Inwijding

image_pdf

12 maart 1963

Wij hebben heden een wat ander programma dan normaal, omdat wij door omstandigheden in staat zijn een bijzondere spreker te laten doorkomen. Wij menen dat dit binnen deze groep wel degelijk past. Daarom zal ik mijn eerste beschouwing wat korter houden dan gebruikelijk is.

Inwijding vloeit automatisch voort uit al hetgeen wij daaromtrent reeds hebben beschouwd. Enkele aspecten hebben wij echter onvoldoende besproken en ik zou vandaag van de gelegenheid gebruik willen maken om dit alsnog te doen.

Een inwijding op zichzelf is niet positief of negatief. Elke inwijding is slechts het doordringen tot een bepaalde kracht, het erkennen van innerlijke mogelijkheden, het verwerven van een innerlijk geheim. Wij mogen dan ook niet stellen dat de weg der inwijding verschillen zal naar gelang het doel dat men zich stelt. Want wanneer wij zoeken naar de Christus, dan zullen wij met precies dezelfde procedure, met precies dezelfde krachten, ook de antichrist kunnen vinden. Zoeken wij naar het licht, zo bereiken rij precies dezelfde waarden, krachten en sleutels in onszelf, als bruikbaar zijn voor het bereiken van het duister.

Een inwijding is dus voor een zeer groot deel gebonden aan de persoonlijkheid en aan de persoonlijke keuze. Het maken van die keuze wordt op aarde sterk bemoeilijkt doordat men vaste richtlijnen heeft gesteld en vaste maatstaven, die niet altijd bruikbaar zijn, voor laat ons zeggen een vrije ontwikkeling, heel vaak wordt de mens juist door deze wetten – met allerhand voorbehoud – ertoe gebracht zich eerder tot het kwade te richten dan tot het goede.

Ook de verhouding binnen de inwijding van wat men goed en kwaad noemt, licht en duister noemt, wordt wel eens verkeerd geïnterpreteerd. Een ingewijde is een mediator, d.w.z. hij is een bemiddelaar; niet slechts tussen het hoogste weten en lagere ontwikkelingen, maar evenzeer tussen licht en duister. Vandaar de stelling: de ingewijde is een gekruisigde; of ook wel een gehangene. Hij is iemand die de band vormt tussen alle tegenstellingen.

De procedure van inwijding zelf kan grotelijks verschillen, maar zij komt altijd wee voor op een innerlijke erkenning van sleutels. Het is niet mogelijk iemand in te wijden, hetzij esoterisch of magisch, wanneer hij niet innerlijk een bepaalde reeks ervaringen doormaakt en ín zich een kracht of sleutel vindt. Die sleutel of kracht is niet afhankelijk van de woorden, waarin ze wordt gesteld, noch van een begrip, waarin ze wordt gevat. Ze is alleen afhankelijk van de kosmische relatie die er voor het “ik” bestaat tussen de sleutel en het Lichtende, het Hogere, het meer bewuste.

Wanneer wij dus op deze manier de inwijding bezien, dan kunnen wij een paar eenvoudige regels stellen, die praktisch voor iedereen bruikbaar.

In de eerste plaats: Alle leven is een inwijding; datgene wat inwijding wordt genoemd is een versnelling van de procedure, hetzij eenzijdig dus in een bepaalde richting hetzij alomvattend.

In de tweede plaats: De inwijding is altijd een proces dat in de mens plaatsvindt en dat slechts door hemzelf beleefd kan worden. Niemand kan u inwijden; men kan u hoogstens de kracht geven of de schok doen beleven, waardoor de inwijding mogelijk wordt De verwerking van de waarden is altijd uw eigen, de resultaten zijn slechts van uzelf afhankelijk.

In de derde plaats: Elke inwijding is gebaseerd op een ontmoeting van de mens met het “ik”. Wanneer men zichzelf niet kan erkennen voor wat men is, wanneer men weigert waarden te aanvaarden, die aan het “ik” in een beperkte stoffelijke zin vreemd zijn, zal men over het algemeen niet tot een resultaat kunnen komen.

In de vierde plaats: Vreest men alles wat strijdig is met eigen opvattingen en meningen, vreest men zelfs het innerlijk begrip dat afwijkt van de norm, dan zal men daaraan ten onder gaan. Wie faalt in het zoeken naar inwijding, zal zich kunnen terugtrekken tot de beproevingen en belevingen (en ook de sleutels) en niet verder reikend dan het mentaal gebied.

In de vijfde plaats: Alles in het leven heeft zijn inwijdingswaarde. Het is echter niet het beleven of het gebeuren zelf, maar de samenhang daarvan, die bepalend is voor de werkelijke betekenis. Zo wordt uit het mozaïek der normale dingen de sleutel der inwijding gevormd, en is de juiste groepering van al wat men beleeft, het juist coördineren van de kennis die men verwerft, noodzakelijk om waarlijk door te dringen tot het Hogere.

In de zesde plaats: Elke inwijding op zichzelf betekent niet een vervreemding van het leven, maar integendeel een intensifiëring ervan. Men wordt niet minder mens wanneer men ingewijde is, maar meer mens. Men wordt niet bovenmenselijk, maar men beleeft intenser de menselijke krachten. Men staat niet dichter bij God, maar men beseft de inwerkingen Gods vollediger en gebruikt de inwerkingen Gods juister en vollediger op zijn eigen niveau.

Uit deze regels vloeit reeds voort, dat inwijding iets is dat aan persoonlijke beleving gebonden is. Die persoonlijke beleving kan niemand u geven buiten uzelf. Er zijn wat methoden te geven wij zullen dat t.z.t. ook doen waardoor u deze kunt bereiken. En die regels zijn ook weer gelijkelijk bruikbaar voor de esoterische inwijding en magische inwijding. Het sleutelbegrip voor beide soorten is ook gelijk.

Het is slechts de eigen oriëntatie die op den duur over het meer esoterisch, of meer magisch zijn van de inwijding zal beslissen. Het is dus de houding die men aanneemt tegenover het leven; niet in de eerste plaats de vernieuwing van waarden in dit leven.

Nu hebben wij niet zoveel tijd meer om in deze reeks van lezingen tot een afronding te komen. Pogingen om een directe inwijding tot stand te brengen zijn meerdere malen gestrand op de neiging van de meeste mensen om zich te beroepen op anderen, op het andere, of op de leiding en de meester.

Begrijp wel dat wij ook in deze reeks van lezingen niets anders kunnen doen dan trachten u de sleutels in handen te geven, waarmee u uw eigen innerlijke wezen kunt ontsluiten.

