Inwijdingen van het licht

21 december 1958

We leven op het ogenblik in een zeer eigenaardige tijd van het jaar. Voor uw deel van de wereld is het stoffelijk volkomen duister, gelijktijdig echter behoort deze periode tot de inwijdingen, die wij noemen de inwijdingen van het licht. En zo is dan deze tijd voor ons de passende tijd om deze inwijdingsgedachte wat nader te beschouwen.

De inwijdingen van het licht bestaan uit een totaal van 33 proeven, 33 is een symboolgetal en elk dier proeven geeft aanleiding tot bepaalde beschouwingen. Nu kan ik voor u niet alle 33 fasen gaan opnoemen, niet alle 9 hoofdtrappen voor u aanduiden of elk der 3 daarin te bereiken graden voor u verder stipuleren. Maar wat ik dan wel met u wil doen, is enkele gedachten uit deze inwijdingen van het licht aan een nadere beschouwing onderwerpen.

Aan de leerling wordt o.m. dit gezegd: “In de aanvaarding van het duister kan het licht worden gevonden, in de aanvaarding van de dood het leven. Want er bestaat geen werkelijkheid, die niet in zichzelf een tweede werkelijkheid besluit.” Als hij zijn vragen dan gaat stellen om toelating en zijn beloften aflegt, dan krijgt hij dit te horen: “Bedenk wel, het licht vraagt geen zwaard. Het vraagt een aanvaarding, opdat in het aanvaarde licht de werkelijkheid uit u geboren worde.”

Dit is begrijpelijk. Want bij elke inwijding, die uitgaat van de kracht des lichts, is het noodzakelijk dat de strijdvaardigheid terzijde wordt gezet. Op het ogenblik, dat men gaat strijden volgens zijn eigen beperkte inzicht en principes, zal men zich altijd moeten wenden tegen de krachten, die uit de schepping zelve en uit het licht geboren worden. Het zwaard is een middel, waarmee je je tegen anderen verdedigt, waarmee je anderen kunt aanvallen. Dit is niet wenselijk. De ingewijde mag maar één wapen hanteren; vandaar dat – vóór de blinddoek wordt afgenomen – men de hand oplegt aan de leerling, die het woord van aanvaarding hoort. En er wordt tot hem dit gezegd: “Gij zijt uit eigen wezen en denken gewapend, tegen uzelf. Want het wapen van de ingewijde is de eerlijke gedachten en de daad van welwillendheid.” En dan volgt daarop de vraag: “Aanvaardt gij dit wapen en aanvaardt gij deze taak?” En als dan de inwijdingszoekende hier op de knie valt en bevestigt, dat hij dit wil doen, wordt hem de blinddoek weggenomen en dan volgt het laatste: “Aanschouw het licht. Wedergeboren zijt gij in uw eigen wil. En herboren uit uw gedachte vindt gij uw bestemming in alle tijden.”

Deze eerste trap vraagt natuurlijk van de leerling reeds een zekere kennis. Hij moet een zekere scholing hebben ondergaan. Maar tot op dat ogenblik is hij vrij geweest. Nu echter – in staat zijnde te oordelen over hetgeen hem gevraagd wordt – moet hij een keuze doen. De keuze voor de lichtende kracht of voor het menselijk zijn, ja, misschien voor het duister. Het enige wapen, dat hem wordt toegestaan, is dat van het denken.

Misschien meent u, dat dat weerloosheid inhoudt. Maar bestaat er één kracht, die sterker is dan de gedachte? Bestaat er één werkelijkheid, die meer inhoud geeft aan het leven dan de gedachte? Is er iets, wat ge kunt doen zonder te denken? Haast niets. Daartegenover staat, dat ge – juist door te denken – meer kunt doen dan menigeen met alle middelen, die hem ter beschikking staan. De leerling is niet machteloos of weerloos, Maar zijn verweer wordt overgebracht naar een ander terrein.

Het terrein van de geestelijke krachten.

