Inwijdingsschool ODV – Les 3 – Inwijding, bewustzijn en filosoferen

image_pdf

1 november 1955

  • In verband met de slechte kwaliteit van de opname / magneetband kon dit verslag niet woordelijk worden afgenomen.

Streven naar inwijding en bewustzijn.

Wanneer wij streven naar inwijding en bewustzijn, zullen wij ons wel degelijk kunnen realiseren dat de geest, die rond zwerft over de wereld, van groot belang kan zijn voor onze eigen bewustwording. Want elke geest, die wij kunnen benaderen en die ons iets kan geven van zijn eigen weten en bewustzijn, kan onze bewustwording vergroten door een sterkere realisatie van in ons levende waarden, zowel ook door een uitbreiding van ons bewustzijn omtrent de uiterlijke omstandigheden in de sferen.

Wij zouden hier kunnen spreken over een dimensioneel verschil, waarbij de geest in een andere dimensie leeft dan uzelf (stoffelijk). Een uitbreiding van uw eigen weten en bewustzijn met kennis omtrent deze andere afmetingen, betekent voor u een ontwaken in de geestelijke werelden. Ook wanneer het dagelijks leven verdergaat.

Nu zijn deze dagen de dagen dat men de heiligen en alle zielen herdenkt. Deze herdenkingen brengen over geheel wereld een versterkte stroming van gedachtegolven teweeg, waardoor reeds op het ogenblik geestelijke krachten – ook van minder lichtende geaardheid – zich beginnen te verzamelen rond deze wereld. Een proces dat magische kwaliteiten bezit en waardoor een versterkte uitwisseling van gedachten tussen stof en geest mogelijk wordt gemaakt.

Wanneer u van deze gelegenheid gebruik wenst te maken, zouden deze nacht en de daarop volgende nacht voor meditatie wel zeer geschikt kunnen zijn.

Er is nu nl. door de dienende mensheid een baan tussen stof en geest gelegd van een sterkte, zoals gij die zelf slechts zelden leggen kunt.

Ik wil u allereerst iets vertellen over de verhouding tussen de beide werelden.

Uw wereld is er één van drie dimensies. Men beschouwt over het algemeen als volgende dimensie de tijd, die ook inderdaad dimensionaal van karakter is.

Voor de geest echter is een andere ruimte de nieuwe aanvulling van het bestaande begrip van de dimensies, nl. een realisatie van intermoleculaire ruimten en de daarin bestaande spanningen.

Dit is de kortere wijze om dit uit te drukken. Hierdoor wordt de vaste wereld, zoals u die kent, vervangen door een wereld van voortdurende beweging en trillingen. Vooral in de trillingen van deze wereld leeft de geest en is zij zich bewust.

Deze trillingen nu zijn weer ongeveer gelijk aan de gedachtetrillingen, die ook u zelf uit kunt stralen. De geest heeft bovendien de bekwaamheid om zich in deze wereld te bewegen. Technisch uitgedrukt kunnen wij het verschil tussen beide werelden als volgt formuleren: vergroting van gevoeligheid voor de kleinere waarden die de mens totaal ontgaan, scheppen voor de geest een totaal andere situatie, waarbij zowel het innerlijk als het uiterlijk van de dingen gekend wordt. Niet meer in vorm, maar in een besloten veld, waar de in de geest levende krachten gelijk zijn hieraan, kan zich door eigen kracht te uiten binnen vorm en veld een structuurwijziging binnen vorm en veld tot stand brengen, in zoverre haar krachten hiertoe voldoende zijn.

Ik wijs u hierop, omdat dit systeem ook stoffelijk magisch te gebruiken zou zijn. Men kan ook een mens op deze wijze helpen, mits men sterker is dan de krachten die men wil wijzigen in hem. Krachten die de aanleiding zijn tot het optreden van fouten in denken, leven, vorm enz. Men kan dan dus herscheppend werken.

Het tweede punt, dat al evenzeer belangrijk voor ons is, de verhouding die bestaat tussen de wereld van de geest en die van de stof. De geest is door haar voorstellingsvermogen vaak zeer sterk aan de wereld van de stof gebonden.

Haar uit de stof komende gewoonte, zich te wenden tot vormen, zal haar zich ook hier nog doen wenden tot de vorm in de eerste plaats. Eerst wanneer een hoger bewustzijn is bereikt, komt de geest tot een realisatie van de innerlijke waarden van de dingen. Zolang de geest dit bewustzijn niet heeft bereikt, bestaat voor haar de wereld van de vorm nog wel, maar zij is wazig. Het zijn schijnbeelden, waar zij doorheen kan gaan, terwijl zij in hun vormen ook voor haar nog volledig vast zijn.

De geest die nog zo verbonden met de wereld leeft, wordt getrokken tot alle denken, plus alle toestand en alle vorm, die met haar eigen begeerten, of met haar denken een overeenkomst vertonen.

Een zakenman zal trachten nog zaken te doen, ofschoon hij niets meer tot stand kan brengen. De dronkaard zal naar drank zoeken. Degene die geliefden heeft achter gelaten, zal trachten om die geliefden nog te benaderen.

Zij zullen niet begrijpen dat dit op het plan van de vorm tussen stof en geest nooit meer mogelijk kan zijn.

Wat wil een dergelijke geest van de stof? Zie in de eerste plaats haar eigen gedachten volvoeren. Dit streven voert er haar toe, waar zij kan, de stof in deze richting te beïnvloeden en alle omstandigheden te bevorderen die hier ook maar enigszins toe leiden kunnen. Zij doet dit volgens haar eigen weten en bewustzijn.

Wanneer wij meer ingewijden kunnen worden, dan betekent dit, dat wij door verhoging van ons bewustzijn kunnen leren de trap van de bewustwording omhoog te gaan tot wij ons kunnen realiseren hoe dit alles werkelijk is, tot zij contact kunnen vinden, en leren tot de geest te spreken en haar te verstaan, wanneer zij ons wil antwoorden. (Vanaf hier wordt de magneetband zeer slecht)

Wat meer is, wij kunnen deze geest bewegen met ons mee te werken en wanneer het noodzakelijk is, kunnen wij deze geest zelfs dwingen om haar eigen baan te verlaten, zo dit noodzakelijk is.

De meer bewuste geest zal evenzeer de wereld en ook ons benaderen, maar niet meer aangetrokken door vormen en begeerten, zoals de onbewuste geest. Zij wordt tot de wereld gebracht door de behoefte, datgene wat zij meent op aarde niet goed gedaan te hebben en ten tweede door haar verlangen bewustwording in alle gedachtestromen gelijkelijk toe te zien nemen.

Zo werkt zij mede aan de bewustwording van het Al, de verheerlijking van haar eigen wereld en de verhoging van haar eigen geestelijk bestaan. Daardoor kan het contact, vooral met de meest bewuste geest, van het grootste belang zijn, ook voor hen die inwijding zoeken.

Nu is er zelden een tijd (1 november) zo vol van herinneringen aan overgeganen, zo vol van krachten die alle geesten trekken en voortdurend dichter bij ons brengen. De herinneringen van deze dagen zijn gevuld met liefde voor allen die deze wereld reeds verlaten hebben.

De geest benadert dus als antwoord hierop de wereld. De geest heeft juist nu contact weer met deze wereld. Wanneer u in staat bent dit contact nu te aanvaarden, zult u vele dingen juist aangaande de wereld van de geest kunnen leren begrijpen.

