Het inwijdingsmysterie door meer levens

december 1959

Het is begrijpelijk dat haast geen enkel wezen binnen het korte bestek van een menselijk leven tot een volledig begrip van de onein­digheid kan komen. Er is een proces van langzame groei ‑ de geeste­lijke evolutie ‑ dat vaak over zeer vele levens is uitgespreid en daar­bij vele verschillende sferen omvat, ten slotte de mens of de geest zover brengt, dat hij in kan gaan in de grote werkelijkheid. Wij dienen dus de grote werkelijkheid eerst te omschrijven, aangezien zij het doel is van alle bestrevingen, waarover ik u spreek. Onder de grote werke­lijkheid wordt verstaan: de Goddelijke schepping gezien uit een Goddelijk standpunt, volmaakt, tijdloos en volledig in evenwicht.

De werkelijkheid van mens en geest is een vertekende werkelijkheid of­ wel de werkelijkheid overdekt door een sluier van waan. De waan komt voort uit het aanleggen van eigen maatstaven aan iets, dat groter is dan dit “ik” en door het “ik” niet kan worden overzien. Nu zal in elk leven een zeker aspect van het Goddelijke worden geopenbaard. Is dit slechts een natuurlijke groei, dan spreken we zonder meer van bewustwording. Maar in enkele gevallen wordt het mogelijk dank zij een sleutelbegrip, dat men krijgt, leest, dat geopenbaard wordt ofwel door eigen denken verworven, a.h.w. enkele treden over te slaan. Men wordt door deze sleutel (d.i. het passend stukje, dat het geheel van het leven en de ervaringen daarvan tot een sluitend geheel maakt), in staat gesteld op eenvoudige wijze op het pad voort te gaan. In het eerste leven dat de ziel doormaakt is er nog geen sprake van inwijding. Eerst wanneer het dierlijk punt in de bewustwordingsreeks is overschreden, kan terecht over een inwijding worden gesproken, omdat dan van een persoonlijk denken én ervaren plus zelfkritiek sprake kan zijn. Wanneer ik dus begin te spreken over de eerste fase van de inwij­ding, dan heb ik het hier over het primitief menselijk leven.

De primitieve mens wordt gesteld te midden van een wereld, waar­ in voor hem onbekende krachten en machten voortdurend werkzaam zijn. Hij komt hierdoor tot een animistische beschouwing en gaat denken over Goden en demonen. De sleutel (dat is de inwijding van dit leven) is ge­legen in het besef van eenheid. Niet van vele verschillende en met el­kaar strijdige krachten, doch van een geheel. Heeft men dit begrip van één geheel gevonden, dan zal aan de hand hiervan geestelijk het volgende gebeuren: De geest, zich bevrijdende, leeft langere tijd in een soort Zomerlandsfeer; althans in een reeks van om­standigheden, die te vergelijken zijn met het stoffelijk leven, waarbij echter vele nadelen van het stoffelijk bestaan zijn uitgeschakeld. Gedurende deze periode wordt de eenheid voor het “ik” steeds meer een­ concreet en leert het “ik” zich te wenden tot de ene God.

Als dit eenmaal is begrepen, volgt hieruit in een tweede geestelijke fase het begrip van de Goddelijke wil. Verder komt men zelden of nooit voor een incarnatie. Een enkeling brengt het nog een trap verder. Hij komt ‑ naast het begrip van Goddelijke eenheid en Goddelijke wil ‑ tot het concept van de God, Die in het “ik” werkzaam is. Een volledig begrip hiervan zou zo’n mens bij een terugkeer op aarde onmiddellijk tot een grote ingewijde maken. Meest­al echter wordt deze fase overgeslagen. De mens, die dan wordt geboren en de drager wordt van deze geest, heeft dus a priori een zekere vertrouwdheid met natuurlijke verschijnselen en een zeker respect voor een Goddelijke en geestelijke kracht en leert nu uit eigen oordeel en eigen denken de schepping te onderscheiden in goed en kwaad, licht en duister. Voor die tijd was het onderscheid enkel in aanvaardbaar en niet‑aanvaardbaar, of aangenaam en onaangenaam. Het resultaat is dat hij nu voor zichzelf een bepaalde levensleer gaat opstellen. Bij een normale bewustwording en groei komt de mens tot een zekere zedelijke opvatting, welke echter wordt aangepast aan eigen begeren. Het totaal van het moreel is dus aangepast aan het totaal van het begeren.

