het belangrijk, dat de mens in die kracht iets van zichzelf beleeft of erkent.  Een uitstorting van kracht, zoals deze bv. in de laatste periode regelmatig is voorgekomen en zelfs nog een paar dagen geleden, is niets anders dan een poging om de mens te confronteren met zijn eigen wezen. In de oude inwijdingsperiode had je een tijd, dat de mens eigenlijk eens moest nadenken. Hij werd in eenzaamheid en afzondering achtergelaten en moest dan maar eens zien, wat hij van zichzelf wist en in hoeverre hij nu werkelijk aan zijn God geloofde en al wat daarbij hoorde. Daarna ging hij a.h.w. te biecht; want hij moest aan degene, die hem inwijdde, rekening en verantwoording afleggen. Dat ging vaak in de vorm van een discours en aan de hand daarvan werd bepaald: Jij krijgt bv. een nacht tempelwacht, of; jij moet nu door dat deel van het labyrint gaan. Op die manier konden ze dus iemand leiding geven. Wat nu gebeurt, is precies hetzelfde. De mens wordt geconfronteerd met zichzelf. Wanneer u op het ogenblik onvrede en onrust kent, dan moet u niet zeggen: Dat ligt aan de wereld of aan de mensen. Dat ligt aan uzelf. U moet voor uzelf op het ogenblik vinden; wat zijn de contacten, die er voor mij bestaan? Want alleen op deze manier kan een redelijke inwijding worden verkregen. Wanneer dat beeld door u dus redelijk wordt begrepen en u niet meer zegt: de wereld en de anderen, maar ik; als u zegt: Hoe kan daar op de een of andere manier inpassen, zonder mijzelf te verloochenen, maar er toch bewust deel aan hebben, dan krijgt u vanzelf die gezellen (die leiding) weer naast u, en daarmee ook uw taak.

Dan is de kracht uit het menselijk standpunt gezien zozeer werkzaam, dat ze eerst onrust en strijd heeft gebaard, daarna een oplossing van die strijd en uit de oplossing van de strijd een nieuwe taak en ook een nieuw volledig in het “ik” vervat weten, waarmee die taak wordt vervuld. Het is dus uit de bewustwording voortgekomen.

Nu kan ik wel ingaan op al die oude systemen en gedachten. Ik zou u kunnen spreken bv. over de God der wijzen en mensen-treden die men moet gaan; de profanen, die eruit moeten blijven en alles wat erbij hoort. Maar ik vraag me af, wat heeft het voor nut? Al die oude gedachten en systemen, die kunt u wel ergens vinden. Aan de andere kant sta ik voor het probleem; Hoe ver kan ik in een bijeenkomst zoals deze en met een gezelschap zoals hier aanwezig is, komen tot een duidelijk nieuw beeld, waaraan u nog wat heeft? U zult begrijpen, dat ik met een zekere voorzichtigheid moet voortgaan. Ik wil de lichtende krachten, welke op het ogenblik bestaan en die ik dus even heb aangeduid in hun werkingen, eens verder ontleden. Maar niet als een licht of een kosmische Meester, maar doodgewoon als iets, dat in de mens bestaat. Ik zal trachten daaraan gevolgtrekkingen vast te knopen.

Indien u me niet kunt volgen, moogt u me in dit geval rustig zeggen: Stop. Dan vereenvoudig en sluit ik. Je voelt zelf aan, dat het nieuwe noodzakelijk is. Je weet niet, welk nieuw facet in je leven belangrijk is. In sommige gevallen is je begeerteleven in de war. Je zult dus een heel ander doel kiezen en vaak meer materieel dan eigenlijk nodig is, want verwarring, verblinding, is altijd het eerste verschijnsel, wanneer je in zo’n werking bent gevangen. Als het totaal van die werkingen op het ogenblik mag worden geschat op ongeveer anderhalf jaar intens bezig zijnde, dan zal dus bij menigeen de verwarring een anderhalf jaar oud zijn. In deze verwarring zoek je een oplossing, waarvan je de inhoud en de betekenis niet begrijpt. Het feit, dat je aan de andere kant meester over jezelf wilt zijn, brengt je er heel vaak toe dit op anderen te richten of op anderen te wreken. Typische verschijnselen zijn hierbij: Men beroept zich absoluut op een andere mens om bij die a.h.w. de zaligheid te vinden, soms in meer materiële, soms in meer geestelijke zin, of men kritiseert, men verwerpt een ieder; men zou a.h.w. de wereld en wat erop bestaat totaal willen herkneden en hervormen en voelt zich in absolute machteloosheid daartegenover nutteloos, onbetekenend, miskend, eenzaam, enz. Dit zijn dus normale resultaten, dit is helemaal niets bijzonders, dat vloeit uit die werking altijd voort, ook in uw dagen.