Veel van hetgeen gezegd is lijkt u herhaling, andere delen van hetgeen te berde wordt gebracht zijn u.i. althans overbodig of vervelend. In vele gevallen lijken u de feiten die worden genoemd, de stellingen die worden gegeven, uitermate onpraktisch. Wij zijn ons daar zeer wel van bewust.

Al deze gegevens moeten echter op de juiste wijze gegroepeerd worden. Zij moeten a.h.w. één worden in de mens, totdat hij een juist en voor hem hanteerbaar begrip krijgt van hetgeen in zijn eigen wezen bestaat. Elke regel en elke wet die wordt gegeven; is slechts een benadering. Want uit de regel en uit de wet, zoals die hier wordt gegeven, zult u uw persoonlijke toepassing, uw persoonlijke beleving moeten zoeken.

Het is om al deze redenen, dat wij bijzonder blij zijn dat wij een van de hogere sprekers bereid hebben gevonden ook in dit gezelschap een toespraak te houden. Ik wil hier echter uitdrukkelijk stellen, dat de toespraak zelf natuurlijk geen inwijding is. Zij is slechts een sleutelbegrip.

Het sleutelbegrip ligt voor u allen op de volgende vlakken: Het zuiver materiële, het astrale, het levensgebied en het mentale. Ook daarboven worden sleutels verschaft, maar die zullen niet voor een ieder onmiddellijk te bereiken en te begrijpen zijn.

Beschouw die dus niet als iets wat u alleen maar moet ondergaan. Beschouw het ook niet als iets dat u een zekere wijding of macht geeft, ik zeg dit er uitdrukkelijk bij! Beschouw hetgeen door deze spreker naar voren wordt gebracht – een combinatie overigens van kracht, sfeer en van woorden – als iets wat u voortdurend moet trachten te herleven in uzelf, tot daaruit voor u een paar belangrijke punten naar voren zijn gekomen. Dingen die u licht geven in uw eigen leven en de problemen daarvan. Dingen die u doen begrijpen, hoe u bepaalde krachten misschien juister of beter kunt hanteren; misschien zelfs begrippen die het u mogelijk maken, gaven die voortdurend nog sluimeren, die niet geheel gebruikt konden worden, nu wel bewust te gebruiken.

Dat ik deze inleiding houd vloeit voort uit het feit, dat wij zo zeer overtuigd zijn van de hoge waarde van hetgeen gebracht wordt, dat wij a.h.w. elke druppel licht en elke sleutel daarvan, ook gaarne gebruikt zouden zien door u, voor uw wereld en voor uzelf.

Na deze spreker volgt een tweede spreker, die met u eveneens op meer esoterisch en meditatief terrein zal spreken. Het is echter de volgende spreker vooral voor wie absolute aandacht wordt gevraagd. Ik blijf wel aanwezig, maar ik durf mij niet te verstouten nog een commentaar te geven. Ik neem thans afscheid van u en zal alleen waar dit hoogst noodzakelijk blijkt als tijdelijk bemiddelaar nog optreden.

0-0-0-0-0-0-0

Wie zoekt naar de waarheid, zoekt naar zichzelf.

Wie zoekt naar de kracht en leeft uit de Kracht, zoekt dat van het Goddelijke, dat in Zijn eigen wezen leeft en bestaat.

Deze spreuken zijn het beginsel, het principe dat voor een ieder steeds meer gelden zal.

Uw eigen wereld, uw stoffelijke wereld, is gebonden aan vele wetten en vele regels. Maar deze wetten en regels kunnen soms overtroffen worden door andere, door sterkere wetten, regels en krachten. En nu wil ik u zeggen, hoe dit bestaat.

Er is een Kracht, waaruit wij allen voortkomen. Een Kracht, waarin wij leven en een Kracht, die ons wezen kan beheersen, indien wij die Kracht aanvaarden. Het is geen Kracht die ge komt binden tot uw eigen wil, geen Kracht die ge kunt terugbrengen tot uw eigen beperking. Deze Kracht is de wijsheid die in u leeft en wanneer die Kracht zegt: Ga, dan dient ge te gaan. Wanneer ze zegt: Kom, zo zult ge komen een Kracht waarin men moet geloven.

Het geloof is de kern van het leven. Want het is het geloof, de aanvaarding van ook dat, wat wij niet kennen, het beleven ook van het omgekeerde, waarin voortdurend weer de Eeuwige tot uiting komt.

Wanneer ge ademt, zo is uw adem niet slechts lucht. Zij is leven. En zij wordt leven omdat ook de levende Kracht daarin is. En zo ge ademt weet dat de levende Kracht tot u komt, zo is de ademing de levende Kracht, die niet slechts uw lichaam in stand houdt, maar uw geest en ziel doordringt.

Wanneer gij in eenzaamheid mediteert en gij denkt aan onderwerpen alleen, ach; zij zullen snel zich vervormen of vervlieden. Gij zult moeten strijden met krachten die u aanbieden om me er te bereiken voor en kort ogenblik. Ge zult echter nimmer mogen zeggen: Ik mediteer over dit punt en slechts dit punt alleen.

Ik weet dit, want wie mediteert en in zijn meditatie zich verheft boven alle dingen, hij vindt het licht, maar hij vindt ook het duister. Wie zich dan onderwerpt aan het Lichtende, hij is bewustzijnsloos, hij is een slaaf. Wie zich onderwerpt aan het duister of het aanbod van het duister aanvaardt, hij is voor een korte wijle vorst en daarna een geketende.

Er is maar één Kracht die leven is. Een Kracht, waarin men geloven moet. Uit deze Kracht is de Wet geboren. En de Wet zegt, dat men elkander moet liefhebben.

Maar dat is niet een liefde die kan worden omschreven of gedefinieerd. Het is geen liefde die grenzen kent. Wanneer ge waarlijk lief hebt, zo is er eveneens geen beperking.

Maar kunt gij allen liefhebben? Er zijn krachten in het leven, die ge niet kunt aanvaarden en deze kunt ge niet beminnen. En waar ge niet beminnen kunt, daar kunt ge niet uw kracht leven en uw kracht zijn, daar kunt ge niet Gods Kracht vanuit uw wezen verwerkelijken. Maar waar gij aanvaarden kunt en waar ge beminnen kunt, daar is de grote Kracht machtig boven alle dingen. Want het is uit het geloof in de mens dat de Schepper spreekt in de mens; het is uit de liefde die leeft in de mens, dat de Schepper Zich uit door de mens in de wereld.

Er zijn vele beperkingen in het menselijk bestaan. Men zal u zeggen; gij zijt niet verstandig. Maar ik vraag u: wat is verstand wanneer de waarheid in u leeft? Leef de waarheid en vraag u niet af wat de waarheid is. Want waarlijk, welke mens kan de Vader kennen?