Dit is voor u zeer belangrijk, ook al is een groot deel van haar wereld nog steeds gebaseerd op uiteindelijke fictieve waarden. Want dit geldt ook in uw wereld nog grotendeels.

Ook op aarde zijn het niet in de eerste plaats de banden die geestelijk belangrijk zijn. Het zijn eerder de onbeheerste begeerten, verlangens enz. die voor ons geestelijk leven gevaarlijk zijn. Beheersen wij deze, dan zullen wij nooit hierdoor aan de stoffelijke wereld kunnen worden gebonden.

Wij moeten dus leren stof en geest in ons bewustzijn te scheiden. Dan eerst zullen wij kunnen komen tot een zien van ons lichamelijk bestaan als een werktuig ter beleving van een wereld.

De noodzaak hiertoe wordt ons eerst echt duidelijk, wanneer wij deel hebben aan het gedachteleven van een geest die aard gebonden is.

Ik kan er niet genoeg de nadruk op leggen. Het is belangrijk dat wij uit het leven van anderen genoeg leren om de stoffelijke waarden en waarderingen, die thans nog voor ons gelden, terzijde te stellen. Het is belangrijk dat wij steeds meer in leren zien, wat eigenlijk de werkelijke drijfveer in ons leven uitmaakt.

De geest zal door de wijze waarop zij het stoffelijk bestaan verwerkt en leert benaderen, haar werkelijke doel dan beter kunnen benaderen nl.: het verhogen en vergroten van haar bewustzijn.

Wanneer nu, zoals gezegd, door het denken van de wereld contact met en inzicht in het leven van de geest verworven kan worden, is het, naar ik meen, begrijpelijk dat degenen die zoeken naar inwijding hiervan gebruik zullen maken. Zij willen trachten steeds verder door te dringen, vooral in leven van de hogere geest en daar contacten te leggen met een hogere geest.

Heeft men dit persoonlijk contact nl. kunnen bereiken, dan zal dit eenvoudig in stand te houden zijn, ook wanneer de bijzondere condities, die dit de eerste maal mogelijk maakten, zijn verdwenen.

Inwijding zoeken betekent zeer zeker een grote behoefte van contact met de hogere geest. Wanneer wij dit contact echter zoeken, moeten wij er goed aan denken dat wij nooit alleen contact zullen maken met de lichte geest. Door echter elk contact te toetsen en te trachten de lagere geest te helpen, zowel als de mens op aarde, kunnen wij een beter inzicht verwerven in onze eigen capaciteiten. Ook dit is voor hen, die inwijding zoeken, wel zeer belangrijk. Ook moet men zichzelf weten te beproeven, zodat men niet alleen geestelijk, maar ook stoffelijk leert zien, waar onze eigen krachten en zwakheden schuilen, wat ons weten is en waar ons zoeken naar waarheid moet beginnen.

Ik geloof niet dat de omstandigheden het zelfs voor een ingewijde mogelijk maken te ontkomen aan het aards denken. Zij hebben ons geleerd dat men moet zoeken naar bewustzijn van de geest in de eerste plaats. Wanneer de geest zich bewust wordt van haar eigen weten en haar invloed op de stof, kan zij ook zonder medewerking van de stof deze stof tot een bewustwording dwingen.

Zij brengt haar streven dan over in de stof zonder verpozing en zonder hapering, zodat haar wezen, zo nodig geheel gedwongen, door de stof wordt geuit.

Wij moeten ons realiseren dat gedurende een dergelijke periode van de bewustwording de strijd tussen geest en stof leiden tot stoffelijke onaannemelijkheden.

Men weet dat gedachteleven en geest op de toestand van het lichaam een grote invloed kunnen hebben, waarom dan niet eerlijk zijn en zeggen: Wij weten dat de geest, die te hoog in bewustzijn is gestegen, aan het lichaam eisen zal stellen, waaraan het lichaam niet beantwoorden kan. Ook een te scherp bewustzijn van eigen fouten in de geest kan leiden tot lichamelijke bezwaren.

De bewusten, die dit weten, trachten dan ook het lichaam te harden tegen deze effecten. Ook zoeken zij leiding of een meester wiens raadgevingen zij onvoorwaardelijk hebben leren aanvaarden.

De niet zover gevorderde mens zoekt vaak contact op te nemen met hogere geesten of zgn. leiders.

Dit is echter alleen mogelijk wanneer men zijn geest vrij kan maken. Zonder dit zal een contact moeilijk tot stand te brengen zijn. Men kan de gewenste toestand van het “IK” helpen bevorderen door passende meditatie en bezigheden.

Laten wij echter vaststellen dat een ingewijde voor een bereiking nooit hoopt op bepaalde geesten, of roept tot bepaalde geesten. Zij weten dat men, zolang men in de stof leeft, het zelf vanuit de stof zal moeten bereiken.

Dit is begrijpelijk. Water, ook wanneer het in vaste toestand is, zal vloeistof blijven en slechts als zodanig zichzelf kunnen zijn. Wel kan het als vloeistof een bijzondere binding tussen moleculen bereiken, waardoor het helpt het ontstaan van leven sterk te bevorderen. A.h.w. een kristal in vloeibare vorm.

Ook bestaat er een metaal, een smeltproduct van bauxiet, dat in gasvormige toestand een sterke invloed op alle leven kan hebben. Maar deze toestand is alleen te bereiken door warmte die van buitenaf wordt toegevoerd. Ook zijn er gassen die, wanneer zij in de juiste verhouding in de lucht worden gemengd, een bijzondere werking op het levende kunnen hebben, maar slechts dankzij de bijgevoegde andere bestanddelen van de lucht.

Een werken van dergelijke stofdelen kan op de werking en de vorm van het stoffelijk organisme een invloed hebben. Maar een dergelijke verandering kan nooit plaatsvinden wanneer geen levengevende geestelijke invloeden hier ook mede werken.

Wij weten dat de kleinste levende organismen ontstaan door inwerking van stoffelijke invloeden in saline oplossingen, o.a. straling. Maar zij kunnen zich alleen ontwikkelen onder invloed van hogere geestelijke wezens. Het is de geest die uit de stof een lichaam tracht op te bouwen en aan te passen aan de geestelijke behoeften.

U heeft een lichaam dat is aangepast aan de primitieve behoefte tot uiting van de geest. Waar het de geest is die dingen schept en herschept, kunt gij, wanneer uw geest bewust genoeg is, zelf de nodige veranderingen geestelijk in uw eigen lichaam aanbrengen.

Deze veranderingen zullen dan nieuwe vormen van stoffelijke bewustwording veroorzaken, die gelijktijdig weer dienstig zijn voor de verdere geestelijke ontwikkeling.

Zou jij echter trachten lichamelijke waarden te verlagen, dan zou jij onmiddellijk tegenwerking ondervinden van de hogere geest, die tot de ontwikkeling van deze stoffelijke vorm heeft medegewerkt. Zij kunnen een verbetering wel aanvaarden. Een vermindering van waarden, krachtens hun eigen wezen en streven kunnen ze niet aanvaarden deze hogere geesten.

Vandaar dat lichamelijke training nooit de bewustwording kan bevorderen, maar deze wel zonder nadelige gevolgen mogelijk maken. Het lichaam is niet alleen samengesteld uit kleine eenheden. Het is één geheel, waarnaar de kleinere delen zich moeten voegen.