Wij vinden ditzelfde in de kerstsymboliek terug. Want Jezus daalt ter aarde en hij is weerloos en hulpeloos. Maar onmiddellijk vertellen ons de legenden, dat engelen neerdalen om de wacht te houden, dat dieren spreken en bewustzijn krijgen, ja, dat op de vlucht naar Egypte de bomen zich voor hem buigen, omdat hij hun vruchten zal genieten. Legenden misschien. Maar zo gaat het met een ieder, die de inwijding van de lichte kracht aanvaardt. Want hier is een meesterschap geboren, dat niet komt uit een eenvoudige stoffelijke wereld. Een meesterschap, dat zelfs niet kan worden teruggebracht tot een bepaalde sfeer. Het is de scheppende kracht zelve, die zijn brandpunt vindt in een mensen vandaaruit door de kracht der gedachte al het zijnde kan regeren.

Een lange tijd van oefening begint nu voor degene, die deze eerste belofte heeft afgelegd. Hij moet leren meester te zijn over zijn gedachten. Enerzijds zal hij veel debatteren, veel spreken, zich dwingen bepaalde leringen uit te spreken en te formuleren, aan de andere kant echter wordt hij ook genoopt tot verinnerlijking. Meditatie en afzondering maken een deel uit van zijn curriculum. Men geeft hem problemen van stoffelijke en geestelijke geaardheid. Men zegt hem; “Los deze op.” Zo wordt hij langzaam maar zeker getraind, totdat hij uit de felheid van zijn geestelijk vermogen in staat is een inzicht te verwerven in de schepping. En niet alleen in de schepping zonder meer, maar ook in zijn eigen plaats in die schepping. Want eerst wanneer het besef van eenheid met het licht volledig gegroeid is, kan de tweede trap beginnen.

Ondertussen heeft hij natuurlijk een reeks proeven afgelegd. Vandaar dat men spreekt van een totaal aantal graden van 33. Ik weet wel, dat in andere richtingen dit in onbruik is geraakt en men drie laagste trappen kent, gevolgd door een reeks rangen, die – laten wij zeggen – meer nominaal zijn. Maar hier is dat niet het geval. Men moet in deze inwijding des lichts dus een aantal proeven afleggen. En dan pas kan men beginnen aan de tweede fase.

In deze tweede fase wordt de ziende voor een licht gesteld van buitengewone sterkte. Er wordt hem gezegd: “Ziel” Maar het licht is verblindend. Dan wordt er gevraagd: “Ziet gij?” Dan antwoordt hij: “Neen.” Dan is het antwoord, dat hij weer krijgt: “Al wat gij ziet met uw ogen is een bedrog; dat wat gij ziet met de geest is waarheid. Ziet gij?” Dan moet het concept van het licht worden uitgesproken. Een moeilijker proef dan u misschien denkt.

“Begrijpt ge?” is de volgende vraag. Het antwoord is: “Neen,” Want niemand kan het totaal van de schepping begrijpen. “Neem dan de middelen, die u gegeven zijn.” En hier treedt de magie binnen in de inwijding van het licht. De wetten van de Schepper, door hen in moeizaam streven erkend, worden nu opnieuw gegeven. Maar niet meer als een wet, die gehoorzaamd moet worden, maar als een werktuig, waarmede je a.h.w. de schepping kunt vormen en jezelf in die schepping kunt aanpassen.

Dan geeft men hem de grootste macht, die er bestaat. Een macht, die men noemt; het offer, Het offer begint klein. Het is een enkele daad, een enkele onthouding, een kleine tuil bloemen misschien of een gift aan een bedelaar. Maar zij moeten op een bepaalde wijze worden gegeven. Gelijktijdig wordt gezegd, dat dit het begin is. Want wie wetend is, moet leren offeren. Dan dooft de vlam en de wereld schijnt als te voren te zijn, maar de taak is een andere geworden.