Zou men echter in een dergelijk leven onmiddellijk ook de volgende sleutel verwerven, dan zien we dat in dit leven de “wet van meerderheid”, ook wel genoemd die van gelijkblijvende velden wordt ervaren. Het “ik” is onbelangrijk t.o.v. het geheel waarbinnen het “ik” bestaat. De mens wordt zich hiervan bewust en hij leert de formule hanteren, waardoor dit “ik” als werkzame factor in het geheel kan worden ingeschakeld. Die formule wilt u misschien weten; ze is heel eenvoudig.

Persoonlijk belang maal wilskracht maal weten gedeeld door gemeenschappelijk drijven daad of resultaat.

Het kennen van deze formule is een sleutel, waardoor het mogelijk wordt eigen bestrevingen en eigen inzichten dank zij de massa te verwerken. Want door bij het eigen streven rekening te houden met de wereld, waarin men leeft, kan men op een redelijke verwerkelijking van het door het “ik” gewenste aansturen. Het begrip licht en duister bezorgt ons hierbij een zekere eenzijdigheid. Het zou beter zijn, als deze tegenstelling ‑ behalve voor het “ik” zelve ‑ terzijde kon worden gelegd. Maar dat gebeurt niet. Men blijft daaraan vasthouden. In deze eenzijdige ontwikkeling komt dan voor het eerst binnen het mysterieuze leven van de geest de mysterieschool ter sprake. Mensen, die deze trap op aarde bereiken, kunnen ‑ ofschoon meestal eerst in de latere levensjaren – deel gaan uitmaken van de esoterische, of mystieke richtingen en zij zullen, dank zij een innerlijk gevoel, een innerlijk geloof plus zeer vaak resultaten van hun studies, tot een vast omschreven wereldbeeld komen. Is echter de formule gevonden en heeft de mens zijn daden daaraan weten aan te passen, dan vindt geestelijk het volgende plaats; Hij komt tot een steeds nauwer begrip van eenheid met een bepaald aspect van het Goddelijke; hij leert zichzelf hierin verwezenlijken én verwerkelijken; hij ontvlucht al betrekkelijk snel aan de vormensfeer, daar deze hem weinig of niets nieuws heeft te bieden; maar hij erkent het licht nog als het Enig Goddelijke (wat dus nog een eenzijdigheid betekent) en zoekt in dit licht naar leiding, naar hulp. Voor het eerst wordt bewust naar een Meester gezocht en wordt lering ontvangen uit hogere sfeer.

Het bestaan van een dergelijke geest zal zich over het algemeen in een wereld van klanken en kleuren afspelen, waarbij de vorm is verwaasd of reeds teloor gegaan is. Ook hier is weer een mogelijkheid om geestelijk verder te gaan, nl. wan­neer men komt tot de afdaling (in figuurlijke betekenis) tot het z.g. duister. Men moet leren het eigen “ik” zowel in de z.g. duistere als in de lichte sferen te bewegen, zonder de inhoud van de persoonlijkheid te verliezen. Slaagt men daarin, dan kan men onmiddellijk de volgende trap betreden. Dit laatste geschiedt echter te zelden om er hier verder een beschouwing aan vast te knopen. Wat wel interessant is: een dergelijke mens keert over het algemeen met een nauw omschreven taak naar de wereld terug.

In de eerste fasen van dit inwijdingsmysterie is er a.h.w. sprake van een haast per ongeluk ontmoeten van Goddelijke waarden. Maar nu heeft men een vast concept. De geest heeft een aantal leringen opgedaan. Zij zal dus bij incarnatie zeer nauwkeurig kiezen wie en wat zij zal zijn. Het voertuig is voor het eerst volledig of bijna volledig aangepast aan de geestelijke behoefte. Het resultaat is dat de mens, die zo op aarde komt, over een grote hoeveelheid bekwaamheden beschikt, die boven de normale uitsteken. Wij kunnen onder deze mensen vinden grote geneeshe­ren en chirurgen, die haast instinctief hun diagnose weten te stellen; die genezen op een wijze, die haast bovennatuurlijk lijkt. We vinden er kunstenaars onder, die wonderlijke schoonheid creëren en vaak een ver­nieuwing van de richting der kunstbeoefening op aarde. Literatoren, scheppende musici. Vaak zijn ze daarnaast ook goed als reproducerend mu­sicus; maar in de eerste plaats zijn zij componist. We vinden onder hen ook de technici met scheppend vermogen. Het zijn dus degenen, die nieu­we principes ontwikkelen, niet degenen die principes, welke reeds be­stonden, verder uitwerken of daaraan bepaalde conclusies verbinden.