Wanneer ons dit realiseren, zullen wij………. Een inwijding betekent alleen een leren van wetten en krachten, die het mogelijk maken bepaalde dingen lichamelijk of stoffelijk te bereiken.

Inwijding betekent niet eigen verheffen boven de natuur. Het is verkeerd wanneer men zo over inwijding denkt.

Inwijding is leren deze Goddelijke wetten aan het eigen weten aan te passen. Dit betekent niet een wijzigen van de werkelijke Goddelijke wetten, maar een aanpassen van ons begrip daarvan aan de noodzaken van ons eigen wezen…..

Wie inwijding zoekt, zal, zoals gezegd, een meester zoeken. Heeft men die meester aanvaard, dan is men aan die meester ook volledig gehoorzaamheid schuldig….. ook wanneer duizenden stemmen anders klinken.

Wel mag men de meester een proef vragen vóór men hem aanvaardt. Een meester is niet altijd een stoffelijk persoon. Soms is het een drang in je eigen gedachten, die je dwingt contact te zoeken met een bepaalde persoon.

Soms is meester een geest die zich aan je openbaart. Soms merk je van de eigenlijke inwijding niet veel. Soms ook kan de meester een stoffelijk mens zijn, al of niet bewust je voerende tot hoger bewustzijn.

De meester geeft een oplossing voor elk belangrijk probleem, d.w.z. hij helpt u deze zelf te vinden. Voor elk opgelost probleem komen echter weer 10-tallen nieuwe problemen in u op.

Het heeft echter geen nut u over al deze vragen onmiddellijk opnieuw te gaan spannen. Een werkelijk ingewijde is dat geworden, omdat hij leerde, dat je het beste, ding voor ding doet. Hij brengt alles terug tot zijn oorzaak, dus tot de kernwaarde en bekommert zich niet over bijkomstigheden. Hem is niet het antwoord op de vraag, maar de geestelijke ontwikkeling de hoofdzaak……

Menigeen denkt een leider of een meester in de geest gevonden te hebben. Maar dat kan een waan zijn, het kan ook een niet bewuste geest zijn die jij als zodanig hebt aanvaard.

Daarom dient men zich eerst te overtuigen dat de capaciteiten van een dergelijke leider reëel zijn. Daarom bestaat er deze regel: Elke leerling heeft het recht van de meester te vragen, voor hij aan de meester de gehoorzaamheid en eerbied betoont die de leerling verschuldigd is aan de meester, hem het bewijs te vragen van zijn meesterschap.

Wanneer u een werkelijke meester om dat bewijs vraagt, dan zult u dat bewijs ook krijgen. Is het bewijs niet voldoende in uw ogen, of gelooft gij uzelf niet, dan hebt gij het recht tot drie maal toe aan de meester een medewerking aan een bepaalde proef te vragen. Hebt gij eenmaal een meester gevonden en gij zijt ervan overtuigd dat hij de meester is – u kunt dus al een bewijs hiervoor vragen en dan nog drie maal een proef nemen – dan zijt gij ook geestelijk verplicht hem te volgen. Gij kunt hem natuurlijk niet om een wonder vragen. Maar zelfs als proef kunt gij om een predictie vragen, een voorspelling.

U kunt vragen een u persoonlijk aangaand bewijs te geven, mits dit niet stoffelijk voordeel betekent. U kunt ook vragen u te zeggen wat anderen (en welke anderen) tot u zullen spreken op een bepaalde dag en uur in de toekomst en wat zij zullen zeggen.

Onthoud echter: Zijt gij door de proeven van het meesterschap overtuigd, dan ben jij dat ook volledig. Ik herhaal: dat je volledige gehoorzaamheid aan de meester schuldig bent. Vele van de geesten die op het ogenblik nabij, of nabij de aarde ronddolen, zoeken het Licht.

Het Licht zoeken betekent de leiding van anderen geheel en vrijwillig aanvaarden tot jezelf in staat bent het Licht te vinden en ook te beheersen. De meester die u inwijdt, kan tot u spreken op vele wijzen. In gedachten en dromen, in woorden en beleven.

Vaak zult u bemerken dat gij plotseling u verlaten en eenzaam voelt. Gij hebt tot nu toe geestelijk contact, geestelijke leiding gehad. Nu voelt gij u eenzaam en verlaten. Uw geest is moe en het lijkt of er geen hulp meer is.

Dit komt doordat uw geest een zeker bewustzijn heeft bereikt en zo ook een stoffelijke verandering in u tot stand brengt. Een verandering, die misschien niet wetenschappelijk te bewijzen is, maar die toch zo belangrijk is dat, nadat zij volledig voltooid, ook een nieuwe stoffelijke bewustwording betekent.

(Onverstaanbaar. Treedt dit verschijnsel dan op?)…. is het resultaat een scherpere benadering van innerlijke waarden, waarin het Goddelijke werkt. (Ook in de stof komt dan de werking van het Goddelijke Licht naar voren….?) Wanneer ik met een telefoon over langere afstand wil spreken, is het noodzakelijk dat er een versterker wordt tussen geschakeld. In de periode dat die versterker wordt tussen geschakeld, valt de verbinding tijdelijk uit.

De weg van de inwijding betekent een meer harmonisch worden in uzelf en door het wegvallen van niet harmonische invloeden in uzelf ook een wegvallen van lijden.

De inwijding brengt ook met zich mede: een in de plaats treden van geestelijke ervaringen voor stoffelijke begeerten en verlangens. Dit proces is voor de mens vaak zeer bitter, zoals het bij verdergaan van de bewustwording voor ons zeer pijnlijk is onze schone wereld vol vormen te zien wegsmelten als sneeuw voor de zon,………….. (Onverstaanbaar)

Bij zoeken naar inwijding krijgt gij een leiding die voor u persoonlijk bestemd is,……… (Onverstaanbaar). Een ingewijde is slechts een ingewijde, omdat hij op alle dingen die hij ontmoet zijn eigen kernwaarden projecteert, tot hij de kernwaarde van de dingen hierdoor heeft leren begrijpen.

Wanneer men zoekt naar inwijding wordt dit vaak het eerst kenbaar door een vergroting van sensitiviteit, waardoor men de aard van de dingen beter aan gaat voelen. Men ontdekt dat men een geleider heeft en komt zo tot een scherper bewustzijn.

Vele geesten, deze die deze dagen zo scherp tot de wereld worden aangetrokken, willen ook gaarne een bewustwording, een inwijding ondergaan. Maar zij begrijpen nog niet dat het – zoals zij het noemen – tot het Licht gaan tevens betekent: leren jezelf te beheersen.

Ook die geest zal haar belangstelling voor haar wereld verliezen voor zij tot een meer bewustzijn kan komen. Even als dit geldt voor u.

Wanneer u na een ontwikkeling in een bepaalde richting op de duur gaat denken dat alles kleurloos voor u wordt, zult gij ontdekken dat er een punt is waarin gij bij voortduring belang blijft stellen.

Daar vindt u dan een mogelijkheid tot verdergaan en op deze weg, die gij verder kunt blijven gaan, waar gij belangstelling voor hebt en waar gij in blijft geloven, zult gij dan degene ontmoeten die u verder leidt. Bedenk echter wel: Alle geloof, alle vorm is op zichzelf onbelangrijk. Zij zijn slechts het middel om tot de meester te komen die u verder geleidt.