Het is dus een proces, dat voor de meeste rond anderhalf jaar aan de gang kan zijn. Nu komen er lichtkrachten, waarvan we nu een viertal belangrijke achter elkaar hebben gehad. Een van de grootste in februari j.l., als ik me niet vergis, daarna 3 á 4 golven en de laatste is 3 of 4 dagen geleden geweest. Elk van die golven heeft ertoe bijgedragen dat de innerlijke spanning, de ongedurigheid, de rust en het verzet groter werden, want het negatieve wordt net zo goed versterkt als het positieve. Aan de andere kant zullen wij door die regelmatige herhaling van kracht-instralingen de mens toch wel wat bewuster zien worden. Hij went a.h.w. aan dat gebeuren en kan dus de erg onregelmatige beïnvloeding omzetten in een bewust beheersbare kracht.

Je vraagt je als mens dus af: Wat kan ik hiermee doen? Het antwoord is: Niets in de zin van je eigen denken en streven. Zolang je die kracht alleen naar buiten richt in een behoefte tot aanpassing aan en hervorming van de wereld volgens jouw denken en wezen, komt er een absolute mislukking. Dit is niet te bereiken. Wanneer we echter als mens uitgaan van de gedachte dat wij onszelf moeten wijzigen en aanpassen en dat wij dus een zo groot mogelijke harmonie moeten zoeken met de wereld, dan zijn er wel resultaten te vinden. Deze harmonie kunnen we ons dan ook weer in heel wat verschillende stoffelijke en geestelijke vormen voorstellen, maar het is niet belangrijk welke vorm ze aanneemt, het eenheidsprincipe is de enige kracht, waarop wij kunnen bouwen, wanneer de waarde en de betekenis in onze eigen wereld zich voortdurend wijzigen. “Wie een is met God, is een met alle dingen zegt men. En: “Wie een is met alle dingen, leeft in alle dingen en alle dingen leven in hem.” Dit is zeker ook waar, wanneer de mens komt tot samenwerking, tot een harmonisch samengaan met krachten uit de geest zowel als uit de materie.

Daarvoor zal hij echter een groot gedeelte van zijn kritiek op de wereld opzij moeten zetten, hij zal een groot gedeelte van zijn eisen aan de wereld terzijde moeten stellen; en hij zal zelfs zijn vermeende rechten en inzichten moeten toetsen – en wel bij voortduring en zonder vooroordeel – aan anderen. Die lichtende kracht breekt als ze de aarde beroert. U moet niet denken dat een golf van licht of een inwijdende persoonlijkheid alleen maar een gestalte heeft.

Wanneer we bv. teruggaan naar de periode van Jezus en we gaan kijken hoe Jezus op het ogenblik wordt gekend en we zien daarnaast hoe verschillende vroegchristelijke groeperingen (waaronder we de Gnostici vinden; en het Manicheïsme is er ook uit voortgekomen) Jezus anders beschouwden, dan komen we tot de conclusie dat Jezus wel een zeer veelzijdig wezen moet zijn geweest, of dat ze allemaal over hem hebben gelogen en dat hij niet werkelijk heeft bestaan. Want diezelfde Jezus is de bron van een zuiver stoffelijke cultus, waarbij heel veel oude tempelgebruiken in christelijke zin worden herhaald. Diezelfde Jezus is aanleiding tot een zuiver magische cultus, waarbij de magische manipulatie van de kosmische krachten a.h.w. wordt gebaseerd op Jezus wezen en Jezus band met de Vader.