Nu is het hele streven op het bewustzijn van het offer gericht. Het duurt soms lang, voordat men zichzelf zozeer meester is, dat men weet, waar een offer gebracht moet worden, kan worden of niet mag worden. Want dat gaat vaak heel ver. Maar wanneer ook deze fasen doorlopen zijn en men nog in de stof verkeert of misschien reeds in de geest is opgegaan, volgt de derde fase.

Deze derde fase begint met het offer van het eigen bestaan.

Niet met een zelfmoord maar met een absolute dedicatie. Eerst wanneer deze daad volledig volbracht is, het “ik” afstand heeft gedaan van al, alle angsten heeft overwonnen, alle begeerten terzijde heeft gesteld, dan zal – ontwakend uit deze op dood gelijkende gebondenheid  – de geest haar ware meester tegenover zich zien. En dan klinkt het verlossende woord: “Licht uit Mijn Licht zijt gij. Kracht uit Mijn Kracht zult gij zijn. Wil zult gij zijn, uit Mijne Wil geboren, volbrengend Mijne Wil. En geen grenzen bestaan er tussen ons.”

Wat dan overblijft is niet meer een vergadering, een lokaliteit of zelfs een geestelijke sfeer. Er blijft alleen een symbool over. Een symbool van drie sterren in de nacht. Het symbool van de goddelijke uiting, een openbaring. En van af dit ogenblik is de ingewijde, de volledig ingewijde, onttrokken aan vele dingen, die gij een natuurlijke wet acht. Hij is onsterfelijk, want te allen tijde kan hij zich manifesteren op elk gebied. Hij is alwetend, want hij kan zijn eigen bewustzijn verstrengelen met een weten, dat in de ruimte is gelegen. Hij is ook zeker een kracht van liefde, want licht zal hij brengen, waar het hem mogelijk is.

Misschien meent ge, dat er maar weinig ingewijden deze totale bewustwording doormaken. Toch zijn er in vele sferen krachten aan te wijzen, die de derde trap bijna of reeds geheel bereikt hebben. Sommigen bereiken deze in de stof, anderen in de geest. Sommigen leven, ingewijd zijnde, toch weer onder de mensen of op aarde, anderen zijn één geworden met de sferen.

Lichtende krachten bestaan er. De ingewijden van het licht, één geworden met hun Schepper door hun eigen bewustzijn en streven, zijn verbonden met alle werelden, met alle tijden. En wanneer zij op deze wereld neerdalen, proberen ze daar diezelfde wet, diezelfde les, diezelfde inwijding te geven. Want het is nodig, dat de mens tot het licht komt. Het is nodig, dat de wereld de beperking afwerpt, die haar zo lange tijd geketend heeft gehouden. Het is tijd, dat het bewuste wezen, het bewuste “ik” ontwaakt tot kennis van zichzelf. En juist in deze dagen, in dagen die duister zijn en kort, in nachten die lang zijn, schijnen deze krachten des lichts hernieuwd hun keuze te doen.

Maar denk niet, dat er alleen een inwijding des lichts bestaat. Er bestaat evenzeer een inwijding van het duister. En ondanks alles zijn beide zeer verwant. Want zoals het licht tracht de wereld tot licht te bewegen, zo tracht het duister de wereld tot duister te doemen. Wie dit weet, zal begrijpen, dat deze tijd van het jaar voor het noordelijk halfrond de periode is van de grote strijd en de grote worsteling. Het is de tijd, dat het vuur gelijktijdig heiligt en verteert, dat naast het stille licht van een kerstkaars het verscheurende licht van de grote branden over de wereld laait. Het is de tijd, dat demonische krachten dichter bij de mensen staan dan ooit te voren. Maar ook lichtende krachten roepen, spreken en geleiden een ieder, die daarin wil gaan.

Ik heb u dit verteld, opdat u iets zult begrijpen van de sfeer, die deze dagen doordesemt. Een sfeer, die in de praktijk heel weinig te maken heeft met het christelijke kerstfeest. Een sfeer, die ouder is dan Kerstmis. Een sfeer, die intenser is dan de beperking van een enkel geloof ooit kan zijn. Misschien dat ge dan ook zult begrijpen, waarom ik – juist op dit ogenblik en in deze tijd – probeer u enkele leringen voor te leggen, die in direct verband staan met uw eigen ontwikkeling zowel als met de mogelijkheden, die u geboden worden.