Hebt gij de meester gevonden, dan zult gij daarna weer moeten leren om de bijkomstigheden ter zijde te leggen.

Zo zoekt dan de mens zijn weg, vaak gedreven door het verlangen naar bepaalde kwaliteiten. De een zou graag medium zijn, de ander helderziende of genezer. Een ander wil weer wat anders.

Onthoud echter één ding: Deze zaken zijn onbelangrijk. Zij zijn slechts het bijproduct, de stoffelijke afval van de bewustwording, hoe belangrijk zij in uw ogen ook nog schijnen.

Ten eerste hebben zij alleen waarde wanneer zij beheerst worden.

Ten tweede, wanneer zij door u slechts gebruikt worden om uw eigen bewustzijn en eigen inwijding aan de mensheid te delen.

Zoals de meester u het wonder geeft en het antwoord geeft op uw proef, voor gij hem aanvaardt. Zo zult gij ten opzichte van anderen hetzelfde kunnen verrichten, wanneer het noodzakelijk is dat zij uw leiding aanvaarden.

Degenen die de weg van de inwijding gaan, kunnen deze weg nooit geheel alleen gaan. Eenzaam zult gij zijn in uw leven, denken en handelen. Daarvan kunt u overtuigd zijn. Er zijn slechts weinigen die met u de weg gaan. Wel zult gij bemerken dat zeer velen zich tot u wenden om steun, terwijl anderzijds u steun wordt gegeven.

Eenieder die de weg van de bewustwording gaat, is een schakel tussen het onbewuste en het volmaakte bewustzijn.

  • In dit bovenstaande onderwerp zijn verschillende zinnen uitgevallen. Zoveel mogelijk is getracht een geheel te verkrijgen door de verstaanbare brokstukken van zinnen weg te laten, of zo mogelijk aan voorgaande en volgende zinnen toe te voegen. Waar het woord onverstaanbaar in de tekst is geplaatst, zijn meerdere zinnen geheel weggevallen. In vele gevallen werd het woord dat onduidelijk was aan de hand van de zin gereconstrueerd. Er is echter acht op geslagen dat tenminste een overeenkomst met de hoorbare klanken aanwezig was.

Filosoferen over verschillende mogelijkheden.

Wij zullen ons dan nu een ogenblik bezig gaan houden met het filosoferen over verschillende mogelijkheden.

Wanneer wij nl. zoeken naar een magische bereiking, of een plotselinge bewustwording, gebeurt het vaak dat wij worden geplaatst voor een onoplosbaar probleem, er verandert niets. Maar wanneer wij gaan zoeken, kunnen wij niet zeggen wat er veranderd is.

De waarden in ons die wij stoffelijk en geestelijk na kunnen zoeken, blijken gelijk te blijven, terwijl toch ons ervaren, ons beleven, ons bewustzijn anders is  geworden.

Juist over deze verschijnselen wilde ik dan graag een ogenblikje met u praten.

In ons zijn krachten die wij voorlopig niet omschrijven kunnen. Laten wij die kracht zolang maar levenskracht noemen. Ofschoon ik zeker weet dat deze omschrijving een veel te ruwe en daardoor ook onjuiste is.

Deze levenskracht stellen wij daarom gelijk aan de zielenkracht, aan de kracht Gods, die in alle dingen leeft. Het is iets onmeetbaar en schijnbaar iets volmaakt. Wij zijn niet in staat daar enigerlei wijziging in te brengen. Toch gebeurt het dat in ons leven iets gebeurt wat deze levende kracht in ons schijnt te veranderen.  Wij, in onze wereld veel meer dan u de uwe, zijn in staat deze dingen na te gaan. Ik moet toegeven dat het nooit is gelukt de bron te vinden van een dergelijke verandering, of een verandering aan de levenskracht zelf vast te stellen, of zelfs maar een verre relatie daarmee aan te tonen.

Zo kom ik aan – en met mij vele anderen – tot de conclusie dat er sprake moet zijn van een niet gerealiseerd deel van deze levende kracht, dat toch in ons aanwezig is. Een van de vrienden die zich in de laatste tijd bij ons hebben gevoegd, zei dit ongeveer als volgt: Levende kracht is een volmaaktheid die wij voor kunnen stellen als een cirkel. Datgene wat wij ervan beleven is een klein segment, dat door de hoek van het bewustzijn uit de cirkel wordt uitgesneden. De aanvullende hoek, die met het bewustzijn tezamen een cirkel maakt, is aanwezig en blijft er altijd, hoewel niet altijd gelijk.

Zeg ik nu: Ik verander de hoek van het segment waarbinnen mijn bewustzijn valt, dan heb ik een verandering, maar het totaal van de waarden blijft toch ten volle gelijk.

Ik ben toen zo vrij geweest om tijdens de discussie erop te wijzen dat er dan toch een waarneembare verandering moet zijn, nl. in het bewustzijn.

Hiervoor konden wij eerst geen oplossing vinden. Want de verandering was plotseling. Zij kon niet in verband worden gebracht met enkele feiten die worden opgenomen in het bewustzijn. Zelfs niet met een steeds toenemende spanning in het bewustzijn, die schoksgewijze het bewustzijn zou kunnen vergroten.

Het ene ogenblik was dit bewustzijn, deze levende kracht, in ons als in een het “ik” gerealiseerd deel er niet, het volgende ogenblik was zij er wel.

Toen kwam er dit eigenaardige beeld naar voren. Ik geloof dat ik dat kan accepteren. Het kwam van een wiskundige die niet tot onze groep behoort. Ik zal de termen en wiskundige formules eruit laten, die hebben voor u waarschijnlijk toch weinig of geen betekenis. Hij zei:

Ik zie de levende kracht niet – of de Goddelijke kracht – als iets dat ik mij als een cirkel voor kan stellen. Het is meer dan dat, ik heb m.i. te maken met een bol.

Onze reactie was: Nu ja, dan zetten wij die hoeken uit in 3 lijnen in plaats van twee. Verder blijft dan toch alles gelijk.

Hij echter zei: Neen, want wat ik in een cirkel mij niet voor kan stellen, maar wel in een bol, is dat ik een meervoudig gericht bewustzijn heb. Iets waarvan slechts een gedeelte binnen onze wereld tot uiting komt. Er is slechts één hoek die behoort binnen ons wezen, bij onze ontwikkeling. Maar ons wezen is meer. Zo kan het zijn dat er gelijktijdig in het brandpunt van onze persoonlijkheid vijf of zes van deze segmenten, van deze delen van de volmaakte bol of cirkel samenvloeien.

Onmiddellijk hebben wij gevraagd: Maar hoe wil je daarmee dan deze plotselinge bewustwording, deze innerlijke verandering verklaren?

Het antwoord was, voor mij althans, verbluffend. Ik heb er rijkelijk over nagedacht en juist daarom wil ik het u thans voorleggen.

Wij nemen altijd aan dat ons heelal het heelal is en dat ons leven slechts in dit ene Al bestaat. Dat God de kern van dit heelal is en meer is er dan niet. Maar….. zo zei deze vriend: Stel je nu eens voor dat wij als persoonlijkheid gelijktijdig deel hebben aan meerdere heelallen. Dat wij in elk van deze ook weer een uiting vinden als persoonlijkheid. Dan kan via het kernpunt van ons wezen een verbinding ontstaan tussen deze verschillende in ons levende persoonlijkheden. Ja, wat meer is, de bereiking van het ene deel van het werkelijkheid zal via het middelpunt door kunnen dringen in een Al, waarin een ander deel van het “ik” als persoonlijkheid geuit wordt. Op het ogenblik dat dit gebeurt, krijg ik dus een overschrijding van vlakken, die voor mij in deze persoonlijkheid niet waarneembaar zijn.