Maar soms zult ge weten in uzelf: Dit is nu waar voor mij. Wanneer ge dat erkent, zo zult ge ook weten: Nu is de Kracht in mij, en uit de Kracht kan ik volbrengen zonder mij af te vragen, hoe ik denken moet.

Wanneer je rijk bent, rijk in kennis, rijk in goed, rijk in de achting van je medemensen, dan lijkt het soms eenvoudig om goed te zijn. Maar toch is dat niet de ware goedheid.

Want leeft ge buiten uzelf, zo zult ge niet leven uit de God, Die in u is. Niet wat ge zijt, of denkt te zijn, of te kunnen, maar alleen de Kracht, Die in u leeft kan spreken.

Wanneer gij demonen ontmoet en gij vreest demonen, zij zullen u verslinden. Maar als ge de demonen ziet en ofwel niet kunt aanvaarden, maar de wereld waarin ze leven wel kunt liefhebben, dan wel onbevreesd zelfs de demon lief hebt, zo zeg ik u: Hij is als een dier dat zich aan u hecht, u volgend en beschermend en u de vruchten van zijn leven gevend.

Gij, die zoekt naar een weg, gij zoekt in de kennis en gij zoekt in de wereld, en ge zoekt zelfs misschien in het geloof en ge voelt u onmachtig om te geloven. Want gij meent zo sterk te zijn. Weet dat ge zwak zijt. Want het zijn de zwakken die de Kracht in zich als Kracht erkennen, de vesting van het Licht dat in hen woont, waaruit zij tot sterken worden; niet om zichzelf, maar om de Kracht, die hen beweegt.

Gij meent te mogen oordelen over de wereld en over wat zij voortbrengt. Maar ge oordeelt uit uzelf, en uw oordeel is te beperkt om de Waarheid te kennen.

Maar in u is de Levende Kracht, Die al aanvaardt, Die al doortintelt en doorleeft in alle tijden. De Kracht der Liefde, der Goddelijke, der Scheppende Liefde. De Vader, Die in u is. Laat Deze dan oordelen. Niet door uw verstand maar door de Kracht Die Hij u geeft om af te wenden of te ondersteunen. Aarzelt nimmer en weest niet kleingelovig. Weest sterk in uw zwakte door de Kracht, Die in u woont.

Ik spreek u van de waarheden en de Wetten, die uit de Vader zijn geboren voor er mensen waren. En ik spreek u van de geheimen, die leven in de mens, wanneer hij ze slechts erkennen kan. Het is goed om te leven waar ge ook zijt of hoe ge ook zijt. En het is goed om te sterven, want sterven is herboren worden in een nieuw leven. Maar dit is niet genoeg.

Kunt ge beseffen wat de kosmische band is die ons bindt met God? Kunt gij beseffen wat de Eeuwige Kracht is, die ons wijsheid wordt, die ons het heelal openlegt als een rijpe vrucht ons aangeboden, tot wij ons verzadigen?

Het is de Kracht van de kosmische liefde, een aanvaarding die nooit verwerpt, een licht dat altijd schijnt, een schaduw die altijd behoedt. Het is een wereld, die nauw geboren is en het is een wereld die in ouderdom vergaat; en de rijkdommen van wat komen gaat en van wat is geweest tezamen, zij leven in u door de liefde van den God, die voor u bestaat. Gij zijt ongeduldig en gij zijt snel verveeld en gij meent snel dat ge niet meer kunt of niet meer moogt. Gij zijt zo snel, mens. En ge meent misschien dat dit verkeerd is. Maar ik zeg u: Wanneer ge slechts de Liefde Gods kunt aanvaarden, Die in u is, leef als een kind.

Fel en scherp, egoïstisch desnoods, maar als een kind, dat elk ogenblik proeft met de volheid van zijn wezen. Een kind waarvoor de droom een werkelijkheid is en de werkelijkheid soms een droom waar geestelijk leven en stoffelijk leven met elkaar vervloeien tot eenheid.

Want het kind beperkt zich niet als de volwassene. Het kind vraagt niet waarom het zijn liefde geeft, het geeft. Het kind vraagt niet waarom het haat. Het haat. En het kind beantwoordt daarom eerlijk aan zichzelf. En wanneer dat kind dan nog geloven kan, wanneer het in zich het zonnige, lichtende van een Goddelijke Liefde draagt, zo is dat kind God.

Ik zeg u niet dat ge God zijt, want wie zich een God denkt wil zich verheffen boven een ander. Neen, ik zeg u dat ge gelijk zijt aan allen. Of ik leef in een wereld van licht en de hoogste krachten mij groeten, of dat ik ben tussen u mensen, waar men mij niet kent, ik ben tussen mijn gelijken. En zo zijt gij tussen uw gelijken.

Er is geen jeugd en geen ouderdom, er is geen komen en geen gaan, er is slechts het leven, het leven waarin wij allen verbonden zijn door een Kracht en een Waarheid.

En als ge dit beseft, dan zult ge misschien verstaan wat het betekent, wanneer ik u zeg: Zoals ik het Licht liefheb dat in mij leeft, zoals ik het leven liefheb dat ik ben, zo heb ik u allen lief, omdat ik ben. Dat is licht, dat is lichtende juichende Kracht en dat is het enige leven dat waar is.

Er bestaan formules, waarmee ge krachten kunt wekken in het Al. Maar wanneer ge in uzelf dit gevoel van eenheid bezit, dan wekt ge geen kracht d.m.v. een machtswoord, een zegel, een bezwering. Dan is de Kracht de uwe, omdat ze aan u gelijk en met u is. Weet dat ge gelijk zijt aan alle dingen, behalve de bron waaruit ge leeft. Weet dat er geen geheimen voor u bestaan, in welke wereld ook, die niet in uw wezen geschreven zijn.

Gij gaat uw gang door het leven en ge weet van uw eigen wezen slechts weinig, zeer, zeer weinig. Ge beseft niet eens van waar ge gekomen zijt; en dat waarheen gij gaat is voor u een vage droom, die misschien eens werkelijkheid zal worden, of zal verbleken. Maar gij leeft, gij zijt.

Wanneer gij, en met u de mensheid, met u dat Al, waarin wij gebonden zijn door de kracht van de Liefde die in ons allen wordt gekend en geopenbaard, gij behoeft slechts in uzelf te keren en te zeggen; nu ben ik niet mijzelf, maar ik ben de Kracht die in mij leeft.