In de eerste plaats moet u goed begrijpen en ik citeer hier oude geschriften, zeer oude geschriften: “Niets van de uiterlijkheid mag de mens beroeren. Eerst wie de innerlijke vrede bezit, onberoerd door zijn uiterlijke omstandigheden, kan een schrede zetten op het ware pad.” Dat is zeer belangrijk. Met wat u uiterlijk doormaakt en beleeft, wat u hebt aan zorgen en aan leed of aan vreugde, kan betekenis hebben voor uw bestaan. De vrede, die ge in uzelf weet te vinden, een innerlijke evenwichtigheid en harmonie alleen, kan u vooruit helpen op het pad van de geestelijke ontwikkeling. Het andere is maar een verrijking van ervaring en van kennis. Het is echter geen innerlijke verdieping zonder meer.

Een tweede regel, genomen uit dezelfde oude geschriften; “Wie het bewustzijn zoekt, zal de beperkingen verlaten en in het onbeperkte zijn eigen beperkingen voor zichzelf aanleggen.” Het laatste is misschien – buiten de samenhang – taalkundig niet geheel juist, Maar de betekenis blijft toch in ieder geval duidelijk genoeg. Zolang men geleid wordt door uiterlijke wetten, ontstaat er het innerlijk verzet. Alles wat door dwang wordt gewonnen, betekent in feite een vernietiging van dezelfde waarde in het innerlijk. Datgene echter wat door eigen overtuiging van binnenuit ontstaat en gevonden wordt, is waar. Alleen wat in ons leeft kan de werkelijke basis zijn voor een geestelijke ontwikkeling en bewustwording,

Een derde woord; “Wie inzicht heeft verworven meent zich wijs. Doch slechts wie “deel” is kan wijsheid bezitten.”  Je meent heel vaak, dat je door je begrip van kosmische zaken al heel ver gekomen bent. Je meent, dat een paar geestelijke ervaringen of wat esoterische kennis je verheffen tot een hoger peil, je recht geven a.h.w. op een contact met God en een afstand doet ontstaan tussen jou en de mensen. Dat is niet waar. Degenen, die werkelijk bewust zijn, die werkelijk tot het hoger inzicht komen zonder meer, zullen deel zijn van alle dingen niet een inzicht hebben in alle dingen. Want dat is een heel groot verschil. Wij kunnen niet alleen door het inzicht, dat wij verworven hebben, en in onszelf en in anderen de kosmos ervaren. Maar als wij een deelgenootschap hebben gevonden, wanneer ons wezen mede gemanifesteerd is in het wezen van anderen, in het wezen van de natuur, van planten en dieren, sterren en moleculen, dan hebben wij een werkelijk beleven van dat deel der schepping gevonden. En alleen dat werkelijk beleven is de ware bewustwording.

Ik geef gaarne toe, dat deze raadgevingen voor u geen onmiddellijk praktische zijn. Maar ze geven u misschien een inzicht in het doel, waarnaar men streven moet. En een doel om naar te streven heb je nodig, zonder dat kun je niet bestaan. Wat is een mens waard, die niets gelooft en niets nastreeft? Hij is als dood. Wat is een geest waard, die in de zelfvoldaanheid van sfeer en bestaan geen licht ziet gloren aan de einder? Zij is dood en beperkt, een spook, in eigen gedachten opgesloten, zonder enige beduiding. Mens en geest ontlenen hun gehele mogelijkheid tot werken en bestaan, hun gehele mogelijkheid tot besef, aan het bewegen, aan het streven, aan het werken. En de weg des lichts is in feite de enige en ware weg voor allen, die de fase van menselijke bewustwording doormaken.