We zien een absoluut dogmatische wetgever Jezus, die de mensheid met een zekere gestrengheid regeert. We zien een absoluut liefdevolle Jezus, die eigenlijk helemaal niet zo wonderdadig is als men tegenwoordig denkt, maar die leeft in elke mens, die hem aanvaardt en daardoor elke mens ook tot Christus maakt. En dan de Jezus, die wij kennen; het grote voorbeeld dat je probeert na te volgen en waarvan je kunt zeggen: Maar dat was God; dus dat haal ik niet. Hier heeft men dus een groot aantal verschillende waarden. Een mens zou zeggen: Nu ja, dat kan allemaal niet waar zijn. Maar als je nu in de geest bent, dan weet je dat er een breking van kracht mogelijk is. Een en dezelfde kracht kan zich in vele verschillende vormen openbaren en dan gaat deze stelregel gelden:

Bij een uitstorting van kracht zal mijn eigen contact met het Al, de wet die mij regeert, de kracht die in mij bestaat, het bewustzijn dat in mij rijst, afhankelijk zijn van mijn eigen interpretatie van de kracht, die mij bereikt. Ik zal die kracht a.h.w. voor een deel afbuigen en daardoor wordt het licht, dat misschien zuiver wit is, als het lancet van fel metaal, waarmee krachtig het gezwel van de wereld wordt geopereerd, opdat het vuil eruit kan en eindelijk de wereld en de mensheid weer gezond worden. Maar u ziet daarvan alleen maar een blauwe straal voor het weten; of een violette straal voor een hele mystieke beleving, waarvan u verder eigenlijk niet veel begrijpt; of misschien zelfs het felle vuil geel van haat. Ik moet al het onvolmaakte verdelgen; en dat zit allemaal in dat licht. Ik weet niet, of ik duidelijk genoeg ben, maar alles wat je uit dat licht wilt halen, kun je eruit halen, zover als het er ook maar even inzit.

Er is geen harmonie, tenzij je harmonisch het geheel van de werkingen kunt aanvaarden. Maar het kan ook geen inwijding zijn, tenzij wij uitgaan van het geheel van de kracht, die ons beroert en niet van een deel. En dat wil ik graag nog even toelichten. Wanneer je uit een bepaalde kracht een deel neemt, gaat er een groot gedeelte teloor. Laat ons zeggen, dat u een machine laat draaien, waarmee u bv. 100 P.K. kunt opwekken en ook opwekt. Door verschillende transmissiesystemen neemt u er een tiende P.K. af. Dan moet u dus om die tiende P.K. te kunnen gebruiken alle energie betalen, die nodig is voor het verkrijgen van 100 P.K. Het rendement is te klein; u krijgt wel een zeker iets voor elkaar, het wordt gedaan, maar naarmate u langer aan uw tiende P.K. vasthoudt, worden de kosten hoger.

Wanneer ik nu te maken krijg met een kracht, die als een poging tot reiniging en hervorming, tot voorbereiding voor een nieuwe fase van een wereldbestaan op aarde komt en ik neem uit het totaal van die kracht een klein beetje, dan zal ik uit mijzelf de kosten moeten betalen voor de rest van de kracht, die ik verwerp. Neem ik de helft van die kracht aan, dan gebeurt er niets en blijf ik mijzelf; de andere helft moet ik betalen. Wat ik krijg en wat ik betaal, weegt tegen elkaar op. Neem ik die kracht geheel aan, dan wordt de intensiteit, de bewustwordingsmogelijkheid van mijn wezen verhonderd-, verduizendvoudigd. Ik kan zien, ik heb licht. Neem ik echter maar een heel klein beetje aan, dan wordt het duisterder; ik zie minder. Want van het beetje besef en het licht, dat ik had, moet ik afgeven.