En dan gewordt u het woord, dan gewordt u de Kracht, dan wordt ge tot het zegel. Dan is er niets meer voor u gesloten, wanneer gij beseft; o, ik weet waarom men mij gevraagd heeft of ik deze maal d.m.v. een medium met u wilde spreken. Het is omdat uw harten hunkeren en een vernieuwing, naar een inwijding, naar een opgaan. Maar ge kunt niet buiten uzelf opgaan. Slechts in uzelf. Gij kunt niet ingewijd worden in een geheim waarvan ge geen deel zijt. Gij kunt niets zijn buiten dat wat ge reeds zijt.

Aanvaard dan uzelve. Zoek niet uzelf nauwkeurig te omschrijven. En zo ge dit doet, beschouw die kennis slechts als een werktuig voor uw eigen wereld, maar nimmer als een bepaling van uw wezen. Wanneer ge de geheimen kent van alle sferen, zeg niet: Ik weet.

Maar beschouw het als een werktuig om redelijk iets op te bouwen.

Wanneer ik u zeg dat ge kracht hebt, dan hebt ge die kracht, en wanneer ik u zeg, dat ge vrede hebt, zo bezit ge de vrede, indien ge slechts aanvaardt wat in u leeft. Niets is u onmogelijk, waar ge werkelijk weet en gelooft en kent de Kracht, die in u woont.

Er zijn oude woorden in vergeten talen, die ik niet terugvind in het middel dat ik gebruik.

Oude woorden die spreken over de band die tussen allen bestaat. Oude woorden die spreken over de eenheid van mens en geest en God, die belangrijk is boven alle dingen.

De mensen hebben er wijsheid uit gemaakt, ze hebben er systemen van gemaakt. Ze hebben het, uitgeschreven in hun heilige boeken; maar ze hebben vergeten dat deze dingen moeten leven.

Is het belangrijk hoe God spreekt, wanneer Hij spreekt? Is het belangrijk hoe de kracht u wordt gegeven wanneer zij wordt gegeven? Is het belangrijk hoe de waarheid ontstaat wanneer zij waar blijkt te zijn?

Wanneer ge de grenzen afbreekt in uw wezen, wanneer ge niet vreest voor wat er ook bestaat in de schepping, wetend dat de kracht en de band met de Schepper is de alaanvaardende, alomvattende Kracht van Liefde.

Wanneer gij aanvaardt het licht, niet in het knielend, nederig zeggend: Ik ben uw dienaar. Maar zeggende: Gij, Die in mij leeft, laat mij deze Kracht beantwoorden en verwerkelijken. Voorwaar ik zeg u: Gij bezit meer dan een eenvoudige inwijding op aarde ooit geven kan.

Men heeft mij wel gezegd: Heer, Uw woorden zijn vol wijsheid, maar wij zijn mensen en wij kunnen Uw wegen niet gaan. Ik heb hen steeds geantwoord; ga dan uw eigen weg.

Mijn eigen weg kunt ge alleen gaan, wanneer gij met mij aankleeft de ene Kracht Die alle dingen is. (O, geef mij nu geen naam in uw gedachten, want de naam is de spotternij die de verdeeldheid erkent en de eenheid verwerpt.) Mijn antwoord was ook steeds weer: Dat wat gij aanvaardt uit den Hoogste is uw deel, Dat wat gij erkent in het Licht is uw werkelijkheid. En zo gij vertrouwt op Uw God, zo zult ge uwen God leven. En zo gij erkent dat uw God Kracht en Liefde is, zo zult gij niet vragen hoe en waarom, maar ge zult. Zijn Kracht en Zijn Liefde openbaren.

Dit is de grootste waarheid die ik u geven kan, u die mijn gelijken zijt: Broeders en zusters, geboren uit hetzelfde Licht. Gij die of ge wilt of niet een deel van de weg moet gaan die ik gegaan ben, omdat men vaak moet verliezen om te bezitten. Maar gij ook in wie hetzelfde leeft wat in mij leeft; Licht, de Kracht van de liefdevolle Vader en de Vrede, die alle dingen te boven gaat.

En wanneer ge misschien ervaart wat wij hier op dit ogenblik ervaren, is er dan niet een rust en een stilte die Verwachting is? Elke verwachting die in u leeft is een werkelijkheid die, zo ge haar aanvaardt, ook in u openbaar wordt.

En met dit alles wil ik u slechts geven wat ik zo vaak heb gegeven aan hen die in wezen mijn gelijken zijn, maar die gelijkheid nog niet in zich durven erkennen.

Dat de Vrede, de Liefde en de Kracht van den Vader met u moge zijn. Ik geef u mijn Kracht, ik geef u mijn Vrede, ik geef u mijn Licht, ik geef u mijn Liefde, opdat wij één mogen zijn in den Vader, Die ons voortbracht en de Vrede mogen gewinnen van Zijn Rijk. Zijn Kracht, Die ons allen vereent.

En nu ga ik u verlaten, in deze vorm. En toch ben ik met u, zoals zo velen met u zijn, zonder dat ge het nog beseft. Daarom, vertwijfel niet en wanhoop niet. En oordeel uzelf niet en uw naaste niet, maar leef de Kracht, opdat ge moogt ervaren wat waarlijk uw erfdeel is. Dat de Lichtende Vrede met u moge blijven, totdat gij bewust zijt van uzelf.

Kan ik u meer geven? Ik geef u mijzelf Om de God Die in mij woont. Ik geef u de Kracht, Die ook door mij werkt. Maar gij, gij zult Ze moeten aanvaarden. En wanneer ge twijfelt, zoals mensen zo vaak twijfelen, en zoals ook ik wel twijfelde, onthoudt dan dit: De Kracht is altijd waar, zo lang ge haar aanvaardt. En wanneer ge niet meer gevoelt dat die Kracht met u is, zo is het Uw wezen en niet de Kracht die de band tijdelijk breekt.

0-0-0-0-0-0-0-0

Wij zullen dan proberen om ondanks alles, wat hier geweest is en waarmee ik zeker niet kan of durf te concurreren ons weer bezig te houden met de esoterie. Nu hebt u misschien van onze grote vriend en meester wel gehoord, hoezeer zich dat eigenlijk allemaal afspeelt binnen het “ik”. Er zijn natuurlijk heel veel visies te geven en heel veel zienswijzen op die esoterie. Maar als je een alomvattend begrip hebt gehad, dan vraag je je wel eens af. Heeft het werkelijk zin en door te gaan met het behandelen van een systeem? En nu was mij dan toch gevraagd om hier vanavond het een en ander te vertellen over de meer christelijke vormen van esoterie. Ik zou echter mijn beschouwing (gezien het voorgaande) graag een beetje in een laat ons zeggen meer meditatieve sfeer trekken. Ik hoop niet dat u dat erg vindt.

Wanneer je in jezelf naar waarheid zoekt, dan sta je altijd weer voor vele raadselen. Er komt zelfs een ogenblik, dat je je afvraagt of je wel ooit de waarheid zult kunnen vinden.