Het is nu eenmaal zo. Wij hebben de keuze van de chaos zowel als van het licht. Maar de chaos is niet geaard naar ons wezen, wij kunnen die chaos niet ondergaan zonder toch een innerlijk verzet te behouden en daardoor hernieuwd de weg naar vorming af te leggen. Het heeft voor ons geen zin om het duister te zoeken. Maar het licht zelve is een doel. En als wij begrijpen hoe dat licht werkt in ons, hoe wij er deel van zijn, wanneer wij het kunnen aanvaarden als een heilige taak, wanneer wij groeiende uit kennis en inzicht  ten slotte komen tot de eenheid en onderwerping dan, vrijwillig uit onszelf geboren, dan is het licht ons enig ware doel, onze enige betekenis.

Er is over deze dingen natuurlijk onnoemelijk veel te zeggen. Maar ik geloof, dat ik voldoende heb gezegd. Wanneer u deze dingen overdenkt, dan wordt u zich misschien bewust van de betekenis van een persoonlijk Kerstfeest, van een persoonlijke bewustwording, van een persoonlijke mogelijkheid en een persoonlijke weg. Wanneer u aan de hand van deze dingen kunt mediteren en werken, dan zult ook u de stemmen van engelen kunnen horen. Met als een glorieus visioen, maar als een innerlijke stem, die je toont, hoe je je wegen kunt gaan.

o-o-o-o-o

Wanneer je zou doordringen achter alle ruimten en je zou de kristallijnen kathedralen der eeuwigheid zien staan, dan zou je menen te dromen. Is het mogelijk, dat uit het goud van de zon en de nevel van de nacht tezamen een kathedraal gesponnen wordt, steen na steen? Is het mogelijk, dat boven de hooggotische, rankende vormen de gargouilles naar beneden spuwen licht en goud en zilver? Is het mogelijk, dat de zon rust op een altaar en dat de stem van de eeuwigheid spreekt als een orgel in hallen, die geen begrenzing kennen? Toch is dat de droom, de fantasie, die zich achter de eindigheid van het menselijk denken, achter de eindigheid van de geestelijke werelden verschuilt. Niet de vaagheid van schimmig wisselende vormen of de steeds veranderende, dromende velden, waarop de bloemen der gedachten bloeien en waar vlinders wieken als een kleine vreugde, voor een ogenblik in vorm gevangen. Dat is het misschien voor hen, die een ogenblik verpozen, die zich willen vermeien in de grazige weiden van een Zomerland, of die – sterker geworden – willen klimmen op de bergen, die Zomerland van de hemel schijnen te scheiden om daar een kleine edelweiss der bewustwording te plukken. Maar wat daarachter ligt in de ruimte is zo oneindig, zo vreemd… en toch zo wonderlijk begrijpelijk. Het lijkt wel of een meester van alle werken, van alle kunsten en alle begrippen hier het spel van de levendigste fantasie heeft gespeeld. Geometrische vormen als de kristallen, die schitteren in de sneeuw of die worden tot edelstenen, schijnen hier aaneengerijd. En er is iets van het menselijk denken, van het rankende, torenende, het ijle van de waar gebouwde kerk te vinden. En toch gelijktijdig is er iets van een intieme beslotenheid en een geborgenheid, die je nergens anders je kunt voorstellen.

Wanneer je zon kathedraal wilt binnentreden en je kijkt naar de bodem, dan zie je grafstenen. Vele. Maar er staan geen grafschriften op geschreven voor mensen, maar voor ideeën. Hier is een steen, waarop staat: de Evangeliën; en daar één, waarop staat: Openbaring. Hier staat: mantrams; en daar misschien de naam van een heilig boek, dat allang vergeten is in de loop van de geschiedenis. Want alle wijsheden der wereld tezamen, zij zijn de vloer, waarop wij kunnen wandelen in de kathedralen der eeuwigheid.