Als u die verhouding nu goed in het oog houdt, dan zult u dus begrijpen, dat het bij de inwijdingsgang van de mensheid niet alleen belangrijk is dat men komt tot het aanvaarden van  de lichtende kracht, maar dat het ook belangrijk is dat men die zoveel mogelijk en in een zo groot mogelijk gedeelte aanvaardt. Nu zijn er altijd wel weer wijsgerige regels te vinden om zo iets te beschrijven en te ondersteunen. Houd me ten goede, deze wil ik vandaag nu eens niet gebruiken, want we lopen heel snel vast in de formule, in het vast opgedreunde deuntje, waarmee we niet verder komen. Wat heeft u aan een vaste formule, als ze haar betekenis verliest? Wat heeft u aan een vast Godsbegrip en een vaste verering voor Gods indien God daaruit niet tot u spreekt? En zo geldt het ook hier. Wat hebben wij aan de vaste filosofische of wijsgerige formulering, die elke verandering van de wereld weliswaar juist vastlegt en omschrijft, maar die in de mens niet meer leeft? Wat nodig is, is leven! Dit alles moet leven in u. En dit kan alleen in u leven, als u in de eerste plaats die dingen aanvaardt; in de tweede plaats daarvan geen bijzondere werkingen verwacht, zo iets van: nu moet het voor mij gaan gebeuren. En dat komt al te vaak voor. Wij zien zo vaak in de inwijding (vooral in de geestelijke inwijding) mensen en zielen ten onder gaan, omdat ze niet uitgaan van het zijn maar van mijn zijn. Dan worden ze geconfronteerd met iets, dat op een slangenkuil lijkt, bij wijze van spreken. Alles, wat rond hen aan demonisch en aan kwaad is volgens hun bewustzijn, dat manifesteert zich daar. Gaan ze uit van “het alzijnde is in mij”, dan wordt dat op den duur in een tegenstander geconcentreerd. Die tegenstander wordt overwonnen, maar gelijktijdig aanvaard. En daarmee heeft men dan weer een stap verder gezet op het geestelijk pad en staat men sferen hoger. Maar er zijn er ook bij, die zeggen; daardoor blijft er een veelheid van vijanden bestaan. En terwijl ze de een voor zich overwinnen, worden ze in de rug door tien a.h.w. overweldigd. Dergelijke wezens falen; en in vele gevallen zou je kunnen zeggen, is dat een tijdelijke dood, een uitblussing of een periode van gevangenschap.

Zo is het in deze wereld van u precies hetzelfde. Gaat u uit van het standpunt: ik, mijn mening, mijn idee, mijn ideaal, maar ook mijn geloof, mijn band met God, mijn Meester, dan komt er een ogenblik, dat je door alle krachten, die je hebt afgewezen – en juist nu – in deze lichtwerkingen komt te staan voor het feit dat je een klein beetje kracht gebruikt om de wereld te overwinnen en dat die wereld met de volle kracht van de verdere uitstralingen jou overweldigt. Het resultaat is een wereld-verwerping, een wereld-ontvluchting of een gevangenschap, waaruit je je niet kunt losmaken.

Het kan zelfs een vorm van monomanie worden. Het is dus voor u uitermate belangrijk, dat u begrijpt, dat u in deze tijd niet een klein deeltje kunt aanvaarden en de rest verwerpen. Doet u dat toch, dan wordt u het slachtoffer, want datgene, wat u verwerpt, keert zich tegen u. En wanneer die kracht uit het licht voortkomt (dus uit een kosmische eenheid en uit een kosmisch geheel), dan zal men daardoor a.h.w. vallen. In een bepaalde christelijke inwijding – althans zo mogen we het beschouwen – komt het volgende verhaal voor; Lucifer, Zoon van de Morgen, troont naast God, en in hem is de kracht van God volledig gespiegeld. Hij is het werkelijke licht van de morgen, hij is de kracht van de middag en de kroon van het heelal, en hij heeft dit alles als deel van zijn wezen. Hij ontvangt bewust het totaal van Gods licht. Dan stelt Lucifer: Ik heb zoveel kracht en zoveel bewustzijn, dat ik kan oordelen over de Bron van het licht. In het oordeel zou hij gevallen zijn. Nu weten we allen, dat we erg voorzichtig moeten zijn met dergelijke op sagen en mythen gebaseerde verhalen. Maar het beeld ligt erin. Op het ogenblik, dat ik oordeel over de kracht, waaruit ik leef en werk, zal die kracht mij vernietigen. Dan kan ik mij afzonderen en in trotse eenzaamheid zeggen: “Ik bouw mijzelf een rijk,” maar het is toch niet hetzelfde.

Alle krachten, die op het ogenblik werkzaam zijn, worden gehanteerd door de hoogste geestelijke entiteiten; dat zijn geesten. De kracht zelf is van kosmische geaardheid en mag dus geloof ik wel worden beschouwd als een directe uiting van het Goddelijke, zij het dan beperkter. Deze beperkte uiting van het Goddelijke zal – gemanifesteerd door de hogere geest – de aarde beroeren. Verwerping van die kracht betekent een verwerping van God of van een deel van God en daarmede ondergang of val. Een aanvaarding ervan betekent echter ook een onderwerping, waarbij eigen besef van rang en van macht heel vaak wordt aangetast. Met dit alles hoop ik u nu duidelijk te hebben gemaakt, hoe het eigenlijk zit met die kracht, welke op de aarde inwerkt. Haar doel op het ogenblik is niet alleen u te helpen, te bekeren of in te wijden, dat is een bijproduct.