Gedurende dit leven zal voor hen een groot gedeelte de rede regeren. Om een tegenwicht te vinden voor de al te nuchtere redelijkheid dienen zij te zoeken naar een geestelijke inhoud. Zij zijn vaak – naast hun grote begaafdheid – intens gelovig en zullen over het algemeen zeer snel de esoterische richting van hun geloof inslaan. Zij nemen deel aan geheimscholen van hogere graad, een hogere orde van inwijding en komen vaak binnen deze orden en gemeenschappen tot een soort priesterschap. Als zij geen nieuwe sleutel vinden, kan dit bestaan drie á vier levens doorgaan, dus met alle tussenliggende trappen inbegrepen. Wordt echter de sleutel gevonden, dan zien we een zeer snelle verdere ontwikkeling. De sleutel is in dit geval de z.g. persoonlijke Godsnaam. Ik zal dit begrip nader omschrijven.

Wij hebben allen een directe relatie met God. Deze relatie kan in het klankdenken, dat de doorsnee‑mens nu eenmaal heeft, het best worden omgezet in een reeks van klanken. Zo ontstaat een zuiver persoonlijk woord – een klankenreeks, zo u wilt ‑ welke de directe uitdrukking is van de persoonlijke relatie met God en die zo de grenzen tussen “ik” en Goddelijke Werkelijkheid ‑ zij het ook maar tijdelijk ‑ doorbreekt. Dit woord heeft een zekere scheppende kracht. Het resultaat is dat degenen, die deze sleutel vinden naast de reeds genoemde ontwikkelingen, dikwijls magiërs zijn. Deze magie, zal als witte magie niet zeer op de voorgrond treden, maar zij bezitten een meer dan gewone beheersing van de materie en gelijktijdig een veelal verbluffende voorkennis omtrent verdere ontwikkelingen.

Heeft men deze sleutel gevonden, dan krijgt het leven na de dood – zoals dat heet ‑ een zeer bijzondere inhoud. Er is dan nl. het contact met het Goddelijke, dat onmiddellijk na de overgang wordt omgezet in een beeld. Overgaande van woorddenken tot beelddenken zal de geest haar persoonlijk Godsbeeld vinden en gedurende haar hele verblijf, onverschillig in welke sfeer zij vertoeft, dit beeld van de Godheid in zich dragen. Zij zal daarmede in onmiddellijke wisselwerking staan. Leringen, die door andere hogere entiteiten worden gegeven, zullen steeds met dit Goddelijke in verband worden gebracht en op den duur ontstaat een zeer grote drang naar eenheid, waarbij men zoekt naar een zo nauw mogelijke verbondenheid met álle geest, die men kan bereiken. In deze periode ontstaan de z.g. dubbelzielen, welke dus gezamenlijk hun weg voortzetten. Blijft de ziel alleen of wordt zij met een partner tot een nieuwe eenheid van gelijke of hogere inhoud, dan zal zij nadat zij geruime tijd ‑ en die tijd kan soms enorm lang zijn – worden vertoefd! Men leeft in sferen, eerst van geluid (dus lage trilling), daarna van licht (dus hoge trilling), terugkeren tot de materie. Dit behoeft geenszins in menselijke vorm te geschieden. Maar als de geest als mens terugkeert, dan wordt zij in een meestal perfect voertuig tot een profeet, een vernieuwer. Er is dan geen sprake meer van zuivere wetenschap, ofschoon deze soms geaccepteerd wordt. Het gaat deze wezens erom een zo volledig mogelijke openbaring van de Goddelijke eenheid ‑ of zo men zegt­ – de Goddelijke liefdekracht op aarde te verwezenlijken. Soms werken zij in het verborgene, soms in de openbaarheid; in enkele gevallen zijn zij de stichters van grote Godsdiensten. In dit leven zullen zij echter nog een oplossing moeten vinden, een nieuwe sleutel. Die sleutel kan worden omschreven als; De uitblussing van het “ik” ten bate van het geheel doet het “ik” herleven in en mét het geheel, sterker, reëler en waarachtiger dan ooit te voren. Nu wordt deze sleutel eigenaardig genoeg in deze fase practisch door iedereen in dat leven gevonden. Is men eenmaal zover en keert men dan als mens terug, dan kan men er wel van overtuigd zijn dat deze trap van inwijding onmiddellijk wordt doorlopen.