En als we naar de wanden zien, dan staan daar beelden, schitterend en groot en toch versteend en stil. Een sieraad, meer niet. En wanneer wij dan kijken, dan staat eronder geschreven: de verlosser, de profeet, de bevrijder, de verlichte, hij die komen zal. Namen uit een eeuwigheid, uit een oneindigheid, die je soms op aarde wel eens meent gehoord te hebben, of in de sfeer als een halfverklonken echo toch weer voor jezelf gevonden te hebben. Maar achter die naam staan alleen versteende beelden,

En dan wil je verdergaan, want je voelt, dat dit lange schip moet voeren naar het altaar, waar dat licht van uitstraalt, dat nu reeds je dreigt te verblinden. Je zoekt voor jezelf wel een inhoud erin te vinden, naar het is zo vreemd. Je vreest dat zo dadelijk de treden, die omhoog gaan, een belemmering zullen vormen. En terwijl je dat nog vreest, merk je, dat er geen treden zijn. Je meent dat het altaar beveiligd zal zijn door heerscharen van cherubijnen en serafijnen. Je meent de strijdbare Michaël zelf te zien met getrokken en vlammend zwaard, verdedigend het heilige der heiligen tegen eenvoudige schepselen. Maar zij zijn er niet. Ge meent dat het licht u zal branden en verblinden, maar het verbrandt u niet en het verblindt u niet.

Wanneer ge de moed hebt om verder te gaan, dan lijkt het, of ge mee versmelt in dit licht, maar zonder pijn en zonder angst en zonder vrezen. En wanneer je dan verschrikt op ademt, omdat het lijkt dat de beslotenheid van de kristallijnen kathedraal der eeuwigheid voor jou voorbij is, dan merk je, dat je als een ademend geheel een bent met elke rankende toren, met elke vorm en elk symbool, daarin uitgedrukt. Je bent een met de leren, die begraven liggen dáár, waar een bodem, een vloer, hun die binnenkomen althans enige vaste voet biedt. Je bent één met de gargouilles, die hun licht naar beneden spuwen, soms niet de gestalten van demonen, soms als engelen of herauten van de eeuwigheid. Je bent één met torens, die het duister zelf schijnen te schragen. En je bent een met klanken, die tot de wereld komen als licht en als dromen van zonnige muziek. Je bent één met de ramen, waardoor het veelkleurig licht naar binnen valt, waaruit de werelden van geesten worden geboren. En je vraagt niet meer. Want de droom van de kristallijnen kathedraal der eeuwigheid is werkelijkheid geworden.

Heb je een vaste plaats erin? Je weet het niet. En misschien – wanneer het wonder eindelijk verstild is – dat je zult zoeken en dat je je zult afvragen: Waar rust dan ik? En dan vind je soms een enkel ornament, een kleine rozet, misschien een eenvoudige steen of slechts een onbetekenend stuk specie ergens. En je bekijkt het met een innig medelijden, zeggend; “Was dat mijn begrip van leven? Was ik dat?”

Een wereld van fantasie misschien, maar een wereld, die werkelijker is dan menige wereld, waarvan men zegt; “Deze is onveranderlijk en staat vast.” Een wereld, die alle werelden omvat. Want zo even hebt u misschien nog gemeend, dat deze kathedraal, deze oneindigheid alleen maar was gelegen achter alle werelden; Maar kijk eens goed. Wat zijn de luchters, die daar hangen, hoog in de gewelven? Het zijn sterrennevels. En het licht, dat gulden naar beneden warrelt om alles dit intense en warme leven te geven, dat zijn de sterren, die hun banen zoeken en terugkeren steeds weer tot hun bron. En kijk eens naar boven? Kijk naar dat dak met zijn bouten, het zijn edele bogen, met zijn steunpunten en zijn hoekstenen. Wat ziet ge dan daar? Een beperking? Neen. Het is of de schemerende wereld zich vertekent, of duizend werelden worden weerkaatst. Geen Spiegel, maar een scheppende werking, een grens, waar je doorheen zou kunnen vliegen om plots te staan in een ander zijn, in een andere kosmos. Want het dak van de kathedraal der eeuwigheid is de gedachte Gods, de oneindige gedachte met al haar scheppende mogelijkheden, met al haar wil en al haar werken.