De scheiding tussen twee of meer van deze heelallen wordt immers bepaald door de hoek van het bewustzijn. Ik ben in deze vorm een deel van de totale persoonlijkheid, maar kan mijzelf in dit plan van zijn dit niet realiseren. Ik kan dus ook de grens niet vinden die mij scheidt van de andere delen van deze persoonlijkheid.

Nu plaatste mij dit – zoals misschien ook u – voor een raadsel. Hoe kan het zijn dat ik besta, leef, denk, handel en streef, dat ik misschien een inwijding onderga, terwijl ik gelijktijdig ergens anders een geheel ander leven voer.

Hoe kan het zijn dat ik mij bewust ben te zijn als geest en elders een deel van mijn wezen leeft zonder dat ik er hier iets vanaf weet.

Nu is het antwoord, dat ik na lang zoeken en vele besprekingen hierop heb gevonden, zeker niet volledig maar het duidt mogelijkheden aan.

Wanneer ik spreek van mijn persoonlijkheid, dan bedoel ik hiermede dat gedeelte van mijn wezen waarvan ik mij bewust ben. Dit bewustzijn betekent echter – en dat wel vaststelbaar in het Al – een begrenzing van mijn eigenlijke weten. Een kunstmatige grens, die ik zelf heb getrokken.

Wanneer ik deze grenzen niet kan opheffen, blijf ik in mijn eigen wereldje rondgaan met iets wat ik “persoonlijkheid” noem, terwijl het – vanuit het standpunt van anderen – slechts het tegendeel van mijn geuite persoonlijkheid is.

Ik zie als persoonlijkheid meestal alleen dat deel van mijzelf, wat niet één is met het zijn. Dan kom ik tot de conclusie dat ons gehele streven naar een vergroting van ons bewustzijn eigenlijk ook gelijktijdig een streven is naar een vernauwing van dit bewustzijn. Want enerzijds proberen wij dit Al te omvatten, maar anderzijds zullen wij voortdurend trachten om in dit Al één punt te vinden, want in het kennen van het Al zoeken wij uiteindelijk een realisatie van God.

Zoek ik eigenlijk in dat Al werkelijk naar God? Of zoek ik naar het middelpunt van mijn wezen?

Deze vraag kan natuurlijk bevestigend of ontkennend beantwoord worden.

Maar zeg ik hier: Ja, dan heb ik een verklaring van het geheel.

Indien ik zoek naar de kern van mijn wezen, dan benader ik een toestand van niet-zijn, zover het deze wereld betreft. Daar wordt mijn persoonlijkheid dan uitgeblust, terwijl ik éénheid in mijzelf vindt.

Nu klinkt – vreemd genoeg – haast gelijk aan vele andere beschouwingen, die uit geheel ander standpunt opgebouwd door velen – waaronder ook de Broeders van de Orde – worden aangehangen.

“Het opgaan in God”. Maar mag ik dan misschien zeggen: het terugkeren tot mijn eigenlijke wezen? Het opheffen van de begrenzingen die mij verwijderen van mijn eigenlijke wezen?

Men zegt zo vaak: De wereld is voor mij slechts wat ik ervan maak en wat ik er op beleef. Zo slechts bestaat zij voor mij.

Waarom deze stelling niet iets uitbreiden en zeggen: deze wereld ben ik zelf. De scheiding die ik maak tussen deze wereld en mijn persoonlijkheid is het, die mij belet te kiezen tot de kern van mijn eigen en werkelijk bestaan.

Dus niet: God, maar de kern van mijn eigen bestaan. Ben ik zo ver, dan zou ik  mij voor kunnen stellen, dat gelijktijdig in dit ik – voor mij nog niet “ik” – in deze kern van mijn bestaan meerdere van dezelfde of ongeveer gelijksoortige uitingen hebben plaatsgevonden.

Persoonlijkheden, die elk voor zich streven naar en betekenen een terugkeer naar het middelpunt.

Stel ik dit zo, dan wordt het mij duidelijk dat ik alle leven in meerdere en verschillende dimensies kan verklaren door te zeggen: dat mijn uitingen een afzondering van mijzelf betekenen, of – met een ander misschien beter woord – het uitschakelen van een deel van mijn wezen. Waardoor ik slechts werk met – ik mag wel een term van u lenen – wat wij slechts bleven, de neurotische complexen die in ons werkelijk “ik” bestaan. De persoonlijkheid, die ik volgens mijn bewustzijn thans ben, is a.h.w. een ziekteverschijnsel van mijn meer volmaakte wezen.

Het wezen dat ik ben binnen het Goddelijke en dat ook binnen het Goddelijke volkomen reëel is. Al het zijnde rond mij is dan slechts een begoocheling, voortgekomen uit de kunstmatige begrenzingen van mijn werkelijk bestaan

Een argument dat ook u wel bekend zal zijn, werd verder in onze kring aangehaald door te wijzen op de wijze waarop men een cirkel kan voorstellen als werkelijk beeld van het bewustzijn: de mogelijkheid van bewustzijn wel te verstaan.

Men begint dan in dezelfde cirkelgang, als het geheel tot de grens van het bewustzijn, vanuit het middelpunt een lijn te trekken. Men herhaalt dit een aantal keren, daarbij gaande vanuit het grenspunt naar het middelpunt en omgekeerd.

Wij zien dan iets ontstaan dat eerst op een bloem lijkt, maar langzaamaan wordt tot een zeer gekartelde rand, waarbij altijd nog – zij het kleine – delen van de cirkel, de bewustwording aan het bewustzijn, het weten en kunnen ontsnappen, terwijl anderzijds het grootste gedeelte van mijn bewustzijn met de cirkel reeds identiek is, ofwel met mijn ware zijn.

Hieruit kunnen wij de conclusie trekken: dat het voor ons op deze wijze praktisch onmogelijk is om te komen tot een volledig bewustzijn, een volledige realisatie van ons bewustzijn.

Maar stel ik nu: dat deze grens van bewustwording een kunstmatige is, dan kan ik met mijn bewustwording verder gaan dan de grens die hiervoor door mijn persoonlijkheid schijnbaar gesteld is. Door buiten dit bewustzijn te komen in elke levensgang, al is het slechte voor een korte wijle, deze bewustwordingsgang te overschrijden en dan weer tot het normale terug te keren, zal ik komen tot een volledige realisatie van mijn huidige eigen persoonlijkheid.

Deze realisatie zal het mij dan uiteindelijk waarschijnlijk mogelijk maken terug te keren tot het eigenlijke kernpunt. Het kernpunt is in de bol waar ik het over had.

Naarmate ik nu het aantal uitingen dat in mijn wezen – ik bedoel hier het grote wezen, de bol – door mij wordt gelimiteerd, doordat ik steeds meer van die persoonlijkheden onttrek aan de afgezonderde bestaanstoestand binnen mijn wezen, zal ik langzaam maar onophoudelijk een grotere intensiteit van leven kunnen overhouden voor de paar afgezonderde factoren die in mij zijn overgebleven.