Gaat men echter de andere kant uit, dan kan men optreden als een soort toezichthoudende kracht. Men kan zich dan verbinden met kleinere en niet door leven bewoonde planeten; men kan zich ook bezig houden met de ontwikkeling van bepaalde rassen en soorten. In dat geval wordt men een soort natuurgeest.

Hierin zou de perfecte “ik”‑uitdrukking in harmonie met het Goddelijke moeten worden gevonden. Dit gebeurt echter niet altijd, daar de persoonlijkheid vaak eigen ideeën laat prevaleren boven die welke als Goddelijke waarheid wordt aangevoeld. Men houdt zich dan aan het zekere. In een dergelijk geval kan het bestaan in deze vorm worden voortgezet gedurende een langere periode dan de aarde ooit heeft bestaan. Als men echter in deze vorm wederom de samenhang der dingen kan vinden, de dienstbaarheid, dan wordt het leven, waarover men toezicht heeft, symbiotisch. Het voegt zich dus samen met andere levensvormen en leeft daarmee in perfecte harmonie en in een perfecte onderlinge afhankelijk­heid. Geschiedt dit dan is er evenzeer sprake van de erkenning, dat het “ik” niet kan worden opgelost of uitgeblust aangezien het slechts in dienstbaarheid aan het geheel zijn werkelijke betekenis kan bereiken. Daarom wordt ook hier de volgende trap van inwijding betreden.

En nu wordt het voor mij moeilijk om u die volgende trappen van dit inwijdingsmysterie verder te vertellen. Ik zou daarbij haast ongelooflijke dingen naar voren moeten brengen. Maar misschien is het voor u voldoende, als ik u zeg dat de daaropvolgende trappen zijn: planeetgeest voor bewoonde planeten; lichtkracht, wonend in de sterren of werkend uit de sterren. Wordt hier de cyclus wederom voleind met het begrip van een volmaakt harmonische gebondenheid (dus niet alleen van een opoffering maar van een binding, een permanente en vrijwillige binding), dan volgt hieruit de directe eenwording met het Goddelijk Scheppingsvermogen en bereikt men wat wij dan wel de hoogste sfeer noemen. Er zijn er misschien wel meer, maar die kunnen wij niet kennen.

Daar heeft u dan kort geschetst de inwijdingsgang door verscheidene levens. Natuurlijk ben ik daarmee alleen nog maar op een enkel aspect van mijn onderwerp ingegaan. Want stel u nu eens voor dat u bewust leeft op een wereld. Zoals u nu doet. Meer of minder bewust leeft u allen op deze wereld. Er is dan in deze wereld een eenheid te bereiken met de z.g. ingewijde. Dat wil zeggen met degene, die op dit ogenblik als werkelijk wetende de vertegenwoordiger is van het hoogste Goddelijk weten en de hoogste graad van Goddelijke eenheid, welke voor deze wereld kan bestaan. Elke inwijding, die u dan ondergaat, kan gaan in de richting van een persoonlijke ontwikkeling ‑ zoals door mij is gesteld ‑ maar zij kan ook gaan naar een oplossing van het “ik” in dit grote vermogen. Daarbij wordt dan de totale, tot nog toe gevolgde reeks van ontwikkelingen en inwijdingen afgesloten en daarvoor treedt in de plaats het volledig weten van de hoogste geest, waarmee men in contact komt en een met deze geest gelijktijdig verder geestelijk evolueren. Er zijn dus nogal wat aspecten te bespreken.

Voor een normaal mens dus, zoals u hier op aarde leeft, is het echter in de eerste plaats wel belangrijk na te gaan. Hoe ver ben ik? Want soms meen je wel eens: Nu, ja, ik weet esoterisch veel. Ik ben misschien meester in een of andere mystieke orde en ik heb het ge­bracht tot een zeer hoge graad van magische beheersing, dus ik zal wel wat zijn. Maar hoe kom ik zo ver?