En soms, soms …. dan wordt het erg prettig maar ook plechtig in die kathedraal der eeuwigheid. Dan trilt door alle muren de bronzen klank van een stem, die roept. Er is niemand, die de klokkenstem hoort, maar een ieder is zich bewust van wat zij zegt. Dan dooft het licht op het altaar, dan versmelten de muren tot een nevel, die langzaam terugvalt, tot er alleen naar een duister lijkt te zijn. Maar in dat duister schemeren de gedachten voort, eens in dit dak van de kathedraal gevangen. Daar ligt een nieuw heelal, daar ligt een nieuwe kosmos en een nieuwe schepping. Daar ligt een oneindigheid. En dat wat duister geworden lijkt, wat uitgedoofd is als leven en besef, bestaat voort in dit flitsende spel van steeds nieuwe mogelijkheden en werelden.

Gij weet niet, of het een architect is, die deze wonderen bouwt of een kind, dat speelt met zijn blokkendoos. Maar wat deert het u? Want het is schoonheid. En één ding weet ge wel; Zolang die schemerende gedachtestroom aanhoudt, zolang heelal na heelal geboren schijnt te worden en onder te gaan in een flits, minder dan een seconde, zal er na de nevel, na de duisternis, een nieuwe kathedraal worden gebouwd. En je zult er deel van zijn. Misschien zul je weer eens binnentreden. Binnentreden, gelokt door het licht of getroffen door de niet hoorbare en toch zo sprekende klank van de bronzen klokken. Misschien ook zul je een basissteen zijn en hen dragen, die over jou wegschrijden tot ze zelf, versmolten met het licht, de waarheid vinden.

Dat is de droom en de fantasie van de kathedraal der eeuwigheid. Kristallen en doorzichtig, eeuwen omvamen en werelden dragend. Een fantasie die dichter bij de werkelijkheid staat dan de werkelijkheid. Want  wie weet  draait deze wervelende aarde, die gij uw wereld noemt, niet als een eenvoudig stofje in de lichtende kracht van een kristallijnen luchter, die hangt aan de hoge boom van Gods dromen? Misschien is uw hele nevelstelsel, machtig en ver, niets anders dan een kaarsvlam, die lichtelijk flakkert voor een kort ogenblik om in de edele vorm van het geschapen kristal zijn scheppingsdrang, zijn leven en zijn twinkeling te geven. Gij weet het niet en laat het u niet deren. Want wat kan het ons deren, vrienden, wie en wat wij zijn wanneer het ons gegeven is dan buiten te treden? Wat deert ons de werkelijkheid, wanneer onze droom blijft voortbestaan, lang nadat de dood alle begrip van werkelijkheid heeft uitgewist? Wat deert het ons, waar we zullen rusten in die kathedraal, als wij onze plaats maar vinden en innemen?

Weet u, dat is eigenlijk de inwijdingsgedachte en meer niet. Het is een gedachte, die past op het hele leven en op de hele kosmos. Het is niet, zoals hier iemand denkt, maconnerie. Het is veel ouder dan dat. Het is zelfs niet alleen uit mensen geboren. Want voordat deze wereld het eerste leven droeg, droomden elders wezens, lichtend en sterk geworden reeds in een ontelbare keten van geslachten, verheven tot wat gij misschien reeds “engelen” noemt, van de kristallijnen kathedralen der eeuwigheid. Het is de droom en de fantasie van het leven, dat in de schepping is en het is de werkelijkheid van elke ziel, die streeft. Het ene, dat niet ondergaat. Het ene, dat blijft voortbestaan. Het ene, dat waard is om voor te leven. Het ene, dat waard is om geleefd te worden.

En wanneer u dan in uw wereld misschien een ogenblikje last heeft of moeilijkheden, droom dan van deze kathedralen der eeuwigheid, waarin ook gij zult binnentreden, eens, ook al weet ge misschien niet wanneer. Droom van het licht op het altaar, dat u tot zich roept. En luister, of ge niet in de verte reeds de klokkenstem hoort, die – stil en sprekend tegelijk – u trekt tot een doel, dat verheven is boven alle werkelijkheid.