Die kracht zelf is in de eerste plaats bedoeld om de aarde voor te bereiden op een volgende fase van verandering; en dit komt regelmatig voor in de historie van de mensheid. De intensiteit, de omvang van de operatie kan van periode tot periode dus wel eens verschillen. In de tweede plaats: die kracht kun je alleen volledig aanvaarden of volledig verwerpen. Een deel ervan aanvaarden en een deel ervan verwerpen, is het meest gevaarlijke, dat je kunt doen. Zowel je eigen inwijding en bewustzijn als je stoffelijk bestaan, je stoffelijk geluk, ja, het welbehagen en de welvaart van een groot gedeelte van degenen met wie je bent verbonden, is afhankelijk van de aanvaarding van die kracht. In de derde plaats: dit alles maakt deel uit van een inwijdingsproces.

Maar door de scherpe verschillen van krachtuitstorting en de monotonie van een langzaam veranderende wereld zal men in die kracht niet onmiddellijk de werkelijke ontwikkeling kunnen zien. Datgene wat door het licht wordt geopenbaard, kan pas worden gerealiseerd, wanneer eerst hert licht is aanvaard. Dus nimmer eerst vragen: Wat doet het licht? en het dan aanvaarden. Maar eerst het licht aanvaarden en dan zien wat het ons brengt. Tot zover het eerste deel van mijn betoogje.

Dan kom ik aan het tweede punt van de lering voor vandaag. De inhoud van het leven zelf, kan worden uitgedrukt als; deling en eenheid. Voorbeeld: Wanneer het lichaam van een mens ontstaat, delen zich de cellen en gelijktijdig sluiten zij zich aaneen tot een organisch geheel, waardoor het lichaam ontstaat. Verdeeldheid is noodzakelijk; d.w.z. een onderscheid van individu tot individu, want alleen daardoor kan het grootse worden opgebouwd. Je kunt geen tafel maken uit een molecule, maar wel uit een groot aantal moleculen, die samenhangen. Je kunt geen wereld bouwen uit een ongedeelde kracht en een ongedeeld bewustzijn, maar wel uit vele gedeelde vormen van kracht en bewustzijn. Aan de andere kant; Op het ogenblik, dat wij de samenwerking, het samengaan weigeren en er geen band is, is het kleine machtelozer dan het grote, waaruit het voortkwam. Besef goed, dat de wet van elke inwijding en elke magie luidt; eenheid. Maar niet de eenheid, die menigeen denkt te vinden in een prijsgeven van de eigen persoonlijkheid. Het is een eenheid, waarbij het “ik” zich volledig aanpast aan de omgeving, zichzelf bewust blijvend van zichzelf en levend voor en uit zichzelf.

Het houdt in een beperking van datgene, wat je uit, maar gelijktijdig ook de mogelijkheid om in jezelf van buitenaf veel te ontvangen. Alles, wat op eenheid, samenwerking en broederschap is gebaseerd, kan worden beschouwd als belangrijk in de inwijding, de verwerkelijking van de kosmische wereld, de erkenning van de kosmische schoonheid, de goddelijke kracht en rechtvaardigheid en ook van de goddelijke liefde in al haar facetten en uitingen.

U zult in deze dagen heel vaak worden geconfronteerd met vormen van liefde en liefdeloosheid, waarbij u zich afvraagt: Hoe zit dat nu eigenlijk? Mag ik u eraan herinneren dat alle samenwerkingen, alle broederschappen en alle eenheid hun volle intensiteit moeten bezitten op het hoogste niveau, waarop het bewustzijn bestaat? En dat is voor de doorsneemens een geestelijk niveau. Dit geestelijk niveau kan door een onbelangrijk en soms zeer fragmentarisch erkennen van die liefde (op een lager niveau dus) worden gestimuleerd. Wij moeten echter steeds uitgaan van het standpunt van de geest en die ten hoogste in de stof wordt bevestigd, maar nimmer van uit de stof voerend tot de geest. Dit laatste is niet mogelijk. Verder kan geen enkele eenheid in kosmische zin een persoonlijkheidsbinding scheppen. We kunnen wel een groepsbinding scheppen maar nimmer een persoonlijkheidsbinding.