Kijk eens aan, vrienden, wanneer u hier op deze wereld komt, dan zult u behoren tot zeer vele verschillende trappen uit deze inwijding, deze groei tot het Goddelijke. Maar u heeft één ding gemeen: alle mensen hebben een gelijksoortig denkvermogen, ze hebben een practisch gelijk instrument, het lichaam. Zij hebben daarbij een wereld, die een omgeving, een dwingende omgeving of maatschappij vormt, zodat voor bewusten en onbewusten gelijkelijk hetzelfde milieu bestaat. En hier treedt één van de meest eigenaardige mogelijkheden op die er be­staan. Door zich te voegen naar anderen en te erkennen dat zij meer‑wetend zijn, meer‑ingewijd zijn zonder het “ik” daarbij te verloochenen, kan men komen tot een nieuwe wereldbeschouwing, die ettelijke graden verder ligt, dan volgens de oorspronkelijke trap het geval zou zijn. Het wereldbeeld kan dus in een enkel menselijk leven veel verder worden afgerond, dan volgens het eerst gegeven schema mogelijk scheen. Hierbij valt dan wel niet de reeks van verdere geestelijke trappen weg maar wel vaak de noodzaak om te refereren aan de aarde bij elke nieuwe trap van ontwikkeling. Het is voor de mens mogelijk om gedurende een kort mensenleven zoveel ervaringen op te doen en deze op ze juiste wijze te verwerken, dat hij of zij als gevolg daarvan niet één maar meer trappen der inwijding gelijkelijk geestelijk kan doormaken. Het moet zelfs niet uitgesloten worden geacht, dat een mens op deze wijze levende tot een absolute bewustwording kan komen, waarbij dus een stoffe­lijke terugkeer niet meer noodzakelijk zou zijn, in menselijke vorm zeker niet.

De inwijding zelf vraagt ook nog een kleine uitleg. Wanneer wij nl. spreken over deze inwijdingsidee, dan hebben wij zo het idee, er is een leiding, er is hulp, er zijn leraren en meesters. Maar voordat die er waren, moet er ook al iets zijn geweest. De inwijding moet klaarblijkelijk worden gezien als een deel van het Goddelijk wezen. Zij moet van den beginne af door God zijn vastgesteld en in deze vorm wordt zij voor ons plotseling gemakkelijker voorstelbaar. Laten we ons God voorstellen als een cirkel die wij met door het middelpunt gaande rechte lijnen in verschillende segmenten verdelen. Elke maal, dat wij van het ene segment overgaan naar het andere, is er sprake van een trap van inwijding. Er is dus sprake van een steeds groter wordende ervaring van de werkelijkheid. Indien het Gods bedoeling is dat wij alle dingen kennen, dan mag hier een ketters‑boeddhistische uiting worden aangehaald. “Men spreekt u van het pad en de wegen. Doch zij, die niet éénmaal het rad hebben gekend, zij mogen gaan door alle hemel‑ en hellewerelden, maar zij kunnen nooit de kern bereiken.” Het is noodzakelijk voor de mens, dat hij de cyclus der stoffelijke bewustwording volledig heeft doorgemaakt, voordat hij verder kan gaan. Hij moet zijn segment kennen en daarna elk volgend segment aan zijn ervaring toevoegen. Eerst wie een overzicht heeft over de Goddelijke openbaring en de Goddelijke wil, is in staat daaruit te komen tot het erkennen van de Goddelijke waarheid.

Er zijn hieraan natuurlijk nog veel meer vragen te verbinden. Om u er een paar voor zo dadelijk te opperen. Het is mogelijk om een menselijk leven onbeperkt te verlengen. Technisch gezien is het een kwestie van verminderde voeding, van andere energietoevoer en het voorkomen van opeenhoping van afvalstoffen in het lichaam. Geestelijk gezien betekent het door een vergrote onttrekking van vitaliteit aan hogere sferen een deel van de stoffelijke instandhoudingsmiddelen en ‑ bronnen uit te schakelen. Wanneer dit gebeurt, zal degene die op deze wijze langer leeft dan een normaal menselijk leven soms een bewustwording en een inwijding kunnen doormaken, welke parallel loopt of soms zelfs identiek is met de door mij beschreven geestelijke trappen. Hij zou dus tijdens dit verlengde leven niet alleen de normale menselijke bewustwording plus eventueel de geestelijke bewustwording tot een volgende incarnatie doormaken, maar kan twee, drie en soms meer stadia a.h.w. in een mensenleven doorlopen. De wezens, die dat presteren zijn zeldzaam, maar ze worden wel eens de ingewijden van de wereld of de meesters van de wereld genoemd. Over het algemeen trekken zij zich uit de openbaarheid terug en spreken hoofdzakelijk tot hen, die voor hen bijzonder belangrijk zijn. Een interessant punt. Vooral omdat dezen uit hun eigen weten wel een déél van de geheimen kunnen openbaren maar nooit alles. Het is nl. onmogelijk om het totaal van in vele incarnatievormen en vele geestelijke werelden verworven kennis aan één mens over te dragen. Het moet fragment na fragment worden gegeven. Door een schijnbaar onsamenhangende of slechts uit fragmenten bestaande openbaring te geven, kunnen deze wezens dus voor anderen de bewustwording vereenvoudigen. Zij kunnen echter het probleem niet oplossen op een wijze, die persoonlijk denken en streven overbodig maakt.