Dat,vrienden, is mijn poging om het eerst gezegde een beeld te geven, dat misschien meer spreekt, om een lichaam te geven aan de gedachte. Wat heb ik gedaan? Ik heb een droom geschapen, meer niet, Maar een droom, die veel werkelijker is dan alle werkelijkheid. Een droom, die leven blijft als alles, wat werkelijkheid heet, ten ondergaat. En daarom geloof ik te mogen zeggen: Al zijn mijn woorden voor u misschien een poëtisch beeld zonder meer, wanneer u erin durft geloven en ernaar durft streven, dan heb ik u toch misschien een klein, heel klein beeld gegeven vooraf, voor wat eens onloochenbaar uw werkelijkheid moet worden. Dan ben ik daar al erg tevreden mee, want het is moeilijk de krachten der eeuwigheid te omschrijven of er een beeld van te geven. Ik hoop, dat u tevreden zult zijn. Opdat de vrede van dit jaargetijde zowel als de innerlijke en hoge vrede van de ziel u gegeven moge zijn en u meer één zullen mogen maken met wereld en eeuwigheid tegelijk.

0-0-0-0-0-0

ALS DE NEVEL WIJKT

De nevelen omhullen de wereld. Het eerste komende licht wordt tot een melkachtig waas, dat zwicht en de wereld in duisternis laat.

De wind steekt op en het zonlicht komt en langzaam moet de nevel rijzen, totdat besef van richting weer de mens een weg kan wijzen om voort te gaan.

We zien paarsig de koeien gaan, pootloos en dromend in witte zeeën wadend. We horen klanken ver, verborgen, als door watten door de nevel heen en voelen; Hier te midden van het leven zijn we nog alleen. Alleen, alleen, verlaten….en toch verbonden met het zijn.

De nevel wijkt en een schemerend waas doet ons zien de verre contouren van bomen en huizen, van kerken en kluizen, van mensen ,en dieren, van wereld en Al. En vaag in de verte daar rijst er een licht.

Het licht wordt een wijle omhoog gericht en we zouden verder willen gaan.. Maar…. wanneer de nevelen der waan verdreven zijn, is het licht zo fel, doet de ogen pijn en wij richten ons weer tot de wereld, waarin we nu begrijpend staan. We moeten onze wegen gaan.

De zon trekt langs de einder voort en slaat een kleurig laatst akkoord, voordat ze zinkt, verdrinkt in zee. Dan zien we hoe de lichten komen, vele stippen licht en klein aan de hemel. En de kilte van de blauwe nacht baart vrede en pijn tegelijk. We zien – als verlichte trams door de steden – gedachten door onze hoofden gaan. We dromen van beelden uit lang verleden en herbouwen in dromen een nieuw bestaan. En we menen; Dit is het eind van het heden.

Maar voordat ze dalen de nevelen der waan, kunnen wij de vleugelen slaan en opgaan tot een hoger hemel. Want tussen de sterren daar komt een licht, dat nadert de wereld, dat nadert ons zijn, dat beroert ons met stralen, als levende wijn uit licht geboren, ons doet verdergaan.

Eens was er zon licht op aarde. Een stem riep: “Er is een kind geboren in Bethlehem.” En zo roert ook ons het licht en roept ook ons de stem. Want als de nevelen zijn geweken, wanneer de zonne-uren zijn vergaan, wanneer de sterren van oneindigheden, spreken, dan kunnen wij wel slapen gaan, maar ook de laatste keten breken en opgaan in ‘t oneindig Al.

En vinden daar de lichte krachten, de wonderlijke scheppingsmachten, die onbepaald in zijn of tal ons eens tot aanzijn brachten, ons verheffen weer en weer, ons doen begrijpen meer en meer, ons gevende de oneindigheid en daarin een band met al en alle tijd. Dan vinden wij
de zin van het bestaan in een nacht, die komt, lang nadat de nevelen zijn vergaan.