Twee mensen kunnen gezamenlijk werken als een eenheid (dan zijn het z.g. tweelingzielen), wanneer zij door die samenwerking voor het geheel een betekenis verwerven, die elk afzonderlijk niet bezit. Op het ogenblik echter, dat ze uit een persoonlijk gevoel van aanpassing en geborgenheid elkander alleen aanvaarden en daarbij gelijktijdig de anderen van zich afwijzen en afzonderen, zullen zij daarentegen een isolement scheppen, waarbij niet alleen de z.g. tweelingziel zelf te gronde dreigt te gaan maar tevens ook het geheel (de broederschap) hen niet kan aanvaarden of handhaven. We moeten ons verder realiseren; stoffelijke eigenschappen en kwaliteiten kunnen in vele gevallen op materieel niveau bepalend zijn voor de wijze, waarop men aanvaardt, waarop een eenheid wordt geconcretiseerd. Dat kan een kwestie van een gebaar zijn of alleen maar dat we samen in een zaal gaan zitten; het kan ook een kwestie zijn van een absolute samenwerking bv. op commercieel, financieel en ander terrein; het kan ook meer persoonlijke elementen vertonen. Dit is op zichzelf absoluut onbelangrijk.

De manifestatie van elke eenheid en broederschap zal voortkomen uit de uiterlijke vormen en mogelijkheden. Maar gelijktijdig zal de innerlijke band, de innerlijke broederschap, de innerlijke eenheid moeten voortkomen uit een volledige aanvaarding van alle anderen en een volledig besef van eigen wezen en de betekenis daarvan binnen de gemeenschap der anderen. Je zult voor een inwijding meestal gaan van een betrekkelijk vage groep naar een steeds sterker gevormde groep. En wanneer we dat weer uitdrukken in het stoffelijke proces, dat bepaalde oude priesterschappen kenden: In het begin komt men als een aantal vreemdelingen bijeen. Men heeft wat voorbereiding gehad en men doolt gezamenlijk voor de eerste maal door de gangen onder de tempel. Men krijgt daar wat te beleven en mag er na afloop samen over spreken. Men heeft dan. z.g. de allereerste inwijding gehad, men is leerling geworden van de tempel. Maar nu is dat leerling zijn niet voldoende.

Want als leerling ga je met andere leerlingen een klas vormen. Wanneer de tijd is gekomen dat de tweede beproeving komt, dan geschiedt dit niet meer door het samengaan in de tempelruimte. Neen, de klassen verzamelen zich afzonderlijk; je zoudt tegenwoordig zeggen: in een kapelletje. Zij komen als eenheid  dus klas gewijs  in de tempelruimte samen met andere klassen. Zij blijven dus op zichzelf, maar vormen ook gelijktijdig in de tempelruimte een eenheid. Dan gaan ze dus gezamenlijk de hallen der beproeving in en komen daar ongetwijfeld wel eens in verwarring; je raakt je klas wel eens kwijt. Men oriënteert zich echter in de eerste plaats op de eigen groep. Daarnaast streeft men gezamenlijk met alle groepen.

Heeft men de tweede inwijding gehad, dan heeft men dus een vorm bereikt waarvan je kunt zeggen; “Je bent helper geworden”. Helper van de tempel, van de tempelkracht, Je hebt een zeker inzicht en de klas is nu niet meer voldoende. Wat blijkt nu? Er vormen zich inwijdingsgroepen waarin bepaalde kunsten worden beoefend, bepaalde oefeningen worden gedaan. Deze kunnen zelfs weer uit verschillende klassen zijn opgebouwd. Maar de verantwoordelijkheid, het uitdrukken van het geleerde en de hulp is men in de eerste plaats aan de eigen klas verschuldigd. Pas wanneer men de z.g. reis gaat aanvaarden (een hypnotisch proces, waarbij beproevingen onder suggestie plaatsvinden hoofdzakelijk op astraal terrein) zal er weer, een beroep worden gedaan op de groep, waarmee men die scholing (die inwijding) heeft gedaan.