Een ander aspect. Als ik geestelijk zover ben gekomen dat ik het eenheidsbegrip volledig beheers, kan ik uit die eenheid herbeleven zonder een persoonlijke incarnatie en wel door een volledige vereenzelviging met onverschillig welk bezield mechanisme of organisme. Bezieling is dus de enige noodzaak. Ik kan mij ‑ mij slechts voedend met de gedachte daaraan ‑ zozeer verrijken met de ervaringen des levens, dat daardoor een verdere voortgang in de geest mogelijk wordt.

En dan nog een ‑ ik hoop dat niemand mij dat zal verwijten – klein verwijs naar het tijdseigene. In het kerstverhaal kunt u, als u het dezer dagen weer leest, iets vinden dat bijzonder veel lijkt op deze bewustwor­dingsgang door meer levens. Want het kind Jezus sterft in de geest en wordt geboren vergezeld door lichtende krachten. Onmiddellijk daarop volgt de dood, de beëindiging van de eerste fase. Dan het leven in Bethlehem, vlucht naar Egypte, leven in een totaal andere wereld. Het sterven in Egypte, dat is het afsluiten van deze ontwikkelingsperiode; de terugkeer tot het Heilige Land, nu naar Nazareth, waarbij we in de Evangeliën alleen horen over de twaalfjarige Jezus in de tempel. Handwerksman, leraar, student. De in de Evangeliën niet genoemde tocht naar Indië. Nieuwe ontwik­kelingen, nieuwe gezichtspunten, nieuwe bewustwording. Terugkeer en uit­werping uit de Synagoge. Tussenfase of tussensfeer: de doop in de Jor­daan. Openbaar leven; weer een nieuw leven dus. Nieuwe erkenning. Kruisdood, uit de kruisdood glorierijke herrijzenis, tussenfase. Aanpassing aan de wereld in nog zichtbare en beperkte vorm om daarna verheerlijkt op te stijgen en onbeperkt deel te hebben aan het totaal van de wereld. Dat is de gang van de mens Jezus. Je zou dus kunnen zeggen dat het wezen Jezus in zijn bestaan een zestal menselijke levens met hun eigen mogelijkheden tot bewustwording aaneen heeft geleid tot een betrekkelijk kort menselijk leven. Dat is voor de meeste van u niet mogelijk en ook niet noodzakelijk. Toch kan uit dit leven van Jezus als een kerstgebeuren op zichzelf een zekerheid worden geput voor het eigen bestaan. Want de mens, die zover een kan worden binnen zijn eigen bestaan dat hij of zij daaruit krachten put ‑ en dat zijn wij allen ‑ kan binnen een leven tenminste een tweede fase inschakelen.

En dan ten slotte dit: er bestaan zeer vele mysteriescholen en inwijdingsscholen op deze wereld. Sommige ervan werken in het verborgene, andere zijn publiek of semi‑openbaar. Deze instellingen geven een aantal regels en vaak ook een reeks van erkenningen. Zij zijn echter nooit te beschouwen als volledige inwijdingsscholen Zij kunnen u slechts in en­kele gevallen doen doordringen tot een soort inner circle, een binnenstekring, waarbij u het weten van geestelijke sferen tijdens het stoffelijke leven kunt ervaren en eventueel ook de macht daarvan. De gewone leerling echter komt alleen tot een nauwkeuriger overzicht van zijn zijn en wezen gedurende een aardse periode. Deze scholen zijn wel delen van het totale inwijdingsproces, maar zij zijn niet het mysterie zelf. Zij zijn slechts een erkenning van onderdelen, waaruit een nauwkeuriger en dus sneller omschrijving van het grote geheel mogelijk is.