Want wij zijn geneigd om te werken met onze eigen middelen en methoden. En dat wil dus zeggen, dat wij ons gebonden achten aan de eigen wereld.

Nu kun je een beeldhouwwerk wel suggereren, of een schilderstuk, maar je kunt het nooit volledig zichtbaar maken. Het is altijd maar een kant van de zaak. Zo gaat het ongetwijfeld met ons, wanneer wij proberen de kennis van ons eigen wezen uit te drukken in de redelijke termen, die wij zelf kennen. Want er zijn altijd impulsen bij, die je niet kunt terugbrengen tot iets redelijks.

In het christendom heeft men natuurlijk ook hiermee te worstelen gehad. En wij vinden dan ook heel veel voorstellingen, die tenslotte ofschoon allegorisch toch ook ontsproten zijn aan het christelijk mystiek denken, waarbij wij dat “ik” vinden voorgesteld als bv. een soort fort met een groot aantal poorten, meestal 42. Er is echter maar één echte poort bij. Een poort, waardoor je de binnenplaats kunt bereiken. Wij vinden er begrippen uitgedrukt in een soort gang der wijzen. Maar die gang der wijzen bestaat ook gelijktijdig uit een trap. En je moet trede voor trede opgaan. Maar elke trede zou eigenlijk moeten worden omlijst door een boog, waarin weer afzonderlijke begrippen staan. M.a.w. ook de christen heeft esoterisch de moeilijkheid van het kennen, van het omschrijven. Hij probeert eraan te ontkomen, maar komt dan in conflict met de kerkelijke structuur en met de geloofsstructuur. Want daarin mag hij zichzelf niet onbeperkt ervaren, maar alleen volgens vaste regels, die dogmatisch zijn vastgelegd.

Nu bestaat er maar een methode om hieraan te ontkomen; een methode, die ik ook in mijn leven heb leren kennen. De methode nl. van de mystiek. Wij kennen misschien wel het begrip union mystico (de mystieke vereniging), die niet wordt gezien als een werkelijk gebeuren, maar als een versmelting van het “ik” met hogere waarden.

De christen is verder gebonden aan begrippen, die hem vaak moeilijkheden bezorgen. Een daarvan is bv. het begrip; genade. Een ander is; schuldenlast of zonde. Het deze begrippen kun je niet afrekenen. En daarom komt hij dus tot het aannemen van de onbekende grote God, die gestalte krijgt in Jezus Christus; de God, Die zijn wezen a.h.w. in Zich opneemt. Daarmede ontstaat een versmelting van alle beperkingen. Want zo de kerk met haar regels en de wereld met haar begrippen belangrijk zijn, God (of Jezus Christus) is hoger, Hij is belangrijker, Hij neemt de beperkingen weg. En daardoor ontwikkelt zich het gebruik van een meditatie, waarbij men zichzelf probeert te zien opgaan in Jezus. Men erkent zichzelf daar en deze erkenning van het “ik” wordt dan niet meer gezien als het ego (de persoonlijkheid), maar eerder als een figuur Jezus.

Er zijn heel wat soorten discipline gevormd in de loop der tijd (een van de grote zoekers naar een dergelijke discipline was wel Ignatius van Loyola), waardoor de mens dus ontsnapt aan de menselijke beperking. Onze menselijke beperking is in esoterisch opzicht niet alleen maar de religieuze of de menselijke begripsvorm, maar het is de grote beperktheid, die wij ook aan onszelf opleggen. Door nu op te gaan in het hogere kun je die banden kwijtraken. Maar het heeft een groot nadeel. Datgene wat je bereikt, wat je van jezelf erkent, dat: Moet je dan ook identificeren met de godheid.

Ik heb ervaringen opgedaan op dit terrein, die pijnlijk bewijzen dat je op een gegeven ogenblik een god gaat vereren, die in feite alleen maar het eigen wezen is maar nu vrij van alle banden. Die vrijheid van banden kun je dus als christen moeilijk aanvaarden. Dat is heel eigenaardig omdat Jezus zelf – ofschoon ik dat pas na mijn dood heb kunnen leren – juist de grote geest van de vrijheid zelf is. Hij is niet degene die banden legt, hij is degene die ketenen slaakt. Hij is niet degene die ons dwingt op een bepaalde manier te denken, maar hij is degene die aan onze gedachten een gezamenlijk doel geeft. En op deze manier wordt dus die hele complexe reeks van christelijk esoterische voorstellingen op den duur eigenlijk ongeldig.

Zeker, het begrip van de mystieke vereniging bestaat. Het bestaat overal iets, wat de stellers ongetwijfeld niet begrepen hebben. Maar zij grijpen daar terug naar een oudheid waarin de mystieke vereniging een heel wat stoffelijker betekenis had. Het is het verliezen van jezelf.

En hier kom ik aan het puntje dat ik mij toch had voorgenomen met u te bespreken. Ik had dit alles mooier en sonoor willen doen. Maar dan zou ik als een acteur moeten trachten een grootheid te verbeelden, die ik in vergelijking tot de spreker, die u mocht ontvangen, niet bezit. En daarom probeer ik het heel gewoon te doen, heel menselijk. Daarom laat ik zelfs grote aspecten van mijn eigen wezen terugvallen achter het medium dat ik gebruik.

Volgens mij moeten wij dit mystieke, dat dus de esoterische weg bevat van het Christendom, als volgt beseffen: De grote wet die alles beheerst is niet de wet van verdeeldheid, maar van eenheid. Zo is naastenliefde, natuurlijk. Maar ze is iets wat verder gaat dan naastenliefde. Ze is een voortdurend zoeken naar een grote harmonie, waarin je dus de beperking van je eigen “ik” niet beseft.

Nu zijn wij allemaal ergens deel van de Vader, van God, Wij zijn overal eigenlijk gebonden met alle werelden en alle sfeer. Alleen…. wij zijn er ons niet van bewust. Door nu te vergeten wie en wat wij zijn en daarvoor in de plaats te stellen alleen maar dit Hoogste of Hogere, worden wij van onszelf bevrijd. En die bevrijding gaan wij proberen weer te geven in duizend en een verschillende ik zou haast zeggen rituelen. Wij gebruiken er psalmen voor, magische formules of het sacrament, dus de symbolische verbinding met het Hoogste in een bepaalde richting. Met al die dingen bereiken wij alleen maar, dat wij dus vrij worden van de beperking, vrij worden van de gebondenheid, die in de materie zo vaak overheerst: En daar komt als ik mij niet vergis de eigenlijke mystieke aap wel uit de mouw.