En nu het typische: Binnen deze groep, die als eenheid fungeert, zal elk individu een beroep kunnen doen op de geestelijke kracht van de klas, waartoe hij behoort. Op deze manier wordt de eenheid opgebouwd. Hier haal ik een voorbeeld aan, dat in de Griekse periode ligt en dat tot op zekere hoogte zelfs de achtergrond is geweest van de bepaalde Dionysusmysteriën. U zult zelf in deze wereld ontdekken, dat eenheid noodzakelijk is, U moogt het broederschap noemen, u moogt het harmonie noemen, het is een vorm van eenheid, van aanvaarding. U zult daarbij moeten erkennen, dat in het besef van de grote eenheid, van waaruit de inwijding in het leven geschiedt, elke mens toch tot zijn eigen klasse, tot zijn eigen groep behoort en dat de meer bewust – of de meer gespecialiseerden uit een klasse – weer een eigen school kunnen vormen.

Je hebt echter de klasse waarbij je hoort; dus degenen met wie je gezamenlijk a.h.w. de lessen voor de tweede inwijding hebt gevolgd. Dat is op aarde uw basis. En dat betekent voor u, dat u bepaalde groepen van vrienden zult hebben, dat u bepaalde groepen zult hebben waarop u kunt vertrouwen, waar u zich durft uitspreken, waar u zichzelf durft zijn en toch gelijktijdig weet, hier zal mijn persoonlijk recht niet worden aangetast, maar zal ik worden geholpen, hier kan ik mijzelf hervinden.

Wanneer u een dergelijke groepering, een dergelijke broederschap vindt – ongeacht overigens haar geestelijk belang voor u in uw eigen idee van ontwikkeling – zult ge u zich daaraan toch wel degelijk moeten houden, want dit is het punt, waaruit u kracht kunt putten. Dan moogt u leven in een klasse van mensen, die misschien hun broederschap hebben gebaseerd op bridge – dat klinkt misschien een beetje dwaas – terwijl u zelf de richting uitgaat van de magie of van het esoterisch of mystiek gebeuren. Wanneer u zich bewust bent dat ge u zelf kunt zijn in deze klasse waartoe u behoort, zult u in elke inwijding, in elke beleving die u krijgt op dat veel hogere niveau, kracht kunnen putten uit die groep. Het is noodzakelijk een basis te hebben en in de beperkte eenheid van die basis te groeien naar de aanvaarding van hogere waarden.

Verder is het noodzakelijk steeds zichzelf van het “ik” bewust te blijven, zonder dat “ik” als maatstaf voor anderen of de wereld te gebruiken. In de aanpassing, in de eerste plaats binnen de kleine groep – maar daarnaast ook aan de hogere kosmische krachten en waarden – ontstaat voor ons het organisch geheel waarin de goddelijke Geest bezielend, leeft. Sluiten wij onszelf daarvan uit, dan zijn we bijna levenloos.

En dit brengt mij tot het laatste punt. Wij onderscheiden van onze kant de mensen vaak in klassen en spreken dan van zombies of levend doden. We spreken van demonen, van mensen en van krachten. Dit klinkt natuurlijk een beetje vreemd voor u, maar ik zal proberen u duidelijk te maken waarom. Als zombie beschouwen we de mens, die leeft zonder te denken, zonder zich bewust te zijn. Hij is een automaat, hij wordt door de omstandigheden gestuurd en geleefd, heeft geen eigen oordeel en verzet zich niet tegen de invloeden en instincten, die in hem rijzen of van buitenaf op hem toekomen. Deze heeft geen werkelijk geestelijk leven en zelfs als een geest zich eraan gebonden heeft, komt ze toch niet verder; ze wordt onbelangrijk geacht, De demon is iemand, wiens geestelijke activiteiten zeer groot kunnen zijn, maar deze zijn volkomen egocentrisch. Door dit zich voortdurend met het “ik” bezighouden is zijn inwerking op anderen  vooral als hij enig inzicht heeft in het manipuleren van geestelijke krachten, en zekere vormen van magie, vaak die van een soort duivel, die de mens verleidt en meesleurt tegen wil en dank. In vele gevallen is de demon het middelpunt van of de regeerder van een groep zombies.

Dan kennen we de mens. De mens is iemand, die de broederschap nastreeft, haar voor zichzelf nog niet gevonden heeft, maar weet dat dit doel eens verwerkelijkt zal worden. Hij maakt geen onderscheid, – zoals wij dit dus doen – in verschillende klassen, maar zegt: Elke mens heeft zijn eigen rechten en zijn eigen waarden, ik moet hem die laten. Ik moet uit mijzelf voort streven.