Hebben wij dat punt bereikt, dan rijst een nieuwe vraag op, waarop ik nog geen antwoord weet, maar waarover u misschien uw gedachten eens wilt laten gaan.

Zal de grote intensiteit van mijn vermogen, wanneer slechts één waan nog in mijn ware wezen blijft bestaan, de persoonlijkheidswaan bv., mij in staat stellen om iets van de ware grenzen van mijn eigen wezen, de bol, leren omvatten?

Nu moet ik hier – helaas – weer met punten aan komen dragen, die voor ons na onderzoek logisch en redelijk zijn gebleken binnen onze eigen sfeer. Wanneer de geest tot een bepaalde hoogte stijgt, kent zij een bolvorm. Wanneer u zich voor dit aspect interesseert, zult u in de werken van Leadbeater een beschrijfvinkje kunnen vinden dat de werkelijke toestand soms reeds zeer nabij komt, ook al zijn de indelingen in sferen, volgens ons, zeker niet volledig juist.

Als ik mij voorstel dat deze bol de gehele persoonlijkheid van de geest is, zo zie ik toch, dat die bol langzaam maar zeker verdwijnt, ik weet niet hoe, maar hij verdwijnt. Hij is overgegaan naar een andere wereld en een hogere sfeer.

Wat zijn wij dan eigenlijk? Zijn wij misschien – wanneer ik de term weer enigszins onjuist mag gebruiken – de neurosen van het Goddelijke? De ziekte van het Goddelijke? Deze gezien als de scheppingswil, waardoor het wezen in zichzelf gedeeld wordt. Tegen zichzelf keert misschien zelfs? Dat zou mij kunnen verklaren waarom er voor alle schepselen, zij het relatief, goed en kwaad is. Het zou kunnen verklaren, alles wat er bestaat, het bestaan van de geuite wereld uit tegenstellingen.

De vreemde grenzen die er voor elke mens en geest telkens weer bestaan, evenzeer als de plotselinge momenten van lichtend bewustzijn, die er voor ons soms zijn, slechts één ding kan het mij niet verklaren: Hoe kan God, Die ik mij voorstel, neurotische verschijnselen vertonen? Hoe kan zo een God in Zichzelf datgene zijn of worden, wat wij bij een menselijk wezen schizofreen noemen? Zou onze Schepper dan een zieke God zijn?

Ook hierover heb ik lang nagedacht en geloof niet dat wij deze verschijnselen als ziekte moeten zien. Hoe vaak zien wij een kind of een jonge geest spelen en voor zichzelf rollen spelen. Wetende dat dit slechts rolletjes zijn, maar een bevrediging vinden in deze uiting in meerdere persoonlijkheden, die meestal met elkaar in strijd gewikkeld zijn.

Dan hebben we dus geen God, Die ziek is, maar een God, Die een kind is.

Ook dit kan ik niet aanvaarden. Tenminste niet in de zin, waarin de mens het begrip “kind” verstaat. In een kind komt echter wel de eenvoud van het leven nog heel sterk tot uiting. Ik geloof wel dat ik in een eenvoudige God mag geloven. Zou dan de drang van een eenvoudige God Zichzelf te zijn en juist daarom Zich te uiten een schijnbare, voor God niet werkelijke deling in de Schepping veroorzaakt kunnen hebben?

Een deling die wel degelijk beheerst en bewust is. Een deling die elk ogenblik kan worden teruggenomen, die wordt gehandhaafd, zolang hierin vreugde of vrede kan worden gevonden.

Nu kunnen we dat alles wel gemakkelijk zeggen. Maar is die God dan ook een God Die van zijn schepselen houdt? Die vraag moet ik bevestigend beantwoorden. Want is mijn God een Schepper zonder meer of een spelend kind, dan bestaat er geen liefde voor de Schepping, geen gebondenheid tussen de verschillende persoonlijkheden die wij zijn. De persoonlijkheden, die zijn voortgekomen uit Hem, Zijn handelen en denken. Zou dit laatste waar zijn, dan heeft immers God voor mij geen enkele waarde. Dan ben ik een pion in een Goddelijk spel geworden. Wat hindert het dan wat er verder gebeurt?

Ik geloof dat wij een verklaring mogen zoeken in de zelfprojecties, die wij bij kind zelf soms zien.

Het kind is meerdere persoonlijkheden gelijktijdig in het spel. Toch is het zichzelf in elk van deze persoonlijkheden en heeft elk van deze persoonlijkheden, zolang zij voor het kind bestaan, lief. Begrijpelijk, want gedurende het spel is de persoonlijkheid, die zich deze deelpersoonlijkheden heeft geschapen, zich ervan bewust dat zij deel uitmaken van het “ik”.

De Goddelijke liefde zullen wij dus kunnen verklaren uit het proces van de vereenzelviging. God heeft a.h.w. duizenden miljoenen, ongetelde wezens gelijktijdig in al Zijn schepselen. In elk schepsel is weer leven. Alle leven is weer God, omdat God Zich in elk van de levens toch weer van Zichzelf bewust blijft. Dan heeft God ons niet als schepselen lief, maar als deel van Zijn wezen.

Kunnen dit alles aanvaarden, dan komt er maar één ding in het gedrang: onze kostbare persoonlijkheid. Maar is deze persoonlijkheid wel zo kostbaar?

De kracht die in ons leeft, heeft de gedachte die wij zijn, geschapen. God schept Zijn beeld bewust. Het is geen ziekteverschijnsel. Het is een zich bewust uiten in een veelheid om hierdoor – wanneer u het zo zeggen wilt – desnoods een spel te spelen. De reden kennen wij niet. Wij zijn dus delen van God. Dan kunnen wij in Hem ondergaan. Wij zijn misschien gedachten die een ogenblik op de voorgrond komen en dan terug worden getrokken. Maar wij zullen dan toch deel blijven van het bewustzijn, dat volgens mijn idee toch ook in God moet bestaan.

Dit alles maakt een kleine en simpele beschouwing over mogelijkheden, maar een beschouwing ons brengt tot een zeker nadenken.

Zo is er nog een punt dat ik u graag – wanneer het u tenminste niet te veel wordt – wil voorleggen.

Wanneer ik leef als geest, ben ik in staat om verschillende projecties uit mijn wezen tot min of meer zelfstandig wezen buiten mijzelf te maken.

Wanneer ik denk aan een boom, wordt het gedachtebeeld onmiddellijk buiten mij opgetrokken. Meestal schep ik er dan, supplerende zonder er bij na te denken, daar een heel schoon, soms vaag landschap bij, tot ik een tuin of park buiten mij vind, waarin ik werkelijk thuis ben, zo reëel ik hierin anderen binnen kan leiden. Alles zo schoon en echt, dat het mij een vreugde is daarin te vertoeven. Iets wat eerst een gedachte in mij was, is buiten mij zo werkelijk geworden dat zelfs, wanneer mijn denken zich niet meer met het geheel bezighoudt, dit geheel nog langere tijd kan blijven voortbestaan.

Wat is het dan, dat mij tot scheppen brengt? Een behoefte? Wanneer ik denk aan een boom, hem wil zien en hem dan zie, is er iets in mij dat eigenlijk gevraagd heeft om die boom. Iets, dat dit beeld juist daar buiten mij heeft geplaatst. Al wat buiten mij openbaar is, is zeer klaarblijkelijk deel van een behoefte, leeft in mijzelf.