Zolang een mens zichzelf is, is hij onderworpen aan zichzelf. Als mens bouw je je eigen gevangenis uit je gedachten van zonden, uit je begrippen van goed en verkeerd, uit je begrippen van verplichtingen. en van onmogelijkheden. Je bent zozeer gevangen in zo’n leader, in zo’n kooitje van begrippen, dat je alleen maar door jezelf helemaal te verliezen vrij kunt worden. Het lijkt mij toe dat dit niet noodzakelijk is. Want wanneer ik nu in mijzelf opga en wanneer ik in mijzelf ga zoeken naar de hoogste kracht, dan kan ik toch ook wel erkennen, dat die kracht in mijzelf is. Waarom moet ik dan zeggen dat Jezus handelt door mij of dat ik handel namens Jezus, wanneer ik in mijzelf slechts handel vanuit mijzelf maar ook vanuit het begrip van God (en dus ook van Christus), zoals dat in mij bestaat? De mystiek die zichzelf losmaakt van het “ik”-besef, om daardoor het Hoogste te ervaren, maakt het zich onmogelijk om ditzelfde hogere besef en begrip terug te brengen tot de wereld. En in die wereld hebben wij het zozeer van node.

Al dat Hogere, dat wonderlijk sacramentele, dat komt wel op een gegeven ogenblik in je leven en dat kan op een bepaald ogenblik je dus verheffen, maar je valt altijd terug. Het is geen werkelijk klimmen meer, het is een opspringen om over de muur te kijken van de tijd en daarachter iets van de eeuwigheid te zien. De gedachtegang die wij moeten gebruiken is dan ook volgens mij de volgende: Alles wat ik ben, alles wat ik doe, alles wat ik kan doen, alles wat ik ooit zal doen, is uit God. Het is alles uit dezelfde Kracht, uit de zelfde gemeenschap a.h.w. met het Hoogste.

En al mijn daden weerspiegelen dus ook God, zoals Hij leeft in mij. Er is geen enkele beperking of grens gesteld daaraan, buiten de beperkingen misschien, die in mijzelf leven.

Ik leef de Oneindige, en niet slechts word ik door de Oneindige geleefd. Wanneer ik besef dat geheel mijn wezen deel is van de oneindigheid, dan kan ik dus de eeuwigheid laten doorklinken in alle dingen. Dan handel ik niet meer voor een kort ogenblik, maar dan besef ik, dat bij alles wat ik doe ik een eeuwigheid aan mijzelf toevoeg.

Ja, verdergaande ontdek ik zelfs, dat een groot gedeelte van mijn stoffelijk denken, ja, zelfs van mijn mediteren en werken terugvloeit tot een zuiver stoffelijk ritueeltje, waaraan ik geen deel heb. Ik heb er geen deel aan. Het kan waar bestaan, het kan volkomen reëel zijn, maar het is niet voor mij. Ik leef er niet in en daarom heeft het voor mij geen zin.

Ik leef God, zeker. Maar ik kan God alleen maar leven, zoals ik Hem in mij draag en in mij besef. En een God die ik vrees kan ik nooit tot werkelijkheid maken. Een mens, die bang is voor zijn God, ligt op zijn knieën en durft niet op te zien Wij echter moeten juist onze God durven aanschouwen in alle dingen, om daardoor te komen tot een begrip van die God en van onszelf.

Vanuit mijn standpunt dus dat is niet meer christelijk volgens de gangbare regels, al het andere zou er nog ondergebracht kunnen worden krijg ik nu dit: Hoezeer ik ook mijzelf besef, ik ben eerst mijzelf, wanneer ik besef hoe God in mij is. Alles wat ik doe en niet doe, alles wat ik denk en wat ik niet denk, wat ik innerlijk beleef en wat ik innerlijk verwerp, bepaalt hoe ik leef in God, wat God in mij wil. Ik word door een goddelijke wet en een goddelijke wil beheerst. En wanneer ik een bepaald geloof heb en langs dit geloof zoek naar de weg, dan komt dat ook, omdat volgens het goddelijk plan ik daar ergens binnen behoor. Maar het is mij een leidsnoer, niet de werkelijkheid. Het is een aanwijzing, niet de weg zelf. De weg is het voortdurend erkennen van God, zoals Hij in mij leeft. En het gelijktijdig beseffen dat ik die God alleen waarlijk beleef, wanneer ik geen voorbehoud maak, wanneer ik niet tegensputter, wanneer ik iets niet verwerp of beschouw als duister. Ik moet mij niet afvragen of ik wel statig genoeg ben om God te ontmoeten, of ik wel voldoende schoon gekleed ben. Ik moet mij slechts afvragen of ik kan beantwoorden aan God, zoals Hij in mij leeft.

En wanneer ik dat doe in meditatie, dan is dat heel mooi en kan ik daar kracht uit putten, maar die kracht heeft toch werkelijk pas zin, wanneer mijn meditatie niet alleen maar gebaseerd is op een theorie, maar ook op een werkelijkheid. Alles wat je bent is niet alleen idee. God is de idee maar God is ook de kracht, waaruit alles leeft. God is niet alleen maar de Schepper, Hij is ook de liefdevolle Vader, Die ons confronteert met de Christus, die ik overigens ook niet meer beschouw als alleen maar verbonden met Jezus van Nazareth.

En in die Christus, in die God, leven we. Er is niets wat daarbuiten kan liggen. Op het ogenblik dat we er iets buiten stellen, deugt het niet. Op het ogenblik dat Wij iets daarbinnen niet kunnen aanvaarden, moeten wij ons dus wel eens even afvragen, of het nu aan onszelf ligt, of dat het werkelijk wordt gevoeld als een kosmische noodzaak, als iets vanuit God. Wat vanuit God voor mij juist lijkt, dat mag ik, ja, dat moet ik proberen te zijn, te leven.

En dan wordt de mystiek dus eigenlijk omgekeerd. In de christelijke mystiek ga je op in God. De mystieke unie, de mystieke vereniging, is de mens die opgaat in God. Maar het zou ook moeten zijn het besef van God, Die in en door de mens werkt. Wanneer ik zeg; ik ben ziek, dan zal ik ziek zijn; wanneer ik zeg ik; ben gezond, dan zal ik gezond zijn, wanneer ik besef dat dit niet alleen een kwestie is van mij, van mijn lichaam of van een wereld, maar van de Kracht die ik aanvaard. Wanneer ik zeg ik heb het weten en ik zeg ik heb het zelf, dan is mijn weten beperkt en dan zijn er fouten. Wanneer ik erken: Er is een weten en dat weten ligt in het Hogere, dan laat ik het Hoger weten zich op die mystieke onbegrijpelijke manier verenigen met mijn wezen en dan kan ik dat spreken, dan kan ik dat erkennen, dan kan ik profeteren als de profeten en de waarheid zeggen als de grootste meesters op aarde, de grootste meesters in de sferen. Er is daarin geen beperking.