Ten laatste hebben we de meer lichtend bewusten. Wezens dus, waarin God a.h.w. spreekt. Ze beantwoorden voor een groot gedeelte aan de voorwaarden, die ik stel voor “mens”, maar met enkele uitzonderingen: 1e Zij erkennen bovendien de vaste lijn van de schepping, bewust, zoals die uit het Goddelijke of uit de natuur bestaat. 2e Zij zullen in staat zijn ditzelfde licht en begrip voor een deel op,anderen te projecteren, in anderen wakker te roepen. 3e Zij zullen altijd gelijktijdig op aarde leven en zich reeds in een bepaalde sfeer bewust zijn. Deze indeling wordt niet gegeven omdat we het zo leuk vinden de mensen in verschillende afdelingen te sorteren, maar het is noodzakelijk om te begrijpen waarmee we te doen hebben.

Een geestelijke lering, die wordt gegeven waar een zombie bij zit, zal die zombie nimmer beroeren. Hij zal er nooit verder mee komen. Maar ook wanneer het de hoogste lering is, zal de zombie nooit een negatief element zijn. Hij zal het niet kunnen verwerken, niet begrijpen, maar hij mag er bij zijn; hij stoort niet. Een demon komt in verzet, want zijn persoonlijkheid wordt aangetast. Zijn oppositie brengt onevenwichtigheid teweeg. Een hogere geestelijke lering kan moeilijk worden gegeven daar, waar de demon aanwezig is, tenzij ze precies valt in diens eigen wijze van denken, dan is ze aanvaardbaar. De mens worstelt om de lering te begrijpen, voelt haar vaak aan en zal altijd bij die leringen een aanvulling zoeken. Hij voelt; het is maar een kant van de medaille, waar is de rest?

En ten laatste natuurlijk degenen, die hoger zijn. Zij, zijn het vaak, die lering geven in plaats van haar te ontvangen. Hun deelnemen aan een lering is eerder het bevestigen van een zekere harmonie dan het werkelijk zien of erkennen van nieuwe waarden en nieuwe dingen. In uw eigen wereld staat het precies hetzelfde. In deze dagen zult u ontdekken, dat de zombies rustig voortgaan, of er niets gebeurt. U zult ontdekken dat de demonen bijzonder fel gaan reageren, omdat zij zichzelf en hun eigen gezag willen handhaven. De mens zelf zal verward zijn en zal zich nu naar het demonische, dan naar het hogere toegeslingerd voelen. Deze dingen zijn natuurlijk verschijnselen. Baseer u in uw leven, in uw werken en uw denken a.u.b. op het menselijke.

Beter te falen naar twee of drie verschillende zijden en één keer werkelijk te slagen; beter tien keer belachelijk en bespottelijk te zijn en een keer de waarheid in jezelf te beleven dan met een persoonlijk gezag over lageren voort te leven en ten slotte te weten: ergens ontbreekt mij het werkelijke contact met het Al. Ik zeg niet: Leef van uit het hogere. Als ge dat hogere in u draagt, dan zal uw menszijn vanzelf die impuls krijgen. U kunt in deze periode van lichtende krachten maar ook van scherpe tegenstellingen, alleen uitgaande van het menselijk pogen en zoeken, waarbij de eenheid  de kosmische eenheid zowel als de eenheid onder mensen  een belangrijke factor is, komen tot een juist gebruik van alles wat er nu is, een juist begrip van de werkelijke waarden.

En wees dan tussen twee haakjes niet boos wanneer er wel eens minder prettige of minder mooie of minder aanvaardbare begeleidingsverschijnselen zijn, terwijl u probeert die eenheid van ware mensen te vinden en op te bouwen. Onthoud maar één ding: de mooiste kathedralen hebben de afzichtelijkste gargouilles. En dat geldt ook zeker voor een tempel van menselijke eenheid, die wordt opgebouwd, wanneer men daarin de goddelijke eenheid wil manifesteren. Vraag uzelf niet af, wat precies noodzakelijk is, want een recept bestaat er niet. Vraag uzelf eerder af op welke wijze de inwijding, die u ondergaat, voor u mogelijk is van uit de groep, waartoe u behoort en in een samenwerking met allen, die een gelijk geestelijk goed begeren.