Hieruit zou ik de conclusie willen trekken: dat elke geest en elke mens eigenlijk een scheppend vermogen is. Dat al hetgeen er buiten ons bestaat, slechts product is van ons aller wezen, die daar, waar zij het sterkste waren, gerealiseerd werden.

Een onwerkelijke wereld dus, die tot werkelijkheid wordt.

Waar dit geldt in stof zowel als in de geest, moeten wij dit m.i. zien als een kosmische wet. Althans voor de thans door ons beleefde kosmos. Dan moet ik in staat zijn al datgene, dat ik werkelijk verlang, buiten mijzelf te produceren. Dan mag hierop geen enkele uitzondering bestaan en zal alles wat in mij leeft door mij ook buiten tot werkelijkheid worden gemaakt.

De vraag, die hierop onmiddellijk werd gesteld, toen ik dit in onze eigen kleine discussiekring naar voren bracht was: hoe stel je je dan voor, dat er zovele wensen onbevredigd blijven?

Ik heb toen gezegd – men heeft het mij bestreden, maar ik wil het u voorleggen ter beschouwing -: Ik geloof dat bv. een mens zegt en meent iets te wensen, dat hij voor zich in werkelijkheid niet wenst. Dat mensen en geesten streven naar dingen die zij innerlijk verwerpen. Ik meen dat de mens in wensen en verlangen niet één is en evenzeer bij de geest vaak de eenheid ontbreekt omdat, wat zij dan haar inziens verlangt, in zich te realiseren, of buiten zich te scheppen.

De conclusie, die na bespreking hiervan door mij en de anderen werd getrokken, is deze: De mens en de geest bestaan uit vele verschillende vlakken die ten opzichte van elkaar wisselend polair zijn. Daardoor elimineren zij bij elkaar alle krachten die bij een gezamenlijk harmonisch gericht zijn tot uitingen zouden kunnen leiden. Wanneer wij dus leren een deel van ons streven te veranderen en aan te passen bij hetgeen er in ons bewustzijn als wens leeft, zullen wij door deze innerlijke waarde te veranderen en een huidige bewustzijnswaarde tot uiting kunnen brengen. Dit, terwijl door een bewustzijnswaarde te veranderen evenzeer een innerlijke waarde buiten onszelf kunnen uiten en tot werkelijkheid maken.

Zo zou er niets zijn wat wij niet zouden kunnen doen. Antwoord hierop: wanneer je dit alles weet, hoe komt het dan, dat je deze dingen in jezelf niet wilt veranderen?

Ik heb heel lang nagedacht. Eindelijk heb ik een antwoord gegeven dat zo waar is als ik het kan zien en dat u, naar ik meen, uzelf zult moeten geven, wanneer uzelf over dit probleem na zou gaan denken.

Ik verlang meer mijzelf te zijn, zoals ik ben met al mijn tegenstrijdigheden, dan een wereld met volmaaktheid te bezitten. Dat ik mij dit alles niet, of zelden, realiseer, is de oorzaak dat ik niet een volmaakt geluk kan vinden, ook in mijn huidige toestand.

Wanneer ik wat voor mij het belangrijkste is en niet slechts bijkomstigheden, bewust gerealiseerd in mij kan dragen, zal mij moeten blijken dat de gehele wereld, zoals zij is, mij volmaakt gelukkig maakt en dus voor mij geen verandering van node is.

Zodra ik de veranderingen niet in het bewustzijn ervaar, maar in mijzelf tot stand breng, zal ik buiten mij een volmaaktheid, kunnen scheppen. Maar wat geeft mij een volmaaktheid buiten mijn wezen, wanneer ik deze innerlijk niet volledig kan ervaren? Ik ben heel bang in het laatste geval dat juist dit het geval zou zijn.

Ook dit lijkt mij een aardig puntje om eens over na te denken en zo u wilt, daar uw opmerkingen over te maken of uw vragen over te stellen.

Vragen.

  • U heeft gesproken over een vernauwing van het bewustzijn. Kunnen wij dit niet voorstellen als een zandloper? Wij denken dat wij bewust zijn. Wij merken dat het niet zo is. Wij gaan dan bewust terug naar het vernauwde gedeelte van bewustzijn en in het nauwste gedeelte tegenover onze tekortkomingen staan. Wij zijn ons daar dan van bewust, waarna wij weer in het openen komen.

Dit beeld is heel aardig, wanneer u het stelt binnen uw eigen wereld.

Dan is het inderdaad zuiver. Maar zoals u zich zult herinneren, ging mijn betoog over een meermalig en gelijktijdig bestaan rond het ware “ik”, dat hiervoor als kernpunt was gesteld.

Voor het geheel is dan een bewuste vernauwing niet mogelijk, omdat zij een verliezen van alle persoonlijkheden zou betekenen.

  • Kunnen wij dat dan niet?

Neen. Wie van ons, mijzelf niet uitgezonderd, heeft de moed de eigen persoonlijkheid uit te blussen om zo tot realisatie van de werkelijkheid te komen? Dat is juist hetgeen wat ons voortdurend in ons beleven beëngt.

Wij worden echter door ons streven en de daaruit resulterende vergroting van ons bewustzijn gedreven tot het steeds weer afwerpen van waarden die eerst voor ons zeer belangrijk waren en bij ons hoorden, maar die op de duur niet meer zien als een intrinsiek deel van het leven. Wij vernauwen hierdoor de aandacht die wij op het leven richten, waar wij deze delen verder buiten beschouwing laten. Zo verengen wij ons bewustzijn van wereld tot wereld, van sfeer tot sfeer, tot wij komen op een punt, waar het enige dat ons interesseert niet meer is: “ik”, maar het leven.

In dat leven realiseren wij dan vanuit deel van de uiting onze “ik-heid”. Zo was het bedoeld. Er zit dus iets anders mede in. Dat beeld van u is voor de wisselgang van karma, leven tot leven, echter volkomen juist. Maar in de door ons besproken onderwerpen, geef ik toch de voorkeur aan de door mij gegeven voorstelling. Wij zouden anders te snel in verwarring komen, waar wij binnen die bol anders toch al verschillende op elkaar toelopende trechters hebben.

  • Een bol vol zandlopers zou je dus kunnen zeggen.

Inderdaad. Maar dat zou een zeer verwarrend beeld worden voor de meesten, bovendien zoek ik natuurlijk beelden, waarmee ik mijn mening in eigen groep kan demonstreren en denk vandaar verder. Wij zijn zelfs de klok al ontwassen, laat staan dus de zandloper.

  • U sprak ook over een boom. Is het mogelijk dat u die schept en wanneer u anderen binnenleidt, daarin de anderen leert te scheppen binnen zichzelf, omdat zij door gebrek aan voorstelling dat zelf niet konden doen?

Dat kan wel, maar niet op een hoger vlak bewustzijn. Wat er wel kan gebeuren, en dat is een heel eigenaardig proces, dat ik zostraks buiten beschouwing heb gelaten, is dit: Wanneer ik in mij een gedachtevorm schep, kan ik daardoor een vaak lager bewustzijn in staat stellen deze met mij te delen, zo in een eigenlijk voor hen te hoge sfeer reeds te beleven en daarvan een voorstelling te verwerven. Die mogelijkheid bestaat hier dus en deze wordt bij ons meer gebruikt dan u hier allen bij elkaar op het ogenblik misschien denkt.