U ziet dus dat deze gedachte van de christelijke esoterie op een gegeven ogenblik door haar eenzijdigheid vastloopt. Zo is er ook de gedachte: Wij moeten alles samenbrengen onder een geheel. Dit alles moet samenkomen onder een kerk; of allen moeten een God aanbidden; of allen moeten onze Jezus zien als de werkelijke verlosser. Als dat zo moet zijn, dan zal God dat doen. Neen, wij moeten niet proberen om de verschillen die in de schepping bestaan uit te wissen. Wij moeten proberen deze te beleven binnen het Goddelijke. Wij moeten het niet zien als iets, waarvoor wij verantwoordelijk zijn, wat wij moeten omzetten in vormen en buigen tot het het onze is. Neen, wij moeten beseffen dat het van God is, dat het uit God leeft en bestaat.

U ziet dus; ik heb er heel wat kritiek op. En die kritiek is natuurlijk niet gekomen in een enkel ogenblikje van leven, dat begrijpt u wel. Ze is moeizaam verworven in meerdere levens en in vele sferen.

Waarom dan toch hierover gesproken? Wel, ik ben tenslotte ook in de wereld waarin ik nu leef een representant van wat men zou kunnen noemen de christelijke esoterie, de christelijke bespiegeling. En daarbij ben ik ver afgeweken van dat, wat ik eens in mijn leven was. Maar ik heb er iets in gevonden, dat voor mij althans – en dat is dus een zuiver persoonlijke zaak – zo moeilijk in een andere vorm is uit te drukken. Het is niet weer te geven. Wanneer ik moet gaan werken met allerhand Hindoe-termen, dan kan ik het ook doen, natuurlijk. Maar het is niet klaar en helder, het is niet begrijpelijk. Het is weer een kwestie geworden van kennis en niet meer van het mystiek erkennen. En wanneer ik het wil uitdrukken in allerhand theorieën, dan is dat heel mooi, maar die theorieën op zichzelf hebben zo weinig waarde. Ik moet het kunnen beleven. En als ik het beleven moet, dan moet ik het beleven in een zin, die voor mij althans bevredigend is.

En nu ik u dit allemaal heb gezegd en daarmee dus eigenlijk toch weer een beetje ben teruggekeerd naar de punten, die ik u wilde voorleggen, nu zou ik willen proberen u een vorm van meditatie voor te zetten. Het is een meditatie ik zeg het er meteen bij die voor sommigen misschien niet zo belangrijk is. Maar anderen zullen kunnen meevoelen en die zullen zeggen: Ja, ik kan mij voorstellen dat dit de weg is, waardoor je die Christus bereikt, die grote Kracht bereikt. En nu moet ik daarvoor dat zult u ook begrijpen ook proberen om iets meer van mijzelf op de voorgrond te schuiven. Ik hoop niet dat u het erg vindt.

Ik doe dat dus niet uitgebrek aan eerbied tegenover degene, die hier het voertuig gebruikt heeft. Ik doe het alleen om mijn taak, die ik toch ook volgens zijn wil en wet mede help volvoeren, op de juiste wijze te kunnen volbrengen.

De kern van alle leven is de Christuskracht, de Christusgeest. Zij is de levende tinteling van begrip, die in ons doordringt. Zij is de band met de oneindigheid, boven alle sferen uitliggend, waarin wij God vinden.

Mijn wezen zelf besef ik als klein en onbelangrijk. Maar wanneer deze Kracht in mij leeft en door, mij werken wil, zo moet mijn leven betekenis hebben.

Waar ik ook ga, waar ik ook sta, met mij is de levende Kracht, met mij is de intensiteit van Licht en Werking, die ik ken als de Christus, de liefdevolle uiting van de Schepper zelf.

Ik geef mij over aan deze Kracht. En geen voorbehoud maak ik tegen deze Kracht, omdat hierin het enig belang van mijn bestaan is gelegen. Ik leef mijzelf slechts ommentwille van die Kracht.

Wat ik ben voor mijzelf is het spel, dat ligt rond de werkelijkheid, de droom die de dag soms aanvult of de ledige ogenblikken vullen kan. Maar slechts dat, wat ik ben krachtens het Goddelijke en uit het Goddelijke en door het Goddelijke, de Liefde die vanuit mijn wezen zich openbaart, de liefdekracht die ik op harmonische manier in mijn wezen uit, is van waar belang.

Er is natuurlijk een weg van kennis, maar alle kennis is van mij. Zij is van mensen, zij is van een sfeer en zij is niet leven. Maar de kracht ín mij is, meer dan alle kennis en meer dan alle kracht en meer dan alle leven.

Wie ben ik dan, dat ik mijn kracht, mijn kennis wil meten met de Christus zelf? Ik moet allereerst aanvaarden. En daarom aanvaard ik mijn leven. Ik aanvaard de gedachten en Krachten, die werken in mijn leven en al wat dat leven met zich meebrengt van wereld tot wereld en sfeer tot sfeer, onbeperkt aanvaardend de volheid, die door mij zijn volmaaktheid tot uiting brengt.

Als deel van de Christus zelf wil ik Zijn kracht, de Goddelijke Liefde, uiten altijd en overal, wetend dat ik de vertegenwoordiger ben van Zijn wezen, wetend dat ik kracht van Zijn Kracht ben en leven van Zijn leven.

Uit de oneindigheid roep ik steeds tot mij deze kracht. En wanneer ik aarzel of meen niet te Kunnen stijgen, wanneer ik meen mijn wezen niet te kunnen erkennen of verder te gaan in waarheid, dan beroep ik mij op deze Kracht alleen. Want deze Kracht is voor mij de kosmische waarheid.

Uit de tijd heb ik voor mijzelf gevonden de zwaarte van een stoffelijk bestaan, de moeizame tocht door sferen heen. En ik heb leren erkennen hoe groot de illusie is, die wij stellen voor de werkelijkheid. En daarom mag ik zeggen: Wat voor belang hebben de kleine dingen, die je doet of laat, wat voor belang is het hoe je kijkt en hoe je doet of zelfs wat je denkt, wanneer de drijfveer van je leven maar steeds is: God.

De illusie en de waan zijn een noodzaak, omdat wij de waarheid niet kunnen aanvaarden. Ze zijn een genadige sluier voor het verblindende Licht, aangebracht opdat wij niet zullen verschroeien als motten tegenover de werkelijkheid. Maar hoe meer wij ons beroepen op dat Licht en die Kracht, hoe meer het ons verzadigen zal, hoe sterker wij in die Kracht zijnde kunnen opgaan tot het Hogere en hoe minder ons verhuld zal zijn, niet alleen van de Hoogste God, van de levende liefdevolle Kracht, Die alles bezielt, maar ook van onszelf.

Ik weet dat ik deel ben van een groot Al, een Al dat ik niet ken en niet overzie. Ik weet dat elke fase van bestaan een voortzetting is van vele vorige en dat al die fasen een geheel zijn. Ik ken mijzelf als deel van Licht en Kracht. Hoe zou ik dan aarzelen om te leven? Hoe zou ik aarzelen om van sfeer tot sfeer te gaan of terug te keren? Het is God, Die leeft. En wanneer ik dit erken, dan is er waarheid, dan is er werkelijkheid.

Wij zoeken niet in onze mystiek en onze esoterie naar de waarheid. Wij zoeken onze waarheid. En zolang wij vanuit onszelf proberen op te bouwen en te streven, zo moeten wij beseffen dat dit alleen maar is het zoeken naar ons waar-zijn, naar ons verlangen naar onze werkelijkheid.

Maar op het ogenblik dat wij stellen; Het is de Kracht van de Goddelijke Liefde die mij beweegt, ik heb niet het recht een oordeel te spreken, zelfs niet over mijzelf, dan krijgt mijn gestalte vorm en erken ik mijzelf, omdat ik God erken Die in mij leeft.

Er is een verbondenheid tussen alle dingen. Sommigen noemen het de Scheppende Wil, anderen het gebod, weer anderen de adem van de Schepper zelf. Maar hoe ik deze dingen ook noem, zij zijn de waarheid van mijn leven en niet het beeld, dat ik zonder meer mijzelf opbouw.

Laat mij dit beseffen, laat geheel mijn wezen smeken en bidden, dat ik dit beseffen mag.

Want eerst dan zullen alle gedachten en gebruiken en methoden en rituelen hun zin krijgen, omdat zij dan niet meer zijn een waarheid in zichzelf, maar slechts het symbool, waarmede de grote waarheid wordt aangeduid.

Ik wil niet te lang spreken. Maar ik geloof. En het geloof, dat ik ben niet wat ik leef, maar wat ik ben is de waarheid van mijn wezen. Want niet zal ik kunnen geloven en niet zal ik kunnen of durven volbrengen wat niet waarlijk uit mijzelf is. En wat waarlijk uit mijzelf is, is waarlijk deel Gods.

Ik moet mijzelf zijn. En daarom moet ik zijn dat, wat ik geloof; dat, wat ik in mij ken en gevoel. Daarom moet ik mijzelf verwerkelijken. Niet in de trots van: hier staat een nieuwgeboren zoon Gods; maar in het begrip; hier spreekt Gods waarheid door mij. En alleen uit die waarheid zal ik mijzelf kennende kunnen bouwen het wezen, waarvoor ik bestemd ben. Er is een noodlot, maar dat noodlot ben ik zelf: Ik zelf en niemand anders. Geen duivel en geen God maakt mijn lijden, mijn smart en mijn vreugde. Maar mijn waarheid, die heeft God gemaakt. En mijn geloof, waar ik ook leef of ben, is mijn benadering van die waarheid.

Laat mij dan de waarheid leven, opdat ik het noodlot beheers. Opdat ik erkenne, dat de Christus in mij de directe weergave is van een Goddelijke werkelijkheid. Opdat ik erkenne, dat – zo ik Gods almachtig scheppend vermogen nog niet kan omvatten – ik – althans dit aspect – van Zijn wezen leven kan de grote Liefde, die alle dingen doordringt, alle dingen verenigt, niets verwerpend of scheidend en waaruit slechts de strijd voortkomt tegen de liefdeloosheid.

Ik geloof dat dit mijn taak en mijn bestemming is. Ik geloof in een God Die mij deze taak en bestemming geeft door alle tijden en werelden. En ik geloof in de Christuskracht, in de Goddelijke liefde in het bijzonder, die de weg is waardoor ik het bewustzijn bereiken mag, waarin ik mijzelf waarlijk ken en de kracht van mijn God waarlijk tot uitdrukking breng.

En nu, laat ik de beheersing maar weer wat gaan. Het beeld, dat ik u hier heb gegeven, is mijn eigen beeld. Denk niet dat het onfeilbaar is. Want wij allen groeien naar een waarheid toe en wij weten nooit in hoeverre we die waarheid ooit kunnen uitdrukken.

Daarom zou ik alleen nog dit willen zeggen:

Met alle respect dus ook voor de meester, die mij voorging en alle dingen erbij, ook voor u, uw eigen leven en denken laten we verstandig zijn en laten we begrijpen dat wij altijd weer het eigen sleuteltje nodig hebben en de waarheid en dat niemand die sleutel voor ons kan hanteren. Dat moeten we zelf doen. En laten we er ook a.u.b. steeds bij denken, dat het toch niet belangrijk is hoe of vanwaar de dingen ontstaan. Dat het belangrijk is, dat ze er zijn. En wat er is, dat moet je dan ook kunnen aanvaarden, beleven en verwerkelijken, omdat het deel is van jezelf. Wanneer je zo leeft, dan zul je er alleen spijt van hebben wanneer je ontdekt, dat je God niet in iets erkend hebt. Maar je zult er nooit spijt van hebben, dat je iets hebt gedacht, hebt gedaan of tot stand gebracht. En dan zul je ook nooit zeggen: Ik heb ergens het systeem niet kunnen vinden. Maar dan kun je dus alleen zeggen: Ik heb ergens voor een ogenblik het innerlijk contact, met de werkelijkheid verloren. Ik weet niet meer waarom dit God was in mij.

Dat is de mystieke vereniging, de kern van de christelijke esoterie. Ik hoop dat u daardoor iets meer zult begrijpen van de christenheid. want er zijn heel veel christenen, die waar esoterisch leven. Alleen zij gebruiken dit systeem en dan vaak nog binnen een dogmatische beperking. Begrijp dat zij er ook langs hun weg komen. En begrijp dat als wij die weg zoals ik hem heb getracht te schetsen wanneer hij bevrijd wordt van de beperking, wel mogen zien als een van de vlotste middelen om onszelf te kennen. Niet door zelfbeschuldiging en zelfonderzoek, maar door onszelf te leven, zoals wij God in ons erkennen. Ik besluit de avond met een kleine zegewens: Ik hoop dat de zegen, die u vanavond gegeven werd, als een Kracht in u mag leven; dat u die Kracht zult ervaren en gebruiken en zo de vrijheid van het Licht zult vinden op u wereld, zoals wij haar in andere sferen mogen genieten.

image_pdf