  • Daarom stel ik juist deze vraag.

U stelt die vraag, omdat u er al iets meer van weet. Ik heb deze ervaringen in de laatste tijd juist weer eens meegemaakt. Laten wij echter niet vergeten dat deze boom wel een tijd voort kan blijven bestaan, zodat een lagere geest daarin een schuilplaats kan vinden, maar dat het veelal nog langer duurt vóór een degelijke geest in staat is deze vorm zelf te creëren, zodat vaak door het vervagen van de gedachten en daarmede van het beeld een dergelijke toevlucht weer teloor gaat en de geest een andere toevlucht moet zoeken, of vanuit de hogere sfeer terug moet keren naar een lagere sfeer, waar zij het zelf wel tot stand kan brengen.

  • Hoe kunnen wij ons in onszelf verliezen?

Dat klinkt u misschien wat erg vreemd. Het betekent echter: u niet meer te realiseren wie en wat u bent. Dan verliest u nl. ook de begrenzing die u uw persoonlijkheid noemt. Maar gelijktijdig wordt u daardoor volledig weer één met uw eigen wezen. Het grote “ik”, waarvan uw gekende persoonlijkheid slechts een klein deel is, wordt vollediger gerealiseerd naarmate het van het beperkte “ik” meer verdwijnt. Zo verlies ik mij in mijzelf, doordat de grens die het bewustzijn rond een deel van mijn persoonlijkheid ten opzichte van het geheel heeft getrokken, teloor gaat.

Ik verlies dus mijzelf, zoals ik mijzelf ken in mijzelf, zoals ik werkelijk ben.

  • Je komt toch weer tot jezelf terug?

Inderdaad. Maar niet meer als het wezen dat nu het bewustzijn omtrent het “ik” voor zichzelf beperkt en ompaald. Dit is nu het moeilijke punt. Er gaat iets teloor. Maar niet doordat het verdwijnt, maar doordat het wordt opgenomen in een groter geheel en daarin nu niet meer als eenheid begrensd is. Ik kan zeggen: Ik heb een vezel hout. Zolang ik haar apart houd, kan ik van haar zeggen, hier is een vezel hout. Voeg ik haar in de stam, dan is deze vezel er nog wel, maar zij is een organisch deel van het geheel geworden en zal niet meer als afzonderlijk eenheid naar voren komen. Zo is het eigenlijk ook met de persoonlijkheden die wij in onszelf op het ogenblik zien. Het is a.h.w. een vezel van het werkelijke bestaan, het werkelijke zijn.

  • Is het niet zo dat, wanneer wij het juiste bewustzijn daarvoor bereikt hebben, er een meester op ons pad komt om ons verder te geleiden?

Ik trek de magneet tot mij, zegt de spijker. Mijn waarde vriend, door uw stijgend bewustzijn wordt u tot de meester geleid en getrokken en niet de meester tot u. Als u het anders zegt, draait u de belangrijkheid en de kracht van de dingen wel heel erg om.

  • Maar dan is hetgeen u hier als uitspraak doet in strijd met verschillende esoterische scholen, die het precies andersom leren.

Dat geloof ik heel graag. Door het gevoel van eigenwaarde vindt haast iedereen het prettiger te geloven, dat men door bewustwording zich het recht op een meester verwerft, in plaats aan te nemen, dat een meester in ons iets bruikbaars ziet en ons aanneemt als leerling. Het is hoofdzakelijk een kwestie van formulering, het resultaat blijft gelijk.

Laten wij één ding voorlopig maar terzijde stellen: het begrip, dat de meester naar ons toekomt. Men heeft deze gedachte zo ad absurdum doorgevoerd, dat er op het ogenblik zelfs mensen zijn die geloven dat Jezus tot hem persoonlijk komt. Maar hoe kan het grote naar het kleine gaan?

Het kleine, gaat altijd naar het grote. Dat is ook hier wel degelijk waar.

De meester is de meer bewuste, de ingewijde. Degene die zoekt naar deze uitstralingen, wordt er door beroerd en getroffen. Hij gaat daarheen. U kunt nu wel zeggen: er komt iemand op mijn pad en dat is mijn meester. Maar het is anders. Uw streven om een meester te vinden, heeft uw pad zo geleid dat u die meester zult ontmoeten. Was uw streven anders gericht, dan was die meester nog hier geweest, maar jij zou niet hier zijn. Zoals u het zegt, zou u moeten zeggen: dan zou die meester niet hier geweest zijn, maar ik wel…. Om verschillende redenen is dat dwaasheid. Denkt u daar maar eens over na.

  • U zegt: het kleine gaat naar het grote. Volgens mij is het kleine wel in staat om het grote te zien, maar ziet het grote het kleine niet.

Inderdaad. Het kleine ziet het grote en wordt daar naar toegetrokken. Kijkt u maar eens rond u. Een stofje in het wereldruim wordt aangetrokken tot een zon. Ziet de zon het stofje, of het stofje de zon? Het stofje wordt door de zon aangetrokken en gaat op in de zon.

Ik hoop niet dat u mij deze terechtzetting kwalijk neemt. Wij noemen deze groep nu “Inwijdingsschool”. Een van de punten, die voor een inwijding noodzakelijk is, is een juist begrip van waarden. Wanneer u verder komt in een esoterische school, zal men u hetzelfde ook zo langzaamaan gaan verklaren. Dat wil zeggen: wanneer u werkelijk ingewijd wordt en het niet blijft bij het leren van wat leefregeltjes en een paar waarheden met wat onzinnigheden er nog bij. Want dat noemt men ook vaak esoterie.

  • Een ingewijde is toch iemand die zijn uitstraling, die tot licht is geworden, bewust uitzendt in de kosmos?

Ja. Dat laatste is weer een belangrijk punt. Hij zendt uit. De meester zoekt niet naar leerlingen, maar zijn bereidheid om ieder te helpen, doet hem de leerling aanvaarden die hem zoekt. Er bestaat geen werkelijke meester, die u zal vragen of u alsjeblieft zijn leerling wilt worden. Maar een waar meester zal u ook nooit weigeren, omdat hij voor zichzelf u niet af kan stoten, zonder eerst zijn eigen wezen te veranderen. De kern van zijn wezen is zijn bereiking en bewustwording, die hij niet verloochenen kan.  Nog meer vraagjes?

  • U spreekt over vraagjes. Voor ons zijn het hele grote problemen.

Inderdaad. Vergeef mij. Ziet u, voor mij telt eigenlijk het feit, of de leerling de meester, of de meester de leerling zoekt zo weinig. Belangrijk is het dat leerling en meester tezamen, gezamenlijk werkende, uiteindelijk de bewustwording bereiken. Dit tot in de uiterste vervolmaking.

  • In dit bovenstaande onderwerp zijn verschillende zinnen uitgevallen. Zoveel mogelijk is getracht een geheel te verkrijgen door de verstaanbare brokstukken van zinnen weg te laten, of zo mogelijk aan voorgaande en volgende zinnen toe te voegen. Waar het woord onverstaanbaar in de tekst is geplaatst zijn meerdere zinnen geheel weggevallen. In vele gevallen werd het woord, dat onduidelijk was aan de hand van de zin gereconstrueerd. Er is echter acht op geslagen, dat tenminste een overeenkomst met de hoorbare klanken aanwezig was.
← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf